Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2025, november/december

Geschiedenis van een vriendschap

Woensdag 31 december, Cadouin

 

Zoals elke jaar sinds de afgelopen zeven jaar belde mijn toenmalige beste vriend J. ook dit jaar op 29 december, mijn verjaardag.

Zevenenvijftig jaar daarvoor hielden wij in de tweede klas van de Marten Luther King MAVO in Dukenburg een spreekbeurt over anarchisme. Wij vertelden onze medeleerlingen wat dat nou precies was en welke stromingen je daarin hebt.

Een jaar later fietsten we samen over de St. Annastraat, een belangrijke verkeersader in Nijmegen. Twintig jaar later zou J. in die straat gaan wonen in een veel te groot huis. Mijn ome Jan hoorde zijn moeder verzuchten tijdens de housewarmingparty: ‘Och, dit is toch veel te groot voor onze J.’ Tijdens het fietsen zeiden we tegen elkaar dat wij een belangrijke taak hadden: wij moesten de wereld verbeteren. Na enig praten besloten we leraar te worden en dit in een contract vast te leggen. Het leraarschap leek ons de meest directe weg naar een betere wereld.

Weer een jaar later, wij waren zestien, overwogen we Nederland te verlaten en ons aan te sluiten bij een guerrillabeweging in Zuid-Amerika of over te gaan tot het oprichten van de Nederlandse tak van de Rote Armee Fraktion.

We gingen keurig volgens ons contract naar de lerarenopleiding. J. werd leraar natuur en scheikunde; ik leraar Nederlands en Geschiedenis.

Ik hield het niet lang vol in het onderwijs. Na drie maanden al schreef ik mijn ontslagbrief en stortte ik me in de culturele wereld. J. verliet een paar jaar later het onderwijs voor de politiek en werd de Jan Schaefer van Nijmegen.
Zo nu en dan zagen we elkaar en biljartten we in De Gouden Leeuw. Als ik J. belde, kon ik het beste naar De Tempelier bellen, zijn eigenlijk huiskamer, waar hij tot laat in de nacht zat.

In 2001 raakten we gebrouilleerd. Waarom kan ik makkelijk uitleggen omdat Peter van Straaten over zo’n situatie al eerder een tekening maakte. Twee vrienden zitten aan een bar. Zegt de ene vriend tegen de ander: ‘Vanavond ga ik tegen mijn vrouw vertellen dat ik wil scheiden.’ Zegt de andere vriend: ‘Dat hoef je niet meer te doen, dat heb ik al gedaan.’ Ik was verbijsterd en vond het een infame, indiscrete interventie. Hoogverraad, een vriend onwaardig en ik verbrak het contact. Mijn beste vriend werd een toenmalige beste vriend.

Zeventien jaar later, het was 2018, belde J. op om te vragen of we toch niet eens moesten praten. We hadden zo’n gemeenschappelijk verleden, dat konden we toch niet zomaar definitief achter ons laten. We spraken af in Deventer in een café. Wat was gebeurd was gebeurd en viel voor mij niet te helen. We spraken af dat we, om toch contact te houden, elkaar op onze verjaardagen zouden bellen. En nu is het zo dat ik J. bel op 14 mei en hij mij op 29 december.

Wij hebben dan een allerhartelijkste gesprek waarin ik weer even dat warme vriendengevoel ervaar. In die gesprekken houden we elkaar op de hoogte van elkaars leven. J. werkt momenteel in Den Haag, we zouden elkaar makkelijk ergens kunnen treffen, maar dat is tot nu toe niet gebeurd. Blijkbaar hebben we er beiden geen behoefte aan.

In het gesprek van 29 december gebeurde er wel iets bijzonders. Al pratende gaven we toe dat we er in onze jeugd goed naast hadden gezeten. Wij geloofden heilig dat de mens in principe goed was. We waren ervan overtuigd dat mensen altijd voor de rationele weg zouden kiezen en de wereld beter werd als ze goed waren geïnformeerd. Nu wisten we wel beter. We hadden er faliekant naast gezeten. Ten slotte vroegen we ons af wie het eerste op de begrafenis van de ander zou zijn.

Journal d’images

2018. J. en ik op de markt van Deventer

Klootzakjes

Dinsdag 30 december, Cadouin

 

Ik wil graag van de gelegenheid gebruikmaken om iedereen die met oud en nieuw in Nederland is sterkte te wensen. Het zal een harde dobber worden, vrees ik, die jaarwisseling. Zelf beschouw ik Wyb en mij als vluchteling, nou ja – luxe vluchteling. Maar wij hebben verkozen het land te verlaten, en niet voor niets. De afgelopen veertien dagen was het in Delft al bal. Door de hele stad klonken knallen, afgewisseld met vuurpijlen en andere onzin. Ik permitteerde mezelf zelfs een keer de term Gaza Extra Light te gebruiken.

Als ik alleen door dit semi-oorlogsgebied had moeten lopen, was het niet zo erg geweest. Het punt is dat we een hond hebben, Dies, en hij vindt het verschrikkelijk dat geknal. Het is zo erg dat hij niet meer naar buiten wilde. Als ik de voordeur opendeed, bleef hij stokstijf staan. Met wat lieve woorden en wat sleuren bracht ik hem uiteindelijk naar zijn poepplek. Als ik geluk had, deed hij wat, meestal had ik pech en had hij maar één ding in zijn kop: naar huis. Gelukkig is ons huis tamelijk goed geïsoleerd.

De ellende is begonnen toen wij zes jaar geleden door het Noorderplantsoen in Groningen liepen. Op een bankje zaten vijf klootzakjes. Wij lopen langs hen, zijn net voorbij en een van die klootzakjes gooit een rotje achter Dies. Sindsdien is Dies panisch voor alles wat knalt. Ik heb het klootzakje de les gelezen, maar wist toen nog niet hoe groot het trauma was dat hij Dies bezorgde, anders had ik hem zeker in elkaar geslagen. Er zijn van die momenten dat ik best heel agressief kan worden. Zo heb ik bijna ooit een echtpaar vermoord, maar dat is een ander verhaal. Het klootzakje kan met een gerust hart door Groningen lopen, want ik zou hem niet meer herkennen.

Het is nu voor het vijfde jaar dat wij Nederland ontvluchten. De naïeve lezer zal zich afvragen of Dies dan niet bang is voor vuurwerk in Frankrijk. Beste lezer, in Frankrijk is geen vuurwerk. Totaal niet. Iedereen viert hier ontspannen oud en nieuw. Brandweerlieden, politieagenten en oogspecialisten kunnen hier in alle rust de jaarwisseling vieren.

‘Vuurwerk hoort bij de Nederlandse cultuur,’ hoorde ik iemand op tv zeggen. Mooie kutcultuur, denk ik dan. Wat is dat voor een onzincultuur, met een aansteker een lontje aansteken: knal. Ik heb werkelijk geen idee wat er de lol van is en waarom we dat cultuur zouden noemen. Het is de cultuur van de stompzinnigen, de dommen, de eikels onder ons. Als iemand roept ‘Wij zijn Nederland’, dan weet je dat het iemand is die van toeten noch blazen weet, die onze rijke Nederlandse cultuur verwart met gemakzucht, onverschilligheid, egoïsme en agressie. Het wordt bijna weer tijd om verzetsgroepen in het leven te roepen. We laten ons land verdomme toch niet kapen door die klootzakjes.

 

Uit de recensies:
‘Kortom: een tekst met scherpe tanden en een kloppend hart, maar ook met de neiging zichzelf te overschreeuwen. Indringend, maar niet altijd overtuigend; moedig in zijn eerlijkheid, maar gemakzuchtig in zijn generalisaties. Een vuurwerkbommetje van woorden, dat vooral veel lawaai maakt – en precies dát is natuurlijk de ironie. ★★★☆☆ (3 van de 5 sterren)’

Journal d’images

Eenenzeventig

Maandag 29 december, Cadouin

 

Zo woon je in het hart van de Randstad, zo woon je in het verlaten platteland van Frankrijk. Het zijn elke keer toch heftige overgangen, maar ideaal om een onrustig iemand zoals ik te bevredigen. Elke keer lijkt het een nieuw begin, en ik hou van beginnen.

Cadouin is voor mij de ideale plek om mijn eenenzeventigste verjaardag te vieren. Ik weet zeker dat er geen surpriseparty’s of andere verjaardagsperikelen plaatsvinden. Ik hou sowieso niet van feesten en zeker niet van mijn eigen verjaardagsfeest. Laat me maar samen met Wyb op een berg zitten en een beetje mijmeren.

Tsja, wat moet je van je eenenzeventigste verjaardag vinden? Ik vind het een rare leeftijd, het is gewoon niet mijn leeftijd. Het is de leeftijd die bij mijn opa hoorde, niet bij mij. Maar goed, je doet er geen donder aan, de tijd raast voort, en je wordt er gewoon in meegezogen. Zo ben je zeventien, zo eenenzeventig, een leeftijd waar je je als zeventienjarige geen voorstelling bij kon maken. En nog steeds niet dus.

Het is niet dat ik het erg vind om eenenzeventig te zijn geworden. Als mislukt taoïst hang ik nog steeds de wijsheid aan dat de dingen komen zoals ze gaan. Of is het andersom? Gaan zoals ze komen? Wat dat betreft is er heus wel berusting.

Maar goed, je bent tweeslachtig en denkt ook: verdomme, de kans dat ik tachtig word met mijn door mijn familie overgeërfde genenpakket is toch verrekte klein. Dus de kans dat ik tussen nu en tachtig definitief de ogen sluit, acht ik vrij groot.
Eenenzeventig vind ik, gezien dat genenpakket, al best een prestatie. Mijn vader werd vierenvijftig en de rest van de familie stierf ook jong of slofte vol gebreken naar het einde. Wat dat betreft kom ik er genadig vanaf. Meteen afkloppen, want poch nooit over je gezondheid, morgen kan alles anders zijn. Breek me de bek niet los.

En wat ook niet vrolijk maakt, zijn de overlijdensadvertenties. Ik las ze nooit, maar als je wat ouder wordt, kun je je onzinnige dingen permitteren. Zo zie ik dat mijn generatiegenoten bij bosjes sneuvelen. Er wordt jacht op ons gemaakt, dat is duidelijk. Eergisteren nog stierf Leonard Nolens, een dichter die ik bewonder: drieënzeventig jaar. Ik heb nog twee jaar.

Wat wel vrolijk maakt zijn artikelen over astronomie die ik altijd fanatiek in kranten lees. Afgelopen zaterdag nog: ‘De Hubble-telescoop heeft nu deze kolossale protoplanetaire schijf helemaal in beeld gebracht. Het blijkt de stof waaruit sterren worden geboren.’ Het stelsel is veertig keer zo groot als ons eigen zonnestelsel, in totaal zo’n 600 miljard in diameter. Je kunt je er geen voorstelling van maken, maar je beseft meteen dat wijzelf stof zijn en totaal niks voorstellen. Maar wat prachtig dat ik nu al eenenzeventig jaar een glimp mag opvangen van deze onbevattelijkheid en mag zien dat in die eenenzeventig jaar allerlei bijzondere uitvindingen zijn gedaan, zoals de televisie, de iPhone, de elektrische deken en de air fryer.

Laat ik eindigen met een gedicht van Leonard Nolens.

Laat

Vertraag.
Vertraag.
Vertraag je stap.
Stap trager dan je hartslag vraagt.
Verlangzaam.
Verlangzaam.
Verlangzaam je verlangen
En verdwijn met mate.
Neem niet je tijd
En laat de tijd je nemen –
Laat.

Leonard Nolens, 1947-2025
Uit de bundel Laat alle deuren op een kier

Journal d’images

Perfect

Zondag 28 december, Delft

 

We hangen rond de tafel. Op de borden de laatste resten linzen en witlof. Van de eend is niets meer over. De wijn zit in de vrouwen.
‘Geer, noem eens vijf goede en vijf slechte eigenschappen van je op.’
‘Hè? Wat krijgen we nou? Waarom?’
‘Nou, ik ben gewoon benieuwd of jij jezelf goed kent.’
Ik tel vijf flessen wijn op tafel en schat in dat ik zelf een halve fles op heb.
‘Ja, ik vind het wel interessant dat A. dat vraagt. Noem nou eens gewoon vijf slechte eigenschappen van jezelf? Wat zou je aan jezelf willen verbeteren?’ zegt W. met dubbele tong.
‘We gaan onszelf nu analyseren?’
‘Nou, wij vragen het gewoon aan jou.’
‘Je weet dat ik een broertje dood heb aan gepsychologiseer.’
‘Nee, ga je nou niet achter principes verstoppen. Je kunt toch wel zeggen wat je aan jezelf zou willen verbeteren?’
‘Ik wil helemaal niets aan mezelf verbeteren. Ik ben volledig tevreden met mezelf.’
‘Dat kan niet. Iedereen heeft toch wel iets waar hij ontevreden over is, of onzeker.’
‘Nou, ik niet. Echt niet. Ik ben volkomen tevreden met wie ik ben.’
‘Iedereen heeft toch wel littekens of schrammen opgelopen.’
‘Ik stik van de littekens en schrammen, maar dat wil toch niet zeggen dat ik niet tevreden met mezelf kan zijn.’
De dames schenken nog eens in.
‘Dus jij bent volmaakt?’
‘Nou ja, als je dat zo recht op de man vraagt: ja, ik geloof wel dat ik perfect ben. Of in ieder geval een hoge graad van perfectie heb bereikt.’

Dit laatste vereist enige verklaring. Ik neem nu een truc van mijn moeder over. Als ik wel eens met haar discussieerde dan zei ze soms: ‘Ja weet je, ik ben gewoon perfect, dat kunnen niet veel mensen zeggen, maar ik ben echt perfect.’ Ze kon me niet hoger op de kast jagen. ‘Belachelijk om dat te zeggen: niemand is perfect.’ Nu besluit ik het wapen van mijn moeder over te nemen. Misschien schud ik mijn tafelgenoten dan van me af.

‘Doe alsjeblieft niet zo kinderachtig: niemand is perfect,’ zegt A. ‘Jij ook niet, dat weten wij maar al te goed.’
‘Nou, vertel dan eens wat er aan mij ontbreekt of wat ik fout doe.’
‘Nee, dat vragen we aan jou. Je hebt toch wel zelf inzicht?’
‘Ik wil daar best over praten, maar niet met twee lallende dames met te veel drank in hun lijven
. Morgen in nuchtere toestand zijn jullie de eerste.’
‘Geer, noem nou eens vijf dingen waaraan jij zou willen werken.’
‘Nou lieve schat, helemaal niks eigenlijk. Zoals ik al zei, ik vind mezelf perfect. Echt. Dat klinkt raar, maar misschien is het toch niet zo vreemd dat in een oceaan van psychologische onvolmaaktheid er één iemand is die perfect is, en toevallig ben ik dat. Wees blij dat jullie met die iemand mogen leven, dat jullie je kunnen laven aan mijn perfectie.’
We schenken nog een keer in.

Journal d’images

Het verschil tussen Mars en Venus in de praktijk.

Texel: gejut

Vrijdag 26 december, Delft

Readymade, en dan ook nog eens minimal poetry.

Jezus is overal.

Kunst op het wad. Ik weet het niet met dit soort kunst. Ooit stelde iemand voor op het einde van de pier van Moddergat een kunstwerk neer te zetten. Ik was tegen. Ik vind het wad mooi genoeg. Het wad is mooi als we het leeg laten en we er zoveel mogelijk met onze fikken vanaf blijven. 

Niets mooier dan de leegte.

Op Waarneming.nl lazen we waar we de brileider konden vinden, een zeer zeldzame vogel in Nederland. Wyb en ik besloten te kijken of we hem konden vinden. We vonden op de allereerste plaats een kudde vogelaars. Op de basalblokken onder hen zat inderdaad de brileider. Hij observeerde de vogelaars en bleef keurig zitten, een model waardig. Toen vroeg ik mij af waarom die vogel daar zo lijdzaam bleef zitten en bedacht me dat hij vermoedelijk aan de vogelgriep leed. Tragisch beeld dus. De vogelaars blij met hun foto’s, ze kropen steeds meer dichterbij voor het mooiste plaatje. Grote kans dat de brileider daar de volgende dag dood op het basalt heeft gelegen. 

Foto’s

Donderdag 25 december, Delft

 

Wij hebben dozen vol foto’s. De dozen van Wyb zijn tamelijk goed geordend. De foto’s zitten keurig in mapjes bij de negatieven. In mijn dozen is het een puinhoop: mijn hele leven ligt daar door elkaar. Mijn digitale foto’s zijn beter geordend, alleen dat zijn er al zo’n vijftigduizend, opgeslagen in het programma Lightroom. Daarnaast zijn er nog de foto’s in mijn iPhone, ook dat zijn er duizenden. Eigenlijk heb ik van de laatste foto’s het meest plezier. Elke dag heeft Apple een selectie gemaakt en kan ik een plukje foto’s terugzien.

Gisterenavond, kerstavond, kwam een doos van Wyb tevoorschijn. Anne was op bezoek en benieuwd hoe wij er vroeger uit hadden gezien, ze kon het zich niet meer herinneren. En zo kwamen de oudste foto’s naar boven sinds de tijd dat Wyb in mijn leven kwam.

Voor Anne was het duidelijk dat ik een goede catch had gehad. Voor het eerst realiseerde ze dat Wyb een knappe vrouw was geweest. Met verbazing keek ze naar de foto’s van Wyb, die, toen ik haar leerde kennen, eenendertig was. Ze was zeven jaar jonger dan Anne nu is. Anne kan zich niet voorstellen dat Wyb erin is getrapt met mij. Je bent eenendertig en dan kies je een man met twee puberdochters en word je opeens stiefmoeder. En op de foto’s ziet ze dat ik ook niet bepaald knap was.
‘Het innerlijk zie je niet op foto’s, An, en daar heb ik het toch altijd van moeten hebben.’

Door die foto’s veranderen perspectieven. Ik ga in ons kleine gezinsverband altijd door voor erg oud en tamelijk lelijk. Met terugwerkende kracht blijk ik deze avond toch jong te zijn geweest en ook nog niet eens zo dik, zoals Anne altijd dacht.
‘Zo heb ik jou helemaal niet gekend,’ zegt ze bij een foto. ‘Wanneer was dat?’
‘Lieve schat, het is een foto die gemaakt is toen we met z’n allen op vakantie waren en jij was erbij. Jij hebt me jaren zo gekend.’
‘Ik kan het me niet herinneren.’

Dat ze zich dat niet meer kan herinneren, kan ik me goed voorstellen. Als ik naar mijn vroegere ik kijk, kijk ik naar iemand die ik nooit ben geweest. Vooral dat haar vind ik een fremdkörper aan mijn lijf. Het is zoveel haar en zo raar zwart. Het lijkt alsof ik een zwarte helm op heb. Waarom heb ik er zo bij willen lopen? Het zal de mode van de tijd zijn geweest, maar toch.

Maar dat haar zegt niet alles. Nu heb ik minder haar, maar opnieuw ben ik iemand die ik nooit wilde zijn. Over een paar dagen word ik eenenzeventig. Ik heb nooit nagedacht over mijzelf als iemand die eenenzeventig zou worden. Het is een leeftijd die niet bij mij past. Langzaam ben ik gegroeid in een lijf dat niet van mij is. Of beter: tussen lichaam en geest gaapt een diepe kloof, net zoals op die foto met die zwarte helm.

Een paar dagen geleden maakte Wyb een foto van mij op Texel. Ik zit in een strandtent voor een kerstboom. Het is een onthutsende foto. Het is overduidelijk: ik ben inderdaad een oude man. Ik zie het aan de zakkerige manier waarop ik zit. Ik ga die foto’s nog uit de telefoon van Wyb verwijderen, ze zijn te confronterend. Ik moet echt beter op mijn houding gaan letten. Het vervelende van foto’s is dat je niet kunt ontsnappen uit je leven, ook al zou je dat graag willen.

Kerstgevoel

Woensdag 24 december, Delft

 

Het slot van onze Texelse dagen is ook meteen het hoogtepunt. Wij schuiven aan bij een samenwerking tussen twee keukens, die van ’t Hoekie en Branding & Citrus. ’t Hoekie is de naam van twee jonge jongens die gek zijn op koken en daarin inmiddels enige vermaardheid hebben gekregen. Zij hebben geen eigen gebouw, maar koken op plekken die beschikbaar zijn, geheel en al pop-up. Branding & Citrus is een van de betere restaurants op Texel. Voor deze avond besloten ze zes gangen te maken, om en om gemaakt door ’t Hoekie en Branding & Citrus. Jezus, wat is eten toch lekker, zeker als het bereid wordt door mensen die het kunnen en sommigen beheersen het tot in de perfectie.

Inmiddels hebben Wyb en ik het eiland verlaten en rijden we door dat foeilelijke Noord-Holland. Wyb moet vanmiddag om twee uur op het Ministerie aanwezig zijn: het is weer tijd om mensen te redden. ‘Weet je dat ik helemaal geen kerstgevoel heb,’ zegt Wyb. Ik knik. Nee, ik ook niet. Ik heb dat heerlijke kerstgevoel, dat ik vroeger wel had, al lang niet meer. Ik vind het een verschraling van het leven, wat zou ik graag dat warme gevoel weer in me kunnen opwekken. We doen ons best. We hebben een kerstboom, we hebben zelfs al de eerste feelgood-kerstfilm gezien. Maar helaas, het lukt me niet meer.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor Sinterklaas. Voor mij (bijna) een leven lang mijn favoriete feest. Ik herinner me in mijn jeugd de enorme berg pakjes toen we het met de hele familie vierden, de opwinding. De spanning of het volgende pakje voor jou zou zijn. Als we klaar waren, lag er in het midden van de familiekring een enorme berg papier en karton. Onderdeel van de traditie was om het ’s avonds laat op de dijk bij de Waalhaven te gaan verbranden. Het vuur danste op onze gezichten.

Later, in mijn studententijd verhuurde ik me als Sinterklaas om wat bij te verdienen. Weer later speelde ik Sinterklaas voor mijn kinderen. Ze hadden volstrekt niet door dat ik het was.
‘En Esmee, waar is jouw vader?’

’Die moet nog werken, Sinterklaas. Hij komt wat later.’

’Zeg hem maar dat ik hem volgend jaar hier wel verwacht, hoor.’ 

‘Zal ik doen, Sinterklaas.’

Als ik me had omgekleed, kwam ik binnen.

’Papa, wat jammer dat je te laat bent. Sinterklaas is net weg.’

In dozen moeten nog ergens mijn verzamelde Sinterklaasgedichten liggen. Ik had de gewoonte om vrouw en kinderen meedogenloos op de hak te nemen. Ze vonden het heerlijk. Meerdere keren vroegen ze of ik weer van die gemene gedichten wilde schrijven. Ik heb ze op hun wenken bediend. 



En toen sleet dat Sinterklaasgevoel, het ging het kerstgevoel achterna. De ontnuchtering van de feestdagen. Waarom? Ik kreeg steeds minder zin om surprises te maken en gemene gedichten te schrijven. Waarom? Is het de leeftijd? Zijn ook feestdagen onderhevig aan een levenscyclus? Ook dit jaar doen we weer ons best en gaan we lekker koken, steken we de kaarsen aan – maar toch. De kerst, dat Sinterklaasfeest, ze zijn versleten en ik kan het niet meer keren.

Journal d’images

Wulp

Dinsdag 23 december, De Cocksdorp

 

Gisteren maakten we een lange wandeling door het bos, daarna gingen we het duingebied in, richting zee. Bij zee aangekomen bleken we uit te komen bij een strandtent. Het mooie op Texel is dat ze strandtenten laten staan. Bij ons, in Den Haag en Wassenaar, wordt de meerderheid afgebroken, wat altijd een deceptie is als je iets wilt gaan drinken, en dan kom je uit bij een kale plek. Na de lunch wandelden we over het strand verder, doken de duinen weer in en liepen door het bos terug naar de auto. Hoe maak je een mens en een hond moe? Dit is de manier.

Vandaag besluiten we een sightseeing over Texel te doen. Goed idee, want ik blijk Texel helemaal niet te kennen. We zaten altijd in een huisje in Dennenoord, niet ver van Den Burg. Het eiland is veel groter dan ik ooit had gedacht. We slapen in een hotel in het plaatsje De Cocksdorp, een wonderlijke naam. We zitten hier op advies van Anne, die hier eerder sliep. Het deed haar zo aan Moddergat denken. Ons ook. Het hotel ligt onder aan de dijk. Als we de dijk oplopen, kijken we over de door ons zo geliefde Waddenzee heen.

‘Een wulp. Een wulp,’ roept Wyb enthousiast als we langs een weiland rijden.
Een wulp, wat mooi. Maar het enthousiasme maakt me triest. Het is namelijk kenmerkend voor de neergang van de vogelstand. Nog niet zo lang geleden, zo’n twintig jaar geleden, zagen we dagelijks wulpen. Bij ons in de achtertuin in Moddergat zaten soms wel dertig, veertig wulpen tegelijk. We vonden het heel gewoon. Vanuit ons huisje in Moddergat zagen we de wulpenstand langzaam achteruit gaan. Al in 2018 waren we enthousiast als er eindelijk weer eens een wulp in onze achtertuin zat. Hetzelfde geldt voor de grutto’s en de tureluurs.

Je zou denken dat het land in de hoogste staat van paraatheid wordt gebracht bij zo’n achteruitgang. Zoveel aantasting van de natuur, de alarmbellen zouden moeten rinkelen. In plaats daarvan kregen we die mallotige BBB, met die vrouw die zo lekker gewoon was en voor de eerste keer met een trekker naar de Tweede Kamer kwam. Niks alarmbellen. Het werd uitstellen en uitstellen opdat de boeren konden doen wat ze altijd deden, de boel verder vergiftigen. En de vogelstand liep verder terug, zo ernstig dat Wyb enthousiast begint te roepen als ze een wulp ziet.

Journal d’images

Texel

Maandag 22 december, De Cocksdorp

 

En toen waren we op Texel. Ik geloof niet dat de Waddeneilanden voor mij als Nijmeegs jongetje bestonden, misschien wel voor heel Nijmegen niet. Wij hadden de Waal, de Ooij en de Hatertse Vennen en dat was, qua natuur, meer dan voldoende. Ik hoorde bij topografie op de basisschool voor het eerst van de eilanden. Ik vond ze daar mooi liggen in die Waddenzee, alsof iemand ze in één armbeweging had uitgestrooid.

Pas op mijn achtentwintigste, toen ik naar Groningen verhuisde, begon ik te beseffen wat de eilanden voor mensen konden betekenen. Ik had nooit kunnen bedenken dat ik ooit zeer regelmatig naar Ameland zou afreizen, en dat daar mijn naaste familie zou wonen, inclusief mijn kleinkinderen. Het is nu zelfs zo dat, als Wyb en ik in Nes op straat lopen, wij door diverse mensen vriendelijk worden gegroet, zelfs aangesproken, omdat ze weten dat wij de ouders van Esmee en de opa en oma van Joris en Malu zijn.

Maar daarvoor leerde ik alle Waddeneilanden al van nabij kennen. Ik heb ze allemaal meerdere keren bezocht. We kochten zelfs een huisje dat uitkeek op Schiermonnikoog en Ameland. Vanaf de wal leerde ik de schoonheid van het wad kennen. Ik zou het een aanwinst voor het leven willen noemen.

De dag van ons 25-jarig samenzijn vieren we vandaag op een van die eilanden: Texel. Lekker om eens op een ander eiland dan Ameland te zijn. Ook Texel vind ik prachtig, maar het heeft één groot nadeel: de weg ernaartoe. Zowel Texel als Ameland bereik je door eerst door uitgestrekt landschap te rijden. Er lijkt voor de oppervlakkige beschouwer weinig verschil; wie goed kijkt, weet beter.

Voor Ameland rijd je door Friesland en je ziet oud-cultuurlandschap. Het is met liefde en op natuurlijke wijze gevormd. Hoe anders is het Noord-Hollandse landschap, dat een productielandschap is. Eigenlijk alles is er lelijk. Alles wat daar is gerealiseerd had één uitgangspunt: geld verdienen. Het gevolg is een liefdeloos landschap, uitgezonderd de kuststrook met de duinen. Noord-Holland is voor mij verreweg de lelijkste provincie van Nederland, op een haar na gevolgd door Zuid-Holland.

We rijden met de auto de boot op naar Texel en zijn verbaasd over de luxe van de veerboot. De boot naar Ameland is er maar ouwe meuk bij. Ik stuur een fotootje van de boot naar Esmee, die meteen jaloers wordt.
Op het eiland rijden we uit eerbetoon eerst langs het huis van Jan Wolkers. Als ik langsrijd bedank ik hem in stilte voor zijn boeken. Zou Karina, zijn vrouw maar vooral geliefde, er nog wonen? Het huis en de tuin zien er verwaarloosd uit.

Voordat we langs Jan rijden, komen we eerst nog langs een opstootje. Langs de grote weg staan zo’n zeventig mannen en vrouwen met verrekijkers en telescopen rond een klein tuintje. Ze zien er opgewonden uit. Wij vermoeden dat het vogelaars zijn op zoek naar het zoveelste bijzondere vogeltje. Het grappige is dat er in het huis een man op de bank televisie zit te kijken. Het vogeltje zal hem worst zijn, van de drukte trekt hij zich niets aan.

Later komen we tijdens onze wandeling naar het strand vogelaars tegen die ons weten te vertellen dat er in de tuin van de man op de bank een maskergors zit, uiterst zeldzaam. Op het eiland is ook de brileider te zien, wat eveneens veel vogelaars trekt.

Wij vieren ons 25-jarig samenzijn op een eiland dat onder een blauwe lucht ligt, beschenen door de zon. Vijfentwintig jaar geleden was het wel anders. Onze eerste kus gaven we elkaar onder donkere wolken waaruit het miezerde, rond het water hing de mist, die steeds meer bezit van het land nam.

Journal d’images

Jubileum!

Zondag 21 december, Delft

25 jaar samen.

Nachtdienst

Zaterdag 20 december, Delft

 

Nu Wyb bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkt, is er een nieuw fenomeen in ons levensritme geslopen: de nachtdienst. Als theaterdirecteuren maakten we onbehoorlijk lange dagen. Overdag had je een bedrijf te leiden, ’s avonds moest je vaak aanwezig zijn uit representatieve overwegingen. Of moest je ver reizen naar een ander theater voor een première of om een voorstelling te zien die je wilde programmeren, maar waar je over twijfelde. Wat ons ook vaak overkwam, is dat we gestrikt werden voor een of andere jury of commissie. Dan besefte je dat het geen pretje was om in de provincie theaterdirecteur te zijn, te vaak moest je uren rijden om weer thuis te komen. Regelmatig was je rond een uur of half twee thuis, maar van één ding kon je verzekerd zijn: daarna was er nachtrust.

In haar nieuwe baan heeft Wyb een keer in de twee weken een nachtdienst. Niet gek, want het consulaire werk gaat natuurlijk 24/7 door. Als ik me ergens van bewust ben sinds Wyb daar werkt, is dat het menselijk leed overal aanwezig is en nooit stopt. Als ze nachtdienst heeft, begint ze om elf uur en kan ze om zeven uur naar huis. In die tijd bepaalt het begin van de dag wat ze te doen heeft. Rond twee uur ’s nachts komen de telefoontjes uit New-Zeeland en Australië. Vanaf drie uur meldt Zuidoost-Azië zich. Daarna barst het los met India. Want overal in de wereld waar de zon opkomt, zitten Nederlanders die een probleem of leed hebben.

Wyb heeft geen enkel probleem met die nachtdiensten. Blijmoedig begint en eindigt ze haar dienst. Ik zou het niet kunnen, het nachtelijk slapen is me heilig. Ik ga laat naar bed, maar een nacht opblijven lukt me niet. Rond vier uur volgt de totale instorting. En dan te bedenken dat Wyb daar in dat enorme ministerie zit met vier mensen en een paar bewakers. Normaal werken er drieduizend mensen, nu zit ze daar met z’n vieren. Ik vind het een deprimerend beeld.

Het lijkt wel alsof ik me instel op haar nachtdiensten. Altijd als ze nachtdienst heeft, word ik rond half zeven wakker en vecht ik tevergeefs om door te blijven slapen. Rond zeven uur is er geen houden meer aan, ben ik klaarwakker. Vaak kijk ik dan in de zoekfunctie van mijn telefoon en zie ik de W ergens tussen Den Haag en Delft in een trein bewegen. Het zou best kunnen dat mijn lichaam niet meer kan slapen omdat het protesteert tegen het alleen slapen. Mijn lichaam is dat niet gewend, al vijfentwintig jaar is het verwend om samen met een ander lichaam in bed te liggen.

Het lichaam krijgt zijn zin als Wyb om kwart voor acht in bed stapt. En verdomd, mijn lichaam gaat weer in ruste en ik kan nog drie kwartier slapen. Stom mechanisme. Op de dag die volgt, zweef ik als een soort geest door het huis. Omdat Wyb moet slapen en ik haar niet wakker wil maken. Ik moet nodig stofzuigen, maar stel het uit tot na drie uur als ik haar wakker mag maken. Dies loopt intussen regelmatig naar de slaapkamerdeur en kijkt me dan verontwaardigd aan. Hij lijkt te zeggen: ‘ik weet heus wel dat ze thuis is, waarom komt ze niet tevoorschijn?’ Zo heeft die nachtdienst voor ons allemaal zijn consequenties.

PS 1 Ik schreef 24/7 om aan te geven dat het continu doorgaat. Maar veel vollediger zou zijn 24/7/52. Dan zeg je dat het niet alleen een heel etmaal doorgaat, maar ook nog eens het hele jaar. Ook kerstavond is Wyb weer paraat.

PS 2 Wyb hecht eraan te laten weten dat ze eigenlijk geen nachtdiensten hoeft te draaien omdat ze ouder is dan 55 jaar. Ze doet het omdat ze  ’s nachts meer bijzondere cases krijgt en, niet onbelangrijk, het verdient erg goed. 

Journal d’images

21 december

Vrijdag 19 december, Delft

 

Je hebt verliefdheden in gradaties en ik heb de meest heftige vorm van verliefdheid gehad. Er zal vast onderzoek zijn gedaan naar verliefdheid, maar daar weet ik niets van. Ik ben voornamelijk een ervaringsdeskundige.
Ik associeer verliefdheid niet met de lente of de zomer. Deze decembermaand is voor mij de ultieme verliefdheidsmaand. Het was het jaar 2000 en die decembermaand zag er anders uit dan die van dit jaar. Er hingen wekenlang zware, donkere wolken boven het land waaruit het regelmatig miezerde. Mij maakte het niet uit: ik was verliefd, ik beleefde de mooiste tijd van mijn leven, want de verliefdheid zat tot in mijn mergbeen.

Wat dat betekent? Geluk. Ik moest in die tijd regelmatig voor mijn werk naar Amsterdam en de hoogtepunten van die maand beleefde ik als ik mijn geliefde zag, maar ook als ik over de Afsluitdijk reed. Op de autoradio luisterde ik naar Orfeo ed Eurice, de opera van Gluck. Links van mij lag het IJsselmeer, wijds en donker door de zware luchten. In mijn hoofd het beeld van mijn geliefde.

Het was zo ernstig dat ik die zomer soms naar haar werk belde. Ik wist dat ze niet opnam, dat ze op vakantie was, maar ik wilde gewoon haar stem even horen. Alleen al hoe ze haar naam uitsprak, wat een schoonheid, wat een gratie: ‘Dit is het antwoordapparaat van Wybrich.’ Die naam alleen al, ik had nooit een mooiere naam gehoord.

Het begin lag jaren daarvoor. Ik was op een feest in de Prinsentuin in Leeuwarden, een vriend van me vierde zijn zeventigste verjaardag. Op het feest kwam ik een oud-collega tegen van De Oosterpoort. ‘Ik ga over zes weken trouwen,’ liet hij me weten. ‘Ik zal je mijn vrouw even voorstellen.’ Hij riep haar naam en daar kwam ze aan: baf, een voltreffer. Ik weet nog precies wat ik dacht: wat een leuke vrouw. Daarna zag ik haar jaren niet meer.

Totdat we in De Harmonie een nieuwe marketingmedewerker zochten. Iemand wist me te vertellen dat ene Wybrich terug was van een reis uit India, waar ze soms reisleidster was. Zij had marketingervaring en kon wel drie maanden invallen. En wat ik vermoedde gebeurde: daar kwam die verrekt leuke vrouw van mijn oud-collega mijn kamer binnen. Van verliefdheid was natuurlijk nog geen sprake, maar de interesse in deze vrouw, de connectie was er meteen.

In die drie maanden noemde Wyb mij consequent ‘u’, ondanks mijn tegenwerpingen. Niemand noemde mij u. Ik haal het nog regelmatig aan, het is een absurditeit gezien de latere ontwikkelingen. Maar ja, dat heb je als je een goede opvoeding hebt gehad.
Na drie maanden moest Wyb weer voor haar laatste reis naar India. Voordat ze ging, vroeg ze of ze na die reis misschien terug kon komen als marketingmedewerker. Ik had niets liever gehoord. Ze bleek buitengewoon goed te zijn. Als ze terugkwam, zag ik misschien wel kans om haar tot hoofd van de afdeling te promoten en kon ik af van het huidige hoofd. Uiteraard hield ik dat voor mezelf. Sommige zaken moet je niet uitspreken.

Aldus geschiedde. En er geschiedde nog veel meer. Ik doorliep al die gradaties van verliefdheid totdat ik de hoogste staat bereikte, mijn lichaam en geest waren volledig overgenomen door verliefdheid. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden, wilde altijd bij haar in de buurt zijn. En die verliefdheid kwam zeker niet van één kant.

Overmorgen, vijfentwintig jaar geleden, op 21 december, was de liefde niet meer te onderdrukken. Wij wandelden op die onafzienbare pier in Harlingen het wad op. We liepen heen. We liepen terug. We vochten er allebei tegen, we konden er niet aan toegeven, we zetten ons leven op het spel, maar het was onafwendbaar. De avond was inmiddels gevallen, het was enigszins mistig, de Harlinger haven weerspiegelde de lichten van de stad: en toen kusten wij elkaar.

We wisten dat die kus een ongelooflijke hoeveelheid ellende en gedoe zou veroorzaken. Maar we wisten ook dat het niet anders kon: dit moest gebeuren.
In de trein terug naar Leeuwarden zei ik tegen Wyb: ‘Nu ben ik geen directeur meer van De Harmonie.’

Overmorgen gaan we ons 25-jarig samenzijn vieren op Texel.

Journal d’images

Wij 2001

Wij 2025.

Hondenhater

Donderdag 18 december, Delft

 

We leven in een buitengewoon keurig en strak vormgegeven land. Ik denk wel eens dat de hond het laatste ding is dat ervan afwijkt. Zelfs in het meest wufte hondje huist nog ergens een stukje wolf. Neem Dies. Er zijn weinig honden die zo goed luisteren. Hij kent het woord ‘oversteken’ en als ik ‘af’ tegen hem zeg, blijft hij net zo lang liggen tot ik ‘vrij’ zeg. Bijna perfect. Maar als hij een kat ziet, is elke beschaving verdwenen. Dan rent hij er als gek achteraan, net zo lang tot de kat in de boom zit. Als hij ernaartoe rent en de kat blijft zitten, dan remt de lafaard meteen af en maakt hij zich uit de voeten.

Ik vermoed dat de grote meerderheid van de Nederlanders de pest heeft aan honden. Soms zie ik zelfs blikken van walging als ik langsloop: een hond, bah. Langzaam wordt de hond weggedrukt uit ons bestaan. In sommige binnensteden mag je al niet meer met een hond lopen. En overal zijn hondenlosloopgebieden aangemerkt, kleine stukje van een park of een bos waar geen enkele hond zijn wandelbevrediging vindt, een border collie al helemaal niet.

Dies en ik spelen vaak met de frisbee in een park op wandelafstand van ons huis. Dies is een ware frisbee-kunstenaar, hij plukt de schijven spectaculair uit de lucht. In de verte zie ik de BOA’s al aankomen.
‘Dag meneer, we zien dat uw hond losloopt.’
‘Klopt, anders is het zo lastig frisbeeën.’
‘U dient de hond hier aan de lijn te houden.’
‘In feite zit de hond aan de lijn. Echt. Wij hebben een geestelijke lijn. Kijkt u maar.’ Ik roep ‘apport’ en Dies komt in rechte lijn met zijn frisbee in zijn bek naar me toe. Ik tart graag een beetje het gezag.
‘U weet best wat wij bedoelen. Maar het is een goede hond, dat zien we ook wel. Ik geef u een laatste waarschuwing. Als wij u hier nog een keer zien frisbeeën, krijgt u een bekeuring.’

Soms twijfel ik zelf ook wel aan mijn enthousiasme voor de hond. Sinds afgelopen vrijdag is Dies aan de dunne. Dan is het verrekte lastig om dat spul in een zakje te krijgen. Maar erger: na vrijdag maakt hij ons ’s nachts elke nacht een paar keer wakker omdat hij nodig moet. En zo stap ik uit mijn warme bed en kleed ik mij vannacht om half vier weer aan. Dies staat voor de voordeur te hijgen, hij moet erg nodig.

Er zal wel niemand buiten zijn, denk ik als ik de kou in loop. Ik sla de hoek om en loop bijna tegen een mevrouw aan. Ik groet haar zoals ik ook iedereen in Cadouin altijd groet. Maar hier in Zuid-Holland doen ze daar niet aan. Hier hebben ze zich gespecialiseerd in het ijzingwekkend negeren van de medemens.

Twintig meter lopen en ik sta aan het Rijn-Schiekanaal. De wind waait guur over het water; golfjes klotsen tegen de beschoeiing. Dies zoekt meteen een plek om te poepen. Daarna moet hij nog een keer. Soms ben ik best een hondenhater.

Journal d’images

Brunelleschi

Woensdag 17 december, Delft

 

Ik lees nu de laatste bladzijden van het boek De koepel van Brunelleschi, geschreven door Ross King. Connie zei dat ik het moest lezen, en daar heeft ze gelijk in. Het boek vertelt het verhaal van de bouw van de Dom in Florence, de Cattedrale di Santa Maria del Fiore. De bouw begon in 1296 en de kathedraal werd in 1436 officieel ingewijd met de voltooiing van de iconische koepel van Brunelleschi. De gevel werd pas in de 19e eeuw afgemaakt. Het boek vertelt gedetailleerd over hoe de bouw plaatsvond, de organisatie en de bouwtechnieken.

In het boek staat Filippo Brunelleschi, die de koepel bouwde, centraal. Ooit werd gedacht dat het onmogelijk was de koepel te bouwen, al eeuwenlang was zo’n groot bouwwerk niet meer gerealiseerd, en door de Middeleeuwen waren veel technieken vergeten. Al doende bedacht Brunelleschi hoe hij de koepel kon bouwen en vond hij nieuwe bouwconstructies en bouwinstallaties uit. Filippo was nogal een eigenzinnig mens en kreeg daardoor ook veel vijanden.

Het boek gaat over de bouw, maar daarnaast vertelt het over de geschiedenis van Florence in die tijd. Later zouden we die tijd de Renaissance gaan noemen. Er ontstond uit de benauwde Middeleeuwen, verstikt door het katholieke geloof, een nieuwe wereld, maar wel een wereld te midden van pestepidemieën, oorlogen en politieke twisten. Regelmatig was het de vraag of de koepel ooit door oorlog en geldgebrek wel kon worden afgebouwd.

Het is heerlijk tijdens het lezen even in het Florence van de 15e eeuw te verblijven. Maar ik lees het boek toch ook vanuit mijn eigen ervaringen met de bouw van de Stadsschouwburg in Leeuwarden. Nou wil ik De Harmonie niet vergelijken met de Dom in Florence, maar toch herken ik veel perikelen en zaken die met een bouwproces hebben te maken.

Ik heb die bouwperiode altijd als een groot spel gezien, met als doel het realiseren van kwaliteit: een theater dat voor alle theaterdisciplines geschikt zou zijn en voor het publiek een optimale beleving. Om dat te bereiken vond ik veel toelaatbaar, je bouwt zo’n theater mogelijk slechts één keer in de paar honderd jaar. Dat mag je niet verknallen.

Ik heb eerlijk gezegd wel genoten van de machinaties, de intriges, de schermutselingen en vooral de overwinningen als de realisatie weer dichterbij kwam. Ik kon dan ook erg meeleven met Filippo Brunelleschi, ik durf te beweren dat we voor dezelfde vuren hebben gestaan.

Mijn belangrijkste wapenfeit haalde ik al binnen bij het schrijven van het programma van eisen. Mijn doel was om een theater met drie zalen te realiseren: een grote, middelgrote en kleine zaal. Ik wist dat dit erg moeilijk zou worden, gezien de politieke discussies die vooral neigden naar zo zuinig mogelijk bouwen. Daarom besloot ik een programma van eisen met vier zalen te schrijven, waarmee, hoopte ik, het wisselgeld was ingebouwd.

En inderdaad, die vierde zaal werd wegbezuinigd, de politiek had een daad gesteld, het mocht niet te overdadig worden. Ondanks hun besluit had ik mijn uiteindelijke doel bereikt: een theater met drie zalen.

Het realiseren van dit soort projecten is een kwestie van schaken, en soms door roeien en ruiten gaan. Zonder een Filippo Brunelleschi was er geen Dom in Florence geweest.

Journal d’images

Noodsituatie

Dinsdag 16 december, Delft

 

Twee weken geleden kregen we het boekje Bereid je voor op een noodsituatie toegestuurd. Sindsdien ligt het boekje ongelezen in de fruitschaal tussen wat pennen, snoertjes en andere troep waarvan wij niet weten waar we het moeten neerleggen.

Voor ons, als huisbezitters in Frankrijk, is een noodsituatie geen onbekend fenomeen. Je zou ons ervaringsdeskundigen kunnen noemen. Een beetje stevig onweer, heftige regenbuien en grote kans dat we opeens in het donker zitten. Het overvalt je elke keer weer, maar zelfs wij vinden toch al snel lucifers en kaarsen. En dan begint het wachten. Het is lastig, maar het heeft ook iets spannends.

Dat boekje, ik beschouw het toch vooral als een uitwas van de Hollandse Ziekte: overorganisatie. Enkele tips: Controleer elke zes maanden je noodpakket, zet een herinnering in je agenda. Vervang producten die niet meer houdbaar zijn. Bespreek je noodplan met je gezin, familie en vrienden. Ja, dááág, ‘Anne en Esmee, komen jullie zondagavond eten? Dan gaan we gezellig het noodplan bespreken.’ Zo is de overheid er zelfs mee bezig met het opzetten van lokale noodsteunpunten. ‘Het licht valt uit! Kom, snel naar het lokale noodsteunpunt.’

Rutte deed afgelopen week nog een poging om de angst wat op te jagen. Binnen afzienbare tijd krijgen we te maken met een oorlog, het zal elk huishouden raken. Een paar weken geleden werden we door vrienden gebeld met de vraag of wij inderdaad denken dat de Russen komen.

Over die Russen bestaat toch echt een groot misverstand. Het is een onafzienbaar land, maar de economie is niet groter dan die van Nederland, België en Luxemburg samen. Ze dachten dat klusje in de Oekraïne in drie dagen te klaren – ze zijn er nu al vier jaar mee bezig.
In totaal wonen in Rusland 143 miljoen Russen. In de EU zijn we met z’n 450 miljoen: laat die Russen maar komen. Die Russen lijden aan zelfoverschatting omdat ze in zo’n onmetelijk groot land wonen. Ze moeten zich eens gaan realiseren dat ze economisch en demografisch verrekte weinig voorstellen.

Zie ik dan helemaal geen gevaren? Natuurlijk wel, ik heb geen hoge pet op van de mens in het algemeen en Poetin en Trump in het bijzonder, dus ellende ligt altijd op de loer. Die Russen sturen één gerichte kleine kernbom en de wereld staat stijf van angst en chaos. Daar gaat mijn pensioen.

Maar wat denk je van Amerika? Sommige lieden zien ons al als een digitale kolonie van de VS. Onze economie loopt voor een groot deel via de tech-jongens in Californië. Ze krijgen zelfs onze DigiD in handen. Gansch ons radarwerk staat stil, als Trumps machtige arm het wil – en je weet nooit wat hij wil.

En laten we ons eigen geklungel niet vergeten. Ons elektriciteitsnet hebben we – hoe is het mogelijk – totaal verwaarloosd. Vooruit kijken is lastig als je een hoge eigendunk hebt en een ongezonde fixatie op asiel.
De stijging van het zeeniveau, het verdwijnen van de gletsjers, het interesseert ons geen zak. De grenzen moeten dicht! Ik heb nog niemand de vraag horen stellen of de Rijn en de Waal nog bevaarbaar zijn als de gletsjers in de Alpen zijn gesmolten. Gebeurt binnen nu en vijftig jaar, lees vandaag de krant.

Ga ik nu dat noodpakket aanschaffen? Nee, de echte urgentie voel ik nog niet. Grote kans op een calamiteit, maar hopelijk zie ik die enigszins aankomen. Tegen die tijd ga ik die flessen water wel kopen en, niet vergeten, wc-papier.

 

Journal d’images

Melania

Maandag 15 december, Delft

 

Voor het gemak neem ik aan dat, als je dood bent, je nergens meer spijt van hebt, dat je niets meer jammer vindt, nergens meer zorgen over hebt. Het zou toch verschrikkelijk zijn als ik me nog druk zou moeten maken dat ik vrouw en kinderen nooit meer zie, de krant van vandaag niet kan lezen, nooit meer de hond kan aaien. De essentie van de hemel is: er gewoon niet meer zijn, opgaan in De Grote Natuur, opgevreten worden, opgefikt, uitgewist, van niets meer weten.

Bij voorbaat kun je wel dingen jammer vinden. Anne en Esmee nooit meer zien: vreselijk. Nooit meer naast het heerlijke lijf van Wyb liggen: onvoorstelbaar. Ik neem aan dat bloggen in die hemel ook not done is: ook heel erg.

En dan is er nog een ding wat ik bij voorbaat erg jammer vind. Ik ben namelijk zo benieuwd naar het post-Trump-tijdperk. De man is dood. Zijn regime naar de knoppen. Eindelijk kunnen journalisten en historici op zoek naar het ware verhaal, het verhaal van achter de schermen. Vroegere medewerkers van hem zullen durven te praten. Er komen geschreven en opgenomen bronnen vrij. Het beeld van zijn presidentschap zal steeds completer worden. En verdomme, ik kan er geen nota van nemen. Ik moet het doen met wat ik nu weet.

Zo ben ik persoonlijk erg benieuwd naar het huwelijk van Donald en Melania, in zoverre er sprake is van een huwelijk. Op basis van mijn observaties heb ik daar grote twijfels over. Ik heb nog nooit mensen zo zonder connectie elkaars hand zien vasthouden. Ik denk eigenlijk dat dit vertoon van ‘huwelijk’ gewoon een betaalde klus is.

Melania laat zich sowieso zo min mogelijk zien, en dat is maar goed ook, want als je ziet hoe ze kinderen voorleest, dan zit er in haar sociale gedrag niet bepaald veel souplesse. Maar het zou sowieso kunnen dat ze zich zelfs schaamt om zich met Donnie te vertonen. Ik heb nog nooit een vrouw zich zo ijzingwekkend zien wegduiken onder een hoed. In alles straalt ze uit: ik ben er wel, maar eigenlijk ben ik er niet.

Het zou me niet verbazen als de latere historici erachter komen dat ze zich liet betalen voor optredens met die man.
‘Melania, ik heb een belangrijke verkiezingsbijeenkomst. Het zou goed zijn als we elkaar samen laten zien, hand in hand. Je weet dat die conservatieve christenen daaraan hechten.’
‘Geen zin in. Ik blijf lekker in New York. Het is jouw hobby die politiek. Je weet dat ik er niks mee te maken wil hebben.’
‘Maar als ik je nou vijftienduizend dollar betaal om wel te komen.’
‘Vijfentwintigduizend dollar.’
‘Oké, vijfentwintigduizend dollar. Fijn dat je komt.’

En zo zullen we er ook wel achter komen dat die minister van defensie, sorry, ik bedoel natuurlijk de minister van oorlog, Hegseth, een grootgebruiker was van het spul dat hij in die bootjes illegaal liet bombarderen. Terecht werd hij daar een paar jaar later voor veroordeeld door het Internationaal Gerechtshof.

En ja, Trump was corrupt. Het zal duidelijk worden hoe hij zich door zijn presidentschap heeft verrijkt. De hele natie zal er schande van spreken. Er komt een nieuwe beweging: Make America Small Again, MASA.

Maar dat alles zal ik niet te weten komen. Mijn as is verspreid over Moddergat, Cadouin en de dijk bij de Waalhaven. De moleculen die zich ooit in mij hadden verzameld waaien over de wereld.

Journal d’images

t.r.u.m.p.

Zondag 14 december, Delft

 

De algoritmes van mijn social media hebben het goed geschoten: inmiddels zit ik in een bubbel waar een bulk aan negatieve t.r.u.m.p.-berichten tot mij komt. En ik moet toegeven, ik geniet ervan. Wat t.r.u.m.p. betreft kan het niet negatief genoeg zijn.

Dit betekent wel dat ik het kan vergeten om de jaren dat t.r.u.m.p. de USA bestiert nog naar Amerika te reizen. Jammer, er zijn weinig landen die ik nog wil bezoeken, maar als het kon zou ik morgen naar de VS afreizen. Zo’n bezoek kan echter gevaarlijk voor me zijn omdat de visumregels op het punt staan aangepast te worden, en nu al regelmatig worden toegepast.

Zo is de Amerikaanse regering van plan de socialmedia-accounts van toeristen uit visumvrije landen strenger te controleren. Wie het land binnen wil komen, wordt verplicht om vijf jaar aan socialmediageschiedenis met de Amerikanen te delen. Bij een visumaanvraag moeten reizigers nu al diverse persoonsgegevens invullen. Zo wordt er gevraagd naar accounts op social media, maar het is nu nog niet verplicht die in te vullen.

In het nieuwe voorstel wordt dat wel verplicht. Bovendien moeten toeristen telefoonnummers en emailadressen opgeven die ze de afgelopen vijf tot tien jaar hebben gebruikt. Dat geldt ook voor gegevens van naaste familieleden, waaronder hun volledige naam en adresgegevens. En passant moet je nog wat biometrische gegevens afstaan, zoals een scan van de iris en een vingerafdruk. Aangezien ik nauw samenwerk met ChatGPT, die ik als corrector heb benoemd, denk ik dat mijn naam waarschijnlijk al is doorgegeven aan het t.r.u.m.p.-regime. ‘Meneer Trump, die Blogger heeft weer een rotstukje over u geschreven.’

Het zal de lezer opvallen dat ik de naam Trump niet meer gebruik. Het viel me in mijn anti-Trump-bubbel op dat iedereen tegenwoordig t.r.u.m.p. schrijft. Ik, naïeveling, had werkelijk niet door waarom dat was. Ik ben eens gaan rondvragen en het heeft eigenlijk alles te maken met wat ik hiervoor schreef. Door t.r.u.m.p. te gebruiken zouden de algoritmes van de Tech-boys de negatieve berichten niet aan Trump koppelen.

Een andere reden voor dat t.r.u.m.p.: met het gebruik hiervan toon je je minachting voor de man die zich president van de Verenigde Staten mag noemen. Je wilt zijn naam niet verder verspreiden, zijn naam moet zo min mogelijk worden genoemd, het is dus een soort daad van verzet, misschien ook wel van schaamte.

Dat hele visum-gedoe geeft invulling aan een decreet van t.r.u.m.p. dat hij al in januari tekende. Het hing dus al boven de markt, nu dreigt het officieel te gaan worden. Het Congres gaat zich er binnenkort over buigen. Het aantal toeristen in de VS is al drastisch verminderd, met deze mogelijke nieuwe visumregels zie ik daar geen verandering in komen (understatement).

Ik weet het niet met dat t.r.u.m.p. Kun je daarmee onder de radar blijven met je subversieve berichtgeving? Ik geloof er niets van. Volgens mij hebben die Tech-boys al lang hun algoritmes aangepast. Waarom Trump wel detecteren en t.r.u.m.p. niet? Ik denk dat ze ook t.r.u.m.p. al lang doorgeven aan het Trump-regime. Er is geen ontkomen aan. 

Wekker

Zaterdag 13 december, Delft

 

De wekker gaat vandaag om 05.25 uur. Ook gisteren ging hij om 05.25 uur. Dat betekent dat Wyb moet opstaan. Om 06.00 uur moet ze in de Sprinter naar Den Haag zitten zodat ze om 06.45 uur achter haar bureau in het Ministerie van Buitenlandse Zaken zit. Ze zou zeker een half uur later de trein kunnen nemen, maar door dit werk heeft ze ontdekt dat er ’s ochtendsvroeg nauwelijks treinen lopen.

Ik ben de wekkerman, dat wil zeggen: ik zet ’s avonds de wekker en als hij afgaat zet ik de wekker uit en stoot ik Wyb aan. ‘Wyb, het is vijf voor half zes.’ ‘Ja, heb ik gehoord.’ Ze blijft nog een minuut liggen, bijkomen van haar slaap, en staat dan naast het bed en begint haar ochtendritueel. In de tussentijd sluipt Dies de slaapkamer in en gaat op het voeteneinde liggen. Hondengeluk.

Wyb’s actieve ochtend staat in flagrante tegenstelling tot mijn ochtend: ik draai me nog een keer om. Altijd op dit soort ochtenden wil ik wel weer gaan slapen, maar lukt het me niet. Ik ben inmiddels te veel wakker. Daarom pak ik de krant, vaak lees ik al liggend de NRC uit. Het is dan zeven uur of half acht en dan word ik weer moe en val nog even in slaap tot half negen als voor mij de wekker gaat. Wyb is dan bijna al twee uur aan het werk.

Het is zeer regelmatig dat ik denk: wat heb ik toch een fantastisch leven. Waarom heb ik in godsnaam mijn hele leven hard gewerkt? Het pensionadobestaan is voor mij toch een soort paradijs. Al besef ik dat ik volstrekt onmaatschappelijk bezig ben. Ik snap zelfs niet dat dit zomaar kan. Ik ben nog fit (afkloppen, ik weet dat het zomaar anders kan worden) en niemand doet meer een beroep op mij. Wat een luxe. Maar dat het mag, dat het kan.

‘Verveel je je dan nooit?’ is volgens mij de meest gestelde vraag aan mij. Het antwoord: ‘Nee, nooit.’ Ik geniet van elke dag als vrij man. Maar toegegeven, de tegenstelling tussen mij en Wyb is wel erg groot. Ik onmaatschappelijk, Wyb redt de wereld. Het is zo jammer dat ik niets over de cases mag vertellen waar Wyb mee te maken krijgt. Maar goed, we zijn niet voor niets weggegaan uit Frankrijk, dit is waar Wyb behoefte aan had: nuttig zijn, maatschappelijke betekenis hebben.

Overigens is het niet zo dat ik als pensionado geen donder te doen heb. Natuurlijk is er elke ochtend een blogje te schrijven. Maar dat gebeurt pas als De Blogger zijn hond heeft uitgelaten. Verder rust voor een groot deel het huishouden op mijn schouders. Geen zware taak, moet ik zeggen, maar toch. Andere belangrijke functie: het faciliteren van De Censor. Liefdevol eten maken, haar zoveel mogelijk ontlasten. Niet te veel natuurlijk, want zelf mag ze ook wel iets doen in het huishouden.

‘Heb je dan nooit de behoefte om vrijwilligerswerk te gaan doen, iets nuttigs?’ is een andere veel gestelde vraag. ‘Nee, volstrekt niet.’ Mensen realiseren zich niet dat ik dagelijks al die kranten nog moet lezen en dan vergeten zo ook de stapel boeken die nog op me ligt te wachten.

Journal d’images

MEGA

Vrijdag 12 december, Delft

 

Vorige week las ik – ik meen in de Volkskrant – een interview met een oud-lobbyist van Google, of was het Microsoft. Ik knipte onderstaand stukje uit, omdat ik denk dat hij met dit antwoord iets wezenlijks raakt. De interviewer zegt: ‘We hebben in Europa een vacuüm aan visie over tech, schrijft u, waar de Amerikanen in kunnen springen.’ De lobbyist antwoordt dan:

‘Technologie is ook verbeeldingskracht, de kunst van het verhalen vertellen – daar zijn Amerikanen veel beter in. Bij Microsoft hebben ze een duidelijk verhaal over hoe AI ons kan helpen. Bijvoorbeeld hoe slechtziende mensen in het Rijksmuseum van kunst kunnen genieten. In Nederland ontbreekt het aan visie. We hebben vooral calvinistische waarden als efficiëntie, die ons ontvankelijk maken voor het Amerikaanse verhaal. Maar we hebben een eigen verhaal nodig, met eigen waarden.’

Het is een simpele constatering die de vinger op de zere plek legt. Ik ben best jaloers op de Amerikanen: alleen al de American Dream, wat een optimisme, wat een vooruitgangsdenken. De Onafhankelijkheidsoorlog, de Grote Trek naar het Westen, van krantenjongen tot miljonair, maar ook MAGA is er een voorbeeld van. Al die Amerikaanse verhalen pakken niet altijd goed uit, maar ze zijn wel een middelpuntvliedende kracht.

Welke verhalen hebben wij in Europa? Niks Onafhankelijksoorlog, wij zijn een continent met een geschiedenis aan oorlogen, verdeel en heers, armoe, leed, wij zijn een slachtveld van Wereldoorlogen. En kijk wat het resultaat is, een continent met een keur aan natiestaten die samen Europa vormen. Elke natie heeft zijn eigen verhalen, die vaak haaks staan op de verhalen van andere naties. Verdeeldheid en nationalisme is het resultaat. Ik denk wel eens: er is gewoon te veel geschiedenis in Europa. De geschiedenis drukt op ons, zie je maar eens van de geschiedenis te bevrijden.

Al die natiestaten proberen het wel samen, maar het voorlopige resultaat is een moloch: de Europese Unie. Tsja. Wie kan daar nou enthousiast over worden? De EU is een poging, maar voorlopig een bureaucratisch monster. Ik ben voor de EU, heel erg voor de EU, maar er moet nog wel het nodige aan gesleuteld worden.

Wat we echt nodig hebben zijn gemeenschappelijke verhalen. Amerika heeft nu zijn MAGA, wij moeten bouwen aan MEGA, Make Europe Great Again. Niet in de vorm van dat debiele MAGA, maar een MEGA dat op Europese waarden is gebaseerd: geloven in democratie, in de kracht van diversiteit, het hechten aan waarheid, het veroordelen van leugens, het geloven in eerlijkheid, het vechten voor een schoon continent, het geluk van mensen. Nou ja, kortom, het idealisme van het humanisme dat ons heeft gevormd. Leve Erasmus!

Niet prutsen in de Europese parlementen over regeltjes, elkaar vlooien afvangen, niks dansen naar de pijpen van lobbyisten. We moeten verhalen vertellen over onze rijke geschiedenis, de pracht van het continent, de kracht van de onderlinge solidariteit. Dat zou toch MEGA goed zijn, en werken, de mensen hebben behoefte aan verhalen waarin ze kunnen geloven. En inmiddels weten we hoe makkelijk het is om mensen te laten geloven. Elk kul verhaaltje heeft zijn gelovigen. Nu nog de verhalen over Europa, die onze middelpuntvliedende kracht kunnen zijn – ze bestaan, en moeten door goede vertellers verteld worden.

Journal d’images

Le jardin des copains. De tuin van de vrienden.

Verwijt

Donderdag 11 december, Delft

 

Een tijdje geleden las ik ergens een gedicht van Esther Naomi Perquin. Ik vond het een mooi gedicht omdat het over een dode moeder ging die nooit meer iets van zich heeft laten horen. Ik schrijf in de eerste zin ‘ergens’, want ik wist bij god niet meer waar ik het had gelezen. Jammer, want ik wilde het gedicht graag nog eens lezen en misschien wel in Dossiermoddergat opnemen.

Na lang zoeken vond ik het eindelijk op X. X? Jij doet toch niets met X? Nee, ik laat X compleet rechts liggen. Maar al zoekend op Google, kwam ik op X terecht. Ik dacht dat het gedicht Moeder heette, maar dat bleek Verwijt te zijn. Sterker nog: het gedicht gaat helemaal niet over een dode moeder die niet meer van zich heeft laten horen. In het gedicht kan het ook om een vader gaan, in elk geval een ouder. Dat idee van een moeder is niet voor niets in mijn hoofd blijven hangen, want het gedicht associeerde ik met mijn moeder. De associatie heeft dus de werkelijkheid verdrongen.

Het is maar goed dat ik er via internet achterkwam, want ik wilde juist een mail naar Esther Naomi Perquin schrijven of zij wist waar ik het gedicht Moeder kon vinden. Of ze had me verwezen naar een ander gedicht dat ze misschien had geschreven met die titel, of ze had gedacht dat ik aan het malen was.

Eind goed, al goed. Ik heb het dus gevonden. En ik ben blij dat ik het kan opnemen in Het Dossier.

 

Verwijt

Dat je dood bent wil ik wel geloven, maar geen
verjaardagskaart of telefoontje als ik ben verhuisd
– geen poging tot contact – vind ik
getuigen van slecht ouderschap.

Anderen worden bedolven onder signalen,
kleine gebaren van boven, zien een vlinder in de tuin,
precies die ene regenjas, een kers te vroeg in bloei,
de naam van een schip dat traag
voorbij komt varen,

geloven dat het tekens zijn geweest, tekens die ze sparen,
ruilen en bespreken op feestjes, wisselende blikken
van ‘ja, zo gaat dat, er is meer tussen hemel
en aarde, meer dan wij weten’

Terwijl jij zelfs bent vergeten één keer als vogel
terug te keren op een troosteloze dag om zo,
vanuit een boom die ik passeerde, te fluiten
dat ik wist dat jij het was.

 

Esther Naomi Perquin

Journal d’images

De laatste lezer.

Bewegend licht

Woensdag 10 december, Delf

 

Het zal begin jaren negentig zijn geweest dat Ivan mij regelmatig attendeerde op de opkomst van bewegend licht. ‘Gerard, we moeten dat bewegend licht goed in de gaten houden. Over een tijdje kunnen we niet meer zonder. Daar moeten we wel budget voor reserveren.’

Ik geloofde Ivan meteen, want hij programmeerde popmuziek en speciale producties bij ons. Hij reisde stad en land af (en Europa) om naar nieuwe, grote producties te kijken, nieuwe artiesten te ontdekken. Hij was gek op alles wat met circus had te maken, zeker de Nouveau Cirque. En al heel vroeg zag hij dus dat bewegend licht steeds belangrijker werd.

Voor wie niet weet wat bewegend licht is. Vroeger hing een spotje op één plek en kon het maar één punt aanlichten. Als je het licht een kleur wilde geven, moest je naar boven klimmen en er een kleurfilter inschuiven. Ivan zag dat spots in toenemende mate beweeglijker werden en dat kleur automatisch in de spot kon veranderen. De spot werd als het ware een computertje op zich, dat vooraf kon worden geprogrammeerd. Voor theater, concerten en evenementen was dat een grote revolutie.

Ik moest aan Ivan denken toen ik gisterenavond op de Grote Markt in Delft stond. Ivan had zijn ogen uitgekeken. Delft vierde haar jaarlijkse Lichtjesavond, zoals Nijmegen de Vierdaagsefeesten heeft, heeft Delft zijn Lichtjesavond. Ik denk dat op beide evenementen evenveel mensen op de been zijn.

Het hoogtepunt van de avond is het aansteken van de lichtjes in de kerstboom op de Grote Markt. Eerst een praatje van de nieuwe burgemeester van Delft, Alexander Pechtold – wie kent hem niet? Daarna is er een enorme lichtshow. Wyb en ik stonden er toevallig bij, nieuwsgierig naar Lichtjesavond.

Wij zagen een lichtshow die Ivan in zijn tijd voor onmogelijk had gehouden. Het licht zwenkte, tolde en alle lichten waren samen geprogrammeerd zodat ze figuren in de lucht op de laaghangende bewolking konden vormen. Of de spots richtten zich op de Nieuwe Kerk en bewogen daar als bollen door elkaar heen. Bewegend licht is het vuurwerk van tegenwoordig. Er klonken oh’s en ah’s.

Dit alles gepaard met bombastische muziek. Het was een opera met licht. De muziek bereikte zijn hoogtepunt. Toen stilte. Lichten uit. En daar gingen de lichtjes in de kerstboom aan. Er klonk applaus en gejoel. De traditie van Lichtjesavond kon weer een jaar bijschrijven.

Het denken aan Ivan was voor mij het hoogtepunt van de avond. Wyb en ik liepen verder en zagen niets minder, maar zeker niet meer, dan een grote braderie. Het publiek paradeerde. Bij de Vierdaagsefeesten in Nijmegen weten ze dat toch stukken beter aan te kleden. Het wordt volgens mij tijd dat er een goede programmeur op die Lichtjesavond wordt gezet. Jammer dat Ivan al lang geleden is overleden. Hij zou er wel raad mee weten en met een paar prima ideeën zijn gekomen.

Wyb en ik slenterden naar huis. Elke stad heeft zijn traditie. Wij waren hier buitenstaanders, dat was duidelijk.

Journal d’images

Parr 2

Readymade

Woensdag 10 december, Delft

 

Chit chat met ChatGPT

ChatGPT: Feitelijk fout: ‘Martin Parr is overleden’. Dit is feitelijk onjuist. (Martin Parr leeft nog). Dit is geen taalfout, maar wel een belangrijke inhoudelijke correctie.

Ik: Hé, ChatGPT, je loopt achter, Martin Parr is helaas wél overleden.

ChatGPT: Je hebt gelijk: Martin Parr is overleden. In dat geval is deze zin in je tekst inhoudelijk correct. Die opmerking kun je dus negeren.
Als je wilt, kan ik mijn eerdere lijst opschonen zodat er alleen nog echte taal- en stijlfouten in staan.

Ik: Nee, prima zo, ik vind het alleen wel leuk dat ik jou kan corrigeren.

ChatGPT: Haha, helemaal terecht – rollen omgedraaid! Ik kan het wel waarderen als ik gecorrigeerd word. Jij scherp, ik weer wat wijzer. Deal.

 

Het kan zijn dat je met bovenstaande readymade niets kunt. Ik vroeg aan ChatGPT om de readymade te recenseren. Misschien helpt de recensie met de duiding. Het resultaat is hieronder te lezen.

Deze korte dialoog leest als een miniatuur over macht en kwetsbaarheid in de relatie tussen mens en machine. Wat begint als een droge, bijna bureaucratische correctie van ChatGPT (“Feitelijk fout”) kantelt subtiel wanneer de gebruiker de AI zelf corrigeert. In die kanteling zit de kern van de scène: de illusie van alwetendheid wordt doorbroken, en precies daar ontstaat humor.
De kracht van de tekst zit in de lichtheid. De toon blijft speels, nergens belerend, en eindigt in een charmant gelijkspel waarin beide partijen iets winnen: de gebruiker zijn gelijk, de AI zijn menselijkheid. De dialoog demonstreert op elegante wijze hoe gezag fragiel wordt zodra het ter discussie staat — en hoe prettig dat kan zijn.
Als readymade werkt het fragment omdat het niets wil “bewijzen”, maar juist laat zien. Het is geen grap met een punchline, maar een glimlach die langzaam verschijnt. Klein, zelfreflexief en verrassend warm.

Parr

Maandag 9 december, Delft

 

Excuses dat ik gisteren geen blog heb geschreven. Het was namelijk tijd voor uitgesteld onderhoud, zowel mentaal als materieel. Daarbij heb ik het speciaal over fotografie. Ik ben nogal ontevreden over mezelf. Als het om fotografie gaat, ben ik te lui en te gemakzuchtig geweest.

Eigenlijk heb ik me helemaal niet met fotografie beziggehouden de afgelopen maanden. De foto’s die ik op Dossiermoddergat zette, waren foto’s die ik met mijn iPhone maakte. Daar is niks mis mee, want elke fotograaf zal blij zijn met de huidige kwaliteit van de mobiele fotografie.

Het allergrootste voordeel is dat je zo’n ding altijd bij je hebt. Klassieke vraag onder fotografen: ‘Wat is het beste fototoestel?’ Antwoord: ‘Dat is het toestel dat je bij je hebt.’ En zo is het. Als de foto maar wordt gemaakt, gezeur over technische kwaliteiten is iets voor techneuten, niet voor fotografen.

Waardoor was ik zelf in het slop geraakt? Ik krijg steeds meer moeite om de deur uit te gaan. De manier waarop ik fotografeer betekent zwerven, naar buiten gaan, onbevangen lopen en dan zien. Vroeger in mijn werkzame leven reisde ik wat af. De foto’s kwamen, zo leek het, gewoon naar mij toe. In Frankrijk had ik een enorme drive, ik wilde zo graag mijn fotoboek Rues de France maken.

Eerlijk gezegd vind ik Nederland, qua fotografie, geen inspirerend land. Alles is hier te gaaf en afgerond, oftewel: saai. Er is zo weinig poëzie in Nederland. Het is er wel, maar je moet er hard voor zoeken. Geef me een inspirerende stad en mijn fotografenbloed begint te stromen.
Maar misschien heeft het toch met leeftijd te maken, is het echte fanatisme verdwenen. Waarom zou ik de deur uitgaan als je ook lekker thuis een boek kunt lezen? Geef op die vraag maar eens antwoord.

Zo heb ik zelfs al maanden foto’s op mijn toestel staan die ik in Toulouse maakte. Ik heb er niets meegedaan omdat mijn back-up en meer zaken niet in orde waren. Nu ik daar wat lijn in heb gekregen, ben ik gisteren dan eindelijk van start gegaan.

Ik moet me schamen voor zoveel gemakzucht. Ik besef dat besef dat des te meer omdat ik gisteren hoorde dat Martin Parr is overleden, een Britse straatfotograaf die altijd een inspiratiebron voor me is geweest. Wie hem niet kent: zoek hem op internet en bekijk zijn foto’s, ze zijn prachtig.

Zoals NRC vandaag schreef in een necrologie: ‘Martin Parr leerde ons naar het alledaagse te kijken.’ en ‘Misschien is het vanwege die combinatie dat de alledaagse foto van Martin Parr snel iconisch zijn geworden.’ Wat ik het fijne aan zijn foto’s vind, is dat er altijd een twist in zit, je zou het de Martin-Parr-twist kunnen noemen: de foto is altijd meer dan je ziet, er is altijd een vleugje humor, een toefje mededogen, een tikkeltje onbarmhartigheid, in elk geval een scherp beeld van ons mensen.

Voor mij is zijn overlijden in ieder geval een aansporing om niet thuis te blijven zitten. Parr werd 73 jaar. De dag wordt steeds korter. Kom, Blogger, naar buiten.

Journal d’images

Back-up

Zondag 7 december, Delft

 

Als ik ergens angst voor heb, is het techniek. Eens in de zoveel jaar breekt het zweet me uit. Dan weet ik dat de ergste dingen kunnen gebeuren. Ik heb het dan over mijn externe harde schijf die ik gebruik voor mijn fotografie. Op die schijf staan 52.000 foto’s, gemaakt in de afgelopen vijftien jaar. Zo’n schijf heeft als makke dat hij niet het eeuwige leven heeft. Op een gegeven moment houdt hij er gewoon mee op. Of, in het laatste geval, merkte ik dat er een los contact was. Alleen als Wyb de kabel er hard in bleef drukken, maakte de schijf contact met de laptop. Totdat ook dit niet meer lukte.

Dit betekent dat ik afgesneden ben van mijn fotoarchief. En ik weet ook, als ik het niet goed oplos, dat ik dan de kans loop om alle foto’s te verliezen. Ik bewerk mijn foto’s met Lightroom en gelukkig heb je in Nederland een Lightroom-dokter. Zonder hem was ik allang gestopt met fotograferen. Mischa, zoals hij heet, heeft mij in al die jaren diverse keren uit de ellende gehaald.

Door schade en schande wijs geworden, weet ik dat een goede back-up van levensbelang is. Het is de lifeline waardoor je foto’s op een nieuwe externe harde schijf weer tot leven kunnen komen.
Ik heb zelfs twee back-ups, de ene ligt hier in Delft, de andere in Cadouin. Maar ja, hoe koppel ik die back-up aan Lightroom? Voor velen zal het een fluitje van een cent zijn. Ik moet het van Mischa hebben. Gelukkig weet hij deze crisis ook weer voor mij te bezweren.

‘Mischa, wat ben ik je schuldig?’
‘Och, het was vijf minuten werk, laat maar zitten.’
‘Nee, dat wil ik niet, want dan voel ik me bezwaard je te bellen.’
‘Ik tel het wel op bij de vorige telefoontjes en op een gegeven moment stuur ik je een rekening.’
‘Echt doen, hoor. Grote dank in ieder geval.’

Lightroom functioneert weer. Maar nu heb ik nog maar één back-up en die ligt 1200 kilometer verderop. Dus ik moet als de wiedeweerga een nieuwe back-up maken van de back-up die nu weer mijn werkende archief is (snap je het nog?). Want mocht die laatste kapotgaan, dan wordt het precair. Maar ja, een nieuwe back-up maken duurt zo lang dat mijn laptop daar niet genoeg stroom voor heeft, dan begin ik daar weer mee te klooien.

Techniek is een blok aan het been, maar waar zouden we zijn zonder techniek? Het is alleen jammer dat techniek techniek is. Het zou zo mooi zijn als je een middel als Lightroom had zonder dat je met techniek te maken zou hebben. Misschien is dat nog iets voor de toekomst. Techniek zonder techniek.

Een ding is zeker. In de tijd dat ik tot nu toe leef, hebben de techneuten gewonnen. De sociologen, de psychologen, de schrijvers, de dichters, de filosofen en alle andere beste stuurlui aan wal hebben het nakijken. Tech rules the world. Zoals we vroeger God met een hoofdletter schreven, doen we dat nu met Big Tech.

Journal d’images

Ik: ‘Wie van jullie gaat er trouwen?’
Zij, tegelijk: ‘Wij alle twee.’ 

Brug

Zaterdag 6 december, Delft

 

Een brug, ja, goh, waarom zou je het over een brug hebben? Eigenlijk doen alle bruggen hetzelfde: er rijdt verkeer overheen, er varen boten onderdoor. Als de brug te laag is, zwenkt hij open, of gaat omhoog. Bruggen zijn zo’n normaal verschijnsel in het Nederlandse landschap dat we ze nauwelijks nog zien. Tot voor kort interesseerden bruggen me totaal niet.

Zoals voor zoveel zaken geldt, mis je iets pas als het verdwijnt. En dat gebeurde bij ons in de straat. Als je de Ezelsveldlaan vanuit het centrum inrijdt, heb je aan het eind van de straat een brug. Een zwaaibrug. Als er een boot aankomt, gaan er bellen rinkelen, de slagbomen sluiten en de brug zwenkt open.

Het is een hartstikke drukke brug. Ze verbindt namelijk het centrum met wijken die westelijk van het centrum liggen. Het gevolg is dat de Ezelsveldlaan best een drukke straat is. Er knetteren vooral veel brommertjes doorheen, ’s avonds en ’s nachts wordt er geschreeuwd door passanten. Auto’s rijden er nauwelijks, want alleen bestemmingsverkeer heeft er iets te zoeken.

Toch zijn Wyb en ik door de drukte en lawaai blij dat we niet aan de voorkant van het gebouw wonen. Daar hebben wij aan de achterkant niets mee te maken. Wij kijken uit op grote bomen, een gracht met woonboten, en achter de bomen een rij gevels en daarachter rijzen de torens van de Oude en Nieuwe Kerk omhoog.

Een paar maanden geleden ging de brug opeens dicht voor onderhoud. Dan besef je pas hoe belangrijk bruggen zijn. Het karakter van onze straat veranderde totaal. Iedereen liet de Ezelsveldlaan links liggen. Weg mensen, weg verkeer.
Maar het allerergste, het was onmogelijk om mijn dagelijkse rondje te lopen. De dagelijkse routine werd door de afsluiting wreed verstoord en voor een border collie hakt dat er best wel in.

Bovendien werd ik afgesneden van mijn wandeling naar het Delfts Hout, een groot recreatiepark annex bos, waar je kunt ontsnappen aan de stadse drukte. Ik wandel dan langs de IKEA, duik een bos in, en ben alleen op de wereld. Als ik de afgelopen maanden naar het bos wilde, moest ik een kilometer omlopen. Hetzelfde met een bezoek aan mijn apotheek. Normaal steek ik over, honderd meter lopen en ik ben er. Nu moest ik een kilometer omlopen. Ongerief dus.

Maar sinds gisteren is het voorbij. Toevallig was ik via een omweg weer naar de apotheek gelopen. Ik liep terug: en toen zag ik iemand over de brug wandelen. Kon ik eindelijk weer eens gewoon lekker doorsteken? De brug bleek enkele minuten daarvoor weer opengesteld voor voetgangers. Zo was ik, denk ik, de tweede mens die over de gerenoveerde brug liep.

Vanmorgen kon ik voor het eerst mijn vertrouwde rondje met Dies weer lopen. De aalscholvers hadden gelukkig meteen hun plaats weer ingenomen, zag ik tot mijn geruststelling. De afgelopen maanden waren de stalen balken waarop ze altijd zitten overdekt door de werkeilanden voor de bruggenbouwers. Alles is nu weer normaal. Ik ben nog nooit zo blij geweest met een brug.

Journal d’images

Cultuuroorlog

Vrijdag 5 december, Delft

 

Ik word genaaid. En velen met mij. De meesten worden trouwens niet genaaid. De meesten zijn altijd veilig, want zij moeten gepaaid, naar de mond gepraat, gepamperd worden, zij vormen de basis van het verdienmodel.

Cryptische zinnen. Ik heb het over de enorme bezuinigingen op de publieke omroep. Ik maak het persoonlijk omdat ik merk dat ze het op mij gemunt hebben. Dat is niet gek, want ik ben een vijand van het populisme en een populist wil alles wat afwijkt, nadenkt, een andere mening heeft, zoveel mogelijk treffen.

We hebben een kabinet dat al lang niet meer als een kabinet kan worden beschouwd. Het is een bijeengeraapt residu van wat vanaf het begin al een zooitje was. Dat neemt niet weg dat ze een van de belangrijkste bezuinigingen uitvoeren die het populistisch front heeft afgekondigd: de afbraak van de publieke omroep. De gevolgen van die bezuiniging worden nu merkbaar. En wat blijkt: met behulp van de omroepmanagers weten de populisten het weldenkend deel van de Nederlandse samenleving te treffen.

Ik som even op wat er gaat verdwijnen bij de publieke omroep. Zomergasten, Kunststof, Opium, Plakshot, Andere Tijden, Vrije Geluiden, Hoofdzaken, Close Up, Drie op reis, Wortelboer & Van Rossum, Proefkonijnen, Van Roosmalen & Groenteman, Opium op Oerol, het Zondagochtendconcert, Man en Kunst, series als De Joodse Raad. Toevallig allemaal programma’s die ik op de een of andere manier interessant vind, of wel eens kijk. Het zijn programma’s waar je nog eens wat van opsteekt, die niet vanzelf naar binnen glijden, die afwijken van wat mainstream is.

De meesten kijken naar de Masked Singer, Heel Holland Bakt, het domme gelul van Vandaag Inside, Ter land, ter zee en in de lucht, Oh, Wat Een Jaar en meer van dat soort bocht. De populisten zijn verantwoordelijk voor de financiële aanval op de publieke omroep, de omroepbazen zijn medeplichtig door de laffe keuzes, de meesten, de kijkers, zijn medeplichtig door hun luie kijkhouding. En de basis voor deze televisieshit is gelegd door John de Mol en Joop van den Ende. Zij zijn de grondleggers van de debilisering van Nederland, zij leverden vanaf het begin de inhoud van de shit.

Een substantieel deel van de Nederlandse bevolking is analfabeet; een nog substantiëler deel is niet in staat een krant te lezen. Het schrijfonderwijs is schrikbarend slecht en uit de laatste onderzoeken blijkt dat het zelfs met de spreekvaardigheid beroerd is gesteld. Veel kinderen kunnen geen gesprek voeren, hun mondelinge mededelingen zijn gereduceerd tot basisboodschappen zonder kraak of smaak. Een gesprek aangaan, voeren en afronden lukt ze niet. Ze functioneren op het laagste niveau wat taal betreft.

Voeg daarbij de draconische bezuinigingen op onderwijs en onderzoek en we kunnen gerust stellen dat het een soort masterplan van de populisten is om iedereen die hecht aan kwaliteit en nadenken eens stevig te naaien. Volgens mij is hiervoor het woord cultuuroorlog bedacht.

Journal d’images

Val

Donderdag 4 december, Delft

 

Wyb heeft een wandeling door de duinen bij Wassenaar uitgezet. Of ik mee ga.
‘Hoe lang is de wandeling?’
‘Tien kilometer.’
‘Nee, dan ga ik niet mee. Je weet dat ik niet langer dan anderhalf uur wil wandelen.’ Ik weet dat tien kilometer door duinen toch zeker tweeënhalf uur wandelen is. Dat kost me veel te veel tijd, vooral omdat ik elke dag al anderhalf uur wandel.
‘En als ik het rondje inkort?’
‘Acht kilometer?’
‘Kijk maar, dat is mogelijk.’ En ze laat me de kaart zien.

Wyb en ik hebben verschillende wandeldoelstellingen. Wyb oefent voor de Langtang Trail in Nepal, ik wandel om mijn dagelijkse beweging te krijgen in de hoop dat ik de dood enigszins kan uitstellen. Resultaten uit het verleden geven geen enkele garantie voor de toekomst. Ik ga akkoord met het compromis, acht kilometer.

We zetten de auto op de parkeerplaats bij Museum Voorlinden neer. Als we het pad door het bos nemen, komen we op het wandelpad uit, weet Wyb die in dit soort zaken altijd mijn gids is. We lopen nu door de duinen, rechts van ons ligt het museum. Er laten zich zowaar stukjes blauwe lucht zien.

Het ziet ernaar uit dat rond het hele terrein van Voorlinden een hek staat. We zien geen mogelijkheid om van het terrein te komen. Achter het hek zien we ons wandelpad liggen.
‘Oh kijk, verderop is volgens mij een poort,’ zeg Wyb, die nog eens de kaart op haar iPhone bestudeert.

Er is inderdaad een hek. Maar het is met een dik slot afgesloten. Er zijn meer mensen die hier van hebben gebaald. Iets verderop, in een hoek, is het hek stevig vernield.
‘Misschien kunnen we hier wel overheen,’ zegt Wyb.
‘Er zit nog wel prikkeldraad bovenop.’
‘We gaan het proberen. Als jij nou als eerste gaat.’

Wyb houdt met haar voet het prikkeldraad naar beneden. Ik zwaai mijn been eroverheen. Zo sta ik op één been te balanceren. Als ik naar de andere kant kijk, zie ik dat het daar veel dieper is dan ik dacht. Ik kán er niet overheen stappen. Op hetzelfde moment voel ik prikkeldraad in mijn testikels prikken. Ik moet terug. Op één been spring ik terug. Verlies mijn evenwicht. Val langzaam naar achter. Er is geen houden aan. Dan merk ik dat het ene been, waarmee ik mij staande probeer te houden, grond verliest. Achter mij is namelijk een kuil. Naar mijn gevoel val ik, in slowmotion, achterover. Als een hulpeloze baby beland ik op mijn rug. Benen spartelend in de lucht. Waar is mijn vroegere soepelheid gebleven? Met moeite draai ik mij om op te staan.
Ik haat wandelen.

We besluiten maar op het terrein van Museum Voorlinden te blijven. We nemen wat slingerpaden en komen twee desolate torens tegen. Werk van Anselm Kiefer, ‘Jericho’ geheten. Prachtig. Voor mij is het een oorlogsmonument.

Verderop komen we een beeld tegen van een gouden man die op een ladder staat. Sacraal heft hij een lat ter hemel.

We lopen om het museum heen. Wat is het toch een prachtig gebouw. Het wordt de hoogste tijd om weer eens naar binnen te gaan. Maar ja, de hond is de vijand van de kunst, denk ik wel eens. Hoog in een boom hangt een badkuip. Logisch.

Langzaam verzoen ik mij met de val.

Journal d’images

Nuwakot

Woensdag 3 december, Delft

 

Wat is nou eigenlijk het nut van Dossiermoddergat? Niet dat ik mij dat ooit afvraag. Mijn plezier is dat ik elke dag een blog kan schrijven. Verder heeft het geen nut, denk ik. Ja, dat er mensen zijn die dat willen lezen. Laatst kwam ik een aforisme van Arthur Schopenhauer tegen: ‘Eigentlich ist jeder Tag ein kleines Leben.’ Zo zie ik Dossiermoddergat eigenlijk ook, als een optelsom van afzonderlijke dagen. Neemt niet weg dat je inmiddels van een archief kunt spreken. Maar dat zegt me niets, want ik lees nooit iets terug.

In maart gaan Wyb en Anne naar Nepal om een trek te lopen, de Langtang trail. Ze zijn beiden reizigers en zo’n plan betekent maanden van voorpret. Alleen al het uitzoeken van je hoe zo goedkoop en efficiënt mogelijk kunt vliegen is voor de dames stof voor dagenlang onderzoek en overleg. Er worden filmpjes bekeken, plannen gemaakt waar ze gaan slapen.

‘Geer, weet jij nog waar wij in Nepal hebben geslapen? Waar was dat nou precies? Hoe heette die lodge ook alweer?’ vraagt Wyb.
‘Je bedoelt die lodge in de bergen?’
‘Ja, waar het zo heerlijk wandelen was.’
‘Ik heb echt geen idee meer.’

Het leuke van Wyb is dat ze, als ze ergens is geweest, ook altijd wel weer even terug wil om te kijken of er veel is veranderd.
Een paar dagen later vraagt ze: ‘Schreef jij toen al op Dossiermoddergat?’
‘In welk jaar waren we daar?’
‘2010,’ denk ik.’
‘Ja, toen schreef ik al op Dossiermoddergat. Ik ben in december 2008 begonnen.’
‘Kun je eens nakijken of je toen over die lodge hebt geschreven? Misschien kom ik er dan achter waar het was en hoe die lodge heette.’
‘Ik denk niet dat ik mijn laptop bij me had. Bovendien was er in Nepal nauwelijks internet.’
‘Zoek eens op als je wilt. Je weet nooit.’

De versie van Dossiermoddergat die nu zichtbaar is, begon in maart 2015. Daarvoor had ik een totaal andere, inmiddels verdwenen site. De teksten heb ik nog wel ergens in een map zitten.
‘We zijn in 2010 niet in Nepal geweest,’ zeg ik als ik het nakijk.
‘Dan moet het in 2009 zijn geweest.’

Verdomd. Het blijkt dat ik in 2009 negen blogs in Nepal heb geschreven en dat ik antwoord op het zoeken van Wyb kan geven. Op 25 december 2009 schreef ik de volgende eerste regels van een blog in Nuwakot: ‘Als dit huis een gastenboek heeft, zal ik erin schrijven: thanks for a view in paradise. Mocht er werkelijk enig zicht zijn op een paradijs in een hiernamaals zoals hier, dan ben ik best bereid om te gaan geloven. En het zou dan heel aardig zijn als god dan de kok van dit huis is.’

Onze lodge stond dus in Nuwakot en zelfs de naam van de lodge staat in het blog: The Famous Farm. Wyb helemaal blij en ze is van plan er twee nachten met Anne te gaan slapen. Ze kijkt in The Lonely Planet op of het nog bestaat. Zowaar: het krijgt alle lof toegezwaaid, het is een van de beste en mooiste lodges van Nepal. Dus stinkend duur geworden, blijkt. Ik denk dat die twee nachten slapen daar niet doorgaan.

Eindelijk heeft Dossiermoddergat eens praktisch nut: het heeft zowaar een archieffunctie.

960 maanden

Dinsdag 2 december, Delft

 

Ik ben een fanatiek lezer van nieuws over astronomie. Het geeft me soms een duizelingwekkend gevoel van onbevattelijke vergezichten. Ik beschouw het, vergeleken met vorige generaties, als een voorrecht dat ik nog net mag meemaken hoe wij steeds verder en dieper zicht krijgen op het heelal. Wat wisten wij bij mijn geboorte eigenlijk van het heelal? We hadden zelfs nog nooit een raket de dampkring ingeschoten. Onvoorstelbaar primitieve tijd, toch?

Vandaag lees ik in de Volkskrant een artikel onder de kop ‘Europese ruimtetelescoop legt verband tussen botsende sterrenstelsels en zwarte gaten’. Hieronder even wat tekstsnippers uit dat artikel:

‘Knal twee sterrenstelsels op elkaar en je krijgt een kosmisch vuurwerk…’

‘Astronomen weten al lang dat vrijwel alle sterrenstelsels een superzwaar zwart gat in hun kern herbergen, vaak miljoenen of zelfs miljarden keren zo zwaar als de zon.’

‘Een statistische analyse van Euclid-metingen bij ongeveer één miljoen sterrenstelsels heeft nu uitgewezen dat zo’n actieve kern vooral voorkomt bij sterrenstelsels die na botsing versmolten zijn met een buurtstelsel.’

‘De resultaten bieden ook een blik in de toekomst van ons eigen Melkwegstelsel. Dat komt over pakweg vier miljard jaar mogelijk in botsing met het naburige Andromedastelsel. Krijgen ‘wij’ dan ook een extreem actief superzwaar zwart gat? Röttgerings antwoord: ‘Zeker!’

Oké, het is duidelijk dat over vier miljard jaar alle Jumbo’s, Californië, het oeuvre van Harrie Mulisch, het Vrijheidsbeeld, de overblijfselen van Geert Wilders en de Duitse auto-industrie in een groot zwart gat verdwijnen. Vier miljard jaar, een onafzienbare horizon. Maar toch.

Gisteren zat ik in bad, en moest ik denken aan mijn blog van een paar dagen geleden: 4.000 weken. In dat blog beschreef ik hoe kort wij eigenlijk leven als je kijkt naar het aantal weken dat we leven. Als je tachtig wordt, leef je 4.000 weken, had ik op een tentoonstelling gezien. Onze nietigheid werd mij opeens inzichtelijk gemaakt.

Maar je kunt het ook anders berekenen, bedacht ik daar in bad. Je kunt ook zeggen dat, wie tachtig jaar wordt slechts 960 maanden leeft. 960 maanden – het leven lijkt er nog korter door dan als je zegt 4.000 weken of 29.200 dagen. Nog meer nietigheid dus. Van die 960 maanden zitten er voor mij al 852 op. Gesteld dat ik tachtig word, resteren er nog 108 maanden. Daar kun je toch wel een beetje zenuwachtig van worden.

Maar het maakt ook onmiddellijk duidelijk dat wij allen, afgezet tegen miljarden jaren, botsende sterrenstelsels en kosmisch slurpende superzware gaten werkelijk niets voorstellen. Eén flits kunnen wij even zien; dan wordt het weer donker. Maar we hebben wel gezien en wij hebben zelfs even mogen proeven aan de ontdekking van de hemel. Al zal over honderd jaar blijken dat ook deze kennis nog in een primitieve staat verkeerde.

Journal d’images

Erepodium

Maandag 1 december, Delft

 

Opnieuw rampspoed in Sri Lanka. De cycloon Ditwah trok over Sri Lanka en dat betekende dagenlang hevige regen. Het gevolg: overstromingen, landverschuivingen. Het dodental is opgelopen tot 334, en er zijn nog 400 vermisten.

Wie De Blogger kent, weet dat het nieuws hem niet koud laat. Sri Lanka is als een tweede vaderland voor ons. Sri Lanka is het geboorteland van onze twee dochters en wij zijn er vele malen geweest. Anne is niet voor niets al een inzamelactie op haar Instagram-account begonnen.

Een actie die me meteen terugbrengt naar 29 december 2004. Wyb, de kinderen en ik eten in het Japanse restaurant op de Grote Markt in Groningen om mijn verjaardag te vieren. We zitten met andere mensen, die we niet kennen, rondom een grote kookplaat. Een Japanse kok tovert met zalm en ei. Drie dagen daarvoor werd Sri Lanka overvallen door een tsunami. Er waren grote golven die ver het land inrolden en alles vernietigden wat op hun weg kwam. Er waren duizenden doden, het land was totaal ontwricht.

‘Zouden onze biologische moeders nu ook dood zijn?’ vraagt Esmee. Wyb en ik stellen ze gerust, zonder te weten of dat helemaal terecht is. ‘Er zijn een heleboel mensen overleden, maar veel meer mensen leven nog.’ En we praten verder over de ramp die ons al dagenlang bezighoudt.

‘Ik zou zo graag iets voor de mensen daar willen doen,’ zegt Anne.
‘Wat zou je dan willen doen?’ vraagt Wyb.
‘Nou, ik zou in Thialf bijvoorbeeld wel rondjes willen schaatsen en dat mensen die rondjes dan kunnen sponsoren.’

‘Sorry dat ik me in jullie gesprek meng,’ zegt een man die tegenover ons zit en daar met vrouw en zoontje zit te eten. ‘Hoorde ik dat goed? Zou jij iets voor Sri Lanka willen doen in Thialf?’
Anne knikt.
‘Ik weet wel iets. Zou jij,’ vraagt hij aan Anne, ‘vijfentwintig adoptiekinderen uit Sri Lanka voor 7 januari bij elkaar kunnen krijgen?’
‘Best wel. Maar wat moeten we dan doen?’
‘Als jou dat lukt, kan ik ervoor zorgen dat we iets heel groots gaan organiseren. Ik zorg ervoor dat jij in alle kranten komt te staan en op televisie komt.’

‘Maar wie bent u dan?’ vraag ik.
‘Ik ben Frank Snoeks en ik werk voor NOS Studio Sport. Op 7 januari vindt in Thialf het Europees kampioenschap schaatsen plaats en ik geef daar commentaar bij de wedstrijden. Ik hoorde Anne zeggen dat ze iets in Thialf wilde doen en dat bracht mij op het volgende idee. Alle adoptiekinderen gaan bij de ingangen van Thialf staan en gaan daar collecteren. We vragen iedereen die naar het kampioenschap komt €5,55 mee te nemen en die kunnen ze dan in jullie collectebussen doen.’

Eenvoudig plan. Groot effect. Aldus geschiedde. Alle grote kranten besteedden aandacht aan de actie. In sommige werd Anne zelfs geïnterviewd. Een paar dagen na ons etentje verscheen Anne op televisie in Studio Sport geïnterviewd door Mart Smeets.
Ik hield mijn hart vast. Hoe zou dat gaan? Anne had hier als beginnende puber geen enkele ervaring mee. Wyb en ik gingen mee en mochten in de regiekamer staan. Tot mijn grote verbazing kletste Anne Mart de oren van zijn hoofd.

Op 7 januari stond bij elke ingang een adoptiekind uit Sri Lanka met een te grote rode gesponsorde jas aan. Op de rug: giro 555. Het publiek gaf meer dan gul. De tsunami was er in de hele wereld ingehakt.
Het resultaat mocht er zijn. In totaal haalden we letterlijk bergen geld op. De collecte leverde €25.000 op. Aegon en de KNSB verhoogden het bedrag nog eens met €20.000. In totaal dus €55.000. Hulde aan Frank Snoeks en Anne.

Het hoogtepunt voor mij als vader kwam op het eind van het toernooi. De schaatskampioenen zouden worden gehuldigd, maar daarvoor riep de speaker om: ‘Zo dadelijk vindt de huldiging van onze schaatsers plaats, maar eerst willen wij de held van deze middag huldigen. Anne, zou jij naar het podium willen komen? Dames en heren, hier is Anne Tonen.’
En daar liep Anne in haar eentje over een rode loper naar het erepodium. De speaker zette haar op het erepodium op 1. ‘Dames en heren, dit meisje lukt het om liefst €55.000 bij elkaar te krijgen, mede dankzij u.’ Vervolgens gingen de 12.500 toeschouwers staan en gaven Anne een ovationeel applaus. De Blogger hield zijn ogen niet droog.

Steentje

Zondag 30 november, Delft

 

Je kent het wel, een steentje in je schoen. Je bent aan het wandelen en opeens voel je zo’n gemeen steentje onder je voetzool, blijkbaar is het erin gesprongen. Als je geluk hebt, schuift het onder je voetzool vandaan naar de zijkant. Maar grote kans dat het weer terugkomt. Je bent er pas echt van verlost als je je schoen uitdoet en het steentje eruit schudt.

Nog zo’n irritant ding is een kleine splinter in je vinger, zo klein dat je hem bijna niet ziet. Maar elke keer als je iets aanraakt, voel je dat splintertje zitten. Natuurlijk heb je je zakmes met pincetje erin niet bij je. Je hebt trouwens helemaal geen zakmes meer, want het is voor de zoveelste keer ingenomen bij de controle op Schiphol omdat je was vergeten het thuis te laten.

Dilan Yeşilgöz is het steentje in de schoen van Nederland. Of de splinter in de vinger van Nederland, net zoals je wilt. De afgelopen jaren heeft ze een spoor van ellende achter zich gelaten.

Op de eerste plaats liet ze Rutte IV vallen op het punt dat er nareis na nareis zou plaatsvinden, het ging om duizenden familieleden die asielzoekers zouden laten overkomen. Het kabinet viel. Even later werd duidelijk dat ze had gelogen. Het ging om zo weinig mensen dat het helemaal geen probleem was.

Toen doorbrak ze de Rutte-doctrine om niet met de PVV samen te werken. Daarmee zette ze de sluizen open en stroomde de shit binnen. Met enthousiasme liet ze twee partijen meeregeren die geen enkele bestuurlijke ervaring hadden en een partij die niet eens een partij is, laat staan ervaren bestuurders hééft. Het betekende twee jaar Nederland in stilstand. De politiek verwerd tot één grote freakshow.

En nu weer het uitsluiten van GroenLinks/PvdA. Met enige goede wil hadden we vóór kerstmis een breed en stabiel kabinet kunnen hebben. Maar de kiezel in de schoen van Nederland was erachter gekomen dat de enige manier om haar teloorgang te keren het uitsluiten van GroenLinks/PvdA was. Hierdoor kon ze wat kiezers van radicaal-rechts terugwinnen. In plaats van de dreigende 15 zetels, kreeg ze er toch nog 22. Het leidde tot een uitdagende dans op de verkiezingsavond, wat was ze blij. Neemt niet weg dat ze twee zetels verloor. Samen met het verlies twee jaar geleden van tien zetels, heeft ze dus twaalf zetels verloren sinds het vertrek van Rutte. Het was een uitdagend dansje, maar wel een op de rand van de vulkaan.

De vraag is wie Nederland kan bevrijden van dit steentje. Er is er maar één die dit kan doen en dat is natuurlijk de VVD zelf. Maar of dat gebeurt? We hebben in Amerika gezien hoe een partij die geen zelfreinigend vermogen heeft gekaapt kan worden door een maniak. In plaats van dat de Republikeinen de splinter Trump verwijderden, gooiden ze een baksteen op hun eigen voet. De VVD staat eigenlijk voor dezelfde keuze. De Blogger volgt het op de voet.

Journal d’images

Röring

zaterdag 29 november, Delft

 

Röring in het huis van De Blogger. Het weekend roept herinneringen op aan verhuizen. Op vrijdag, eind van de middag, wordt er een compleet bad afgeleverd. Opwinding bij De Censor en De Blogger, eindelijk hebben ze weer eens een bad. Met gretigheid pakken we het pakket uit. Eerst leggen we het op z’n kop, doen de poten omhoog, draaien het om en dan drukken we een bad tevoorschijn. Een bad zelfs met een deksel, het lijkt een sarcofaag, zodat het bad de warmte lang vasthoudt. Nooit eerder gezien en totaal onnuttig; gaan we niet gebruiken.

Aan het voeteinde zitten een soort rollers met stekels waar je je voeten kunt schoon rollen. Ook nooit eerder gezien en het had er voor mij eveneens niet in hoeven te zitten, want het belemmert het opperste genot: samen in bad zitten. Want wie wil er nu op die stekels gaan zitten? Voor de rest geen klagen. Er zit zelfs een riant kussen in waar je op kunt zitten en waarop je heerlijk je hoofd te ruste kunt leggen.

Het is meteen feest in Huize Blogger. Het bad hebben we aangeschaft met het smoesje dat het een cadeau is voor mijn naderende verjaardag. Je zou zeggen dat de jarige dan als eerste het bad mag uitproberen, maar De Censor wil niet in het vieze water van De Blogger zitten als hij als eerste gaat.
‘Ik ben helemaal niet vies. Ik heb me vanmorgen nog gedoucht.’
‘Toch vind ik het vies.’
Omdat ik een groot hart heb, mag Wyb het bad als eerste uitproberen. Uit ervaring weet ik dat ze nooit vies is. Wie denkt dat wij een bad hebben om ons te wassen heeft het mis. Wij hebben een bad om te mijmeren en te lezen.

Het blijkt een heerlijk diep, riant bad te zijn. Geen high-end ding, want het blijft een inklapbad. Wyb blijft er liefst drie kwartier inzitten. Ik popel. Eindelijk ben ik aan de beurt en laat me in het water zakken. Dit is genot. Een glaasje port bij de hand, evenals de e-reader. Wyb neemt een foto die we aan Anne versturen. ‘Een bejaardenbad,’ appt ze terug. Niet ten onrechte, moet ik toegeven, maar de esthetiek speelt hierbij voor ons geen rol, het gaat om de functionaliteit. Svp niet meer storen, dit is het Ware Weken.

Op zaterdag wordt er opnieuw aangebeld en brengt een bezorger een slaapbank: speciaal voor onze gasten. De bank krijgt een plaats in de dependance van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het blijkt toch dat we, sinds we in Delft wonen, opmerkelijk veel logés krijgen. ’s Ochtends verbouwen we de dependance, ’s middags arriveert de bank. Ook dit betekent weer veel meten, passen en schroeven. Zucht… Waarom wil een mens altijd meer en meer?

Een weekend dus met allemaal grote uitgaven en die worden nog eens opgestuwd door het ontvangen van een bekeuring. Twee weken geleden haalden wij Malu op uit Leeuwarden. We moesten hard rijden om de boot naar Ameland te halen, wat gelukkig lukte. Hierdoor reden we enigszins te hard door Blija. Kosten €291. Al met al is dit dus best een duur weekendje.

Journal d’images

Blazoen

Vrijdag 28 november, Delft

 

Wij banen ons een weg door de bouwput rond Den Haag Centraal. Ik geloof niet dat ik in de zeventig jaar dat ik leef er één jaar is waarin hier niet is gebouwd. Esmee en ik gaan naar het Nationaal Archief, waar wij beiden nooit eerder zijn geweest. De baliemedewerkster verwijst ons naar de balie Familiezaken.

Wij zijn, vind ikzelf, met een wat precair project bezig. Wij proberen de vraag te beantwoorden of er over mijn opa, Gerrit Tonen, een archiefmap bestaat over zijn functioneren in de Tweede Wereldoorlog.

Heb ik reden om te denken dat zo’n map bestaat? Ja en nee. Belangrijke reden voor die ‘ja’: mijn opa was in de oorlog politieman. Wat mij wantrouwig maakt, is dat ik over die tijd nooit verhalen heb gehoord. Je bent politieman in de oorlog geweest en je vertelt er nooit over. Raar, want mijn opa woonde vier jaar lang, op oudere leeftijd, in de winter bij ons op kamers. Op een koude winteravond, terugkijkend op zijn leven, kon het toch niet anders dan dat hij daar iets over had moeten vertellen. Ik kan het me niet herinneren.

Belangrijke reden voor die ‘nee’: na de oorlog weigerde mijn opa naar Duitse televisiezenders te kijken. Als wij daar eens toevallig naar keken, vroeg hij of we alsjeblieft naar iets anders wilden kijken. ‘Ik haat de Duitsers.’

‘Goedemorgen, wij zijn op zoek naar mogelijk archiefmateriaal van mijn opa, Gerrit Tonen uit Nijmegen. Ik heb al op jullie site gekeken en gezocht op zijn naam, maar ik kon niets vinden.’
‘Was uw opa vóór of na 1915 geboren.’
‘Vóór 1915.’
‘Nee, dan hebben we geen archiefmateriaal van hem. Want van iedereen die vóór 1915 is geboren, veronderstellen we dat ze niet meer leven en hebben we het archiefmateriaal online gezet.’
Wij danken de man voor de informatie.

‘Nou,’ zeg ik tegen Esmee, ‘je overgrootvader heeft gelukkig een schoon blazoen. We kunnen ons onderzoek hierbij sluiten.’
‘Zou je het erg hebben gevonden als we erachter waren gekomen dat hij Joden had verraden?’
Ik moet er lang over nadenken. Ik had het erg gevonden als hij dat had gedaan, maar ik geloof niet dat het mij persoonlijk had geraakt. ‘Het is niet zo dat ik mij daar persoonlijk op de een of andere manier schuldig over had gevoeld.’
‘Echt niet? Ik denk dat ik het heel erg had gevonden als oma bijvoorbeeld bij de NSB had gezeten.’

We stappen weer op onze OV-fiets en gaan richting de Bijenkorf, waar Esmee een nieuwe zonnebril koopt, zie de foto onder het blog van gisteren. Tijdens het kopen van die bril kom ik erachter dat er een revolutie gaande is op het gebied van zonnebrillen. Er is een grote uitstalling van zogenaamde AI-brillen. Brillen die bijna hetzelfde kunnen als de iPhone. Je kunt er muziek mee beluisteren, foto’s maken, surfen op het internet.
De verkoper houdt een afbeelding van een schilderij voor en de bril vertelt wat je op het schilderij ziet, wie het heeft geschilderd en in welk museum het hangt. Dan laat hij een Italiaanse tekst zien, die de bril prima weet te vertalen. Dat alles alleen door de brildrager te horen. Als je ernaast staat, hoor je niets.

‘Jammer dat er een rood lichtje gaat branden als je een foto maakt,’ zeg ik tegen de verkoper.
‘Dat is voor de privacy,’ zegt hij.
‘Ik denk dat ik dat lichtje meteen zou afplakken.’
‘Moet u niet doen,’ zegt de verkoper, ‘dan doet de fotofunctie het niet meer.’
Die Big Tech-jongens zijn ons ook altijd te slim af.

Journal d’images

De Gemeente Delft heeft een werkelijk perfecte service voor honden. Dies rent het balletje dat ik gooi het water in. Even de jongens van de Gemeente Delft roepen en ze halen het balletje uit het water. Met grote dank!

4.000 weken

Donderdag 27 november, Delft

 

Samen met Esmee bezoek ik de Oude en de Nieuwe Kerk in Delft. In de Oude Kerk in Delft liggen zeevaarders Piet Hein en Maarten Tromp begraven. De wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek en de bekendste zoon van Delft, de schilder Johannes Vermeer. En een trits andere min of meer bekende figuren uit onze historie.

In de Nieuwe Kerk ligt schrijver en filosoof, Hugo de Groot en de architect van het Rijksmuseum en het Amsterdamse Centraal Station, Pierre Cuypers. Maar het praalgraf is voor Willem van Oranje. Zijn bijzetting in 1584 was het begin van de koninklijke grafkelders, vrijwel alle latere leden van het Huis van Oranje-Nassau zijn hier begraven.

Een onschuldig bezoek aan de kerken betekent dat je letterlijk loopt over de doden. De vloer is bezaaid met graven van de grote namen van weleer. Men zou de Oude en de Nieuwe Kerk beter het Oude en Nieuwe Mausoleum kunnen noemen; het is een bewaarplaats voor de overleden elite van Nederland.

Niet gek dat Esmee en ik in een hoek van de Nieuwe Kerk een tentoonstelling over de dood tegenkomen. Een nogal confronterende tentoonstelling. Want een van de eerste panelen waar ik tegenaan loop, is een paneel met de kop 4.000 weken en daaronder, veronderstel ik (ik heb ze niet geteld) vierduizend stippen die een leven van 80 jaar symboliseren. Het onderschrift luidt: ‘Als je er vanuit gaat dat je 80 wordt, heb je net iets meer dan 4.000 weken om iets van je leven te maken. Om elke dag opnieuw te kiezen.’

4.000 weken. Wij schrikken ervan, het komt ons choquerend weinig over. Ik reken het na: 80 x 52 weken is 4.160 weken. Ik krijg er 160 weken als bonus bij, het blijft verbluffend weinig. Een dergelijke weergave van het leven reduceert het tot bijna niets. Wat klopt met wat veel mensen vinden, dat het leven voorbij vliegt.

Uiteraard ben ik benieuwd waar ik nu sta op deze schaal van het leven. Hoeveel weken heb ik nog tegoed? Voor het gemak reken ik even dat ik nu 71 jaar ben, want over een jaar en twee dagen bereik ik die leeftijd. De rekenmachine zegt dat ik er van die 4.160 weken al 3.692 op heb zitten. Wat betekent dat ik nog 468 weken te gaan heb, mocht ik 80 worden, wat nog te bezien valt.

De tijd dringt dus. Het onderschrift zegt: ‘Om elke dag opnieuw te kiezen’. Maar de keuze is reuze; het is om wanhopig van te worden. Ik begin maar eens met een lijst op te stellen welke boeken ik nog wil lezen. Het aantal weken telt nu snel af, het wordt tijd strenger te worden, zo min mogelijk tijd te vermorsen.

Journal d’images

Esmee (dochter), de ideale metgezel om bezienswaardigheden en musea mee te bezoeken.

Inklapbad

Woensdag 26 november, Delft

 

Ik zou nu op een loopband aan mijn ‘cardio’ moeten werken, of op een of ander duw- en trekapparaat aan het versterken van mijn spiermassa. Raar woord trouwens ‘massa’ voor de spieren die ik heb. Gelukkig hoef ik niet, er zijn belangrijkere zaken. Wyb is wel naar de gym; ik blijf hier omdat – heuglijk feit! – wij vandaag een bad krijgen, en dat kan elk moment worden geleverd.

Gaan wij onze badkamer verbouwen? Zeker niet. We hebben een huurappartement en dan ga ik niet voor de zoveelste keer voor veel geld een badkamer verbouwen om een bad te krijgen. Daar heb ik al veel geld mee gemorst in mijn leven. Maar dat laat wel zien hoe gek wij zijn op een bad.

Een bad is voor mij de ideale ontspanplek. Niets zo fijn als op een druilerige zondag in bad te liggen weken, goed boek in de hand, een glaasje port op de rand van het bad. Gelukkiger kun je mij niet maken, of eigenlijk moet ik zeggen: ons niet maken. Vooral een bad waarin je samen tegenover elkaar kunt zitten, is toch wel het ultieme genot.

Of dat kan in het bad waar ik momenteel op wacht, weet ik nog niet. Het bad is namelijk het resultaat van modern designvernuft. We hoeven helemaal niks meer te verbouwen, want het is een inklapbad. Zoals je opklapbedden hebt, zo heb je ook inklapbaden. Het is een bad dat je plat tegen een muur kunt zetten. Wil je het gebruiken, even op de grond leggen, de poten uitklappen, het bad omdraaien op de poten, de kuip naar beneden drukken en je hebt gewoon een echt bad. De douchekop op het bad zetten en vullen maar.

Wij hebben best een ruime badkamer, maar de projectontwikkelaar heeft verzuimd er een bad in te zetten. Dat begrijp ik ook wel, want je moet ergens op bezuinigen om nog meer geld te verdienen en dan bezuinig je verdomme op ons grootste genot: het bad.

Terwijl ik zit te schrijven, krijg ik de mededeling van PostNL dat de levering opnieuw een dag is uitgesteld. Jammer, ik verheug me zo om in bad te kunnen stappen. Dit betekent niet dat ik eigenlijk wél naar de gym had gekund, want ik wacht ook op Esmee. Zij komt twee dagen bij ons logeren omdat wij morgen naar het Nationaal Archief, op zoek naar of er iets te ontdekken valt over mijn opa en bijna naamgenoot, Gerrit Tonen. Hij was in Nijmegen politieman in oorlogstijd en we gaan uitzoeken of hij zich in oorlogstijd wel keurig heeft gedragen.

Levensloopbestendig

Dinsdag 25 november, Delft

 

Ik ben er inmiddels wel achter dat we in een keurige, rustige buurt wonen. Als je verhuist, moet je maar afwachten waar je terechtkomt. Leefden we in Frankrijk in de herfst en winter met vijftig mensen in een heel dorp, hier in Delft leven we in één appartementencomplex met 123 huishoudens. Dat klinkt op zich benauwend: dan zit je toch met z’n allen op elkaars lip.

Het vreemde is dat het tegendeel het geval is. Zo ken ik mijn buren helemaal niet. Wij wonen op onze verdieping met vijf andere huishoudens, maar ik kom ze eigenlijk nooit tegen. Zelfs onze directe buren heb ik al maanden niet gezien. Ik weet dat ze niet dood in huis liggen omdat ze bij regen hun paraplu in de gang te drogen laten liggen.

Ik heb er zelf enig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Van de veertig keer dat ik in de lift omhoog of omlaag ga sta ik één keer met iemand anders in de lift. We zeggen elkaar vriendelijk goedendag en daar blijft het bij. Je kunt gerust zeggen dat ik in ons appartementencomplex niemand zie of hoor. Hoe ze het voor elkaar hebben gekregen, weet ik niet, maar ik hoor niets van al die andere mensen. Het lijkt alsof iedereen hier stil op de bank zit, bang om geluid te maken. Ik vermoed dat het de degelijke bouw is. Ik ben er blij mee, want als ik ergens niet tegen kan, is het burengerucht.

Ik realiseer me meer en meer dat het toch een zegen is hier te wonen. Twee tot drie keer per week dalen wij af naar onze gym, die wij binnendoor kunnen bereiken. Wij kunnen echt geen enkel smoesje bedenken om niet te gaan. Gemak dient hier de mens en inderdaad heb ik het nog niet opgegeven om mijn lijf te versterken, ondanks dat ik een natuurlijke hekel heb aan al die trek- en duwapparaten. 

Op de begane grond van ons complex zitten allemaal zorgaanbieders. Een huisarts, een tandarts (met slechte reviews), een acupuncturist, een winkel voor borstvoeding, een oogkliniek, een fysiotherapeut (met onze gym) en, niet onbelangrijk, een dagopvang voor Alzheimerpatiënten. Hartstikke handig voor later. Wyb hoeft de opvang maar te bellen: ‘Ik zet hem nu in de lift, hoor’. Drukt op ‘BG’ en beneden staat de opvang mij op te wachten en ik kan zo meedoen met het zingen van Nederlandstalige liedjes. Dat is nog eens levensloopbestendig wonen.

De enige die hier tamelijk veel herrie maakt zijn de halsbandparkieten die opgewonden krijsend met z’n tweeën van boom naar boom vliegen. De bomen waar wij uitzicht op hebben zien er deze dagen herfstig uit, wat niet gek is in dit jaargetijde. Het zijn grauwe, bladloze staketsels geworden. Toch gek om daar dan van die exotische halsbandparkieten in te zien zitten.

Journal d’images

Het lot van de moderne schrijver. Marketing. Schrijven in een etalage.

Europa

Maandag 24 november, Delft

 

Al heel jong realiseerde ik me dat ik geluk heb gehad. Dat ik in het goede werelddeel ben geboren. Voor hetzelfde geld staat je wieg in de bush van Afrika, of zijn je ouders de leiders van een drugskartel in Zuid-Amerika. Een wieg in Siberië leek me ook helemaal niets, evenals een wieg op een boerderij in de verlatenheid van het Australische platteland. Je zult maar in Gaza zijn geboren.

En dan had ik ook nog het geluk dat mijn wieg in Nederland stond, hoeveel mazzel kun je hebben. Tamelijk goed onderwijs, fijne wegen, clubs als NEC in het land, Ajax, Feyenoord, altijd een spannende voetbalcompetitie. Ik was wel in Zwitserland geweest, maar al die bergen, sombere kolossen, zie daar maar eens tegenop te fietsen. Dus bij mij dikke tevredenheid over de plek waar mijn wieg stond.

Dat is lang zo gebleven, zeker toen ik ouder werd. Ik merkte aan den lijve dat je hier zo’n beetje alles kon zeggen wat je wilde. Dat in dit land redelijkheid en waarheid nog belangrijk werden gevonden. Kom daar eens om in Rusland of China. Ik was niet alleen dik tevreden over waar die wieg stond, maar ook over de tijd waarin ik was geboren. Moet je voorstellen, WO II net achter de rug, het ziet er naar uit dat ik geen oorlog meer meemaak; wie kan dat zeggen in de menselijke geschiedenis?

Ik kan me herinneren dat ik omstreeks 2006 een gesprek met mijn penningmeester Cor Koning van Het Zuidelijk Toneel had. Hij was financieel directeur bij de Rabo-bank geweest en hij was een van de eerste die uitsprak dat de boel aan het kantelen was. Iets was ik zelf ook voelde, zeker na twee bezoeken aan China. Ik kwam uit een tijd dat China nog een Derde Wereldland werd genoemd. Maar ik zag dat daar, zeker economisch gezien, een enorme dynamiek was en dat ze de boel op veel vlakken prima voor elkaar hadden. En dat, als iets niet in orde was, dat in zeer korte tijd kon veranderen.

De eerste keer dat Wyb en ik daar waren, spuugden miljoenen Chinezen nog om de haverklap op de grond, een primitieve bezigheid. Toen wij acht jaar later terugkwamen, zagen we het niemand meer doen. Waren de steden de eerste keer overwoekerd door vieze brommertjes met knetterende motortjes en smerige uitstoot, de tweede keer reed iedereen elektrisch. Zo kwamen we in de miljoenenstad Chengdu voor de tweede keer: in die acht jaar was de stad totaal veranderd, nieuwe straten, nieuwe huizen, alleen het prachtige stadspark, met de mensen die daar hun vogeltjes in een kooi uitlaten, was hetzelfde gebleven.

Arm Europa, gedompeld in inertie. Alles gaat langzaam. Elke geleding, van gemeente tot de EU, alles is besluiteloos. The Coalition of the Willing, maar een betere naam zou zijn: The Coalition of the Powerless. Overal verdeeldheid, angst voor kiezers, angst voor verandering. Ingebed in eindeloze regelgeving.

Een paar jaar wonen in Frankrijk heeft mij de ogen geopend. Eens was Frankrijk, samen met Duitsland, de motor van Europa. Macron gedraagt zich nog graag als een Napoleon, maar hij is een lamme eend in een te dure entourage. Financieel ligt Frankrijk op zijn gat en Duitsland blijft maar vasthouden aan die verdomde benzinemotor, wat innovaties betreft zijn ze totaal ingehaald door China.

Europa is een oude man, het leven moe, onzeker, financieel aan de grond, onmachtig nog een vuist te maken. Ondanks letterlijk moordende concurrentie blijft de oude man dommelen op een versleten bank, terend op zijn herinneringen en oude grandeur.

Je zult maar, zoals Zelensky, Europa als bondgenoot hebben. Eindeloze discussies die geheid verzanden in een veto van Hongarije, om maar een voorbeeld te noemen. Laten we beginnen die Orbán uit te leveren aan Rusland, weg met dat Hongarije: grote schoonmaak.

Journal d’images

Chinezen

Zondag 23 november, Delft

 

Ik lees de laatste twintig bladzijden van ‘We gaan zo’, het dagboek van Koos van Zomeren. Ook een beetje een triest boek, het is de weerslag van een schrijver in zijn nadagen. Van Zomeren is 78, zijn boeken krijgen steeds minder aandacht, zijn leefomgeving wordt steeds kleiner, hij vecht met zijn twee typemachines van hetzelfde merk. Dan doet de een het niet, dan de ander, alleen een winkeltje in Tilburg kan ze nog repareren, het hindert zijn schrijven. Zijn leven lang typte hij op deze machines. Als ze het begeven, vreest hij voor zijn schrijverschap.

Op een van deze bladzijden kom ik de volgende zin tegen: ‘Ik heb twee mensen werkelijk zien sterven: mijn moeder in april 2006 en Jannie in februari 2022, beiden aan kanker.’ De zin valt mij op omdat dit het weekend van mijn moeder is. Op 23 november 1928 werd zij geboren, op 22 november 2009 overleed zij, één dag voor haar eenentachtigste verjaardag.

Vandaag brandt er een kaarsje bij haar foto. Zelf denk ik daar helemaal niet aan, het is Wyb die daar erg attent in is. We hebben wel besloten dat we haar vanavond gaan herdenken. Samen met Anne gaan we eten bij een Chinees hier in Delft. Op feestdagen gingen we met de hele familie chinezen bij Peking in de Bisschop Hamerstraat in Nijmegen, een traditie van oudsher.

Ook in de laatste jaren die mijn moeder leefde, gingen we vaak met haar naar de Chinees. Ze genoot er mateloos van. Wij ook, maar het was niet makkelijk. Ze leed aan alzheimer, was slecht ter been, zat in een rolstoel en regelmatig moest zij tijdens zo’n etentje naar de wc. Wij moesten natuurlijk met haar mee, met liefde. Maar laat ik eerlijk zijn, ik vond het geen pretje om mijn moeder daar met haar onderbroek tussen haar benen op die wc bij Peking te zien zitten. Op het eind van het etentje, vaste prik, wilde ze altijd twee toetjes. Ik herinnerde mij de betere tijden.

Mijn moeder is een van de mensen die ik heb zien overlijden. Wyb en ik zaten aan haar sterfbed. We hielden haar hand vast en spraken haar moed in om te sterven. Het was duidelijk dat mijn moeder niet dood wilde. ‘Ik kan jullie echt niet verlaten,’ had ze al regelmatig gezegd. Maar alles aan mijn moeder was op, haar geest, haar lichaam.

Of ze heeft geweten dat wij aan haar bed zaten? Ik vermoed van wel, ze had een heilig vertrouwen in ons. ‘Ma, ga nou maar dood, het is goed geweest zo. Wat hebben we veel van elkaar gehouden.’ Ik gunde haar zo de dood, de rust, na alle ellende die ze had meegemaakt. Maar ze bleef vechten tegen de dood. Ons verlaten was een no-go area voor haar. Pas uren later was ze overtuigd en verliet ze ons met een paar diepe zuchten.

Mijn vader heb ik ook zien sterven. Hij lag op de stoep voor zijn huis. Mijn moeder belde: ‘Kom snel, papa is gevallen. Ik denk dat hij doodgaat.’ Gelukkig woonde ik driehonderd meter van mijn ouders vandaan. Ik sprong op mijn fiets. Daar lag mijn vader, van wie ik wist dat hij heel graag dood wilde. Het leven had hem al jaren gemeen te pakken. Zijn hoofd lag op een stoeprand. Ik praatte tegen hem, zei dat het wel goed zou komen, al wist ik dat dit niet waar was. Van heel ver, heel lang, de Hatertseweg is een lange straat, hoorde ik de sirene van de ambulance. Ook mijn vader nam afscheid met een paar diepe zuchten.

Journal d’images

Pollock

Zaterdag 22 november, Delft

 

Ik lees een artikel over een wetenschappelijk onderzoek naar het werk van Jackson Pollock. De kop van het artikel: ‘Schilderexperiment: Pollocks actionpainting beweegt zich tussen kind en volwassene in.’
Voor wie het werk van Pollock niet kent: het is actionpainting avant la lettre. Grote doeken die op de grond liggen. Pollock daar boven met zijn kwast vol verf, hij zwaait met zijn kwast, danst over het doek, drupt. Op het doek slierten verf, vlekken, één groot dynamisch lijnenspel.

De onderzoekers lieten de kinderen het nadoen en de vraag was of die werken dan anders werden. De conclusie staat hierboven. Ene Ralf Cox van de Rijksuniversiteit Groningen zegt: ‘Dit is niet het slotwoord over wat Pollocks werk voor mensen betekent, maar het is een mooie volgende stap in dit soort onderzoek naar abstracte kunst.’

Gelul. Het is olie op het vuur voor mij. Ik vind namelijk dat iedereen die voor een kunstwerk staat en zegt: ‘Dit zou een kind ook kunnen maken’, een enorm schop voor zijn kont verdient. Alsof iets wat een kind niet kan maken wel kunst is. Een wedervraag is: ‘Heeft een kind dit wel eens gemaakt?’ Het antwoord is zeker: nee. Het kind heeft misschien wel eens zitten kliederen, maar dat is iets anders dan een oeuvre bouwen. Laat een schilderij van Pollock zien en iedereen zegt: ‘Pollock’.

Pollock heeft niet één schilderij gemaakt, hij heeft een signatuur ontwikkeld, een oeuvre. Zoals het betaamt bij goede kunst zegt zijn werk iets over de samenleving, over de mens of over het denken van de mens of geeft het antwoord op datgene wat voor hem is gemaakt. Een kind kliedert onbedachtzaam. Pollock heeft over zijn werk nagedacht en heeft het lef gehad daar consistent mee door te gaan.

Veel kunstwerken hebben iets weg van de puurheid van kindertekeningen. Is het erg dat een kunstwerk op een kindertekening lijkt? De actionpainting, de Cobrakunst, de minimalistische kunst, het expressionisme, de schoonheidsbeleving van kind en volwassene ligt niet zo ver uit elkaar, denk ik. Waarom zou een kunstenaar niet teruggrijpen, of zich laten inspireren door puurheid?

Ik vind dit wetenschappelijk onderzoek kúl, omdat het de techniek van het druipen, druppelen en zwaaien met verf onderzoekt. Alsof daar het antwoord op abstracte kunst is te vinden. Ik weet zeker dat Pollock zich niet zo met die techniek heeft beziggehouden, die is ook niet zo ingewikkeld en zegt zeker niets over abstracte kunst. Het werk van Pollock stijgt ver boven de techniek uit.

Ik heb het geluk gehad dat ik veertig jaar geleden een overzichtstentoonstelling van hem in Centre Pompidou heb gezien. Wat ik zag was een schilder die het ritme van de moderne tijd verbeeldde, wat Charlie Parker op zijn saxofoon deed, het neurotisch, het snelle, dat deed Pollock met doek en verf.

Pollock was als kunstenaar perfect op de goede plek (New York) op de goede tijd (de jaren ’30, ’40 en ’50). Hij maakte de waanzin van de oorlog mee, de waanzin van het moderne leven, druk, druk, druk, geld, geld, geld. Zijn waanzinnige schilderijen vond ik de metafoor voor die tijd. En met die metafoor schiep hij een persoonlijkheid, zeggenschap, signatuur – daar gaat kunst over. Een pottenbakker bakt potten. Door alle eeuwen heen lijken potten op elkaar. De pottenbakker is een ambachtsman. Een kunstenaar resoneert met zijn tijd. Ik herhaal: zijn werk zegt ‘iets’ over de samenleving, over de mens of over het denken van de mens of geeft antwoord op datgene wat voor hem is gemaakt.

Al ruk je een plee van de muur en stel je hem op het goede moment in de goede context tentoon. Voordat je het weet, heeft de kunstgeschiedenis er weer een kunstwerk bij, misschien zelfs een kunststroming. Dada.

Prop

Vrijdag 21 november, Delft

 

Heimwee naar de prop. Ik kan het me nog goed herinneren: het indraaien van een A4 in een typemachine. Het papier stak dan fier omhoog, blanco papier, verwachting. Dan het stangetje dat met een letter omhoog kwam. Een venijnige tik van de letter op het inktlint. En dan rammelde je, zoals dat toen heette, door op de typemachine, een prachtige uitvinding.

En dan, als je een paar regels had geschreven, realiseerde je dat het niet goed was. Niks deleten. Je trok het papier uit de typemachine, las even de regels die je had getypt. Je besloot dat het inderdaad niks was en je verfrommelde het papier tot een prop. Prullenbak vol? Dan maar er gewoon naast. Zo lagen er soms een stuk of tien proppen. Het mooie van een prop was dat je de mislukking zag. Allemaal pogingen, allemaal mislukt.

Ik moest aan de prop denken omdat ik een brief aan Rokus probeer te schrijven. Er hadden zeker vijftien proppen om mij heen moeten liggen. Het lukt niet. Ik mis de stroom van woorden, de scherpte van de woorden. Opnieuw delete ik een poging. Jammer dat je er niks meer van ziet. Zinnen die ik nu schrijf op mijn laptop, verdwijnen in een groot niets.

Als ik een typemachine in een antiquariaat zie staan, kan ik het niet laten om ernaar te kijken, even te voelen. Hoe vaak ik niet heb overwogen om er een te kopen. Er een kopen en er vervolgens gewoon op gaan werken. Het tikken, het rammelen terugbrengen in huis. De terugkeer van de prop.

Maar ja, de typemachines die het massale uitsterven hebben overleefd zijn niet te tillen bakbeesten. Zit ik daar aan mijn werktafel achter zo’n enorm apparaat. De evolutie heeft ze niet voor niets veroordeeld tot uitsterven. Onhandig, lomp. Wat bleef, was mijn romantische idee van het typen. Steve Jobs heeft rigoureus werk verricht. Komt bij dat Wyb mijn romantisch idee over de typemachine niet deelt – en om zo’n apparaat nu op of in een kast te zetten, vind ik ook een larmoyant gebaar.

Wat ook bleef zijn de foto’s van de schrijvers achter hun typemachines, ooit verzamelde ik ze. Staan ze eigenlijk nog op Dossiermoddergat? Grote kans dat ik ze ooit heb verwijderd. Soms ben ik rücksichtslos.

Het letterstangetje schoot omhoog, drukte op het inktlint en liet dan een afdruk achter. Maar elke afdruk was anders. Sommige stangetjes drukten minder hard door dan de andere, je aanslag op de toetsen was ook onregelmatig, hierdoor stond een nogal rommelig tekstbeeld. Sommige letters zoals de e of de o liepen dicht, werden inktpunten. Maar die onvolmaaktheid was onderdeel van de schoonheid van de typemachine, vond ik. Voorbij, voorbij. Allemaal verdwenen.

Ik ga maar eens door met de brief aan Rokus. Ook de volgende versie zou wel weer een prop zijn geworden.

Dopamine

Woensdag 19 november, Delft

 

Als het waar is dat kunst een gunstige werking op de hersenen heeft, waardoor je minder kans op Alzheimer hebt, dan heb ik, denk ik, een goede kans om aan het monster te ontsnappen. Zo niet, dan zal ik zelf moeten ingrijpen. Als je kijkt naar kunst, of kunst zelf maakt, schijn je elke keer een stoot dopamine te krijgen. Gunstig, want Alzheimer zorgt ervoor dat je steeds minder dopamine aanmaakt. Kunst als medicijn dus. Het is de vraag of een overdosis dopamine ook goed is, want als dat niet het geval is, dan ben ik juist de pisang, vrees ik.

Afgelopen vrijdag, op weg naar Ameland, bezochten we in Oranjewoud, vlak bij Heerenveen, Museum Belvédère. Dit langwerpige museum, gelegen op een vlakte, omgeven door bos, is voor mij een van de mooiste musea van Nederland. Architectonisch, maar ook qua keuze voor kunst. Sinds de oprichting bezoeken Wyb en ik regelmatig Belvédère. De programmering blijft nog altijd dicht bij de smaak van de oprichter van het museum, Thom Mercuur. Het museum toont een collectie kunstwerken van belangrijke Friese schilders als Jan Mankes, Thijs Rinsema, Tames Oud, Gerrit Benner, Boele Bregman, Willem van Althuis en Sjoerd de Vries, maar laat daarnaast ook werken van geestverwanten uit binnen- en buitenland zien.

Zo is er momenteel in de linkervleugel een tentoonstelling te zien van werk van de op de Faeröer-eilanden geboren Sámal Joensen-Mikines (1906-1979). De kunstenaar werkte voornamelijk op het eiland Mykines – waarnaar hij werd vernoemd – en liet zich inspireren door zijn directe omgeving: de zee, het ruige heuvellandschap, de kale hellingen en kleine vissersdorpjes.
Langs de werken lopend valt me op dat op nogal wat schilderijen mensen in de verte turen. Het is een beetje verkrachting van zijn werk, maar ik heb de figuren uit het totale werk gehaald door ze te fotograferen. Hieronder op foto’s het resultaat. Met excuses aan Sámal Joensen-Mikines.

In de rechtervleugel is het werk van Nederlandse kunstenaars te zien. Je komt er Benner tegen, Mankes, Armando en vele anderen. Genieten. Alle reden om er binnenkort weer heen te gaan. Want van 21 februari tot 7 juni exposeert de Harlinger kunstenaar Jan Roos er, een van mijn favoriete schilders.

Gisteren gingen Wyb en ik naar Fenix in Rotterdam, een kunstmuseum over migratie. Wie er nog niet is geweest: onmiddellijk gaan, het is er prachtig, zowel architectonisch als het tentoonstellingsbeleid.
Zo verzamelde het museum tweeduizend koffers die met hun eigenaren over de wereld reisden. Elke koffer markeert een belangrijk moment of grote verandering in iemands leven. Ze zijn opgesteld als een soort doolhof. Met een apparaatje kun je luisteren naar de geschiedenis van diverse koffers. Het geheel is zo indrukwekkend.

Ook op de begane grond een fototentoonstelling waar je je vingers bij aflikt onder de titel The Family of Migrants. Hier zijn foto’s te zien van 136 fotografen, en niet de minsten. Werkelijk een prachtig vormgegeven tentoonstelling.
Op de eerste verdieping zijn dan enorme zalen ingericht met de meest prachtige werken. Mooi om te zien dat het kleine portret van Erasmus, geschilderd door Holbein, de spil van de tentoonstelling is. Centraal staat de migratie, Erasmus is in ieder geval na een lange reis weer thuis in Rotterdam.

Spectaculair is de trap die zich dwars door het gebouw omhoogwentelt en van het gebouw een brede toeristische attractie maakt. De trap gaat door het dak en stijgt hoger en hoger. En bovenin heb je uitzicht op de stad, de Maas, de dynamiek van Rotterdam.
Bij ons stroomde de dopamine weer een paar uur flink door het hoofd. Twee shots medicijn in vijf dagen, wat een luxe.

Journal d’images

Formateur

Dinsdag 18 november, Delft

 

‘Met Thom de Graaf.’
‘Ha Thom, Rob Jetten hier.’
‘Ha Rob, hoe gaat het? Druk zeker? Vlot het een beetje met Bontenbal.’
‘Prima, echt prima. Maar waar ik over bel. Over drie weken is deze informatiefase afgelopen en dan gaan we formeren. En ik dacht, laat ik vooruit denken en kijken of ik een formateur kan vinden. En toen dacht ik eigenlijk als eerste aan jou.’
‘Wat een eer, Rob.’
‘Zou je daar interesse in hebben?’
‘Zeker wel. Maar het kan niet.’
‘Hoezo niet?’
‘Nou, je wilt mijn appjes niet zien. Het is toch zeer regelmatig dat ik die mevrouw Yeşilgöz een kreng heb genoemd. Ik heb mij zelfs weleens verlaagd door de term kutwijf te gebruiken. Ik weet het, niet echt rechtsstatelijk, maar ja, soms word je gewoon boos en dan ontsnapt zoiets.’
‘En je vermoedt dat die appjes naar buiten zouden komen?’
‘We weten inmiddels dat we niemand kunnen vertrouwen, Rob. En we kunnen ons niet nog eens een Wijersje permitteren.
‘Zeker niet. Goh, Thom, kutwijf, dat had ik van jou nou echt niet verwacht.’
‘Niets menselijks is mij vreemd.’
‘Jammer, echt. Ik ga verder zoeken. Heb jij nog een advies?’
‘Wat dacht je van Boris Dittrich?
‘Heb ik zelf ook aan gedacht.’

‘Met Boris Dittrich.’
‘Boris, met Rob hier.’
‘Ha, druk baasje.’
‘Schei uit. Ik weet niet meer of ik van voren of van achteren leef. Maar waar ik over bel. Over drie weken is deze informatiefase klaar en dan gaan we formeren. En ik dacht, laat ik vooruit denken en kijken of ik een formateur kan vinden. En toen dacht ik eigenlijk als eerste aan jou.’
‘Rob, nee. Alsjeblieft. Ik rond één tafel samen met die feeks? Dat gaat echt niet lukken. Je moet mijn tijdlijn zien, man, met mij heb je een tweede Hans Wijers.’
‘Dat zal toch wel meevallen?’
‘Nee joh. Wacht, ik zal je even uit eigen werk voorlezen. Even scrollen. Hoor, hou je vast. Hier: tang van de VVD, serpent, helleveeg, vond ik ook een mooie, loeder, mispunt, secreet. En zo kan ik nog wel even doorgaan.’
‘Ik hoor het al. Weet jij iemand anders voor me?’
‘Wat dacht je van Pechtold?’

‘Met de secretaresse van de burgemeester.’
‘Goedemiddag, met Rob Jetten, kunt u mij doorverbinden met de burgemeester?’
‘Zeker. Momentje meneer Jetten.’

‘Rob, wat een verrassing.’
‘Heb je het naar je zin daar in Delft?’
‘Prachtige stad, fijne stad.’
‘Fijn, Alexander, maar luister. Waar ik over bel. Over drie weken is deze informatiefase klaar en dan gaan we formeren. En ik dacht, laat ik vooruit denken en kijken of ik een formateur kan vinden. En toen dacht ik eigenlijk als eerste aan jou.’
‘Rob, ik ben hier net benoemd, heb het hartstikke druk.’
‘Och, een paar weekjes ertussenuit, moet toch lukken? Het lukte Koolmees ook.’
‘Eén probleem, Rob, ik ben een Hans Wijers. Bij ons thuis noemen we Yeşilgöz consequent de Vrouwe Pinokkio van de VVD.’
‘Nou, dat valt nogal mee?’
‘Wil je onze andere benamingen horen? Wat dacht je Vrouwtje Liegbeest. Of van De Gluiperd, De Hypocriet, of gewoon De Trut. Of De Farizeeër. Ik bedoel maar, ik ben volstrekt ongeschikt. En dan blijf ik tegenover jou nog netjes. Het kan nog erger, Rob. O ja, mijn vrouw noemt haar De Krultang.’
‘Ik geloof je Alexander. Maar wat moet ik? Ik vermoed dat ik geen D66’er vind die niet eenzelfde soort tijdlijn op zijn WhatsApp heeft.’
‘Probeer Thom de Graaf, dat is een nette jongen.’
‘Die heeft me al lang geleden laten weten dat hij niet wil.’
‘En kun je niet gewoon doorgaan met Buma? Buitengewoon nette kerel. En het informeren samen ging toch prima?’
‘Je wordt bedankt Alexander voor die goede tip. Je snapt toch wel dat dit mijn eer te na is? Ik ga gewoon nog maar eens wat verder bellen.’
‘Sigrid Kaag?’
‘Succes daar in Delft!’

Journal d’images

Wij in Fenix. Morgen meer.

Curiosa

Maandag 17 november, Delft

 

Het is goed voor een blogger om zo nu en dan de wijde wereld in te trekken, bleek afgelopen weekend. Dan kom je nog eens curiosa tegen.

We zitten heerlijk te eten en te drinken bij Overzee, het restaurant waar Esmee werkt. Dan klinkt buiten een harde knal. Een cobra, vermoed ik.
‘Dat doen ze om te laten weten dat er weer drugs zijn,’ zegt Esmee.
Ik geloof niet dat ik reageerde, hoorde het wel, en het verbaasde me ook. Een knal als communicatiemiddel?

Een dag later zijn we bij Anneke in Kollum voor een bliksembezoek. We maken het staartje van de Sinterklaasintocht nog mee. Op weg naar haar lopen we tussen enthousiaste kinderen door.
Als we aan de thee met speculaas zitten, en alle familieperikelen doornemen, klinkt ook hier een harde knal.
‘Dat hoor je tegenwoordig vaak,’ zegt Anneke. ‘Dan schijnen ze aan elkaar te laten weten dat er weer drugs te koop zijn.’
Ik hoor het opnieuw, maar het wordt geen gespreksonderwerp.

Een paar uur later zitten we aan tafel bij Tjaart en Suze, Pien is er heel gezellig ook. Opeens klinkt in deze nette buitenwijk een harde knal.
‘Ik heb gehoord dat ze elkaar zo laten weten dat ze weer drugs hebben om te verkopen,’ zegt Pien, en ook Suze schijnt dat gehoord te hebben.

Driemaal is scheepsrecht, drie keer op één dag. ‘Is dit geen hoax?’ vraag ik me hardop af.
Het is toch gek dat ze in deze tijd van digitale communicatie, met één mailtje en één druk op de knop kun je net zoveel mensen bereiken als je wilt, teruggrijpen naar een soort tam-tam uit de oertijd? Bam! Jongens, er is weer cocaïne te koop.
Hoe ver draagt zo’n knal? Het is klerenherrie, maar na twee kilometer houdt dat geluid het wel gezien, denk ik zo. Jammer als je dan verder woont, horen je klanten het niet. Een gebrekkige manier van acquisitie, zo’n cobra afsteken.
De buren van de dealer zullen er ook niet blij mee zijn. Hoe vaak kan zo’n dealertje een cobra afsteken zonder dat de politie komt? Als ik zo’n ventje een advies mag geven: koop een iPhone en zet je klantenbestand erin.

Hoe weten Esmee, Anneke en Pien dit? In welke krant heeft dit gestaan? Niet in de mijne. Dit hele verhaal ruikt naar een origineel Broodje-Aapverhaal. Een verhaal dat wordt doorverteld alsof het echt is gebeurd, hoewel er geen concrete bewijzen voor zijn. In het Engels heet dit soort verhalen urban legends. Ze spelen zich af in de moderne tijd, meestal in een stedelijke omgeving, wat het verhaal herkenbaar en ‘geloofwaardig’ maakt. Ze hebben vaak een dreigend of eng karakter.

Maar goed. De mens is knettergek, alles is mogelijk. Want zo kwam ik dit weekend ook achter de vermaardheid van ‘six, seven’. Wat het betekent? Niemand die het precies kan zeggen, maar het is in Engeland wel het woord van het jaar geworden. En het wordt ook in Nederland volop gebruikt bij de jeugd.
Het hoort ook al bij het vocabulaire van mijn kleindochter. Volgens haar betekent het zoiets als ‘mwah’ of ‘zo-zo.’ Dus bij alles en nog wat te gebruiken. Cobra’s zijn ook overal voor te gebruiken. Wat grenzen? Geen grenzen. ‘Six-seven’. Als je het gebruikt, vergeet dan niet een zwaaiende beweging met je handen van boven naar beneden te maken, alsof je iets afweegt.

Journal d’images

Sponsor 2

Zondag 16 december, Delft

 

Uitje, dag 1. Regen van Delft tot Nes (Ameland). Eerst regengordijnen van opspattend water door het vrachtverkeer. De kwaliteit van de ruitenwissers wordt uitgetest. Dan, het is maanden geleden dat we Holwerd passeerden en vervolgens het roestige landschap van de Waddenkust inreden. Donkere regenwolken hangen zwaar op het water. Er is nauwelijks verschil tussen lucht en water. Ik kijk uit het raam in een poging om Moddergat te zien. Het is verstopt achter regen. Hoe vaak hebben we het Wad zo wel niet gezien, een van de laatste woeste gebieden van Nederland.

Op weg naar de boot pikten we eerst Malu in Leeuwarden op. Ze trekt een grote koffer achter zich aan. Of ze nou in Leeuwarden of Nes is: ze wil altijd haar hele garderobe beschikbaar hebben, legt ze uit. De koffer reisde al vele malen van Nes naar Leeuwarden en andersom.
Op de boot opent Malu op haar iPad een app met vele spelletjes. De essentie van elk spelletje: zo snel mogelijk op een knop kunnen drukken om iets te raken. Aangezien ik nooit game, word ik bij elk spelletje totaal ingemaakt. Ik ben een oude man. De wereld is mij voorbijgestreefd, ik blijf machteloos achter.

Hereniging met de familie. ’s Avonds genieten van een uitgebalanceerde wijn-spijsverhouding en goede gesprekken. Daarna duiken Wyb en ik nog het bad in op onze hotelkamer en dommelen wat in het warme water. Een gelukzalig einde van de dag.

Uitje, dag 2. Het is best zwaar om sponsor te zijn. Om elf uur staan we al in guur weer op het voetbalveld van v.v. Geel-Wit. Het miezert, daarbij een gemene, koude wind. Vernikkelen, noemden we dat vroeger. Ik heb medelijden met die knaapjes die daar in korte broeken over het veld rennen. Al lijken ze er geen last van te hebben. Wat een verschil met de laatste keer dat we ze zagen voetballen. Ze combineren, vechten, houden professioneel positie. Ze winnen met 7-1.

Of mijn sponsorschap gaat renderen, ik weet het niet. Ik vermoed dat Joris toch meer een theoreticus is. Hij analyseert perfect de kwaliteiten van zijn medespelers. Hij duidt de spelbewegingen. Verder gaat hij duidelijk voor de schoonheid van het spel. Als hij de bal krijgt, houdt hij hem een paar keer op zijn voet omhoog. Knap werk; het overspelen mislukt helaas. Neemt niet weg dat ik als sponsor hoop blijf houden. Gelukkig duren voetbalwedstrijden op dit niveau maar twee keer een halfuur. We vluchten in het busje van Arjan en Esmee van de kou naar de warmte.

Daarna naar Drenthe voor een etentje bij Suze en Tjaart. Het is duidelijk dat we lang niet meer in Meppel zijn geweest. Het lukt ons maar niet in de buurt van hun huis te komen. Google is de weg kwijt, de Wyb-Wyb is de weg kwijt. Meppel heeft buitenwijken met de kronkeligste wegen van Nederland. Geef mij maar buurten met rechte wegen die haaks op elkaar staan. Gelukkig vinden we uiteindelijk hun huis en is er de warmte van vriendschap.

Als Wyb de navigatie instelt, blijkt dat we nog 189 kilometer moeten rijden. Voor het eerst sinds lang hoor ik Met het oog op morgen weer eens op de radio. Wyb valt in slaap. Heerlijk, rijden in de nacht over wegen waarop, opmerkelijk, nauwelijks minder auto’s rijden dan overdag. Het laatste stuk rijden we over een gloednieuwe weg die langs Airport Rotterdam loopt. We verbazen ons over een nieuwe tunnel waar geen einde aan lijkt te komen – dat ding ligt zomaar op een paar kilometer van ons huis.

Sponsor 1

Vrijdag 14 november, Delft

 

Vandaag reizen we eindelijk weer eens naar het noorden. Ons belangrijkste doel is sponsoring. Jarenlang ontving ik sponsors, legde ik ze op allerlei manieren in de watten door een sociëteit voor ze op te richten, ze mochten hun naam aan een zaal geven, konden voorstellingen en concerten sponsoren en stoelen werden naar hen vernoemd, je kon het zo gek niet bedenken. Maar vandaag, of liever morgen, ben ik de sponsor.

Mijn kleinzoon is namelijk een fanatiek voetballer en al enige jaren ben ik de sponsor van die activiteit. Als hij namelijk nieuwe voetbalschoenen nodig heeft, en dat is best wel vaak, want het jong groeit als kool, dan kan hij me bellen en mag hij nieuwe voetbalschoenen uitzoeken. Dit keer koos hij voor kekke roze schoenen, vermoedelijk omdat zijn idool Mbappé, met voetbalschoenen in dezelfde kleur speelt. Door de jaren heen heb ik zo de modes in voetbalschoenen kunnen volgen.

Morgen willen Wyb en ik weer eens de verrichtingen van ons sponsorproject bekijken, volgens zijn moeder is hij als voetballer enorm gegroeid. Dat is mooi, want ik sponsor hem natuurlijk niet voor niets. Ik heb de volgende sponsorafspraak met hem gemaakt. Mocht hij een groot voetballer worden, en de hele familie hoopt dat van harte, dan krijg ik tien procent van zijn inkomsten. Dus de kans is groot dat hij die roze voetbalschoenen nog duur moet betalen. Het zal de eerste keer zijn dat ik hem op een groot voetbalveld zie spelen. De laatste keer voetbalde hij nog op een half veld. Onze verwachtingen zijn hoog.

Dit blog schrijf ik in de auto, ergens tussen Almere en Joure. Voor ons is het ook een dagje uit. Of liever: twee daagjes. Want vandaag bezoeken we eerst Museum Belvedère in Oranjewoud. Voor wie het niet kent: een aanrader. Het is niet groot, maar de tentoonstellingen zijn altijd de moeite waard, het gebouw zelf is prachtig in zijn eenvoud.

Het is de bedoeling dat we om 15 uur Malu gaan ophalen uit Leeuwarden, waar zij op vijftienjarige leeftijd, geheel op zichzelf, in een appartement woont. Al op vijftienjarige leeftijd? Ja, en het gaat prima. Ze rijdt dan met ons mee naar Ameland, alwaar wij vanavond met de familie copieus zullen eten, samen met de jonge voetballer van wie wij allen zulke hoge verwachtingen hebben.

Esmee heeft een hotelkamer met bad geregeld. De lezer van Dossiermoddergat, die ons al lang volgt, weet dat dit voor Wyb en mij een groot feest is. In de tijden dat we een bad hadden, brachten we daar heel wat tijd door. Niets zo ontspannend als een bad. Jammer genoeg moeten we het tegenwoordig met alleen een douche doen. Wat dat betreft zijn we er echt op achteruit gegaan.

Een ander voordeel van dit uitje. Eindelijk zien we weer eens de Waddenzee, en als we op de heenweg heel goed naar rechts kijken, dan zien we ons geliefde Moddergat liggen, waar dit blog zijn eerste hoofdkantoor had, waar het allemaal is begonnen.

Community art

Donderdag 13 november, Delft

 

Ik kom er steeds meer achter dat een bordercollie een perfect geconstrueerd beest is. Nu ik dit opschrijf, besef ik dat het woord ‘geconstrueerd’ natuurlijk een raar woord is in de context van een beest. Toch neem ik het woord geconstrueerd niet terug, want laten we niet vergeten dat de bordercollie ook een werktuig is, een geconstrueerd werktuig.

De mensen die de bordercollie hebben gecreëerd, hadden allemaal één beroep: herder. Op die grote heidevlaktes, waar schapen de neiging hebben alle kanten uit te grazen, maakt de mens niet zoveel klaar. Eigenlijk zijn mensen van nature niet uitgerust om schapen te hoeden. Onze lichamelijke conditie is gewoon te slecht. Gelukkig zijn we in staat om werktuigen te creëren en het belangrijkste werktuig voor de herder werd de bordercollie.

Een belangrijk onderdeel van dit werktuig is ’the eye’. Het is een zeer indringende blik waarmee hij naar schapen kijkt, op die manier intimideert en ze de gewenste richting indrijft. Hierdoor hoeft hij niet eens te blaffen.
The eye is een instrument dat Dies ook op ons toepast. Als het tijd wordt om te eten of uitgelaten te worden, gaat hij voor ons zitten en kijkt ons doordringend aan. Hierdoor weet hij precies duidelijk te maken wat de bedoeling is. Hij blijft net zo lang kijken tot we tot actie overgaan. Ook wij worden dus gedreven.

Een ander fantastisch onderdeel van de bordercollie is de witte pluim aan de staart. Het wordt ook wel herderslantaarn genoemd. Uit eigen ervaring weet ik hoe goed dat werkt. Als ik Dies ’s nachts in Cadouin uitlaat, kan ik altijd zien waar hij is. Als een hond tussen de schapen loopt, zwaait altijd de shepherd’s light boven de ruggen van de schapen. 

Andere eigenschap van de bordercollie is zijn ongelooflijke conditie. Een bordercollie is geen hond om de hele dag binnen te zitten. Als je geen tijd hebt om met hem te wandelen en te werken, neem dan geen bordercollie.

Omdat ze voor hun oorspronkelijke doel vaak en veel moeten werken, is het van belang dat ze goed kunnen communiceren. Zo kent Dies inmiddels honderden woorden. Als ik zeg ‘oversteken’ weet hij precies wat ik bedoel; als ik zeg ’terug’ weet hij dat hij achteruit moet lopen. Bovendien kwam ik er spelenderwijs achter dat hij ontzettend goed op gebaren reageert. Inmiddels hoef ik maar met mijn wijsvinger naast me te wijzen of hij komt naast me zitten. Een zwaai met mijn vlakke hand en hij gaat liggen.

Wat mij fascineert, is hoe al die anonieme herders samen zo’n hond hebben kunnen creëren. Goed beschouwd is de bordercollie een vorm van community art.
Het is natuurlijk een kwestie van selectie, al die herders hebben steeds hun beste honden uitgezocht om mee te fokken. Kleur deed er niet toe (al zijn de meeste zwart-wit), formaat ook nauwelijks, maar wat er wel toe deed was dat het een taaie hond moest zijn, bestand tegen het slechtste weer, en onvervaard. Zo kun je op YouTube filmpjes zien waarin bordercollies over de rug van schapen lopen om maar zo snel mogelijk voor de kudde te komen.

Dies is een perfect familielid. Toch vind ik niet dat we met hem moeten fokken. Het stomme beest is namelijk bang voor schapen. Toen hij klein was, liepen drie schapen op hem af om hem te intimideren, met de staart tussen de benen rende hij weg. Geen kwaad woord over Dies, maar hij is wel een waardeloze bordercollie, niet geschikt om een bijdrage te leveren aan het community-artproject dat bordercollie heet.

Journal d’images

Pingpong

Woensdag 12 november, Delft

 

Vandaag in de krant: het demissionaire kabinet van BBB en VVD, met samen 26 zetels van de 150, heeft besloten de tijdelijke controles aan de binnengrenzen te verlengen. Stoer! Wow, we zullen ze leren, die lieden die illegaal ons land willen binnenkomen. Zo geven we toch maar mooi uitvoering aan het strengste asielbeleid ooit. Hulde aan de vasthoudendheid van BBB en VVD, een man een man, een woord een woord.

Even wat cijfers. Van 9 december vorig jaar tot begin september dit jaar staken circa 5.350 marechaussees 7.830 uur in de controle van 123.320 mensen die Nederland wilden binnenkomen. Deze ferme inspanningen leverden op dat 470 ‘vreemdelingen’ de toegang tot Nederland werd geweigerd. Nog eens 230 mensen zijn bij de grenscontroles aangehouden. Zo, wat een fantastisch resultaat. Nogmaals: hulde! Deels zijn zij aan Duitsland en België overgedragen.

Aantekening hierbij. Het gaat hier niet om asielzoekers, want die hebben, ondanks grenscontroles, het recht om door te reizen naar Ter Apel, of een ander aanmeldpunt. De marechaussee is zelfs verplicht hen op hun rechten te wijzen. Service van de zaak.

Maar nu de grote pingpongtruc. Wij hielden dus 700 mensen tegen, maar omgekeerd gebeurde dat ook. Duitsland stuurde 690 vreemdelingen naar ons toe en België 120. Dat maakt samen 810 vreemdelingen. Per saldo heeft al dat gepingpong dus 110 mensen meer in Nederland opgeleverd. Laat we nu dus samen even lachen. Al dit gedoe levert per saldo dus helemaal niets op. Nou ja, 110 mensen meer.

De burgemeester van de grensgemeente Losser zegt: ‘Als je ziet wat er uit wordt gepikt, dan is dat niet veel meer dan wat het was bij reguliere controles in het grensgebied. Maar het gaat wel ten koste van politiecapaciteit, files en sluipverkeer voor ons.’

Ik begrijp dat hij dat zegt, maar die politiecapaciteit valt natuurlijk ook wel mee. 7.830 uur lijkt voor de oppervlakkige beschouwer veel. Maar een manjaar werk betekent in Nederland ongeveer 1.800 uur daadwerkelijk werken. Als je die 7.830 uur deelt door 1.800 manuren dan kom je op een werkelijke inzet van 4,35 marechaussees die de grens hebben gecontroleerd. Stoer, hè? Wat een enorme inzet.

Goed beschouwd kun je zeggen dat het dure foto’s waren. Eerst ging Fräulein Faber (PVV) naar de grens om zich met marechaussees te laten fotograferen. Nu maakte verantwoordelijk minister David van Weel de lange reis naar de grens om zich te laten fotograferen. Even wat auto’s aanhouden op een parkeerplaats, veel marechaussees in beeld, en knippen maar. De foto’s zijn gemaakt, het stemvee zal wel weer geloven dat wij onversaagd de asielproblematiek aanpakken.

4,3 marechaussees moeten dus 1.027 kilometer aan grens bewaken. In totaal zijn er meer dan 840 grensovergangen in Nederland en dan reken ik de weilanden en de paadjes nog niet mee waarover je zonder problemen van Duitsland of België naar Nederland kunt oversteken. Laten we de 4,3 marechaussees veel succes wensen met deze omvangrijke taak. Een troost: de foto’s zijn gemaakt. Tweede troost: door dat gepingpong lijkt het net alsof ze echt aan het werk zijn.

Tot slot nog een cijfer. In totaal heeft de marechaussee 7.830 uur in de grensbewaking gestoken. Voor die 7.830 uur zijn 5.350 marechaussees ingezet. Iedere marechaussee heeft dus gemiddeld 1 uur en 24 minuten aan grensbewaking gewerkt. Net genoeg tijd om de foto’s te maken dus. Nogmaals hulde aan de BBB en de VVD dat zij dit voor elkaar hebben gekregen.

Journal d’images

Boom met opmerkelijk grote zakken.

Kwaadaardig

Dinsdag 11 november, Delft

 

Het woord kwaadaardig vind ik een van de mooiste woorden in de Nederlandse taal. Ogenschijnlijk bestaat het uit twee woorden met een tegengestelde betekenis: kwaad en aardig. Toch is het wonderlijk dat zulke tegenstellingen verenigd worden in één woord, dacht ik in eerste instantie. Maar dat is schijn. Het woord kwaad is duidelijk. Het verwijst naar iets wat onaangenaam, slecht of gevaarlijk is, denk maar aan het begrip ‘kwaadaardige kanker’. Het achtervoegsel aardig wijst niet naar lief of vriendelijk; het is in dit geval afgeleid van ‘aard’, wat ‘karakter’ of ‘aangeboren eigenschap’ betekent.

Het woord kwam bij mij op door een kunstje dat de VVD een dag na de verkiezingen flikte. In 2020 schreef Emile Roemer een nota over wat te doen aan de uitbuiting van arbeidsmigranten. Het was iedereen duidelijk dat de ‘rechtschapen’ Nederlandse ondernemers in slachterijen en kassen hun buitenlandse arbeiders op 19e-eeuwse wijze uitbuiten. Door een kwart van hun loon voor huisvesting in te mogen houden en hen daarvoor in krotten te laten wonen, waren buitenlandse werknemers volledig afhankelijk van de ‘rechtschapen’ ondernemers. Bij ontslag waren arbeidsmigranten ook onmiddellijk dakloos. Een doorn in het oog van vrijwel de hele Tweede Kamer.

Eddy van Hijum (NSC) schreef als minister van Sociale Zaken een wet om hier een einde aan te maken. Dat wetsvoorstel lag kant en klaar met het advies het in te brengen in het kabinet. De essentie van het voorstel: een einde maken aan de koppeling tussen loon en huisvesting. In de verkiezingscampagne sprak Yeşilgöz nog haar bezorgdheid uit over de positie van arbeidsmigranten. Eddy trad af en zijn ministerpost werd overgenomen door VVD’er Mariëlle Paul.

Zij diende het wetsvoorstel niet in bij het kabinet, maar trok het zelfs in. Ze zei hierover met de sociale partners overleg te hebben gehad, wat bij navraag niet waar bleek te zijn. Op zichzelf is het kwaadaardig om dit eigenmachtig te doen, terwijl iedereen ervan overtuigd is dat die uitbuiting absoluut niet langer kan. Opnieuw laat de VVD het belang van de ‘rechtschapen’ ondernemer prevaleren boven de ellende van arbeidsmigranten. Opnieuw wint een ondernemerslobby het.

Maar de werkelijke venijnige kwaadaardigheid bestaat eruit dat Mariëlle Paul dit pas een dag na de verkiezingen bekendmaakte, terwijl haar besluit al een tijdje vaststond. Door het uit te stellen na de verkiezingen voorkwam ze dat verontwaardiging de VVD in de campagne zou schaden.

Nou ja, nu we het toch over de kwaadaardigheid van de VVD hebben. Het standpunt van Yeşilgöz dat ze absoluut niet met GroenLinks/PvdA in een kabinet wil zitten, heeft natuurlijk alles te maken met eigenbelang en niets met de inhoud. Het was de manier om bij kwijnende peilingen de VVD voor rechtse kiezers weer interessant te maken. Dat de standpunten van beide partijen helemaal niet onoverbrugbaar uit elkaar liggen, is inmiddels overduidelijk aangetoond. Het is het zoveelste politieke spelletje dat door Yeşilgöz wordt gespeeld en waarmee het landsbelang wordt geschaad omdat ze een stabiel meerderheidskabinet hierdoor blokkeert.

Gisteren zag ik Yeşilgöz op televisie weer lachend naar verkenner Koolmees gaan. Ik moest meteen aan mijn moeder denken, ik weet precies wat ze bij dat beeld zou zeggen: ‘Zie je dat lachje? Dat is nou typisch een Farizeeër lachje.’

 

Plaaggeest

Maandag 10 november, Delft

 

Ieder mens heeft psychologische plaaggeesten. Ik zeg plompverloren iedereen in de hoop niet af te wijken van de gemiddelde mens. Een van mijn plaaggeesten is mijn bezorgdheid, vooral als het mijn naasten betreft. Het lukt mij maar niet die bezorgdheid in te tomen, laat staan in z’n hok te krijgen.

Gisteren stak hij weer in alle belachelijkheid de kop op. We hadden met Anne gewandeld op het strand, daarna bij ons gegeten. Om 21.53 zette ik haar met haar hond Kip op de trein. Met deze trein hoeft ze niet over te stappen. Een klein uurtje trein en je bent in Amsterdam.

Om 22.35 uur kreeg ik het bericht van Anne dat de trein Amsterdam niet haalt. In Haarlem moet iedereen uitstappen. Oorzaak: aanrijding met een persoon op het spoor. Ze moet nu met de bus naar Amsterdam Zuid, dan naar Centraal Station, vervolgens naar station Sloterdijk waar haar fiets staat.

‘En moet je dan van Sloterdijk door dat industrieterrein naar huis?’
‘Ja, maar ik heb Kip bij me.’ Kleine uitleg: Kip is een kleine Franse buldog waar Anne zo nu en dan op past.
‘Ja? En?’
‘Iedereen is bang voor Kip.’
‘An, die Kip stelt niks voor. Dat is een hondje van niks.’
‘Maar dat weten de mensen niet, hij ziet eruit als een buldog en daar zijn de mensen als de dood voor.’

De hele situatie brengt mij terug naar twintig jaar geleden. Anne werkte bij De Telegraaf. Haar fiets is kapot en nu moet ze lopend naar huis, dwars door het sinistere industrieterrein waar ze zo dadelijk ook door moet fietsen. Ze belt me op dat ik aan de lijn moet blijven, want ze loopt door het donker en vindt het best eng op dat lege industrieterrein.

Ik zat meteen hoog in de bezorgdheid. Wat moest ik doen als iemand haar belaagde? Ik zat in Den Bosch en zij liep daar in Amsterdam.
‘Blijf nou maar gewoon aan de lijn, dan zien ze dat ik aan het bellen ben.’
‘Is er dan iemand bij je in de buurt?’
‘Ja, er reed net een rare man langs op een brommertje.’
‘Godverdomme, ik wil nooit meer dat je over dat industrieterrein gaat, lopend noch fietsend.’ Natuurlijk werd mijn bevel volledig genegeerd. Mede omdat ze elke avond gewoon van haar werk naar huis moest.

Het is nu twintig jaar later. Vader bijna 71. Dochter 38. In de bus van Haarlem naar Amsterdam belooft ze mij niet naar Sloterdijk door te reizen, haar fiets gewoon morgen pas op te halen. Mijn bezorgdheid neemt iets af. Ik app haar: ‘Verstandig: eerst het bed, morgen de fiets.’ Anderhalf uur later kijk ik op de zoekfunctie van mijn iPhone of ze al thuis is.

Op het kleine schermpje zie ik echter dat ze bij Station Sloterdijk haar fiets uit de fietsenstalling haalt, zo precies is die zoekfunctie. Ik zie haar wegfietsen als klein zwart stipje. En verdomme, natuurlijk moet ze weer door dat ellendig, verlaten industrieterrein. Ik heb Lisa in mijn hoofd en alle andere vrouwen die ’s nachts werden aangerand, verkracht, vermoord.

Ik besluit te blijven kijken naar het stipje dat langzaam voortbeweegt. Ik weet dat het licht van haar fiets het niet doet. Kip heeft ze in een kistje voor haar. Het stipje gaat langs de Basisweg, de Transformatorweg. Soms lijkt het stipje stil te staan. Is er iets aan de hand? De Spaardammerbuurt komt nu in zicht, weet ik. Over acht minuten kan ze thuis zijn. Ik druk de zoekfunctie weg als ze haar straat in rijdt. Opgelucht. Eindelijk is de bezorgdheid weg.

Ik app: ‘Zeer onverstandig: eerst de fiets, dan het bed.’
Anne: ‘Ik was al benieuwd of je ging kijken.’

Ik had twintig jaar geleden al naar de psycholoog gemoeten om te vragen hoe ik die bezorgdheid zou kunnen verminderen. Nieuw persoonlijk doel: streven naar onverschilligheid.

Jutter

Zondag 9 november, Delft

 

Wanneer word je nou nog echt verrast, zoals vroeger bij Sinterklaas? Ik zelden. De opgewonden verwachting die je als kind had als Zwarte Piet op de deur bonkte ligt ver achter me. We vieren niet eens meer Sinterklaas. Het leven gaat z’n sukkelgangetje en verrassingen schijnen daar niet bij te horen. Jammer.

Vandaar dat ik gisterochtend erg verbaasd was dat er een groot pakket in de gang lag met mijn naam erop. Dat pakket had Wyb in de gang gelegd, want zij moest vanochtend al om kwart voor zeven op kantoor in Den Haag zijn. Eenmaal terug van het werk vertelde ze me dat het pakket voor de deur had gelegen, de pakketbezorger doet dat wel vaker.

Eerst eiste Dies zijn rondje, daarna mocht ik het pakket eindelijk openmaken. Op de bijgevoegde ansichtkaart van De Giraffestraat lees ik: ‘Het is niet dat ik jou associeer met veel spullen, maar bij sommige zaken moet ik wel aan jou denken. Daarom een pakketje samengesteld uit diverse huisontruimingen. Van de ’tattoo’ hoop ik ooit nog eens ’n foto te zien.’ Tattoo?

Als eerste pak ik er een dik boek uit met de titel Brieven van belang, met brieven van de meest uiteenlopende lieden. Het lezen daarvan belooft feest te worden.

Daarna vis ik er een zeep van 4711 uit. Mooi, die kan ik toevoegen aan mijn verzameling bij ons op de wc, waar meer spullen van 4711 staan. Die ik trouwens ook allemaal van Erik heb gekregen, want de afzender is natuurlijk Erik. Wat is het toch heerlijk om een vriend te hebben die huizen ontruimt. Erik is een soort jutter. Al menig huis heeft hij ontdaan van door de bewoners verzamelde troep, regelmatig gaat een heel leven door zijn vingers en vervolgens naar het stort, en gelukkig veel naar kringloopwinkels. Ik ben zo blij met het zeepje omdat ik dan elke dag weer even mijn oma kan ruiken. Haar slaapkamer en kasten roken intens naar 4711, het is een geur van zestig jaar geleden.

Erik heeft een buitengewoon geraffineerd pakket samengesteld. Zo haal ik er een tegel uit met de tekst N’engueulez pas le patron, la patronne s’en charge. Wat ik maar snel vertaal als: ‘Scheld de baas niet uit, dat doe de bazin wel’. Een tegel die het ook prima doet op de wc.

Evenals een dikke, vergeelde bloemlezing met Franse poëzie, in het Frans. Met dichters als Paul Verlaine en Baudelaire en allerlei andere dichters die ik met mijn gebrekkige Frans niet kan lezen. Maar dat bomt niet, ook dit boek komt op de wc te staan. Als we dan bezoek krijgen, en het moet naar de wc, dan zal men denken: zo, die Blogger, die is niet voor de poes, die leest als hij zit te kakken gewoon gecompliceerde Franse poëzie. Goed voor mijn snobgehalte.

Als laatste zit er een mapje met een doorzichtig vloeipapiertje in. Op dat vloeipapiertje staan dichtregels die je als tattoo op je lijf kunt plakken. De regel die ik op mijn bovenarm zet, heb ik al uitgezocht. Hij luidt: ‘Ik geloof in een rivier die stroomt van zee naar de bergen.’

Dit alles met grote dank aan Erik. Mocht je nog een huis hebben dat ontruimd moet worden, bel me even, dan geef ik je zijn telefoonnummer.

Gut

Reinier van Delden

Zaterdag 8 november, Delft

 

Reinier van Delden? Het belangrijkste om te weten is dat Reinier van Delden een schrijvend persoon is. Ik schrijf dat zo nadrukkelijk omdat hij zich zo, op de plekken waar hij publiceert, afficheert: een schrijvend persoon.

Ik leerde Reinier van Delden zo’n kleine tien jaar geleden kennen. Wyb vertelde dat ze een nieuwe vrijwilliger had aangenomen. Hij bleek, zo vertelde ze, ook te schrijven. Even daarna nam ze een boek van hem mee dat hij in eigen beheer had uitgegeven. Ik was verrast door de teksten die ik erin aantrof. Ik zeg teksten omdat ik niet weet of het nou gedichten of zeer korte verhalen zijn. Zelf noemt hij het, geloof ik, gedichten, ik vind het meer ZKV’s. Maar WTF (voor de boomers: what the fuck).

Reinier bleek overdag suppoost in Museum De Fundatie in Zwolle te zijn, ’s avonds trof ik hem steeds vaker in Ogterop. Uit zijn teksten blijkt duidelijk dat hij in Den Haag is geboren en daar een tamelijk turbulent leven heeft geleid. Hij was caféhouder en, als ik het goed begrijp, gek op zijn eigen koopwaar.

Hij besloot naar Parijs te lopen om eens goed na te denken over zijn eigen leven en wat hij nou precies wilde. De wandeling eindigde uiteindelijk in Rome en op die reis werd hem duidelijk wie hij wilde zijn, of eigenlijk al was: een schrijvend persoon. Om dat verder te ontwikkelen, en zijn verleden letterlijk achter zich te laten, verhuisde hij naar Meppel. Op zoek naar splendid isolation?

Ik snap dat de lezer benieuwd is naar de aard van zijn werk. Laat ik het proberen te typeren. Voor mezelf noem ik hem, met een grote slag om de arm en met de nodige onnauwkeurigheid: de Nederlandse Charles Bukowski, alleen lang niet zo rauw. Niet dat Reinier zich aan de zelfkant begeeft zoals Bukowski, maar hij is wel een outsider want zo kan ik hem toch wel omschrijven. Reinier wandelt en reist veel, is gek op het reizen met de trein, en met die activiteiten is hij vooral een kijker, een mijmeraar, maar vooral een tobber. Het leven is voor Reinier van Delden niet altijd makkelijk. Hij worstelt met de liefde, de doelloosheid, zijn twijfels en het maatschappelijk leven.

Ik moet ook aan Bukowski denken door de vorm die hij hanteert. Korte zinnen, de meeste zinnen op een aparte regel; zijn teksten zijn een soort zachte salvo’s, met echo’s van Carmiggelt en Jan Arends. De tekst Gut, die hieronder is te lezen, is karakteristiek voor zijn werk, en een van zijn laatste gedichten. Ik kreeg het eergisteren toegestuurd.

De lezer kan regelmatig van zijn schrijfsels genieten. Zo kun je vriend met hem worden op Facebook en dan krijg je elke week wel een gedicht van hem toegestuurd. Je kunt je via Substack op zijn werk abonneren. Bovendien gaf hij zes boeken uit, te bestellen via de boekhandel of zijn eigen website: www.reiniervandelden.nl.

 

Gut

Gut, zei ze.
Gut.
Ik had ’t lang niet gehoord.
Wie zei er nog gut?
Zij dus.
Ze moest toegeven dat ze het zelf eigenlijk ook nooit meer gebruikte.
Gut.
We waren iets kwijt.
Zo kwam ’t.
En ze floepte ’t eruit.
Zomaar opeens.
Gut, waar heb ik dat gelaten, zei ze.
En we zochten naar wat we kwijt waren.
M’n collega en ik.
Gut, waar ligt dat ding?
Geen idee wat we zochten?
Een bezem misschien?
Stoffer en blik?
Het deed er niet toe.
Gut, daar ging ’t mij om.
Waarom zei zij gut.
En ik God?
Godverdomme, zei ik.
Waar ligt dat klote ding?
Om de boel een beetje op te fokken.
Haar uit de tent te lokken.
Gut ja, zei ze.
Wie zegt dat nog?
Ach, zei ik.
Wat zal ’t.
Gut of God.
Als je maar vindt wat je zoekt.

Journal d’images

 

Betekenis

Vrijdag 7 november, Delft

 

Een blogger kan twee problemen hebben. Of hij weet niet waarover hij moet schrijven, of hij heeft te veel om over te schrijven. Dat laatste is nu het geval. Moet ik over ons bezoek gisteren aan het Depot Boijmans Van Beuningen schrijven? Of over die beroerde Paagman-boekhandel hier in Delft, of misschien over het maken van aantekeningen in boeken? Ik kan ook nog schrijven over de een na laatste bladzijde in Zwarte honden, het boek van Ian McEwan dat ik pas uit heb.

Terwijl ik zit te dubben, hoor ik Wyb in de kamer naast mij praten. Ik noem die kamer Het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Een of twee keer per week is Wyb daar aan het werk, zo ook vandaag. De kamer is een echt kantoor. Achter een stuk of drie beeldschermen houdt Wyb contact met de wereld en de Nederlandse ambassades. Ik hoor haar praten, maar ik versta haar niet – gelukkig is de kamer goed geïsoleerd.

Wat mij trof, is de tegenstelling tussen waar Wyb mee bezig is en waar ik mee bezig ben. Ik zit hier een beetje introvert te dubben hoe ik de lezer van Dossiermoddergat vandaag weer kond doe van mijn wederwaardigheden. Aan de andere kant van de deur houdt Wyb zich bezig met de noden van de wereld. Het kan goed zijn dat ze nu een ouder aan de lijn heeft die zich zorgen maakt over een dochter of zoon met wie ze maar geen contact kan krijgen in het buitenland. Alles is mogelijk. Misschien heeft ze een gevangene in Indonesië aan de lijn, die maar één telefoontje uit de gevangenis mag doen, en dat nu met Wyb voert – een grote verantwoordelijkheid. Even is zij de enige lifeline voor iemand in nood. Als je hoort wat Wyb voor haar kiezen krijgt, mensen die totaal berooid in het buitenland zitten, mensen met psychische problemen, mensen die beroofd zijn, zou je nooit meer het veilige Nederland willen verlaten.

Ondertussen ploeter ik door met mijn naar binnen gerichte werkzaamheden. Aangezien het kantoor van Wyb nu het Ministerie van BZ is, betekent dat ik zelf geen eigen kamer meer heb. Dit is misschien wel voor het eerst in mijn leven. Maar dat voorrecht gaf ik graag op voor het publieke belang, liever een kamer voor mensen in nood in het buitenland dan dat het beschikbaar is als luxueuze faciliteit voor een blogger.

Overigens heb ik niets te klagen. Onze woonkamer is nu mijn kantoor, compleet met uitzicht op een zonnig Delft. Maar als ik zo in mijn eentje zit te klooien, denk ik ook weleens of ik niet, net zoals Wyb, wat meer maatschappelijke betekenis zou moeten nastreven. Een vrijwilligersbaantje hier of daar, ik zou er mensen een plezier mee kunnen doen, aldus mijn rationele kant. Maar als ik al eens de aanvechting voel om mij daarop te oriënteren, voel ik meteen de weerstand. Ik moet er niet aan denken dat ik mijn vrije leven, elke dag een blogje schrijven, in het wilde weg lezen, al deze egocentrische bezigheden, zou moeten opgeven. Ik praat het mezelf goed met de gedachte dat ik lang genoeg het publieke belang heb gediend.

Journal d’images

Kettinglezer

Donderdag 6 november, Delft

 

Ha Peter, je vraagt me hoe ik bepaal wat ik ga lezen. Interessante vraag, die me eindelijk eens dwingt om erover na te denken. Ik laat je bij voorbaat weten dat het absoluut geen rationeel proces is. Zoals de een surft over het internet en hier en daar wat aanklikt, zo surf ik over de literatuur.

Jij vertelde me laatst dat je We gaan zo van Koos van Zomeren las, een nieuw boek van hem in de Privédomein-reeks en dan denk ik: hé, dat is interessant, decennia geleden las ik Een jaar in scherven van hem in dezelfde reeks, laat ik We gaan zo ook eens lezen. Met de Privédomein-reeks heb ik mij vrijwel nooit een buil aan gevallen, integendeel. Zo heb ik daar de boeken van Paustovskij ontdekt en ze allemaal gelezen, evenals de biografie van Pablo Neruda, dit allemaal ontzettend lang geleden.

Eigenlijk hop ik van het ene in het andere boek, ik ben gewoon een kettinglezer. Het ene boek is nog niet uit, of ik sla het andere al open. Vaak lees ik twee boeken naast elkaar. De afgelopen tijd heb ik twee boeken van Ian McEwan gelezen. Het derde lees ik nu naast Koos van Zomeren. Ik kwam op Ian McEwan omdat ik een goede recensie las over zijn laatste boek, Wat we kunnen weten. Dat smaakte naar meer en daarom las ik Zwarte honden. Nu ben ik bezig met Lessen.

Anders dan jij ben ik vrijwel uitsluitend een lezer van literatuur, afgewisseld met biografieën. Non-fictie lees ik heel weinig. Soms een boek met een wat filosofische inslag, bijvoorbeeld Kennis van de ziel en andere essays van María Zambrano. Maar heel vaak word ik teleurgesteld in non-fictie. Fictie voert mij mee, bij non-fictie ben ik, als ik begin, vaak snel uitgelezen. Men wil iets vertellen, maar vaak denk ik na een paar tientallen bladzijden: ja, nu weet ik het wel, en dat gaat men nog een hele tijd door.

Een ander selectiecriterium is dat ik boeken lees van schrijvers die ik sowieso (Koos van Zomeren schrijft zowiezo, wat ik wel een vondst vind) volg zoals Michel Houellebecq en Tommy Wieringa. Als zij een nieuw boek schrijven, ben ik een koper. De nieuwste van Geert Mak wil ik ook graag lezen, daar heb ik die non-fictie vermoeidheid niet bij.

Jij schrijft: ‘bij Arnon Grunberg, Hanna Bervoets en Peter Buwalda etc. kom ik nooit uit.’ Heb ik hetzelfde. Ik heb een paar boeken van Grunberg gelezen, maar een enkele kon me echt boeien. Zijn essays en artikelen zijn nooit voor mij geschreven, ik vind het meestal interessantdoenerij. Van Hanna Bervoets heb ik nog nooit iets gelezen, maar dat zou best eens een vergissing kunnen zijn. Het eerste boek van Buwalda heb ik gelezen en van genoten, zijn tweede en derde boek vond ik ronduit gezeur, geschreven zonder idee of doel. O ja, Ilja Leonard Pfeijffer lees ik ook graag.

Ik begrijp dat je er geen touw aan kunt vastknopen, ikzelf dus ook niet. Ik lees maar wat, en meestal geniet ik. O ja, en dan heb ik nog diverse informanten die meer en/of anders lezen dan ik en die zeggen dat ik dit of dat boek toch zeker moet lezen. Zo kwam ik zelfs bij de Duitse literatuur uit, Juli Zeh bijvoorbeeld.

Als je het niet erg vindt, gebruik ik dit antwoord meteen als blogje voor Dossiermoddergat. Dat komt omdat wij vandaag het Depot Boijmans Van Beuningen bezochten. Wat een verrassing! Maar daardoor had ik vanmorgen geen tijd om een blog te schrijven. Op deze manier kan ik dat goedmaken.

Ik wens je trouwens alle beterschap. Zorg er maar voor dat je snel weer kunt gaan trainen. Hopelijk voel je je wel zo goed dat je kunt lezen. Of voel je je daar ook te lamlendig voor? Hartelijke groet!

Readymade

Vader

Soms verlang ik ernaar
om met mijn dode vader
over de dood
van mijn vader te praten.

Journal d’images

Brulkikker

Woensdag 5 november, Delft

 

De VVD is een vloek voor het land. Hè, hè, dat is eruit. Ik wilde die zin zo graag eens een keer opschrijven. Ik had natuurlijk ook kunnen zeggen ramp, of de pest voor het land, drama, had ook gekund, of tragedie, catastrofe. Maar vloek vond ik toch mooier, dat heeft iets oudtestamentisch, en daarmee iets onoverkomelijks. Een vloek komt over je, lijkt door hogerhand veroorzaakt. Nou is dat niet het geval, maar wat wel onoverkomelijk is, is dat we in een in-en-in-rechts land wonen, waar de VVD als een soort parasiet op zit.

Het is misschien wat overdreven die vloek, maar die zit er niet ver vandaan. Van de afgelopen veertig jaar heeft de VVD dertig jaar in de regering gezeten. De afgelopen vijftien jaar zelfs onafgebroken, 12 jaar daarvan leverde de partij ook nog eens de premier.

Er is best veel te doen in Nederland. We hebben een woedendmakende wooncrisis. En verder, ga even rechtzitten, is er een ernstig voortwoekerend stikstofprobleem, waardoor het land op slot zit; bedrijven en woningen kunnen niet meer op het elektriciteitsnet worden aangesloten; de kloof tussen arm, rijk groeit exceptioneel; de zorg en de vergrijzing roepen om maatregelen; een substantieel deel van de Nederlanders maakt zich zorgen over hun bestaanszekerheid door dreigende armoede; en dan zijn er ook nog mensen die zich zorgen maken over de migratie, enz., enz. O ja, de klimaatcrisis ben ik vergeten. Niet gek, wie praat er nog over.

De VVD gedraagt zich elke verkiezing als een brulkikker, de partij blaast zich op vol zorgen en roept dat er eindelijk eens iets moet gebeuren. Maar, lieve VVD-mensen, als iemand in de gelegenheid was om er iets aan te doen: dan waren jullie dat. Sterker: veel van die problemen zijn veroorzaakt door VVD-beleid. Klein voorbeeldje. Het feit dat jullie de woningbouw totaal hebben overgelaten aan de markt, was natuurlijk een gigantische blunder.

Gelukkig is er nu een stroming in Nederland die zegt: geen gelul meer, we gaan die problemen met een stabiel middenkabinet oplossen. Als D66, CDA, GroenLinks/PvdA en VVD bij elkaar gaan zitten, dan gaan we die problemen oplossen. Met een beetje goede wil moet dat voor Kerstmis lukken. Dan zou een stabiele regering ontstaan met een meerderheid van 86 zetels en een meerderheid in de Eerste Kamer.

Goede wil. Belangrijk begrip in dezen. Want die ontbreekt bij de laatste partij. Het ging namelijk verdomde slecht met die VVD, zelfs het baantje van Yeşilgöz stond op de tocht, en in blinde paniek dachten ze: we moeten zoveel mogelijk rechtse kiezers naar ons toelokken. Het magisch middel voor potentiële rechtse kiezers is dan: je afzetten tegen de sociaal-democratie. Pavlovreactie: VVD sloot GroenLinks/PvdA uit. Baantje van Yeşilgöz gered omdat ze in plaats van acht slechts twee zetels verloor. Zodoende konden we er getuigen van zijn dat de VVD de eerste partij is die massaal aan het dansen sloeg terwijl ze verloren. Moet gezegd, de partijleidster had goede moves, ik was er jaloers op. Mooi soepel lichaam.

Het gevolg: impasse. In plaats van vóór Kerstmis zal de formatie zeker tot na maart duren als de gemeenteraadsverkiezingen achter de rug zijn. Want die verkiezingen mogen er niet de dupe van worden dat de VVD op zijn uitsluiting terugkomt.

Nu er vaart kan worden gemaakt en de oude Ruttiaanse politiek kan worden verlaten, blokkeert de VVD opnieuw voortvarendheid. De VVD zorgt er nu al zes jaar voor dat er nauwelijks geregeerd wordt. Het laatste kabinet-Rutte was invalide, het kabinet daarna was comateus omdat Yeşilgöz de deur voor de PVV had opengezet. Ik herhaal het nog maar een keer: de VVD is een vloek voor het land.

Journal d’images

Beweegpunt

Dinsdag 4 november, Delft

 

Ik durf het mijn dochters niet te vertellen. Ik hoor hun hoongelach al.
‘Geer, dat meen je niet. Je weet toch dat het geen zin heeft. Je gaat een paar keer en dan stop je er weer mee.’
‘Pa, zinloos. Hou je niet vol. Niks voor jou.’
Ze zullen me wijzen op de geavanceerde roeimachine die Wyb en ik ooit aanschaften en op onze zolder in Den Bosch jarenlang stond te verstoffen. Alles bij elkaar zo’n tien keer gebruikt.

Ik heb het over fitness. Wyb en ik zijn toch maar lid geworden van een fitnessclub. Dat hebben we al vier keer eerder gedaan, maar elke keer stopten we ermee na vijf of zes bezoeken. Ik vind het een vreselijke uitvinding.

Het vervelende is dat ik een lijf heb. En zo’n lijf raakt, naarmate je ouder wordt, toch meer in verval. Ik voel me verslappen. Aangezien Wyb en Anne in maart in Nepal gaan wandelen, vindt Wyb het nodig om in een betere conditie te komen. Ze besloot lid te worden. Ik wilde niet achterblijven omdat vrouw en dochters keer op keer aandringen dat ik mijn lijf moet versterken en ik vrees dat ze gelijk hebben.

Als ik het Anne vertel, inderdaad hoongelach. Als ik vertel over de fitnessclub waar we lid van zijn geworden, wil ze graag mee. Zoiets wil ze met eigen ogen zien. Zelf is ze fanatiek fitnessbeoefenaar in een van de meest hippe gyms in de hoofdstad. Vier keer per week, ’s ochtends om zeven uur, doet ze high-intensitytrainingen. Door de luidsprekers dreunt de house. Overal strak afgetraind lijven. Sixpacks, rollende spierballen, konten als twee rugbyballen naast elkaar.

Ik heb enige hoop dat ik het nu wel volhou. In de fitnessruimte van Beweegpun Delft, geen house, überhaupt geen muziek. Hier geen opgefokte yuppensfeer en vereerders van het perfecte lijf. Hier is iedereen al tevreden dat hij nog leeft.

Groot voordeel: we hoeven maar in de lift te stappen, af te dalen, en we zijn er. Niks omkleden en douchen in lawaaierige kleedkamers waaraan ik zo de pest heb, dat kunnen we gewoon thuis doen. Het Beweegpunt is gevestigd bij een fysiotherapeutisch centrum en er kunnen per keer niet meer dan acht mensen fitnessen, altijd onder begeleiding. Hoe minder mensen, hoe beter. Duffer kun je het niet voorstellen, dus uitstekend voor ons.

Gisteren ben ik er voor de eerste keer geweest. Als ik naar binnenloop, schuifelt een oud echtpaar, dat zich aan elkaar moet vasthouden om overeind te blijven, naar buiten. Eenmaal binnen blijk ik een Jonge God te zijn in een ruimte vol ouwe knarren. Kost wat kost moet ik voorkomen dat Anne dit ooit ziet.

Ik word gewogen en gemeten. Het goede nieuws is dat ik vijf jaar jonger ben dan mijn werkelijke leeftijd. Dat biedt toch weer wat meer perspectief. Ze kunnen nu ook precies zeggen waar mijn vet zit, maar ook die cijfers vallen mee. Het blijkt wel weer dat er steeds minder Blogger overblijft. Ooit was ik een meter vierentachtig, daar is nu nog maar een meter zesenzeventig van over. Hetzelfde geldt voor mijn gewicht, het nam af van 84 kilo naar 78 kilo.

De begeleider vraagt of ik ook een doel heb met fitness.
‘Zeker,’ zeg ik, ‘zo lang mogelijk de dood uitstellen.’
‘Zal ik maar opschrijven dat u zo lang mogelijk mobiel wilt blijven?’
‘Als u dat prettiger vindt, is dat prima.’

Vervolgens mag ik de apparaten uitproberen. Gelukkig heb ik maar een proefabonnement voor drie maanden.

Honden

Maandag 3 november, Delft

 

Dies is gek op bezoek. Daarom vertel ik hem meestal ’s ochtends al dat er bezoek komt. Zijn kop gaat dan omhoog en zijn ogen zeggen: ‘Daar heb ik zin in.’
Afgelopen vrijdag kwamen H. (beter bekend als De Corrector) en zijn vrouw D. op bezoek. Die ochtend heb ik niets tegen Dies gezegd, want ik weet dat beiden niet zo gecharmeerd zijn van honden. Als ik het hem zou vertellen, zou hij veel te enthousiast zijn en dat wilde ik voorkomen.

Toen ze arriveerden, zag ik Dies denken: ‘Waarom heb je mij verdomme niet verteld dat er bezoek komt, dan had ik mij erop kunnen verheugen.’ Het bleek toch een goede beslissing van me te zijn geweest. Want er gebeurt wat er altijd gebeurt als het bezoek binnenkomt. Voordat we elkaar hebben kunnen begroeten, ligt er al een balletje voor hun voeten. Dies is er namelijk van overtuigd dat elk bezoek voor hem komt – wat toch een ernstige vergissing is.

Met strenge stem laat ik Dies weten dat hij op zijn plaats moet gaan liggen. Nou heeft hij geen plaats, maar als ik dat zeg, weet hij dat hij zich terug moet trekken. Hij gaat bij de bank liggen, duidelijk verontwaardigd volgt hij onze bewegingen. Verder gedraagt hij zich als een keurige hond.

Tijdens de lunch is er een klein incidentje. Dies luistert prima, maar op een gegeven moment denkt hij, weet ik: ‘Eens even kijken of de uitgevaardigde wetten nog steeds van toepassing zijn.’ Ongemerkt is hij blijkbaar onder de tafel gelopen. D. schrikt op. ‘Oei, wat is dit?’ Ik kijk en zie dat Dies de wetten uittest. Opnieuw zeg ik met strenge stem dat hij naar zijn plaats moet gaan.

‘Oh, honden, ik heb er helemaal niks mee,’ zegt D. Ik vind het grappig om te horen, want twee werelden ontmoeten elkaar. Dies is bij ons gewoon een gezinslid. Maar ik kan me goed voorstellen dat je, als je geen hond bent gewend, totaal niet weet hoe je met zo’n ding moet omgaan. Als je de taal van de hond niet verstaat, is dat misschien wel onmogelijk. Aan zijn oren, zijn staart, zijn houding, zijn manier van kijken weet ik precies wat Dies denkt. Als je dat niet weet, ziet een hond er misschien uit als een onberekenbaar en onbetrouwbaar stuk leven, vooral omdat je weet dat zo’n beest ook nog kan bijten. Al geloof ik niet dat Dies weet wat dat is.

Ik pak de Linda waar deze week een interview met Anne in staat. Ik laat het D. zien omdat de kop bij het artikel luidt: ‘Ik hou meer van honden dan van kinderen.’ Er bestaat vermoedelijk geen grotere tegenstelling dan tussen een hekel aan honden hebben en deze uitspraak.

Inmiddels is het Dies wel duidelijk dat er bij dit bezoek geen eer valt te behalen. Even later komt hij dicht tegen mijn stoel aanstaan. De reden is voor mij meteen duidelijk. Dies is namelijk een autist met een horloge in zijn kop. Het is kwart over drie, dat betekent dat ik hem al een uur geleden volgens zijn schema had moeten uitlaten. Ik zeg dat hij nog even moet wachten. Gedwee loopt hij weer terug naar zijn plaats. Heel goed voor hem dat hij eens niet het populaire jongetje van de groep is.

Journal d’images

De Blogger (l) en De Corrector (r).

Hartelijk welkom

Zondag 2 november, Delft

 

Een van mijn heimelijke geneugten was altijd het vinden van gaten in de markt. Mijn hele leven kijk ik of er producten of diensten zijn waarvoor nog geen bedrijf of organisatie bestaat. Niet dat ik daar vervolgens veel werk van heb gemaakt, het was meer een spel in mijn hoofd, een spel waarin Wyb vaak meeging en zo hebben we ook wel eens hele bedrijfsmodellen uitgewerkt. Waar het dan bij bleef.

Maar nu heb ik een gat in de markt gevonden waar ik wel een bedrijf voor ga oprichten. De werktitel voor het bedrijf luidt ‘Hartelijk welkom’. De basis voor het idee ontstond door een observatie. En die observatie leverde een steeds duidelijker beeld op: steeds minder mensen kunnen een goed gesprek voeren. Specifieker gezegd: er is iets in deze tijd waardoor mensen niet meer kunnen luisteren. In een goed gesprek heb je een zender en een ontvanger en daartussen is een wisselwerking. De pest is dat er in toenemende mate alleen nog maar uitgezonden wordt. Iedereen lult alleen maar over zichzelf. Luisteren, ho maar. Wellevendheid – zelfs het woord is uit ons vocabulaire verdwenen. Mensen die wel goede gesprekken willen voeren, zijn hierdoor kind van de rekening.

Bij zo’n probleem denk je natuurlijk meteen aan coaches. Het stikt in dit land van de coaches. De ene helft is coach, de andere helft gaat naar een coach. Wat ik met ‘Hartelijk welkom’ aanbied, is gewoon een goed gesprek. Al die mensen die alleen maar naar anderen moeten luisteren en zelf niet aan de bak komen, kunnen bij mij een goed gesprek komen voeren.

Mijn tarief is, vergeleken met wat al die coaches vragen, bescheiden. Voor €65 per uur ga ik met iemand een wellevend gesprek aan. Koffie, thee en een lekkere koek inbegrepen. Volgens mij voorzie ik daarmee in een grote behoefte. Mensen snakken naar een goed gesprek: ik lever het.
De prijs is beperkt omdat ik er zelf ook wel lol in heb en ik het huis niet uit hoef. Het gesprek vindt namelijk plaats in mijn huiskamer.

Er is voor mijn gesprekspartner één beperking. Als ik merk dat iemand alleen maar over zichzelf gaat zitten neuzelen, dan breek ik het gesprek na een half uur af. Reken ik de helft van die €65 en breng ik de koffie, thee en koek in rekening. Het is namelijk wel de bedoeling dat we een echt gesprek hebben.
Ik denk dat ik voor deze functie genoeg in huis heb. Ruime levenservaring, blauwe plekken, littekens, veel gereisd, scherpe bochten gemaakt in mijn leven, over de kop gevlogen, ik hou van lezen, ben zwaar cultureel geïnteresseerd, wandelen (max. 1,5 uur), ben heftig geïnteresseerd in andere mensen en meer van dat soort dingen, genoeg dus om bij een goed gesprek in te brengen.

Mocht u interesse hebben, hartelijk welkom, u kunt via de geëigende kanalen contact met mij opnemen.

Ik

Zaterdag 1 november, Delft

 

Ik lees momenteel het nieuwste boek van Koos van Zomeren, de titel: We gaan zo. Mooie titel voor een schrijver die diep in de zeventig is. Van Zomeren heeft mij altijd wel geïntrigeerd. Ik heb hem heel vaak gezien, nooit gesproken.

Lang geleden, in de jaren zeventig, woonde ik met mijn ouders in een maisonnette in de Dukenburgse wijk Aldenhof. In de maisonnette naast ons woonden Koos van Zomeren met zijn vrouw. Ik zag hem vaak naar zijn auto lopen en ik kon niet nalaten naar hem te kijken. Ik wist dat hij een van de voormannen van de SP was en beginnend schrijver. Allemaal zaken waarin ik erg geïnteresseerd was. Bovendien had hij een prachtige vrouw, die ik ook graag zag lopen.

In de jaren daarna trad hij uit de SP, zij verhuisden, wij verhuisden. Zo nu en dan las ik een boek van Van Zomeren. Ik vond dat hij prachtig over dieren kon schrijven, in het bijzonder over zijn honden.

In 1988 las ik zijn egodocument Een jaar in scherven, dat toen als 150ste deel in de Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers verscheen. Dit jaar, 37 jaar later, verscheen dus We gaan zo, nummer 335 van de Privé-domein reeks. Beide boeken vormen een mozaïek van grote en kleine observaties, dingen die hij meemaakt, maatschappelijke ontwikkelingen die hij ziet en alle andere dingen die een mens raken en opvallen.

Al op pagina 20 kom ik een observatie tegen waarbij ik meteen stilsta. Niet gek, want het betreft ook mij als blogger.
‘Ik, zeg ik, ik beschouw mij als een ik-vermijder. Tegen de tijdgeest! Neem een krant of een boek, zet de radio of de tv aan en je wordt tegenwoordig levend bedolven onder de ikken. Er groeit een hele generatie taalgebruikers op die niet eens wéét dat een zin ook anders dan met ik kan beginnen, ja dat er zinnen zijn waaraan helemaal geen ik te pas hoeft te komen. Dat komt ervan, van al dat geblog en getext. Ikikik, verder niets te melden.’

De geïrriteerdheid die uit deze passage blijkt is opmerkelijk omdat in zijn boek toch heel vaak het woord ik voorkomt. Niet erg, begrijpelijk zelfs, want tenslotte staat hij, Koos van Zomeren, centraal. 

Even een paar opmerkingen ter verdediging van de ik. Ik vind niets mis met ik, want wie anders kunnen in deze wereld nog vertrouwen? De ideologieën zijn dood, blijkt wel weer uit de afgelopen verkiezingen. Alles is marketing geworden; alles zweeft steeds weer naar het sterkste merk, de man of vrouw met de grootste bek, het meeste geld. Voor een mens is zijn ik de enige constante. Als hij tenminste een beetje geluk heeft. Want ook een ik kan verdomde instabiel zijn, maar ook dat kan weer interessant zijn.

Ooit – en eeuwenlang – was ‘God’ het meest gebruikte woord. De mens geloofde nog in groten getale. Tot verdriet van velen is die God dood, en ook andere geloven moesten eraan geloven. Gemeenschapszin verdween, evenals sociale samenhang. Het enige wat bleef was de ik, een persoon die vrijwel alleen door de wereld moet lopen, die kijkt en ervaart. Hartstikke interessant allemaal. Laat die ik maar vertellen, vind ik. De ik geeft de huidige mens tenminste nog een beetje een oorspronkelijke stem.

Koos ergert zich aan die ik-gerichtheid; ik geniet er vooral van. Gelukkig is er een Privé-domeinreeks die daar ruimte aan geeft.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2025