Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Archief

Reisje

Maandag 1 juni 2015, Amsterdam

 

Ik had een raar weekend. Ik ben met zo’n 40 mensen in een gele antieke bus door het noorden van Nederland gereden. Het is een weekend waar ik zelf nooit voor zou kiezen. Ik hou niet van groepsreisjes. Ik hou sowieso niet van grote groepen. Het lijkt me heel erg om met een groepsreis naar het verre buitenland te moeten. Moet je opeens gezellig doen, praten met mensen, je aanpassen aan het ritme van andere mensen, samen eten. Een nachtmerrie.

Maar waarom dan met 40 mensen door het noorden gaan rijden? Het volgende is het geval. Wyb is lid van de Rotary, ook al zo’n fenomeen waar ik puistjes van krijg. Maar goed, Wyb vindt het een leuke club en vermaakt zich er. Daar ga ik dan natuurlijk niet over zeuren. Ik ben zelf 11 jaar lid geweest van de Rotary, beschouwde het als een onderdeel van mijn werk. Maar ik heb een fles champagne opengetrokken toen ik me kon afmelden. Ik vond het een groepsreis die te lang duurde.

In de club van Wyb hebben ze de gewoonte dat een keer per jaar een lid een zogenaamde rootsreis organiseert. Dat wil zeggen dat het Rotary-lid de andere clubleden meeneemt naar een stad of streek uit zijn verleden. Dit keer had Wyb zich opgegeven, samen met Hermien die in Kruisweg op Het Hoge Land in Groningen is geboren en getogen. Een combinatiereis dus.

Opeens reden die 40 Rotarians door onze biotoop. We reden eerst langs het huis waar Wyb is geboren, daarna gingen we lunchen in de garnalenfabriek in Moddergat, liepen door het dorp om vervolgens bij Anneke in de tuin thee te drinken. ’s Avonds zaten die 40 lieden zomaar in onze Waard van Ternaard. Voor de tweede keer in ons leven was de Waard speciaal voor ons gereserveerd. De eerste keer was bij ons huwelijk toen we daar met het hele gezelschap zijn gaan eten. Zowel toen als nu was het eten voortreffelijk.

Nu zit ik in dit blog wel te mopperen, maar dit is geheel ten onrechte. Er gebeurt iets vreemd met me als ik in een bus met mensen op reis ga. Ik stap er met tegenzin in, maar vervolgens regenereer ik tot schooljongen die op schoolreisje gaat. Ook al neem ik me voor het niet te doen, op een gegeven moment kom in de ouwehoer modus. Niemand vermoedt dan dat ik niets van groepsreizen moet hebben. Ik zelf ook niet.

Mijn principes ten spijt vind ik het zelfs opeens reuze tof en ontpop ik me tot een buitengewoon sociaal en gezellig iemand. Deze dagen stonden Wim en ik, Wim is de man van Hermien, volledig ten dienste van onze vrouwen. In de uitnodiging waren wij al aangekondigd als soepdraaiers en broodjessmeerders en die rol hebben we met verve vervuld. Op het eind van de dag lalden we de bus in. Ouwejongenskrentenbrood.

We sliepen in een hotel in Dokkum, de bus parkeerden we bij de sportvelden. Nooit doen in Dokkum want de volgende dag waren die klojo’s uit Dokkum op onze antieke bus geklommen, hadden ze het noodluik geforceerd en genoten van de flessen Berenburg en eten dat nog in de bus aanwezig was.

Nadat de politie procesverbaal had opgemaakt vervolgden we onze tocht door ons leefgebied. We deden ’t Ailand aan, onze favoriete plek in de haven van Lauwersoog. Vervolgens trokken we het Groninger land in waar we in Hornhuizen de oude vuurtoren beklommen, onderdeel van een kerktoren en konden we uitkijken over het wijde Groninger land met in de verte het wad. Daarna was de lunch in een soort Tolhuistuin-achtige omgeving. De hipster verspreidt zich over het land.

Op het einde van de lunch dingde ik zelfs naar het voorzitterschap van Innerwheel, zeg maar de sneue pendant van de Rotaryclub. De vrouwen en mannen van hebben zich onder de naam Innerwheel verenigd en doen dan hun partners een beetje na.
Jammer genoeg heeft Wim zich als voorzitter voor het leven uitgeroepen en laat hij geen enkele concurrentie toe. Hij is zo’n beetje de Sepp Blatter van Innerwheel. Mogelijk dat ik een schaduw Innerwheel ga oprichten. En zo klojooden we het weekend door. Pas op zondagavond realiseerde ik me weer dat ik van zulke reisjes eigenlijk niets moet hebben.

Teugen

Vrijdag 29 mei 2015, Moddergat

 

Het fijne van een gesprek is dat het alle kanten op kan dwarrelen. Het kan je in alle uithoeken van het denken brengen.
Gisteren hadden Wyb en ik het over de dood. Geen idee meer hoe we erop kwamen. ‘Als ik wist dat ik dood zou gaan, zou ik dat wel doen in de wetenschap dat ik een mooi leven heb gehad,’ zegt Wyb. ‘Ik heb een rijk en vol leven gehad, ik heb ook alles gedaan en gehad wat ik mij ooit had gewenst. Ik heb lief gehad, ik oefen het vak uit wat ik altijd heb willen doen. Ik wil nog heel lang leven, maar ik vind dat een fijne gedachte.’

Ik ben op bezoek bij Matthijs en vertel hem over mijn hartzak-ervaring, de dagen dat ik in het ziekenhuis lag. ‘Je gaat je dan van alles afvragen,’ hoor ik mezelf zeggen. ‘Heb je een mooi leven gehad? Heb je een bevredigend leven gehad? Heb je alles gedaan wat je wilde doen?’ En ik vertel Matthijs dat ik op alle vragen ja kan zeggen. Als ik het zeg, denk ik terug aan het gesprek met Wyb gisteravond. Dus eigenlijk dezelfde conclusie.

‘Ik vind ook dat ik een mooi en bevredigend leven heb gehad,’ zegt Matthijs. Ik vind het fijn om te horen. De vragen die ik stelde, zijn voor Matthijs pas echt indringend. Matthijs weet dat hij niet meer zo lang heeft te leven. Hij zal zich zelf de vragen best vaak stellen, denk ik. Maar ik weet dat Matthijs datgene heeft gedaan wat hij het liefste deed en dat met ziel en zaligheid: regisseren. Hij heeft met volle teugen het leven tot zich genomen.

Voor mij was het vandaag weer een ouderwetse dag, een volle teugendag, zal ik maar zeggen. Om tien uur vanochtend stond ik al met tweehonderd kinderen op een pleintje in Nijmegen te schreeuwen. Dat wordt zo’n beetje mijn specialiteit: al schreeuwend met kinderen een Bibliotheek Op School (BOS) openen. Op die manier heb ik toch al een paar bosjes tot leven gewekt.

Daarna dus naar Matthijs. Nu we ons huis in Den Bosch kwijt zijn, is Brabant opeens verder weg. Te lang was ik niet meer bij Matthijs geweest. Komt ook omdat ik zelf even was geveld. Ik was altijd al tegen virussen, nu helemaal.

Als ik naar Moddergat rij, bedenk ik dat ik vlak langs Wolter kom en we moeten nodig weer eens bij elkaar zitten om het een en ander door te praten. Zo’n Bureau Lommerde & Tonen vergt nou eenmaal afstemming.
We spreken af in Hilversum, in hotel/restaurant De Witte Bergen. Een verzamelplaats voor mensen die met zaken bezig zijn. Wie wil weten hoe geroezemoes klinkt, moet hier gaan luisteren.

Dan door naar Moddergat. Wyb laat dit weekend, samen met Hermien, aan 45 mede-Rotarians haar roots zien. Dat doen ze met een bustocht van Groningen naar Moddergat op zaterdag. Zondag vindt de tocht omgekeerd plaats. Wat Wyb betreft heb je dan een mooie doorsnede van haar roots gekregen. We doen legendarische plaatsen als Kollum, Moddergat, Ternaard, Dokkum en Groningen aan. Zo nu en dan kijken we over de dijk naar het wad. Delen is het nieuwe hebben. Zo’n weekend is toch ook weer het leven met volle teugen tot je nemen.

Dadbod

Donderdag 28 mei 2015, Lhee

 

Vandaag zomaar een nieuw woord geleerd. Dadbod. Ik kom het tegen in de Volkskrant. Er werd vandaag zelfs een heel artikel aan gewijd. Ik citeer: ‘De dadbod bestaat al sinds er bier en barbecue zijn, maar ineens wordt het mannenlichaam dat het midden houdt tussen sixpack en bierbuik gezien als een schoonheidsideaal.’ Het artikel is gelardeerd met foto’s.

Het woord dadbod is een afkorting voor dad body, oftewel papalijf, het mannenlichaam dat de strijd met de zwaartekracht steeds meer verliest. Het is de schoonheid van het lichte verval waar vrouwen nu gek op schijnen te zijn. Ik begrijp het wel. Ik hou ook meer van vrouwen die wat vleziger zijn.

Op de foto’s bij het artikel zien we voornamelijk veertigers die met blote bast poseren. De mannen hebben geen beroerd lichaam, maar onmiskenbaar is te zien dat alle mannen een buikje hebben, de een wat meer dan de ander. Maar het buikje is er.

Ik heb die fase ook meegemaakt. Eerst was er een slank, afgetraind lichaam en opeens floept er voor je een uitstulping te voorschijn. Nou moet ik toegeven dat die uitstulping bij mij wel meteen heel erg geprononceerd was. Maar toch. Toen die bubbel op mijn buik ontstond, ook niet in een beginnend stadium, heeft ooit iemand gezegd dat het wel sexy stond. Van begin af aan was die buik het centrum van negatieve en meesmuilende reacties. Gelukkig leerde ik er al snel mee leven.

Ik vind het zo positief dat de dadbod nu in de belangstelling staat. Ik zie het toch als een herwaardering van de buik, al moet bij dadbod die buik wel gezien worden in combinatie met een goed geconserveerd lijf. Maar toch. Het is echt voor de eerste keer in zestig jaar dat ik iets positiefs over de buik hoor.

Voor veel vrouwen schijnt het gespierde, goed getrainde lijf, compleet met sixpack, een schoonheidsideaal te zijn. Onbegrijpelijk, vind ik. Als ik een man met sixpack zie, denk ik alleen maar: zielig mannetje, wat heb jij veel uren verpest om die paar spieren te krijgen.
Iemand met een sixpack vind ik eigenlijk per definitie een domme lul. Welke gek vergooit nou zijn leven in de sportschool om een paar ribbels op je buik te krijgen? Dan moet je toch een enorme oetlul zijn. We kunnen allemaal wel zo’n sixpack krijgen, als je maar je best doet. En een man met een sixpack is zo’n zak die daar dan ook echt aan heeft gewerkt. Gewoon zielig dus.

De dadbod daarentegen vind ik dan wel weer sympathiek. Je ziet aan zo’n man dat hij enigszins moeite doet om zijn lijf in vorm te houden, maar aan dat buikje zie je dat het hem niet echt lukt. Die combinatie heeft meteen mijn sympathie. De gulden middenweg, dat vind ik een mooi gegeven, de mens bij wie nooit iets echt lukt. Bij dat soort mensen voel ik meteen sympathie.

Hotel

Dinsdag 26 mei 2015, Amsterdam

 

Mijn ontstoken hartzak heeft er voor gezorgd dat ik de laatste tijd regelmatig nachten in een hotel doorbreng. Ik kan me steeds beter voorstellen dat die popmuzikanten van hotel tot hotel trekken en dat prima vinden. Het heeft iets prettig vrijblijvends zo’n hotel. Je krijgt een kaartje om de deur te openen. Je slaapt. De volgende ochtend lever je je kaartje weer in en betaalt de kamer. Je hebt nergens omkijken naar.

In Amsterdam slaap ik altijd in het Lloyd Hotel. Vind ik een prettig hotel omdat het niet zo’n steriel hotel is als bijvoorbeeld Holiday Inn, Hilton of zo’n andere keten. Er hangt een informele sfeer en is gesitueerd in een oud kantoorgebouw waardoor er de meest vreemde kamers zijn.
In het Lloyd geen keurige vloerbedekking maar eerlijke originele tegels. Ik kom er steeds meer achter dat ik niet van netjes en steriel hou. Ook al realiseer ik me dat ik hierdoor tot een kleine minderheid in Nederland behoor. Het kan in dit land niet keurig genoeg zijn. Wat dat betreft hebben we een stevige klap van de gereformeerde molen gehad.

Inmiddels gaat mijn voorkeur in het Lloyd Hotel uit naar kamer 3, een kamer in het souterrain. Het is een zeer grote kamer, ongewoon groot. Het bed zit in een nis, evenals het bad. Naast deze nissen is er nog een grote doucheruimte.
Toen ik gisteren een kamer reserveerde, vroeg ik naar kamer 3, waar ik al diverse keren heb geslapen.
‘U realiseert zich wel dat dit een vier sterren kamer is? De kamer kost €185 per nacht.’
‘Maar ik heb er tot nu toe altijd €90 voor betaald.’ Ik heb met het hotel namelijk een speciale regeling getroffen waardoor ik een stevige korting krijg.
‘Dat komt omdat we u tot nu toe altijd hebben opgewaardeerd. U bent een vaste klant van ons en daarom doen we dat. Maar morgen gaat dat niet lukken.’

Gelukkig hebben ze wel een kamer met eigen douche en wc. De eerste keer dat ik er sliep waren er in heel Amsterdam geen kamers meer en moest ik het doen met een kamer waarin alleen een bed stond. Voor een plee, gemeenschappelijke gebruik, moest ik op de gang zijn. Voor de douche idem dito. Ik nam me voor dat nooit meer te doen, word ik erg ongelukkig van. Ik vind het een vervelend idee om op een wc te moeten poepen waar jan en alleman zit te drukken.

‘We hebben voor u toch kamer 3 kunnen reserveren,’ zegt de receptioniste als ik vandaag incheck.
‘Wat fijn.’
‘Lang niet alle mensen vinden het een fijne kamer.’
‘Daar kan ik me iets bij voorstellen,’ zeg ik. ‘Het is meer een appartement dan een kamer. En dan zo’n souterrain.’
‘Er zijn een paar mensen die er altijd naar vragen,’ zegt ze. En dan noemt ze een Spaans klinkende naam.
‘Wie zei u?’ vraag ik.
Ze noemt nog een keer de naam.
‘Wat grappig,’ zeg ik. ‘Ik ken die meneer. Hij woont in Eindhoven.’
‘Inderdaad. Wat een toeval dat jullie elkaar kennen.’
De meneer met de Spaans klinkende naam is ook iemand die niet van netjes houdt, vermoed ik zo. Mooi dat mensen een voorkeur voor iets hebben waar veel mensen juist niets van moeten hebben.

Met een goed gemoed zoek ik kamer 3 op. Zelfs in een hotel kun je aan dingen gehecht raken. Bovendien heb ik vandaag dus een bad ter beschikking. Daar had ik niet op gerekend. Het is al een paar weken geleden dat ik in bad ben geweest en dat is heel vervelend voor iemand die vrijwel elke dag in bad ligt als hij in een huis woont met een bad.

Nu ik dit blog in het restaurant zit te schrijven, een prettige ruimte waar het goed schrijven is, heb ik al drie keer een muis langs zien lopen. Zal ik dadelijk toch maar even tegen de bediening zeggen.

Hond

Zondag 24 mei 2015, Lhee

 

Ooit, toen de kinderen nog klein waren, kregen we het verzoek of we mee wilden werken aan een wetenschappelijk onderzoek. De wetenschappers wilden de invloed onderzoeken op het hebben van een hond op het opgroeien van een kind.
Ik weet dat er een paar keer een onderzoeker langs is geweest die ons dan observeerde en allerlei vragen voorlegde. Uiteindelijk vergeleken ze de resultaten met de resultaten van kinderen die niet met honden opgroeiden.
Wat de wetenschappelijke uitslag uiteindelijk was, kan ik niet zeggen. Of ik ben het vergeten of het wetenschappelijk onderzoek is nooit voltooid.

Eerlijk gezegd vond ik het een beetje een onzin onderzoek. Ik zag het resultaat voor me. Ik denk dat kinderen die thuis een hond hebben gelukkiger opgroeien. Niet voor niets noemden Anne en Esmee Dobber hun zusje. Onze labrador maakte volledig deel uit van ons gezin.

Kinderen die een hond thuis hebben, krijgen meer te maken met liefde. Ik vermoed dat Dobber de meest geknuffelde hond was die ooit heeft geleefd. En Dobber ontving dat geknuffel alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
Waren Anne en Esmee verdrietig, geen probleem, Dobber was de grote troosteres. De vacht van Dobber heeft menig traantje opgevangen.
Niet denken dat Anne en Esmee van die huilebalken waren, maar Dobber heeft best lang geleefd en kinderen tussen de twee en zestien jaar groeien nou eenmaal niet traanloos op.

Ik durf de bewering wel aan dat kinderen die een hond hebben meer plezier hebben. Het bewijs werd dit weekend weer geleverd. Sinds een paar maanden heeft Esmee nu zelf een hond, Hugo. De geschiedenis herhaalt zich. Even ben ik terug in het verleden. Een vader en een moeder, twee kinderen en een pub.

In die twee maanden is Hugo onderdeel van het gezin geworden. Hugo heeft het buitengewoon naar de zin en de kinderen hebben er een broertje bij. Het speelt dat het een lieve lust is. Het rolt samen over de grond, het draaft door de bossen.
En natuurlijk zijn er de scherpe tandjes die gemene krassen kunnen maken. Maar omdat het een labrador is, weet je dat die scherpe tandjes over een paar maanden veranderd zijn in een zachte bek die bij het stoeien voorzichtig de armen en benen van Malu en Joris zullen pakken.

Ik gun het Malu en Joris dat Hugo ook veertien jaar leeft. Het kan bijna niet anders dat, als Hugo bijna niet meer kan zien, doof en slecht ter ter poot is, het gezin, net zoals wij hebben gedaan, zich zal scharen rond de mand als de dokter voor het laatste spuitje komt.
Het verdriet zal groot zijn. Het zal dagen duren voordat het verdriet om de broer, waarvan je zoveel hebt gehouden, een beetje op de achtergrond is geraakt. Dat is het nadeel van een hond als broer. Zo’n broer leeft gewoon te kort. Wat zou goed zijn als we daar iets aan kunnen doen.

Wachtkamers

Vrijdag 22 mei 2015, Lhee

 

Ik rij langzaam naar het ziekenhuis. Ik geniet van het Drentse landschap, de koeien staan opmerkelijk tevreden in de wei. De laatste tijd probeer ik mijn leven sowieso langzamer te leven.
Toen Wyb regelmatig in mijn auto begon te zitten, noemde ze mij de Indiase taxichauffeur. Niet onterecht. Ik heb wat afgejakkerd en wat bekeuringen moeten krijgen. Ik heb er in mijn leven ook veel gehad, maar het hadden er veel meer moeten zijn.

Ik ben veel te vroeg, zelfs als ik zo doorrij, ben ik veel te vroeg in het ziekenhuis. Niet dat ik dat erg vind. Ik hou van wachtkamers. Dat klinkt raar, maar het is wel waar. Uren wachten op een vliegveld is voor mij geen straf. Ik hou ervan om tussen twee reispunten te zitten.
Je komt ergens vandaan, je gaat ergens naar toe en om wat voor reden moet je op die tocht wachten. Het leven staat dan even stil. Tijd om te kijken en wat te zitten. Wachtkamers doen me denken aan die schoolvakanties op de basisschool waar maar geen einde aan kwam. De dagen van helemaal niets doen, alleen maar wachten opdat je weer naar school moest.

‘Gezien het feit dat het zo lang geleden is en er eigenlijk geen specifieke schuldigen zijn aan te wijzen, ziet het er niet naar uit dat er in de zaak van de Fyra geen koppen zullen rollen.’ Autorijden en onderwijl naar de radio luisteren, daar krijg ik niet genoeg van.

Toch wonderlijk dat politieke bestuurders, politici in het algemeen, nooit de consequenties van hun beslissingen hoeven te voelen. Ze kunnen in feite doen wat ze willen. Domme beslissingen, de belastingbetaler op kosten jagen met nutteloze projecten, zaken kapot maken, ze mogen de meest onverantwoorde besluiten nemen en nooit gaan ze dat persoonlijk voelen.
Volgens mij is dat het enige functie in Nederland waarbij dat het geval is. Een werknemer kan worden gestraft vanwege slecht functioneren, een directeur kan daarvoor de bak indraaien, een ondernemer kan failliet gaan. Allemaal grote consequenties. Zelfs een eenvoudig bestuurslid van een kleine stichting kan zijn huis kwijt raken als hij onverantwoorde beslissingen neemt.

Jan Timmer, oud-voorzitter van de Raad van Commissarissen van de NS, noemde de privatisering van de spoorwegen de moeder van alle kwaad. Dat geloof ik ook wel. Ik ben best voor marktwerking, niets is gevaarlijker dan de overheid, maar dan moet het wel een echte markt zijn. De privatisering van de spoorwegen was marktje spelen, evenals de privatisering van de gezondheidszorg en andere nutsvoorzieningen. Het lijkt heel wat die privatiseringen, maar ze zijn in strenge randvoorwaarden geklonken en van concurrentie is vaak geen sprake, een nep markt dus. Een met de mond beleden markt, een politieke markt dus.

Overigens trok die Jan Timmer, oud-directeur van Philips, toen hij voor het eerst bij de minister op bezoek ging zijn colbert uit. Hierdoor werden zijn bretels zichtbaar met doodskoppen erop. De verhouding tussen NS en het ministerie was om te huilen.
Wat een kinderachtige man die Timmer. Als hij zijn machogedrag nou had gebruikt om die treinen op tijd te laten rijden, gaat hij verdomme handje drukken met de minister. Een moderne koppensneller gaat op jacht.

De specialist laat me weten dat ik beter ben. Dat wist ik al want ik ben weer full swing aan het werk. Als je dit hebt gehad, heb je wel verhoogde kans dat zo’n virale ontsteking aan de hartzak terugkomt. En die hoge bloeddruk moet ik ook wat aan laten doen.
Opgelucht rijd ik terug naar Lhee. Ik moest vanmiddag weer een hartfilmpje laten maken. En je weet het natuurlijk nooit. Ik vind het menselijk lichaam nou niet bepaald een betrouwbaar instrument. Als i het doet is het een heerlijk ding, maar het is zo verrekte moeilijk te repareren en je weet zeker dat het op een gegeven moment ophoudt.

Ik ben zo’n anderhalf uur in het ziekenhuis geweest. Als ik de radio aanzet, hebben ze het nog steeds over de Fyra. Niet gek, want deze mislukking kostte ons 11 miljard euro. Ik denk niet dat er een claim komt naar Zalm en Kok die het project op neo-liberale wijze doordrukten.

De koeien staat nog steeds buitengewoon tevreden in de wei. En ik zit buitengewoon tevreden in de auto. Nog even respijt wat dat hart betreft. Maar ja, resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.

Shoppen

Donderdag 21 mei 2015, Lhee

 

Ik heb enige ervaring met shoppen in de trein. Ooit reden Wyb en ik met de trein van Moskou naar Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. We dachten dat we in een trein zaten, maar in feite was het een rijdend warenhuis. De coupés zaten vol met handelaren, vooral handelaren in kleren.

Elke keer als de trein stopte, was het op het station een drukte van jewelste met vrouwen en kinderen. Moeten al die mensen mee, dacht ik de eerste keer. Maar er stapte niemand in. Er stapten wel veel mensen uit. Op hun armen droegen ze spijkerbroeken, jurken, t-shirts en rokjes.
In de korte tijd dat de trein stopte was het station één grote markt. Er werd gepingeld en gekocht. Als de trein dreigde te vertrekken, sprongen de reizende winkeliers weer de trein in. Het afrekenen vond soms nog plaats via een open raampje van de moeizaam optrekkende trein.

Het werd nog erger. We dachten in een coupé te zitten, maar het bleek een opslagplaats te zijn. De tweede nacht dat we door die eindeloze Siberische vlakte reden, waar slechts berken lijken te groeien, ging de deur van de coupé open.
Wij protesteerden in het Engels, maar niemand die ons verstond. De mannen klommen op onze banken en begonnen het plafond te demonteren. Achter het plafond lagen stapels spijkerbroeken. Met vaardige hand haalden de mannen de stapels te voorschijn en schroefden het plafond weer op zijn plaats. Zonder iets te zeggen verlieten ze onze coupé. Ik wist dat ze terug zouden komen want er bleven nog heel wat spijkerbroeken liggen.

Een nacht later maakten de handelaren het nog bonter. Ik stond in de gang wat op en neer te wiegen op het ritme van de trein. Inmiddels kenden we de mensen in de trein en was het een gezellige boel.
Op een gegeven moment kwamen de mannen van het plafond. Gedecideerd drukten ze de toeristen terug de coupés in. Tot mijn verbazing schroefden ze dit keer de vloer van de gang open. Ze haalden de vloerplaten helemaal los en ik keek in het onderste van de trein.
Men wroette wat en toen kwamen er lange, ijzeren stangen tevoorschijn, zo’n soort stang die men in beton stort, maar dan nog glanzend, vrij van roest. Ze schoven de stangen verder de gang in en schroefden de vloer weer vast. Wij, de toeristen, konden weer tevoorschijn komen. Bij het volgende station werden de stangen met moeite uit de gang gemanoeuvreerd en naar buiten getrokken. Dit keer onderhandelden ze niet over spijkerbroeken maar over de stangen.

Gisteren maakte ik een heel andere manier van shoppen in de trein mee. Ik reed van Amsterdam naar Meppel en naast mij zaten drie meisjes. Naast hen stonden grote tassen van de Primark. Een had een ongelooflijk strakke legging om haar dikke benen. Geen idee hoe het haar lukte die legging daar omheen te krijgen. In hun hand hielden ze alle drie hun mobieltje. Zo van opzij leek het wel of het ding vergroeid was met hun hand, zo vaardig en snel bedienden ze het schermpje.

Eigenlijk zaten de drie meisjes niet in de trein. Van Amsterdam tot Meppel zaten ze te winkelen. Ik weet niet precies naar welke site ze zaten te kijken. Het kan goed zijn dat die van de Primark was. In ieder geval werd het totale assortiment kritisch doorgenomen.
‘Die rose broek, die vind ik zo leuk.’ Dat verraste me niet want alles wat het meisje rose kon aanhebben, was rose.
Ik probeerde te lezen, maar dat lukte niet. Daarna probeerde ik te slapen, ik had weer lange dagen achter de rug daar in de bibliotheek. Maar dat lukte ook niet. De opgewonden stemmetjes van de meisjes zorgde ervoor dat ik me nergens op kon concentreren, zelfs niet op slapen. Met hen liep ik de hele collectie van Primark door, alleen lieten ze mij hun schermpjes niet zien waar al dat moois opstond.

Maandag 18 mei 2015, Rotterdam

 

 

Vergeten

 

De trein stopt nog altijd om kwart voor acht in Hoogeveen.
De man met aktetas leest nog elke dag De Telegraaf.
En op het Journaal woedt vast nog steeds een oorlog door.
De boomvalk bidt en bidt zijn gebeden boven de berm.

De klokken draaien door. De maan blijft draaien in zijn baan.
De zon schijnt onverminderd door en het meisje kleurt de dag.
De oude vrouw heeft nog lang haar boek niet uit, de haan
blijft kraaien, het is een lieve lust. De bloemen komen uit hun knop.

En niemand zal zich nog herinneren dat er eens een G.J.A. Tonen
door de stad liep, dat hij hield van vrouw en kind. Het was
een kort verhaal, een mooi verhaal, er was alleen geen
happy end. Wat hield hij van het leven, hij zal het nooit vergeten.

Applaus

Zaterdag 16 mei 2015, Lhee

 

Als ik de auto uitstap, ruik ik wat ik heb gemist: bomen, gras, bloemen. En stilte. Voor het eerst sinds afgelopen zondag kom ik thuis. Sinds ik het rustiger aandoe, ben ik minder thuis, al klinkt dat paradoxaal. Minder thuis, meer hotels. Minder gereis, meer verlangen naar Lhee.

De afgelopen weken -ziekte, Turkije- hebben Wyb en ik weinig theater gezien. Maar dat maken we deze week goed. We hebben ons eigen festival samengesteld, zou je kunnen zeggen.
Dinsdag presenteerde Wyb haar theaterprogramma in Ogterop. Maar dan was je toch thuis? Nee. Ik was wel bij die presentatie, maar op het einde van de avond reisde ik nog naar een hotel in Zandvoort. Dat moest wel, want de volgende dag leidde ik in Bloemendaal een brainstorm.

Die brainstorm vond plaats in het mooiste zaaltje waar ik ooit in heb mogen vergaderen. We zaten in een strandpaviljoen. Of liever: we zaten bovenop een strandpaviljoen. Een wand was helemaal van glas en daar doorheen keken we uit over de zee. Op de horizon draaide volop de windmolens. Onder ons, op de terrassen, zaten tientallen mensen te genieten van de zon die zich woensdag van zijn beste kant liet zien.

‘Hier kan de geest waaien,’ zei ik toen ik de ruimte binnenkwam. ‘Weet je waar die uitspraak vandaan komt? De geest moet waaien?’ vroeg ik aan een vriend die meedoet met de brainstorm.
‘Geen idee.’
‘Dat is een zin van Johnny van Doorn: de geest moet waaien. Volgens mij is dat een van de titels van zijn boeken.’
‘Johnny van Doorn? Nog nooit van gehoord.’
‘Heb je nog nooit gehoord van Johnny van Doorn?’ Ik ben verbaasd. Mijn vriend heeft toch theologie en politicologie gestudeerd en is een veelbelovend cabaretier. Moet gezegd, mijn vriend is dertig jaar jonger.
Ik leg hem uit wie Johnny van Doorn is. Als de andere zes mensen binnenkomen vraag ik of zij weten wie Johnny van Doorn was. Slechts één van de zes die het weet. Ik vrees dat mijn jeugdidool inmiddels een generatiedingetje is geworden.

’s Avonds gaan we naar Tanizaki van De Warme Winkel. De dag daarop naar Angels in America van Toneelgroep Oostpool in Den Haag, een voorstelling die vijf uur duurt, met slechts één pauze erin. Vijf uur lang? De dag daarop gaan we naar Genesis van Het Nationale Toneel, ook in Den Haag. In een nieuw theater, het Zuiderstrandtheater, direct aan zee gelegen. Die voorstelling duurt zes uur. Moet gezegd, een voorstelling met twee pauzes, in de eerste pauze is er een maaltijd.
De drie voorstellingen hebben één ding gemeen: het zijn dijken van voorstellingen. Tanizaki, is onvervalste waanzin, soms totale puinhoop, dan weer heel verstild. Angels in America is een voorstelling over de aidsepidemie, aangrijpend, triest. Genesis is een epos, een hervertelling van het bijbelse Genesis. Er zij licht en er was licht.

Drie avonden horen we aan het applaus dat het publiek mateloos heeft genoten, mee is genomen naar onbekende verten. Drie keer zien we toneel zoals toneel altijd zou moeten zijn: meeslepend, vertellend, verrassend. Het is toneel zoals film vaak is: af, goed, totaal op de juiste wijze uitgebalanceerd.
Alle slappe, slecht gemaakte toneelstukken zouden verboden moeten worden. Net zoals bij film zou er ongelooflijk veel aandacht en geld aan een toneelstuk moeten worden besteed. Zeker te weten dat de zalen dan weer vol zouden zitten.
Theater is volgens mij de enige bedrijfstak die bewust slechte producten verkoopt. Een slecht product terugtrekken is in het theater geen optie. Voor elke producent leidt dat tot faillissement.

Twee dagen Den Haag. Ik ben voor het eerst in het Mauritshuis. Schandelijk, dus tegen niemand zeggen. Wat een mooi museum. In het Haags Gemeentemuseum bezoeken we een tentoonstelling over de Haagse School.
In Amsterdam en Den Haag zien we massaal mensen naar musea gaan. Het is voor het toerisme trekpleister nummer 1. Ongelooflijk dat Halve Zijlstra, de cultuur ooit als niet relevant wegzette. Miljoenen komen naar Nederland om van kunst te genieten. Geen idee hoe groot het belang voor de Nederlandse economie is. Maar dat zal niet mis zijn.

Ik zie net dat ik niet Halbe Zijlstra heb geschreven maar Halve Zijlstra. Ik ga het niet corrigeren.

Tip

Donderdag 14 mei 2015, Den Haag

 

1.
14 mei is de verjaardag van wie ooit, decennia lang, mijn beste vriend was. Over wat er tussen ons gebeurde zal ik niet bloggen. Over sommige onderwerpen blog je niet. Daar hoeft zelfs De Censor mij niet op te wijzen.
Ik zit in een hotel in Den Haag en typ de datum boven dit blog en moet aan mijn voormalige vriend denken. Dat zal mijn hele leven wel zo blijven.
De vraag rijst: zal ik hem een sms’je sturen? Op mijn verjaardag stuurde hij nog wel een sms’je. Twijfel.
Uiteindelijk besluit ik hem niet te sms’en. Het lijkt me beter geen enkele illusie over een vergane vriendschap te hebben. Het is toch zo’n beetje als al die dozen met oude herinneringen die jarenlang onuitgepakt op mijn zolder stonden. Als je er nooit naar omkijkt, nooit aan denkt, kun je die herinneringen beter weggooien. Je moet je leven toch een beetje schoon en opgeruimd houden.

2.
Slaapnotitie.
Zondag 10 mei, Lhee
Maandag 11 mei, Loyd Hotel, Amsterdam
Dinsdag 12 mei, NH Hotel Zandvoort, Zandvoort
Woensdag 13 mei, Loyd Hotel Amsterdam
Donderdag 14 mei, Holiday Inn Express, Den Haag
Vrijdag 15 mei, Holiday Inn Express, Den Haag
Zaterdag 16 mei, Lhee

3.
Theaternotitie.
Dinsdag 12 mei, presentatie programmabrochure, Meppel
Woensdag 13 mei, Tanizaki, De Warme Winkel
Donderdag 14 mei, Angels in America, Toneelgroep Oostpool
Vrijdag 15 mei, Genesis, Het Nationale Toneel

4.
Belangrijke tip.
Voor wie een voicemail inspreekt en op die voicemail een telefoonnummer achterlaat, spreek dat nummer aub langzaam in. Ik vind het altijd zo vervelend als ik drie keer mijn voicemail moet afluisteren omdat iemand zijn telefoonnummer afraffelt.

Mes

Maandag 11 mei 2015, Amsterdam

 

Je zou Erik een stadsjutter kunnen noemen. Erik heeft een eigen bedrijf, Bezemschoon, voor het leegruimen van huizen en bedrijfsruimtes. Ik weet uit eigen ervaring hoeveel werk het is om het huis van een iemand leeg te maken. Toen mijn moeder verhuisde van haar geliefde appartement naar een verzorgingsflat moesten Wyb en ik haar huis totaal leegruimen. Wij zijn daar dagen mee bezig geweest. Ik wist toen nog niet dat je bedrijven als Bezemschoon had, anders had ik die zeker ingeschakeld.

Ik kan Erik aanbevelen. Hij is een volstrekt eerlijk mens. Ooit vond hij in een huis in Groningen, in boeken die de erven wilden weggooien, €30.000. Niemand die wist dat die €30.000 nog in huis waren. Hij had ze makkelijk in eigen zak kunnen steken. Maar zo is Erik niet, hij gaf ze eerlijk terug. Ik weet niet wat ik gedaan zou hebben. Of eigenlijk weet ik dat wel.

Het is altijd spannend als Erik komt. Door het ruimen van al die huizen vindt hij de meest curieuze dingen. Gisteren kwam hij in Moddergat om alle dingen die Wyb en ik niet kunnen wel te doen. Lampen ophangen, gordijnen, douchekoppen en meer van die dingen waar ik ontzettend chagrijnig van word, alleen al omdat ik niet het goede gereedschap heb.

Zoals vaker bracht hij weer iets nuttigs mee. Eerder, bijvoorbeeld, kreeg ik mijn schrijftafel van hem. Nu krijg ik een cassetterecorder. Dat klinkt misschien duf, maar hij geeft me hiermee de sleutel tot mijn verleden. Tijdens de verhuizing vond ik namelijk een heleboel cassettebandjes. Er staan de stemmen op van mijn vader en Anne en Esmee toen ze nog klein waren. Een kostbaar geschenk dus.

Ook geeft hij mij een Japanse waaier. Althans, ik dacht dat het een Japanse waaier was. Maar ik kan de waaier niet openen, het blijkt een mes te zijn. Een stevig, afschrikwekkend mes. Het is een mes voor dames, het komt uit Indonesië. Een eventuele belager denkt dat het een liefelijke waaier is die de dame in de hand houdt. Feitelijk is het een dodelijk wapen.

Ik zit in de trein van Meppel naar Amsterdam. Ik zoek een oplader en dan heb ik opeens het mes in mijn handen. Ik heb het gisteren in Moddergat in mijn tas gestoken om mee naar Lhee te nemen. Voor het eerst in mijn leven ben ik op stap met een mes. Een paar stoten en ik zou met het ding zomaar iemand kunnen doden.
Stel dat ik nu door de politie wordt aangehouden. Of dat iemand mij met het mes ziet. Men zou de meest verschrikkelijke gedachte over mij hebben. Ik stop het mes diep weg in de tas. Ik vind messen fascinerend, maar moet er zelf niets van hebben. Ik kreeg het mes van Erik om aan een vriend te geven die messen spaart. Eenmaal op mijn werk heb ik opnieuw zomaar het mes in mijn hand.

Zondag 10 mei 2015, Lhee

 

 

Tussen vlees en bloed en lucht zit heel dun vel.
Het lichaam is een wonderlijke cel
waar het pompt en stroomt en glijdt en borrelt, flinter…
Zwijg. Ik weet. De barst. Het kan. Bij elke tel.

Hoelahoep

Zaterdag 9 mei 2015, Lhee

 

Heb ik ooit eerder over mijn buik geschreven? Volgens mij niet. Toch vreemd, want vaak zie je als eerste mijn buik en dan pas mij.
Maar het zegt veel dat ik er niet eerder over schreef. In feite bestaat mijn buik niet. Klinkt vreemd voor iemand met zo’n buik, maar zelf ben ik hem niet bewust. De buik speelt geen rol in mijn leven.

Dat komt vermoedelijk omdat ik een groot deel van mijn leven, het eerste deel, helemaal geen buik had. Tot mijn tweeëndertigste was ik een jonge, slanke Adonis met het haar van een engel, compleet met pijpenkrullen. Het was in de tijd dat ik me niet kon voorstellen dat ik ooit een buik zou kunnen krijgen.

Ik zweer het. Er waren mensen die zich zorgen over mijn dunheid maakten. Volgens mijn voormalige schoonmoeder had ik veel te dunne polsen. Ze was er zo door geobsedeerd dat ze haar dochter verdere omgang met me verbood. Om het verbod tot uitvoer te brengen werd zelfs de directeur van de school gemobiliseerd. Een mens maakt rare dingen in zijn leven mee.

Het lichaamsdeel dat mij vooruit gaat, is er pas na mijn dertigste gekomen. Het kwam, bedacht ik achteraf, in een periode van onachtzaamheid. Het was in de tijd dat ik bezig was met de realisatie van een theater in Leeuwarden. Het was een tijd dat ik veel buiten de deur at. Ik was kind aan huis bij de chinees die daar om de hoek zat.

Ik ontdekte de buik toen ik langs een etalageruit liep. Wat zit mijn jas raar, dacht ik bij het zien van mijn spiegelbeeld. In de volgende ruit bekeek ik me wat beter en dat was het moment dat ik mijn buik zag. Die eerste verrassing van dat spiegelbeeld heb ik na al die jaren nog steeds als ik langs een etalage loop.
In mijn hoofd ben ik nog steeds die slanke jongen, die jongen zonder een grammetje vet. Zoals ik ook nog steeds die jongen in mijn hoofd ben die zich over de wereld kan verwonderen. Wat dat betreft, zou je kunnen zeggen, heb ik mij niet aangepast aan de realiteit, gaat de realiteit aan mij voorbij. Best handig.

Er zullen vast mensen zijn die denken: oh, die man met die buik. Ik zelf heb daar dus geen last van. Ik heb nog altijd het idee dat het een uitstulping is die er eigenlijk niet hoort en tijdelijk van aard is.
Niet dat ik mijn best doe om er vanaf te komen. Waarom zou ik. Ik heb er volstrekt geen last van. Er zijn mannen die zich te pletter lopen om van zo’n ding af te komen. Of die voortdurend met diëten bezig zijn. Ik hou niet van sport en mijn gewicht blijft altijd hetzelfde, wat ik ook doe, namelijk 84 kilo, en daar ben ik volkomen tevreden mee.

Ik kom erop omdat Wyb een hula hoop heeft aangeschaft -althans dat staat op de doos. In goed Nederlands heet zo’n ding volgens mij een hoelahoep. Het schijnt een probaat middel tegen buiken en beginnende buikjes te zijn. Ik vind het een fantastisch gezicht om Wyb te zien hoelahoepen. De Censor verbiedt mij er een foto van te maken. Wat ik natuurlijk respecteer.
Ik vind het zo’n genot om Wyb te zien hoelahoepen omdat de hoelahoep mij terugbrengt naar de tijd dat in het huis van mijn opa en oma iedereen stond te hoelahoepen. Mijn moeder, mijn vader, mijn tantes, mijn ooms, iedereen stond met zijn heupen te draaien en de plastic cirkel draaide vrolijk om hun buiken.

Serie

Vrijdag 8 mei 2015, Moddergat

 

‘En ben je dan niet benieuwd naar de geschiedenis van zo’n gebied? Wil je er dan niet alles van weten?’ vraag Henk, mijn buurman in Moddergat, als we het over Lhee hebben.
‘Dat zou ik wel willen weten, maar daar ben ik te ongedurig voor,’ zeg ik naar waarheid. ‘Ik heb ooit geschiedenis gestudeerd, maar mijn karakter gedijt niet in een archief of een studiezaal. Daar ben ik te ongeduldig voor.’
We praten verder over fotografie. Henk maakt prachtige foto’s van het wad en de omgeving van Moddergat. Regelmatig gaat hij met archeologen het wad op als ze bij voormalige eilanden opgravingen gaan doen.
Ik moet het gesprek afbreken omdat ik nog boodschappen moet doen en over een half uur een afspraak heb met een man die ons huisje komt inspecteren. Hij monitort Moddergat zodat de NAM kan zien of de gasboringen onder het Wad gevolgen hebben voor de huizen.
Diep onder ons huis schijnen dikke pijpleidingen te lopen waarmee de Nederlandse economie wordt gevoed. Goed nieuws: sinds de vorige inspectie ziet ons huis er nog precies hetzelfde uit. Hij kan geen scheuren of andere mankementen vinden. Ik gelukkig ook niet.

Na de man van de pijpleidingen komt Benne op bezoek. Benne is een verzamelaar pur sang, een forser. Dat kan hij net zo maniakaal doen als Tino. Ik heb een paar van die vrienden. Als ze gefascineerd zijn door een onderwerp willen ze er alles over weten, willen ze er alles van hebben.
Ik heb dat helemaal niet. Ik ben een sneuper en een snaaier. Ik hou er van om door een stad te zwerven en wat beelden en indrukken op te doen. Meer niet. Ik probeer juist zo min mogelijk te hebben.

Benne heeft diverse mooie verzamelingen opgebouwd. Verzamelingen over boten, het wad, de geschiedenis van het Friese en Groninger land. Sommige verzamelingen heeft hij ook weer weggedaan. Gewoon omdat hij er klaar mee was, er niets meer te verzamelen viel.
Ik heb vandaag een interview met Benne. Op Dossiermoddergat staan nu zo’n 600 tekeningen van hem. Het lijkt me mooi om de reeks af te sluiten met een interview. Bijna een uur praten we over zijn tekeningen. Ik hoop dat ik binnenkort de tijd vind om het interview uit te werken.

Toen ik boodschappen deed, kwam ik op het idee om, net zoals ik bij Benne heb gedaan, een serie foto’s van Henk op de site te zetten. Er is zeker overeenkomst tussen de tekeningen van Benne en de foto’s van Henk. De liefde voor het wad, het landschap daar omheen.
Als ik terugkom van de supermarkt in Anjum vraag ik aan Henk of hij interesse heeft om zijn foto’s op Dossiermoddergat te tonen. Dat heeft hij. Dus wie weet verschijnt er binnen afzienbare tijd een nieuwe serie in Het Dossier.

De dag sluiten we af in de Waard van Ternaard, ons lievelingsrestaurant. Een paar keer per jaar genieten we hier onbedaarlijk van het koken van chefkok Michael Roes. Hij blijkt niet alleen van ons waardering te krijgen. Een paar weken geleden is in NRC Handelsblad een groot artikel verschenen over het restaurant. De recensent gaf hem een 8,5. Dat is slechts één ander restaurant ooit ten deel gevallen. Goed dat dit tot voor kort noordelijke geheim nu ook in de Randstad bekend is gemaakt. Het heeft ook erg geholpen, laat Michael ons weten. Sinds het artikel verscheen is het aanzienlijk drukker geworden. En terecht.

Wekker

Donderdag 7 mei 2015, Lhee

 

Sinds de telefoon een wekkerfunctie heeft, slaap ik zonder wekker. Dat moet ver voor 2007 zijn geweest. In 2007 werd namelijk de iPhone geïntroduceerd. Ik was een van de eerste die zo’n ding had en sinds die tijd zijn mijn iPhone en ik onafscheidelijk.
Voor de iPhone had je het Nokia-tijdperk. Als ik me het goed herinner sliep ik ook toen al met mijn telefoon. Sowieso om ’s nachts, als ik wakker werd, te kijken hoe laat het was, maar ook opdat het apparaat me ’s ochtends wakker zou maken. Ik hield niet van wekkers. Meestal kocht ik die dingen bij de Hema en aan dat getik heb ik nooit kunnen wennen. Het fijne van de smartphone is dat hij ’s nachts even diep slaapt als ik.

Ik begin hierover omdat ik nu al jaren een soort wedstrijdje met de telefoon heb. Laten we zeggen dat ik nu al zo’n twintig jaar gewekt word door mijn telefoon. In al die tijd is het nog nooit gebeurd dat ik ’s ochtends wakker word, ik naar de telefoon grijp om te kijken hoe laat het is en dat op hetzelfde moment de wekker afgaat. Ik ben er al die jaren van overtuigd dat dit toch één keer moet gebeuren.
Het is eigenlijk standaard dat ik in de ochtend eerder wakker ben dan mijn smartphone. Het eerste wat ik doe, is naar mijn telefoon grijpen. Even kijken hoe laat het is. Meestal kan ik dan nog wel een half uurtje of kwartiertje door slapen. Soms nog maar drie minuten, soms ook wel twee minuten. Maar dus nog nooit dat de wekker af gaat terwijl ik kijk.

Tot vorige week. Ik word wakker. Grijp naar de telefoon. Voordat ik kan zien hoe laat het is, gaat in mijn handen het ding af. Kwart voor zeven dus. Dit simpele feit bezorgt me een geluksgevoel. Eindelijk heb ik een keer van mijn smartphone gewonnen, raak ik hem aan terwijl hij wakker wordt.

Wyb en ik hebben trouwens een nieuw slaapbeleid. Dat komt door mijn ontstoken hartzak. Ik heb het vaste voornemen om het rustiger aan te doen. Het op en neer reizen van Lhee naar Amsterdam is geen sinecure, dat kan een mens aardig uitputten.
Daarom hebben Wyb en ik ons voorgenomen om meer in hotels te slapen. Dit betekent dat we afgelopen zondagnacht in Amsterdam in een hotel sliepen en gisternacht in Utrecht. We jakkeren na een voorstelling niet meer naar huis, maar nemen voortaan een hotelkamer met bad.

Dit geeft niet alleen een luxe gevoel, maar voelt ook rock-and-roll. Veel popartiesten brachten hun leven in hotelkamers door en wij nu dus ook -zij het zo nu en dan. We voelen ons opeens wereldburgers. Niet dat we opeens sterallures krijgen. De lezer moet zich vooral realiseren dat we die hotels nemen voor mijn hartzak. Op die manier reizen we minder en krijgt dat rare stukje van mijn lichaam zijn broodnodige rust.

Derf

Dinsdag 5 mei 2015, Lhee

Afgelopen zondag stappen we om half twaalf uit de trein in Amsterdam. Voor mijn doen is het lang geleden dat ik een treinreis heb gemaakt. Als we uitstappen lopen we een theaterdirecteur tegen het lijf. Samen met zijn rechterhand gaat hij naar Herman van Veen. ‘Maxima is ook aanwezig,’ laat hij weten.

Zijn rechterhand, de programmeur van het theater, noemt zich trouwens artistiek leider. Dat zou best een nieuwe trend kunnen zijn, programmeurs die zich artistiek leider noemen. Laatst kwam ik er ook al een tegen. Ik heb geen idee wat er artistiek is aan het inkopen van voorstellingen. Maar goed, er zijn zoveel bananenrepublieken waar generaals zich achter medailles en lintjes verstoppen. Als je inkoper bij Albert Heijn bent, noem je je toch ook geen producent van wc-papier of jam.

Terwijl zij buiten het station linksaf slaan naar Carré gaan Wyb en ik rechtsaf naar Theater Bellevue. Wij gaan naar de première van een toneelstuk dat Wolter en ik hebben geproduceerd. Het stuk heet Derf en is geschreven door Sophie Kassies. Wolter en ik lazen het stuk zo’n anderhalf jaar geleden en wisten meteen dat het stuk gespeeld moest gaan worden. Dat gebeurt nu door Titus Boonstra en Mathieu Güthschmidt. Het stuk is geregisseerd door Willibrord Keesen.

Ik vond het stuk dus al ijzersterk en gelukkig doet de voorstelling daar alle recht aan. Het is een belangwekkend stuk omdat het twee werelden pijnlijk tegenover elkaar zet. Aan de ene kant de zoon, bedrijfskundige, aan de ander kant de rol van de moeder, oud-balletdanseres, dominant, overleden, maar voor de zoon nog zeer aanwezig.
De reacties van publiek en pers zijn zeer enthousiast. De Volkskrant geeft vier sterren. Wat wil je nog meer.

En toch gaan Wolter en ik dit nooit meer doen. Weg met de hoofdpijn en de slapeloze nachten. Je vraagt subsidie aan en vrijwel altijd krijg je daar maar een deel van. Waarom? Ik vraag toch niet voor niets een bepaald bedrag aan? Er is dus te weinig geld, maar inmiddels willen alle betrokken theatermakers het stuk toch gaan maken.
Afgelopen seizoen was dit regel. Er is te weinig geld. En toch wordt het gemaakt. Het mooie is dat vrijwel alle producties die we hebben gemaakt door de pers erg goed zijn ontvangen. En door het publiek dat het zag ook. Maar ondanks alle mooie recensies kwamen er zo verrekte weinig mensen kijken.

Je zou denken dat theaterdirecteuren benieuwd zijn en op zoek naar nieuw talent, naar nieuwe, bijzondere voorstellingen. Fout gedacht. Onze ontmoeting op het Centraal Station is karakteristiek. De theaterdirecteur zit liever bij Herman van Veen, samen met Maxima in de zaal, dan dat hij rechtsaf slaat naar Theater Bellevue om naar een belangwekkende voorstelling te kijken. Als je met Maxima in een zaal zit, heb je namelijk het idee dat je zelf ook belangrijk bent. In Bellevue moet je maar afwachten wat je te zien krijgt. Ik ken dat gevoel.

Maar het komt er op neer dat zo’n prachtige voorstelling als Derf totaal is gemarginaliseerd. De makers moeten vaak geld meenemen om hem te kunnen maken, in plaats van dat ze een normaal salaris krijgen. Er is nauwelijks tot geen publiek, de theaterdirecteuren zijn alleen geïnteresseerd in de grote namen, naar mensen die veel op televisie verschijnen. Theater is hiermee een onderafdeling geworden van de televisie. Niemand die het erg vindt.

Oké. Ik capituleer. Waarom zou ik me druk maken als niemand, een enkeling daargelaten, geïnteresseerd is in het maken van mooie voorstellingen waarbij de namen van de makers bij een groot publiek niet zo bekend zijn. Ik heb er slapeloze nachten van of we het geld bij elkaar krijgen, of we binnen de begroting blijven, of er geen onvoorziene dingen gebeuren waardoor faillissement dreigt.

Het schrijnende is dat bijna alle voorstellingen die we brachten artistiek gezien succesvol waren. Maar het punt is dat we ze veel te weinig konden spelen. Er waren geen datums in de theaters, de theaters durfden het niet aan, wilden er te weinig voor betalen, hadden zich niet op de hoogte gesteld.

Ik vind het in principe leuk om een voorstelling als Derf te maken, dat zou ik veel meer willen doen. Maar dit soort theater is te veel gemarginaliseerd om er mee door te gaan. Ik heb geen zin om het alleen voor familieleden, bekenden en een enkele liefhebber te maken.

Dat degene die niet naar Derf gaat totaal ongelijk heeft, wil ik graag bewijzen. Iedereen die niet van plan was om te gaan en toch gaat, krijgt van mij een kaartje voor de halve prijs.
De voorstelling staat van dinsdag 28 april t/m zondag 24 mei elke dag in Theater Bellevue in Amsterdam, behalve op maandag en zaterdag. Aanvang: 12.30 uur. Even mailen naar gerard@lommerde-tonen.nl en ik leg een kaartje voor de halve prijs voor je klaar. Een speciale Dossiermoddergat Actie dus. Een kaartje kost dan geen €16 maar €8. En nu geen smoesjes meer.

Hemel

Maandag 4 mei 2015, Lhee

 

Ik heb vorige week wat af geschommeld in mijn schommelstoel aan de Middellandse zee. Een kleine geschiedenis van bijna alles op mijn schoot, voor mij de blauwe zee. Voor de goede orde, ik zit nooit in de zon. Ik ben een zonaanbidder, maar altijd vanuit de schaduw. Onder de volle zon kan ik niet lezen en begint mijn lichaam al snel te protesteren. Meer nog dan een liefhebber van zon ben ik een liefhebber van schaduw.

Ik lees over het atoom. Rare, letterlijk ongrijpbare dingetjes. Miljoenen en miljoenen kunnen zich verschuilen achter een menselijke haar. Een mens bestaat uit 9,400.000.000.000.000.000.000.000.000 atomen.
Als je uitrekent hoeveel atomen er in een druppel water zitten en evenveel hagelslagjes bij elkaar zou leggen heb je een laag van tien centimeter hoog aan hagelslag over de hele wereld heen.
In een atoom zit een kern van neutronen en protonen. Om deze kern heen bewegen elektronen. Een elektron beweegt met 100.000 kilometer per seconde om de atoomkern heen.
Deze elektronen blijven om deze kern heen slingeren, omdat zij het tegenovergestelde zijn van de atoomkern en daardoor worden aangetrokken. Dit is een elektrische spanning. Een min (de elektron) wordt aangetrokken door een plus (de atoomkern). En dat gebeurt op het moment dat je dit leest 9,400.000.000.000.000.000.000.000.000 keer in je lichaam.

Dan springt het boek weer over op onze oneindige heelal. Om ons heen 150 miljard sterrenstelsels, om ons heen miljoenen en miljoenen lichtjaren leegte. Hier en daar vliegt een planeet, komeet, staat een ster. Maar bovenal is het leeg, donker en koud.
En toch zijn al 9,400.000.000.000.000.000.000.000.000 atomen in ons lichaam afkomstig uit die leegte en donkerte. De delen waaruit wij zijn opgebouwd vlogen ooit ergens in die leegte, weggeschoten door de Big Bang op weg naar… Uiteindelijk naar ons, om zich op wonderlijke wijze te verzamelen tot jou en mij.

En wat een toeval. Als de baan van de aarde enigszins anders was geweest, even wat verder of dichter bij de zon had gelopen, dan was ons leven onmogelijk geweest. Net zo als het onmogelijk was geweest als de aarde geen vloeibaar draaiende kern van magna had gehad waardoor er magnetisme ontstaat waardoor allerlei materiaal die de zon op ons afschiet wordt tegengehouden. En stel dat we dat uiterste dunne laagje zuurstof niet om ons heen hadden. Een paar kilometer hoger en een paar honderd meter lager en we kunnen al niet meer leven. In feite is er, zeker gezien de onmetelijkheid van het heelal slechts een heel kleine laagje waarin we ons kunnen begeven.

Toen ik zo aan het schommelen was, dacht ik opeens: wat zitten die gelovigen toch altijd te zeveren over de hemel. Wij zijn de hemel. Dit, wat we hebben op aarde, is de hemel. Het is toch ongelooflijk dat die atomen in ons bij elkaar zijn gekomen en tot een bewustzijn zijn gekomen. Dat ik zomaar aan zo’n maf Dossiermoddergat kan werken.
Natuurlijk is er ook een hel op aarde. Die atomen zullen zich maar in Nepal tot mens hebben verzameld en je wordt vermorzeld door je eigen huis. Allemaal mogelijk. Maar het is alleen mogelijk in een miniem stukje heelal. Vermoedelijk dat er ergens, onvoorstelbaar ver weg, ook zo’n stukje is waar atomen tot bewustzijn kunnen komen, maar dat is zover weg dat het voor ons eigenlijk niet relevant is.

In die hemel is het ook zomaar mogelijk dat je een ontsteking aan je hartzakje krijgt. Pas op de plaats. Tijd om extra stil te staan bij de dingen. Terwijl ik in de schaduw schommel, een orange juice op tafel, denk ik: laten we vieren dat we in de hemel zijn. En vooral ons niet laten wijsmaken dat die hemel pas straks komt. Tot nu toe is daar in die grote donkere, koude leegte nog geen enkel spoortje van gevonden. Terwijl ik hier toch dat prachtige boek zit te lezen. Laten we genieten van de hemel.

Zaterdag 2 mei 2015, Lhee

 

Roodborst

Dan trek je met hakbijl en speer.
Het zweet van opwinding. De grond.

Er is maar één vraag: waar is de grond?
De grond met water, zaden, dieren.

De grond waar je een tafel op kunt zetten.
De grond waar een vrouw op kan lopen.

In je hoofd zitten de lijnen, de grenspalen.
Je sluipt, je spiedt, en dan sla je. Hakt.

Gaten in lijf en leden. Krassen in je hersens.
Kromme lijnen, halve palen. Maar er is

Grond. Je vecht een tafel en een vrouw.
En let op: er komen cadeaus. Een stoel,

een kind. Bomen in de tuin. Heggen
met vogels. De zon op het gazon. Ik hou.

‘Mijn liefste, koning.’ En meer van dat soort
woorden. Grootgrondbezitter. Roodborst.

Je recht de lijnen en de rug. Je verft de palen
rood. Je lakt de tafel en langzaam, langzaam

toch lak je je vrouw. Het water trekt zich
terug. Tafel, vrouw en roodborst verdrogen.

Zelfs de bomen gaan hangen. Het zaad
waar blijft het zaad. Er was toch altijd zaad?

De lak bladdert, de vogels trekken weg,
het zijn net kinderen. De heg, je bent toe

aan de tweede heg, het derde gazon. Alles
moet nu geteld: de tafel, de vrouw,

koning de tweede of de derde. Zelfs het
daklood verzakt. Je weet, tellen heeft geen zin.

En als je voor de zoveelste keer de schuur
opruimt, vind je, verrassing, een hakbijl en

een speer. Een hakbijl en een speer. Wat was
de grond? Wie was de roodborst? Hoe voelde

het zweten en het hakken? Je gaat op zoek naar
grenspalen. Liefste, hier heeft er toch een gestaan?

Liefste, hier heeft toch een grenspaal gestaan?
Ik weet het vrijwel zeker. Kijk, dit was mijn hakbijl.

Transitie

Vrijdag 1 mei 2015, Lhee

 

1.
Gisteren schreef ik: ‘In de hoge boom, zo’n vijftig meter van ons vandaan, roept met ijzeren regelmaat een uil. Elke vier seconden herhaalt hij zijn heldere: Oei. Veel verder weg krijgt hij antwoord van een soortgenoot.’

Vandaag krijg ik van mijn Nicht uit Frankrijk, die zo’n beetje op de mooiste plek in Frankrijk woont, de volgende email: ‘Lieve Neef en family, Die vogel, die om de 4 seconden ‘Oei’ roept, is een dwergooruil! Woont in zuidelijke landen, komt in NL vrijwel niet voor. Hier huist er eentje in de tuin, hoera! Wij hebben hem jarenlang de achteruitrijd-vogel genoemd, omdat hij net zo’n geluid maakt als een vrachtwagen die achteruit rijdt. Na lang zoeken (en de broer van Lies, die alles weet van vogels) zijn we erachter gekomen dat het een dwergooruil is. En dan staat overal “niet te verwarren met de vroedmeesterpad, die vrijwel hetzelfde geluid maakt”. Dus dat kan ook nog, dat je geen vogel hoort, maar een pad…’
Goede Nicht heb ik. Want inderdaad, het was een dwergooruil, er van uitgaande dat een pad niet hoog in een boom zit en weg kan vliegen. Maar het is duidelijk dat mijn Nicht op een van de mooiste plekken in Frankrijk woont. Wie heeft er nou een dwergooruil in de tuin? Dat kunnen niet veel mensen zeggen.

2.
Vanmorgen om kwart over zeven zitten we in de auto op weg naar Antalya. Om 11 uur vliegen we terug naar Nederland. De autotocht verloopt gladjes. Mede omdat Turkije iets gedaan krijgt wat ons niet lukt: de groene golf.
Hier in Nederland laten we de automobilist stoppen voor een stoplicht, optrekken opdat hij na 150 meter weer voor het volgende stoplicht moet stoppen. De Turken lukt het ons door een zeer drukke stad te loodsen met maar een enkele keer stoppen. Als we ons aan de snelheid houden, staat elk stoplicht op groen. Hulde aan de Turken. Waarom zijn onze stoplichtinstellers eigenlijk niet zo milieubewust?

Jammer genoeg vliegen we niet meteen naar Eelde, onze eindbestemming. Mooie eindbestemming, want het vliegveld bij Groningen ligt maar 20 minuten rijden van ons huis. Maar voordat we naar het noorden vliegen, hebben we een tussenstop in Rotterdam. Het is voor de eerste keer dat ik daar land.

Als ik mijn mobiele telefoon aanzet, staat er: ‘Welkom in Roemenië.’ Daarna worden we naar een transitieruimte begeleid. Als je als buitenlander daar naar toe wordt gebracht, kan ik me voorstellen dat je denkt: geeft u mij maar meteen een ticket retour. Ruimtes waar in Nederland geen geld mee kan worden verdiend, hebben onze aandacht niet meer. Waarom zouden we ook, denkt de neo-liberaal. Maar misschien is de transitieruimte ook wel zo ingericht om Wilders tegemoet te komen. Je komt als vluchteling in Nederland aan en je weet meteen dat je daar niet welkom bent.
We hebben in Nederland wereldvermaarde designopleidingen en designers. Hoe kan het nou dat als de overheid of semi-overheids iets inricht het meteen smakeloos wordt? The Network of Excellence. Ja, ja.

Veranda

Donderdag 30 april 2015, Cirali

 

In de hoge boom, zo’n vijftig meter van ons vandaan, roept met ijzeren regelmaat een uil. Elke vier seconden herhaalt hij zijn heldere: Oei. Veel verder weg krijgt hij antwoord van een soortgenoot.
Hoog aan de hemel schijnt de maan. Het is een nacht waarin reizigers vroeger gewoon verder konden reizen. De maan is de lantaarn die hen bijscheen. We zitten op het strand van Cirali. Honderd meter van ons vandaan kabbelt de Middellandse Zee.

Het is een stille zee. Er is geen branding, vaak zijn er zelfs geen golven. Ook deze nacht niet. Het water weerspiegelt de maan haarsscherp. Zo nu en dan knippert een satelliet over.
Matthijs heeft een app waarmee we kunnen zien om welke satelliet het gaat. Als er een vliegtuig overvliegt heb ik een app om hem te identificeren. Het is nacht om een hele nacht op het strand te zitten. In tegenstelling tot de vorige nachten staat er geen windje. Deze nacht is bijna even zacht als de dag.

Overdag zit ik meestal onder de bomen op een paar vlonders in een schommelstoel. Ik beleef de rustigste week van mijn leven. De anderen wandelen, ik lees of schrijf een blogje. En ik herstel. ‘Je moet vooral rust houden,’ zei de specialist. ‘Je moet elke lichamelijke inspanning vermijden. Je mag absoluut niet aan sport doen.’ Och, voor mij is dat niet zo’n verzoeking, zo vaak doe ik niet aan sport. Maar het betekent ook dat ik niet kan wandelen, en dat is minder.
Wyb, Anneke, Anne en Matthijs komen schildpadden en slangen tegen, lopen door het prachtigste landschap. Ik probeer met rust het virus te verdrijven dat mijn hartzak belaagt. Niet echt een straf want ik zit op een van de mooiste plekken van de wereld, denk ik.

Onze drie bungalows staan in een boomgaard met citroen- en sinaasappelbomen. Hier en daar fleurt de bloesem de boomgaard nog op. De bloesem van de sinaasappelboom verspreidt een heerlijke jasmijngeur. Vogels ritselen in de bomen.
Ik zit nu te schrijven op de veranda van ons huisje waarin ik zou kunnen wonen. Als ik ooit die Grote Nederlandse Roman ga schrijven zonder ik me hier af. Het is een veranda om belangrijke boeken te schrijven. De sfeer doet me denken aan een Russische datsja en in die datsja’s zijn toch ook de mooiste boeken geschreven.
Als ik mijn blog wil uploaden, loop ik richting zee. Daar is de receptie die bij deze bungalows hoort. Het is ook de plek met de vlonders en de schommelstoelen.
Als ik mijn plicht heb vervuld ga ik op die schommelstoel zitten en kijk ik uit over een strand waar hier en daar een hond loopt en verspreid op de strandbedjes op de strand iemand ligt. Het duurt nog maanden voordat het hier wat drukker wordt.

Als ik mijn kopje koffie op heb, pak ik Een kleine geschiedenis van bijna alles, een boek van Bill Bryson over astronomie, geologie, natuurkunde en het wezen der dingen. En even ben ik bij de uiterste grenzen van ons heelal en lees ik dat er zeker 150 miljard sterrenstelsels zijn zoals onze Melkweg. Van het atoom blijk ik een volledig verkeerd beeld te hebben. In mijn gedachte was het nog een soort planetair stelsel van dingen zoals neutronen en elektronen die om elkaar heen draaien. Fout. Een atoom blijkt een heelal op zich te zijn met materie die er soms wel en soms niet is en waar niemand nog echt greep op heeft.

Om met Bryson te spreken: ‘Uiteindelijk komt het erop neer dat we leven in een heelal waarvan we de ouderdom niet kunnen berekenen, omgeven door sterren waarvan we absoluut niet weten hoe ver ze van ons zijn verwijderd, dat is gevuld met materie die we niet kunnen identificeren, en dat werkt volgens natuurwetten waarvan we de eigenschappen niet echt begrijpen.’

Vader

Woensdag 29 april 2015, Cirali

Ooit woonde ik een lezing bij van een voorzitter van een welstandscommissie. Een welstandscommissie houdt in de gaten of er wel of niet iets gebouwd mag worden op esthetische gronden, of het past in de omgeving en of het bestemmingplan in acht wordt genomen en meer van dat soort procedurele zaken. De lezing kwam er in het kort op neer: als er geen welstandscommissie was zou het in Nederland een puinhoop worden.
Om het inzichtelijker te maken liet de voorzitter eerst een plaatje zien zoals Nederland onder toezicht van een welstandscommissie eruit zag, het Nederland zoals wij dat kennen. Daarna liet hij een plaatje zien als er geen welstandscommissie zou zijn.

Ik was erg benieuwd naar dat tweede plaatje. De dia kwam te voorschijn en verrek: ik zag een stad die veel levendiger, veel leuker was. Niks strak gedoe, er waren winkeltjes, huizen weken van elkaar af, mensen konden hun huis een eigen touch geven.
Hier in Turkije is geen welstandscommissie, dat weet ik zeker. Ik vraag me zelfs of de opleiding planologie bestaat. Is dat erg? Wat mij betreft mag het zo blijven. Hier geen steriele, eenvormige, langs de meetlat tot stand gekomen woonwijken. Organische groei bestaat hier nog. Jammer dat we in Nederland geen vertrouwen hebben in organische groei. Zonder strenge plannen en controle kunnen we in ons land niet leven.

Vraag is of we van al die controle gelukkiger worden. Ik denk van niet. Het resultaat is volgens mij dat we een chagrijnig en verwend volk zijn. Het best zijn we nog te vergelijken met een verwend kind, een kind dat alles heeft, waarvoor alles wordt geregeld, dat niets te kort komt, dat denkt het centrum van de wereld te zijn. Een kind dat uiteindelijk onhandelbaar wordt omdat het in zijn verwendheid een asociaal en wereldvreemd wezen is geworden.

Eigenlijk zouden we een vader moeten hebben, denk ik wel eens. Iemand die ons stevig kan corrigeren. Die Geertje Wilders bij zijn lurven kan pakken en een corrigerende schop onder de kont geeft: ‘Wat? Waarom doe jij zo onaardig tegen je buurjongetje? Waarom deel jij je snoep niet met hem? Wat ben jij nou voor een vervelend etterbakje? Het wordt tijd dat je eens leert delen.’
Geertje gaat dan waarschijnlijk op de grond stampen en schelden. Hij wil en zal zijn zin krijgen. Maar de vader pakt hem stevig bij zijn oor: ‘En nu naar boven jij.’ Als hij de trap oploopt krijgt hij van zijn vader een venijnige trap onder zijn kont.

Vanmiddag kwamen we in de bergen uit bij een restaurant dat ingenieus heel hoog om een 500-jarige plataan was gebouwd. Op diverse niveaus waren terrasjes gecreëerd. ‘Heb ik zelf gebouwd,’ zei de eigenaar van het restaurant en trots liet hij foto’s van zijn bouwsel zien.
Te lage omheining, dacht ik als Nederlander, de trappen zijn onregelmatig. Het trapje naar de hoge boomhut kun je zomaar vanaf donderen. ‘Ik heb vier koeien, een lam en twintig geiten.’ De eigenaar wees naar beneden waar ik ook nog wat ganzen en kippen zag lopen. Vervolgens haalde hij diverse artikelen uit Nederlandse en Duitse tijdschriften die alle schreven dat het restaurant een van de hoogtepunten van de reis door Turkije was.
Jammer dat er niemand in Nederland pleit voor meer slordigheid en onveiligheid. Ik denk dat we er veel vrolijker van zouden worden.

Blender

Zondag 26 april 2015, Cerali

 

Op onze aanrecht heeft veertien jaar een kapotte blender gestaan. Wyb kon hem niet weggooien, ondanks dat hij geen enkele functie meer had. Niet raar, want het was een mooi ding, een stijlicoon. De blender zou zo weggelopen kunnen zijn uit een Amerikaanse keuken van de jaren vijftig.

In de afgelopen veertien jaar vroeg ik regelmatig wanneer ik dat ding nou kon weggooien. ‘Wat heb je nou aan zo’n groot apparaat als hij het niet doet?’ Maar Wyb was er aan gehecht en antwoordde steevast: ‘Misschien kan ik hem nog eens maken.’
Een zucht was mijn antwoord. Natuurlijk ging Wyb dat ding niet maken, zoals ik hem nooit zou maken. Wyb en ik zijn beiden volkomen onhandig. Ik heb me daar al jaren bij neergelegd, Wyb blijft daarin altijd iets optimistisch houden.
‘Laten we gewoon een nieuwe blender kopen.’ Een blender is namelijk best een handig apparaat.
‘We hebben toch een staafmixer? Daar kun je precies hetzelfde mee.’
‘Een staafmixer werkt veel onhandiger dan een blender. Daar gooi je alles in, even de knop om en klaar.’
Maar het gegeven dat we dan definitief afscheid zouden nemen van de kapotte blender kon Wyb al die veertien jaar niet aan.

Bij de verhuizing vorige maand veranderde de situatie opeens.
‘Mooi ding,’ zei Erik die ons meehielp te verhuizen toen hij de blender zag. Erik heeft een oog voor mooie, oude spullen.
‘Mooi ding, maar hij doet het al veertien jaar niet meer.’
‘Zal ik hem eens meenemen, kijken of ik hem kan maken?’
Eindelijk was er hoop voor onze blender, want Erik kan veel. Hij brengt apparaten tot leven en verbouwt hele huizen. Ik denk dat hij, als het moet, een eigen huis zou kunnen bouwen. Erik is een vrij man. Als het moet is hij volledig zelfvoorzienend. Ik ben altijd afhankelijk van andere mensen en die afhankelijkheid betaal ik met het loon dat ik met werken moet verdienen.

Twee weken geleden, toen ik ’s avonds thuis kwam, lag er op de stoel voor de achterdeur een plastic zak. In de zak zat de blender.
Wyb en ik waren opgetogen. Het is toch wat als je na veertien jaar weer een apparaat ziet werken. Ik heb het apparaat zelfs nooit aan het werk gezien. Wyb bracht hem kapot in in onze gemeenschappelijke huishouding.
Dat het een oud dingetje was, merkte ik toen ik er yoghurt, bramen en frambozen ingooide. Het ding rochelde alsof hij jarenlang had gerookt.
‘Dat is een goede blender,’ zei Anne vier dagen geleden toen ze hem voor het eerst gebruikte. ‘Even draaien en de boel is gemixt. Hij maakt wel een herrie, zeg.’ Maar daar waren Wyb en ik inmiddels aan gewend.

Het gebeurde eergisteren. Wyb wil de blender op zijn plaats zetten. Het vulglas staat echter onvast op de voet, dat was mij ook al een paar keer gebeurd. Wyb is er niet op bedacht en daar valt het vijftiger jaren vulglas op onze granieten aanrecht. Hij stuitert even en ligt dan in drie stukken.
Zou het kunnen dat apparaten een eigen wil hebben? Dat, als ze er geen zin meer in hebben, alles verzinnen om maar niet meer te hoeven werken?

‘Zullen we hem nu maar weggooien?’ stel ik voor aan Wyb, ‘zo’n glas vind je nooit meer. Het is zo’n antiek apparaat.’
‘Nee, ik wil toch kijken of we zo’n glas kunnen vinden. Misschien gaat het om een standaardmaat.’
‘Dat ding stamt uit de jaren vijftig. Zo’n glas vind je echt niet meer.’
‘Toch wil ik hem nog niet weggooien. Je weet nooit.’
Grote kans dus dat de aankomende veertien jaar opnieuw een kapotte blender op onze aanrecht staat.

Aanzoek

Maandag 27 april 2015, Cerila

 

Een belangrijk deel van de vakantie speelt zich af in restaurants, vooral voor mij. Wyb, Anneke, Anne en Matthijs maken vandaag een wandeling, doen een stukje van de Elysian Way, een van de mooiste wandelpaden van Europa. Ik blijf thuis, verplicht aan het rusten. Op die manier bestrijd ik de ziekte waar ik steeds minder van merk. Alleen als ik enige inspanning verricht, word ik kortademig. Over een paar dagen hoop ik mijzelf beter te kunnen verklaren.

Voor de avond kiezen we een restaurant uit met tafellinnen op de tafels. Het restaurant ligt aan de slordige hoofdstraat. Supermarktjes wisselen zich af met restaurants en toeristenwinkels, veel toeristenwinkels, waar overigens geen toerist is te zien. Het seizoen laat nog lang een tijdje op zich wachten.

Het is te fris om buiten te zitten. We gaan daarom dicht bij de grote vuurplaats zitten die je hier in elk restaurant vindt. Het personeel voedt het vuur met grote takken. Soms halen ze er kolen uit om het bestelde eten op te barbecuen.

We merken meteen dat er iets aan de hand is. Het personeel loopt zenuwachtig op en neer. Kijkt soms verwachtingsvol naar buiten. We hebben geen idee wat er gaat gebeuren.
Een tipje van de sluier wordt opgelicht als een ober een tafel met rozenblaadjes bestrooid. Niet zomaar bestrooid, hij legt er een klein tapijtje van rozenblaadjes op. In alle landen van de wereld betekent dit dat er iets romantisch gaat gebeuren.

Aan het personeel merken we dat de spanning toeneemt. Steeds vaker lopen ze naar buiten om een snelle blik te werpen op wat zij verwachten er al is. Blijkbaar niet. Als ze weer binnen zijn, praten ze opgewonden met elkaar. Wij eten inmiddels ons eten en genieten zoals we steeds genieten van het eten in Turkije. Sla smaakt hier naar sla, tomaat naar tomaat, dille naar dille. Je realiseert je hier weer dat we in Nederland in een geïndustrialiseerd agrarisch land leven, ook al willen reclamecampagnes ons anders doen laten geloven.

En dan is het moment daar. Een man trekt zijn jas aan. Het personeel loopt naar buiten. Even later is er een heftig vuurwerk buiten te zien, vuurwerk zoals je dat op ijsjes ziet, maar dan tien keer groter. Wij lopen ook naar buiten. Voor het vuurwerk zie ik een man op zijn knieën gaan. Het kan niet missen: hier wordt een huwelijksaanzoek gedaan.
Wij joelen en applaudisseren. Als mensen een van de mooiste momenten van hun leven meemaken, wat ik veronderstel, moet je niet kinderachtig zijn. Anne fluit op haar vingers. Ik ga graag met Anne naar premières, ze kan zo lekker schel fluiten. Ik probeer dat nu al vijftig jaar, maar het wil tot nu toe niet lukken.
Ik zie een man en een vrouw elkaar omhelzen. Als ze naar het restaurant lopen, zie ik dat de vrouw haar ogen droogt. Precies zoals dat hoort als mensen elkaar ten huwelijk vragen.

Ik heb Wyb in Battery Park in New York ten huwelijk gevraagd. Op de achtergrond het Vrijheidsbeeld. Al jaren vond ik dat de mooiste plek om Wyb ten huwelijk te vragen.
Of het een groot succes was, weet ik niet. Wyb zegt dat ze het kilometers van tevoren zag aankomen dat ik op mijn knieën zou gaan. Ik vond dat er champagne bij hoorde dus liet ik de taxi ergens in de Bronx stoppen. Had ik vermoedelijk niet moeten doen. Daarmee was alles verraden. Maar goed, ik vond het moment er niet minder plechtig om.

In het restaurant zitten de man en vrouw te stralen. Om het te vieren trakteren ze het hele restaurant op een glas raki. Wij vragen aan de restauranteigenaar wat harte proficiat in het Turks betekent. Hij maakt duidelijk dat het een lange spreuk is wat je bij dit soort gelegenheden uitspreekt en loopt naar de keuken om het op een papiertje te zetten.

Matthijs heeft nog een tijdje Turks proberen te leren. Hij heeft de beste uitspraak van ons. Even later staan we voor het tafeltje van de man en de vrouw. Matthijs leest van het briefje de zegenende woorden. Wij heffen ons glas raki en zingen dan dat ze lang zullen leven. Het aankomende echtpaar straalt. Wij klinken met hen de glazen. Ik vermoed dat ze deze avond niet meer zullen vergeten. Hiep, hiep, hoera.

Haar

Donderdag 23 april 2015, Lhee

 

Er gebeuren soms de meest onverwachte dingen op de redactie van Dossiermoddergat. Vandaag kregen we het volgende telefoontje.

‘Met de hoofdredactie van Dossiermoddergat.’
‘U spreekt met het haar van Diederik Samsom.’
‘Pardon?’
‘U spreekt met het haar van Diederik Samsom.’
‘Oh… Maar Diederik Samsom heeft toch helemaal geen haar?’
‘Dacht u nou echt dat er niets meer op zijn hoofd groeide?’
‘Ben ik nog nooit mee bezig geweest.’
‘Ik kan u bij deze laten weten dat Diederik Samsom nog regelmatig zijn schedel scheert en daarom bellen wij u.’
‘Ja?’
‘Wij vragen ons namelijk af waarom u wel de lach van Mark Rutte interviewt en niet het haar van Diederik Samsom.’
‘Tsja. Het eerlijke antwoord is dat het nooit bij me is opgekomen. Heeft u dan behoefte aan een interview?’
‘Natuurlijk. Wat dacht u dan. Hoe zou u het vinden om om de zoveel dagen in de vuilnisbak te belanden?’
‘Huh?’
‘Dat ziet u toch. De man scheert om de zoveel dagen zijn hoofd. Waarom? Omdat hij er mannelijker, krachtiger wil uit zien. Die slappe haartjes die wij nog zijn, vindt hij te min, daar schaamt hij zich voor.’
‘Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Als haar van die krachteloze sliertjes worden, ja, dan kun je het beter helemaal weghalen.’
‘Meneer Moddergat, we hebben het hier over een sociaaldemocraat. Dus alles wat krachteloos, arm en nietszeggend is, moet worden weggehaald? U stemt zeker VVD? Als haren op een sociaaldemocratisch hoofd hebben wij altijd meegezongen: ontwaakt verworpenen der aarde. Wij horen wel dat wij bij u aan het verkeerde adres zijn. Wij groeten u. Wij gaan wel naar een echt links blog.’

‘Nee, nee, hangt u nog niet op. Ik wil graag met u doorpraten. Ik heb namelijk zelden sociaaldemocratisch haar aan de lijn.’
‘Zou u toch eens vaker mee moeten praten.’
‘Ik wil dit gesprek best op ons blog publiceren, hoor. Maar waarom belt u eigenlijk? Wat wilt u kwijt?’
‘Laten wij heel direct zijn: wij willen kwijt dat de heer Samsom, de man uit wie wij voortkomen, van het padje is. Toen wij nog welig op zijn hoofd aanwezig mochten zijn, was de heer Samsom een eerlijk man, een man die stond voor zijn idealen. Hoe meer hij ons afschoor, hoe verder hij van het padje raakte.’
‘Maar over welk padje heeft u het dan?’
‘De man is een zwabberaar geworden. Vroeger, toen hij ons nog had, streed hij mee in de voorste linie van de actie. En nu? Heeft hij een pak aangetrokken en zit hij met die Rutte, die slijmbubbel, te praten of illegalen wel een bed, een bad of een brood mogen hebben. Daar praat je niet over. Het is toch logisch dat je ze dat geeft. Heeft u die stropdas gezien die meneer Samsom draagt? Als een vlag op een modderschuit. En wij weten heus wel hoe het komt dat meneer Samsom zo diep is gezakt, meneer Moddergat.’
‘Jeugdtrauma?’
‘Nee, nou moet u niet flauw doen. Het komt door ons. Dat komt omdat hij nooit meer kan zeggen: geen haar op mijn hoofd die daar aan denkt. Hij heeft namelijk geen haren meer. Met ons heeft hij zijn principes weggegooid, begrijpt u?
‘Het is mij volkomen duidelijk. Helder verhaal. Ik ben ontzettend blij dat u mij heeft gebeld.’
‘En komen wij nu in Dossiermoddergat?’
‘Zonder twijfel. Daar zorg ik persoonlijk voor.’
‘Het was ons heel aangenaam. Uiteindelijk viel u ons erg mee, meneer Moddergat. We hopen u ooit nog eens te ontmoeten, maar dat zal wel niet lukken. Als die nep-socialist zijn tondeuse over zijn kale hersens laat gaan, liggen wij weer in de vuilnisbak.’
‘Het was mij ook een genoegen. Ik wens u veel sterkte.’

Haar

Donderdag 23 april 2015, Lhee

 

Er gebeuren soms de meest onverwachte dingen op de redactie van Dossiermoddergat. Vandaag kregen we het volgende telefoontje.

‘Met de hoofdredactie van Dossiermoddergat.’
‘U spreekt met het haar van Diederik Samsom.’
‘Pardon?’
‘U spreekt met het haar van Diederik Samsom.’
‘Oh… Maar Diederik Samsom heeft toch helemaal geen haar?’
‘Dacht u nou echt dat er niets meer op zijn hoofd groeide?’
‘Ben ik nog nooit mee bezig geweest.’
‘Ik kan u bij deze laten weten dat Diederik Samsom nog regelmatig zijn schedel scheert en daarom bellen wij u.’
‘Ja?’
‘Wij vragen ons namelijk af waarom u wel de lach van Mark Rutte heeft geïnterviewd en niet het haar van Diederik Samsom.’
‘Tsja. Het eerlijke antwoord is dat het nooit bij me is opgekomen. Heeft u dan behoefte aan een interview?’
‘Natuurlijk. Wat dacht u dan. Hoe zou u het vinden om om de zoveel dagen in de vuilnisbak te belanden?’
‘Huh?’
‘Dat ziet u toch. De man scheert om de zoveel dagen zijn hoofd. Waarom? Omdat hij er mannelijker, krachtiger wil uit zien. Die slappe haartjes die wij nog zijn, vindt hij te min, te mager, daar schaamt hij zich voor.’
‘Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Als haar van die krachteloze draadjes worden, ja, dan kun je het beter helemaal weghalen.’
‘Meneer Moddergat, we hebben het hier over een sociaaldemocraat. Dus alles wat krachteloos, arm en nietszeggend is, moet worden weggehaald? U stemt zeker VVD? Als haren op een sociaaldemocratisch hoofd hebben wij altijd meegezongen: ontwaakt verworpene der aarde. Wij horen wel dat wij bij u aan het verkeerde adres zijn. Wij groeten u. Wij gaan wel naar een echt links blog.’

‘Nee, nee, hangt u nog niet op. Ik wil graag met u doorpraten. Ik heb namelijk zelden sociaaldemocratisch haar aan de lijn.’
‘Zou u toch eens vaker mee moeten praten.’
‘Ik wil dit gesprek best op ons blog publiceren, hoor. Maar waarom belt u eigenijk? Wat wilt u kwijt?’
‘Laten wij heel direct zijn: wij willen kwijt dat de heer Samsom, de man uit wie wij voortkomen, van het padje is. Toen wij nog welig op zijn hoofd aanwezig mochten zijn, was de heer Samsom een eerlijk man, een man die stond voor zijn idealen. Hoe meer hij ons afschoor, hoe verder hij van het padje raakte.’
‘Maar over welk padje heeft u het dan?’
‘De man is een zwabberaar geworden. Vroeger, toen hij ons nog had, streed hij mee in de voorste linie van de actie. En nu? Heeft hij een pak aangetrokken en zit hij met die Rutte, die slijmbubbel, te praten of illegalen wel een bed, een bad of een brood mogen hebben. Daar praat je niet over. Het is toch logisch dat je ze dat geeft. Heeft u die stropdas gezien die meneer Samsom draagt? Als een vlag op een modderschuit, meneer Moddergat. En wij weten heus wel hoe het komt dat meneer Samsom zo diep is gezakt.’
‘Jeugdtrauma?’
‘Nee, nou moet u niet flauw doen. Het komt door ons. Dat komt omdat hij nooit meer kan zeggen: geen haar op mijn hoofd die daar aan denkt. Hij heeft namelijk geen haren meer. Met ons heeft hij zijn principes weggegooid, begrijpt u?
‘Het is mij volkomen duidelijk. Helder verhaal. Ik ben ontzettend blij dat u mij heeft gebeld.’
‘En komen wij nu in Dossiermoddergat?’
‘Zonder twijfel. Daar zorg ik persoonlijk voor.’
‘Het was ons heel aangenaam. Uiteindelijk viel u ons erg mee, meneer Moddergat. We hopen u ooit nog eens te ontmoeten, maar dat zal wel niet lukken. Als die nep-socialist zijn tondeuse over zijn kale hersens laat gaan, liggen wij weer in de vuilnisbak.’
‘Het was mij ook een genoegen. Ik wens u veel sterkte.’

Feest

Dinsdag 21 april 2015, Lhee

Ooit stond op de voorpagina van De Telegraaf, nadat ik ontslag had genomen in Enschede en na drie maanden terugkeerde naar Leeuwarden: ‘Tonen terug op oude nest’. Afgelopen zondag had ik het idee dat er de volgende dag in een of andere krant de kop zou staan: ‘Tonen dood in Diever’.
Even merkte ik, wat ik altijd al weet, dat het lichaam een buitengewoon kwetsbaar instrument is. Gansch het raderwerk staat stil als uw machtige lichaam dat wil.

En zo beland je van het ene op het andere uur in het ziekenhuis. Voor mij, die houdt van alleen zijn (ik bedoel samen alleen zijn met Wyb), een kwelling, want opeens lig je op een zaal met vier andere mensen. Mensen die je niet zelf kunt uitzoeken.

Schuin tegenover mij links lag een mevrouw waar Wyb vijf keer in past. Gisteravond lag ze naar het programma Obese te kijken en zei: ‘Moet je die vrouw eens zien, je zult toch zo dik zijn.’ Een opmerkelijk uitspraak, want ik had haar nog willen vragen of het voor haar niet leuk was om aan dat programma mee te doen.
De mevrouw in kwestie was een typische Amsterdamse met dito accent. Op zich niks mis mee, maar dit soort types benadrukt voortdurend dat Amsterdammers ‘nu eenmaal zo zijn’, ‘dat zit ons in het bloed’, ‘Jordaanse humor, weet u wel’. Aan de hand van een Sammy en Moos mop probeerde ze ons duidelijk te maken wat die typische Amsterdamse humor nou precies is.
De mevrouw had een geheel eigen opvatting van de dingen. Nadat ze een tijd op haar stoel naast haar bed had gezeten, zei ze: ‘Zo, nu ga ik weer naar bed. Ik heb voor vandaag genoeg gelopen.’

Schuin tegenover mij rechts lag een mevrouw die heel veel praatte. Elk onderwerp dat ter sprake kwam, werd meteen door haar gekaapt en op zichzelf betrokken. Als mijn sympathieke rechterbuurman probeerde uit te leggen wat hij had, begon ze na één zin uit te leggen wat zij mankeerde.
Praten kan ook een ziekte zijn. Ik was nog niet binnen of ze begon me de werking van de tv, het bed en de kasten uit te leggen. Daarna heeft ze niet meer haar mond gehouden. Het enige wat ertegen hielp was op bed gaan liggen met de koptelefoon op.

Na deze eerste kennismaking zag ik erg tegen de nacht op. Ik voorzag een enorm snurkgeweld. Maar ik moet zeggen dat ik echt prima heb geslapen. Lang geleden dat ik zo ver weg was.
Niet dat alles vlekkeloos verliep. Toen ik vannacht naar de wc ging, moest ik door een lucht heen waar je liefst zo snel mogelijk doorheen rent. Als je alleen slaapt, heb je daar geen last van. Mijn linkerbuurman, of de Amsterdamse buurvrouw schuin tegenover mij links, had de hele nacht zorgvuldig aan een stankgordijn gewerkt waar de honden geen brood van lusten.

De hel is de ander, zei Satre. Wat hij daarmee bedoelde heb ik de afgelopen twee dagen mogen ervaren. Tot mijn ongelooflijke grote opluchting kan ik dan ook melden dat ik vanmiddag uit het ziekenhuis ben ontslagen. Voor de eerste keer dat ik ben ontslagen en het bevalt me prima.

Wyb reed me naar huis en ik heb de wereld nog nooit zo groot ervaren. Als je naar zo’n ziekenhuis gaat, verkleint de wereld, merk ik. Een ziekenhuis is een universumpje op zich. Een universumpje waarin de buitenwereld ver weg lijkt.
Thuis was het feest. De tuin baadde in zonlicht, de zon maakte alles warm, de vogels floten dat het een lieve lust was, de bloemen sprongen uit hun knoppen, de hemel was strak blauw, geen wolkje aan de lucht. Ik wil een huizenhoge premie betalen voor een verzekering die ervoor zorgt dat ik als patiënt uit een ziekenhuis kan blijven.

Patiënt

Dinsdag 21 april 2015, Lhee

 

Ik ben best wel een ervaren ziekenhuisbezoeker, al zeg ik het zelf. Jong geleerd, oud gedaan. Tussen mijn zeventiende en zevenentwintigste was in zelfs een zeer frequent bezoeker. Keer op keer lag mijn vader voor zware ingrepen in het ziekenhuis en keer op keer zat ik naast zijn bed.

Ook de afgelopen maanden was het weer raak. Tsjerk, Matthijs, ik zat vaker in het ziekenhuis dan in een café, maar dat komt ook omdat ik nauwelijks naar café’s ga. Ik word van ziekenhuizen niet gelukkig, maar van café’s al helemaal niet. Verzamelplaats voor dolende zielen. Iedereen die in een ziekenhuis ligt, weet wat hij wil: zo snel mogelijk eruit. Helder doel, daar houd ik van.

Als je naar een ziekenhuis gaat, komt zelden de gedachte in je op dat je er ooit zelf kunt komen te liggen. Dat zal vast verdringing zijn. Hoe dan ook: gisteren werd mijn positie anders, van bezoeker ben ik patiënt geworden. Voor het eerst lag ik in een ambulance, voor het eerst heb ik een nacht in een ziekenhuis doorgebracht. Het beste advies dat ik aan iedereen kan geven: doe je uiterste best er nooit te belanden. Moet je opeens tussen zes mensen gaan slapen die je niet kent, vind ik geen pretje. Niemand neemt voor zijn lol een hotelaccommodatie waar hij met zes vreemden op een kamer ligt.

Gisteren stond ik op met een scherpe pijn in mijn nek. Verkeerd geslapen? Zou kunnen. Daarna kreeg ik diezelfde pijn in mijn keel. Allemaal niet erg. Zoals altijd heerst de griep, schijnt.
Maar in de middag kreeg ik het benauwd en een enorme druk op mijn borst. Daar is hij dan, die eerste hartinfarct, dacht ik. In paniek belde ik Wyb die met Anneke aan het wandelen was op het Dwingelderveld. Natuurlijk zaten ze inmiddels aan de andere kant van het veld, een uur wandelen terug. De druk op mijn borst werd erger en erger. Ik belde de huisarts. Ik kon over veertig minuten komen. Maar de druk werd zo erg dat ik in de auto stapte en naar hem toe racete.
Kom ik bij de huisartsenpost aan, is er niemand. Ik bel de huisarts opnieuw. Hij zou onmiddellijk komen. Ik was er van overtuigd dat ik voor die deur van de huisartsenpost in Diever dood zou gaan. Gelukkig kwam de man redelijk snel. Na een kort onderzoekje vond hij het nodig de ambulance te bellen. Jammer genoeg niet met gillende sirenes want een hartfilmpje had inmiddels duidelijk gemaakt dat het geen hartinfarct was. Die eerste blijft dus nog even uit.

In totaal heb ik drie uur op de eerste hulp doorgebracht. Ik kan de lezer laten weten dat het gordijn op de eerste hulp in Meppel 26 roe-oogjes heeft. Daar kan geen misverstand over bestaan want ik heb ze zeker drie keer geteld. Het gordijn heeft het volgende patroon: eerst een dunne blauwe streep, dan een dikke witte streep, vervolgens een dunne groene streep, dan weer een dikke witte streep en tenslotte een een dunne blauwe streep.

Zoals te verwachten en te voorzien was, moest ik in het ziekenhuis blijven. ’s Ochtends kreeg ik te horen dat ik het ziekenhuis weer mocht verlaten. Met de longen was alles goed en die hartinfarct blijf ik tegoed houden. Er moest alleen nog een bloedonderzoek en een echo van het hart worden gemaakt.

In de middag kreeg ik de boodschap dat ik toch opnieuw een nacht in het ziekenhuis moet blijven. Het blijkt dat ik een ontsteking aan de hartzak heb. Ik wist niet eens dat ik daar een zak had. Het is een virale ontsteking, dus daar valt niet zoveel aan te doen. Antibiotica helpt niet. Voor de geruststelling: ik begin me steeds beter te voelen. De druk op mijn borst is inmiddels verdwenen, ook de vermoeidheid verdwijnt langzaam uit mijn lijf. Ik sta te popelen om hier weg te mogen. Ik wil de rollen graag weer omdraaien, de rol van ziekenhuisbezoeker past me echt veel beter.

Illegaal

Zaterdag 18 april 2015, Lhee

 

 

Boot
Bewaking
Berechting

Bed
Brood
Bad

Berooid
Bewaring
Bitterheid.

Lood

Vrijdag 17 april 2015, Moddergat

 

Ik heb vandaag vijf uur in de auto gezeten. Van Lhee naar Meppel, van Meppel naar Den Bosch, van Den Bosch naar Moddergat. Ik heb een tank van vijftig euro leeg gereden.
Op de autoradio: bed, brood en bad. Het gaat maar door. Volgens mij is er enorm bezuinigd op de Nederlandse radio. Een reportage wordt zes, zeven keer herhaald. Bed, brood en bad. Valt het kabinet nou wel of niet op de opvang van illegalen?

Ander item dat keer op keer wordt herhaald: het gesprek tussen Kamervoorzitter Van Miltenburg en het Tweede Kamerlid van Groen Links Voortman. De Kamervoorzitter deed vorig jaar aangifte tegen haar wegens het lekken van geheime stukken. Onterecht, bleek uiteindelijk. De zoveelste ophef rond deze Kamervoorzitter. Van Miltenburg is de geestelijke zus van Zijlstra, beiden lid van de partij voor ex HEAO studenten, de VVD. Wel gestudeerd, maar geen cultureel kader.
Daarna weer bed, brood en bad. En daarna de Kamervoorzitter en dat gaat zomaar door.

Af en toe rijd ik een file in. Maar voor de vrijdag valt het mee. Het is een tocht die ik liever niet had gereden. Ik vind het ook niet erg dat de tocht zo lang duurt. Ik heb lood in mijn schoenen. Zelfs mijn benen zijn bekleed met lood. Ik ben op weg naar het Jeroen Bosch Ziekenhuis waar Matthijs vorige week weer een zware operatie heeft ondergaan.
Het nieuws dat hij naar aanleiding van de operatie kreeg is verdrietig makend. Ik heb grote behoefte om hem snel te zien. Zodoende rijd ik met het verstand op 0 naar het zuiden.

Ik kan het niet laten om even langs ons oude huis in Den Bosch te rijden. De macht der gewoonte. Of is het creëren van uitstel? Het huis staat nog helemaal leeg. Ik rij er langs en besef dat ik er echt niets meer heb te zoeken. Raar gevoel.
Ik ben te vroeg in het ziekenhuis. Het bezoekuur is pas om 15 uur. In de hal, waarin patiënten in rolstoelen met hun familie zitten te praten, lees ik de drukproeven van mijn nieuwe boek. Het zal in mei uitkomen. Een paar maanden te laat. Maar wat maakt het uit? Wat is laat, in zo’n geval. Het boek is geschreven.
De hal, de patiënten, het komt me bekend voor. Ik heb er zo vaak met mijn vader gezeten. Weliswaar niet in Den Bosch, maar wel in Nijmegen. Alle ziekenhuisentrees lijken op elkaar.

Tegen 15 uur doe ik mijn iPad in mijn rugzak en zoek ik de juiste lift op. Er stappen een heleboel mensen in. Een bordje geeft aan dat er 38 mensen in de lift kunnen. Maar dat zou ik niet graag willen meemaken. Elke verdieping stapt er wel iemand uit of in. De reis naar de zevende verdieping duurt lang. Wat ik helemaal niet erg vind. Er komt steeds meer lood in mijn schoenen.

Dan ben ik op de zevende. Matthijs ligt in zijn bed. We zijn blij elkaar te zien. We praten over wandelen, Het Zuidelijk Toneel, boeken, de plannen die we vorige maand nog hadden. Na een dik half uur neem ik afscheid en rijd ik naar Moddergat.
Matthijs en ik schelen drie maanden. Matthijs is drie maanden ouder. We kennen elkaar nu zo’n dertig jaar. Ik heb hem nog gekend als jong acteur, als aankomend regisseur. We hebben acht jaar intensief samengewerkt. Het is druk op de weg, maar er zijn geen files. Het landschap schiet voorbij, zoals alles voorbij schiet.

Smaak

Woensdag 15 april 2015, Lhee

 

Ik ben in gesprek met Marcel en Bregtje. Marcel is toneelschrijver, Bregtje was jarenlang mijn rechterhand. We praten over welke toneelvoorstellingen we goed of slecht vonden.
‘Ik heb geen idee wat jouw smaak eigenlijk is,’ zegt Marcel.
Ik moet hem bevreemd hebben aangekeken. Ik heb toch altijd een uitgesproken mening? Vaak te uitgesproken, weet ik uit ervaring. Er zijn acteurs die wel eens problemen hebben met die geprononceerde mening
‘Nee, ik heb ook geen idee wat jouw smaak nou eigenlijk is,’ zegt Bregtje.
‘Dat meen je niet,’ zeg ik. Dat zeg ik omdat ik het een teken aan de wand vind. Als Bregtje het zelfs niet weet… Ik heb toch menig toneelvoorstelling met haar besproken.

Heb ik geen smaak?
Het is waar dat ik afgelopen maand zowel Zout op mijn huid, een bewerking van een boek, een wellmade play, als Tanazaki van De Warme Winkel mooi vond, een stuk met een wilde signatuur en woeste dramaturgie.
‘Ik ben eclectisch,’ zeg ik om enigszins mijn gezicht te redden. En ik vrees dat het waar is. Er is geen stroming of manier van spelen of wijze van regisseren die ik per definitie mooi vind. De stijl, de vorm, is voor mij niet doorslaggevend. Wat dat betreft heb ik geen vaststaande smaak.

Toch vind ik het ene toneelstuk geslaagd en het andere niet. Over de ene Ivo van Hove ben ik enthousiast, over de andere niet. Gesubsidieerd toneel, ongesubsidieerd toneel, het maakt mij niet uit. Dat bepaalt voor mij niet of ik iets wel of niet goed vind.
Maar wat is dan wel bepalend? Dat vind ik moeilijk aan te geven. Gelukkig ben ik geen recensent, dramaturg of theaterwetenschapper. Ik hoef ik niet
te analyseren. Ik ben altijd publiek, zo als je van sommige zaken grootgebruikers hebt, zo ben ik een grootkijker.
Of ik iets wel of niet goed vind, ontwikkelt zich gaande het stuk. Opeens merk ik dat ik mateloos zit te kijken, of dat ik me mateloos zit te irriteren, of dat het stuk me helemaal niets doet. Maar hoe wordt dat bepaald? Als grootkijker heb ik daar eigenlijk nooit over nagedacht.

Het heeft met zorgvuldigheid te maken. Het heeft met vakmanschap te maken. Of het goed is doordacht en mooi gemaakt. Het heeft met waarachtigheid te maken, met overtuiging, met zeggingskracht. Met consistentie ook. Als ik in een stuk gezwabber ontdek, haak ik al snel af. Wat niet wil zeggen dat ik niet van stijlbreuken en stukken en brokken hou. Integendeel.

Maar dit alles overziend, moet ik misschien inderdaad toegeven dat ik geen smaak heb. Ik ben een proever. Ik proef van alle dingen wat en vind een heleboel lekker. Ook een heleboel vies. Maar ik heb niet één smaak, daarvoor zijn te veel dingen lekker.

Lach

Donderdag 16 april 2015, Lhee

 

Vandaag een bijzondere aflevering van Dossiermoddergat. Er is zelfs sprake van een primeur. Dossiermoddergat heeft als eerste een interview met de lach van Mark Rutte. Na jaren zijn werk in stilte te hebben gedaan, besluit de lach nu eindelijk naar buiten te treden. ‘De tijd van zwijgen is voorbij,’ zegt de lach, ‘ik heb ook wel eens behoefte om te praten.’

Vanwaar deze behoefte?
Omdat iedereen het over mij heeft. Iedereen ziet die lach en vindt het debiel dat iemand zoveel lacht. Dacht u dat het leuk is om overal de schuld van te krijgen? Goed, ik ben die lach, maar ik lach niet uit mijzelf, dat moeten de mensen begrijpen. Iemand zet mij aan het werk en in mijn geval is dat dus die Mark Rutte.

Heeft Mark Rutte altijd zoveel gelachen?
Vroeger niet, hoor. Vroeger wilde hij het beste jongetje van de klas zijn en werd hij veel gepest. Toen heeft hij heel weinig gelachen. Dat was soms best wel zielig. Hij is eigenlijk pas gaan lachen toen hij politiek actief werd. Eerst lachte hij sporadisch, daarna werd het manisch. Altijd dat lachen. Dat is voor mij toch niet vol te houden?

Heeft u het er wel eens met Mark Rutte over?
Zeker. Ik word ook wel eens boos. ‘Man, zie je dan niet dat je voor gek staat, dat Nederland gestoord wordt van al dat lachen?’ Maar daar trekt hij zich niets van aan. Hij lacht maar door. En dacht u nou dat ik daardoor meer ben gaan verdienen? Helemaal niet. Het is echt schandalig.

Hoe zou u uw relatie met Mark Rutte willen omschrijven?
Ja, wat zal ik zeggen. Wij komen niet bij elkaar over de vloer. Mark heeft zijn moeder en niemand komt daar tussen, zelfs ik niet. Aan de andere kant ben je natuurlijk dag en nacht bij elkaar. Hij kan niet meer zonder mij. Dat ziet u zelf ook wel. Als er een probleem is, moet hij dat weglachen. En wie heeft hij daar voor nodig? Precies. Ik zei de gek.

Hoe ziet u uw toekomst eigenlijk?
Moeilijk. Lastig. Dit is voor mij niet vol te houden, altijd dat lachen, daar worden de Nederlanders gek van, maar ik natuurlijk helemaal. Ik train veel om het vol te houden. Maar ja, hoe lang hou je zoiets vol? Een danser is afgeschreven als hij begin dertig is. Een voetballer idem dito. Maar een lach? Het is topsport, meneer, echte topsport. Er komt een tijd dat ik iets anders moet gaan doen. Iemand anders moet gaan zoeken, iemand die zijn lach een beetje onder controle heeft. Als ik zo iemand vind, hou ik het nog wel een tijdje vol. Het duurt nog een hele tijd voordat ik met pensioen kan.

Hoe word je dat eigenlijk, lach? Is daar een opleiding voor?
Ja zeker. Dacht u dat u zomaar lach kunt worden? Het is een vierjarige opleiding waarin je de diverse onderdelen van de lach tot in de finesse onderwezen krijgt. De ironische lach, de volle lach, het sarcastisch lachje, het hysterisch lachje. Ik beheers ze allemaal, maar Mark heeft een voorkeur voor de politieke lach. In het begin is dat een moeilijk lachje. Je moet namelijk lachen terwijl je het niet meent. Maar als je het veel doet, gaat het je tamelijk makkelijk af. Als ik alleen ben met Mark zegt hij dat hij het heerlijk vindt om alles weg te kunnen lachen. ‘Lachen relativeert zo lekker,’ zegt hij altijd. ‘Na zo’n lach ziet niemand meer de zwaarte van het onderwerp. Mensen zijn zo makkelijk om de tuin te leiden.’

Als ik een tijdje met de lach van Mark Rutte heb gesproken, wordt hij gebeld. Of hij onmiddellijk naar zijn baas wil komen. Er is een persconferentie over cyber security en of hij onmiddellijk wil komen. Er moet weer veel worden weggelachen.
Terwijl we afscheid nemen, zucht de lach van Mark Rutte: ‘U begrijpt toch ook wel dat ik tegen een burn-out aanzit?’

Blauw

Dinsdag 14 april 2015, Amsterdam

 

Afgelopen zondag gingen we naar Groningen om kleren te kopen. Toen we nog in Den Bosch woonden, liepen we regelmatig door de stad en wipten we snel even een winkel binnen. Dat is nu anders. In Lhee komt je nooit langs een kledingzaak. Vandaar dat onze garderobe langzaam begin in te teren. Tijd voor actie, vonden wij.

Als we Groningen binnenrijden, staan er allemaal mensen langs de weg met fototoestellen op hun buik. Ik vind het dragen van een fototoestel onesthetisch. Ik schaam er altijd een beetje voor. Het staat zo patserig en onbescheiden, terwijl ik toch gek op foto’s ben. Deze mensen hebben geen last van gêne. Dat lijkt me zo gemakkelijk.
Ze blijken te wachten op een rijtje voertuigen uit de Tweede Wereldoorlog. Met die parade wordt de bevrijding herdacht. Ik heb niks met militaire parades, zelfs niet als het om nostalgie gaat. Even later zie ik volwassen mannen met militaire uniformen uit de Tweede Wereldoorlog door de stad paraderen. Oorlogje spelen, als kind heb ik dat wel eens gedaan.

Ik ben wel blij met deze festiviteiten. Daardoor is het in de winkels opmerkelijk rustig. Het winkelend personeel heeft alle tijd voor ons. Die tijd is trouwens niet echt nodig. Het is makkelijk winkelen met mij, al zeg ik het zelf. Ik weet precies wat ik wil, altijd gehad. Mijn smaak is beperkt als het om kleren gaat, zeer beperkt.
Mannen in kekke design kleren vind ik even potsierlijk als mannen die uniformen uit de Tweede Wereldoorlog dragen.
‘Kijk, zo’n bloes vind ik nou leuk,’ zegt Wyb. ‘Wat dacht je ervan?’
‘Ik wil hem wel kopen, maar dan doe ik dat voor jou. Ik weet zeker dat ik hem niet zal dragen.’
Twintig minuten later verlaten we de winkel met een colbert (blauw), een overhemd (blauw), twee broeken (een blauw, een bruin) en een trui (blauw). Wyb heeft er helemaal geen hekel aan om met mij te winkelen. Dat is zo gepiept. Andersom is het een andere zaak.

Ik heb mijn beperkte smaak voor kleren altijd als een beperking gezien. Ook als een bewijs dat ik in feite een saaie man ben. De volgende dag overkomt mij echter het volgende. Ik zit bij Wolter in de auto. Hoe het te sprake komt, weet ik niet meer. Opeens zegt Wolter: ‘Weet je dat creatieve mensen altijd dezelfde kleren dragen?’
‘Hoe weet je dat?’
‘Dit weekend gelezen. Kijk maar naar Steve Jobs. Altijd in het zwart, altijd die coltrui.’
‘Waarom dragen ze dan altijd dezelfde kleren?’
‘Omdat ze daar geen energie in steken. Ze zijn gefocust op dingen maken, creëren. Kleren vinden ze onbelangrijk. Daarom dragen ze altijd hetzelfde. Lekker makkelijk.’
Potverdorie. Wat een mazzel. Weet ik mijn saaie kledingkeuze aan een saaie persoonlijkheid, blijk ik opeens een creatief mens te zijn. Mijzelf spiegelen aan Steve Jobs, dat wil ik wel.
‘Heb je nog andere voorbeelden dan Steve Jobs?’
‘Nee, daar kan ik nu even niet opkomen.’
Dat is nou wel weer jammer. Dat zou de stelling nog waarachtiger maken.

Monument

Zaterdag 11 april 2015, Lhee

 

Ik heb het verhaal aan tientallen basisschool groepen verteld als ik als kinderboekenschrijver optrad . Wij lopen met de hele familie naar de Duivelsberg in Berg en Dal. Als we halverwege zijn, moet mijn opa poepen. Hij duikt de bosjes in. Hij doet zijn bretels af en zijn broek glijdt naar naar beneden. Even zien we alleen zijn kale hoofd boven de struiken uitkomen.

‘Hè, hè, dat was lekker,’ zegt hij als hij omhoog komt en hij slaat zijn bretels weer over zijn schouders.
‘Nee!’ roepen wij. Wij zien namelijk de klodders poep op zijn hoofd springen. Het blijkt dat mijn opa op zijn bretels heeft zitten poepen. Zijn hoofd zit onder de poep. Het is een klassiek verhaal in onze familie.

‘Daar klopt niets van,’ zegt Jan. ‘Wij liepen nooit naar de Duivelsberg.’
‘Hoe kom je daar nou bij. We liepen diverse keren naar de Duivelsberg. Dat vond ik prachtig,’ zeg ik.
‘Dit verhaal speelde zich af vlak na de oorlog. Opa en oma liepen naar Overasselt en toen moest opa plotseling poepen.’
‘Ik was er zelf bij toen op de Duivelsberg.’
‘Jij was toen nog niet eens geboren.’

‘Ik heb nog over een bevroren Waal gelopen,’ zegt Jan, ‘dat was in 1957.’
‘Ik heb ook over de bevroren Waal gelopen,’ zeg ik.
‘Dat kan niet. Dat kun je nooit weten, toen was je drie jaar.’
‘Ik heb in 1963 over de bevroren Waal gelopen. Ik was toen negen jaar. Ik heb zelfs nog een auto over de Waal zien rijden in die winter.’
‘Dat kan nooit. Er hebben nooit auto’s over de Waal gereden. Dat zou veel te gevaarlijk zijn geweest.’

Gelukkig is er Google. De Waal was in 1963 inderdaad bevroren. Ik kan geen foto van een auto op de bevroren Waal vinden, maar wel een foto van een auto op de bevroren Rijn. Waarom zou op de Waal niet hetzelfde hebben plaatsgevonden?
Bij vrijwel elk oud familieverhaal hebben Jan en ik andere herinneringen. Het is duidelijk dat we de verhalen te weinig aan elkaar hebben verteld. De verhalen zijn in onze hoofden hun eigen versie gaan leven. Eerlijk gezegd sluit ik helemaal niet uit dat dat verhaal over poep en bretels ik van horen zeggen heb. Dat we zo nu en dan naar de Duivelsberg wandelden weet ik zeker.

In onze familie werd veel gedeclameerd, veel overgeleverde liedjes gezongen. Jan en ik blijken slechte doorgevers te zijn. Na een paar regels zijn we de rest van de gedichten vergeten. Op feestjes, als mijn moeder genoeg had gedronken, dan stond ze op en declameerde een lang gedicht waarvan de eerste zin luidt: ‘Ik wandel door het leven, maar ik wandel niet alleen. Mij is door God gegeven…’ Het gedicht gaat over een engel, duurde eindeloos, maar ik kan mij niet meer herinneren dan deze woorden. Jan weet het ook niet. De orale overlevering stokt bij ons. Met Google proberen we de tekst terug te vinden. Maar we vinden niks. Nergens een engel die met mijn moeder meeloopt.
Zo is het met meer verhalen die ons hoofd zitten. We herinneren ons flarden, losse passages, een sfeer, een beeld. Steeds weer blijkt dat ons verleden niet meer compleet is. De geschiedenis is een gammel monument.

Nest

Vrijdag 10 april 2015, Lhee

 

Wat weet je nou van je vroegste jeugd? Ik heb een paar beelden. Ik sta op de stoep van een drukke straat. Aan de andere kant staat een jongetje dat ik kende. Als ik het goed heb, heette hij Wouter. Ik speel op het vloerkleed met mijn autootjes, Matchboxjes, waarvan ik er vele had. Het heeft gesneeuwd. Mijn vader opent het raam en haalt sneeuw uit de dakgoot. Wij verhuisden op mijn vierde van de zolder waar wij woonden naar een flat. De indeling, de kleuren van de zolder, die kan ik me nog goed herinneren.

Toch verdwijnt je vroegste jeugd zich steeds meer. Dat komt vooral omdat de mensen die die jeugd meemaakten een voor een verdwijnen. Je opa’s en oma’s, allemaal dood. Je vader. Dood. Je moeder. Dood. Hun herinneringen aan jouw jeugd nemen ze mee in hun graf. Op een gegeven moment ben jij nog de enige die jouw vroegste jeugd heeft meegemaakt. Dan staan je daar alleen met je gebrekkige herinnering.

Met mij is het nog niet helemaal zo ver. Er is één iemand die mij nog in mijn wieg heeft zien liggen, namelijk mijn oom Jan. Nou ja, oom. Wij schelen negen jaar. Jan was het broertje van mijn moeder, een nakomelingetje. Ik geloofde dat ze achttien jaar scheelden. Mooi voor mij, want daardoor kreeg ik er een soort broer bij.

Een van mijn boeken heb ik aan hem opgedragen. Ik schreef erin: ‘Voor Jan, mijn oom, broer en vader.’ Dat laatste vond ik een grote eer, maar ik durfde het toch op te schrijven omdat Jan mij voor een deel heeft opgevoed, al weet hij dat zelf niet. Door Jan leerde ik de zestiger jaren kennen. Op zijn platenspeler hoorde ik voor het eerst de muziek van Ramses Shaffy. Daar kwam bij dat hij een belijdend sociaal-democraat was, wat ik toch ook machtig interessant vond. Samen gingen we naar de thuiswedstrijden van NEC in het Goffertstadion.

Ik kan me nog goed de opwinding herinneren in mijn vroegste jeugd als Jan langskwam. Dan was het altijd feest. Ook al scheelden we negen jaar, dat nam niet weg dat we samen met mijn Matchboxjes speelden. Jan legde een plank op een schoenendoos en dan deden we een wedstrijdje welke Matchbox het verste kwam. In mijn gebrekkige herinnering konden we daar een middag mee bezig zijn.

Het geluk wil dat Jan en Connie, zijn Gade, zoals hij haar in zijn blog noemt, dit weekend bij ons op bezoek zijn. We hebben het trouwens nooit over mijn vroegste jeugd. Maar ik voel nog wel, als ik bij hem of hij bij mij op bezoek komt, de opwinding van vroeger. Met hem komt de geur binnen van het oude nest. Een geur die steeds minder mensen kennen.

Magnetisme

Donderdag 9 april, Lhee

 

Hè, hè. Ik zit.
De afgelopen drie dagen ben ik alleen maar bezig geweest. Overdag vergaderen, ’s avonds vergaderen. Een leven dat voor een blogger fnuikend is. Twee dagen niet geblogd, dat is volgens mij lang niet voorgekomen. De oorzaak is een reeks aan vervelende gebeurtenissen gisteren.

Ik had gisterenavond een bestuursvergadering van een project waar Wolter en ik de zakelijke leiding doen. Vanochtend moest ik weer vroeg in Amsterdam zijn. Ik heb me voorgenomen niet meer als een gek op en neer te reizen. De nacht daarvoor hadden Wyb en ik al in Amsterdam bij Anne geslapen. Omdat het mij heel vervelend lijkt om regelmatig je vader te logeren te hebben, besloot ik een hotel te nemen.

Ik bel een hotel waar ik vaker slaap. Vol. Ander hotel. Vol. Zo bel ik tien hotels, allemaal vol. Omdat ik geen zin heb om alle vierhonderdvijftig hotels in Amsterdam te bellen, besluit ik toch maar naar huis te gaan. Niet dat ik er veel zin in had, want het was inmiddels half tien ’s avonds.
Ik stap in de trein die via Almere, Lelystad en Zwolle naar Meppel rijdt. Als ik in de trein zit, kijk ik op de trein app. Een inwendige vloek. De app deelt mee dat de trein niet verder dan Almere rijdt. Ik moet rekening houden met een vertraging van een half uur. De reden: drie herten op de rails. Ze zijn ontsnapt uit het grootste omheinde weiland van Nederland, de Oostvaarderplassen. Waarom heeft de NS me dat nou niet in Amsterdam laten weten, had ik via Utrecht kunnen reizen.

In Almere krijgen we na lang wachten de mededeling dat de Intercity teruggaat naar Amsterdam, maar dat er over twintig minuten een Sprinter naar Lelystad rijdt. En zo rijden we even later toch over het spoor waar drie herten op schijnen te lopen.
De Intercity kan hier niet rijden, de Sprinter wel. Geen idee wat het verschil is. Volgens mij botst een Sprinter even hard tegen een hert als een Intercity. Zo komt het dat ik pas om half een thuis ben. Een overhemd strijken en dan naar bed. Dit zijn van die fijne dagen. Ik denk dan wel even aan een blog, maar het blijft bij denken.

Hebben dit soort dagen zin? Zeker. Door al dat gereis kom ik op het spoor van een nieuwe theorie omtrent de mensheid. Ik denk dat er een aantrekkingskracht bestaat tussen mensen die wij nog niet kennen. Die aantrekkingskracht zorgt ervoor dat bepaalde mensen altijd bij elkaar in de buurt zijn.
Voorbeeldje. Ik ken geen enkele PVV’er. Dat vind ik jammer, want ik zou best PVV’ers willen kennen. Ik hou wel van een beetje discussie. Maar ik kom er werkelijk nooit een tegen. Zo kom ik ook nooit mensen tegen die van The Passion houden, dat kitsch spektakel bij uitstek. Het lijkt of die mensen in een ander land wonen, terwijl er toch 3,5 miljoen mensen naar hebben gekeken. Geen idee waar ze zich ophouden.

Ik kom op deze theorie omdat in de trein waarin ik gisteren zat alleen maar schreeuwende en boerende mensen zaten. De straattaal, dat mengseltje van Marokkaans en Nederlands, was niet van de lucht. Ik voelde me volledig verdwaald, toerist in eigen land.
Maar wat denk je, vandaag rijd ik opnieuw van Amsterdam naar Meppel en nu zitten er opeens allemaal hele mooie meisjes in de trein. Jonge vrouwen die hun mooiste kleren hebben aangetrokken, stralend glimlachen (jammer genoeg niet naar mij) en er buitengewoon gelukkig uitzien.

Is er sprake van een geheime kracht? Als je een tokkie bent dan kom je vanzelf in de buurt van andere tokkies. Daar is niets aan te doen. Dat gaat automatisch, in ons trekken geheimzinnige krachten. Als je een voetballiefhebber bent dan word je naar andere voetballiefhebbers getrokken. Ik vermoed dat ik op het spoor ben van een onbekend magisch magnetisme in de mens, de kracht van de eigen soort.

Mountainbikers

Maandag 6 april 2015, Lhee

 

Och, overal waar je woont heb je wel iets om over te zemelen. In Leeuwarden hadden we een heerlijk huis, maar het lag aan een drukke weg. Later gingen we verhuizen naar een rustige straat. Toen vond ik het weer te rustig en keken we heel saai uit op de heg van de overbuurman.
Bij ons in Den Bosch had je om de hoek, zo’n honderdvijftig meter van ons vandaan, een coffeeshop. Elke avond parkeerden die mannetjes met hun a-sociale petjes hun auto’s op de stoep om snel hun portie wiet te halen. Heel irritant, lieten ze ook nog de motor van hun aso auto’s draaien.

Oké, zul je zeggen, maar wat heb je in Lhee nou nog te zeuren? Het is mijn ervaring hoe mooier en rustiger je woont, hoe meer je je ergert aan de pietluttigheden. Kan soms echt gênant zijn.
Zo erger ik me hier in Lhee dus aan dat mountainbiken. Vandaag was het weer mountainbike-dag. Dan trekken vadsige gasten van middelbare leeftijd allerlei veel te sportieve pakjes aan met reclame erop. Ik heb geen idee waarom mountainbikers en mensen op racefietsen altijd kleren aantrekken waarin profs rijden. Is toch zielig. Vergeleken met die profs komen ze nauwelijks vooruit en dan gaan ze wel met RABO Bank op je rug rijden. Ik zou me kapot schamen.

Maar goed, mountainbikers. Dat ragt door het bos, dat hijgt, dat doet zijn uiterste best om die fiets door de modder te trekken. Als er een plas ligt, wordt die vermeden, wat ik dan weer slap vind. Als je met zo’n fiets en RABO pakje de bossen gaat verpesten, dan moet je ook all the way gaan.

Soms schrik je je te pletter. Loop je rustig te wandelen en te luisteren naar de vogels, staat er pal achter je opeens iemand in de remmen. Soms roepen ze ook ho en hé in de hoop dat je op tijd aan de kant gaat. Dat doe ik eerlijk gezegd nooit. Voor mij heeft de wandelaar in het bos altijd voorrang. De mountainbiker staat in het bos voor mij als laagste in de rang. Als het aan mij ligt zou er trouwens een algeheel mountainbike verbod komen.

Vooral op de zondagochtend is de mountainbiker een plaag. Dan gaan de papa’s met hele divisies door het bos scheuren. Zo heerlijk, zo gezond, zeggen ze als ze thuis komen. Ik heb de neiging om kraaienpoten of valkuilen te graven. Ik ben ook zo blij dat er af en toe een flinke boom over een pad valt.

En waarom doen die papa’s dat eigenlijk? Natuurlijk, ze zijn blij dat ze even weg kunnen van hun jengelende kinderen. Dat begrijp ik. Laat mama ze maar bezighouden. Papa heeft een legitieme reden om zijn RABO pakje aan te trekken. Op die manier voorkom je buikjes en hartinfarcten, zegt hij tegen mama.
En mama denkt, laat hem maar mooi het bos ingaan, heb ik geen last van hem en over een paar maanden laat hij die fiets toch staan. Ze weet ook wel dat het de zoveelste hype van hem is om iets aan zijn gezondheid te doen.

Ik weet dat ik zeur. Waar hebben we het over? Een minor irritatie, niet meer. Ik kreeg vandaag het bericht van Matthijs dat hij weer in het ziekenhuis ligt. Dat is een feit waar ik me echt druk over maak. Vermoedelijk komt mijn gezeur omdat het een rommeldagje was. Meestal zijn onze dagen strak geleide operaties, maar nu kneuterden we wat heen. Boel schoonmaken, wat lezen, een wandelinkje en dan kom je weer die verrekte mountainbikers tegen.

Bluetooth

Zondag 5 april 2015, Lhee

 

Bluetooth. Heb ik altijd een mooie uitvinding gevonden. Geen idee hoe het werkt, maar de techniek laat apparaten zomaar met elkaar communiceren. Je hebt twee dode dingen, bijvoorbeeld een iPad en een geluidsinstallatie. Je schakelt bluetooth in en opeens kun je met het ene apparaat het andere bedienen.

Vandaag lees ik in de krant dat een Nederlander de uitvinder van dit wonder is. Zijn naam: Jaap Haartsen. Hij woont in Hardenberg, hier niet ver vandaan. Niks Silicon Valley, gewoon Hardenberg dus. In totaal zijn er op de wereld 3 miljard apparaten waar bluetooth wordt toegepast. In mei wordt Jaap Haartsen opgenomen in de National Inventors Hall of Fame. Net zo als Thomas Edison, Henry Ford en de gebroeders Wright.
Die Haartsen zal wel stinkend rijk zijn, denk je dan. Zo’n uitvinding, dat moet miljoenen opleveren. Helaas. Hij deed de uitvinding in de tijd van zijn toenmalige baas, het Zweedse technologieconcern Ericson. Haartsen kreeg er slechts een bonus van €1.000 voor.

Leuk weetje. Maar daar gaat het niet om. In het interview met Haartsen in de Volkskrant staat het volgende: “Haartsen zegt dat zijn uitvinding nooit in Nederland van de grond had kunnen komen. Hij had die wel hier kunnen bedenken, maar niemand is in zijn optiek bereid zoveel risico te lopen. ‘In Nederland moet je zelf je huis garant stellen wil je zo’n risico nemen met je bedrijf.’
Hij hekelt ook het Nederlanse innovatieklimaat, omdat het onderzoekers veel te afhankelijk maakt van subsidie. ‘De manier waarop hier veel onderzoek wordt gedaan, lijkt meer op een schoonheidswedstrijd. Het gaat erom wie het mooiste verhaaltje maakt en daar krijg je geld voor. Daar kun je weer een paar jaar mee uit de voeten. Heeft het niets opgeleverd? Nou jammer dan. Bedenk maar een volgend nieuw verhaaltje.'”

De woorden van Jaap Haartsen zijn niet nieuw voor me. Elke keer als we met de hoogleraren gingen eten die we voor Professoren Op het Podium hadden uitgenodigd, onze voorstelling over wetenschap in het theater, kregen we hetzelfde te horen. Een hoogleraar is een substantieel deel van zijn tijd helemaal niet met wetenschap of lesgeven bezig. Een belangrijk deel van zijn werktijd bestaat uit het verkrijgen van subsidie, de meeste schatten het in op 20 tot 40% van hun werktijd.

Het verhaal van Jaap Haartsen doet me denken aan de manier waarop kunstenaars in Nederland subsidie krijgen. Je krijgt geen subsidie op wat je allemaal hebt gemaakt, hoe goed je bent. Je wordt beoordeeld op het verhaal dat je schrijft. Als we momenteel ergens goed in zijn in Nederland, dan is het in het schrijven van subsidieverzoeken, het naar de mond praten van subsidiënten. Het zijn gouden tijden voor dramaturgen en andere schriftgeleerden. We wonen in een land waarin het verdacht is als iets makkelijk gaat. We hebben er pas een goed gevoel bij als iets moeilijk en omslachtig gaat. Iets taai, onpraktisch en ondoorzichtig maken, iets verbureaucratiseren, daar zijn we ook goed in.

Hond

Zaterdag 4 april, Lhee

 

In totaal heb ik in mijn leven met vijf honden samengeleefd. De eerste hond was een dwergpoedeltje waarvan mijn vader en moeder hadden besloten om haar Cindy te noemen. Van mij had hij Lassie of Rin Tin Tin mogen heten, naar de honden die mijn televisiehelden waren.

Ik weet nog dat ik in Brakkenstein op het voetbalveld stond. Ik speelde in de pupillen B van NEC, maar mijn gedachten waren bij de hond die mijn ouders ophaalden. Als ik thuis kwam zou daar een hond zijn. Mijn leven zou er door veranderen want met die hond zou ik trektochten door de bossen rond mijn huis maken en avonturen meemaken à la Lassie. Ik was te opgewonden om te voetballen. De zon scheen, dat weet ik nog goed.

De werkelijkheid was anders. Cindy hield helemaal niet van wandelen. Hij zat het liefst aan de voeten van mijn vader. Cindy en ik werden nooit echt vrienden. Vermoedelijk vond hij me te druk. Niks geen avonturen dus.
Hoe Cindy aan zijn einde kwam, kan ik me niet meer herinneren, ook van mijn verdriet kan ik me niets meer herinneren, al zal dat er zeker zijn geweest.
Al snel daarna kwam er een Cindy2. Een vinnig hondje dat al helemaal niet van wandelen hield. Alweer geen Lassie. Als ik Cindy2 bij de voeten van mijn vader wilde weghalen liet hij zijn tanden zien. Die tanden werden in de loop van de tijd trouwens steeds rotter. Cindy2 had maar één baas, mijn vader. En dat was goed, want mijn vader was ernstig ziek en Cindy2 was zijn troost.

De eerste echte hond in mijn leven kwam toen Lies en ik op de Westkanaaldijk woonden en we besloten een labrador te nemen. We namen een hond omdat we iets buiten de stad woonden en er in een half jaar tijd drie keer was ingebroken. Een hond zou dat tuig wel afschrikken.
Zo kwam Door in ons leven, een zwarte labrador. Slechte keuze. Want zoals alle labradors vond Door alle visite leuk, zelfs de zwaarste criminelen. Mocht er ooit worden ingebroken, wat nooit meer gebeurde, dan weet ik zeker dat het tuig met gekwispel zou worden begroet.
Door overleed door een inwendige bloeding. Op een avond voer ik op een van de Friese meren. Aan boord was een literaire avond. Halverwege kwam de kapitein naar me toe. Er was een telefoontje voor me. Door die telefoon liet Lies me weten dat Door stervende was.

Een hond is het meest waardevolle wat ik heb bezit. Maar het verdriet, het verschrikkelijke verdriet als een hond overlijdt. We zwoeren dat we nooit meer een hond zouden nemen. Het was een handenbinder, een last, elke dag een paar keer uitlaten, en dat met kinderen, eigenlijk niet te doen -en dan dat verdriet. Een paar maanden daarna hadden we Dobber.
Vriendschap met een mens is mooi, maar vriendschap met een hond is mooier. Het is onvoorwaardelijke vriendschap. Nooit word je teleurgesteld, er is altijd trouw en liefde. Dobber stierf oud. De dierenarts liet hem inslapen terwijl we om zijn kussen zaten waarop hij altijd sliep.

Daarna kwam Dickens. Een blonde labrador. Dickens had van alle honden de grootste persoonlijkheid. Sterker: hij had meer persoonlijkheid dan veel mensen die ik heb gekend. We haalden hem uit het dierenasiel, ongeveer vier jaar oud. Hij was totaal onopgevoed. In het begin moesten we hem uit een slagerij halen terwijl hij de worsten van de slager op at. Hij beroofde mensen die aan het picknicken waren. Hij overviel vissers en vrat hun aas op. Zes jaar later konden we met hem zonder riem door de stad lopen. Hij bleef keurig aan de voet lopen, zelfs als we langs een snackbar liepen. Elke hond heeft zijn eigen karakter, maar hoe dat karakter ook is, de vriendschap is totaal.

Vandaag haalden we met Esmee in Noord-Holland Hugo op. Een bruin labradortje dat nu acht weken oud is. Als het goed is zal hij de aankomende 10 tot 15 jaar onderdeel gaan vormen van het gezin van Esmee en Arjan. Misschien gaan Malu en Joris hem wel hun broertje noemen, net zo als Anne en Esmee Dobber altijd hun zusje noemden.

Een leven is eigenlijk pas compleet als je een hond hebt. Pas als je je qua tijd kunt permitteren een hond te hebben, heb je het leven een beetje op orde. Het wordt tijd dat Wyb en ik zelf weer een hond nemen.

Rook

Vrijdag 3 april, Lhee

 

Malu, 4 jaar oud: ‘Opa ik wil iets vragen.’
‘Wat wil je vragen?’
‘Ik wilde vragen, waarom verhuizen jullie eigenlijk zo vaak?’

Goede vraag. Moeilijk antwoord. Vooral ook omdat het feitelijk niet klopt. Malu is nu bijna 5 jaar oud, maar in die tijd zijn we eigenijk niet verhuisd, uitgezonderd afgelopen weekend.
Ik begrijp haar vraag wel. Dan zitten die opa en oma in Moddergat, dan weer in Lhee en vervolgens in Den Bosch. Wat moet je als kleindochter daar nou mee? Dat geeft toch geen stabiel beeld. Je zult maar een opa en oma hebben die een soort luxe zwervers zijn.

De huizen van mijn beide opa’s en oma’s hadden voor mij een bijzondere betekenis. Het waren geheimzinnige huizen, huizen met spullen van oude mensen, met spullen die niet van die tijd waren.
Die huizen roken ook anders. Het huis van mijn opa en oma van mijn moederskant rook naar eau de cologne van 4711. Het huis van mijn andere opa en oma rook naar gemalen koffiebonen. Ons eigen huis rook heel anders. Waarnaar? Ik heb daar geen geurherinnering aan. Maar ik vermoed dat het in ons huis naar nicotine stonk. Mijn ouders rookten als ketters. Een goede opvoeding, want daardoor ben ik een fanatiek anti-roker geworden. Wat een smerigheid.

Als opvoeder heb ik het een stuk slechter gedaan. Natuurlijk wilde ik mijn kinderen overtuigen van de smerigheid en slechtheid van roken. Wat denk je? Beiden zijn gaan roken. Een beetje opvoeder moet zich te pletter roken, weet ik nu.

Overigens ben ik de laatste tijd aan het roken geraakt. Niet dat ik dat verkies. Ik moet. Omdat mensen op veel plekken niet meer binnen mogen roken, bijvoorbeeld in café’s en kantoren, gaan ze buiten roken. Als die verslaafde types om vijf uur klaar zijn op kantoor steken ze, als ze buiten zijn, meteen een sigaret op.
Als je dan, zoals ik, van mijn werkplek in Amsterdam naar het Centraal Station loop, lukt het me vaak niet om de wolken nicotine te ontlopen. Ik heb me inmiddels gespecialiseerd in het lang inhouden van mijn adem, maar zelfs dan rook ik toch wel een halve sigaret mee.

Vroeger was het het toppunt van asociaal gedrag dat buiten roken. Tegenwoordig is het de gewoonste zaak van de wereld. Zelfs op de ponten die over ’t IJ varen, altijd een genot, de frisse waterlucht waait dan zo heerlijk in je gezicht, wordt het leven verpest door die smerige rokers. Het schijnt dat ze in New York het buiten roken hebben verboden. Het lijkt me goed dat we in Nederland dat voorbeeld gaan volgen.

Ik heb sinds deze week trouwens weer een echt kantoor. De nadagen van mijn carrière zijn de meest avontuurlijke. Nooit gedacht dat ik ooit de leiding over een bibliotheek zou krijgen, nu heb ik die nota bene van de grootste bibliotheek van Nederland, namelijk de Centrale vestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Ik mag me daar sinds 1 april sectormanager Centrale en programmering noemen. Dat wil zeggen dat ik leiding mag geven aan niet alleen de grootste maar ook de mooiste bibliotheek van Nederland, zeker qua gebouw. Daarnaast mag ik een afdeling programmering opzetten en ben ik verantwoordelijk voor de programmering daar. Opeens ben ik weer een onversneden manager met een bureau en veel personeel. Voor de goede orde: dit alles ad interim. Ik mag hier een half jaar keihard buffelen. ‘Leuk werk,’ zou mijn collega zeggen.

Statieportret

Woensdag 1 april, Lhee

 

‘Alex!’
‘Schat?’
‘Heb je dit vreselijke nieuws gehoord?’
‘Geen idee. Vertel eens.’
‘Er zijn maar 46 statieportretten van jou besteld.’
‘Ja? En?’
’46. Dat is toch beschamend. Daarmee worden we toch belachelijk gemaakt. Van mammie schijnen er honderden besteld te zijn en van jou maar 46.’
‘Volgens mij zijn we in Nederland niet zo gek op statieportretten.’
‘Maar blijkbaar wel op dat portret van mammie. En in Argentinië ook, hoor. Ik weet nog wel dat Videla overal hing.’
‘Ik hoorde dat de foto veel wordt gedownload, dat is toch ook goed.’
‘Dus die Nederlanders willen geen echte foto van je? Dan hang je overal gedownload. Een koning afgebeeld in van die grote pixels. Alex, ik schaam me ervoor. Verkeerde zuinigheid. Dat vind ik nou zo typisch Nederlands.’
‘Tsja, maar volgens mij kunnen we er niets aan doen, schatje.’
‘Natuurlijk wel, laten we er gewoon zelf 1000 bestellen. Dan zijn er al 1046 verkocht.’
‘En wat moeten we met al die foto’s? Ik heb al meer dan genoeg foto’s van mijzelf.’
‘Desnoods gooien we ze in de container, maar dan bestaat dat afschuwelijke getal 46 niet meer.’
‘En als bekend wordt dat we die foto’s zelf hebben besteld? Dat worden we het lachertje van het land.’
‘Nou, dan laten we Poetin die foto’s toch bestellen? Dat doet hij vast wel voor ons. Als we het hem vriendelijk vragen tijdens een biertje.’
‘Rusland bestelt 1000 foto’s van de Nederlandse koning. Waarom?’
‘Omdat je in Rusland populair bent.’
‘En waarom zou ik daar populair zijn?’
‘Omdat we een van de weinigen zijn die nog in het openbaar een biertje met Poetin willen drinken.’
‘Nou, goede reden. Op dat soort verhalen zijn ze gek hier in Nederland.’
‘En als we het koning Abdoel Aziz al-Saoed van Saoedie-Arabië nou eens vragen?’
‘Ook een fijn voorbeeld.’
‘Weet ik veel.’
‘Weet je, ik vraag de Rijksvoorlichtingsdienst wel of ze voortaan een ander getal willen noemen. Als ze er nou eens een 7 voor zetten.’
‘746?’
‘Precies 746 statieportretten.’
‘746 bestelde statieportretten. Dat klinkt veel beter dan 46. En denk je dat de Rijksvoorlichtingsdienst dat doet?’
‘Natuurlijk. Je weet toch wel hoe we de RVD thuis noemde? De RPD, de Rijkpropagandadienst, die doen alles voor ons.’
‘Als je dat zou willen doen, heel graag. Ik schaam me zo. Zullen we nu naar bed gaan?’
‘Graag, ik ben zo moe.’
‘Doe jij de lichten uit?’
‘Ja.’
‘En gooi je ook de kat naar buiten?’
‘Natuurlijk schatje.’

maandag 30 maart, Lhee

 

Lang en gelukkig

Ik was
verspreid.

Mijn benen liepen
in Madras.

Mijn armen lagen ergens
tussen Leeuwarden en Colombo.

Mijn hart had
jij verloren.

Waar? Ik vroeg
het keer op keer.

Ziel en zaligheid?
Diaspora.

Men greep mij
bij mijn haar.

Waar? Ergens
in IJsland.

Mijn ogen?
Nijmegen.

Hoofd, schouders,
knie en teen,

in zeeën, in kloven,
in spleten en stegen.

Nu is het zaak
alles terug te kopen.

Ik verzamel mijzelf.
Wil dubbele delen ruilen.

Zo kom ik
mijzelf tegen.

I’m a stranger
in myself.

Ik zet mijn tanden
in mijzelf.

Och liefje, natuurlijk
is het niet waar.

Langzaam kwam
alles terug.

Alles zet
zich weer

op zijn plaats.
Skelet met ledematen.

Botten en spieren
verenigden zich.

Zelfs de stem
kwam terug.

Het oor, het oog,
ze hadden allemaal wat.

En ze leefden nog
lang en gelukkig.

Alles is mogelijk,
als je maar wilt.

En nu moet je
lekker gaan slapen.

Een kus. Een kruisje
op je voorhoofd.

Slaap zacht,
lief meisje.

Tafel

Zondag 29 maart, Lhee

 

De beeldend kunstenaar Klaas Gubbels krijgt maar niet genoeg van koffiepotten. Al sinds ik van zijn bestaan weet, toch al decennia lang, schildert hij en drukt hij koffiepotten af op grafiek. In alle kleuren en formaten in allerlei posities. Als ik beeldend kunstenaar was, zou de tafel mijn onderwerp zijn. Ik ben gek op tafels. Een huis is pas af als er een mooie tafel in staat.

Daarom is ons huis nu af. Afgelopen weekend vond de definitieve samensmelting plaats tussen twee huizen. Ons huis in Den Bosch is opgegaan in ons huis in Lhee. Dat was niet makkelijk, want 150 m2 moesten we in 100 m2 passen en die 100 m2 stond al vol. Maar het is gelukt.

Ons huis is nu af omdat er twee tafels in staan waar ik erg tevreden mee ben. Er stond al een klein, oud tafeltje in dat ik van Erik had gekregen. Hij vond het in een inboedel die hij moest opruimen. Het is een oud, gammel ding, aan alles zie je dat de tafel veel heeft meegemaakt. Als ik eraan werk kreunt en kraakt het onder mijn werkdrift. Het is een sympathiek tafeltje, volgens mij heeft het in een of ander arbeiderswoninkje gestaan.

Het is een heel andere tafel dan de tafel die wij zaterdag binnendroegen. Uit Den Bosch namen wij de koning onder de tafels mee. Ooit, toen ik net een meevallertje had gehad, kocht ik hem bij VOS in Groningen. Nou, dan weet je het wel. Dat meevallertje was in een klap op. Maar dat vond ik niet erg want ik was verliefd op die tafel, ontworpen door Henk Vos, de stichter van het bedrijf. Onder de tafel kwam ik zaterdag nog zijn handtekening en het jaartal 2005 tegen, het jaar dat ik die meevaller had.
‘Ik wil die tafel graag kopen,’ zei ik bij het onderhandelen, ‘maar dan wil ik wel de handtekening van de ontwerper erop. Aldus geschiedde.

Het is een tafel als een tank, een burcht. Het is een tafel die nooit zal zwichten. Je kunt er tijdens vergaderingen met vuisten en schoenen op slaan, dat maakt die tafel niet uit. Hij heeft een majestueuze lengte en stevigheid.
De tafel was te zwaar om te verplaatsen, laat staan om te vervoeren. Vandaar dat Erik hem moest demonteren. De beide poten bestaan uit een stuk hout, het tafelblad ook. En nog tilden wij ons er een hernia aan. Toen Erik hem in Lhee weer in elkaar zette, wist ik dat de verhuizing was voltooid, dat Lhee echt ons huis was geworden.

Klap

Zaterdag 28 maart, Lhee

 

De captain gaat naar de wc en dan besluit je hem niet meer binnen te laten. Hoever daarvoor heb je besloten om een vliegtuig met 149 mensen te laten verongelukken? Het kan goed dat zo’n plan al jaren door het hoofd speelt. Het kan ook best dat je het besluit op het moment dat de captain opstaat, de cabine heeft verlaten.

De crash met het vliegtuig van Germanwings prikkelt mijn nieuwsgierigheid, zoals bij velen, denk ik. Dat komt natuurlijk omdat het zo’n verbijsterende daad is. Ik begrijp de daad niet, maar ik vind hem ook weer niet onvoorstelbaar. Alles wat je kunt verzinnen gebeurt. De meest onvoorstelbare dingen worden door mensen voorstelbaar gemaakt.
Andreas Lubitz was een keurige jongen. Hij woonde gedeeltelijk nog bij zijn ouders, kon goed leren, was geliefd, maakte zijn droom waar om piloot te worden. Ogenschijnlijk was er niets met hem aan de hand. En dan toch. Keurige mensen hebben kelders. Keurigheid is het laklaagje dat het beest onzichtbaar maakt dat ondiep nog in elk mens schuilt.

Zo vraag ik me af hoe Andreas Lubitz in de cockpit heeft gezeten nadat hij heeft besloten om het vliegtuig daadwerkelijk te laten crashen. Het kan een fantasie zijn geweest die jaren door zijn hoofd heeft gespookt. Maar een fantasie is wezenlijk iets anders dan aan een fantasie uitvoering geven. In diverse artikelen staat dat de co-pilot rustig ademde, fysiek zou er niets met hem aan de hand zijn geweest. Heeft Andreas Lubitz nadat hij de beslissing heeft genomen nog iets in zichzelf gezegd? Krijgen we ooit een transcriptie van de geluidsbanden te lezen?

De captain verlaat de cabine. Heeft Andreas Lubitz meteen de deur gesloten? Of heeft hij even geaarzeld? Als hij de deur heeft gesloten, was er in het begin nog niets aan de hand. De captain gaat naar de wc. Hoe lang duurt zoiets? Vijf minuten? Misschien heeft hij nog een praatje met een stewardess gemaakt. Hoogstens acht minuten. Dan wil de captain naar binnen. Hij klopt op de deur. Hij krijgt geen reactie vanuit de cockpit.

Schrok Andreas Lubitz van de eerste klop? Sloeg heel even de twijfel toe? De captain klopt harder, nadrukkelijker. Andreas Lubitz weet dat de daling is ingezet. Al snel merkt de captain dat ook. Het kloppen wordt bonken. Andreas Lubitz hoort het geram op de deur. Maakt het hem zenuwachtig?

Hoe is de gezichtsuitdrukking van Andreas Lubitz terwijl hij achter de knoppen zit? Hoe is zijn gemoedstoestand? Glimlacht hij, opgetogen omdat zijn plan eindelijk werkelijkheid wordt? Of zit hij stoïcijns voor zich uit te kijken omdat hij al lang geleden wist dat dit zou gaan gebeuren? Denkt hij aan de passagiers en zijn collega’s wiens lot hij in handen heeft? Zelfs triomf sluit ik niet uit. Ooit schijnt hij tegen zijn ex-vriending te hebben gezegd dat hij nog een keer iets spectaculairs zou gaan doen, dat niemand ooit zijn naam zou vergeten. En nu is het zover. Maar voor hetzelfde geld is Andreas Lubitz gedompeld in zwaarmoedigheid en onverschilligheid weet hij dat het uitzichtloze gevoel, dat hij al zolang heeft, dadelijk eindelijk ten einde is.

De captain probeert de deur te forceren, achter hem is een panisch roepen. Andreas Lubitz ziet de Alpen die hij zo goed kent. Hij vliegt inmiddels door een dal en weet dat zijn daad onomkeerbaar is. Ook al zou hij het willen, het vliegtuig vliegt zeker te pletter. Als hij voor zich uit kijkt, ziet hij de plek waar zijn leven dadelijk zal eindigen. Denkt hij aan de passagiers en zijn collega’s? Vermoedelijk wel. Hij had zich ook met een vliegtuigje van zijn vliegclub te pletter kunnen vliegen, helemaal in zijn eentje. Maar hij kiest er bewust voor om 149 onbekenden mee de dood in te nemen.

Voelt hij angst voor wat gaat gebeuren? Of kijkt hij onverstoorbaar naar het Alpenlandschap? Heeft hij zijn ogen dicht? Nog eenmaal in zichzelf gekeerd? Of heeft hij zijn ogen open, wil hij niets van het gebeuren missen? Dan raakt het vliegtuig de rotsen. Andreas Lubitz heeft een laatste gedachte, er is een laatste gevoel. Opluchting? Triomf? Zelfhaat? Trots? Somberheid? Een satanisch gevoel? Een gevoel van mislukt zijn? Blijheid? Opgetogenheid? Een klap en dan is het voorbij.

Kluis

Donderdag 26 maart, Lhee

 

Gisteravond was ik bij een bezwarencommissie in Norg. De bezwarencommissie kwam bijeen omdat er bezwaren waren in gebracht tegen de vergunningverlening van Het Pauperparadijs, een locatievoorstelling die moet gaan plaatsvinden op de binnenplaats van het Gevangenismuseum in Veenhuizen.
Ik ben inmiddels al twee jaar bezig om deze voorstelling te realiseren. Die twee jaar hebben niets met theater te maken gehad. Het enige wat we doen, is door ambtelijke procedures en adviezen heen waden. Inmiddels heb ik hierover een dossier van veertig centimeter dik.
We zijn in deze fuik terecht gekomen omdat theater niet in het bestemmingsplan van het Gevangenismuseum stond. Een bestemmingsplanwijziging was daarom noodzakelijk. Waanzin ten top.
Als je alle uren optelt die ambtenaren eraan hebben besteed, dan schieten de tranen in je ogen. Dan weet je waarom de Nederlandse overheid zo’n grote schuld heeft opgebouwd. Elke keer als ik weer met een volgende ambtelijke hobbel krijg te maken, voel ik een diep medelijden met ons land. Het is het beste om in dit land niets te ondernemen, dan blijft je veel ellende bespaard.

Een van de zwakke punten in onze vergunningaanvraag, zeggen de ambtenaren, is dat wij geen bouwtekeningen van het podium en decor kunnen aanleveren. Die konden we ook niet maken, want we zijn nog niet met het maken van de voorstelling begonnen. We gaan pas verplichtingen aan als we de benodigde vergunningen hebben.
We zouden die bouwtekeningen nodig hebben opdat de afdeling bouw- en woningtoezicht de veiligheid van het podium en het decor kan beoordelen. Vermoedelijk krijgen we helemaal geen podium, vindt alles op de grond plaats, maar safety first in dit soort procedures.
Ik probeer steeds maar duidelijk te maken dat de keuze voor een podium en het decor onderdeel is van het artistieke proces en dat proces is nog niet begonnen.
‘Maar waarom moet de afdeling bouw- en woningtoezicht dat nou beoordelen? Dat doen ze toch ook niet voor een decor in het theater,’ zei ik tegen een ambtenaar.
‘Ja, ja, maar stel dat er iets gebeurt. Dat doen we toch ook voor een verzorgingsflat? Hier komen duizend mensen per avond,’ was zijn antwoord, ‘stel dat er iets gebeurt. Wie wordt er dan verantwoordelijk gesteld?’
De mededeling dat ik een podium met decor toch niet zou willen vergelijken met een verzorgingsflat ging er bij hem niet in. ‘Ook hiermee zijn de levens van heel veel mensen gemoeid.’

En zo komen we weer uit bij de hobby van dit land: het veiligheidsdenken. Alsof je alle risico’s kunt uitsluiten. Alsof regels, procedures en veiligheidsmaatregelen rampen voorkomen. Nee dus, helemaal niet. Voorbeeld. Nergens vinden zoveel ernstige blessures plaats als bij het American Football, terwijl de spelers toch vrijwel volledig zijn geharnast. Maar juist omdat ze zich veilig wanen, gebeuren de verschrikkelijkste ongelukken.

Ander dramatisch voorbeeld is deze dagen de ramp met het toestel van Germanwings. Wereldwijd hebben we het vliegtuigverkeer veiliger gemaakt door van de cockpit een soort kluis te maken, dachten we. Uitgerekend die veiligheidsmaatregel zorgt voor deze ramp. Juist omdat er niemand naar binnen kon, gebeurde het ergste.
Dit trieste voorbeeld onderstreept mijn overtuiging dat rampen altijd gebeuren, dat ze niet zijn te voorkomen en dat die fixatie op veiligheid daarom totaal overdreven is. Heb je de veiligheid op rechts afgedekt, komt de ramp wel van links. Als een ramp van buiten is afgedekt, dan komt hij van binnenuit. We stapelen maatregel op maatregel, maar shit blijft altijd komen. Een gek vindt altijd een podium. Kluis of geen kluis.

‘Maar moeten al die piloten dan niet jaarlijks psychisch worden onderzocht?’ hoorde ik vandaag iemand vragen. Wedden dat er volgende week Kamervragen worden gesteld? Het kan bijna niet anders of de Tweede Kamer zal uit het oogpunt van veiligheid een wet aannemen dat elke piloot jaarlijks een psychologische test moet ondergaan. En dan hebben we voor de zoveelste keer schijnheiligheid gecreëerd. Natuurlijk zal die ene psychopaat de psychologen om de tuin leiden en een weg vinden om het ergste te veroorzaken.

De Anti Veiligheids Partij moet nu maar eens snel worden opgericht. Niet dat de partij veel stemmen zal trekken. Wie is er nou in godsnaam tegen minder veiligheid? Eh… ik dus.

Speer

Woensdag 25 maart, Lhee

 

Ik heb niets met slapen. Slapen vind ik zonde van de tijd. Slapen beïnvloedt veel te veel de netto tijd dat je leeft. Elk uur slapen, gaat van de tijd af dat je kunt leven. Ik slaap dus zo min mogelijk.

Daar hoef ik niet mijn best voor te doen, want ’s avonds lukt het me niet om naar bed te gaan. Ik vind het zo heerlijk om laat nog in de woonkamer te zitten, wat voor me uit te staren met een glas alcohol in mijn hand of naar een programma te kijken dat ik heb gemist. Wyb ligt dan meestal op de bank te slapen, de kat bovenop haar. Gijs vindt het heerlijk om bovenop een mens te slapen. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Ik ga dus nooit ’s avonds naar bed, mijn bedtijd ligt in de nacht.

Van het moment dat ik in bed stap, kan ik dan wel weer genieten. Meestal ben ik dan zo moe dat ik meteen in slaap val. Op zich hou ik wel  van slapen, maar doe het dus zo beperkt mogelijk.
De ochtend is ambivalent. Ik sta zonder moeite heel vroeg op, maar een paar keer in de week vind ik het ook wel heerlijk om wakker te worden en dan weer in slaap te vallen. Dat is pure luxe.

Aan mijn slaap zelf beleef ik weinig plezier. Ik ben gewoon van de wereld. Er zijn mensen die volop dromen. Jammer genoeg ken ik dat genot niet. Dat lijkt me zo heerlijk. Als je droomt, is slapen niet zonde van de tijd. Als je droomt heb je in feite twee levens.
Eén keer in mijn leven, ik zal eind twintig zijn geweest, droomde ik over een jeugdliefde die ik al negen jaar niet had gezien. De droom was zo realistisch dat ik een week lang helemaal verliefd op haar was. Als er middelen zijn om zulke dromen op te wekken, dan wil ik die graag gebruiken.
Mijn slaap is zeer gelijkmatig. Meestal sta ik in dezelfde gemoedsopstand op als ik naar bed ben gegaan. De slaap was slechts een noodzakelijke onderbreking, lijkt het.

Eergisternacht ging het voor het eerst sinds jaren mis. Al sinds begin januari bevind ik mij in topvorm, al zeg ik het zelf. Ik ga als een speer. Ik snijd als een mes door elke tegenstand heen. Obstakels? Ken ik niet. Zoals iedereen weet, gebruik ik nooit drugs, maar het zou goed kunnen dat binnen in mij een fabriekje zit waar ik speed produceer.

Maar eergisternacht sliep ik zo verschrikkelijk diep, ik bereikte een ongekende diepte. Het zou me niet verbazen als zo de slaap voelt als je aan het sterven bent en je morfine krijgt toegediend. Het was een diepte waar ik bijna niet uitkwam. Dit was helemaal geen gelijkmatige slaap, dit was een slaap als een diepe valkuil. Vreselijk. Ik hou niet van dit soort slapen.

De slaap heeft me zelfs ontregeld. Sinds die nacht gaan de dingen moeizamer. Mijn speedfabriek lijkt kapot. De zwaartekracht trekt meer dan anders. Ik ga als een speer, zeg ik vaak. Maar sinds gisteren moet ik concluderen dat de speer kapot is. Jammer. Hopelijk helen de slapen van de aankomende nachten de speer weer. Is absoluut noodzakelijk.

Kleine dilemma’s

Maandag 23 maart, Lhee

 

Je hebt grote dilemma’s en je hebt kleine dilemma’s. Vandaag tijd voor kleine dilemma’s.
Je moet nodig naar de wc. Tot je ellende is de heren wc bezet en blijft hij bezet. Je rammelt eens demonstratief met de deurklink. Vermoedelijk zit er zo’n eikel op die in een café of theater uitgebreid gaat zitten poepen. Poepen, vind ik, moet je in principe thuis doen. Daar moet je anderen niet mee lastig vallen.

Door dat tergende wachten heb je al lang gezien dat de dames wc, die naast de heren zit, vrij is. Nu het dilemma: maak je dan wel of geen gebruik van de dames wc? Mijn ervaring is dat mannen gewoon blijven wachten en niet gebruikmaken van de dames wc.
Ik vind dat zelf een beetje vreemd want als je wel naar die dames wc gaat, dan zie je dat er geen verschil is tussen de dames en de heren. Ik heb dit dilemma dan ook van mij afgeworpen en maak, indien de heren wc’s zijn bezet, met veel plezier gebruik van de dames.

Waarom is er eigenlijk überhaupt verschil tussen heren en dames wc’s? Thuis gaan we allemaal naar dezelfde plee. Als we buiten de deur zijn, is de boel opeens gescheiden. Ik begrijp het wel een beetje. Heren zijn over het algemeen grotere smeerpijpen dan dames. De enige reden die ik voor het verschil kan bedenken, is dat heren de neiging hebben om op of over de bril heen te pissen en dat dames geen zin hebben om daar in te gaan zitten. Als je als heer in een openbare gelegenheid gebruikmaakt van het damestoilet, dan vind ik dat je een bijzondere verantwoordelijkheid hebt. Ik let dan altijd extra op of ik een beetje keurig aan het pissen ben.

Wat ik zelf erg irritant vind, is dat sommige dames altijd heel verstoord opkijken als ik uit een dames wc kom, alsof ik daar onoirbare dingen heb gedaan. Dames, ik heb er alleen maar staan piesen omdat een of andere eikel op de heren de wc te lang bezet hield.

Zo vind ik het ook raar dat er in de pauze van een theatervoorstelling bij de dames lange rijen staan te wachten op hun beurt. Je moet maar eens opletten. Bij de heren is de rij dan al lang opgelost, staan die arme dames lijdzaam te wachten.
‘U kunt wel naar de heren, hoor,’ zeg ik dan wel eens. ‘Daar zijn een heleboel wc’s vrij.’ Maar zelden dat een dame dan het lef heeft om van mijn uitnodiging gebruik te maken.

Ander irritatiepuntje betreft de wc voor gehandicapten. Ik weet niet wat het is in onze samenleving, maar ik vind dat gehandicapten net iets te veel ruimte krijgen. Let maar eens op het aantal invalidenparkeerplaatsen, daar zijn er echt veel te veel van. Zo zonde dat die parkeerplaatsen leeg staan, vooral omdat invalidenparkeerplaatsen vaak de mooiste plaatsen zijn. Een onsje minder kan volgens mij best wel.
Maar goed, de wc voor de gehandicapten. Door er een bordje op te zetten ‘Invalidentoilet’ geef je de indruk dat zo’n wc alleen voor invaliden is. Zelden ook dat volledig validen mens naar een invaliden wc gaat. Wat zonde. Zelf ben ik gek op invaliden wc’s. Als er overal rijen staan, is de wc voor minder validen meestal nog gewoon vrij.
Ik stel voor dat we in de toekomst wat minder respect hebben voor bordjes. Laten we gewoon meer gebruik gaan maken van elkaars restcapaciteit qua wc. En die fantastische toiletten voor gehandicapten -wat een ruimte, wat een luxe- gewoon gebruiken. Dat vinden die invaliden helemaal niet erg, die willen ook best wel eens wachten. Bovendien, wanneer zie je in het theater nou een invalide naar een invaliden wc gaan? Die prachtige ruimte wordt de meeste avonden zelfs helemaal niet gebruikt.

Bongo

Zondag 22 maart, Lhee

 

Dit blog begint in de vorige eeuw. Zo ongeveer in de midden van de zeventiger jaren van die eeuw. José en Tino wonen in een klein appartement in het huis van hun opa en oma. Lies en ik zijn daar vaak te vinden, meestal tot diep in de nacht, en we luisteren naar Bob Dylan en drinken de ene na de andere cola met whisky.

Dat kleine appartement is in feite onze muziekstudio. We zitten daar niet alleen te drinken, we maken er vrijwel elke avond muziek. Voor de creativiteit van Tino zijn het gouden jaren. Hij maakt er het ene na het andere liedje. Elk liedje wordt getapet en bewaard.
Veel liedjes komen al improviserend tot stand en ik mag daar mijn kleine bijdrage aan leveren. José en Tino hebben prima pannen waar een uitstekend geluid uit te halen is. Wij spelen onszelf in de zevende hemel en zijn er van overtuigd dat we muziekgeschiedenis schrijven. Het was in die tijd dat ik in zeer beperkte kring de bijnaam Bongo Toon kreeg. Beetje rare bijnaam, want ik had helemaal geen bongo’s, ik had alleen wat pannen ter beschikking.

Het was misschien daarom dat ik van Lies, bij ons trouwen, een bongo cadeau kreeg. Mooi huwelijkscadeau, een bongo. Het was een professioneel ding en ik was er mee in mijn nopjes. Tino een echte gitaar, ik een echte bongo.

Klinkt allemaal goed, nu ik het zo opschrijf. In die tijd werd ik gevraagd of ik de grote trom wilde spelen bij Kladderadatsch, een muziekgezelschap met strijdliederen op het repertoire. Er was geen staking of bezetting in de buurt van Nijmegen of Kladderadatsch kwam opdraven: Ontwaak verworpenen der aarde, dat soort teksten.

Mijn debuut was tijdens een grote anti-neutronenbom demonstratie in Amsterdam. Ik roerde de grote trom met verve. Maar wat bleek, tussen al die uitstekende muzikanten, schoot mijn ritmegevoel overduidelijk tekort. Lies liep naast me als een soort metronoom.
Onderwijl verhuisden José en Tino en onze creatieve jaren bleken achter de rug. Zo nu en dan speelden Tino en ik nog wel eens samen, maar dan had ik toevallig die bongo niet bij me en ik was best gehecht aan die pan.

Zo komt het dat ik mijn huwelijkscadeau misschien drie of vier keer heb gebruikt. In huis kon je het ding nauwelijks gebruiken want het dreunde door alle muren.
Mijn bongo leidde voor 99,999% van zijn bestaan een leven op zolder. Elke verhuizing nam ik hem trouw mee, een huwelijkscadeau gooi je niet zomaar weg en het was een mooi ding.

Tot afgelopen zaterdag. Opnieuw moest ik de beslissing nemen of ik in mijn verdere leven een bongo wilde hebben. En het was overduidelijk. Toen ik hem oppakte, voelde ik een weerzin tegen het ding. Het had zoiets triest, een ongebruikte bongo op zolder en dat al tientallen jaren.
‘Wil je hem weer meenemen?’ vroeg Wyb. Vermoedelijk zag ze me twijfelen.
‘Erik, heeft Werner hier iets aan?’ Ik had mijn beslissing genomen. Werner is drie jaar en is vast gek op trommelen.
‘Vindt hij wel mooi,’ wist Erik.
En zo komt het dat ik vanochtend via Whatsapp een foto van Erik krijg toegestuurd. Op de foto Werner die met duidelijk plezier op mijn huwelijkscadeau zit te slaan. En wat moet het voor zo’n bongo fijn zijn om weer bespeeld te worden.

Huid

Zaterdag 21 maart, Lhee

 

In 2001 bezat ik alleen nog een matras. Drie maanden later kwamen daar een paar honderd boeken bij. Ik had huis en haard verlaten. Waarom? De Liefde.
Weer een paar maanden later kochten Wyb en ik een bed, een boxspring, en een klerenkast.

Beide aankopen waren niet gelukkig, bleek in de loop van de tijd. ‘Wat raadt u ons aan?’ vroegen wij aan de verkoper van de boxspring, ‘twee losse matrassen of een matras in zijn geheel.’ Volgens de verkoper waren twee losse matrassen praktischer. Die waren gemakkelijker te hanteren. ‘En die spleet tussen die twee matrassen? Is die niet vervelend?’ vroeg ik nog. ‘Nee hoor, daar kunt u een lovebug voor kopen. Dan heeft u geen last van die spleet.’
Het bleek een slecht advies. Jarenlang hadden we last van die spleet, de lovebug ten spijt. Om de zoveel avonden moest ik de matrassen naar elkaar toe duwen en de lovebug uit de spleet halen.
Ander punt waar u op moet letten als u een bed koopt, neem nooit een bed omtrokken door textiel. Na een paar jaar wordt zo’n bed smoezelig. De afgelopen jaren begon ik me zelfs voor het bed te schamen.

De klerenkast was ook geen succes. Kwam vermoedelijk door onszelf. Na de kast drie keer te hebben verplaatst, raakte hij uit zijn verband. De laatste vier jaar schoven de deuren niet meer dicht. Als we thuis waren, moesten we de deuren voor de kast weghalen. Als mensen het huis kwamen bezichtigen, zette we ze er weer voor. Wat een gedoe met zo’n kast.

Dat neemt niet weg dat ik nog steeds het idee heb dat het nieuwe spullen zijn, dat we ze pas hebben gekocht, ook al zijn ze twaalf jaar oud. Daarom bezorgde me het een ambivalent gevoel dat ik bed en kast naar het grofvuil bracht. Het deed me enigszins pijn toen ik ze, samen met Erik, die veel sterker is dan ik, over de rand van de container gooide. Nieuwe spullen gooi je niet zomaar weg, ook al heb je je aan ze geërgerd.

Ander pijnlijk afscheid vandaag betrof mijn IBM elektrische typemachine, de Rolls Royce onder de typemachine. Het was zo’n zwaar kantoorjoekel, maar wat was ik trots toen ik hem kocht. Maar ik kocht hem op een ongelukkig moment. Ik kocht hem op de grens van het einde van het tijdperk van de elektrische typemachine en het begin van de computer. Ik heb er dan ook niet zo lang plezier van gehad. Al vrij snel had ik een computer, zo’n primitief ding met groene letters die pas verschenen na lang opstarten. Neemt niet weg dat ik dat zware joekel met veel liefde dertig jaar met me heb meegesleept zonder dat ik er op typte.
‘Hoeveel is dat ding waard?’ vroeg ik aan Erik die verstand heeft van het verkopen van tweedehands spullen.
‘Helemaal niks.’
Een antwoord dat mij ertoe deed besluiten het mee te nemen naar het grofvuil. Met enige ceremonie liet ik het achter in de container elektrische apparaten. In mijn gedachte vooral hoe blij en trots ik op dat ding was geweest.
Ik voel me als een slang. Met vrij grote regelmaat vernieuwt de slang zijn huid. Met mij is het niet anders. Door de verhuizing ontdoe ik me van mijn oude huid. Wat er voor in de plaats komt, is een nieuwe huid, lichter en strakker, waardoor je veel beweeglijker bent.

Stadje

Donderdag 19 maart, Terneuzen

 

Ik weet dat ik het niet moet doen. Ik heb er al eerder slechte ervaringen mee. Anderhalf jaar geleden werd ik gebeld door Schrijver School Samenleving. Of ik als kinderboekenschrijver twee dagen in Zeeland les wilde geven. Ik overlegde met Wyb. Het was een dag naar haar verjaardag. Was het wel verstandig om dat te doen? Nou ja, Zeeland is mooi en het levert natuurlijk ook wat op.

Zo staan 19 en 20 maart al anderhalf jaar in mijn agenda. En verdomd, je zult het zien, naarmate maart nadert, vult mijn agenda zich met de ene na de andere opdracht. En natuurlijk gaan we verhuizen in maart. Die twee dagen beginnen steeds meer te schrijnen. Twee dagen naar Zeeland, dat kan ik me helemaal niet permitteren.

Vanmorgen loop ik met twee rugzakken, een voor de laptop, een voor mijn fototoestel, een grote zwarte tas voor mijn kleren, en mijn voorleeskoffertje de de deur uit -bijna vier uur rijden in het verschiet. Anderhalf jaar geleden wist ik ook nog niet dat we in Dwingeloo zouden wonen. Voordat ik de auto instap, luister ik naar het geroffel van de spechten, het zijn harde werkers.

Ik beland van de ene in de andere file, ik sluip door Nederland. Waarom gaat er geen trein van Dwingeloo naar Terneuzen? De routeplanner brengt me steeds dichter bij de Belgische grens. Even later schiet ik erover heen en rijd ik richting Antwerpen.
Vlak voor Antwerpen sla ik rechts af, richting allerlei tunnels. Onderwijl begin ik me steeds meer zorgen te maken over het peil van de diesel. De teller geeft aan dat ik nog veertig kilometer kan rijden. Waarom hebben die verrekte Belgen niet, net zo als wij, benzinestations aan de snelweg liggen? Als je van Luik naar Luxemburg rijdt, kom je er zelfs geen een tegen. En hier ook al niet. Ik begin lichtelijk te zweten.

Gelukkig weet de man bij de toltunnel me te vertellen dat ik de eerste afslag rechts moet nemen en dan zie ik vanzelf een pompstation. Het staat nergens aangegeven, maar ik vertrouw op mannen in tolcabines. En terecht.

Opgelucht steek ik de slang in de tank. Ik druk de hendel in. Maar geen diesel. Ik loop het pompstation in. De vrouw achter de kassa snauwt me toe dat ik eerst moet betalen. Voor hoeveel geld wil ik tanken? Veertig euro, laat ik haar weten. Als ik terug naar mijn auto wil lopen, blijkt dat je er door de schuifdeur wel in kan, maar niet uit. Ik moet aan de andere kant van het pompstation eruit lopen en dan teruglopen. Domme Belgen.

Na enig zoeken door een van de lelijkste stadjes van Nederland, vind ik de eerste school. Het is me wel eens gebeurd dat ik met trompetgeschal, letterlijk, werd ontvangen. Je weet nooit hoe je op een school wordt ontvangen. Als ik binnenkom zitten de onderwijskrachten te lunchen. ‘Oh, ben jij die kinderboekenschrijver?’ Ik geef iedereen een hand. Een juf vraagt of ik een kop koffie wil. Graag! En dan besta ik niet meer. De juffen en meesters kakelen over hun leerlingen.
‘Natuurlijk heb je je lievelingetjes in de klas. Dat is helemaal niet raar. Zo is Sanne toch een hartstikke leuke meid?’
Ik check mijn smartphone.

Een paar uur later ga ik inchecken in een hotel dat past bij deze stad. In deze stad moeten de mensen het doen zonder esthetiek. Alles is functioneel lelijk. Specialiteit van de stad.
‘Weet u ook een restaurant waar ik vanavond lekker kan eten?’ vraag ik aan de juf van de bieb als we afscheid nemen.
‘Dat vroeg die vorige schrijver ook al. Ik heb geen idee, ik ga nooit uit eten.’
Als je als mens in een lelijke stad woont, moet dat invloed op je psychisch gestel hebben.
‘Het stadje is niet veel,’ zegt een meester tegen me. ‘Gelukkig dat de Schelde langs het stadje loopt. Anders…’
En zo zit ik een hotelkamer die me doet denken aan de verzorgingsflat van mijn moeder toen ze allang niet meer voor zichzelf kon zorgen. De deuren van de afdeling waren gesloten en alleen met een code open te krijgen. Als een bewoonster ging dwalen, kon ze nooit meer de weg terug vinden.

Dwaalboek

Dinsdag 17 maart, Den Bosch

 

Een klop op het raam. De postbode. Hij moet wel, want onze bel doet het niet. Dat is ook niet nodig, iedereen komt hier achterom. Ik zeg ‘iedereen’, maar dat is onzin, want zoveel mensen komen hier niet. Als er ooit iemand komt, komt hij achterom.

‘Een pakketje,’ zegt de postbode.
Een boek, denk ik. De grote letter bol.com verraden het. Het is een dik boek, want het pakketje is zwaar.
Als ik het uitpak komt de Steinz tevoorschijn. De onderkop luidt: gids voor de wereldliteratuur. Het is een cadeautje van Matthijs, blijkt. Grote dankbaarheid. Het is een boek dat ik graag wilde hebben. De ondertitel van het boek luidt: gids voor de wereldliteratuur. Het is een dwaalboek, een boek waarin je eindeloos kunt bladeren en verdwalen. Het hindert niet waar je het boek openslaat.

Volgens de achterflap:
416 karakteristieken van auteurs uit 26 taalgebieden, met aandacht voor hun beste werk.
52 boekwebben, literaire schema’s rondom beroemde boeken.
104 enthousiasmerende samenvattingen van klassieken uit de wereldliteratuur.
26 one-book wonders, auteurs die beroemd zijn om één briljant boek.
26 lijstjes met elk 13 boeken over één onderwerp.
52 landkaarten die laten zien waar de meesterwerken uit de wereldliteratuur zich afspelen.
26 quizzen rondom literaire thema’s.

Wie staan wel in het boek en wie niet? Ik ben nu de verzamelde verhalen van Johnny van Doorn aan het lezen. Ik kende Johnny eigenlijk alleen als dichter en als dichter vind ik hem eerder curieus dan goed. Hij is een prima performer, maar als je zijn gedichten leest, zijn ze drie niveaus minder. Zijn verhalen ken ik omdat hij er wekelijks een voorlas op VPRO-radio.

Iets voorgelezen krijgen, is totaal anders dan zelf lezen. Nu ik ze zelf lees, zie ik pas de kwaliteit. Ik heb me nooit gerealiseerd dat deze boodschapper van de zestiger jaren zo oer-Hollands is. Johnny van Doorn, Nescio, Carmiggelt, ze behoren tot dezelfde familie. Prachtige verhalenschrijver die Johnny, daar komen zijn gedichten niet bij in de buurt. Prachtig zoals hij de vijftiger en zestiger jaren beschrijft. Het is een schrijver die niet vergeten zal worden. Ik ben er van overtuigd dat zijn literaire roem nog groot zal worden.

Even opzoeken wat Steinz over Johnny van Doorn zegt. Geen woord. Jammer. De Steinz doet me denken aan twee andere boeken die ik heb en vorige week mee naar Drenthe heb genomen. Het een heet ’t is vol van schatten hier, de ander Ik probeer mijn pen. Beide zijn dwaalboeken over de Nederlandse literatuur.
Snel even kijken of Johnny van Doorn daarin wordt genoemd. Verdomd. Van Doorn ontbreekt in beide boeken. Kan niet waar zijn. Hij zou alleen toch al als dichter moeten worden genoemd. Hij was zo beeldbepalend voor een periode. Ik vermoed dat die nette literatuurwetenschappers afgeschrikt zijn door gedichten als Kom toch eens klaar klootzak. Grote kans dat die literatuurwetenschappers daarom sowieso niet aan zijn verhalen zijn begonnen. Jammer. Wedden dat Johnny van Doorn over twintig jaar wordt herkend als een van onze grootste verhalenschrijvers? Voor mij is hij dat al. Even een lans breken voor Johnny van Doorn, dacht ik. Dan dwaal ik weer verder in de Steinz.

Zondag 15 maart 2015, Lhee

De woorden

Wij roepen naar de eilanden.
De woorden vliegen als vogels
heen en hier en daar worden zij
ruisend herhaald. Eilanden.

Zij vliegen naar de Noordpool,
ze ketsen op het ijs en komen
vliegensvlug weer terug in
onze monden, zeggen de kinderen.

Maar aan de rand van het water,
weten wij, de dichters, de vaders,
dat elk woord verdrinkt in de diepte
en de kou van de grote oceaan.

Escapist

Zaterdag 14 maart, Lhee

 

Al schrijvende stond het gisteren zomaar op het beeldscherm: fantasie is mijn drug. Het belang van de zin is groter dan het lijkt.
Waarom maakt die man zich zo druk over theater, zal de lezer van Dossiermoddergat zich vaak afvragen. En al dat gedoe met boeken. Waarom? Waarom maakt die blogger zich daar zo druk over?

De essentie van al die drukte makerij is samengevat in het zinnetje ‘fantasie is mijn drug’. Sinds ik kan lezen, heb ik het al. Ik kan wegduiken in een boek en de wereld bestaat niet meer. De mooiste momenten in het theater zijn als ik niet meer weet dat ik besta, de momenten dat ik totaal ben ondergedompeld in de verbeelding die me wordt voorgeschoteld.

Ik heb een vriend en die vindt dat een boek geëngageerd moet zijn, dat een boek of een toneelstuk een uitspraak over de wereld moet doen. Ik vind dat helemaal niet. Een boek hoeft niets. Een toneelstuk ook niet. Voor mij is een boek geslaagd als het me meeneemt in een andere wereld, welke wereld dat ook is. Wat dat betreft ben ik gewoon een escapist. Ik heb grote bewondering en waardering voor de kunstenaar die me weg kan voeren uit deze wereld.

Ik heb jarenlang voor gesubsidieerde instellingen gewerkt. Dat is beroerd omdat je dan te maken krijgt met politici en die politici vinden altijd iets van kunst. Ze vinden dat kunst iets voor de allochtonen moet doen, of dat de kunst geworteld moet zijn in de regio, of dat er amateurs bij betrokken moeten worden, of dat alleen topkunst gesubsidieerd mag worden, of dat kunst van economisch belang dient te zijn. Elke staatssecretaris brengt weer zijn eigen hobby mee. En al die kunstenaars maar opschrijven hoe veel ze doen voor de allochtonen en de amateurs en ga zomaar door en als je dat allemaal goed opschrijft, krijg je subsidie.
Ik heb slechts één staatssecretaris horen zeggen dat de kunst gesubsidieerd dient te worden voor de intrinsieke waarde van kunst. En dat was Aad Nuis, zelf een dichter. Hij was de enige die niet zijn hobby of politieke stokpaardje inbracht in het kunstbeleid. Wat een zegen vond ik dat.

Van de VVD moet je als kunstenaar vooral veel geld verdienen opdat ze je zo min mogelijk subsidie hoeven te geven. Van de PvdA moet je het volk verheffen. Van de PVV mag je al helemaal geen kunst maken. De SP vindt kunst pas goed als je je vuist erbij kunt ballen en van de christelijke partijen moeten kunstenaar vooral niet te gek doen en zeker niet blasfemisch zijn. D’66 waardeert kunst nog het meest om zijn eigen kracht. Aad Nuis was niet voor niets een D’66er. Al die andere partijen vonden dat Nuis geen visie had. Van alle staatssecretarissen vond ik hem de meest uitgesproken visie hebben: hij was de enige die vond dat je kunstenaars geen oneigenlijke doelen moet opleggen.

Ik ben er van overtuigd dat een kunstenaar pas tot volle bloei komt als hij niets hoeft, alleen zijn eigen stem te volgen. Dat is helemaal geen garantie dat hij succes krijgt, maar dat is weer wat anders. Hoe authentieker de kunstenaar, hoe meer hij een eigen stem heeft, hoe interessanter hij wordt. Een kunstenaar is geen buurtwerker en geen hulpverlener. Een kunstenaar is geen econoom en standwerker.

Een kunstenaar moet vooral zijn eigen wereld creëren . Hij moet zo zijn eigen weg volgen dat hij mij kan betoveren en kan laten ontsnappen uit de werkelijkheid waar ik het helemaal niet mee eens ben (vrij naar Platonow). Ik ben begonnen als escapist met de boeken van Puk en Muk en eigenlijk is er niets veranderd. Ik lees nu de verhalen van Johnny van Doorn en verdomd ook hij laat me ontsnappen. Door hem zit ik weer volop in de jaren ’50 en ’60.

Tot mijn grote blijdschap en verrassing heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een rapport uitgebracht dat de politiek niet steeds van die malle eisen moet stellen aan de kunst. De kunst is de kunst en die moet je vooral zijn eigen autonome gang laten gaan. Nou ja, ik zeg het nu wel heel simpel. De WRR zegt het ongelooflijk veel genuanceerder. Lezen? Downloaden kan: http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-verkenningen/V30_web_Cultuur_herwaarderen.pdf

Fantasie

Vrijdag 13 maart, Lhee

 

Zo’n beetje op de dag dat Dossiermoddergat 500.000 keer is aangeklikt (een half miljoen keer), krijgt het een andere uiterlijk.
‘Ik moet wel wennen aan dat nieuwe lettertype,’ zegt Matthijs. Kan ik me goed voorstellen, had ik zelf ook. Het is hetzelfde gevoel als jouw krant een nieuwe lay-out krijgt. Dat voelt onwennig en je vraagt je af of de verandering wel een verbetering is.

Ik zelf ben al gewend aan de nieuwe verschijningsvorm van Het Dossier. Dat komt omdat ik al een tijdje aan het oefenen ben. Niet alleen het uiterlijk is totaal anders, maar ook de manier waarop ik teksten en foto’s moet uploaden. Ik ben overgestapt naar een geheel nieuw systeem, het zogenaamde WordPress. Voor wie er een beetje thuis in is, heeft dat al lang gezien. De verscheidenheid in WordPress is groot met een enorme hoeveelheid thema’s, maar ik verbeeld me toch dat je altijd kunt dat het een WordPress site is.

Mijn lieve Nicht uit Frankrijk heeft de site ontworpen. Ze heeft me ook ingewijd in de uitgebreide geheimen van WordPress. Niet dat ik al die geheimen in al zijn uitgebreidheid ken, maar ik weet nu genoeg om er elke dag nieuwe teksten en foto’s op te zetten.

‘En laat je die oude site dan bestaan?’ vraagt mijn Nicht. ‘Dat kost je ontzettend veel extra geld.’ Daar heeft ze gelijk in. Maar ik denk aan de reden waarom ik ooit aan Het Dossier begon. Ik wilde op de dijk van Moddergat staan en uitkijken over het land. Ik wilde een paar jaar van deze eeuw vastleggen in een dossier. En dan kun je dat dossier toch niet zomaar opruimen, dat zou dan een dossier van niks zijn geweest.

Een mens leeft vaak bij de gratie van zijn fantasie. Ook ten aanzien van het dossier had ik een fantasie. Stel dat het dossier eeuwen op internet zou staan. Dan heb je toch een dossier, in al zijn primitiviteit, van het tamelijke begin van het internettijdperk. Als je zo’n fantasie hebt gehad, gooi je het niet zomaar met een druk op de knop weg. En hoeveel staat er wel niet op. Dat zijn inmiddels toch duizenden teksten, duizenden foto’s. Vandaar dat Het Dossier keurig geconserveerd blijft, al is het onder een andere domeinnaam, namelijk www.dossiermoddergat1.nl. Let op die 1. Het kan best zijn dat deze site ooit een 2 krijgt.

Ik heb nooit drugs gebruikt. Mijn drug heet fantasie. Mijn hele leven heb ik gedroomd, gefantaseerd, voor mijzelf nieuwe werelden gecreëerd. Ik weet ook wel dat er niets zo vluchtig is als internet. Zo bestaat iets. Zo bestaat het niet meer, is het verdwenen in de drab van de geschiedenis. Maar niet in mijn fantasie. Onder het asfalt ligt het strand, zeiden wij vroeger.

Schuld

Woensdag 11 maart, Lhee

 

Morgen presenteer ik plannen aan een organisatie die in verandering is. Ik mag meewerken aan die verandering. Ik heb een advies geschreven en morgen presenteer ik dat aan de medewerkers die het betreft. Mede hierdoor werk ik vandaag thuis. Ik heb expres geen afspraken gemaakt. Het is goed, eigenlijk noodzaak, om een dag geen afspraken te hebben. Soms moet er gewoon daadwerkelijk iets geproduceerd worden.

Ik beschouw het nog steeds als een luxe, dat thuiswerken. Het geeft me een gevoel van vrijheid, ondanks dat ik toch de hele dag trouw zit te werken. Maar ik ben altijd zo gewend om hele dagen op een kantoor te zitten. Overal waar ik de baas was, maakte ik er een gewoonte van om ’s ochtendsvroeg aanwezig te zijn en ’s middags op het eind van de middag te stoppen, ondanks dat ik vaak ’s avonds moest werken. Ik hechtte aan die voorbeeldfunctie. Maar de plicht heb ik hierdoor diep in mijzelf gestanst.

In sommige opzichten heb ik gereformeerde trekken. Zo krijg ik het niet over mijn hart om overdag televisie te kijken. Als ik dat wel eens probeer, dan heb ik het gevoel dat ik spijbel. Ik ga dan meteen weer nuttige doen. Overdag moet je nuttige dingen doen. Pas ’s avonds mag je op een bank hangen. En dat ook nog met mate. Waarom? Omdat ik me dat zelf wijs heb gemaakt natuurlijk. Het is een kwestie van inslijten.

Vandaag tartte ik dat spijbelgevoel. Ik had tot twee uur zitten werken. Buiten scheen de zon. Ik was nog niet buiten geweest. En daarom besloot ik toch, geheel tegen mijn gewoonte in, om overdag, op een werkdag, een boswandeling te maken. Als je voor jezelf werkt, mag je je af en toe toch ook wel iets permitteren, sprak ik mijzelf moed in. Vrijwel mijn hele leven heb ik met personeel te maken gehad. Nu heb ik de luxe om daar geen rekening meer mee te hoeven houden.

Ik trok mijn wandelschoenen, liep het huis uit. En verdomd, op het einde van het pad, vlak voordat ik het bos inga, zit Franka. Franka is de hond van de buren en onze wandelhond. Meestal nemen Wyb en ik hem mee als we het bos ingaan. Blij springt hij me tegemoet. Het fijne aan honden is dat ze zo constant zijn, je weet precies wat je aan ze heb. Wat dat betreft zou de mens wel iets meer honds mogen zijn.

En voor het eerst sinds ik bij Het Zuidelijk Toneel weg ben, liep ik daar zonder mij schuldig te voelen. Eindelijk kon ik zonder bedenkingen genieten van mijn vrijheid. De vogels floten dat het lente was. De spechten roffelden als gekken op de bomen. De zon scheen over het Dwingelderveld alsof het zomer was. Zelfs de eerste fietsende senioren lieten zich zien. Al besef ik ook dat een paar fietsende senioren nog geen zomer maken.

Raam

Dinsdag 10 maart 2015, Lhee

 

Al toen wij ons huisje in Moddergat kochten, zo’n elf jaar geleden, was het raampje van onze slaapkamer verrot. We hebben het nog een paar keer proberen op te lappen met wat schilderbeurten, maar dat was window dressing. Het hout had zijn tijd gehad.

De druppel die de emmer deed overlopen waren twee Modderachtige herfststormen met dito hoosbuien. Het is een natuurfenomeen dat ze in het zuiden niet kennen. De wind is dan woedend op het land en de regen geselt het huis, de boom en het beest.
Vaak dat zo’n storm zich in de nacht voordoet, geen idee waarom. Afgelopen november ook. Ik lag in bed, klaarwakker. Ik hoorde de wind rukken en gieren. De regen stortte zich vol op het dak. En… Ik hoorde het druppelen van water. Even met mijn iPhone schijnen, maakte duidelijk dat het raam zijn essentiële functie had verloren. De regen had het raam klein gekregen en het water stroomde onder en via de zijkant naar binnen. Tijd voor actie.

Zo komt het dat afgelopen weekend een man met een raam een ladder opklimt op weg naar onze slaapkamer. Het duurde even om het raam te maken, maar nu is het gelukkig klaar. In de tussentijd hebben we het raam totaal dichtgekit.
De man die de ladder opklimt, hebben we in november gebeld. Hij is een jonge ondernemer uit een naburig dorp. In november toen hij de boel opmat, wat hij razendsnel deed, vertelde hij dat hij van zijn zestiende al van school ging. Hij had maar één wens: voor zichzelf beginnen, ondernemer worden.
‘Zestien? Maar dan heb je toch leerplicht?’
‘Och, als je niet wilt, wil je niet.’
Nu heeft hij een groot bedrijf.

De man van het raam vertelt het volgende verhaal. Zo’n twintig jaar geleden waren ze met een paar mensen uren bezig om de hoek van een dakkapel op te meten. Ze deden het met touwtjes en stokjes. Dat kostte klauwen vol geld. Zo’n vijftien jaar geleden werd daar een speciale graadmeter voor uitgevonden. Dat ding kostte 700 gulden. Nu doet hij het werk met een app, Carpenter geheten. De app is geheel en al gratis en nog nooit heeft hij zo precies de hoeken kunnen meten. Hij toont me de app. Inderdaad een wonder van techniek.
De man van het raam schetst me een revolutie en hij is zich dat bewust. De tijden veranderen in rap tempo. Omdat ik als kinderboekenschrijver nog wel eens in een bibliotheek kom, vraag ik aan de bibliothecaresse van dienst vaak of ze de bibliotheek app kent waarmee je gratis e-boeken kunt ophalen. Slechts een enkeling kent de app. Dat is vreemd, want daardoor weten bibliothecaresses niet dat er een revolutie gaande is, een revolutie die ongelooflijke invloed op hun werk zal hebben.

‘Past het raam?’ vraag ik.
‘Gelukkig wel.’
‘Je mat het in november zo snel op. Ik was even bang dat het daardoor wel eens fout kon gaan.’
‘Afkloppen. Ik heb nu zo’n zesduizend ramen geplaatst en maar zes keer heb ik fout gemeten.’
Vakmanschap. We moeten het koesteren. Alleen op die manier houden we wind en regen buiten.

Wolf

Maandag 9 maart, Den Bosch

 

Een jaar geleden heb ik de wolf gewaarschuwd. Die natuurliefhebbers hopen dat je naar Nederland komt, maar als wolf heb je in dit land echt niets te zoeken. We zijn een laf volkje dat maar aan één ding denkt: veiligheid. Als ze het woord wolf horen, beginnen ze al te kreunen van angst.

Maar het allerergste is dat we een land van ambtenaren zijn. Als je als wolf de grens overkomt, gaan ze meteen beleidsnota’s schrijven en zeggen hoe groot het gebied is waarin een wolf mag leven. Begeef je je buiten dat leefgebied, ben je helemaal de lul. Dan staat er een of andere proleet met een geweer klaar om je af te knallen. En dan gebruiken ze woorden als quota en beleidsopties.

En dan kom je uit die mooie uitgestrekte Poolse bossen. Of de Duitse bossen, die er ook mogen zijn. Kom je in Nederland. Als je een paar honderd meter loopt, heb je een snelweg of iets wat er op lijkt. Nederland lijkt me een hel voor een wolf.

Als je als wolf Nederland opzoekt, dan moet je wel gek zijn. De wolf die nu door Nederland loopt, schijnt, zo zeggen de kenners, dan ook echt gek te zijn. Hij is niet eens bang voor mensen. Ja, als je niet bang bent voor mensen, dan moet je knettergek zijn. De mens, de meest onbetrouwbare, de meest wrede diersoort die er bestaat. Elk weldenkend dier verbergt zich meteen voor de mens. Schade en schande, zo word je wijs.

De wolf zocht vanmorgen zelfs een winkelcentrum op in Hoogezand. Dan moet er toch een steekje los zijn. Wie zoekt er nou een winkelcentrum in Hoogezand op? Dan ben je als wolf toch echt de weg kwijt. Als hij linksaf was geslagen, had hij mooi op het Dwingelderveld kunnen rondstruinen. Daar kom je nog wel eens schaapjes tegen.

De wolf is meteen een hot politiek onderwerp, wat veel zegt over de Nederlandse politiek. De gedeputeerden van Groningen en Drenthe gaan samenwerken om de wolf met een spuit te vellen. Vervolgens willen ze hem terug brengen naar zijn natuurlijke habitat. Natuurlijke habitat? Zie nou wel dat de wolf hier helemaal niet welkom is.
De wolf heeft één geluk. De journalistiek en de politiek storten zich nu op het aftreden van de minister van justitie en zijn secondant. Dat is mooi voor die wolf, want de media en politiek hijgen van de ene naar de andere hype en voordat je het weet, raak je in de vergetelheid en kun je zonder al te veel aandacht om de zoveel dagen een schaap doden. Precies zoals dat hoort.

Vanmorgen op de radio werd gesproken over de gekke wolf. Welke wolf loopt nu door een woonwijk? Er werden heel wat woorden aan gewijd. Aan het einde van het nieuwsitem liet men weten dat in New York hetzelfde is geconstateerd. Er zijn allerlei opnames dat er ’s nachts wolven door Brooklyn lopen. Zo gek is die wolf van ons dus ook weer niet. Blijkbaar is het toch niet zo’n onnatuurlijk gedrag als je als wolf een winkelcentrum opzoekt.

Als de wolf wordt verdoofd en gedeporteerd naar Polen -wij zijn in Nederland ontzettend goed in deporteren, nergens werden, procentueel gezien, zoveel Joden op transport gesteld als in Nederland- dan hoop ik voor het wolvensoort dat onze wolf tegen de andere wolven zegt: ‘Wijk nooit uit naar Nederland. Als wolf heb je daar niets te zoeken, het is een verstikkend land vol bange en benepen mensen.’

Attentie

Zaterdag 7 maart, Moddergat

‘Hallo, hallo, hier Captain Haddock voor Papa Bravo. Over.’
‘Hallo, hallo, hier Papa Bravo voor Captain Haddock. Waar bevindt u zich momenteel? Over.’
‘Hallo Papa Bravo. Ik ben momenteel terug op het basiskamp, Moddergat. Ik herhaal Moddergat. Over.’
‘Papa Bravo voor Captain Haddock. Hoe is de situatie daar? Heeft u goed zicht op de stand van het land? Over.’
‘Captain Haddock voor Papa Bravo. Het uitzicht op de dijk hier is perfect. Ik zie het land haarscherp onder mij liggen. Over.’
‘Hallo, hallo, Captain Haddock, kunt u iets preciezer zijn? Dan kunnen wij het hier noteren. Over.’
‘Captain Haddock voor Papa Bravo. Situatie maakt mij niet vrolijk. Ik stond afgelopen week in Zwolle in de lift van de nieuwe Ikea daar. Het is een grote lift die je naar de ingang brengt. Er stonden zo’n vijfentwintig mensen in die ruimte en ik keek om mij heen. Kunt u mij horen Papa Bravo? Over.’
‘Papa Bravo kan Captain Haddock uitstekend ontvangen. Over.’
‘Captain Haddock vervolgt. Attentie Papa Bravo. Over.’
‘Papa Bravo luistert. Over.’
‘Captain Haddock stond daar tussen die mensen en schrok van zijn landgenoten. Hij zag ontevredenheid, zuurheid, uitgeblustheid. De lift ging open en de ene na de andere landgenoot sjokte Ikea binnen. Captain Haddock zag verveling, verwendheid, lusteloosheid en doelloosheid. Over.’
‘Papa Bravo voor Captain Haddock. Moeten wij het land verlaten? Over.’
‘Hallo, hallo Papa Bravo, natuurlijk gaan wij het land niet verlaten. We leven al in een ander land. Er ligt een grens tussen de sjokkende zuurheid en ons, Papa Bravo. Wij leven in ons eigen land. De ander leeft in een buitenland. Er zijn in dit land twee landen. Wij en de ander. Laat de ander door verzuren. Wij observeren de situatie en zullen naar bevindt van zaken handelen. Heeft u dit begrepen Papa Bravo? Over.’
‘Papa Bravo heeft Captain Haddock begrepen. De observatie is genoteerd. Blijft svp op uw post en wees waakzaam. Het Dossier groeit. Over.’
‘Hallo Papa Bravo. Captain Haddock blijft op zijn post. De ander is nog steeds in zicht. Situatie lijkt hopeloos. De verwendheid vreet overal doorheen. Ze zullen wel weer Wilders stemmen. Over en sluiten.’
‘Papa Bravo heeft Captain Haddock begrepen. Succes. Over en sluiten.’

Alle rechten voorbehouden © Gerard Tonen 2015