Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2016, december

Dijk

Zaterdag 31 december, Moddergat

 

Oudjaarsdag is het hoogtepunt voor wie bij Dossiermoddergat werkt. Sinds het bestaan van Het Dossier komen we traditiegetrouw bij elkaar, De Blogger, de redacteur, de hoofdredactie, de fotograaf, , de schoonmaak, de twee aandeelhouders, de corrector, de directeur, zelfs De Censor is er. Het is in het hoofdkantoor in Moddergat een drukte van jewelste.

We brengen deze dag samen door opdat we ’s nachts gezamenlijk het nieuwe jaar kunnen verwelkomen. Dit samenzijn smeedt de eenheid en brengt elk jaar weer inspiratie. Vooral omdat we aan het begin van de avond onze eindejaarbonus krijgen uit handen van de directie. Opnieuw maakte Dossiermoddergat spectaculaire groeicijfers mee, wat wij merken aan onze eindejaarbonus. De Blogger denkt dat hij er nieuwe auto van gaat kopen.

Aan het begin van de middag vindt het hoogtepunt van de dag plaats: met z’n allen beklimmen we de dijk en kijken we eerst naar het noorden. Vanaf Moddergat kunnen we dan, als we heel goed kijken, de Noordpool zien liggen. Dat wordt elk jaar lastiger want meer en meer windmolens op zee benemen ons het zicht. Sinds een paar jaar zien we voornamelijk kruiend ijs en ijsberen in moeilijkheden.

Als we naar het oosten kijken, zien we Poetin in Moskou zitten. Het is dit jaar voor de eerste keer dat we hem zien lachen. Napret, heet dat. Over hoe hij de Democraten een loer heeft gedraaid. In plaats van die strenge Clinton komt die dwaas in het Witte Huis. ‘Daar kunnen we nog veel plezier mee beleven.’
Dan richt de blik zich op het westen. Ver weg zien we Groot-Brittannië liggen, een eiland dat steeds verder afdrijft van het Europese vastenland. Ben zo benieuwd waar het uiteindelijk heen zal zeilen.

Ten slotte draaien we ons om naar zuiden. Onder aan onze voeten ligt Nederland. In de ogen van mijn collega’s zie ik meewarige blikken. Arm land. Een welvarend land, een land waar iedereen heen zou willen vluchten zal Claudia de Breij laat op de avond zeggen. Ondanks die welvaart is de zuurgraad tot bijna dodelijke proporties toegenomen. Boze, witte mannen laten al de hele dag op televisie weten hoe verontwaardigd ze zijn. Ja, de publieke omroep mag dit fenomeen niet missen. ‘Waar bent u dan boos over?’ ‘Omdat we genaaid worden door de elite.’ Einde interview. Het valt me op dat journalisten niet eens meer doorvragen hoe ze dan door de elite worden genaaid. Hilversum is tevreden met de soundbite.

‘Tsja,’ vraag ik aan de corrector. ‘Wat moeten we hiermee?’
De man haalt de schouders op. ‘Ik vrees dat het moet uitzweten. We kunnen niet tegen de tijdsgeest inroeien.’
Dan beklim ik een van de twee bankjes die op het dijkvak voor het hoofdkantoor staan.
‘Collega’s, de corrector zegt zojuist dat we niet tegen de tijdsgeest kunnen inroeien. Laten we dat idee nou eens vergeten. Het is de taak van Dossiermoddergat om dat juist wel te doen. Al gaan we kopje onder. Dat is de kracht van Dossiermoddergat. Roeien zullen, tot we de stroom hebben gekeerd.’
Iedereen barst in gejuich uit. Dat is de spirit. Zelfs de corrector heb ik overtuigd.
Als we de dijk afdalen, denk ik aan mijn woorden. Alleen maar woorden. Geen idee hoe je tegen de stroom in kunt roeien. Zelfs geen idee waar ik de boot en de peddels kan vinden om te roeien.

’s Nachts, de klokken hebben twaalf uur geluid, klimmen we opnieuw de dijk op. Om ons heen hangt een dikke mist. We zijn het zicht op de windstreken volledig kwijt. Het rode noodvuurwerk waarmee de kustbewoners het nieuwe jaar vieren kleurt de mist rood.
De corrector slaat zijn arm om mij heen. Hij wil iets zeggen, maar hij is zo dronken dat de woorden in zijn keel blijven hangen. Zwijgend staan we daar kou te lijden. ‘Zullen we maar naar het hoofdkantoor teruggaan?’ zegt de Censor die zoals altijd het verstandigste is.

Verjaardag

Donderdag 29 december, Tubbergen

 

Het kan niet anders of Mick Jagger denkt als hij over het podium vliegt en Satisfaction zingt: ‘Het is toch belachelijk dat ik nu 73 ben.’ Mick Jagger en zijn leeftijd passen niet bij elkaar. Niet qua leefstijl, niet qua conditie. Ik wil me niet met Jagger vergelijken want ik zie me in alle opzichten geen Satisfaction zingen, toch heb ik hetzelfde: ik pas niet meer bij mijn leeftijd. Tot halverwege mijn vijftigste heb ik me bij elke leeftijd senang gevoeld. Toen ik de zestigste naderde kreeg ik steeds meer het gevoel dat het niet klopte.

Niet omdat ik niet ouder wil worden, of bang ben voor de dood. Het komt waarschijnlijk door het beeld dat ik vroeger van 60-jarigen had: oude mensen die op een zijspoor staan. Nou heb ik niks tegen zijsporen, dat zijn vaak de meest interessante sporen. Met dat zijspoor bedoel ik vooral dat hen een soort onmacht was overkomen. Niet dat ik mij zo machtig voel, integendeel zelf. Maar ik heb nog altijd het gevoel dat ik zelf mijn zijsporen kan bepalen en dat naar hartenlust en vol energie kan doen. Dat neemt niet weg dat ik vandaag 62 ben geworden. Ik moet mijn zelfbeeld aanpassen aan mijn leeftijd en dat is even wennen.

Ik hou sowieso niet van verjaardagen. Zeker niet van mijn eigen verjaardagsfeestje en ook het bezoeken van een verjaardagsfeestje van een ander vind ik meestal een bezoeking. Ik hou niet van de social talk die erbij hoort en ik hou niet van de vrolijkheid. Al wil ik voor sommige jarigen deze weerstand best negeren.
Ik weet zeker dat veel familieleden en vrienden hier hetzelfde overdenken, dus de afgelopen 22 jaar heb ik geen verjaardagsfeestje meer gegeven. Het laatste was volgens mij de supriseparty die Lies op mijn veertigste had georganiseerd. Daarna vond ik het definitief mooi geweest en bespaar ik familie en vrienden verplichte bezoekjes. Ik hoop trouwens dat dit een wederzijdse dienst is. In ieder geval vat ik mijn geste wel als zodanig op.

Op mijn verjaardag vlucht ik dan ook meestal. Ik zorg dat ik niet thuis ben. Menige verjaardag heb ik in een ver buitenland gevierd, bijvoorbeeld op het dak van een hotel in Madras of in een hotel in Londen of St. Petersburg. Op die manier kan ik het best van mijn verjaardagen genieten. Met veel plezier lees ik dan de felicitaties die via Facebook binnenkomen. Toch leuk dat al die mensen even aan mijn denken. Voor hun felicitaties ben ik dankbaar. Meer hoeft voor mij niet, hiermee ben ik dik tevreden.

Dit jaar heb ik met Wyb mijn toevlucht gezocht in een hotel in Twente, bekend om zijn lekkere eten. Wyb en ik blijven er twee dagen. Op mijn verjaardag maken we een lange wandeling door het Twentse land dat ik eigenlijk niet ken. Met de Dinkel meanderen we door een oud cultuurlandschap.
Wyb weet mij altijd voor dit soort wandelingen te motiveren door te beloven dat halverwege een uitspanning is met cappuccino en gebak. Kleine teleurstelling op mijn verjaardag, helaas blijkt de uitspanning tussen kerst en oud en nieuw dicht te zijn. Waardoor ik het de volgende zes kilometer ook zonder consumpties moet doen.

Pas terug in het hotel kunnen we de beloofde cappuccino en appelgebak nuttigen. Dit doen we voor een open haard in de lounge van het hotel.
‘Ik ben vandaag jarig,’ zeg ik tegen een mevrouw die op een andere stoel voor de open haard op haar iPad zit te lezen als de serveerster ons het gebak komt brengen.
‘Ik ook,’ zegt ze.
Zo blijken er opeens twee verjaardagsvluchtelingen voor een open haard in Tubbergen te zitten.

Lied

Dinsdag 27 december, Lhee

De katten liggen te slapen in dit lied,
niets in deze kamer heeft zorgen of verdriet.
Ik lig rustig op de bank en lees het boek:
dood komt langzaam, soms is hij er bijna niet.

Schragen

Maandag 26 december, Lhee

 

Het is voorbij. Onze keuken ziet eruit zoals hij er nooit eerder uitzag. Een slagveld. Wie Dossiermoddergat volgt, weet dat Wyb en ik een hectisch leven leiden. Woon- werkverkeer tussen Lhee en Rotterdam schuwen we niet. We zijn er niet vies van om drie, vier avonden inclusief de weekenden te werken. Er zijn mensen die ons voor gek verklaren. ‘Doe toch rustig aan, man.’ Al die drukte is eigenlijk alleen mogelijk als je een geconcentreerd leven leidt.

We doen veel, werken hard, maar dat is alleen mogelijk als je een heleboel dingen niet doet. Zo geven we eerlijk toe dat we tamelijk asociaal zijn. We permitteren het ons niet om uitgebreid zomaar bij vrienden op bezoek te gaan. Soms zeer bewust houden we potentiële vriendschappen op afstand. Ik realiseer me dat ik daar mensen mee teleurstel, maar als je het leven leidt wat wij leiden, kun je je niet veel afleiding veroorloven.

Wyb en ik vinden het belangrijk om goede familiebanden te onderhouden. Zo krijgen de kinderen altijd voorrang. Wanneer ze ook bellen, ik sta altijd voor ze klaar. Hetzelfde geldt voor de familie van Wyb. Het onderhouden van die banden kost al zoveel tijd dat er voor meer sociaal leven nauwelijks tijd is. Goede vrienden zien we met regelmaat, maar sporadisch. Dat kan niet anders als, zoals bij ons, het werk prevaleert. We zouden een andere keuze kunnen maken. Maar dat is niet het geval. Komt bij: naast het werk vinden we het heerlijk om alleen te zijn.

Het resultaat van het onderhouden van familiebanden staat nu in de keuken. In de loop van de tijd hebben we best wat borden en bestek vergaard. Tot nu toe stond het altijd keurig opgestapeld in de kast. Volgens mij is het vandaag de eerste keer dat we het volle arsenaal gebruiken. En dat arsenaal staat nu te wachten tot de afwasmachine eindelijk klaar is en de volgende shift de machine in kan.

Terwijl de troep staat te wachten, kijk ik naar een documentaire over The Rolling Stones die voor het eerst in Cuba, in Havana, een concert geven. De band treedt op Goede Vrijdag op. De paus persoonlijk heeft er nog een stokje voor willen steken. Een concert van The Rolling Stones op Goede Vrijdag is blijkbaar vloeken in de kerk. Gelukkig wordt er gevloekt en gaat het concert gewoon door. Cubanen vieren hun vrijheid. Nog niet zo lang geleden werd je opgepakt als je naar de Stones luisterde. ‘Ik beleef nu een overdosis aan vrijheid,’ zegt een van de concertbezoekers in extase.

Een paar blogs geleden schreef ik hoe Toon Hermans onderdeel uitmaakte van mijn genenpakket. Met The Rolling Stones is het niet anders. Hun muziek gaat al mijn hele leven met mij mee. Een paar tonen en ik weet dat ik met The Stones heb te maken.
Ik denk dat iemand zijn leven schraagt met een paar pilaren. Tot mijn pilaren behoren Toon, The Stones, maar ook Tom Waits, jazz, kinderen, familie, een paar schrijvers. Dit weekend overleed de Britse zanger George Michael. Zijn dood bijvoorbeeld zegt me niets. Zijn muziek valt geheel buiten mijn genenpakket.
Hoe anders zal het zijn als een van The Stones overlijdt. Als ik ze zo over het podium zie fladderen dan lijkt hun dood ver weg. Goed mogelijk dat het spelen van Stonesmuziek de poort is tot het eeuwige leven. Ik hoop het. In ieder geval tonen Mick Jagger (73 jaar), Keith Richards (73 jaar), Charlie Watts (75 jaar) en Ron Woods (70 jaar) met hun optreden aan dat mensen tegenwoordig hun hele leven jong kunnen blijven. Ik ben blij dat zo’n stevige pilaar mijn leven fundament geeft. Een paar nummers Stones en ik word weer voortgestuwd in het leven.

Jozef

Zondag 25 december, Lhee

 

Zoals de trouwe lezer van Dossiermoddergat weet, ben ik een atheïst in hart en nieren. Godsdienst zie ik als een van de vele dwalingen van de menselijke geest. Mocht god bestaan dan moet hij onmiddellijk voor het Internationaal Gerechtshof worden gedaagd. Attila de Hun -waar hij zijn voetstap zette, verschroeide de aarde- was een lieverdje vergeleken bij het wezen dat wij ook wel Opperwezen noemen.

Dat neemt niet weg dat ik tot zeer hoge leeftijd van het Kerstfeest heb genoten. Ik hou van de kerstboom, het samen aan tafel zitten, het kaarslicht en het sentimentele gevoel dat bij Kerst hoort.
Jammer genoeg is dat Kerstgevoel de laatste jaren wat afgenomen. Ik wijt het aan de moderne tijd. Eergisteren nog een première in Rotterdam. Slapen in Rotterdam. En dan weer naar Drenthe jakkeren om een lekkere maaltijd voor Anne te maken. Een maaltijd gedrenkt in veel zeer goede wijn, het kerstpakket van de firma Bureau Lommerde & Tonen was na een uitstekend jaar uitbundiger dan ooit. Al bij al komt het erop neer dat ik nauwelijks de tijd heb om de lichtjes van de kerstboom aan te knippen.

Ik mag dan een strijdbaar atheïst zijn, dat neemt niet weg dat ik als kind al ontzettend genoot van de bijbel. Waar vind je nou een boek met zulke mooie verhalen? Vermoedelijk ben ik ook een van de weinige atheïsten die de bijbel in totaliteit heeft gelezen. Diep in mijn hart vind ik dan ook dat iedereen minstens eenmaal in zijn leven de bijbel moet hebben gelezen. Liefst op jonge leeftijd zodat hij zijn hele leven van de verhalen kan genieten.

Bij het programma De Slimste Mens werd vorige week gevraagd wie Jozef was. Zelfs na hard nadenken wisten twee van de drie kandidaten niet wie hij was, welke rol hij in dat magistrale boek vervult. Ben je de stiefvader van Jezus, weten na tweeduizend jaar twee van de potentieel Slimste Mensen niet wie je bent. Vind je het gek dat we in onzekere en angstige tijden leven.

Deze dagen hoop ik toch wel weer dat oude Kerstgevoel te pakken te krijgen. Wyb staat al in de keuken om de runderwangen lekker te laten sudderen. Nog even en vrolijk kindergekwetter vult ons huis. Eerst nog de Kerstboom aanknippen en de kaarsen aansteken en dan moet het toch lukken.

Maar ja, vrede op aarde voor mensen met goede wil, kom daar vandaag de dag maar eens mee aan. Met de wil is de vrede verdwenen. Het wordt tijd dat het Opperwezen Zijn Zoon weer eens naar de aarde zendt opdat hij met een zweep de PVV’ers uit het parlement geselt. Niemand die dat zo effectief kan als De Zoon, als ik de bijbel mag geloven.

Ik vrees dat Zijn Terugkomst nog wel even op zich laat wachten. Neemt niet weg dat ik me op de runderwangen verheug.

Toon

Donderdag 22 december, Lhee

 

Vandaag kijk ik naar een van de vier delen van een documentaire over Toon Hermans, 100 jaar Toon Hermans. Ik merk dat zijn hele oeuvre onderdeel is van mijn genenpakket. Zijn liedjes horen bij mijn hersenstructuur. Zijn conferences ken ik vrijwel woord voor woord.

Ik weet ook hoe dat komt. Toon behoorde tot de hoogtepunten in mijn jeugd. Dagenlang konden mijn vader en moeder en ik ons verheugen op een uitzending van een van zijn one man shows. Ver voor de uitzending begon, zaten we klaar met zoutstengels en Exota.

Tijdens zijn voorstellingen gebeurde er iets met me wat niets anders bij me teweeg bracht: ik voelde een intens geluk. Het leek of ik door zijn liedjes en conferences werd opgetild, ik realiseerde me ten diepste dat het leven prachtig is en dat we er mateloos van moeten genieten en dat dit besef werd veroorzaakt door iemand die met het leven kon spelen.

Diverse keren wordt hij in de documentaire een volksartiest genoemd. Ik denk dat die benaming volkomen terecht is. Ik weet het natuurlijk niet meer, maar ik kan me zo voorstellen dat de straten in Nederland leeg waren als zijn one man show op de televisie werd uitgezonden.

Nederland heeft trouwens niet zoveel volksartiesten, en dan bedoel ik artiesten die door brede groepen in de samenleving worden omhelsd. Twee namen die me te binnen schieten zijn André van Duin en André Hazes. Ik denk dat het de laatste Nederlandse volksartiesten zijn. We leven in een totaal gefragmentariseerde samenleving, versplinterd in allerlei subculturen. Ieder leeft in zijn eigen bubbel. Zo verschijnt er op mijn Facebook account nooit een PVV’er.

Ik heb lang niet meer naar Toon gekeken. Ontzettend fijn dat die documentaire er nu is, 100 jaar Toon Hermans. Het wonderlijke is dat ik hem niet gedateerd vind, De Grote Drie blijkt uiteindelijk toch maar een Grote Een te zijn geweest. Wim Kan is de geconserveerde jaren vijftig. Wim Sonneveld is te fluïde om, buiten een paar mooie liedjes, echt te beklijven. Ook het getalenteerde geweld van Freek de Jonge, Hans Teeuwen en Theo Maassen heeft hem niet aangetast. Toon is nog steeds Toon.

Toch is hij voor me veranderd. Vroeger zag ik vooral zijn smoking, zijn vrolijke kop en zijn vrolijkheid, nu zie ik pas dat hij in alles een absurdist is, een groot dichter ook. Al zijn zijn in boekvorm uitgebrachte versjes het slechtste wat hij heeft gemaakt. Toon is de dichter in zijn optredens, een perfomend poëet.

Ik ben blij dat ik ook vergeten ben dat hij een etterbal was voor mensen in de theaters die hij bezocht. Vooral technici hadden de pest aan de man die buiten het podium vooral een chagrijn was. Dat neemt niet weg dat ik later, als ik in het bejaardenhuis zit (ik hoop zo dat het bejaardenhuis terugkomt), op YouTube heel veel Toon ga kijken. In een of andere obscure supermarkt zal ik wat overjarige pakjes zoutenstengels en Exota kopen, naast mij zitten mijn vader en moeder en we genieten mateloos.

Identificatiestraat

Woensdag 21 december, Lhee

 

Ik zit in mijn hotelkamer te werken als Wyb belt. Als ik daar de hele avond zit, ben ik altijd weer blij als ik haar naam op mijn mobiel zie verschijnen.
‘Zie nou wel dat ik een vooruitziende blik heb,’ is het eerste wat ze zegt.
‘Hoezo dan?’
‘Heb je nog niet gehoord van die aanslag in Berlijn?’
‘Meen je niet. Waar?’
‘Bij de Gedächtniskirche.’
‘Echt? Onvoorstelbaar.’
Ik zet meteen de televisie aan en zie de chaos op de kerstmarkt.

Iets meer dan een maand geleden liepen Wyb en ik vanuit een metrostation naar de Kurfürstendamm. We waren op zoek naar een fotomuseum daar. Op weg naar het museum komen we langs de Gedächtniskirche waar ze een kerstmarkt aan het opbouwen zijn.
‘Ik zou niet ontspannen naar die markt gaan,’ zegt Wyb, terwijl we langs de standjes lopen. De meeste zijn nog kaal en volop in aanbouw. ‘Het lijkt me een ideale plek voor een aanslag. Veel mensen bij elkaar, vrede, vrolijkheid, fijn doelwit voor terroristen, lijkt me. Ze mogen het wel goed bewaken.’
Wyb verwoordt mijn gedachte. In het hart van Berlijn, in het hart van Duitsland, de ideale plek voor een jihadistische gek. Helaas wordt onze angst werkelijkheid.
Opnieuw zo’n vrachtwagen. Zo rijden er heel wat potentiële wapens rond.

Vandaag opent het NOS Journaal met het nieuws dat het bij aanmeldcentra voor asielzoekers maar niet lukt om IS-aanhangers eruit te halen. Goh. Terwijl de politiek dat toch had beloofd. Zo zie je maar dat de politiek alles kan beloven. Het maakt onze parlementariërs niet uit of iets wel of niet realistisch is, als ze maar kunnen beloven. Hebben ze toch het idee dat ze een daad stellen.

Natuurlijk worden IS-aanhangers er niet uit gehaald. Zo brengt het NOS-journaal met enige verontwaardiging het feit dat telefoons van mensen die asiel aanvragen nauwelijks worden gecheckt. Iedereen die asiel aanvraagt, gaat door een zogenaamde identificatiestraat (vreselijk woord trouwens). Zonder enige ironie zegt de verslaggeefster: ‘Het is de bedoeling dat terroristen er hier worden uitgepikt.’

Hoe naïef kun je als NOS Journaal zijn. Natuurlijk pik je er daar geen terroristen uit. De verslaggeefster geeft als voorbeeld dat inbeslaggenomen telefoons niet altijd worden gecontroleerd op materiaal dat kan wijzen op terroristische betrokkenheid. Ja, dag, NOS Journaal. Les 1 op elke terroristenschool: zorg dat er geen belastend materiaal op je telefoon staat. Niet dat ik op een terroristenschool heb gezeten, maar als niet terrorist weet ik zeker dat dit les 1 is.

Even verderop in het Journaal legt Henrik-Willen Hofs voor het IND gebouw uit dat het ook heel moeilijk is terroristen eruit te pikken omdat IS-aanhangers vaak de filmpjes wissen en dat de officiële papieren van terroristen meestal vals zijn. Zo. Wat is dat Journaal toch informatief. Als je naar het Journaal kijkt, kun je echt veel leren.
Ik heb trouwens geen idee waarom een verslaggever voor het IND gebouw moet staan om ons dat in de regen uit te leggen. Ga toch lekker in de studio zitten, zou ik zeggen.

Natuurlijk komt minister van der Steur ook nog aan het woord die met zijn Leids corpsballen accent uitlegt dat het systeem weliswaar niet perfect is, maar dat iedereen zijn best doet en dat we best een veilig systeem hebben. Slaap zacht, lieve mensenkinderen.
Het Journaal schakelt over naar Ron Freser, die wel droog mag staan in het Tweede Kamer gebouw. Hij spreekt met een VVD- en CDA-mevrouw die vinden dat het systeem absoluut sluitend moet zijn. Zij willen weten wie het land inkomt en of daar terroristen bij zijn. Spierballentaal. Ik moet aan de muis denken die met de olifant over de brug loopt en zegt: ‘Wat stampen we lekker, hè.’

Het eerlijke verhaal is natuurlijk dat aanslagen zoals Berlijn absoluut niet zijn te voorkomen. We zullen met de dreiging en de aanslagen moeten leven. Zolang er mensen zijn die in god geloven, is er geen houden aan. Godsdienst maakt meer kapot dan je lief is.

Einder 2

Dinsdag 20 december, Rotterdam

 

Einder

Daar staan mijn schoenen,
uitgeschopt.

Daar ligt mijn broek,
gescheurd.

Mijn hart ligt ernaast,
versleten.

Er trok zoveel over,
en voorbij.

Bergen en woestijnen,
en vooral de zee.

De reis was te lang en te stoffig,
roofdieren.

Neem mijn hoofd, mijn benen,
genoeg.

Einder

Maandag 19 december, Rotterdam

 

 

 

 

Och kijk, de wereld is gewoon te groot.
Je reist en trekt, te voet, per trein, per boot,
Ziet andere vlaktes, bergen, zeeën, maar
voor de einder vindt een ieder steeds zijn dood.

Kaars

Zaterdag 17 december, Lhee

 

Gisteren schreef ik over post-truth, nep-nieuws, het gegeven dat in toenemende mate de leugen regeert. Ik koppelde dat aan de politiek, de social media en nog wat van die grote dingen.
Vandaag droeg Wyb de leugen in huis. Met een kerstboom had ze een kaars gekocht, een mooi, dik exemplaar.
‘Vind je dit een mooie kaars?’ vroeg Wyb terwijl ze de brandende kaars binnendroeg.
‘Ja, mooi ding,’ antwoordde ik ietwat ongeïnteresseerd. Waarom vroeg ze me nou iets over een kaars? Een kaars is een kaars en is bij ons tot nu toe nooit onderwerp van gesprek.
‘Wat brandt dat vlammetje mooi.’
Ik keek weer op van mijn iPad. Ja, het vlammetje flikkerde zoals vlammetjes moeten flikkeren.

‘Ik wil hem buiten zetten,’ zei Wyb, ‘onder een stolp.’
‘Dat kan niet, dan komt er geen zuurstof bij.’
‘Dat maakt bij deze kaars niet uit.’
‘Hoezo niet?’
‘Het is een nep-kaars.’
Opeens had de kaars mijn belangstelling. Een nep-kaars? Kon niet waar zijn. Het vlammetje danste op de kaars.
‘Kijk, ik kan hem uitzetten.’ Wyb tilde de kaars op. Drukte een of ander knopje in en het vlammetje ging uit.
Ik liep naar de kaars, bekeek hem van alle kanten. De kaars was niet van echt te onderscheiden. Onder de kaars zat inderdaad een knopje waarmee ik het vlammetje kon laten branden. Het ding brandde op batterijen.

Ik ben gek op kaarsen. Ook al denk ik er nooit aan om ze aan te steken. Dat is een onuitgesproken taak die Wyb op haar neemt.
‘Waarom denk jij er nou nooit aan om kaarsen aan te steken?’ is een vraag die ze al tientallen malen naar me heeft uitgesproken. Nee, daar denk ik nou nooit aan. Stom, want als Wyb de kaarsen en de waxinelichtjes aansteekt, vind ik het meteen een stuk leuker in huis. Met deze kaars wordt leuk en gezellig ook al gecreëerd door nep. Maakt het iets uit dat dit vlammetje brandt op batterijen en niet op kaarsvet? Ja, maakt me wel iets uit. Ik heb in mijn leven een diep geloof opgebouwd dat authentiek en puur beter is dan namaak en nep. Kan trouwens best dat ik daar ongelijk in heb.

‘Hoe kan het nou dat je zo’n nep-kaars koopt? Dat had ik totaal niet van je verwacht.’
‘Hij is zo echt. Dat vond ik mooi. En ik wil hem inderdaad buiten onder een stolp neerzetten.’
Na het bewonderen van de kaars bevrijden we de kerstboom uit zijn net. Mooie boom. Het valt me mee dat Wyb geen nep-boom heeft gekocht, je hebt namelijk ook hele mooi kunstkerstbomen.

We krijgen een drukke kerst. Van kerstavond tot en met derde kerstdagen hebben we bezoek. Wyb heeft er dit jaar bijzonder veel zin in. Als we vanavond naar Ogterop rijden, zegt ze dat ze een rendier op het dak wil, lampjes op de heg zou ook mooi staan. Alle buren hebben inmiddels verlichte tuinen, alleen bij ons is het nog donker.
‘Een verlichte kerstboom in de tuin zou ik ook wel mooi vinden,’ zegt Wyb.
‘We hebben geen kerstboom in de tuin.’
‘Maar je hebt hele mooie kunstbomen die je met verlichting en al kunt kopen.’
Kijk, daar begint het gedonder al. Ik vrees dat bij ons over een week tussen al die majestueuze eiken en beuken in de tuin een kunstboom staat.

Haperen

Vrijdag 16 december, Lhee

 

Bij de vorige verkiezingen in Nederland sloeg iedereen volop aan het factchecken, als ik het mij goed herinner. Daarvoor had ik het woord factchecken in verband met verkiezingen nooit gehoord. Ik vond het een goed idee, dat factchecken. Na elk debat werden de uitspraken van de politici gecheckt of ze wel klopten. Opmerkelijk vaak klopten ze niet of was het net niet helemaal waar.

Het is wat, het gegoochel met de waarheid. Zoals de trouwe lezer van Dossiermoddergat heeft gemerkt, is de echte vaart uit het blog. De jaren dat ik elke dag een blog schreef, is momenteel voorbij. Dat komt deels omdat ik het druk heb. Ik heb mijn kantoor weer op mijn rug genomen en moet diagonaal door Nederland reizen om op mijn werk te komen. Niet niks. Komt bij dat de NS een nieuwe dienstregeling in gebruik heeft genomen en ik nog geen reis zonder vertraging heb voltooid.

Maar meer nog dan het gereis zorgt een ietwat haperend wereldbeeld ervoor dat ik minder schrijf. Dat haperen komt omdat er in de wereld allemaal dingen gebeuren waar ik versteld van sta. Wie had ooit gedacht dat een gek als Trump president van Amerika kon worden? En dat hij uiteindelijk president is geworden is nog daaraan toe. De manier waarop zorgt ervoor dat ik vaak met mijn mond vol tanden sta. Of beter: ik in mijn hoofd en handen een verlamming voel.

Decennia had ik het idee dat ik de wereld begreep. Dat idee heb ik niet meer. Zo begrijp ik niet waarom mensen op een leugenaar als Trump stemmen. Hij jongleert met de waarheid alsof er geen waarheid bestaat. Misschien bestaat er ook geen waarheid. Er zijn feiten, maar die feiten worden gemanipuleerd zoals het uitkomt.

Vanmorgen begon ik met dit blog en moest halverwege stoppen. Tijdens die stop riep Oxford Dictionaries het woord post-truth uit tot het Engelse woord van het jaar. Post-truth, de waarheid voorbij, zou je kunnen zeggen, nep-nieuws. In de definitie van het prestigieuze Engelse woordenboek is het een bijvoeglijk naamwoord dat verwijst naar omstandigheden waarin ‘objectieve feiten minder van invloed zijn op de vorming van de publieke opinie dan een beroep op emotie en persoonlijke overtuigingen.’

De leugen regeert. Rusland verspreidt nep-nieuws om de democraten in diskrediet te brengen. In Macedonië is een stadje waar de bewoners tijdens de Amerikaanse presidentverkiezingen volop nep-nieuws op Facebook zijn gaan verspreiden. Het leverden ze honderden euro’s per maand op. Het nep-nieuws werd zo gretig gedeeld dat het voor velen het echte nieuws werd.

De leugen wordt op Facebook geholpen algoritmes. Wiskundige formules bepalen wat mensen het liefste lezen. Zo ontstaat self-fulfilling prophecy: je denkt dat iets bestaat, je gaat er naar lezen en discussiëren en door dat lezen en discussiëren ontstaat het ook. Gevolg: Trump.

Geert Wilders valt ons rechtssysteem aan. Volgens mij het meest waardevolle dat we in dit land hebben. Het zorgt ervoor dat we hier veilig kunnen leven. Volgens Wilders is het rechtssysteem in handen van de elite. Ik vrees het rechtssysteem dat ontstaat als Wilders aan de macht is. Het is het omkeren van alle waarden. Niets is waardevol, niets is waarheid. Het weten wordt weer geloven. Door Facebook kan iedereen in zijn eigen waarheidsbubbel leven.

Ondertussen verliezen kranten elke dag meer abonnees. Overal waar redacties op zitten, waar deskundigen integer en waarheidsgetrouw werken, nemen mensen afstand van. Mensen kiezen bewust voor de leugen, het makkelijke, de emotie, de onderbuik. Dat ze daarmee duistere praktijken mogelijk maken, schijnt geen verschil te maken.
Liever de gek Trump dan de deskundige, ervaren Clinton, liever het irrationele dan het rationele. Hoe moet ik me hiertoe verhouden? Mijn wereldbeeld hapert en daarmee het schrijven voor Dossiermoddergat. Ik ben even de weg kwijt, even gedesoriënteerd. Ik hoop trouwens dat het even is. De middeleeuwen, bijvoorbeeld, hebben best lang geduurd.

Inparkeren

Dinsdag 13 december, Lhee

 

Zoals altijd tussen de middag lees ik het blog van mijn oom, roelofs.eu. Een aanrader, zou elke lezer van Dossiermoddergat ook eens moeten doen. Hij beschrijft in het blog van vandaag zijn ochtend en mijn ogen blijven bij de volgende zin haken. Hij schrijft: ‘Naar huis en tegen mijn gewoonte in de auto achteruit in het parkeervak gemanoeuvreerd.’

Ik blijf er aan haken omdat het me altijd fascineert waarom mensen hun auto achteruit inparkeren, dat is zo onlogisch en inefficiënt. Inmiddels heb ik er ook een theorie over die ik graag wetenschappelijk onderbouwd zou zien. Ik hoop zo dat zich ooit een wetenschapper in dit onderwerp wil verdiepen.

Mijn theorie is dat mensen die achteruit inparkeren dommer zijn dan mensen die gewoon hun auto inparkeren. Mensen die eerst uitgebreid en met gevaar voor krassen hun auto tussen twee andere auto’s inzetten, hebben nooit goed nagedacht over het waarom, is mijn stelling. Als je er wel over nadenkt, en ieder mensen behoort over zijn daden na te denken, ga je nooit pielen om een auto met zijn kont naar de stoeprand te zetten.

Ik heb namelijk uitgerekend dat een mens, als hij gewoon de auto met de neus naar voren tussen twee auto’s zet, in totaliteit een minuut sneller is dan degene die eerst gaat zitten manoeuvreren. Je moet maar eens opletten hoe lang mensen daarmee bezig kunnen zijn. Zonde van de tijd want de kans is groot dat, als je weg wilt rijden, de auto’s naast je al weg zijn en je met een kleine stuurbeweging even naar achter rijdt en weg kunt rijden. Daarbij moet een mens bedenken hoe vaak hij in zijn leven een auto inparkeert. Door nooit achteruit in te parkeren win je zomaar een etmaal in je leven.

Zo ben ik ook benieuwd of dit nou een typisch Nederlands verschijnsel is. Mijn hypothese is namelijk dat dit wel het geval is. Nederlanders hebben een ingebouwde neiging tot overorganiseren. Achteruit inparkeren is een vorm van overorganiseren. De chauffeur denkt dat hij slim is, hij hoeft bij het weggaan alleen maar in te stappen en gas te geven, maar hij ziet door dat wenkend perspectief de voorbereidingstijd en -risico’s over het hoofd. Overorganiseren is namelijk een vorm van domheid, domheid die ontstaat door onzekerheid en de wil alles meer dan perfect te doen, wat vermoedelijk ook weer een vorm van onzekerheid is.

Om alvast een begin te maken met het wetenschappelijk onderzoek bel ik mijn oom en vraag hem waarom hij zijn auto achteruit inparkeerde. Door zijn antwoord hoop ik de ziel van de achteruitrijder te kunnen doorgronden Helaas. Ik merk meteen dat ik geen wetenschapper ben, want mijn oom heeft een buitengewoon praktische reden om dit vandaag te doen en die reden had ik verdomme uit zijn blog kunnen halen, waarin hij schrijft: ‘Achterklep open en drie dozen die in de gang stonden ingeladen.’ Hij had de auto, tegen zijn gewoonte in, achteruit gezet zodat hij minder ver met de dozen hoefde te lopen. Logisch. Buitengewoon goede reden, maar het zegt niets over mijn hypothese. Het lijkt me goed dat ik geduld betracht en wacht op het antwoord tot die echte wetenschapper zijn werk heeft gedaan.

Voorlopig advies aan alle lezers van Dossiermoddergat: parkeer nooit je auto achteruit in, zonde van je tijd, tenzij je dozen moet inladen, dan is het juist wel slim om de achterkant naar de richting te zetten van waaruit de dozen komen.

Gordon

Maandag 12 december, Lhee

 

Mijn dochters zijn bruin. In de zomer, als de zon flink schijnt, zijn ze zwart. Het mooie is dat ze nooit -leve het Nederland van rond het millennium!-, maar dan ook nooit zijn gediscrimineerd. Tot hun veertiende was het de gewoonste zaak van de wereld dat ze, opgroeiende in Leeuwarden, een andere kleur hadden dan de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking. Er gingen jaren voorbij dat ik me niet eens realiseerde dat ze een andere kleur hadden.

Anne woont nu in Amsterdam en wat denk je? Ze wordt nog steeds niet gediscrimineerd. Eigenlijk nooit worden er rotopmerkingen gemaakt over haar huidskleur of over het feit dat ze als Sri Lankaanse kleiner, veel kleiner is dan de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking. Vroeger, toen we Anne en Esmee adopteerden, was ik daar wel bang voor. Stel dat ze groot zijn, dan krijgen ze met de grote boze buitenwereld te maken, vreesde ik. Onterechte vrees, bleek.

Nog meer goed nieuws. Ook Esmee, die op Ameland woont, heeft geen enkele last van discriminatie. Eigenlijk beschouw ik Geert Wilders al jaren als een bedreiging voor mijn kinderen. Ik ben altijd bang dat het gif dat hij in de samenleving spuit ooit eens iedereen raakt die een kleur heeft. Gelukkig is dat dus niet het geval. Nederland is gelukkig nog niet volledig geïnjecteerd met dat gif. Moet gezegd dat Anne en Esmee ook zo Nederlands zijn als je maar kunt indenken. Ook niet gek. Anne was twee weken toen we haar kregen, Esmee één dag. Hun tongriem is totaal op Nederlandse maat gesneden.

Het eerste grote discriminatie-incident meldde Anne pas vorige week. Als journaliste is Anne diep doorgedrongen in allerlei Amsterdamse kringen. Zo bezoekt ze al jaren de Miljonairs Fair, tegenwoordig LXRY geheten met een omgekeerde L. Pay-off: For the luxury lifestyle. Ik vind het altijd wel grappig dat mijn dochter daar zelfverzekerd rondstapt en Jan, Alleman en BN’ers brutale vragen stelt.

Zo interviewde ze tijdens de laatste editie Gordon. Nu weet elke journalist dat Gordon structureel labiel is. Hij kan van opperst vrolijk opeens bloedchagrijnig worden. Anne is daar inmiddels wel aan gewend. Ook nu had ze weer de opdracht hem te interviewen. Ze loopt naar hem toe en vraagt of ze even met hem voor de camera kan praten.

‘Hé,’ zegt Gordon, ‘hoorde ik daar een stem?’ En hij kijkt over haar heen de verte in. Moet gezegd dat de lengte van Anne en Gordon nogal verschilt. Hij doet alsof hij haar wel hoort, maar niet ziet. Opeens kijkt hij verrast naar beneden: ‘Oh, was dat jouw stem. Je mag me wel interviewen hoor, maar dan moet je wel op gelijke hoogte gaan staan. Ik zal even een krukje voor je pakken.’ Hij pakt een kruk en laat Anne op de kruk staan die daar nog wel de lol van kan inzien. Ondertussen maakt hij tegen zijn vriendjes, die hard om hem moeten lachen, allerlei denigrerende opmerkingen over haar lengte.

‘Kijk,’ zegt hij op een gegeven moment, ‘daar staat je man.’
Anne begrijpt niet wat hij bedoelt.
Dan wijst hij naar een zwarte man die verderop in het publiek staat. Hilariteit bij de vriendjes. Ja, ze hebben alle twee een kleur. Gordon. Wat een fantastische grap.

Het probleem bij een man als Gordon, een van de meest populaire Nederlanders, is dat hij natuurlijk nooit wordt gecorrigeerd. Door zijn humor denkt iedereen: och, het is Gordon, die neemt geen blad voor de mond, laat maar, is toch best grappig. Ik geloof niet dat Gordon een racist is, maar zijn grappen pakken wel racistisch uit.
Grappen over Chinezen zijn in Amsterdam doodgewoon. Gelukkig wekken ze in de wereld nog zoveel verontwaardiging dat er tot in Azië over werd geschreven toen hij een Chinese deelnemer aan Hollands Got Talent beledigde. De presentatrice vraagt aan de Chinese deelnemer welk lied hij ging zingen. Gordon vraagt dan of hij ‘nummer 39 met rijst’ gaat zingen, een verwijzing naar de menukaart in een Chinese restaurant.

Ook tegenover Anne misdraagt hij zich weer, vind ik. Over de rug van mensen die niet in Amsterdam zijn geboren maakt hij zijn racistische grappen. Een man als Gordon wordt nooit gecorrigeerd. Als vader voel ik opeens de sterke neiging om volgend jaar met Anne mee te gaan naar LXRY. Als hij opnieuw over de rug van Anne zijn grappen maakt, zou ik hem graag voor zijn bek slaan. Opeens zijn mijn meest primitieve vaderlijke gevoelens manifest. Als ik ergens niet tegen kan dan is het dit zuiggedrag, dit ongelikte, zogenaamd joviale treiteren. Iemand zou hem toch moeten corrigeren. Wil ik graag doen. Ik word godverdomme zo kwaad over dit klote gedrag. De zak.
‘Och, hij zal wel te veel hebben gesnoven,’ zegt Anne.
‘En moet jij daar dan last van hebben?’ zeg ik verontwaardigd.

Knipperen

Zaterdag 10 december, Lhee

 

‘Wat maak je veel foto’s.’
Ja, als ik soms door Dossiermoddergat blader, kom ik eigenlijk tot dezelfde conclusie. Best veel foto’s, maar ik heb zelf niet het idee. Meestal heb ik de camera niet bij me. Als ik dan toch een foto zie, maak ik hem met mijn iPhone, die opmerkelijk goede foto’s maakt.

De foto’s die ik maak, ontstaan meestal in de paar uur dat ik wel met een camera loop. Met een camera in de hand wordt het oog opeens scherper. Ik kijk dan zoveel beter.
Het vervelende is dat ik meer foto’s niet maak dan wel maak. Zo vaak dat ik een mooie foto zie maar hem niet durf te maken. Ik vind het nog altijd gênant om mijn toestel zomaar op mensen te richten. Ik moet daar veel harder in worden.

Soms heb ik het lef om aan mensen te vragen of ik een foto mag maken, soms maak ik foto’s stiekem. Sinds ik fotografeer, en dat doe ik met vlagen meer of minder sinds mijn zestiende, is er ontzettend veel veranderd. Wat een vooruitgang.
Het fotorolletje is vervangen door de SD-kaart, van 24 foto’s op een rolletje naar 1200 foto’s op een klein kaartje. Het ontwikkelen en afdrukken van foto’s, hoe duur was het?, 80, 90 cent per stuk? is in principe niet meer nodig. Op de laptop en in de cloud hebben mensen albums van tienduizenden foto’s. De donkere kamer? Vervangen door geavanceerde computerprogramma’s als Lightroom en Photoshop.

Toch blijft er wat te wensen over. Alle foto’s die ik niet maak zou ik wel kunnen maken als ik een onzichtbaar een fototoestel in mijn oog had. Eén keer met de ogen knipperen en de foto is gemaakt. Misschien is de google-bril de eerste stap naar dit ideaal.

Gisteren liepen we door de Groninger Ikea, een hel zo voor Kerstmis, maar een paradijs voor fotografen. Als je Nederland wilt portretteren, kun je het best met een camera door Ikea lopen. Heb ik even gedaan, maar dat voelt toch lullig. Loop ik daar te fotograferen terwijl mensen bedden en banken uitproberen. Voelt niet lekker. Om preciezer te zijn: dat durf ik niet. Vandaar dat ik mijn camera maar heb opgeborgen en hoop op het onzichtbare toestel dat ik met het knipperen van mijn oog kan bedienen. Mocht dat er ooit komen, dan is mijn eerste gang naar de Ikea.

Reisje

Vrijdag 9 december, Lhee

 

Op donderdagavond kan ik eindelijk naar huis. Het wonen in een hotel bevalt me maar weinig. Gelukkig heb ik altijd dezelfde kamer waardoor je, belachelijk natuurlijk, toch een beetje een thuisgevoel hebt. Nou ja, ‘thuis’, een gevoel van herkenning. Zelfs in zo’n hotelkamer ontwikkel je eigen gewoontes en routine.
Over het hotel niets te klagen. Het ligt in het centrum van Rotterdam, rechts de Witte de Withstraat, links het Schouwburgplein, dat is het wereldje waar zich door de week mijn leven afspeelt.

Vlak voordat ik de trein terug naar de jungle kan nemen, hebben we een vergadering over een familievoorstelling waar de aankomende maanden weer tienduizenden mensen van gaan genieten. Bij het uitchecken vanochtend heb ik mijn rolkoffertje al meegenomen naar mijn kantoor. Rugzak op mijn rug, rolkoffertje achter me aan en zo loop ik naar het station.

De stad is vol sirenes. Zal vast iets ernstigs zijn gebeurd. Zelfs het geluid van een rolkoffertje kan vertrouwd worden. Sowieso opmerkelijk eigenlijk hoe je je vreemde zaken snel eigen kunt maken. Het lijkt alsof ik al een hele tijd werk voor het bedrijf waar ik werk en Rotterdam is ook geen vreemde stad meer voor me.

Bij het station neemt het geluid van gillende sirenes toe. Het zou me niet verbazen als er een grote demonstratie aan de gang is. Ver weg hoor ik een grote menigte joelen.
Als ik dichterbij kom, zie ik een grote opstoot voor een hotel. Achter dwanghekken en een kleine politiemacht zie ik zo’n honderdvijftig man uitzinnig van woede zijn. Het zou me niet verbazen als dadelijk uit een hotel een zwaar gehate oorlogsmisdadiger kwam.

Ik loop snel door, er hoeft niet veel te gebeuren of de boel loopt dadelijk totaal uit de hand. Van de regen in de regen. Even verderop zie ik dat het oorlog is in Rotterdam, het stationsplein is belegerd. Een stuk of twintig politiebusjes vormen in twee rijen een soort fuik. De fuik wordt gedicht door tientallen zwaar opgetuigde ME’ers en politieagenten. Honden zorgen voor de juiste soundscape bij dit tafereel. In de politiebusjes gaan ze als waanzinnige te keer. Ze doen me denken aan de mensen die zojuist voor het hotel hun woede uit hun lijf schreeuwden.

Ik loop naar een politieagent om te vragen wat er eigenlijk aan de hand is. ‘Feyenoord Fenerbahce, meneer,’ zeg de man.
‘Dat meent u niet,’ zeg ik oprecht verbaasd. ‘Wat een waanzin.’
‘Zeg dat wel, meneer’ zegt een meisje van zestien dat in de buurt van de agent staat.
Deze conversatie is bijna niet te verstaan want de honden krijgen er steeds meer zin in blijkt uit hun geblaf. Laat ze los en ze verscheuren iedereen op het plein.

Eigenlijk zou iedere Nederlander verplicht eens naar deze waanzin moeten kijken. Dan ben ik mijn hele hele leven bezig kunstbedrijven zo efficiënt en goedkoop mogelijk hun dingen te laten doen, wordt hier het geld met bakken over de balk gegooid omdat een paar honderd gekken zich lekker bij een voetbalpartijtje kunnen uitleven. Zijn we nu helemaal gek geworden. En deze onzin herhaalt zich een paar keer per week ook elders in Nederland. Hoe kan het dat politici die zitten te zeiken over de kosten van een paar duizend vluchtelingen en knijpen in de kosten van de zorg dit gewoon tolereren? Onmiddellijk een einde aanmaken, lijkt me. Ik ben getuige van de meest zinloze overheidsbemoeienis ever.

En waarom? Vermoedelijk omdat onze politici die gekken vereenzelvigen met ‘het volk’, ‘de gewone burger’ en daar wil je je handen niet aan branden. Vergissing, denk ik. De gewone burger kom ik gelukkig weer tegen als ik in Meppel uit de trein stap. Als die burgers het tafereel in Rotterdam hadden gezien, richtten ze meteen een partij tegen hooligans op.

Ik besluit daarom reisjes voor gewone burgers naar risicowedstrijden te gaan organiseren. Zie u medemens, en stel geen enkel vertrouwen in hem.

Droedelen

Donderdag 8 december, Lhee

 

‘Aanzet tot droedelen’, lees ik in de Volkskrant van 6 december. Bij zo’n woord blijven mijn ogen meteen haken. Droedelen? Nooit van gehoord. Vermoedelijk is het een fantasiewoord. Ik associeer het woord met vertroetelen en doelzakken.

Op Wikipedia lees ik dat het woord wel zeker bestaat. Ik lees: ‘Droedelen (Engels doodle) is een vorm van schetsen/tekenen zonder duidelijk doel, door iemand wiens gedachtes ergens anders zijn. Het zijn krabbels gemaakt vanuit het onderbewuste. De droedels bevatten soms een verborgen boodschap. Vaak zijn het eenvoudige tekeningen, soms groeien ze uit tot uitgebreide patronen.
Droedelen wordt voornamelijk gedaan door jonge mensen overal ter wereld, met name scholieren en studenten. Deze activiteit vindt meestal plaats tijdens saaie lessen, wanneer de leerlingen gaan dagdromen of zijn afgeleid. Vaak begint een doedel in de kantlijn van een schrift of blocnote, en ontwikkelt zich van daaruit over de pagina.
Droedelen wordt ook gedaan tijdens telefoongesprekken.
De meest voorkomende droedels zijn oogjes, poppetjes, cirkels, vierkantjes, pijltjes en bloemetjes. Daarnaast zijn uitgebreide geometrische vormen populair.’

Nou blijkt ook nog eens een dat ik een groot droedelaar ben geweest. Ik heb in mijn leven heel wat saaie vergaderingen achter de rug en ik heb een enorm droedel-oeuvre op mijn naam staan. Jammer dat het oeuvre in zijn geheel in het eindarchief, zijnde de prullenbak is verdwenen.

Als droedelaar had ik een geheel eigen stijl. Ik zette korte venijnige streepjes die gaandeweg de vergadering of saai college uitgroeiden tot poppetjes of standbeelden. Gedachteloos kalkte ik kantlijnen vol.
Pas na een tijdje werd ik mij bewust van die krabbels en begon ik de mooiste exemplaren te bewaren. Nadat ik een stapeltje had, zag ik de onzin in van het bewaren. Overigens denk ik dat de tekeningen van Benne in Dossiermoddergat ook een soort droedels zijn. De meeste zijn gemaakt tijdens vergaderingen en in een soort halfbewustzijn maakte hij die tekeningen. Je zou Benne een top droedelaar kunnen noemen.

Ik vind het opmerkelijk dat op Wikipedia staat: ‘Droedelen wordt voornamelijk gedaan door jonge mensen.’ In mijn geval klopt dat ook wel. Tegenwoordig droedel ik niet meer. Ik weet ook wel waarom ik ermee ben gestopt. Op een gegeven moment ging ik zelf vergaderingen voorzitten en zag ik hoe om mij heen iedereen aan het droedelen was. Ik ervoer het toen pas als een vorm van ongeïnteresseerdheid en nam mij voor zelf nooit meer te droedelen. Toch jammer dat een mens zich zo bewust wordt van zijn driften.

Ik denk dat droedelen inderdaad een soort drift is. Het is toch opmerkelijk dat het droedelen over de hele wereld voorkomt. Op alle continenten zitten mensen tijdens ietwat saaie bijeenkomsten rare tekeningetjes te maken. Misschien komt het voort uit de diepe drift in de mens om expressief te zijn, om dingen te scheppen. Het kan ook voortkomen uit een te veel aan energie in de mens. Vandaar dat het mogelijk vooral bij jonge mensen voorkomt. Ze worden gedwongen rustig te zitten maar dat komt niet overeen met hun natuurlijke energieniveau. De droedel is de uitweg om wat van die energie kwijt te raken.

Ik zoek op google op afbeeldingen naar droedels. Dat levert een teleurstellend resultaat op. Ik zie allemaal rare, vooral geometrische figuren. Ze komen volstrekt niet overeen met mijn wilde droedels of de beheerste droedels van Benne.

Na mijn weloverwogen keuze om met droedelen te stoppen, kan ik mij tegenwoordig niet meer voorstellen dat ik zou droedelen. Ik heb de droedeldrift in mijzelf volledig kapot gemaakt. Mijn kantlijnen blijven tegenwoordig keurig maagdelijk. Bah.

Schrijfwaar

Dinsdag 6 december, Rotterdam

 

Vorige maand in Berlijn ontdekte ik een paradijs voor wie van pennen en schriftjes houdt. Het was een winkel bij een kunstacademie en minstens net zo groot als de voormalige V&D in Nijmegen. Een winkel met de mooiste schriftjes, de meest mooie pennen. Ik word altijd zo opgewonden van schrijfwaar, er komt dan een ziekelijke kooplust bij me boven. Bij Wyb is het niet anders.

Toch ga ik altijd met lege handen weg, zelfs uit deze winkel. Ik weet dat ik geen schriftje hoef te kopen, hoe mooi ik ze ook vind. Ik schrijf namelijk nooit in schriftjes. Ik zou wel willen, maar mijn handschrift is zo allerberoerdst dat ik met enkele woorden op de eerste bladzijde zo’n schriftje heb verpest.
Ergens op de lagere school is het met mijn handschrift fout gegaan. Eerst zat ik op een school waar je schuin moest schrijven, in de derde klas verhuisde ik naar een school waar ze blokletters prefereerden. Ergens in die tijd heb ik mijn handschrift ontwikkeld dat door niemand is te lezen, zelfs niet door mij.

Daar komt bij dat ik al tientallen jaren nooit meer met een pen heb geschreven. Al sinds mijn puberteit heb ik typemachines waar ik razendsnel met tien vingers en blind op kan typen. Als het moet type ik sneller dan mijn gedachten. Je zou mij best de Lucky Luke van het typen kunnen noemen, de stripheld die sneller dan zijn schaduw schoot.

Dat neemt niet weg dat ik zeer regelmatig een mooie pen koop. Niet steeds een ander, altijd dezelfde. Met deze Lamy, type dik exemplaar met rubberen handgreep, kan ik nog enigszins leesbare letters produceren. Ik vind het namelijk een genot om met een pen te schrijven, dat voelt zo heerlijk ambachtelijk.

Ook in Berlijnse paradijs kwam ik die pen weer tegen. Ik denk dat ik in mijn leven wel tien van die pennen heb gekocht. Het exemplaar is best prijzig dus ik durf te zeggen dat ik honderden euro’s aan die pen heb uitgegeven.
Helaas werkten er bij alle bedrijven waar ik werkte mensen die ook gek waren op die pen. Keer op keer raakte ik zo’n pen kwijt. Ik geloof niet dat het iets met mijn slordigheid had te maken want ik was erg zuinig op die pennen. Als ik er een op mijn bureau liet liggen, was het ding verdwenen.
Vlak voordat ik mijn winterslaap inging, kocht ik opnieuw zo’n pen. Als je hele dagen thuis zit, moet je je omringen met mooie dingen. En zelfs daar ben ik mijn laatste exemplaar kwijtgeraakt.

In Berlijn kwam ik de pen dus weer tegen. Even overwoog ik hem te kopen. Maar daar, ver weg van Nederland, besloot ik me bij mijn lot neer te leggen. Ik ben geen mooie schriftjes waard en ook geen mooie pennen. Keer op keer heb ik het geprobeerd, elke keer gaat het fout. Met lege handen kwam ik het paradijs uit.

Wyb kocht nog een paar van de mooiste schriftjes, mooi gebonden, prachtige kaft, met van heerlijke gladde papier. Soms, als ik alleen ben, neem ik er een in mijn handen. Wat zou ik er graag in schrijven. Gelukkig heb ik een laptop waar ik ook verliefd op ben.

Meisje

Maandag 5 december, Lhee

 

Aan een klein meisje

Dit is een land waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen.
En altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen.
Hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn andere muren.
En nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten.
En alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten.
En dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen.
En de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is een land waar grote mensen wonen.
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

 

 

Annie M.G. Schmidt

Touwtje

Vrijdag 2 december, Lhee

 

Door mijn werk in Rotterdam mis ik een deel van de wereld. Ik heb ’s avonds een vergadering en als ik terugkom merk ik dat er iets bijzonder is gebeurd bij De Wereld Draait Door. Overal op Facebook verschijnt het gezicht van Jan Terlouw die bij DWDD iets moois heeft gezegd. Gelukkig wordt het programma rond middernacht herhaald.

En dan hoor ik Jan Terlouw praten over de huidige tijd, zijn zorgen daarover. Als symbool tussen de oude en de nieuwe wereld verhaalt hij over het touwtje uit de brievenbus. Vroeger, ook bij ons in Hatert, zag je overal touwtjes uit brievenbussen hangen zodat de kinderen met een rukje aan het touwtje de deur konden openmaken. Dat was mogelijk omdat we de ander vertrouwden en de ander dat vertrouwen niet beschaamde.
Het was de tijd dat kinderen nog geen sleutel om hun nek hadden hangen omdat er geen ouder thuis op hen zat te wachten en ver voor de tijd dat kinderen een mobiele telefoon hadden en met trackers overal worden gevolgd.

Ik voelde ontroering toen Jan Terlouw over het touwtje sprak. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan, waarom had ik dat touwtje nooit bewust gemist? Omdat hij het nu benoemde, wist ik dat ik het wel terdege had gemist.

Ik moest aan al die huizen in Limburg en Brabant denken waar men ’s avonds met rolluiken de ramen barricadeert. Ik vermoed dat er een direct verband bestaat tussen het rolluik en het stemmen op de PVV. Met het touwtje verdween, zoals Terlouw betoogde, het vertrouwen. Met de rolluiken kwam het wantrouwen en de haat.

Vandaag kwam ik thuis na een paar dagen Rotterdam. Het eerst wat ik deed was een touwtje pakken en dat uit de brievenbus hangen. Niet dat je met het touwtje de deur kunt openmaken. Mijn vertrouwen in de ander is beslist nog niet zo groot dat ik dat al aandurf. Het touwtje uit mijn brievenbus is een symbool, het verlangen naar een wereld waar we deuren weer met een simpel rukje kunnen opmaken en bij elkaar naar binnenlopen zonder dat we bang hoeven te zijn.

Het touwtje verdween en er kwam een andere, vervelende wereld. Grote kans dat we de wereld weer beter kunnen maken als we het touwtje terughangen. Door Jan Terlouw begreep ik dat er een oorzakelijk verband is. Verbeter de wereld, begin bij jezelf. Mijn touwtje hangt inmiddels uit de brievenbus.

Alle rechten voorbehouden © Gerard Tonen 2016