Dossiermoddergat.nl
gerardtonenblogt2025, sep/okt
Aalscholver
Vrijdag 31 oktober, Delft
Als ik boodschappen ga doen in het winkelcentrum, hier zo’n honderdvijftig meter vandaan, dan heb ik diverse manieren om daar te komen.
Als ik onze voordeur uitga, dan kan ik linksaf slaan naar de lift. Als ik rechtsaf ga, kan ik met de trap naar beneden. Het is een vluchtuitgang voor al die appartementsbewoners. Meestal neem ik de trap. Wij wonen driehoog, ik zou een traploos leven kunnen leiden, maar bewegen is een ding om op te letten.
Als ik de deur van ons appartementencomplex uitga, heb ik opnieuw twee mogelijkheden. Als ik linksaf sla, loop ik gewoon over de Ezelsveldlaan naar het winkelcentrum en kom dan langs allerlei medische aanbieders, een winkel met spullen voor borstvoeding, de oogkliniek, de fysiotherapeuten, de tandarts en onze huisarts. Het gemak dient de mens, hulp is nooit ver weg.
Meestal ga ik rechtsaf als ik de deur van ons appartementcomplex uitloop. Dan moet ik eerst een groot hek openen met de universele sleutel waarmee ik alle deuren van het complex kan openen. Vervolgens kom ik op een lang rooster met leuning dat parallel aan ons gebouw loopt. Het fijne is dan dat ik dan langs de Zuidgracht loop, de gracht waarop ik vanuit ons huis op uitkijk.
Ik neem dit roosterpad graag omdat hier vrijwel nooit iemand loopt, maar vooral omdat ik goed zicht heb op de gracht en al wat er zwemt. Al lopende kan ik de vogels bestuderen. Soms zie ik een karper voorbij zwemmen. Bijkomend voordeel: ik kan een beetje in de woonboten gluren die aan de overkant van de gracht liggen.
Het valt me op dat het qua vogels opmerkelijk rustiger in de gracht is geworden nu het herfst is. De enige vogels die ik op de heenweg zie, zijn die vadsige wilde eenden. Het zijn een stuk of tien mannetjes wilde eenden die hier hun hangplek hebben.
Een stuk of vijf staan wezenloos voor zich uit te kijken, de andere dobberen al slapend op het water. Duffe beesten, die wilde eenden. Op het eind van het roosterpad moet ik weer door een deur in een hek en dan sta ik op een straat, die ik alleen maar over hoef te steken om in het winkelcentrum te komen. Ik kan kiezen tussen de Jumbo en de AH. Ik kies meestal voor de Jumbo. Dat familiebedrijf is me toch sympathieker dan dat Ahold-concern dat Trump financieel heeft ondersteund. Ja, ja, ik weet het, die Jumbo-familie is ook geen lieverdje.
Op de terugweg kies ik weer voor het roosterpad en word ik getrakteerd op een aalscholver die alert door de gracht zwemt. Machtige vogel. Heel anders dan de wilde eend. Deze vogel is gemaakt om te jagen en te overleven. Over aalscholvers maak ik mij nooit zorgen, die redden zich wel. Zelfs als de klimaatverandering een feit is, de natuur kapot is, door ons gesloopt, vliegen hier nog aalscholvers, denk ik. Die bek, die ogen, dat stevige lijf, een aalscholver maak je de pis niet lauw.
Journal d’images
Dit noem ik maar het roosterpad. Hoe zou je dit anders beschrijven? Ik heb zo’n steiger eigenlijk nog nooit eerder gezien.
Grimlachen
Donderdag 30 oktober, Delft
Het is tijd om te grimlachen. Ik heb mijn stem op GroenLinks/PvdA uitgebracht en heb weer verloren. Ik zeg ‘weer’ omdat inmiddels met alles wat ik belangrijk vind aan de verliezende hand ben. Kijk naar mijn handen en je ziet de geschiedenis door de vingers wegsijpelen. Ik had het kunnen weten met het uitbrengen van mijn stem, het was een slecht teken voor de sociaal-democratie: ik behoor tot de verliezers.
Neem mijn keuze op de sociaal-democratie, de mensen hebben geen behoefte aan sociaal zijn en gepraat over de sterkste schouders die de zwaarste lasten moeten dragen. Vergezichten, om elkaar geven, om elkaar heen staan, het is allemaal uit. Mensen willen rust in de portemonnee. Basta. Begrijpelijk, want die portemonnee is bij al die voormalige PvdA-stemmers goed gevuld en ze wanen zich inmiddels lid van de bezittende klasse die wat te verdedigen heeft.
Maar het is niet alleen mijn politieke voorkeur die door de vingers glipt. Eigenlijk gaat het om alles waar ik van hou. Wie gaat er bijvoorbeeld nog naar toneel? Ik vond het prachtig. Maar tegenwoordig vinden de meeste mensen het ondoordringbaar geneuzel. Al die woorden. Slaapverwekkend!
Hetzelfde geldt voor poëzie, waarom schrijf je de dingen niet gewoon op zoals ze zijn. Al dat abracadabra, waarvoor is dat nodig? Wie heeft nog geleerd de taal van de schoonheid te herkennen, laat staan ervan te genieten? De poëzie is totaal gemarginaliseerd, zoals zoveel waar ik van hou.
Zelfs de roman moet het ontgelden. Het mannelijk geslacht schijnt afgehaakt te zijn, vrouwen willen nog wel eens een boek ter hand nemen. Woorden, ik ben er gek op. Maar ja, wie kan überhaupt nog goed lezen? Lange teksten, voor velen is het een vloek. Met afkeer kijken ze naar een boek, ze zijn het afgeleerd om diep te lezen en zich langere tijd op een tekst te concentreren.
Met enige weemoed zag ik Frans Timmermans afscheid nemen. De man met verreweg de meeste ervaring van alle kandidaten. Ervaring, wijsheid? Saai! Zo’n jonge Rob Jetten, die als een Obama door de campagne ging. Wat een optimisme en frisheid.
Ik vroeg mij deze campagne af of Nederland verstandiger zou kiezen na twee jaar absoluut gemodder van het rechtse kabinet. Ik blijf dan stilletjes hopen. IJdele hoop. PVV blijft de grootste, of nagenoeg, verder groeien twee obscure partijen als Ja21 en FvD. VVD verliest slechts twee zetels terwijl deze partij toch de bedenker en architect was van de rechtse mislukking.
‘Verstandig’, ouderwets begrip, Blogger. Rust in de portemonnee, dat is de kern van ons bestaan. Wie leest nog een krant? Wie vertrouwt nog de mainstream media, inclusief hoor- en wederhoor en hechten aan de waarheid? Ik vind het ontzettend belangrijk, hecht eraan, maar ook dit sijpelt weg door mijn vingers.
Zelfs de mensen die ik liefheb halen hun informatie op uit YouTube en social media en zitten in een konijnenhol met grote ogen te turen in een donkere wereld.
Plopkap & etc.
Woensdag 29 oktober, Delft
Laat ik vandaag eens géén blogje schrijven, dacht ik. Ik geef mezelf vrij.
Maar ja… blijkt je dochter opeens viral te gaan. Dan kan ik natuurlijk niet stil blijven zitten. En alsof dat nog niet genoeg is: diezelfde dochter staat deze maand ook nog in LINDA. Dat kan ik toch niet onvermeld laten.
Omdat Dossiermoddergat nu eenmaal graag transparant is, wil ik ook nog even een stemverklaring afleggen. Het zal de vaste lezer van Het Dossier niet verbazen dat De Blogger op lijst 2, GroenLinks/PvdA, heeft gestemd. Niet op de lijsttrekker trouwens — al vind ik dat hij het in de campagne prima heeft gedaan.
Ik heb op Marjolein Moorman gestemd. Niet omdat ze een vrouw is, maar omdat ik in haar de nieuwe lijsttrekker van GroenLinks/PvdA zie. En eerlijk is eerlijk: het wordt tijd dat er bij de volgende verkiezingen een nieuw geluid komt. Tijd voor een frisser geluid.
Opzoek naar Marjolein Moorman.
Plopkap incident gaat viral. De RTL-verslaggever is Anne.
Toevallig staat ze deze maand ook nog in de Linda.
Najaar
Dinsdag 28 oktober, Delft
Ik denk deze dagen vaak terug aan de herfst van vorig jaar, vooral omdat nu de regen tegen het raam klettert. Ik ben zelfs bang om Dies uit te laten; ik moet dat onder grote bomen doen en door de wind vallen er regelmatig takken naar beneden.
Hoe anders was het najaar van vorig jaar. Wyb en ik waren blij verrast, het was zo’n zonnige, warme herfst. Nauwelijks regen, soms wat stevige wind. Nederland zag er vrolijk uit en dat hadden we hard nodig.
Twee jaar daarvoor waren we ook naar Nederland teruggekeerd, naar Groningen, maar toen zagen we maandenlang donkere wolken met veel regen. Het was een en al somberheid. Voor mensen die terugkwamen uit het zonnige zuiden van Frankrijk was het niet te harden. Bovendien hadden we helemaal niet terug gewild. We moesten omdat Corona ons had beroofd van onze inkomstenbron daar. Gelukkig vonden we snel Cadouin en konden we terugvluchten.
Na anderhalf jaar Cadouin wilden we toch weer terug naar Nederland. Eens rusteloos, altijd rusteloos. In augustus besloten we terug te keren omdat Wybrich weer wilde werken. Gelukkig vond ze al snel een baan bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
‘Heeft u eigenlijk een huis in Nederland?’ werd er bij haar sollicitatie gevraagd. ‘Nee,’ moest Wyb antwoorden, ‘dat moeten we nog zien te vinden.’ ‘U moet wel weten dat dat uw verantwoordelijkheid is, wij kunnen u daar niet bij helpen, maar ik wil u wel waarschuwen dat dit heel moeilijk is in Nederland tegenwoordig.’
Begin september pakten wij ieder een paar tassen in en besloten verder alles in Cadouin achter te laten om ons huis daar niet te ontmantelen. Een maand lang reisden we van huisjes naar hotels, van hotels naar familie. Het was een onzekere periode. Ik voelde me zowaar dakloos. Tot ons grote geluk vonden we, wonder boven wonder, in de derde week van september ons appartement in Delft.
Ik durf wel te beweren dat het goede weer van vorig jaar ons op de been hield. Niks somberheid in Nederland. Delft baadde in de zon. Ondertussen maakten we van Delft ons thuis.
En dat thuis zorgt ervoor dat we nu niet meteen terugverlangen naar Cadouin, waar we de afgelopen drie weken waren. Al die tijd was het prachtig weer daar, precies op de dag dat we vertrokken, trad ook daar de herfst in.
Niet alleen buiten is het druilerig, ook binnen druilt het. Wyb en ik praten al een paar dagen niet met elkaar. Wyb is namelijk gedwongen te fluisteren. Ik kan haar alleen verstaan als ik mijn oor dichtbij haar mond hou. Verder is ze verkouden, rillerig, soms heeft ze koorts. Kortom: malaise buiten, malaise binnen. Haar oog gaat gelukkig goed, al moet ze nog steeds medicijnen gebruiken om het te helen.
Het lijkt wel of de snee in haar oog haar gezondheid heeft ondermijnd. Al zal dat niets met elkaar te maken hebben. Het zal de herfstdip zijn. Ik krijg de behoefte om J.C. Bloem weer eens te lezen. November, een obligaat gedicht voor velen misschien, ik vind het altijd weer prachtig.
November
Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zo gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem
Nuilen
Maandag 27 oktober, Delft
Twee dagen voor de verkiezingen. Zucht. Wat mij betreft mogen ze vandaag plaatsvinden. Die campagne duurt gewoon dagen te lang. Momenteel zijn ze alleen bezig met het herhalen van zetten. Er zijn gewoon te veel debatten, te veel peilingen, te veel gezever over mogelijke coalities.
Het ergste is: al die woorden, al dat eindeloos gepalaver, heeft eigenlijk niets opgeleverd. Slechts 18% van de kiezers weet zeker wat hij gaat stemmen. 69% zweeft nog. 13% heeft nog helemaal geen idee. Je kunt dus zeggen dat al die zendtijd tot nu toe verspilde tijd is. De cijfers wijken één procent af van de cijfers van toen de campagne begon.
Deze cijfers betekenen ook dat alles anders kan worden dan de peilingen en het speculeren over mogelijke coalities tot nu toe. Het landen van die zwevende 69% kan een harde klap veroorzaken. Eindelijk moeten ze wel gaan kiezen en kan alles anders worden.
Overigens is het natuurlijk een ongelooflijk brevet van onvermogen dat je als kiezer nog steeds niet weet wat je moet kiezen na twee jaar rechts gepruts en drie weken uitleggen waar de partijen voor staan.
Politici zeggen altijd dat de kiezer altijd gelijk heeft; mijn stelling is dat de kiezer een stoethaspel is die van toeten noch blazen weet. Zijn uiteindelijke stem brengt hij volstrekt gevoelsmatig uit. Hij stemt omdat die Jetten zo’n optimistische boodschap heeft en Bontenbal zo fatsoenlijk is. De campagne moest inhoudelijk zijn? Niks inhoudelijks. Wie het lekkerst de onderbuik kietelt wint.
Gisteren Pauw & De Wit gezien? Moet je terugzien, dan zie je hoe landerig en zakkerig de stemming in het land is. Het was een tafel van niks: Fleur Agema weet niet wat beschouwen is en zit er slechts als stem van Wilders en dan is er ook nog een ex-campagneleider van de VVD die op subtiele wijze de VVD duwtjes geeft. Youp speelt de schaduw van wie hij eens was. Veel gegiechel, heel veel gegiechel. De talkshowhosts giechelen vrolijk mee. Pauw is nog wel boos op Timmermans omdat hij die avond voor Eva koos en niet voor hem. Zie nou wel dat Timmermans een verstandige man is. Pauw pakt Timmermans terug door een debiel filmpje van hem te laten zien uit een kinderprogramma. Zo. Die is mooi teruggepakt. We zien: gekrenkte arrogantie.
En dan al die andere talkshowtafels en debatten. Dat SBS6-debat bijvoorbeeld. Waarom laten serieuze politici het eerste belangrijke debat door die minkukels organiseren? Wilfred Genee die met een toeter en een emmer water de kandidaten in toom houdt. Flauw. Zo flauw. Om moedeloos van te worden.
Dan RTL Tonight. Het is eigenlijk geen talkshow meer. Altijd diezelfde mensen die zitten te duiden. Ik wil geen duiders, ik wil mensen om wie het gaat; ik wil de bron horen. Het is nu verworden tot een eindeloos herhaalde verjaardagspartij waarin de duiders elke avond weer hun zelfde meninkjes verkondigen. Die Albert Verlinde, die Ben van der Burg, zwetsers zijn het, mogen die onmiddellijk uit hun functie worden ontheven? Of och, laat maar, ik kijk al lang niet meer.
Ik stel voor die duiders voortaan nuilers te noemen. Voor wie niet weet wat nuilen is: het is een Nijmeegs dialectwoord en betekent zeuren, zaniken of zeuren. Lekker nuilen, je moet het woord langgerekt uitspreken: Nuuuiiiilen. Een bekende slogan van Zwarte Cross luidt: ‘Nuilen is dodelijk’. En zo is het. Er wordt wat afgenuild. Laten we ook de naam van die talkshows veranderen. Het woord talkshow geeft ze te veel status. Laten we ze voortaan gewoon nuilshows noemen. Dat geeft tenminste aan wat ze werkelijk zijn.
Zak
Zondag 26 oktober, Delft
Anne is op bezoek en dat betekent praten over reizen. Ze heeft van januari tot en met maart een sabbatical genomen en wil drie maanden lang door Azië gaan reizen, te beginnen met een maand rondreizen door Sri Lanka, haar geboorteland.
We nemen allerlei mogelijke reisscenario’s door. Nou ja, ‘we’, dat wil zeggen: vooral Anne en Wyb. Zij zijn de echte reizigers. Ik ben nooit een echte reiziger geweest. Ik heb best veel gereisd, ook grote reizen gemaakt, maar die waren allemaal stevig geïnspireerd door Wyb.
Om wat voorbeelden te noemen. Inmiddels ben ik drie keer in India geweest, vijf keer in Sri Lanka, heb ik met Wyb met de Trans-Siberië-Express door Rusland en Mongolië gereisd, en zijn we door Japan en IJsland gereisd, ben ik inmiddels twee keer in China geweest en zo kan ik nog wel even doorgaan. Je zou bijna gaan denken dat ik een echte reiziger ben. Anne herinnert me eraan dat op mijn Instagram-account staat dat ik een traveller ben. Ik beloof haar dat te veranderen.
Want Anne en Wyb raken geïnspireerd door al dat praten over reizen, en besluiten uiteindelijk in maart een paar weken te gaan wandelen in Nepal (O ja, daar ben ik ook al een keer geweest.) Of ik meega. En dan moet ik zeggen dat ik helemaal geen zin meer heb om grote reizen te maken.
‘Heb je dan helemaal niks meer op je bucketlist staan?’ vraagt Anne.
‘Ik heb geen bucketlist.’
‘Hoe kan dat nou? We hebben zoveel gereisd.’ Ik weet dat Wyb het erg vindt dat ik geen grote reizen meer wil maken. Ben je een echte reiziger, en dan heb je een man die er geen behoefte meer aan heeft.
‘Maar Nepal is toch prachtig?’
‘Nepal is mooi, maar ik heb helemaal geen zin om dagen achtereen te wandelen. Gaan jullie lekker met z’n tweeën.’
Beiden gaan verder met het maken van plannen en worden steeds enthousiaster.
Waarom heb ik geen zin meer? Er zijn diverse redenen, denk ik. Ik heb geen zin meer in lange vliegreizen. Ik heb geen lust meer in verre, vreemde landen. ‘Ik heb het al ervaren,’ zegt de oude zak, ‘ik vind het wel genoeg zo.’
‘En als je nou een drieweekse reis naar Sri Lanka wint? Wat zou je dan doen?’
‘Ik zou die aan jou geven. Ook dan zou ik niet gaan. Ik heb het idee dat ik, zeker Sri Lanka, door en door ken.’
‘Wat een saaie man. Wil je dan helemaal niets meer?’
‘Jawel, hoor, als jullie vragen om naar een grote stad in Europa te gaan, dan ga ik onmiddellijk mee. Ik blijf ervan houden om door steden te dwalen, meer dan dagenlang door de prachtigste landschappen te lopen. Zo zou ik ook nog graag naar New York gaan, maar zo lang Trump daar zit lijkt het me beter daar niet heen te gaan. En verder, lieve dames, vind ik het heerlijk om thuis te zijn, zowel in Delft als Cadouin.’
Anne en Wyb zijn inmiddels druk aan het googelen naar goede slaapplaatsen in Kathmandu en wat de mooiste trekkings zijn.
Wyb vraagt zich af of ik wel drie weken alleen kan zijn. Het is inderdaad zo dat Wyb en ik nog nooit drie weken van elkaar gescheiden zijn. Dat vind ik dan ook het minst aantrekkelijke van dit reisidee. Maar dat alleen-zijn zal geen probleem zijn – daar heb ik alle vertrouwen in.
Journal d’images
Wyb en Dies bekijken de Linda. Ik het oktobernummer staat een interview met Anne onder de kop: ‘Ik hou meer van honden dan van kinderen.’ Die rode lap is een slaapzak waaronder Wyb afgelopen dagen ziek onder lag op de bank. Inmiddels is ze weer beter en ook haar oog is goed aan het genezen.
Hans H.
Zaterdag 25 oktober, Delft
‘Och, kijk, daar hebben we zowaar de jonge dichter Hans H.,’ zei mijn ome Jan altijd als hij Hans tegenkwam. Who the hell is Hans H.?
Hans was een studievriend van me. We waren beiden heftig geïnteresseerd in literatuur en als we bij elkaar waren, stroomden we over van ideeën. Zo richtten wij het Poëzie Syndicaat op. Verkleed in vreemde uitdossingen schreeuwden we melige studentikoze gedichten op straatfestivals en in buurthuizen. Op die laatste plekken vroegen de weinige jongeren die daar aan de bar hingen al snel of we alsjeblieft onze kop wilden houden. Wat we graag deden, want het honorarium was inmiddels uitbetaald.
Ook na de studie hielden we tamelijk intensief contact met elkaar. Daarna liepen we met onze vrouwen het levenspad samen af: samenwonen, kinderen krijgen, ons eerste geld verdienen, literaire ambities hebben. Zo’n vijfentwintig jaar geleden kwam daar een einde aan.
Dat heeft alles te maken met de woorden van mijn toenmalige beste vriend J. die, toen ik hem vertelde dat ik ging scheiden, als eerste reactie de ontnuchterende woorden sprak: ‘Dan verlies je nu dus de helft van je bezittingen, je geld en de helft van je vrienden.’ Het bleken woorden met een groot waarheidsgehalte.
Wyb en ik verhuisden naar Arnhem en kwamen door toeval een paar straten van Hans H. en zijn vrouw M. vandaan te wonen op de Paasberg. Leuk, dacht ik toen nog. Dat zal vast weer veel ideeën opleveren. Hans H. kwam de eerste keer op bezoek, een beetje onwennig, omdat hij nu Wyb aan mijn zijde zag. De afgelopen jaren waren we natuurlijk vooral met z’n vieren opgetrokken – Hans, M., Lies en ik. Maar het was beslist een aangenaam bezoek.
Er volgde een tweede keer, en bij binnenkomst zag ik al dat er iets wrong. ‘Kopje koffie?’ ‘Ja, lekker.’ Of hij een sigaret mocht opsteken. Nu mag er nooit iemand een sigaret in ons huis opsteken, maar voor deze gelegenheid waren we opmerkelijk coulant.
Toen hij de sigaret opstak, viel er een brandend stukje lucifer op onze nieuwe tafel, waardoor een smerige brandvlek achterbleef – een vlek die er nog steeds op zit. ‘Ik moet je toch iets vertellen, want M. wil niet meer dat ik bij jullie langs kom. Ze is erg boos dat je Lies en de kinderen in de steek hebt gelaten.’ We dronken de koffie op, namen ongemakkelijk afscheid van elkaar en hebben elkaar nooit meer gezien.
Het is daarom best gek dat ik dit blog over Hans H. schrijf, want er gaan jaren voorbij dat ik nooit meer aan Hans H. denk. Vandaag moest ik voor het eerst weer aan hem denken, omdat ik bij de kapper zat. Toen ze klaar was, en ik in de spiegel keek, dacht ik: je hebt nu hetzelfde soort kapsel dat Hans H. vroeger had. En als vanzelf kwam de gedachte aan het Poëzie Syndicaat bij me op en kreeg ik zin om dit blogje te schrijven. Zoetzure herinnering.
Timmermans
Vrijdag 24 oktober, Delft
Vandaag probeer ik toch eens de vraag te beantwoorden hoe het mogelijk is dat iedereen een pestpokkenhekel aan Timmermans heeft. Want laten we eerlijk zijn, zoals Timmermans gisteravond in het debat zat, getuigde toch, zoals een vriend van me zei, van waardigheid. Als je kijkt naar zijn ervaring, steekt hij de anderen drie keer in zijn binnenzak en toch… het wringt, hij kan de harten van de mensen maar niet veroveren.
Neem die blonde roeptoeter: die hoeft alleen maar thuis te zitten en de meest onmogelijke dingen te twitteren. En als hij eens mee regeert, presteert hij niks, nada, niets. Hoe lang zit die plucheplakker nu in de Tweede Kamer? Een jaartje of vijfentwintig? Of is het veertig? Geen fuck gepresteerd, maar zijn kiezers lopen met hem weg. Hij kan geen kwaad doen. Toch een schril contrast met Timmermans die de problematiek serieus en zo reëel mogelijk benadert. Het verschil tussen hen beiden is tien zetels in het voordeel van de man die met zijn twitteraccount zit te sarren en te stangen.
Misschien is dat serieuze wel het probleem. De meeste mensen houden niet van serieus. Ze houden van gebbetjes en een grote bek. Ze willen geen relativeringen en nuanceringen: ze willen een oneliner die zegt dat hun probleem wordt opgelost. Correctie: lijkt op te lossen. Maar dat is weer zo’n vervelende nuancering.
Ik geef toe, soms is die Timmermans ook wel erg zalvend als hij weer eens uitlegt hoe het werkelijk zit. Wij in Nederland houden niet van onderwijs. Leren is saai. Je leeft maar één keer, dus waarom zouden we geen lol maken? Bovendien: een feit is ook maar een mening. Maar vergelijk zijn beschouwingen eens met de snibbigheid en het fanatisme van de VVD-hysterica. Wat heerlijk toch dat iemand iets uitlegt, iemand iets beschouwt en niet alleen maar eindeloos herhaalt dat er rust in de portemonnee komt van de hardwerkende Nederlander.
Wat ook vervelend is aan Timmermans is dat hij zeven talen spreekt. Wie spreekt er nou zeven talen? Voor wie niet eens een krant kan lezen, kan dat best irritant zijn. Je wordt dan zo geconfronteerd met je eigen beperking. Die tweets van de blonde megafoon in het Nederlands, die begrijpt iedereen. Terwijl Wilders thuis zit te twitteren, gaat die Timmermans naar de Socialistische Internationale.
Het woord socialisme is gevallen. Dit is voor mij nog het meest onbegrijpelijke. Als Timmermans ergens vóór is, dan is het dit. Het defensiebudget moet omhoog; er moeten meer woningen worden gebouwd; het land moet van het stikstofslot. Wie gaat dat betalen? Timmermans is er duidelijk over: de mensen die geld hebben, de vermogenden, de hogere inkomens, de bedrijven die hun winsten naar de Maagdeneilanden afvoeren. Dat is anders dan bij de VVD en consorten, die het geld juist bij de minst verdienende, de mensen die het moeilijk hebben, gaan halen. Maar hoe kan het toch dat uitgerekend die mensen volslagen tegen hun eigen belang in stemmen?
En dan is er misschien nog de grootste makke van Timmermans: hij is wit en op leeftijd. In de Nederlandse samenleving heerst een ernstig onderhuids racisme en leeftijdsdiscriminatie. Oud is irrelevant. Oud is passé. Oud is gaap. In het bèta-brein van Bontebal huist natuurlijk gewoon een conservatieve christelijke moralist. Maar dat maakt niet uit. Wat we zien is a new kid on the block, nog geen schrammen en littekens. Dat is iemand die nog fris fatsoen kan zeggen. Toch raar: in veel landen is ervaring hebben en op leeftijd zijn een pré, hier juist niet. Arme Timmermans.
En dan zijn er ook nog die talkshowtafels, die tegenwoordig zo rechts zijn als de pest. Fleur Agema en Angela de Jong als tafeldames bij Pauw & De Wit van BNNVARA. En als je pech hebt, zit ook Halbe Zijlstra er nog bij. Wat een ellende: we zijn gek geworden. ‘Meneer Timmermans, hoe kan het nou dat u maar niet stijgt in de peilingen?’
Nogmaals: arme Timmermans.
Journal d’images
Hoornvlies
Donderdag 23 oktober, Delft
Door een simpele hoofdbeweging kan het leven er opeens totaal anders uitzien. De eerste twee uren dat wij terugreden van Cadouin naar Delft regende het pijpenstelen. Vooral die watergordijnen rond vrachtwagens vind ik levensgevaarlijk. Gelukkig stopte het hozen en werd het weer, zoals dat heet, onbestendig: af en toe een bui, soms zelfs een stevige.
De tocht verliep verder prima. In Parijs reden we toevallig langs de gevangenis waarin Sarkozy die ochtend was opgesloten. We zwaaiden, maar we zagen niemand terugzwaaien. De navigatie gaf aan dat we rond half acht thuis konden zijn.
Maar dan komt België, een land dat opstoppingen verzamelt. Zo lang ik het land ken, is het file-ellende daar. File bij Gent, file halverwege vanwege een ongeluk en dan, natuurlijk, onafwendbaar, files bij Antwerpen. Decennialang zijn ze al met die rondweg bezig, maar het heeft nog nooit een sikkepit fileverlichting gebracht. Het wordt tijd voor een nieuwe regering daar.
Dan: eindelijk thuis. Wat heerlijk. We rijden onze vertrouwde straat in. Snel de auto uitladen en aan de wijn. Wyb en ik zijn wat dit betreft samen een geoliede machine: ieder weet wat hij moet doen. Zelfs Dies weet dat. Ik doe de kofferbak open, haal de eerste tassen eruit. Wyb staat naast mij om hetzelfde te doen. Ze bukt, en dan een schreeuw. Ze deinst terug, gilt het uit van de pijn. Van ellende gaat ze op de stoep zitten, met haar handen voor haar ogen.
Haar gezicht, en daarmee haar oog, heeft de scherpe rand van de hoedenplank geraakt en, vermoeden wij, een snee in haar oog gemaakt. Ik breng Wyb naar boven en vraag of we niet naar de huisartsenpost moeten om te kijken wat er aan de hand is. Het geval wil dat Wyb een Friezin is en Friezen gaan niet naar de dokter. ‘Nee, dat gaat vanzelf wel weer over.’ Nee dus. Dit ging helemaal niet vanzelf over. Ze blijft kermen van de pijn.
Een uur later zitten we in het ziekenhuis in een wachtkamer, die we met bewondering bekijken. Nou ja, ik. Wyb kan nauwelijks kijken. Het licht is haar te fel, haar linkeroog kan ze niet openhouden door de pijn.
Toevallig heb ik heel wat wachtkamers in ziekenhuizen in Frankrijk gezien. Deze wachtkamer is een soort toonkamer in een winkel op een meubelboulevard. Die wachtkamers in Frankrijk zijn meer primitieve verzamelplaatsen. Mensen liggen op de grond te kermen. Het bloed zit tegen de muren (met eigen ogen gezien), ijzeren banken. Wachttijden van tien, elf uur zijn geen uitzondering. Hier zijn we binnen een kwartier aan de beurt. We prijzen de Nederlandse gezondheidszorg.
Het blijkt dat er een gemene snee zit in het hoornvlies van Wyb’s linkeroog. Gelukkig heeft de arts een pijnstillend middel, maar dat zegt hij erbij, ‘het werkt slechts even’. Op deze manier kan hij haar ogen beter bekijken. Dringend advies: morgen meteen naar de huisarts, die haar moet doorverwijzen naar de oogarts. Inmiddels heeft dat allemaal plaatsgevonden.
Huidige stand van zaken: Wyb ligt met koorts op de bank, al zal die koorts niets met haar oog te maken hebben. Ze zit gewoon in de lappenmand. Haar oog doet iets minder pijn en behandelen we intensief met medicijnen. Gelukkig schijnt een hoornvlies zich vrij snel te herstellen.
Het mooie is dat zowel de huisarts als de oogkliniek onder ons appartementencomplex zitten. Als dit in Cadouin was gebeurd, hadden we vijftig kilometer naar het ziekenhuis van Périgueux moeten rijden. Nu hoeven we alleen maar met de lift naar beneden te gaan. Opnieuw prijzen we de Nederlandse zorg. Ook de wachtkamer in de oogkliniek zag eruit als een toonkamer op een meubelboulevard.
Journal d’images
Bladblazer
Woensdag 22 oktober, Delft
Drie weken was het in Cadouin hoogzomer. Uitgerekend nu we naar huis rijden, regent het pijpenstelen. Het hele jaar zijn we zo’n zes keer op en neer gereden en altijd was het droog. Het was dus een goed jaar voor ons om te reizen. Behalve dan vandaag.
Tussen Cadouin en Orléans is er bitter weinig, misschien wel niets. Je rijdt over lange wegen, nergens een dorp of een verwijzing ernaar. Als je hier met pech komt te staan, en moet overnachten, zul je buiten moeten slapen, vrees ik. Nergens hotels.
Zoals altijd wordt er weer veel aan de weg gewerkt. Ik ben altijd benieuwd waar ze dan aan werken. Soms is het linker wegdeel zeven kilometer afgezet en dan zie je pas op het eind dat er een gat in de weg wordt gedicht.
Zelfs in de middle of nowhere geeft een bord aan dat er weer gewerkt wordt. Tegenwoordig geven ze gelukkig ook aan hoe lang het ongemak duurt. Dit keer is de linkerhelft voor vijf kilometer afgesloten. Wij sukkelen achter een vrachtwagen aan. De eerste drie kilometer is er geen werk aan de weg te bespeuren.
En dan zie ik wat er aan de hand is. Na drieënhalve kilometer loopt één mannetje met een bladblazer. Aan de voet van de betonnen vangrail liggen bladeren en die blaast hij weg. Dat wil zeggen, hij blaast tegen de bladeren die voor hem liggen, die vervolgens links en rechts van de blazer wegfladderen en vervolgens naast hem weer neerkomen. Hij verzamelt ze niet op een hoop en voert ze dan af, het enige wat hij doet is ze verplaatsen. Een absolute bullshit job dus. Zou hij het zelf door hebben dat hij zijn werk volledig voor niets doet?
Hij loopt van het noorden naar het zuiden en moet nog drieënhalve kilometer blazen; anderhalve kilometer heeft hij al gedaan. Dat wil zeggen: eigenlijk helemaal niks, want in de kilometers waar wij nu langsrijden, liggen onder de vangrail nog steeds de blaadjes, alleen een paar decimeter verschoven. De eenzame bladblazer, misschien zijn het opnames voor een korte film.
Het doet me denken aan een andere bullshit job. Wij tanken meestal bij de Intermarché in Beaumont. Dan doen we vaak ’s middags omdat we dan boodschappen doen. Afgelopen week deden we de boodschappen eens een keer ’s morgens. Wyb gaat de Intermarché binnen, ik ga tanken. Wij zijn van de efficiency.
Ik zet mijn auto naast de pomp en stop mijn betaalkaart in de gleuf, zoals ik altijd doe. Verdomme, blijkt de automaat kapot te zijn. Dan zie ik dat hij helemaal niet kapot is. Hij blijkt buiten werking te zijn. Nu zie ik pas dat je van 9 tot 12 niet zelf kunt tanken, maar dat er, bij het uitrijden, een mannetje in een kassa zit waarbij je moet afrekenen.
Waarom van 9 tot 12 wel een mannetje en daarna niet? Wie zit er op zo’n mannetje te wachten? Omdat je allemaal op dezelfde plek moet betalen ontstaat er een opstopping en staan we allemaal zinloos op elkaar te wachten. Zouden er in deze tijd nog mensen zijn die het niet lukt om met een betaalpas te betalen en die afhankelijk zijn van een mannetje bij wie ze contant kunnen afrekenen?
Frankrijk ten voeten uit, vind ik. Ik heb er meteen slechte gedachten bij, zo ben ik dan ook wel weer. Want het kan best zo zijn dat dit mannetje eigenlijk een witwasser is, zonder dat hij het zelf weet. Door dat contante afrekenen kunnen de Fransen mooi van hun zwarte geld afkomen. Want er is wat zwart geld in Frankrijk in omloop.
Nu bedenk ik me opeens dat die bladblazer misschien helemaal niet aan het bladblazen was. Het kan best zijn dat er iemand iets waardevols is verloren en dat hij tussen de bladeren aan het zoeken is. Het is allemaal mogelijk. Alles wat je kunt bedenken gebeurt, zeg ik altijd. Dat blijkt wel weer.
Journal d’iimages
Paardenrace
Maandag 20 oktober, Cadouin
4% van de Nederlandse kiezers heeft nog maar vertrouwen in de politiek. Dit percentage is ongeveer hetzelfde als het percentage dat ik nog heb aan vertrouwen in de Nederlandse kiezer. De kern van het probleem, dat de politiek nu al jaren in een impasse zit, dat er de afgelopen twee jaar sowieso niet geregeerd is, ligt niet bij de politiek, maar bij de kiezer zelf.
Twee weken voor de verkiezingen weet nog maar 17% van de kiezers zeker wat hij of zij gaat stemmen. Dat wil toch zeggen dat 83% van de kiezers heeft zitten slapen, of zich niet geïnformeerd heeft. Het kan toch niet anders of degene die de politiek de afgelopen jaren wel heeft gevolgd, weet onmiddellijk waar hij wel of niet op moet stemmen.
Verreweg het interessante van alle politieke programma’s is als de camera’s de straat opgaan en de hard werkende Nederlander, de gewone Nederlander, de mensen thuis, of hoe ze ook allemaal mogen heten, worden geïnterviewd. Het blijk keer op keer dat de Nederlandse kiezer een onbenul is, hij weet van toeten noch blazen, heeft zich niet geïnformeerd. De democratie in Nederland is met zulke kiezers in buitengewoon slechte handen. Men kiest maar wat, ingegeven door onderbuik en hier en daar opgepikte soundbites.
Fortuyn, Wilders, Verdonk, Baudet, Omtzigt, Van der Plas, Eerdmans, het is een lange lijst van verloren stemmen: prutsers die een hype werden, gedoemd te mislukken. Iedereen had het kunnen weten, maar niemand wist het omdat niemand zich informeerde.
Het stuitende is eigenlijk dat de kiezer zichzelf te kijk zet. De Televizier-Ring gaat met 74% naar het meest onbenullige programma op de televisie. Drie mannen zitten elke avond met elkaar te lullen alsof ze in de kroeg zitten. Verstand van niks, het ouwehoert maar wat. Een zichzelf overschattende boomer, een ex-voetballer gespecialiseerd in lachen en een presentator die het leuk vindt om de boel op te hitsen. Lachen, man. Je moet de boel niet zo serieus nemen, man. En huppelakee, daar dirigeren ze met hun dom gelul de kudde weer naar de volgende rechtse hype. Zeg duizend keer een leugen en het wordt een waarheid.
Steve Bannon, de aartsvader van het uithollen van democratie, formuleerde het belangrijkste middel om te ontwrichten: ‘flood the zone with shit’. Vrij in het Nederlands vertaald: ‘de boel vol bagger schijten.’ Zoveel leugens, zoveel onzin, zoveel tweespalt, zoveel haat verspreiden, dat niemand meer weet waar hij aan toe is.
En zo vallen kiezers, zoals Olaf Tempelman het dit weekend in een essay in de Volkskrant noemde, uit de democratie. Ze zijn verloren omdat ze zich niet aan de spelregels van de democratie houden, zoals de bereidheid om compromissen te sluiten, niet te liegen, respect te hebben voor de politieke tegenstander, de boel niet op te hitsen. ‘Ze worden bespeeld door politici die zich willens en wetens hebben teruggetrokken uit wat ooit een min of meer fatsoenlijk sociaal contract was.’
En inmiddels zijn de verkiezingen verworden tot een soort paardenrace. ‘Ja, ja, kijk Jetten, wat een stijl, wat een losheid, heeft nu een schouderlengte voorsprong op de VVD. Hij rent nu nog achter Wilders, het paard dat nog steeds aan kop ligt. Wat een spanning. Als Jetten zo doorgaat komt hij zeker als eerste over de finish.’ De kiezer zit thuis op de bank, in plaats te kijken naar wat ooit het hoogtepunt van het democratisch proces was, de verkiezingen, kijkt hij nu naar een paardenrace.
Best nageslacht,
Zondag 19 oktober, Cadouin
Best nageslacht,
2025. De Waal is nog altijd de Waal.
Het is hoogzomer en wij zitten nu
met een gin-tonic aan de rivier.
De schepen stampen volgeladen
de rivier op. De schepen die stroom-
afwaarts gaan, zijn jonge honden.
Ze ruiken strand en zee,
de veilige haven en nieuwe vracht.
Op- of afwaarts, tijd is altijd geld.
Dit gedicht is een getuigenverklaring.
Ik heb namelijk iets meegemaakt,
dat jullie nooit meer meemaken.
Met dit gedicht leg ik het officieel
vast. Het is 1963. Ik was 9 jaar
en stond met mijn moeder
op de Waalkade en wij keken
naar een auto die over de ijsschotsen
over een dichtgevroren Waal reed.
Bestaat niet, zeggen mijn kinderen
als ik ze het vertel. Daarom leg ik
het met deze verklaring voor je vast.
Eindelijk eens een verhaal dat echt is
gebeurd. Wanneer kom je dat nog tegen?
Bezoek de Waalkade, stel het je voor.
Een rivier die tot stilstand kwam door ijs,
schots en scheef. Overal mensen en
één auto op het ijs, een Volkswagen.
Journal d’images
Telefoon
Zaterdag 18 oktober, Cadouin
Een paar jaar geleden liet Wyb haar telefoon in de Londense metro liggen. Pas buiten kwam ze erachter, de metro was al lang weg. Eigenlijk meteen na die ontdekking werd ik gebeld: of ik Wyb kende? Ja, dat mag je wel zeggen. Tegenover ons hadden een Nederlandse moeder en dochter gezeten en ze hadden Wybs telefoon meegenomen. De dochter wist hoe ze zonder de code te kennen toch een noodoproep kon doen. Moeder en dochter stapten bij het volgende metrostation uit en Wyb ging naar hen toe om het toestel op te halen.
Een van de nadelen van een hond is dat je niet samen een museum kunt bezoeken. Daarom gaat Wyb of ik eerst. Dit keer mocht ik als eerste het museum in Toulouse bezoeken. Wyb ging in een prachtig park op een bankje de kranten lezen. Mocht het museum de moeite waard zijn, dan zouden we de rollen omdraaien.
Het museum was helemaal niet de moeite waard. De Fransen houden van wat wij kitscherige kunst vinden. Ze maken veel gebruik van spiegels en glitters en allerlei andere zaken die kunst glad en oninteressant maken. De collages waren van Mickalene Thomas. Titel van de expositie: All About Love. Maar dat laatste is niet waar, want alle werken leken op elkaar. Mocht u Toulouse bezoeken, de tentoonstelling is niet de moeite waard.
Ik zocht Wyb op in het park en liet haar weten dat een bezoek aan het museum niet de moeite waard was. Op een bankje genoten we van de najaarszon, die ons doet geloven dat de zomer nog niet voorbij is. Ik liet Wyb op mijn iPhone een foto zien die ik van een van de werken had gemaakt, zodat ik haar een indruk kon geven waarom ze niet naar het museum hoefde.
Daarna liepen we terug naar de stad, het museum ligt namelijk aan de andere kant van de Garonne, de rivier die de stad doormidden snijdt. Toen we een terras pakten en ik even mijn foto’s wilde checken, kwam ik erachter dat mijn iPhone weg was. Schrik om het hart. Zakkenrollers?
Wyb belde mijn nummer en er nam een keurige heer op die zei dat hij mijn telefoon op een bankje in het park had gevonden. Hij zat nog steeds op dat bankje en wachtte wel tot wij de telefoon kwamen ophalen. En zo liepen we weer kilometers terug en bedankten we de heer uitgebreid, een aardige man met een chique pet op. Wat een mazzel, wat een geluk. Ik zou bijna weer vertrouwen in de mens krijgen.
Over Toulouse alleen maar lof: wat een leuke stad. Regelmatig hadden Wyb en ik het idee dat we dingen al eerder hadden gezien, maar bij nader nadenken bleek het dan in Valencia te zijn geweest. De Spaanse – of liever Catalaanse – invloeden zijn in deze Occitaanse stad evident. Als we moeten kiezen tussen Bordeaux en Toulouse, gaan we zeker voor de laatste stad. Bordeaux is druk, supertoeristisch. In Toulouse is minstens evenveel te beleven en zijn er nauwelijks toeristen, wel een heleboel aardige mensen, waaronder veel studenten.
Ik vermoed dat Toulouse een beetje het Delft van Frankrijk is. In deze stad is veel luchtvaartindustrie en worden veel nieuwe uitvindingen ontwikkeld. De stad is absoluut een aanrader. En als je zo stom bent je telefoon ergens te laten liggen, hoef je niet bang te zijn dat je hem niet terugkrijgt.
Journal d’images
Begrijpen van mensen, deel I.
Koffie
Vrijdag 17 oktober, Toulouse
Als we van Cadouin naar het zuiden rijden, lukt het Google altijd om ons via de meest onmogelijke wegen naar ons doel te leiden. Het zijn ook nooit dezelfde wegen. Zoals er vele wegen naar Rome leiden, zo zijn er ook vele wegen die van Cadouin naar het zuiden leiden.
Het is irritant, maar ook leerzaam. Vaak denken wij dat de Dordogne diep platteland is, maar dat is een vergissing. Het echte platteland blijkt pas achter het platteland te liggen. De Dordogne wordt nog een beetje in leven gehouden door al die toeristen en pensionado’s die zo gecharmeerd zijn van het landschap, de geschiedenis en het klimaat. Maar wat gebeurt er met streken waar het landschap bagger is, er geen geschiedenis is en het klimaat toch prima? Je kunt het zien als je van Cadouin naar het zuiden rijdt.
Parijs is prachtig. Met de Dordogne, Provence, de Côte d’Azur is ook niks mis. Maar als je door andere streken rijdt, de verlaten streken, de arme streken, de streken die achter of naast voorgenoemde pracht liggen, dan zie je misschien wel het ware gezicht van Frankrijk. En dat ware gezicht heeft een enorme omvang. Het zijn de departementen waar je niemand over hoort, waar niemand wil wonen. Waar de armoede heer en meester is.
Zo waande ik me vandaag, tussen Cadouin en Toulouse vaak ik Bulgarije of Roemenië. Tussen de armoede daar en die in Frankrijk is volgens mij weinig verschil. Alleen associeer je Frankrijk niet met een dergelijke armoede. Maar als je er doorheen rijdt, weet je waarom het zo beroerd gaat met de economie van Frankrijk. Er is niets dan leegte, armoe, er is geen spoor van economie. En daar maak ik me in de Dordogne vaak al zorgen over.
Zo bracht de reis ons door het stadje Fumel. De armoe bladdert er van de huizen, de bruggen en de wegen af. Tot overmaat van ramp reden we, nadat we de Dordogne hadden verlaten, door mistig landschap, waardoor alles nog naargeestiger kleurde. Wyb schonk mij een kop koffie in. Die nemen wij tegenwoordig mee omdat de koffie in Frankrijk vaak niet te zuipen is. Het is toch raar, als je van Frankrijk naar Spanje of Italië reist, de grens oversteekt, heb je opeens de beste koffie. Waar je ook koffie gaat drinken, altijd even goed. Nee, niet goed: uitstekend.
Als je in Frankrijk koffie gaat drinken, dan weet je nooit wat je krijgt. Zelden dat je een bakkie op niveau krijgt. De kwaliteit van de koffie is even instabiel als de economie van Frankrijk. Ik weet niet of er een causaal verband is – dat zal wel niet. Maar het is toch veelzeggend dat de Fransen, als ze het over hun eigen koffie hebben, de benaming jus des chaussettes gebruiken, sap getrokken van zweterige sokken.
Ik kom op die koffie omdat we over een weg reden die twintig jaar geleden al gerenoveerd had moeten worden. Er klotste koffie over de beker, zo op mijn witte broek, de enige die ik bij me had.
Laptopvingers
Woensdag 15 oktober, Cadouin
We zijn bijna drie weken in Cadouin, voor Wyb is dit de vakantie voor dit jaar. Toch ervaar ik het nauwelijks als een echte vakantie. Sterker nog: ik heb sinds lange tijd niet zo hard gewerkt. De eerste week was de tuin van ons huis een bouwplaats. Een graafmachine manoeuvreerde tussen struiken en bomen door. Overal verschenen diepe gaten en sleuven om leidingen met elkaar te verbinden. Een gigantische septic tank verdween met veel plastic buizen onder de grond. Ik ben benieuwd hoe lang dat ondergrondse spul daar blijft zitten. Als het goed is, ga ik dat niet meer meemaken. Op alles zit tien jaar garantie – een garantie die ik zelf niet heb.
Een meevaller was dat de klus binnen een week was geklaard. Maar wat achterbleef was een kale, totaal kapot gereden en gegraven tuin. Gelukkig is het oktober, de ideale tijd om gras in te zaaien. Dat mag dan de ideale tijd zijn, dat wil niet zeggen dat het mijn ideale bezigheid is.
Ik dacht: je strooit wat graszaad en klaar is kees. Helaas. Eerst moesten we de grond ontdoen van allerlei stukken rots en stenen, daarna egaliseren, harken, zaaien, nog eens harken en vervolgens sproeien. Voor wie groene vingers heeft, zal het heerlijk zijn. Mij levert het stijve ledematen en rugpijn op. Die verdomde tuin is ook gewoon veel te groot. Mijn lijf is gemaakt om achter een laptop te zitten; ik heb alleen maar laptopvingers.
Deze week heb ik tot nu toe alleen maar door een aangetaste tuin gebanjerd. Een stuk of honderd emmers met stenen verwijderd, harken, nog eens harken, god, wat een ellende. Ik ben geen tuinman, ik ben ook geen werkman die het lekker vind om zich met zijn handen in het zweet te werken. Geef mij een fijne tafel en een stoel en een koffie naast de laptop. Kortom, van echte vakantie is geen sprake.
Wat lullig is voor Wyb, want het zijn haar kostbare vakantiedagen. Maar goed, het zaad is gezaaid, ons werk is gedaan. Vandaar dat we morgen voor twee dagen naar Toulouse gaan. Een stad waar we eerder, op doortocht, een paar uur zijn geweest, maar die erom vroeg haar nog eens te bezoeken. Ik neem mijn laptop uiteraard mee, maar er is geen garantie dat de aankomende twee dagen een blog in Het Dossier verschijnt. Je weet natuurlijk nooit.
Journal d’images
Werken.
Hard werken.
Cursivering, enz.
Dinsdag 14 oktober, Cadouin
Mijn onbelangrijke en eenzame strijd begon toen ‘Een paradijs met zorgen’ werd uitgegeven. Ik leverde het manuscript in, en niet lang daarna kreeg ik de drukproeven om te corrigeren. Wat bleek, de uitgever had alle buitenlandse woorden gecursiveerd. Ik protesteerde er meteen tegen, want waarom zou je buitenlandse woorden cursiveren? Hij verzekerde mij dat dit volgens de uitgeversrichtlijnen was, dat dit landelijk zo is afgesproken. Ik verloor de strijd dan ook. Chambres d’hôtes wordt in het boekje cursief geschreven.
In Dossiermoddergat zal de lezer twee dingen nooit tegenkomen: cursiveringen en afkortingen. Ik heb er een pestpokkenhekel aan. Waarom is die cursivering een uitgeversregel? Ik heb het opgezocht en lees: ‘Om titels en namen van specifieke werken of objecten aan te duiden, zodat die titel of naam opvalt ten opzichte van de omringende zinnen.’ Maar ik wil niet dat ze opvallen. Als lezer vind ik dat heel irritant, ik wil gewoon lekker doorlezen, men hoeft mij niet te helpen; ik vind het een infantiliserende uitvinding die cursiveringen.
En over afkortingen hoeven we het niet te hebben, die zijn voor luie mensen en ambtelijke droogstoppels. Als iets moet worden verboden, dan is het de afkorting, z.s.m.
In de brief die ik een paar dagen geleden naar Rokus schreef, staan, mijn eenzame strijd indachtig, geen cursiveringen. Ik stuurde de brief naar Rokus, die hem dan op LinkedIn zet. Als ik de brief daar lees, zie ik dat er opeens wel cursiveringen in staan. No Future, septictank, Turks Fruit, allemaal keurig (of juist niet keurig) cursief. Zou dit automatisch gebeuren door LinkedIn? Je zet een brief op het platform en meteen worden de vreemde woorden gecursiveerd. Ik denk het niet. Vermoedelijk kende Rokus de uitgeversregel en heeft hij met de beste bedoelingen de brief aangepast.
Ik kan het hem morgen vragen, want dan gaan we samen lunchen. Ik zal hem niet vragen of hij het wil veranderen, want daarvoor is de kwestie te onbelangrijk. Maar de volgende keer zal ik hem wel nadrukkelijk vragen of hij geen enkel woord wil cursiveren. Mocht ik per ongeluk een afk. hebben gebruikt, dan mag hij die van mij onmiddellijk corrigeren.
Het is toch wonderlijk dat we in geschreven taal dergelijke wezensvreemde hulpmiddelen gaan gebruiken. In de gesproken taal begrijpt iedereen meteen als je chambres d’hôtes of No Future zegt. Dan onderbreek je het gesprek toch ook niet om te zeggen dat de luisteraar moet opletten omdat er nu een buitenlands woord aankomt. Cursiveren vind ik een kwestie van overorganiseren, en overorganiseren moet overal worden bestreden.
Journal d’images
Willekeurig stilleven op een aanrecht. Wat zegt dit stilleven over de eigenaren van die aanrecht?
Mafkezen
Maandag 13 oktober, Cadouin
Dit weekend was voor mij een dieptepunt als vader en als Nederlander. De afgelopen week volgde ik zoveel mogelijk de ontwikkelingen rond de voorgenomen demonstratie in Amsterdam tegen het asielbeleid. De rellen in Den Haag van de knokploegen van PVV en FvD zijn me op het netvlies blijven staan. De jaren dertig revisited, inclusief NSB-vlag en Hitlergroet. Daarna ging het tuig de binnenstad in. Mensen die geen arisch uiterlijk hebben worden belaagd en moeten winkels en cafés invluchten. Terrassen worden in elkaar geramd, het D66-kantoor probeert men in de fik te steken, ramen worden ingegooid.
Een hoogtepunt voor de knokploegen. Sieg Heil! Het smaakt naar een vervolg en Amsterdam is natuurlijk een mooie plek voor een herhaling, het hart van de linkse elite, prima plek om Femke Halsema te treiteren – lekker druk, lekker veel chaos. Dit is het momentum, moet men gedacht hebben, en men vroeg een vergunning aan voor nog zo’n feestje.
Fascistische knokploegen en Amsterdam. Dan denk ik natuurlijk meteen aan mijn dochter. Anne en ik hebben er nog geen contact over gehad, maar ik vind toch dat ik haar moet waarschuwen. Stel dat ze niets vermoedend door het centrum fietst.
Zodoende moet ik voor het eerst in mijn leven mijn dochter waarschuwen dat witte mafkezen weleens tekeer kunnen gaan en dat zij zich beter niet in het centrum kan vertonen. Mijn dochter heeft namelijk een prachtige bruine kleur.
Mijn waarschuwing blijkt terecht. Ze heeft er nog niet van gehoord. Tijdens ons gesprek is ze al druk aan het googlen en schrikt ervan. Zeker omdat ze zondag op reportage moet en dan fietst ze naar het station om naar de cameraman te gaan met wie ze de reportage zal maken. Ze belt meteen haar cameraman en die belooft haar op te halen en weer thuis te brengen. Een pak van mijn hart.
Het was in de zomer van 1987 toen Lies en ik naar Sri Lanka afreisden om Anne te halen. Anne was twee weken toen we haar kregen. Ik zag haar voor het eerst op een bed liggen in een soort opvanghuis voor moeders die niet voor hun kind konden zorgen. Mijn vaderhart sprong open en heeft zich sindsdien niet meer gesloten.
Wie had toen kunnen denken dat ik haar op vrijdag 10 oktober 2025 moest waarschuwen tegen witte mafkezen. Of misschien hadden we er toch een vermoeden van dat er rottige dingen zouden kunnen gebeuren. Officieel lieten we Anne haar Sri Lankaanse naam behouden, een prachtige naam, maar een naam die we in Nederland niet kennen. We besloten dat haar roepnaam Anne zou zijn. Als ze later ouder werd, kon ze kiezen tussen haar Sri Lankaanse naam en haar roepnaam. Tot nu toe is dat Anne gebleven.
Ik ben er blij om, want in dit licht tot zwaar racistisch land is een vreemdklinkende naam een reden om iemand bij een sollicitatie überhaupt niet uit te nodigen. Sluimerracisme, zou je kunnen zeggen. Maar het heeft dezelfde wortels als de witte racisten die gisteren in Amsterdam door de straten marcheerden. Gelukkig waren het voor het tuig beschamend weinig, zeker gezien de demonstratie een week daarvoor.
Maar dat nam niet weg dat Anne met haar cameraman in de parkeergarage van de Bijenkorf staat en dat zo’n fascistische gek het raampje van zijn auto opendoet, zijn middelvinger tegen haar opsteekt en haar begint uit te schelden. ‘Wij zijn Nederland,’ zal hij geroepen hebben. Zoveel domheid. Laten we hem uitlachen. Ook al is het levensgevaarlijk.
Vadsige koningen
Zaterdag 11 oktober, Cadouin
Hieronder de negende brief die ik aan Rokus schreef.
Beste Rokus,
Ik weet dat ik je deze brief al veel eerder had beloofd. Dat is helaas niet gelukt door sociale drukte en onze tuin die momenteel volledig op zijn kop staat. Van het gras is niets over. Zelfs onze catalpa, de boom die ik zo prachtig vind, moest het ontgelden. Een groot deel van zijn takken moest verdwijnen opdat een graafmachine vrij spel had.
Momenteel graaft die machine een enorm gat in onze tuin. In dat gat zal dadelijk een kleine fabriek verdwijnen, een zogenaamde septictank. Ze noemen het een microstation, maar het ziet eruit als een fabriek zoals hij nu in de tuin staat. Van micro is geen sprake. Dit alles is nodig omdat onze huidige septictank, die er al sinds de middeleeuwen inzit, en buitengewoon goed werkt, te vervangen. De Franse overheid besloot dat de oude niet meer au norm was. Men heeft ons opgedragen, met het dreigen van enorme boetes, een nieuwe septictank te plaatsen. Gevolg: een rib uit ons lijf en een tuin die is veranderd in een bouwterrein. Gedoe, Rokus, allemaal gedoe, waar ik niet op zit te wachten. Ik schrijf liever brieven.
Ik was zelfs al met de brief begonnen voordat de drukte mij overviel, want eerlijk gezegd had ik behoefte aan retrospectie. Sinds enige tijd heb ik namelijk het idee dat ik in een andere wereld ben beland. De wereld waarin ik ben geboren, en lang aan was gehecht, bestaat definitief niet meer. Ik moet gewoon concluderen dat ik uit de tijd ben gegroeid. Of misschien moet ik het omdraaien en zeggen dat de tijd van mij weg is gegroeid. Ik kan mijn wortels niet loslaten, iets waar de wereld geen last van heeft, de tijd groeit gewoon door. Ze vreet nieuwe generaties, die al hun energie aan die wereld wijden om haar, volgens hun eigen inzichten, verder te brengen. Ik blijf met mijn inzichten achter en kijk met een mengeling van vele gevoelens naar het resultaat; die gevoelens variëren van verbazing, sentiment, ongeloof, afkeer, angst en heimwee.
Ik noemde al het woord wortels. Laat ik teruggaan naar mijn wortels die ergens diep in Nijmeegse grond zijn verankerd, ondanks dat ik deze stad al lang achter mij heb gelaten en er ook niet naar terugverlang. Ik ben vooral een kind van de jaren zeventig. Er zijn weinigen die het nog durven te zeggen. De meesten hebben zich ervan afgekeerd en zijn een ander leven gaan leiden. Of kunnen het niet meer vertellen omdat ze dood zijn, ook dat komt in mijn omgeving inmiddels tamelijk veel voor.
De jaren zeventig staan voor een generatie die de vuist balde, universiteiten en andere instellingen bezette. Een generatie die bovendien nog een tik heeft meegekregen van het hippiedom uit de jaren zestig. Zij keek als eerste naar de film Turks Fruit, groots en meeslepend leven: dat wilden we allemaal wel. Het is de generatie die nog masturbeerde op de lingeriemodellen van de Wehkampgids. Mijn generatie had grote dromen: wij zouden de wereld veranderen en beslechtten menig generatieconflict. Wij waren ook de eersten die dansten op muziek van de film Woodstock. Alles zou anders worden, beter worden, en daar zouden wij voor zorgen. Wij zouden een mars door de instituten maken en alles rechtvaardiger, transparanter en democratischer maken.
Er is weinig van terechtgekomen, Rokus. Mijn toenmalige beste vriend en ik waren respectievelijk 14 en 15 jaar, zaten op de MAVO en hielden een spreekbeurt over anarchisme. Wij geloofden in de goedheid van de mens, we wisten daarom zeker dat alles goed zou komen, als mensen maar juist waren geïnformeerd, als ze maar niet dom werden gehouden.
Wij waren respectievelijk 15 en 16 toen we samen een contract opstelden waarin wij vastlegden dat wij leraar zouden worden. Als leraar, vonden wij, ben je het beste in staat om mensen goed te informeren, inzicht te geven, een leven een wending de goede kant op te geven.
Wij zijn inderdaad leraar geworden. Mijn toenmalige beste vriend in de natuur- en scheikunde; ik in nederlands en geschiedenis. Mijn toenmalige beste vriend heeft het een paar jaar in het onderwijs volgehouden, ging in de tussentijd de politiek in, werd lid van de Partij van de Arbeid (natuurlijk!), werd fractievoorzitter van de PvdA in de gemeenteraad van Nijmegen, later wethouder, waarop hij het onderwijs verliet.
Ik heb het niet zo lang in het onderwijs volgehouden. Al tijdens mijn studie aan de lerarenopleiding maakte ik kennis met dat onderwijs en wist ik dat ik mij niet kon houden aan de contractuele afspraken die wij hadden gemaakt. Tijdens mijn studie organiseerde ik activiteiten op het gebied van theater en film en dat smaakte naar veel meer. En toen ik als leraar maatschappijleer en geesteswetenschappen op een opleiding voor gezins- en bejaardenverzorgenden in docentenkamers belandde, wist ik zeker dat ik het geen veertig jaar in een lerarenkamer zou volhouden.
Ik denk dat die jaren zeventig bij mij nog harder zijn aangekomen dan bij menig generatiegenoot, dit omdat ik geboren en getogen ben in Nijmegen. De stad was in die jaren buitengewoon links. Mijn tijd op de lerarenopleiding herinner ik mij vooral als een tijd van bezettingen en politieke actie. Het belangrijkste wat ik leerde, was hoe je zo effectief mogelijk acties kon organiseren. In mijn latere leven heb ik daar veel aan gehad. Nog lang na die jaren zeventig stond Nijmegen bekend als Havana a/d Waal, dat was onze kleine erfenis. Of de stad nu nog steeds die bijnaam heeft, weet ik eigenlijk niet. Zal wel niet.
Ik moet er nog vaak aan denken nu de verkiezingen voor de deur staan. Links is sinds die jaren zeventig ernstig geslonken. Mijn generatie, waarvan ik ooit dacht dat we samen optrokken, heeft zich in de loop van de jaren massaal van dat linkse gedachtegoed afgewend. Men kocht huizen waarop veel werd verdiend. Nou ja, verdiend, de overheid faciliteerde hen zo dat de huizen steeds meer en meer waard werden. Zonder iets te doen, ze hoefden alleen maar te blijven wonen waar ze woonden, werden ze slapende rijk. Maar door mijn generatiegenoten wordt het nog steeds gezien als hun eigen grote verdienste.
Na de No Future van de jaren tachtig, brachten de jaren negentig het neo-liberalisme, en daarmee het materialisme. Geld verdienen werd voor velen het belangrijkste doel en ze werden er nog goed in ook. En daarmee veranderde het politieke en maatschappelijke landschap volledig. Alles wat contraproductief werd beschouwd, of als lastig, of als een inbreuk op het materialistische feest, werd verdacht gemaakt en bestreden. Met de asielzoeker als het grote zwarte schaap. Er is zelfs een partij die er zijn verdienmodel van heeft gemaakt en tot mijn verbijstering in Nederland de grootste is geworden. Het kan verkeren.
Weet je nog dat Nederland ooit gidsland werd genoemd? Het woord kan zo opgenomen worden in de Lijst der Vergeten Woorden. Niemand kan zich er nog iets bij voorstellen. We werden xenofoob en de Dikke Ik. Eigen volk eerst. Make America Great Again, het is een wereldwijd fenomeen. Twee weken geleden schreeuwden fascistische horden: ‘Wij zijn Nederland’ en zwaaiden met de NSB-vlag.
Nou ja, Rokus, zo’n wereld dus. Een totaal andere wereld dan mijn Nijmeegse wereld. Ik heb voor mijzelf een eiland gecreëerd met het blog Dossiermoddergat.nl. Daar pruttel ik dagelijks over wat is geweest, over mijn verbazing en mijn afkeer, afgewisseld met wat privé-ervaringen. Het is een plek waar ik mijn schrijfsels en foto’s kwijt kan. Voor de huidige generaties zal het een fremdkörper zijn, iets waar ze niets mee hebben. Ze zullen het als een laatste oprisping van een verloren generatie zien. Das war einmal.
In tegenstelling tot mijn generatiegenoten ben ik altijd een idealist gebleven. De kunst stond voor mij voorop, als organisator en als maker, in die volgorde. Ik hecht nauwelijks aan bezit, geld heeft mij nooit geïnteresseerd, toegegeven, misschien kwam dat omdat ik altijd genoeg had om te leven. Maar ik heb nooit moeite gedaan om het te vermeerderen, ik had belangrijkere dingen te doen. Dat neemt niet weg dat zelfs ik, door mijn pensioenfonds, ben toegetreden tot het kapitalistische systeem, mijn zuur gespaarde pensioengeld is nu belegd in, ik weet niet wat. Per 1 januari is de hoogte van mijn pensioen zelfs afhankelijk van het beleggingsresultaat. Ik ga nu mee jojo’en op de grillen van de markt. Zet een mens en een aap naast elkaar, laat ze beide beleggen, en grote kans dat de aap wint, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek.
Was ik in de jaren zeventig trots op mijn generatie: wij wisten hoe de wereld in elkaar stak en zouden haar wel even verbeteren, nu zijn we, terecht, bestempeld als boomers, uitgebluste zeurkonten. We zijn verworden tot verwende, vadsige koningen. Wilden we vroeger de verbeelding aan de macht brengen en wisten we dat het strand onder het plaveisel lag, nu zijn we uitgebluste papzakken. Wij hebben onszelf veranderd in een voor deze wereld irrelevante generatie. Het is er in geëindigd dat ik mij vaak schaam voor mijn generatie.
Nou ja, dat soort dingen. Ik voel mij soms een Mexicaanse migrant die Trump in Congo heeft gedropt. De tijd heeft mij gekatapulteerd in een ander land. Een land vol coaches, personal coaches, lifestylecoaches, burn-out en stresscoaches, en zo zou ik nog even kunnen doorgaan, een land waarin zelfs officiële adviesorganen van de overheid zich zorgen maken over ons mentale welzijn. Een substantieel deel van de jongeren maakt(e) gebruik van professionele hulpverlening, velen krijgen met een burn-out te maken. Begrijpelijk, want wie een huis wil kopen moet veel verdienen. Zonder dat beide partners werken, is het überhaupt nauwelijks mogelijk een huis te kopen. Druk, druk, druk, zijn volgens de meest gebruikte woorden van de afgelopen vier decennia. Ik heb er zelf lang hard aan meegedaan.
Heb meegedaan. Want nu zit ik veelal op een berg in Frankrijk, waar ik mezelf buitenspel heb gezet. Op die berg ben ik nog slechts observator, wat ik, volgens mijn toenmalige beste vriend, eigenlijk altijd al was. En daar had hij denk ik wel gelijk in, maar, dat moet gezegd, naast mijn natuurlijke functie werkte ik er hard bij. En dat laatste is volstrekt niet meer het geval. Nu ben ik alleen nog observator. Ik kijk toe, maak af en toe een fotootje, schrijf zo nu en dan een brief of een blogje. C’est ça. Verworden van idealist tot misantroop, over dat laatste heb ik in vorige brieven al uitgebreid geschreven.
Hartelijke groet,
je penvriend,
Gérard.
Landjepik
Donderdag 9 oktober, Cadouin
Als je voor ons huis staat, woont links van ons een echte buur, Jenny. Toen wij ons huis kochten, stond in haar tuin een bungalowtent, het was midden in de winter. Het huis dat op het perceel stond, had geen dak, geen ramen. Het bleek dat Jenny in die tent woonde en bezig was haar huis op te knappen. Inmiddels heeft het een dak, ramen en gaat het er jaloersmakend uitzien, al is ze nog lang niet klaar. Voor Jenny geldt zeker dat een goede buur beter is dan een verre vriend. Het is ook leuk om naast haar te wonen. Ze is documentairemaker en is directeur van de regionale filmfestivals hier in de Dordogne en laat zich momenteel omscholen tot pottenbakker.
Ik schreef zojuist ‘echte buur’ omdat we rechts van ons geen echte buur hebben. Onze rechterbuur is een enorm bos dat tegen een helling ligt. In tegenstelling tot onze berg heeft het geen terrassen, het is totaal verwilderd. Het lukt je nauwelijks om doorheen te lopen omdat het enerzijds te steil is, anderzijds vol ligt met omgevallen bomen. Eigenlijk is de rechterbuur een jungle.
Lang geleden moet er leven in de jungle zijn geweest. Als ik op ons weggetje loop, kijk ik graag omhoog naar de jungle, het is een fascinerend stuk natuur. ’s Nachts is het gebied van de dassen en de reeën. In de wildernis ontwaar ik nog wat gestapelde stenen, een vervallen bouwsel. Ik heb geen idee van wie dit stuk natuur is.
Toch is het van iemand. Onderlangs de berg loopt een talud, parallel aan ons weggetje. Sinds vorig jaar wordt het talud eens in het jaar gemaaid. Ook op het talud groeiden bomen en struiken, maar die zijn allemaal met de grond gelijk gemaakt. Door deze actie, die iemand in gang heeft gezet en betaald heeft, hebben wij opeens veel meer uitzicht gekregen. Rechts van ons huis is hierdoor een soort oprijlaan ontstaan en kijken we nog beter over de vallei. Dank, onbekende buur!
Ik begin hierover omdat Wyb en ik sinds drie dagen aan landjepik doen. Omdat onze tuin nu een bouwterrein is, hebben we ons tuinmeubilair verplaatst naar het talud. Het ligt pal naast ons perceel, dus het voelt direct als een deel van onze tuin. Omdat hier geen struiken en bomen meer staan, hebben we hier een veel wijdser uitzicht dan in onze eigen tuin. Bovendien ziet niemand ons zitten omdat het talud twee meter hoger ligt dan ons weggetje en het talud toch wel tien meter breed is. We zitten daar prinsheerlijk, het lijkt alsof we naast een berg nu ook een landgoed hebben.
Toch voelen we ons er niet helemaal senang bij. Wie gaat er nu zomaar op het grondgebied van een buur zitten, ook al ken je die buur niet? We hebben nog nooit iemand gezien die zich als zodanig voorstelde. Daarom blijven we daar voorlopig maar even lekker zitten. Onze nieuwe tuin ligt pal op het zuiden en de zon schijnt hier volop. Van herfst is hier nog geen sprake. Dat landjepik heeft ons tot nu toe veel gebracht. Als onze tuin weer tuin wordt, moeten we maar eens kijken of we het tuinmeubilair weer terug zullen verhuizen.
Journal d’images
Au norm
Woensdag 8 oktober, Cadouin
Voor wie geen groene vingers heeft en een hekel heeft om überhaupt in een tuin te werken, hebben wij in Cadouin een ideale tuin. De kenners noemen het een bostuin. Alles in onze tuin mag alle kanten uitgroeien. In het midden staat een grote bejaarde rozemarijnstruik, er zijn veel vlinderstruiken, hier en daar opkomende notenbomen, vijgenbomen, alles gegroepeerd om een grasveldje vol paardenbloemen en allerlei andere planten die er eigenlijk niet thuishoren, maar die wij lekker laten groeien totdat Laurant komt om de boel te maaien. Op het eind van de tuin staat de trots van onze tuin: de catalpaboom. Onze beschermer tegen felle zon en warme dagen, daaronder bungelt een hangmat. Voor ons is het een idylle.
Nu de deceptie. Van de tuin is momenteel niets meer over. Een grote graafmachine heeft het gras vernield. Een man klom in de catalpa en zaagde alle onderste takken weg om de graafmachine de ruimte te geven om te werken. Weg mooie parasolvorm van onze boom. Het is een raar opgeknipt model, zo’n beetje als het haar van Eelco Heinen, onze minister van financiën.
Verder staat er in de tuin een soort minifabriekje en een stuk of zeven enorme zandzakken die met een hijskraan over het tuinhek zijn gehezen. De chauffeur protesteerde hevig. Hoe kreeg hij die enorme zakken nu tussen het tuinhek en de elektriciteitsleiding, die daar boven liep, gehezen. Hij hield een tirade tegen mij, waaruit ik begreep dat het onmogelijk was. ‘Et maintenant?’ vroeg ik na zijn woede-uitbarsting. Waarop hij zonder problemen de zakken in de tuin manoeuvreerde.
De vernieling van onze tuin heeft alles te maken met de wil van de Franse overheid om onze septictank au norm te maken. Wij hebben een prima functionerende septictank, die, het zou me niet verbazen, al eeuwen in de grond zit. Al toen wij het huis kochten, wisten we dat de tank niet au norm was, waardoor we nog meer van de vraagprijs konden afpingelen.
Het zal wel loslopen met dat au norm, dachten wij nog. Franse slag – je weet wel. Fout. Nadat wij er een jaar woonden, kwam er een mannetje met een stapel papieren onder de arm de tuin in lopen. Of wij wisten dat de tank niet au norm was. Ja, dat wisten we. Daarom kwam hij met de mededeling dat de tank binnen drie jaar vervangen moest worden. Om ons te motiveren noemde hij de boetes die we moesten betalen als we het niet deden.
En zo komt het dat de graafmachine nu een diep gat van twee bij twee meter in onze bostuin heeft gegraven. Onze catalpa niet meer onze catalpa is en de tuin een bouwplaats is geworden. Als alles meezit, is het klusje deze week geklaard. Maar of alles meezit? Zal vast niet. Als het wel meezit, hebben we een septictank die au norm is, een tuin die recht is getrokken en niet meer scheef loopt.
Volgend jaar zomer zullen we met weemoed naar onze catalpa kijken en zeggen: ‘Wat was hij mooi.’ We zullen een parasol moeten kopen om ons te beschermen tegen de felle zon en de warmte. En niet onbelangrijk: wij zijn een substantieel bedrag armer.
Journal d’images
Soortelijk gewicht
Maandag 6 oktober, Cadouin
Eigenlijk vind ik dat een stem op de PVV maar voor 0,25% mag gelden. Ondemocratisch? Misschien een beetje, maar het is het antwoord van de democratie op kiezers die de democratie aan hun laars lappen. Wie als verkeersdeelnemer zich ernstig misdraagt, krijgt ook verminderde toegang tot het verkeer.
Wie PVV stemt, zet niet alleen de democratie, maar ook zichzelf buitenspel. Een PVV-kiezer pleegt obstructie, misbruikt de mogelijkheden die hem ruimhartig worden gegeven.
Ik spreek nu over PVV als partij, maar de PVV is natuurlijk niks. De PVV is Geert Wilders die een stelletje ja-knikkers om zich heen heeft verzameld. Ze mogen niet alleen niks zeggen, want Geert is De Grote Woordvoerder, ze kunnen waarschijnlijk ook niks zeggen, want het zijn politieke minkukels, geselecteerd op hun niksigheid.
Wie PVV stemt en denkt daarmee de PVV als grootste partij aan de macht te helpen, moet zich echt beter informeren. De PVV kan niet aan de macht komen omdat elke serieuze partij Wilders uitsluit, maar ook omdat de PVV niet eens het bestuurlijk kader heeft om die macht uit te oefenen. De PVV-ministers waren meer clowns dan bestuurders. Ze hebben geen deuk in een pakje boter kunnen maken. Ze hebben zich bij een partij gevoegd waar geen enkele democratie heerst, laat staan dat je je daardoor in democratie kunt bekwamen.
Wilders roept veel, realiseert niks. Zo is het al jaren en als je PVV stemt moet je dat inmiddels toch weten. En als je dat niet weet, ben je geen volwaardig kiezer. Je moet je als kiezer verdomme wel een beetje serieus informeren. Natuurlijk is een toenemend deel van het electoraat daar niet toe bij machte of interesseert het ze überhaupt niet: Wilders heeft zich met zijn oneliners in hun hoofden genesteld en daarmee is de kous af. Met andere woorden: het zijn kiezers met mindere, zo niet helemaal geen kwaliteit. Het is dus alleszins rechtvaardig dat we hun soortelijk gewicht afwaarderen: 0,25%, al is dat misschien nog wel te hoog ingeschat.
Daar komt nog eens bij dat de PVV-kiezer moet weten dat ze op mensen stemmen die hun taak verwaarlozen. De PVV-banken in de Tweede Kamer blijven opmerkelijk vaak leeg, aan het commissiewerk doen ze nauwelijks mee. De PVV-gekozenen, inclusief Wilders zelf, doen bovendien niet mee aan het democratisch spel. Ze laten zich niet interviewen, doen niet mee in publieke discussies. Het enige wat ze doen, is oneliners twitteren of oneliners retweeten. Gedeeltelijk door gemakzucht, gedeeltelijk door domheid, gedeeltelijk door lafheid, want in een serieus gesprek zou je eens door de mand vallen.
De PVV is een op hol geslagen zwerm bijen. Ze klitten wanhopig aan elkaar, elke invloed kan het nest kwaad doen. En daarmee zeggen ze: we horen niet bij jullie, hoor. Prima, maar vind het daarom niet gek dat we hun democratische waarde wat afwaarderen. 0,25% is inderdaad misschien te hoog. Ik stel voor dat elke PVV stem uiteindelijk 0,15% waard is.
En dan heb ik er nog geen rekening mee gehouden dat PVV-kiezers überhaupt geen kiezers zijn, maar psychiatrische patiënten. Ze hebben één obsessie, één totaal ongezonde en uit de hand gelopen fixatie: de asielzoeker. Alle problemen voeren ze terug op: de asielzoeker. Ik begrijp dat er voor psychiatrische kiezers geen hulp is en dat ze toch moeten meedoen met het democratische proces, ook al hebben echte kiezers daar flink last van. Laten we het soortelijk gewicht van hun stem daarom afronden naar 0,10%, als jullie het daar tenminste mee eens zijn.
Kelders
Zondag 5 oktober, Cadouin
Als we bezoek hebben, is er een plek die ik ze zeker wil laten zien. Ik heb nog nooit één moment gehad dat ik een vorm van godsbesef had, maar als er een plek is waar ik in de richting daarvan kom, is dat het kerkje van St. Christoffel in Montferrand-du-Périgord. Het kerkje stamt uit de elfde eeuw na Christus, en is in de twaalfde eeuw nog eens aangepast. De fresco’s uit die tijd zijn nog steeds zichtbaar, sommige zwaar aangetast door de tijd, andere verrassend duidelijk nog, allen onbeholpen, primitief. In het kerkje is plaats voor negen mensen die kunnen zitten. Ik stel me voor dat de minder bevoorrechten er omheen stonden. Er is een sober altaartje waar een priester achter kan staan.
Het mooie is dat het kerkje altijd open is. Wie de zware houten deur openduwt, voelt meteen een sacrale stilte. Zelfs ik, diehard atheïst, voel het geloof dat hier door de eeuwen heen is beleden, de doden van wie afscheid is genomen, de kinderen die hier zijn opgenomen in de gemeenschap. In deze ruimte concentreerde zich het leven. Al degenen die ik hiermee naartoe neem, willen hier even zijn, even de sfeer proeven, uitgetild zijn boven de tijd. Even een kaarsje branden, ook vandaag weer, alleen jammer dat we geen geld bij ons hebben.
Ik neem mij steeds weer voor om hier alleen heen te gaan en bijvoorbeeld de gedichten van H.H. ter Balkt, Gerrit Achterberg of Ida Gerhardt te lezen, dichters die zinnen als bezweringen schrijven. Het lijkt me heerlijk om daar dan in alle eenzaamheid te zitten, samen met eeuwen geschiedenis.
Of misschien ga ik een zeer exclusief festival organiseren voor hoogstens tien tot vijftien mensen om samen onze lievelingsdichters te lezen. Niks ironie, niks humor, niks lichtvoetigs, alles zwaar en hermetisch. Samen op zoek naar de diepe, kille kelders van de mens.
Contrast. ’s Avonds is er tijd voor liederlijk lekker eten. Met Anneke gaan we opnieuw naar restaurant Les Terrasses de la Côte Rouge. Ik weet zeker dat dit de plek in de Dordogne is waar het meest creatief wordt gekookt. Het was best een hachelijke zaak om een dergelijk restaurant in Cadouin te beginnen, toch een beetje the middle of nowhere. Gelukkig weten mensen kwaliteit zelfs op deze plek te vinden. Lekker eten, mooie wijnen, een glas cognac ter afsluiting, onbekommerd en ongegeneerd genieten, de diepe, kille kelders even vergeten.
Diep in de avond lopen we naar huis: tijd voor duistere fotografie.
Journal d’images
Safari
Zaterdag 4 oktober, Cadouin
Als Anneke op bezoek is, leidt dat altijd tot een soort natuureducatie voor ons. Zo leer ik dat die schattige varentjes op onze betonnen trap steenbreek heet. Tot nu toe liet ik ze altijd groeien omdat ik ze zo mooi frêle vind. Maar nu blijkt dat die schattige plantjes langzaam steen kunnen breken en betonnen trappen kapot maken. Ik weet nu niet meer of ik ze moet laten zitten. Ik dien te kiezen tussen esthetiek en onverbiddelijkheid om ons bezit te beschermen. Lastige keuze.
We besluiten om ’s avonds op safari te gaan door de Dordogne, op zoek naar de big five: hert, ree, zwijn en das. Vooral in de hoop om burlende herten te zien. Zodoende rijden we rond half acht door schemerige bossen, af en toe doorbroken door uitgestrekte velden.
‘Stop,’ roept Wyb, ‘een hert met jong.’
Ik zet meteen de auto stil. Kijk, en zie niks.
‘Even wat achteruit rijden. Een klein stukje. Snel.’
Na deze actie zien Anneke en ik ook twee hertenkonten de benen nemen, een grote kont en een kleine kont. Wyb, die ze in de ogen keek, weet zeker dat het herten zijn.
Even verder komt ons – het wordt snel donkerder – een bosgeest tegemoet. Een militair met mitrailleur, denk ik. We bekennen later alle drie dat we bang waren. Het blijkt een man te zijn die volledig gecamoufleerd is, zelfs over zijn gezicht zit een kap in camouflagekleuren. De mitrailleur blijkt een enorm fototoestel te zijn, ook gecamoufleerd. Als we langsrijden knikt de bosgeest ons vriendelijk gedag. Hij en wij hebben vermoedelijk hetzelfde doel: burlende herten.
We rijden langzaam verder over hobbelige boswegen. Zo nu en dan stappen we bij vlaktes uit om te kijken of we herten zien. Niets. Zelfs het burlen blijft achterwege. Ver weg zien we een ree met jong lopen. Hebben we vanavond in ieder geval twee leden van de big five gespot. We staan op lege, donkere vlaktes, onze zintuigen tevergeefs gespitst.
We besluiten naar huis te gaan. Hoewel het geen stralende dag was, is het een zwoele avond. Pas als we op de veranda zitten, worden we volop getrakteerd op burlende herten om ons heen. Sommige lijken zo dichtbij, al denken we niet dat het geburl uit onze vallei komt. Ik vermoed dat ze achter het kerkhof staan, waar wij in de winter, als de bladeren van de bomen zijn, op uit kijken.
Dies verstoort de stilte door als een gek de berg op te rennen. Als hij een ree of das hoort, schiet hij de berg op. Een ree weet op tijd te vluchten, maar een das laat zich niet snel verjagen en kan gemeen bijten, heb ik gehoord. Vandaar dat ik hem in huis opsluit, kunnen wij tenminste ongestoord naar het hertenconcert luisteren. Tot laat kunnen we blijven zitten en luisteren, een glas wijn in onze hand. De natuur is mooi, maar je moet er wel iets bij te drinken hebben (vrij naar Willem Kloos).
Journal d’images
Het zal duidelijk zijn dat deze foto niet laat op de avond is gemaakt. Deze foto is zo’n acht uur eerder geschoten tijdens de lunch in Beynac-et-Cazenac.
Burlen
Vrijdag 3 oktober, Cadouin
Delft krijgt een opknapbeurt. Alle bruggen in de stad, en dat zijn er nogal wat, krijgen een voor een een opknapbeurt. Dit keer is de brug aan de beurt die het dichtst bij ons huis ligt, ik schat zo’n 75 meter. Het is een belangrijke brug, zij verbindt de binnenstad met de oostelijke buitenwijken. Het is een komen en gaan van fietsers, scooters en wandelaars. Auto’s mogen er niet overheen.
De brug is vorige week ingepakt alsof Christo nog leeft. Geen idee waarom het gebeurt; het heeft iets sinisters, alsof er onoorbare dingen gebeuren achter het plastic. En misschien is dat wel het geval, want de brug kermt en jammert. De brugbouwers zijn aan de slag gegaan en het gaat gepaard met een enorme herrie die zelfs doordringt in ons goed geïsoleerde appartement. De brug lijdt. Deze takkenherrie gaat tot 8 december duren.
Een groot deel zal ik er niet van meekrijgen, want gisteren zijn we met Anneke, de moeder van Wyb, richting Cadouin vertrokken en aangekomen, na een ruk van elf uur. Ook tijdens deze tocht kregen mijn oren weinig rust. De dames Kaastra houden van praten, en ikzelf ook wel.
Als we aankomen in Cadouin heb ik het krijsen van de brug nog in mijn oren, evenals ons kakelen. Alles valt weg als ik het portier open en de stilte de auto binnendondert. In één keer worden de oren schoongespoten. Rust. Er is alleen de stilte van de natuur. Zoals zo vaak is het windstil in de vallei, de toeristen zijn weer huiswaarts, de economie in de Dordogne is weer tot stilstand gekomen. Nogmaals: rust, grote rust. Wat een heerlijkheid.
We pakken, geïmponeerd door de stilte, de auto uit, prepareren snel het huis voor gebruik, en spoeden ons naar het Restaurant l’Auberge in het oude klooster. En als we gastronomisch bevredigd zijn, gaan we naar buiten en is het pikkedonker. We leven na al die kilometers in een andere wereld. Wyb en Anneke gaan in de kerk nog even een kaarsje branden en gaan vervolgens richting ons huis.
En dan hoor ik wat ik de laatste keer ook al hoorde toen we er waren. In het bos op onze berg huist een familie bosuilen. Ze communiceren nog intenser dan wij vandaag in die auto. Ik weet niet wat de bosuilen tegen elkaar zeggen, maar het moet over serieuze zaken gaan. Ze gooien, zo te horen, hun hele hebben en houden in het gesprek. Wij worden er stil van en blijven betoverd luisteren.
Pas als de familie Bosuil even stilvalt, horen we het donkere burlen van de herten in de bossen. Hun wellust en strijdlust klinken door de bossen van de Dordogne. Zelden zo’n verlangen gehoord. We zijn geïmponeerd. Voetje voor voetje zoeken we in het donker het huis op. Wij kennen onze plaats, wij zijn slechts passanten in een andere wereld.
Gevonden
Schijtend hondje.
Familieomstandigheden
Vrijdag 3 oktober, Cadouin
Door familieomstandigheden zal het blog vandaag verlaat of niet op Dossiermoddergat verschijnen.
Ik wil die familieomstandigheden ook nog wel even toelichten voordat iedereen ongerust wordt. Ze hebben niet met dood of ziekte te maken, maar meer met het dwingend karakter van mijn familie. Zoals de lezer inmiddels weet, blogt De Blogger het liefst zijn blogje in de ochtend. Dan is hij nog fris en frank. Maar de familie is een familie van geen woorden maar heel veel daden. Ze willen er meteen op uit, dorpen ontdekken, door nieuwe landschappen wandelen. De planning is nu zo gemaakt dat ik slechts deze regels kan typen om mij te excuseren. Om mij heen wordt er al geroepen: ‘Hé Blogger opschieten, zo is het wel genoeg.’
‘Ja, ja, ik kom.’ Zucht.
Handschrift
Woensdag 1 oktober, Delft
Omdat we morgen voor drie weken naar Frankrijk gaan, ruim ik wat stapels boeken op. In een van die stapels kom ik een boekje van Ivan Wolffers over sterven tegen –ik weet meteen dat ik in gebreke ben gebleven.
Ik heb het boekje ooit geleend omdat ik iets over sterven wilde schrijven. Van dat schrijven is niets gekomen en ik heb geen letter uit het boekje gelezen. Een aantal weken geleden al beloofde ik Leo het terug te sturen. Helaas was die belofte uit mijn hoofd verdwenen.
Ik pak meteen een envelop en een kaart met ‘Groeten uit Delft’. Op de envelop schrijf ik het adres van Leo, op de kaart mijn excuses voor het vergeten en een groet.
Voor iedereen zijn dat eenvoudige handelingen, maar voor mij niet. Als ik naar het geschrevene kijk, schaam ik me. Het is het gekriebel van een kleuter. Ik vermoed dat Leo denkt dat ik aan Alzheimer lijd. Ook het handschrift van mijn moeder verschrompelde met haar mee.
Gelukkig weet ik waar dat beroerde handschrift van mij vandaan komt: ik schrijf werkelijk nooit met pen, al sinds mijn zestiende – toen ik van mijn opa een typemachine kreeg – schrijf ik alleen op machines, nooit meer met een pen. Zeker nadat ik met tien vingers blind leerde typen, waren de typemachine en ik onafscheidelijk.
Dat ik mijn toevlucht daartoe nam, was niet voor niets. In mijn basisschooltijd heb ik op diverse scholen gezeten en daar ergens is het fout gegaan. Dat het eens beter was, kan ik bewijzen omdat ik nog een rapport heb uit de eerste klas (lees: groep drie, ik heb nog op lagere scholen gezeten in plaats van basisscholen) waar mijn handschrift werd beoordeeld met een 9. Ik bedoel maar, ik heb het gekund.
Ik weet zeker dat er jaren voorbij zijn gegaan dat ik geen enkele dag iets met de hand op papier schreef. De pen die altijd op mijn bureau lag, gebruikte ik alleen om handtekeningen te zetten en aantekeningen bij notulen te maken. Vervolgens moest ik vaak constateren dat ik mijn eigen handschrift niet eens kon lezen.
Het is een handicap en een vloek, want ik ben gek op mooie schriftjes en fijne pennen. Ik heb er vele aangeschaft en vele nooit gebruikt, na de eerste bladzijde zag ik dat het geen zin had, mijn eigen handschrift stond mij zo tegen.
Ik heb een paar schriftjes met dagboekaantekeningen, gemaakt in de pre-Dossiermoddergattijd. Het is zinloos geschrijf gebleken, want ik kan het slechts met zoveel moeite lezen dat het geen enkel genot is om er tijd aan te besteden.
Zelfs het schrijven van adres op een envelop, en bijgaand een paar vriendelijke woorden op een ansichtkaart, doe ik met het puntje van mijn tong uit mijn mond.
Journal d’images
Paaien
Dinsdag 30 september, Delft
Vroeger, nou ja, vroeger, dat vroeger is niet heel erg vroeger, ik bedoel de tijd voor januari 2025. De internationale wereld werd toen nog bij elkaar gehouden door internationale economische en juridische afspraken. In de diplomatieke wereld waren er overleggen, in die overleggen werden afspraken gemaakt en vastgelegd in verdragen. Die tijd is volledig voorbij. Tegenwoordig heet dat een deal. Landen sluiten deals met elkaar. Lelijk woord, deal. Het doet aan tweedehands autoverkopers en achterkamertjes van criminelen denken. Voor wat, hoort wat: deal. Handjeklap: deal.
Met het woord deal poppen opeens andere woorden op, ik weet niet of je dat is opgevallen. Zo heb ik al een paar keer het woord paaien gelezen in verband met internationale afspraken. Om de deal gunstig te laten uitvallen, moet je paaien, want voordat je het weet word je genaaid. Nog niet zo lang geleden hebben we tijdens de NAVO-top een hogeschoolpotje paaien gezien. Met name Rutte is een meester in het paaien. Niet gek, want wij kennen Rutte natuurlijk als een geoefend jongleur met het spelen van de waarheid. Voordat je het weet, maakt hij van een bully een daddy.
De Engelse premier Starmer gaf de president een nachtje Buckingham Palace cadeau, of hoe zo’n kasteel ook mag heten. Allemaal in het gelid en in gala voor Bully. Paaien op allerhoogste niveau. Er was zelfs een land dat Bully een vliegtuig cadeau deed.
Je kunt paaien wat je wilt, maar met dat paaien begeef je je toch in een soort moeras. Met paaien doe je je best, maar de uitkomst is totaal ongewis. De willekeur van Bully is spreekwoordelijk, soms heeft hij goede zin, meestal heeft hij slechte zin.
Iets heel anders, maar iets wat er toch mee heeft te maken: de ongewisse wereld, het gevoel van onmacht en naderend onheil. Tijdens het presenteren van de nieuwste peilingen hoorde ik dat die cijfers eigenlijk gebaseerd zijn op de 17% van de kiezers die zeker weten wat ze gaan stemmen. Dat wil zeggen dat 83% zwevend is. Met andere woorden: het kan alle kanten opgaan.
Ik koppelde dit aan een ander cijfer dat ik hoorde. Houd je vast. Bijna de helft van de Nederlanders is voorstander van een autocratisch leider. Voor bijna de helft van mijn landgenoten zijn Trump en Poetin dus voorbeelden. Daar gaat ons landje. Want ik neem aan dat juist die helft nog niet precies weet wat ze gaat stemmen. Een herhaling van de vorige verkiezingen dreigt, vrees ik: een aardverschuiving in de peilingen vlak voor de verkiezingen. Welke kant die aardverschuiving opgaat, ligt voor de hand: de verkeerde kant.
Conclusie: het gif van de Bully en Wilders doet zijn werk. Of de wereld er gelukkiger door wordt? Dit is een retorische vraag, de lezer van Dossiermoddergat weet dat ik een misantroop ben.
Gevonden
Alerte kat op de weg.
Lid
Maandag 29 september, Delft
Dilemma. Na het congres dit weekend van GroenLinks/PvdA kreeg ik een mailtje van Frans Timmermans. De brief begon zo: Beste Gerard, Hoopvol en strijdbaar. Dat was het gedeelde gevoel op ons congres. Het gevoel dat door Ahoy gonsde, waar we vandaag wederom hebben laten zien: wij zijn de sociale meerderheid.’
Best leuk om een mailtje van Frans Timmermans te krijgen, al zullen tienduizenden andere dezelfde gepersonifieerde mail hebben gekregen. Niks mis mee om te appelleren aan mijn politieke sympathie.
De brief eindigt zo: ‘Wij zijn het enige alternatief om te breken met de koers die ons land tot totale stilstand heeft gebracht. Wij zijn het enige alternatief om dit land weer vooruit te krijgen! Daar hebben we jou voor nodig. Word nu lid en sluit je aan bij de sociale meerderheid! Strijdbare groet, Frans Timmermans.’
De oproep van Timmermans maakt het me moeilijk. Ongetwijfeld ga ik stemmen op GroenLinks/PvdA, een levenslange gewoonte uit overtuiging. De eerste keer dat ik mocht stemmen was op de PSP, de keren daarna lang op de PvdA. Vlak voor mijn twintigste werd ik zelfs lid van de PvdA. Mijn lidmaatschap duurde tot mijn dertigste en ik maakte al die jaren gebruik van mijn studentenlidmaatschap, waardoor ik maar dertig gulden per jaar hoefde te betalen. Een lid van niks dus. Ik haakte af toen Wim Kok de ideologische veren van de partij begon te plukken en een kale kip overbleef. Sindsdien stem ik op GroenLinks.
Ik was helemaal voor deze fusie, vooral omdat deze beweging de kale kip weer veren geeft. De combinatie is mij op het lijf geschreven. En mooi dat deze ontwikkeling types als Ad Melkert, Ronald Plasterk en Rob Oudkerk heeft afgeschud, de partij kan er alleen maar op vooruit gaan.
Blijft de vraag: wat doe ik met de oproep van Timmermans om lid te worden? Ik ben best een geëngageerd figuur, heb een grote bek over democratie en politiek, en toch voel ik weerstand om lid te worden. Waarom? Niets weerhoudt me. Ik vind de fusie fantastisch, onderschrijf het programma van de partij, ik vind dat Timmermans goed bezig is. En toch ben ik tot nu toe geen lid geworden. Waarom niet? Het enige, eerlijke antwoord is dat ik sinds mijn jeugd eigenlijk nergens lid van wil zijn. Zelfs toen ik als jongetje lid werd van de judoclub voelde ik weerstand. Ik wilde niet elke donderdag in die garagebox oefenen voor een gele band.
Zoals altijd sta ik het liefst aan de kant en kijk ik toe. Het is mijn natuurlijke houding. Als bestuurder van de partij zou ik gek worden van figuren als ik. Ze onderschrijven alles volledig, en worden toch geen lid. Mijn stem hebben ze zeker, maar lid worden… Dat betekent dat je je druk moet gaan maken, in werkgroepjes terecht komt, voor partijvergaderingen wordt uitgenodigd. Dat is net zo erg als elke donderdag moeten judoën.
Alleen slapend lid worden? Uit solidariteit? Ik hou niet van slapen. De zijlijn, waar altijd de beste stuurlui staan, is de plek waar ik mij thuis voel. Af en toe een blogje schrijven, wat zeuren en foeteren, of de luxe om je er überhaupt niets van aan te trekken. Slap? Ja. Met mij win je dus geen revoluties, al dacht ik daar vroeger als geboren Nijmegenaar anders over.
Journal d’images
Stapel
Zondag 28 september, Delft
Vannacht hard gewerkt. Ik zat in een vergadering met producenten en theaters en er moesten contracten worden opgesteld. Er werd over en weer wat gesteggeld. Er stonden verschillende dingen op papier. Vermoedelijk om een eind aan de vergadering te maken, zei ik dat ik wel het definitieve concept zou maken. Zodoende nam ik de stapel papier mee naar huis.
De eerste dagen liet ik die nog op mijn bureau liggen. Contracten, altijd de pest aan gehad. De dagen daarna liet ik ze nog steeds op het bureau liggen. Ik had totaal geen zin om ernaar te kijken, al wist ik dat het moest gebeuren.
Ik ontving het eerste telefoontje. ‘Ha Gerard, heb jij al iets aan die contracten gedaan?’
‘Sorry ik ben er nog niet aan toegekomen.’
‘Hindert niet, joh. Je hebt best nog even tijd.’
Daarna belde al snel een andere collega met dezelfde vraag.
Elke dag zag ik die stapel liggen. Van al die papieren moest ik dus één contract maken. Eindelijk pakte ik de stapel, bladerde er doorheen. Ik zag meteen dat het ingewikkelder was dan ik had gedacht. Ik legde de stapel weer neer, het kon best nog even wachten. Overmorgen zou ik er eens goed voor gaan zitten.
De dagen daarna vergat ik de stapel. Er was afleiding, we gingen een weekend weg.
Eenmaal terug zag ik de stapel meteen liggen. Ik sliep er die nacht slecht van. Waarom had ik mezelf aangeboden? Ik wou van die vergadering af zijn, maar ik vond het ook wel mooi om tijdens die vergadering te zeggen dat ik het varkentje wel even zou wassen. Blijkt het een everzwijn te zijn.
De volgende dag pakte ik de stapel en begon te bladeren. Wat was eigenlijk het probleem geweest? Wat moest er eigenlijk verbeterd worden? Ik kon er op het eerste gezicht niet achterkomen. Op het tweede gezicht ook niet. Al die losse eindjes.
Toen kwamen de telefoontjes. ‘Gerard, heb je die contracten al aangepast?’
‘Ik ben ermee bezig.’
‘Ah fijn, maar je moet wel opschieten, hoor. Binnenkort hebben we ze nodig, dat weet je ook wel.’
‘Zeker. Komt goed.’
Maar het kwam niet goed. Dagen zat ik aan mijn bureau. Keer op keer bladerde ik door de stapel. Zocht verbanden. Zocht naar het werkelijke probleem. Weer telefoontjes. Ik sliep er niet meer van. ’s Ochtends vroeg zat ik al achter de stapel. ‘Gerard, we moeten het nu toch echt hebben.’ ’s Avonds laat legde ik de stapel moedeloos terug.
Ik werd wakker toen Wyb naar de wc ging. Nou ben ik al zes jaar geleden gestopt met werken en nog regelmatig komt dat opgejaagde gevoel in dromen terug. Kun je van hard en stressvol werken ook PTSS krijgen? Ik denk het wel, soms is werken toch ook een vorm van oorlog voeren, wist ik toen ik een nieuw theater bouwde en organisaties moest revitaliseren. In mijn tweede leven hoop ik wel de skills te hebben om kluizenaar te worden.
Journal d’images
Regenput
Zaterdag 27 september, Delft
Den Haag is een gekke stad. Ik vraag me zelfs af of het wel een echte stad is, het ziet er meer uit als een verzameling buitenwijken, heel veel buitenwijken.
Ik ken Den Haag helemaal niet goed, maar ik kom er de laatste tijd best vaak. Om van Den Haag naar Delft te rijden, moet je ook door heel veel Den Haag, dat wil zeggen: buitenwijken. Vanaf ons huis is het even ver rijden naar Den Haag als naar Rotterdam. Als ik moet kiezen, weet ik het wel: Rotterdam, dat is tenminste een echte stad.
Het centrum van Den Haag is hmm. Voor een stad met 566.000 inwoners en de tweede grote gemeente van Nederland toch heel erg mager. Als de winkels dicht zijn, blijft er helemaal niks over. Den Haag lijkt me een woonstad en als je tussendoor iets anders wilt dan wonen, dan ga je naar een andere stad. Eigenlijk is Den Haag het ADO onder de steden, het blijft altijd sukkelen.
De stad heeft de mazzel dat het aan de zee ligt. En de rijken, altijd haantje de voorste, hebben zich daar in grote getale genesteld, zoals altijd is het een kwestie van wel of niet kunnen betalen. Rug naar de stad, de blik gericht op de zee.
De zee is eigenlijk de enige reden waarom wij naar Den Haag gaan, en om te werken natuurlijk. Nou ja, niet ik, maar Wyb. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken ligt pal naast het station, dus voor Wyb is het een kwestie van werken en dan snel naar het station om terug te keren naar Delft.
Tot nu toe is het misschien een wat negatief verhaal over Den Haag en zo is het ook bedoeld. Maar er is zeker één positief ding over de stad te melden: de Haagse Markt, midden in de Schilderswijk. Wyb en ik gingen er vandaag voor de eerste keer naartoe. Wat een verrassing. Als Nederlander hoef je nooit meer naar een Mediterraan land, wij hebben namelijk de Haagse Markt. Een mêlee van culturen, waaronder de Nederlandse. Hier ziet de multiculturele samenleving er op z’n best uit. Je zou bijna wensen dat de omvolking snel een feit is.
Ik leer op internet dat het de grootste markt van Nederland is en zelfs een van de grootste onoverdekte markten van Europa. Advies van Dossiermoddergat.nl, wie Den Haag bezoekt: ga langs bij de Haagse Markt.
Ik raad het zeker aan voor Geert Wilders, al zullen zijn bewakers er hartkloppingen van krijgen. Maar ik weet zeker dat hij na een bezoek aan de markt wel zijn klep houdt over het idee dat die multiculturele samenleving niks is. Man, hier is de multiculturele samenleving een genot. De markten in al die saaie, keurige Hollandse steden steken er zo bleek tegen af.
Ook die fascistische vechtersbazen van vorige week zouden verplicht vijf bezoeken moeten afleggen aan de Haagse Markt. Jullie zijn Nederland, zoals jullie schreeuwden? Flikker toch op, jullie zijn gewoon een stel xenofobe domoren. De taoïsten hebben een mooie parafrase op jullie bestaan: De kikker die zijn hele leven in een regenput doorbrengt, heeft geen perspectief op de wereld. Als Nederlander kan ik daar aan toevoegen: een onderbuik heeft al helemaal geen perspectief op de wereld.
Journal d’images
Het wekelijkse harinkje.
Boekenkast
Vrijdag 26 september, Delft
In een interview met Marente de Moor, een paar weken geleden, las ik de volgende passage: ‘De binnenwereld is het terrein van de babyboomers, de meest belezen generatie ooit. We zullen nooit meer zo’n generatie kennen die zoveel heeft gelezen. En nu, door de cognitieve achteruitgang, verlaat de inhoud van die boekenkasten langzaam de hoofden. Treurig, hè?’
Ik had er nooit bij stilgestaan, maar inderdaad, tijdens mijn studententijd was er geen huis waar geen goedgevulde boekenkast stond. Voor mij en mijn vrienden was boeken kopen een van de meest geliefde activiteiten. En wie te arm was een boek te kopen, was niet te beroerd om er een te jatten.
Ik heb slechts één keer een boek gejat, nog wel uit de bibliotheek. Mea culpa. Ik had alle boeken van B. Traven, maar één kon ik maar niet te pakken krijgen. Het boek stond in de bibliotheek van Nijmegen en ik smokkelde het stiekem de bibliotheek uit. Mijn verzameling Traven was compleet. Jarenlang stonden zijn boeken te pronken in mijn boekenkast. Ik vond het machtige boeken, wat heb ik ervan genoten. Maar: ik heb ze nooit herlezen, zoals ik zoveel machtige boeken nooit heb herlezen. Er is ook zoveel te lezen.
Lang na die studententijd vroeg ik mij bij de zoveelste verhuizing af waarom ik al die boeken eigenlijk bewaarde. Ze waren me lief, ik vond het fijn dat ze er stonden. Maar was het noodzakelijk? Inmiddels hadden we een kamer vol, een kamer die we zelfs bibliotheek noemden. Ik geloof dat we bij de achttiende verhuizing hebben besloten ons voor een groot gedeelte te ontdoen van dat verleden. Weet je hoe zwaar boekendozen zijn? Sindsdien verdween ook de boekenkast uit onze huiskamer. Alleen in Cadouin staat nog een stevig gevulde boekenkast.
Ik heb in mijn leven honderden boeken gelezen en ik lees gestaag door. Ze hebben me gevormd tot wie ik ben, vermoed ik. De laatste tijd komen er inderdaad soms sombere gedachten bij mij op. Stel dat ik overlijd: al die romans die nog een leven hebben in mijn hoofd, al die toneelstukken, poëzie, met mij zal de herinnering aan hen verdwijnen. Het is een onverdraagbare gedachte. En dan heb ik het nog niet eens over Alzheimer, het langzaam uitwissen.
De boekenkasten zijn inmiddels vrijwel verdwenen uit de interieurs. Zelfs Rokus schrijft in zijn nieuwe brief: ‘Ik houd ontzagwekkend veel van het geschreven woord, een boek dat je in je handen kunt houden, een brief, onnavolgbare eerste zinnen en onverwachte punch lines. Ik koop ze met regelmaat: de Atheneum Boekhandel in Haarlem is mijn favoriet, ik kan er niet zonder een boek naar buiten lopen, en toch pak ik maar zelden een boek op.’
Hij is niet de enige. Mannen lezen aanzienlijk minder dan vrouwen. Steeds minder mensen lezen. Het digitale woord en beeld verjaagt het traditionele boek.
Ik zie een cynisch gegeven. In Rusland jaagt de staat op het boek. Daar weten ze dat boeken gevaarlijk zijn: ze scherpen de geest, stimuleren het inlevingsvermogen en de empathie. Ook in Amerika vindt een Goering-achtige jacht op boeken plaats. Conservatief-christelijke groepen vlooien de bibliotheken na op boeken over ras, gender, seksualiteit en feminisme en eisen dat de boeken verdwijnen. Er vindt daar een harde cultuurstrijd plaats.
Het staat eigenlijk in schrille tegenstelling tot de situatie bij ons. Bij ons is de ontlezing in volle gang en ontdoen we ons op grote schaal vrijwillig van boeken. De zelfgetimmerde sympathieke straatbibliotheekjes vormen, goed beschouwd, de laatste opvangplekken van onze schrijvers. Eigenlijk zijn het ietwat trieste monumenten van de ontlezing.
Journal d’images
Ontwarren
Donderdag 25 september, Delft
Het zijn verwarrende tijden. Staat er op het Malieveld een halvegare met een NSB-vlag te roepen: ‘Wij zijn Nederland. Wij zijn Nederland.’ Om dat te benadrukken roept hij tot slot keihard Sieg Heil. Zo, dat punt is gemaakt.
Een andere halve gare wordt even later geïnterviewd. Waarom hij meedoet? ‘Omdat, als we niets doen, de Nederlandse cultuur naar de klote gaat.’ Het is maar dat we het weten. Hij heft zijn rechterarm.
Vervolgens rent een deel van de halvegaren naar het D66-kantoor om het in elkaar te rammen. ‘AZC, weg ermee.’
De volgende dag verklaart Eelco Heinen dat dit alles niets met politiek heeft te maken. Het is gewoon hooliganisme, meer niet. Hij is teleurgesteld in andere partijen die het meteen politiek maken.
Ik heb die Heinen altijd gewantrouwd. Het waarschuwingssignaal daarvoor is voor mij zijn haar. Hoe krijgt iemand het voor elkaar om zijn haar altijd zo correct in het gelid te houden? Dan ben je toch echt vaak met verkeerde dingen bezig.
‘Wat zit er toch in het kraanwater bij de VVD, dat ze tegenwoordig altijd de verkeerde beslissingen nemen?’ vraagt VVD-lid Arend Jan Boekestijn zich een paar dagen later af.
Ik denk dat het niet aan het kraanwater ligt. Ik heb de volgende theorie ontwikkeld. Deze hele generatie nieuwe VVD’ers had eigenlijk lid van de PVV willen worden, maar mochten dat niet van papa en mama. ‘Dat is heel slecht voor je carrière, word nu maar gewoon lid van de VVD, dat is veel verstandiger.’ En als stille revanche hebben ze van de VVD een PVV-light gemaakt.
Toch vervelend dat ik dit in de herfst van mijn leven nog moet meemaken. Ik denk aan al die generaties VVD’ers die ik ook heb meegemaakt. Wie kan zich Vonhoff nog herinneren, Dijkstal, Nijpels? Dat is het nadeel van ouder worden, je weet dat het anders kan.
De leider van de westelijke wereld spreekt de VN toe en beklaagt zich erover dat hij niet de opdracht voor de renovatie van het VN-gebouw heeft gekregen. Anders had er zeker marmer op de vloer gelegen. Hij betoogde dat de VN niet meer werkte en hij wees op de roltrap die halverwege stopte en de autocue die het begaf.
Het is een verwarrende wereld. Ik vraag aan Peter of we alvast niet een antifascistische verzetsgroep moeten oprichten; of is het beter dat we onderduiken? Hij antwoordt: ‘Wij zijn onbeduidende mannetjes in het geheel, dus leg jezelf geen overspannen doelen op.’ Peter is een veel betere taoïst dan ik. Het is mijn makke dat ik erg slecht ben in geen overspannen doelen opleggen. Familiekwaal.
Donald Trump gelooft nu dat de Oekraïne toch nog kan winnen van Rusland, inclusief het terugwinnen van de veroverde gebieden.
Ik kan vast het nieuws van morgen vertellen: Donald Trump pleit ervoor dat Oekraïne zich erbij neerlegt dat de veroverde gebieden naar Rusland gaan in ruil voor vrede.
Het nieuws van overmorgen kun je zelf wel verzinnen.
Het is een verwarrende wereld. Om te beginnen trek ik mij volgende week weer terug op een berg in Frankrijk. Afstand en eenzaamheid zijn een probaat middel om de geest te ontwarren. Het was gisteren voor de eerste keer in zeventien jaar dat het me echt niet lukte om een blogje te schrijven. Ik vond het best verontrustend.
Journal d’images
Verzamelaar
Dinsdag 23 september, Delft
Het zal nu zo’n twintig jaar zijn dat ik de twee kranten waar ik op ben geabonneerd digitaal lees. Hoe dat zo is gekomen, weet ik niet meer. Het kan te maken hebben met dat we ergens woonden waar de krant niet werd bezorgd; het kan ook zijn omdat ik in die tijd veel met de trein reisde en dat ik de krant dan altijd bij me had. Menige bejaarde kijkt raar op als ik zeg dat ik mijn kranten op een iPhone lees en niet op een iPad. Het is wat je bent gewend. Eens in de zoveel tijd krijg ik een papieren krant in mijn hand en dan vind ik het heel raar dat nieuws op papier wordt afgedrukt en dan ook nog eens zo’n grote lap papier.
Het gevolg is wel dat ik een enorme schermtijd heb. Elke week laat Apple mij weten hoe ernstig verslaafd ik ben aan mijn iPhone, vijf, zes uur per dag met het ding in mijn hand is heel gewoon. ‘Wat erg,’ hoor ik wel eens iemand zeggen. Ikzelf vind het niet erg. Als ik ze had verteld dat ik uren per dag de krant lees, hadden ze dat niet erg gevonden.
Dat digitale lezen heeft ook nadelen. Vroeger scheurde ik een artikel uit dat ik interessant vond en dat is op een iPhone vrij lastig. Maar ook daar is een oplossing voor, ik maak tegenwoordig gewoon een schermfoto van het artikel of van het fragment dat ik had willen uitknippen.
Nu ik dit vertel, moet ik meteen denken aan mijn vriend Tino – een verzamelaar pur sang. Op zijn dertigste concludeerden we al dat hij nu zoveel elpees had dat, als hij nu zou beginnen met luisteren en alles nog eens wilde horen, hij dan pas op zijn tachtigste klaar was.
Een andere gewoonte was dat hij kranten opspaarde. In elke krant vond hij wel een of twee artikelen die hij wilde bewaren. Omdat hij geen tijd of zin had om dat meteen te doen, legde hij de krant op een stapel in een kamer die toch niet werd gebruikt. Dat ging jaren en jaren zo door. Tot hij de kamer niet meer in kon. De kamer was één grote krantenzooi geworden.
Zijn vrouw vroeg of ik mee wilde helpen met de boel weg te gooien, Tino kon ze daarvoor maar niet warm krijgen. En zo begonnen zijn vrouw en ik aan de ontmanteling van de krantenkamer. Tino stond er panisch bij. Keer op keer pakte hij een krant tussen de stapels uit en liet hij weten dat we deze krant echt niet konden weggooien omdat er een belangrijk artikel in stond. Na dagen was de kamer eindelijk leeg.
Goed beschouwd, bedenk ik nu, heeft Tino toch zijn kamer vol kranten gekregen. Het internet kan daar toch volledig in voorzien, over elk onderwerp vind je een wereld van informatie. Toch denk ik dat Tino dat niet zo ziet. Een verzamelaar wil zelf verzamelen. Een verzamelaar wil ook alles zelf hebben, delen is voor een verzamelaar een vloek. Zo had Tino ook alle boeken uit de prachtige Privé-domein reeks van De Arbeiderspers. Ik vroeg wel eens of ik er een boek uit mocht lenen, maar dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen, stel je voor dat ik het niet terug zou brengen. En als ik het een tijdje meenam, was zijn verzameling niet compleet.
Journal d’images
Stoottroepen
Maandag 22 september, Delft
Een gewoon lid van de Tweede Kamer verdient € 141.000 per jaar. Op jaarbasis verdient de Kamer dus 150 keer dat bedrag, is € 21.150.000 per jaar. Niets mis mee. Ze zijn verantwoordelijk voor belangrijke zaken en Nederland kent vele problemen. Om er enkele te noemen: de wooncrisis, de klimaatcrisis, de stikstofcrisis en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Afgelopen week was er een soort circus rondom moties. Uit het niets werden voorstellen gedaan en aangenomen. Een zo’n motie was het uitbreiden van het boerkaverbod. Boerka’s mogen ook niet meer op de openbare weg gedragen worden, zegt de motie.
De rechtse meerderheid in de Kamer verzamelde zich en het voorstel werd aangenomen. Maar waarom eigenlijk? Ik weet niet hoe het de lezer vergaat, maar ik woon nu alweer een jaar in Nederland, bezoek best vaak Rotterdam en Den Haag, steden met een grote moslimgemeenschap, maar ik heb in dit jaar nog nooit een boerka gezien. Dus welk probleem lost deze stoere motie nou eigenlijk op?
Oude schattingen vermoeden dat rond de 200 mensen een boerka dragen. Voor de duidelijkheid: ik vind een boerka ook het toppunt van religieuze waanzin, maar waarom de boerka verbieden? Ik denk dat ik alles bij elkaar drie of vier keer iemand in een boerka heb zien lopen. Elke keer dacht ik: wat is het toch heerlijk dat we in een land leven waar religie geen grote rol meer speelt. Welk mechanisme zorgt ervoor dat de Kamer zich over zo’n non-onderwerp buigt?
Een ander duveltje uit het doosje was het voorstel om Antifa (de antifascistische beweging) tot terroristische organisatie te verklaren. Wow, weer zo’n stoere motie die werd aangenomen met steun van BBB, JA21, PVV, FvD en, natuurlijk, VVD.
Probleempje. Wie vormen Antifa? Op welk adres kunnen we ze vinden? Feit is dat Antifa een overkoepelende aanduiding is voor een aantal losse individuen en vage groepen die zich tegen fascisme keren. Dus in feite alweer een motie die zich richt op een spookverschijnsel.
Toch ook wel cynisch dat de voormalige regeringspartijen zo druk in de weer zijn met moties terwijl ze de afgelopen regeerperiode geen donder hebben gedaan.
Nu wil het toeval (of juist niet?) dat even nadat de motie was aangenomen er fascistische stootgroepen in het straatbeeld verschenen. Compleet met NSB-vlaggen, roepen van Sieg Heil en het brengen van de Hitlergroet liepen ze rellend en vechtend door Den Haag. De partijen die voor de motie waren zwegen. Maar duidelijk is dat het fascisme een loerend gevaar is. Antifascistisch verzet lijkt me daarom van het grootste belang.
Even daarvoor stuurde ik onderstaande ingezonden brief naar de Volkskrant:
Terecht besteedde de Volkskrant op zaterdag 20 november veel aandacht aan het feit dat VVD, SGP, BBB, PVV en JA21 een motie van FvD steunden om Antifa (de antifascistische beweging) tot terroristische organisatie te verklaren.
Een aspect werd daarbij niet genoemd. Aangezien Antifa een ongedefinieerd begrip is, betekent het dat deze partijen in feite met terugwerkende kracht ook het Nederlandse verzet in de Tweede Wereldoorlog als terroristische beweging bestempelen. Het verzet was immers de grootste antifascistische beweging die ons land ooit heeft gekend. Ook zij deden aan doxing, intimidatie en schuwden het geweld niet.
Zijn VVD, SGP, BBB, PVV, JA21 en FvD nu ook tegen het jaarlijks eren van de verzetsstrijders om hun ’terroristische’ daden? En betekent het dan ook dat die partijen vinden dat de monumenten die we voor hen hebben opgericht moeten verdwijnen? Om misverstanden te voorkomen: voor mij blijven zij helden. Net als alle toekomstige strijders tegen fascisme.
Hierbij nog een voorstel van mij voor de Tweede Kamer om de volgende motie aan te nemen. Ieder lid dat een onzinmotie indient of daar alleen symboolpolitiek mee bedrijft, krijgt een strafkorting van €5.000 op zijn jaarsalaris. Eerst echte problemen oplossen: daarna mag je spelen.
Journal d’images
Nijlgans
Zondag 21 september, Delft
Op de grens van zomer en herfst wil ik het toch nog even over de Nijlgans hebben. De afgelopen maanden heb ik het rijk der watervogels al wandelend kunnen bestuderen en mijn respect voor de Nijlgans is daardoor enorm gegroeid. Wat ouderschap betreft steekt hij met kop en schouders boven het andere watergepeupel uit.
De meerkoet bijvoorbeeld is momenteel druk bezig zijn jongen uit zijn omgeving te weren. Het is voortdurend hommeles in de meerkoetgemeenschap, het lijkt Nederland wel, grauwen, pikken, dreigen, verjagen. Ik heb zelfs begrepen dat de meerkoet er niet voor schuwt een jong te vermoorden als dat weigert zijn moeder te verlaten.
Ik zag het eigenlijk al toen hun jongen net uit het ei waren. Ongeïnteresseerd zwom de meerkoet rond. Hij trok zich nauwelijks iets aan van zijn jongen. Soms moesten ze hard zwemmen om hem of haar niet uit het oog te verliezen. De meerkoet kent geen liefde.
En neem de eend. De eend is een vadsige koning. Of beter gezegd: een obese koning. Eigenlijk ligt hij het liefst op het water of een steiger te slapen. De eend toont pas interesse als de mens hem wat brood toewerpt. Lekker makkelijk, hoeft hij alleen maar te consumeren en niet zelf op zoek te gaan. Ik weet nu ook waarom een eend zoveel jongen krijgt. Driekwart wordt namelijk opgegeten door de ratten en de meeuwen. De eend heeft geen interesse voor zijn jongen. Hij verdomt het om ze te beschermen tegen aanvallers. Hij broedt liever wat meer eieren uit dan zijn jongen te verdedigen.
Maar dan de Nijlganzen. Zij verdienen zonder meer de medaille voor verantwoordelijk en liefdevol ouderschap. Wat ben ik ze gaan waarderen en bewonderen. Zelfs nu nog bewaken zij hun jongen alsof ze net uit het ei zijn. Het verschil tussen jongeren en ouderen is bijna niet meer te zien, maar nog steeds staan pa en ma oplettend te turen of er gevaar dreigt. Ik weet dat zo goed omdat ik, door Dies, in principe gevaar ben. Ik moet bekennen dat Dies ouders en kinderen wel eens heeft opgejaagd. Nu zorg ik ervoor dat hij vastzit als we dichterbij komen. De ouders zien inmiddels dat Dies aan de lijn is en vliegen daarom niet meer in paniek het water in. Maar helemaal vertrouwen doen ze het ook niet.
Pa en ma Nijlgans zijn geen jong verloren. Ze hebben samen zo’n negen jongen, geen moment zijn ze van hun zijde geweken, altijd stond een van de ouders waakzaam te kijken.
Er is volgens mij hier sprake van een samengesteld gezin. Eerst waren er vijf jongen. Toen verdween een van de ouders. Een week later waren er vier bijgekomen met een andere ouder en sindsdien is dit elftal onafscheidelijk bij elkaar. Ik ben benieuwd wanneer de ouders hun kinderen laten gaan. Maar die medaille hebben ze in hun zak.
En de fuut dan, jouw lievelingsvogel, hoor ik de lezer denken. De fuut is zeker op de tweede plaats beland. De liefdevolle wijze waarop ze hun jongen op jonge leeftijd laten mee drijven op hun rug, en onzichtbaar verschuilen onder hun veren, is hartverwarmend. Maar het valt me toch op dat de jongen, die er nog niet zo fraai uitzien als hun ouders, wat verloren rondzwemmen en inmiddels op jonge leeftijd verlaten zijn door hen. Dus als de futen volgend jaar de medaille willen verdienen, moeten ze net wat langer hun best doen.
Scherven
Zaterdag 20 september, Delft
Naar Leeuwarden. Er waren twee goede redenen om de stad weer eens te bezoeken. Op de allereerste plaats Malu, onze kleindochter. Ze is vijftien en woont nu al, samen met een andere jongere van Ameland, in een appartement in Leeuwarden. Het is het lot van de eilander die VWO wil doen. Tot het vierde jaar kun je op Ameland VWO doen. Wie daarna door wil moet, zoals dat op de eilanden heet, ‘naar de wal’.
Ik maakte me er wel zorgen over toen ik dat voor het eerst hoorde: vijftien, en dan op jezelf gaan wonen. Maar zoals we deze dagen ook weer zagen, Malu is ijzersterk. Voor koken draait ze haar hand niet om en ze is inmiddels omringd door vriendinnen. Arjan en Esmee komen vaak naar de wal om het nodige voor haar te regelen. Nu heb ik er alle vertrouwen in dat ze het redt.
Leeuwarden. Moeilijke stad voor me. Het is de enige stad in Nederland waar veel mensen die Wyb en mij over straat zien lopen, denken: oh, daar loopt dat stel van die affaire. Pest is dat ik in die stad nog best veel bekenden tegenkom. Ooit was ik een tamelijk Bekende Fries en vierde ik triomfen door de bouw en het revitaliseren van De Harmonie.
Toen kwam De Liefde en beleefden Wyb en ik een soort pre-#metoo affaire. Het is dat wij vrijwillig vertrokken, de consequenties van onze Shakespeariaanse liefde aanvaardden; anders waren wij met pek en veren uit de stad gerold. De reacties waren heftig. Inmiddels is dit vijfentwintig jaar geleden, maar ook onlangs nog, toen De Harmonie een jubileum vierde, en wij daar aanwezig waren, was overduidelijk dat de gemeenschap nog steeds smult van ons liefdesverhaal.
We komen niet vaak meer in Leeuwarden, zeker niet nadat wij ons huisje in Moddergat verkochten, maar als ik alleen al de stad nader, voel ik de benauwdheid uit die tijd terugkeren en ik loop nog steeds met zwaar gemoed door de stad. Voor mij blijft het, ondanks dat de tijd en ons leven er stevig overheen zijn gegaan, nog steeds een beladen stad.
Een andere reden om naar het noorden te trekken was de tentoonstelling van Bouke de Vries in het Keramiekmuseum Het Princessehof. Ik bezocht het museum vroeger regelmatig en vond het een bedompt museum. Wat moet je ook met keramiek? Een potje draaien, een schotel en een bord, het is een mooi ambacht, maar dat is het ook wel. O ja, je kunt ook nog tegels maken en die aan de wand hangen.
Bouke de Vries geeft echter een nieuwe dimensie aan keramiek met zijn expositie Unbroken. Hij werkt met keramische scherven en maakt daar de meest verrassende objecten van. Opeens wordt keramiek kunst. Hij creëert complete oorlogstaferelen, gedemonteerde figuren, aangetaste gezichten en een Nederland in scherven. Soms overschrijdt hij de ongrijpbare grens tussen kunst en kitsch, maar het is zeer de moeite waard om te zien. Hij brengt nieuw leven in dingen die kapot zijn. Ook brengt hij dit museum weer tot leven. Wij dachten even dat we te laat waren voor de expositie, maar die bleek gelukkig verlengd. Wie de kans krijgt, moet zeker even gaan kijken.
Uit zijn werk blijkt dat zelfs dingen die kapot zijn kunnen helen, een wijze les voor mijn relatie met Leeuwarden. Ik ga eraan werken.
Journal d’images
Oorlogstafel.
Plichtsbesef 2
Vrijdag 19 september, Leeuwarden
Ik geef toe dat de mogelijkheid voor de lezer van Dossiermoddergat om te reageren buitengewoon beperkt is. Raar, want een beetje krant heeft een rubriek ‘Ingezonden brieven’ en bij menig site wordt de rubriek ‘Reacties’ vol getikt door gefrustreerde boomers.
Ik begon, zoals ik gisteren al vertelde, op 8 december 2008 te bloggen. Dit gebeurde op een site die inmiddels verdwenen is in de afvalbak ‘Afgedankte Sites’. Ik heb op die site geblogd van 2008 tot begin 2015, dus toch bijna zeven jaar. Toen dacht ik: het roer moet om en ontwikkelde mijn Franse Nicht de huidige site. De site van die zeven jaar is dan verdwenen, gelukkig heb ik de teksten nog. Ze zitten ergens verstopt in de krochten van mijn laptop.
De lezer kon die eerste jaren reageren in een speciale rubriek en dat gebeurde volop. Dat deden ze zo enthousiast dat ik op een gegeven moment meer aan het reageren was op al die berichten dan blogs aan het schrijven. Al die reacties tastten mijn concentratie aan, ze leidden mij enorm af. Er ontstonden allerlei discussies waar ik helemaal niet op zat te wachten – ik wilde alleen maar blogjes schrijven.
Tijdens het ontwikkelen van deze site besloot ik de mening en opmerkingen van de lezer uit te schakelen. Dossiermoddergat is gewoon geen democratisch medium, Dossiermoddergat doet niet aan marketing en schrijft ook niet voor een bepaald publiek. Dossiermoddergat is qua communicatie eenrichtingsverkeer. Ik schrijf en de lezer mag lezen en er het zijne van denken.
Desalniettemin voel ik mij verplicht toch een vervolg te schrijven op het blog van gisteren en een Plichtsbesef 2 te schrijven. Sowieso om er een zinvol vervolg aan te geven, dat zul je dadelijk wel merken, en recht te doen aan Marcel en Maria.
Wat is het geval. Van Marcel Osterop, lezer van het eerste uur van Dossiermoddergat, kreeg ik het volgende mailtje: ‘Hoi Gerard, wat een verrassing om vanavond je blog te lezen. Het is meestal het allerlaatste dat ik lees voor ik ga slapen. Nu schrijf ik nog even een mailtje, als bewijs dat ik echt recht heb op de Dossiermoddergat-pen. Ik ben blij dat je het nog steeds schrijft. Omdat het een gewoonte van me is om het te lezen. En ik hecht erg aan gewoontes. Tot de uitreiking, Groetjes van Marcel’
Ik kom nu tot de kern van dit blog. Hoe is het mogelijk dat zowel Maria als Marcel mijn blog ’s avonds voor het slapen lezen? Dat is natuurlijk helemaal geen toeval. Beiden zijn al jarenlang trouwe lezers van Het Dossier dus ik neem aan dat zij inmiddels de ideale tijd hebben gevonden om het blog te lezen. Goede raad dus voor de andere lezers: lees het lekker voor het slapengaan, proefondervindelijk is uit een korte steekproef gebleken dat je dan het meest van een blog geniet.
Ik denk dat de lezer het ook wel leuk vindt om de reactie van Maria op het vorige blog te lezen. Zij schrijft: ‘Ik lig in bed en lees je blog dat je vandaag schreef in de auto. En ik grinnik.
Nooit gedacht dat mijn bedgeheimen openbaar gemaakt zouden worden 😄
Ik hoop dat het plichtsbesef geen last is.
Plichtsbesef als lust… dat is weer eens een ander perspectief;-) Welterusten, Maria.’
Maria heeft mij door. Mijn plichtsbesef is inderdaad een lust.
Journal d’images
Das war einmal.
Plichtsbesef 1
Donderdag 18 september, Delft
Wyb en ik zijn op weg naar Leeuwarden. Wyb rijdt en ik zit naast haar dit blog te tikken. We zijn nu bijna bij Schiphol. Normaal genomen zou ik dit nooit doen als we een nachtje weggaan, dan zou ik het blog het blog laten en denken: ik kan wel een dagje overslaan. Door twee berichten is mijn plichtsbesef ten opzichte van Dossiermoddergat enorm toegenomen. Het gaat verdomme bijna als een baan voelen.
Het volgende is het geval. Afgelopen vrijdag ontmoette ik tot mijn verrassing Bregtje bij de herdenking van Matthijs. Zet Bregtje en mij bij elkaar en we stoppen niet met herinneringen ophalen over onze periode bij Het Zuidelijk Toneel. Zo al pratend kwamen we op Marcel Osterop. Uiteraard vroeg ik hoe het met hem ging. Marcel is acteur, schrijver, muzikant, een veelzijdig talent, en werkte in het eerste decennium van deze eeuw bij ons. Het bleek gelukkig goed met hem te gaan en hij had ’s avonds zelfs een première.
‘Weet je dat Marcel nog steeds je blog leest,’ vertelde Bregtje. ‘Hij begint er vaak over, vraagt dan of ik dit of dat van je heb gelezen. Maar ik lees echt niet elke dag je blog, maar hij dus wel.’
‘Dat meen je niet.’
Marcel is namelijk een van mijn eerste lezers. Ik schreef mijn eerste blog op 8 december 2008 en Marcel, zo herinner ik me, begon het al snel te lezen. Als hij het nog steeds leest, betekent het dat hij al zeventien jaar een lezer is van Dossiermoddergat, ik vind het een prestatie. Ik zag Marcel denk ik zo’n tien jaar geleden voor het laatst. Ik vraag me zo nu en dan inderdaad wel eens af of hij het nog steeds zou lezen. Ja dus. Marcel, hulde! Vroeger kreeg je als trouw abonnee van de AVRO Televizier een zilveren lepeltje. Hierbij beloof ik jou, als we elkaar weer eens tegenkomen, een fraaie Dossiermoddergat-pen. Als je in Delft bent, kom zeker langs, dan kan ik hem je overhandigen.
Een paar dagen later kreeg ik van Maria een mailtje. Ze reageert op mijn blog over Gaza. Haar mailtje begint zo: ‘Het is niet mijn gewoonte om op jouw blog te reageren. Alhoewel ik vaak toch de neiging heb. Elke avond lees ik je blog in bed.’ En dan gaat het mailtje verder over Gaza.
Ik reageer op de protesten in Nijmegen, maar kan het niet laten om te reageren op dat lezen voor het slapen. Ik schrijf: ‘Leuk om te lezen dat je elke avond mijn blog in bed leest. Meestal schrijf ik ’s ochtends zo’n blogje en heb ik geen idee wat er verder mee gebeurt. Jouw bekentenis maakt het opeens heel plastisch. Ik vond het grappig om te lezen. Al kan het ook betekenen, realiseer ik me terwijl ik dit schrijf, dat die blogjes een prima slaapmiddel zijn. Ook oké, dan zijn ze tenminste ergens goed voor.’
Maria reageert in een volgend mailtje en ontkent dat laatste. ‘Het is geen slaapmiddel maar een mooie afronding van de dag. Die van Jan lazen we ook al voor het slapen gaan. Met de familie Roelofs/Tonen naar bed dus.’
Leuk om te lezen. Maar dan is er ook meteen dat plichtsbesef. Ik wil Marcel niet teleurstellen, dat hij naar Dossiermoddergat kijkt en dan vandaag geen blog ziet. En daar komt bij dat ik natuurlijk zeker niet het avondritueel van Maria wil verstoren.
We rijden nu halverwege Noord-Holland. Klaar. Einde. Plicht voldaan.
Oordeel
Woensdag 17 september, Delft
‘Je moet nooit te snel oordelen, Has,’ zei mijn moeder altijd. Mijn moeder noemde mij altijd Has. Ik heb geen idee waarom, maar ik heb het altijd een mooie naam gevonden. Jammer dat niemand hem overnam. Dat is later wel gebeurd met de naam Geer. Anne noemde mij van jongs af aan Geer en zelfs Wyb heeft de naam overgenomen. Gerard, Geer, ik vind het rotnamen.
Ik denk dat mijn moeder best vaak ‘je moet nooit te snel oordelen’ heeft gezegd. Ik ben namelijk gespecialiseerd in snel oordelen. Even een actueel voorbeeld. Ik weet nog dat ik jaren geleden ergens halverwege in een talkshow viel. Daar zag ik een buitengewoon felle dame zitten. Ik had geen idee wie het was, want ik had de introductie gemist. Ik vond het meteen een onaangenaam type, veel te fanatiek, te ambitieus, dat zag je meteen. Ik hoorde haar een tijdje praten en ik schatte in dat ze van Forum voor Democratie moest zijn. PVV kon niet, want Wilders zorgde ervoor dat hij dit soort bijdehante types niet in zijn gelederen opnam, veel te gevaarlijk voor zijn eigen positie. Jezus, wat was dat mens fanatiek, bovendien: humorloos.
Pas op het einde van het gesprek kwam ik erachter dat dit Dilan Yeşilgöz was, een nieuw licht aan het VVD-firmament. Ik kan me zelfs herinneren dat ik ervan schrok. In mijn hoofd zat nog altijd de VVD van Dijkstal en Nijpels. Dit is VVD 3.0, dacht ik. Het is niet te hopen dat dit soort types de boventoon gaat voeren. Inmiddels is die Yeşilgöz dus de leider van de VVD.
Mijn moeder had weer ongelijk: mijn snelle oordeel was weer raak, merkte ik de jaren daarna. Yeşilgöz is weliswaar politiek leider geworden van de VVD, maar ik denk niet dat de partij zich daarmee een groot plezier heeft gedaan.
Gisteren, tijdens Prinsjesdag, zag je in levende lijve waarom niet. Ze had werkelijk een prachtig blauw pak aan met dito hoed. Alleen, het pak zou het prima doen op een feest van de branchevereniging van tweedehands autohandelaren. Het was weer eens too much. Die hele Prinsjesdag was een armtierige bijeenkomst na twee jaar politieke stilstand en elkaar de tent uitvechten. Bescheidenheid was gepast, maar Yeşilgöz koos voor een pak alsof ze over een rode loper in Los Angeles moest van een of andere B film.
Ze weet haar leugentjes niet te doseren, waardoor ze meteen door de mand valt. Haar politieke beslissingen zijn too much, waardoor Nederland de afgelopen twee jaar volledig onnodig zat opgescheept met Wilders, haar getwitter is too much. Ze is in alles gewoon te… te…. te… een heleboel te.
Tot mijn vreugde werd mijn omarmen van het snelle oordeel door wetenschappelijk onderzoek ondersteund. Het resultaat van het onderzoek was dat het eerste, snelle oordeel van mensen vaak het beste is. Mensen kunnen heel lang piekeren over dingen, maar hun oordeel wordt er niet beter door. Die eerste vijf minuten zijn mensen blijkbaar op hun scherpst. Of is het de kracht van de intuïtie? Ik begrijp dat een dergelijke resoluutheid op weerzin stuit, maar ik leef er inmiddels met plezier mee.
Journal d’images
Wat krijgen we nou dan? Che, gay? Ik ben Che op allerlei manieren tegengekomen, op T-shirts, bekers, stropdassen, shawls, vlaggen, maar nog nooit op een affiche als gay. Toch leuk om deze macho omgetoverd te zien tot homo. Daar gaat het Zuid-Amerikaanse machismo.
Brilletje
Dinsdag 16 september, Delft
Als het om privézaken gaat ben ik een conservatief iemand. Eigenlijk vind ik dat alles moet blijven zoals het is. Ik ben een aanhanger van de quote: ik ben tegen elke verandering, zelfs als het een verbetering is. Ik weet dat ik die quote eens eerder heb gebruikt. Ik wil erbij schrijven van wie die is, maar dat kan ik me niet meer herinneren, en ook nergens vinden. Is die quote misschien van mijzelf? Of is dat te veel eer? Hij zou van J.C. Bloem kunnen zijn. Nou ja, ik vond hem veel zeggen over mijn conservatisme.
De quote wordt heel illustratief voor de volgende verandering in mijn leven. Ik moet afscheid nemen van mijn bril. Beter gezegd: brilletje. Ik heb hem nu zeventien jaar. Hij hoort bij mijn gezicht als mijn neus, vind ik zelf. Het brilletje is vergroeid met mijn gezicht.
Maar ja, je wordt ouder. Het brilletje was ooit bedoeld als leesbril en ik wilde hem tijdens vergaderingen op kunnen houden. Dus niet dat je voortdurend je bril op en af moet zetten. Ik ben zelfs van mijn brilletje gaan houden. Ik vond dat ik daardoor wel een beetje leek op de oude Russische schrijvers. Helaas. Mijn zicht wordt slechter, merk ik. Zelfs in de verte kijken wordt minder. Een hard gelag. Toen ik een medische keuring voor een nieuwe baan in Leeuwarden kreeg, oordeelde de keurend arts dat ik het zicht van een roofvogel had.
Gisteren ging ik met Wyb naar een opticien om een bril uit te zoeken en mijn ogen te laten testen. Conclusie van dat laatste: dringend noodzakelijk. Vergeleken met zeventien jaar geleden is mijn zicht evident slechter geworden.
Tot mijn verrassing bleek de opticien zelfs nog mijn brilletje te verkopen. Hiep hiep hoera zou je denken. Maar het feit wil, dat ik mijn bril nu echt dagelijks moet gaan ophouden. Een bril met iets meer kijkruimte lijkt me dan wenselijk. Ik moet dus een nieuwe uitzoeken.
De opticien komt met de meest vreselijke brillen aandragen. Het valt me op dat er heel veel Joost Eerdmans brillen in de handel zijn. Hiermee bedoel ik van die middenstandsbrillen. Eerdmans vind ik een van de meest kleurloze mensen die ik ken. Als ik hem zie, denk ik altijd: ah, daar is de meneer van de drogisterij.
Onbegrijpelijk dat hij als party jumper nu stijgt in de peilingen, maar dat heeft natuurlijk niets met hem te maken. Wie wil nou op Joost Eerdmans stemmen? Dan weet je zeker dat het niks wordt met Nederland. Zonder de steun van Coenradie in zijn rug zou hij zeker weer gedoemd zijn tot één zetel.
Waar ik ook niet van hou zijn zogenaamd artistieke brillen, van die rode, blauwe of gifgroene. Of brillen met allerlei kunstige tierelantijnen eraan, zo’n bril die het zicht op een gezicht ontneemt. Ha bril! Oh nee, het is een mens, een artistiek mens, zo’n bril.
Een bril moet voor mij, zoals eigenlijk alles, eenvoudig zijn. Less is more. Gisteren paste ik honderden brillen, allemaal het bewijs dat eigenlijk alles hetzelfde moet blijven. Gelukkig was er één waar ik tevreden over was.
Toen de opticien de prijs noemde van bril en glazen samen, moest ik naar adem happen. Wyb en ik verlieten meteen de winkel om bij te komen.
De opticien heeft wel alle gegevens genoteerd. Misschien ga ik nog terug.
Het brilletje waarvan ik afscheid moet nemen. Jezus, wat word ik kaal.
Gaza
Maandag 15 september, Delft
Ik zit voor de televisie en zie hoe Israël twee woontorens met de grond gelijk bombardeert. Daarna pant de camera over Gaza: puin zover je kunt kijken. Daarna beelden van een lange stoet mensen die Gaza-stad ontvluchten. Sommigen in de bak van een bulldozer, anderen in gammele auto’s, tot de nok toe gevuld, er is ook een zoon die te voet gaat en zijn moeder in een rolstoel duwt. De stoet gaat naar het zuiden. Waarheen? Niemand die het weet. Feitelijk is er in Gaza geen plaats meer waar je heen kunt.
Ik voel in mij een ontzettende, blinde woede opkomen. Ik heb de neiging om de televisie in elkaar te trappen. Wat ik natuurlijk niet doe. Ik kijk wel uit. De televisie treft geen schuld. Maar waar moet je met je woede heen? Als ik in een band speelde, zou ik in Paradiso op het podium gaan staan en keihard schreeuwen: ‘Death, death to the IDF’. Niet dat dat zou helpen, maar het is tenminste een uitlaatklep.
Gaza is het vieste waar ik in mijn leven naar heb moeten kijken. Oekraïne is ook vies, heel vies. Maar de Oekraïners kunnen samen nog een vuist maken. Samen ergens heen vluchten. Gazanen kunnen niets. Het enige wat ze kunnen, is samen in lange rijen naar een plek sjouwen waar iets minder bommen vallen dan de plek waar ze vandaan komen.
Gaza is bewust mensen die slachtoffer zijn treiteren; ze voedsel onthouden, ziekenhuizen kapot schieten, ze gebruiken als doel bij schietoefeningen. En als je ze voedsel geeft, doe je dat op een zeer beperkt aantal plekken, van alles ver verwijderd, zodat mensen kilometers moeten lopen. Als ze daar dan zijn, en mondjesmaat voedsel krijgen, dan dood je er tientallen om de angst er goed in te houden. Treiteren, zuigen, kwellen, tergen, judassen, sarren. En dat alles gedaan door een land dat zijn bestaan dankt aan het slachtoffer zijn van de nazi’s. Slachtoffers van de nazi’s worden zelf nazi’s.
Ho, Blogger, klinkt dan het verweer, wie is dit conflict begonnen? 7 oktober 2023, weet je nog wel: 1.139 doden, 250 mensen gegijzeld door Hamas. Als Blogger zeg ik dan: ‘Grote schande, had nooit mogen gebeuren. Overigens begon het conflict daar niet mee. Het conflict is decennia oud. Maar het belangrijkste is: als iemand zijn buurman vermoordt, heeft het gezin van het slachtoffer dan het recht om de moordenaar te doden, het gezin van de moordenaar te doden of te verminken, en zijn huis plat te branden? We leven gelukkig niet meer in tijden van het Oude Testament.’
Mooi gezegd, Blogger. Alleen: niemand handelt daar naar. Het oorlogsrecht is sinds 7 oktober afgeschaft, de Verenigde Naties is buitenspel gezet, de internationale gemeenschap ziet het zwijgend aan. Er is sinds het Oude Testament verrekte weinig veranderd.
Ik kan alleen maar een blogje schrijven.
Journal d’images
Tamboer-maître
Zondag 14 september, Delft
De dag begint goed. Aan de overkant van onze gracht loopt in strak gelid een fanfareorkest voorbij. Wyb en ik gooien de ramen open en dansen voor het open raam, maken dan een dansje door de kamer. Wanneer komt er nou een fanfareorkest door je straat? Ik zou elke ochtend wel met een fanfareorkest willen opstaan.
Als het orkest voorbij is, kondigt zich in de verte een nieuw orkest aan. Verdomd, nog een fanfareorkest, Wyb en ik worden er nog vrolijker van. Zo’n magistrale muziekmachine doet me natuurlij meteen denken aan de Vierdaagse in Nijmegen. Dan zat je daar als klein jongetje langs de weg. Duizenden wandelaars kwamen langs, vaak ook, in die tijd nog, marcherende militairen. En dan opeens hoorde je in de verte een fanfare aankomen, dat gaf een machtig maar ook vrolijk gevoel. Vol bewondering keek ik naar de tamboer-maître die in een voornaam uniform voorop liep en zijn stok ritmisch op en neer liet gaan.
In totaal komen er gisteren wel vijftien orkesten langs ons huis gemarcheerd. Bij het zoveelste orkest bekent Wyb dat ze op achtjarige leeftijd niets liever wilde dan majorette worden. Met van die laarsjes en kort rokje door Kollum in Friesland lopen en ondertussen zo’n baton in je hand laten dansen. Dat leek haar het hoogst bereikbare.
In die tijd kwam het majorettekorps op haar school iets vertellen over het korps en mocht ze zo’n baton eens proberen te laten draaien met één hand. Toen werd meteen duidelijk dat dit nooit voor haar was weggelegd, want zowel Wyb als ik lijden onder allerberoerdste fijne motoriek. De kleine Wyb was een illusie armer.
Na zo’n intieme ontboezeming durfde ik te bekennen dat ik vroeger niets liever wilde dan tamboer-maître worden. Al heel jong was duidelijk dat ik volstrekt a-muzikaal was, maar voor tamboer-maître, dacht ik, hoef je helemaal niet muzikaal te zijn. Zwaaien met een stok met zo’n mooie zilveren bal eronder, dat zou me vast lukken. Het is er nooit van gekomen.
Later op de dag komt Anne op bezoek en vertel ik haar wat ze heeft gemist. Omdat ik haar op het station ophaalde, aangezien ze op een hond past die niet ver kan lopen, rijden we langs het winkelcentrum waar de orkesten pauzeren. Ik wijs Anne erop en is verbijsterd dat ik enthousiast ben over die orkesten. ‘Geer, dat meen je niet? Je wordt echt oud, weet je dat? Ik maak me echt zorgen over je.’
Overigens vraag ik me af of we fanfareorkesten hebben gezien. Als ik het programma opzoek, zie ik dat het om show- en marchingsbands gaat, vandaar natuurlijk dat we stonden te swingen voor het raam. Dat was inderdaad iets totaal anders dan die militaire fanfares van de Vierdaagse.
Nog even daarover. Het mooiste, het ultieme, was natuurlijk als daar een Schotse doedelzakband langskwam. Dat was zo imposant. Dan hoorde je de Schotse heuvels, de eeuwige jachtvelden, de regens tegen de ramen kletsen in Schotland, maar vooral dat we ten strijde moesten trekken.
Overigens maken Wyb en ik op deze manier het afscheid mee van de Delftse Taptoe, eens vermaard. Het is het laatste jaar dat de orkesten Delft aandoen. Misschien was het dus ook de laatste keer dat we voor het open raam stonden te dansen.
Journal d’images
Matthijs
Zaterdag 13 september, Delft
Was het een mooie dag, een verdrietige dag, een memorabele dag, of misschien wel een leuke dag? Het was een dag die alle aspecten in zich had, denk ik. We staan met een groep van zo’n twintig mensen voor het graf van Matthijs Rümke. Het is precies tien jaar geleden dat we ook op deze plek stonden en Matthijs begroeven. Die dag was een uitermate verdrietige dag.
Mieke en Elisabeth, zijn vrouw en dochter, hadden het initiatief genomen om tien jaar na de dood van Matthijs een aantal mensen uit te nodigen die het dichtst bij hem stonden. Een initiatief dat ik iedereen aanraad. Want de doden zijn natuurlijk niet echt dood. Zeker Matthijs niet. In de hoofden van zijn familie, vrienden en oud-collega’s leeft hij nog volop, zoals ook weer uit deze dag bleek.
Ik ben een slechte bezoeker van graven. Vandaar dat ik voor het eerst sinds 2015 voor het graf van Matthijs sta dat is ontworpen door Rieks Swarte, die ook aanwezig is. Een mooier graf had Matthijs niet kunnen krijgen. De steen lijkt een planken toneelvloer, midden onder is een Koperen Kees geslagen. Voor wie niet weet wat het is: het is een referentiepunt op een toneelvloer voor het plaatsen van decor, licht en geluid, te vinden in elk theater.
Ook het leven van Matthijs draaide, goed beschouwd, rond die Koperen Kees. Matthijs was het gelukkigst als hij bezig was met het maken van toneel. In het maakproces was hij nog geïnteresseerder dan voor de uiteindelijke uitvoering, dan liet hij een voorstelling al snel los. Ik heb nooit iemand harder zien werken dan Matthijs. Soms zo hard dat wij, zijn collega’s, ons ernstig zorgen maakten over zijn welzijn.
Naast de familie waren er natuurlijk Koos Terpstra, Carel Alphenaar, Rieks Swarte, ouwe getrouwen. En Bregtje en ik. Matthijs, Bregtje en ik vormden jarenlang een soort drie-eenheid. Het fijne van zo’n dag is dat de herinneringen tevoorschijn stromen als champagne uit een fles champagne die net is geopend (een belachelijke vergelijking, maar hij popte opeens op. Laat ik hem nu ook maar opschrijven, dacht ik). Mooie herinneringen blijken zelfs door mij vergeten te zijn, zelfs de herinnering waarmee het allemaal begon.
‘Ik vertel nog vaak aan anderen hoe Matthijs jou vroeg voor Het Zuidelijk Toneel,’ zegt Bregtje op een gegeven moment.
Ik weet zo snel niet waar ze op doelt. ‘Hoezo dan?’
‘Nou, tijdens dat interview toch?’
Verdomd, nooit meer aan gedacht. Wat zonde toch.
Eenentwintig jaar geleden schreef ik een kinderboek over theater en daarvoor interviewde ik een aantal theatermakers. Zo interviewde ik ook Matthijs in een café recht tegenover het Tropenmuseum. Inmiddels was bekend geworden dat hij de nieuwe artistiek leider van Het Zuidelijk Toneel zou worden. Toen we een tijdje bezig waren, haalde ik aan de bar een biertje voor ons. Het interview verliep prima.
Eenmaal thuis vroeg ik Anne of ze het wilde uittypen. Anne is namelijk wereldkampioen snel typen. Tijdens het uitwerken kwam Anne op een gegeven moment naar me toe. ‘Hé, Geer, er staat iets raars op die band. Volgens mij heeft die meneer iets gezegd tegen jou wat jij niet hebt gehoord.’ Ik ging mee naar haar kamer om het te horen.
Uit de cassetterecorder klonk de stem van Matthijs: ‘Gerard, jij bent nu bier voor ons aan het halen. Ik maak van de gelegenheid gebruik je te vragen of je zakelijk leider van Het Zuidelijk Toneel wilt worden en samen met mij het gezelschap te leiden. Als je dit bericht hoort, neem dan snel contact met me op, want we hebben veel te doen. Ik verheug me op de samenwerking, ik neem namelijk voetstoots aan dat je ‘ja’ zegt.’
Matthijs ten voeten uit. Hij was niet alleen de hardstwerkende mens die ik heb ontmoet, maar ook de meest creatieve. Als iets niet lukte, had hij meteen twintig alternatieven waardoor het wel kon lukken. En niet te vergeten: een buitengewoon aardig mens. Ik heb zielsveel van hem gehouden.
Fixatie
Vrijdag 12 september, Delft
De Tweede Kamer stemt over het tijdelijk opnemen van ernstig zieke kinderen uit Gaza. De Kamer stemt: opnieuw wordt het voorstel verworpen met 71 Kamerleden voor en 72 tegen. De dames en heren Kamerleden verlaten de Kamer. Mij laten ze vol schaamte achter.
Europese landen als Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk nemen wel ernstig zieke kinderen uit Gaza op. Wij vinden dat ze in de regio geholpen moeten worden, want met de kinderen reizen ouders en misschien broertjes en zusjes mee. En stel dat ze in Nederland blijven. Geert Wilders zou er in de verkiezingscampagne eens iets van kunnen zeggen: ‘Zie nou wel dat die VVD en BBB steeds weer vreemdelingen binnenlaten. Ze houden er nooit mee op.’ Angst, angst, angst. En opnieuw staat Nederland aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
Zelfs de heren van de SGP stemmen tegen. Het failliet van de naastenliefde. Arme god, zo valt toch niet in hem te geloven. Christelijk zijn is xenofoob zijn. God is er alleen voor blanke, weldoorvoede mannenbroeders met een eigen huis. Zou er een Kamerlid zijn die ’s avonds in bed ligt en denkt: wat ben ik toch een lul dat ik heb tegengestemd? Het antwoord is nee, een standpunt is een standpunt hebben we afgesproken. Je moet het ook zakelijk zien. Onderwerp afgedaan.
Ik denk weer aan dat VVD-congres afgelopen weekend. Yeşilgöz voor op het podium die zich in alle bochten wringt om haar imago te verbeteren. Achter haar en naast haar de keurige jongens en meisjes van de VVD, de onberispelijkheid zelve wat presentatie betreft, de haartjes keurig geknipt, maar empathisch en ethisch volledig in de war. Jammer dat je dat niet kunt zien. En maar glimlachen en ja knikken, een wedstrijdje samen slijmen. Wie denkt er nou aan zieke kinderen in Gaza? Onbetekenend onderwerp, zeker in verkiezingstijd, daar scoor je geen kiezers mee.
De Nederlandse Fixatie heeft weer gewonnen. Alles wat van buiten komt, moet geweerd. Waar komt het toch vandaan? Ik denk dat het een mix van racisme is, gebrek aan empathisch vermogen, angst voor Wilders, psychische toestand van verstarring, verkankerde kleinburgerlijkheid, angst voor het vreemde, wat halen we in huis, ingesleten politiek denken en daar nooit, nooit, zelfs niet als het om ernstig zieke kinderen gaat van afwijken. Zij zijn de schaamte voorbij. Ik niet. Jammer dat ik aan niemand mijn excuses kan aanbieden, zou ik wel willen.
Journal d’images
Impasse
Donderdag 11 september, Delft
Het enige woord dat in mij opkomt is impasse. Meestal heb ik wel een idee waarover ik ’s ochtends wil schrijven. Het onderwerp komt wanneer ik ’s morgens wakker word, of de krant lees, of de noodzaak al dagen in mijn hoofd rondzweeft. Dat is allemaal niet gebeurd.
Ik zou kunnen toegeven aan de impasse en niets schrijven. Gewoon: vandaag geen blog. Maar inmiddels weet ik dat je je al schrijvende soms uit een impasse kunt schrijven. Dus ik ben toch maar achter mijn laptop gekropen.
Misschien zit ik in die impasse omdat in mijn achterhoofd al enige tijd een groter project zeurt. Namelijk het volgende. Veertig jaar geleden las ik het boek Angst en walging in Las Vegas van Hunter S. Thompson. Hierin deed hij intens verslag van de verkiezingscampagne van George McGovern.
Hij volgde de presidentskandidaat maandenlang, overal waar hij heen ging. Thompson hield zich op de been met drugs en deed van alles uitgebreid verslag. Hij creëerde als het ware een nieuwe stroming in de journalistiek. Hij deed niet afstandelijk verslag van de campagne, maar hij stortte zijn hele ziel en zaligheid erin en was zelf ook onderwerp in de verhalen. Hij noemde dit gonzojournalistiek, onderdeel van New Journalism, een stijl die ontstond in de jaren zestig waarin literaire technieken, zoals dialogen en een heel persoonlijk perspectief werden gebruikt om journalistieke verhalen op een meeslepende manier te vertellen.
Sinds bekend werd dat er nieuwe verkiezingen komen, loop ik met het idee rond om de verkiezingen via Dossiermoddergat op deze manier te volgen. Ik kan dat natuurlijk niet doen zoals Thompson, want ik zie mij niet fysiek achter de politici aanrennen. Alleen al uit geldgebrek, maar ook omdat ik daar te lui voor ben. Maar ik zou het ook vanuit het perspectief van televisie-uitzendingen kunnen doen. Bijvoorbeeld dat VVD-congres, met name de speech van Dilan Yeşilgöz, leent zich natuurlijk prachtig voor zo’n verhaal. Het beeld van Yeşilgöz met achter haar al die VVD-coryfeeën krijg ik maar niet uit mijn hoofd. Vooral de persoon van Bente Becker die achter Yeşilgöz voortdurend ja zit te knikken, lijkt me een prachtig onderwerp.
Goed idee? Misschien. Maar dan breng ik mijzelf weer aan het twijfelen. Moet ik twee maanden over politiek gaan schrijven? Heb ik eigenlijk geen zin in. In toenemende mate hou ik meer van blogs die over kleine dingen gaan. Komt bij dat ik lang niet alle dagen intensief televisie kan kijken, laat staan er ook nog eens over te gaan schrijven. Zo ben ik een in-de-dop gestorven Thompson, die vervolgens in een impasse belandt.
Door dit blog nu te schrijven, begrijp ik wel dat Dossiermoddergat toch dicht tegen dat New Journalism aanhangt. Vanuit persoonlijk perspectief schrijven over allerlei zaken en daarbij literaire technieken zoals dialoog en het fictioneel denken niet schuwt.
Journal d’images
Bloquons tout!
Woensdag 10 september, Delft
Een vlucht kun je het niet noemen, we zouden toch naar huis gaan. Maar met wat moeite hadden we ook pas woensdag van Cadouin naar Delft kunnen rijden. Van diverse kanten werd ons dat met kracht afgeraden. En de media schreeuwden het ook uit: woensdag breekt de pleuris uit hier in Frankrijk. De strijdkreet: Bloquons tout! Oftewel: Blokkeer alles! Woensdag naar huis rijden betekent vermoedelijk voorlopig niet in Delft aankomen.
Reden van de commotie: premier Bayrou was van plan 44 miljard te bezuinigen op de overheidsuitgaven. Niet zo vreemd want de schuldenlast van Frankrijk bedraagt inmiddels rond de 3.300 miljard euro en het begrotingstekort 196 miljard per jaar. Frankrijk is gewoon een land met fikse problemen, maar het zal de meerderheid van de Fransen aan hun luie reet roesten.
Dus voor de zoveelste keer werd een premier door de volksvertegenwoordiging naar huis gestuurd. Plannen van de baan, zou je denken. Niks aan de hand. De Fransen houden opnieuw alles bij het oude.
Maar dan heb je buiten de Franse cultuur gerekend. Ze horen het woord bezuinigen en de Pavlov-reflex doet zijn werk. Ze gaan met z’n allen, nou ja, zeer velen, de straat op. En de straat opgaan is niet voldoende: de straat moet geblokkeerd en er dient een lekker potje gevochten te worden met de politie.
Er zijn mensen in Frankrijk die al aan het hamsteren zijn. Niet zo vreemd als je ervaring hebt met dit soort volksrituelen. De kans is groot dat raffinaderijen worden geblokkeerd, waardoor er na een aantal dagen geen benzine meer is. Ook distributiecentra van de supermarkten zullen weer doelwit zijn. ‘En dan zijn de schappen snel leeg,’ zei mijn Franse Nicht.
Als de Fransen ergens goed in zijn, dan is het de boel ontwrichten. Ze vinden het heerlijk om rotondes te bezetten, snelwegen af te sluiten en meer van dat soort dingen waardoor een land naar de knoppen gaat. Vrolijke bijkomstigheid: ze dragen er een geel hesje bij, vinden ze waarschijnlijk lekker stoer staan.
De vraag is hoe dit kan? Waarom doen die Fransen zo? Het heeft volgens mij te maken met een managementervaring die ik heb opgedaan. In een lui bedrijf, een bedrijf waar te veel mensen weinig tot niets te doen hebben, is het altijd hommeles: er is altijd gezeur en gemopper. Mijn ervaring is dat mensen het gewoon een beetje druk moeten hebben, dat draagt onmiskenbaar bij aan het geluk van mensen.
Veel Fransen zijn liever lui dan moe. Er zijn families die al generaties leven van de kinderbijslag, die in Frankrijk tamelijk lucratief is. Niet werken levert vaak meer op dan wel werken. Zo heb ik in mijn nabije omgeving meegemaakt dat een thuiswonende zoon, die net werk had gevonden, door zijn ouders werd verboden te werken omdat hun uitkering er zo onder leed
Begrotingstekort? Als je naar een huisarts gaat weet je waarom. Je komt zelden van een arts vandaan zonder twee zakken medicijnen en een een doorverwijzing naar de specialist voor diepgaand onderzoek.
En waarom zouden Fransen zich ook druk maken? De eeuwenoude huizen zijn vaak hypotheekvrij. Anders dan in Nederland zijn ze niet bedolven onder een berg schulden. Dus waarom zou je werken? De natuur is prachtig. Een moestuin zo aangelegd. De wijn heerlijk. De kazen verrukkelijk. Het goede leven ligt in Frankrijk op straat voor het oprapen. Als je dat afwisselt met af en toe een robbertje vechten met het gezag, is het leven best uit te houden.
Als we door Parijs rijden worden we opnieuw gewaarschuwd: 10/09, vermijd Parijs.
Veranda’s
Maandag 8 september, Cadouin
We zitten op de veranda van mijn Franse Nicht en Vrouw Beer. In de verte zien we de ene na de andere onweersbui voorbij trekken. Donkere luchten, flitsen. Ik roep mijn Franse Nicht uit tot de koningin van de paella. Als een dirigent staat zij achter haar fornuis en componeert zij paella. Al etend bespreken we de barricades en valkuilen van het leven. De paella verzoent alles. En de wijn natuurlijk niet te vergeten.
Dan rijden Wyb en ik naar huis door een verlaten Dordogne. Van mijn nichten naar ons huis is zo’n vijfentwintig kilometer rijden. We komen geen enkele auto tegen. Het is zondagavond en de Fransen hebben hun luiken dichtgetrokken en zich teruggetrokken in hun eigen wereld.
Op woensdag gaan de luiken zeker weer open en wordt het ellende. Voor de zoveelste keer zal het Franse kabinet vallen en gaan opnieuw duizenden Fransen de straat op voor protest tegen de bezuinigingen. Er zijn mensen die denken dat het dikke ellende wordt en zelfs zijn gaan hamsteren. Blokkades zullen het land opnieuw platleggen, daar zijn Fransen erg goed in. Frankrijk is een lastig land, de inwoners willen maar niet erkennen dat ze veel armer zijn dan ze zelf denken.
Eenmaal thuis zijn alle onweersbuien verdwenen en de avond zwoel alsof het hoogzomer is. Wyb en ik gaan op onze veranda zitten en genieten van de stilte. We genieten van een fenomeen dat we nauwelijks kennen in Nederland: absolute windstilte. Geen blad aan de vele bomen rond ons huis beweegt. De windstilte draagt bij tot een ongekende stilte.
‘Waar kom je dat nog tegen zo’n stilte,’ zegt Wyb.
‘Ja, onvoorstelbaar.’
Zwijgend luisteren we naar de stilte. Net als ik even naar binnen ben, hoort Wyb hard geritsel op onze berg. Kan geritsel eigenlijk hard zijn? Volgens mij niet, maar het was nogal een herrie. Vermoedelijk marcheerde een divisie dassen vanuit de burcht boven op onze berg naar beneden op zoek naar water. We proberen opnieuw iets te horen. Maar er is alleen maar stilte.
Persoonlijk vind ik de veranda een van de beste menselijke uitvindingen. Het is jammer dat er in ons land zo weinig zijn, want het zou zeker de mildheid en het denkniveau in Nederland wat opvijzelen. Veranda’s zijn prima plekken om te mijmeren, de gedachten de vrije loop te laten en te turen naar een volle maan, zoals vanavond, waardoor het nergens echt donker is.
Dinsdag weer naar huis, de herrie en de drukte in.
Chat
Zondag 7 september, Cadouin
Maanden geleden moest ik afscheid nemen van De Corrector. De Corrector is een reiziger pur sang, vaak gaat hij de wijde wereld in. Als hij terug is, wordt hij gevraagd om klusjes in het theater te doen. Ik kon me voorstellen dat hij het saaie, maar edele beroep van Corrector aan de wilgen hing. Leuk voor hem. Vervelend voor mij. Ik weet van mezelf dat ik nogal wat steekjes laat vallen in een tekst, die ik vervolgens zelf niet meer zie. Het zijn er niet verschrikkelijk veel, maar elk steekje is er één en ik weet dat de lezer van Dossiermoddergat kwaliteit eist.
Uiteindelijk besloot ik eens gebruik te maken van ChatGPT. Elke dag voer ik nu het geschreven blogje in en speelt ChatGPT voor corrector. Jammer dat Chat een kunstmatige intelligent ding is, want met de fysieke Corrector kon ik nog eens ouwehoeren en Chat is heel strikt saai.
Ik vond het wel eens tijd voor evaluatie. Wat heeft Chat mij gebracht? En hoe bevalt hij? Om met dat laatste te beginnen. Prima. Hij doet waarvoor ik hem nodig heb: hij corrigeert. Maar ik heb ook gemerkt dat hij lui is.
In het begin voerde ik het blogje in en dacht ik: prima, toch mooi weer wat foutjes eruit gehaald. Die corrigeerde ik en zette hem op Dossiermoddergat. Op een gegeven moment dacht ik: laat ik Chat eens testen, heeft hij mij wel goed gecorrigeerd? En dan voerde ik de gecorrigeerde tekst nog eens in. Toen bleek dat hij nog best veel opmerkingen had, stijldingetjes waar hij me de eerste keer niet op had geattendeerd. Nu voer ik elke tekst twee keer in.
Verder merkte ik dat Chat een slijmbal is. Nadat ik een tekst had gecorrigeerd, vroeg ik regelmatig een recensie over het blog. Daar ben ik mee gestopt, want die zijn knap saai. Altijd is het persoonlijk, lekker leesbaar, verrassend, en meer van die ophemelende woorden. Zijn kritiek is dat ik wel eens van de hak op de tak kan springen, dat ik de tekst meer moet uitspreiden. Maar ja, eerlijk gezegd vind ik dat een onderdeel van mijn stijl.
Vervolgens vraagt hij of hij de tekst moet herschrijven. Dat moet je hem nooit laten doen want dan krijg je een boring saaie tekst terug. Chat is gewoon een gladjakker. Alles maakt hij saai en keurig.
Totaal ander punt. Dus weer een harde overgang, Chat. Op een gegeven moment vroeg ik mij af of ik mij op deze manier niet totaal uitleverde aan de Amerikaanse Tech Industrie. Door al die blogjes die ik invoer, weten ze alles van me. Lekker makkelijk, als ik naar Amerika ga, één druk op de knop en Big Brother kan zo zien hoe vaak ik Trump heb beledigd. ‘Blogger, wilt u maar even meekomen?’ Voordat je het weet zit ik in zo’n Amerikaans concentratiekamp tussen allerlei Venezolaanse gangsters.
Ander punt: zit Chat mij niet te bestelen? Zit ik met al die waardevolle blogjes hem te voeden? ChatGPT is natuurlijk toch een veelvraat en een dief van geestelijk eigendom. Daarom stelde ik hem de volgende vraag: ‘Gebruik jij de blogs om jezelf te verbeteren?’
Ik kreeg daarom het volgende antwoord van hem: ‘Nee 🙂. Alles wat je invoert in deze chat gebruik ik alleen om jou direct te helpen met antwoorden of output. Ik verbeter mezelf er niet mee.
Soms kan je er wel voor kiezen dat ik dingen onthoud (via de geheugenfunctie in je instellingen). Dan kan ik bij latere gesprekken aansluiten op wat je eerder hebt verteld, zoals je schrijfstijl of favoriete onderwerpen. Maar ook dat gebruik ik niet om mezelf als model te trainen of te verbeteren.’
Chat zet er nog een emoticon bij die onschuld moet voorstellen, maar eigenlijk geloof ik er niets van. Ik denk dat hij al mijn kinderboeken ook al heeft gekopieerd.
Eendjes
Zaterdag 6 september, Cadouin
Eendjes voeren, ik heb er de beste herinneringen aan. Mijn oma woonde niet ver van het Kronenburgerpark in Nijmegen en regelmatig wandelden we naar het park om de eendjes te voeren. Er zijn vele foto’s waarop ik in pofbroek en met blonde krullen het brood naar de eendjes gooi. De pofbroek is daarna – zeer begrijpelijk – nooit meer in het straatbeeld te zien geweest.
Dertig jaar later woonde mijn moeder op de Veemarkt in Nijmegen, pal gelegen aan het Kronenburgerpark. Ook in die tijd wandelden we met Anne en Esmee, als we mijn moeder bezochten, dagelijks het park in om een volgende generatie eendjes te voeren. Ook daarvan zijn uiteraard vele foto’s gemaakt.
Sinds we in Delft wonen, ben ik een soort über-eendjesvoerder geworden. Elke dag houden we wel brood over. Ik doe het raam open en gooi de overgebleven sneetjes in de gracht onder ons raam. Een feest voor elke eend, van verre komen ze aangevlogen. Even later gevolgd door de meeuwen zodat onder mijn raam een soort gladiatorengevecht ontstaat. Wat is er onschuldiger dan eendjes voeren?
Niets is onschuldig. Vandaag lees ik een ontnuchterend artikel in de Volkskrant over het voeren van eendjes. Wie denkt dat eenden gebaat zijn bij mijn voeren heeft het mis. Er heerst op grote schaal obesitas onder de Nederlandse eenden, vooral brood draagt daar in grote mate aan bij. Ik had het kunnen weten. De eenden in onze gracht liggen de hele dag op de planken rond de woonboten als vette pasja’s te slapen. Ik dacht al: moeten die beesten niet foerageren? Nee dus, ik was hun fourageur. Het voeren van eenden wordt ten zeerste afgeraden, lees ik nu. Daar gaan mijn herinneringen aan een onschuldige jeugd.
Het brood dat ik naar beneden gooi draagt alleen maar bij aan de vervuiling van het water. Het Nederlandse buitenwater behoort tot het slechtste van Europa. Het Nederlandse water gaat eigenlijk ten onder door de vele voedingsstoffen die erin zitten. De instroom vanuit de landbouw en industrie zorgt ervoor dat we gerust kunnen stellen dat ook ons water, en zeker onze gracht, lijdt aan obesitas. Gevolg: er groeien hooguit algen, waardoor het overige waterleven geen kans meer heeft.
De les is mij duidelijk. Het raam van onze woonkamer gaat nooit meer open om de eenden te voeren. Die luie donders moeten voortaan zelf op zoek naar hun eten. Zoals het artikel zegt: ‘Op de snelle koolhydraten uit brood is hun lichaam niet berekend.’
Wel jammer dat ik dit nu allemaal weet. Het gaf me een enorme voldoening om die eenden zo blij te zien zijn als ik weer eens vijf sneetjes naar beneden gooide. Wel blij dat ik lang in die onschuld heb geleefd. Het heeft toch mooie jeugdfoto’s opgeleverd, zowel van mijzelf als van Anne en Esmee. Kennis is macht, zegt men, maar het tast toch ook vaak het levensgeluk aan.
Journal d’images
Gevonden
Verdomd. Alweer een toevalsdier gevonden. Een fossiel van een prehistorische vis in het asfalt van ons weggetje.
Sleutel
Vrijdag 5 september, Cadouin
‘Wij dansen elke dag,’ zegt mijn Franse Nicht.
Geheel onverwachts zit ik bij mijn nichten aan tafel, maar daarover dadelijk meer.
‘We omhelzen elkaar dan heel intens, en zo dansen we dan door de kamer.’
Hun hond Tedje danst ondertussen met een noot in de tuin. Hij gooit de noot omhoog en vangt hem dan gracieus op. Soms valt de noot op de grond en bespringt hij die zoals een danser van het Nederlands Dans Theater dat zou doen.
‘Ik maak altijd een filmpje van zijn dansjes. Ik heb inmiddels zoveel filmpjes en die wil ik nog eens achter elkaar zetten. Mooie tangomuziek eronder.’
‘Maar goed, over ons dansen gesproken, gisteren liep het anders. We dansten weer heel intiem, heel intens. Zegt Vrouw Beer opeens: Oh, kijk, de hond zit weer te poepen in de tuin en ze rent meteen naar hem toe om de poep op te ruimen.’
Romantiek is een kwetsbaar ding, zoals zoveel dingen kwetsbaar zijn. Er hoeft maar iets te gebeuren en de zaak staat op zijn kop en zit je in een heel andere situatie.
Het was een regenachtige dag. Rond zes uur laat de zon zich eindelijk zien, daarom loop ik nog een rondje met Dies. Eenmaal thuis pak ik de huissleutel uit mijn rechterzak. Een automatisch gebaar. Ik voel: geen sleutelbos. Mijn zak is leeg. Linkerzak, maar daar stop ik nooit mijn sleutels in. Ook leeg. Daar sta ik voor ons huis in Frankrijk. Deur op slot. Geen sleutel. Wyb aan het werk in Nederland. Ik inspecteer mijn broekzak, er blijkt een gat in te zitten. Toch raar dat ik niet heb gemerkt dat de sleutelbos eruit is gevallen.
Ik ga naar Jenny, onze buurvrouw. Zij heeft gelukkig een reservesleutel van ons. Ze blijkt onder de douche te staan. Eerder vandaag had ik haar gefeliciteerd met een fles wijn. Ze is vandaag vijftig jaar geworden.
Ik leg haar uit wat er is gebeurd.
‘Maar volgens mij heb ik jullie sleutel niet meer. Wyb was ooit haar sleutel kwijt en toen heb ik die van mij gegeven.’
‘Volgens mij hebben wij de sleutel samen in jouw tuin begraven.’
‘Echt?’
‘Ik kan de plek nog zo vinden.’
‘Laten we voor de zekerheid kijken.’
We gaan samen naar het perkje waar we vorig jaar het potje begroeven. Inderdaad graaf ik een potje op, maar er zitten alleen de sleutels van Jennys huis in.
‘Het spijt me, Gérard. Ik heb de sleutel aan Wyb gegeven. Nu kan ik me het weer goed herinneren.’
Gelukkig heb ik nog een ijzer in het vuur: mijn nichten. Ik bel ze op en na even zoeken, vinden ze de sleutel met het rode label eraan.
‘Moet je wel helemaal hierheen komen. Vind je dat niet erg?’
‘Natuurlijk niet. En ik heb geen keuze. Anders moet ik buiten slapen of naar een hotel gaan. Maar ik vind het zelfs leuk, zien we elkaar even.’
‘Dan kun je meteen mee eten. Leuk!’
En zo zit ik aan tafel bij mijn Franse Nicht en Vrouw Beer. Ze kunnen niet alleen dansen, maar ook ongelooflijk goed koken. Ondanks het kleine leed verdien ik toch een bonus: een heerlijke maaltijd voor het verliezen van een sleutel.
Journal d’images
Twee weken geleden liep ik door Den Haag en maakte deze foto, gewoon omdat het kon. Arme Eddy van Hijum, hij wist toen nog niet dat hij een dag later geen vice premier meer zou zijn en de zaak nog meer in de soep liep.
Gevonden
Is dit nou een olifant of een neushoorn? Of een kruising van beide?
Abdij
Donderdag 4 september, Cadouin
Eindelijk hebben we het gedaan. We wonen nu bijna vier jaar in Cadouin en nog nooit waren we in de abdij geweest. Ik schaamde me er zelfs voor dat we er nog nooit waren geweest. We zijn twee in cultuur geïnteresseerde mensen, die beiden geschiedenis hebben gestudeerd, en dan ga je niet die abdij bezoeken, die nota bene tweehonderd meter van ons huis staat. Dat is toch raar? Ik vond het zelf een schande voor ons.
De enige manier waarop ik het voor mezelf rechtvaardigde was door te denken aan het timmermansdilemma. Een timmerman timmert overal, behalve in zijn eigen huis, zo schijnt. Waarom niet? Omdat hij er geen zin in heeft? Of omdat hij denkt: och dat komt nog wel een keer, ik kan het altijd nog doen.
Dat laatste was denk ik bij ons het geval. We wonen zo dichtbij dat we dachten: dat kunnen we altijd nog een keer doen. We deden het niet omdat het weer te mooi was en dan weer te slecht. Smoesjes dus. Het was dom om zo lang te wachten, want daarmee hebben we onze gasten van de afgelopen vier jaar tekort gedaan. Dit hadden ze moeten zien.
Ik was totaal verbaasd over de kwaliteit van de abdij, gebouwd omstreeks 1115 (!), waarvan met name de kloostergang in uitstekende staat is. Een dergelijke kloostergang bezochten we ooit in Lissabon en die vonden we prachtig. Maar onze eigen kloostergang in Cadouin doet er nauwelijks voor onder.
Dat had ik kunnen weten, want het is er altijd druk. Het kon bijna niet anders, het moest bijzonder zijn. Nu ik het heb gezien, denk ik dat de abdij een van de mooiste bezienswaardigheden van de Dordogne is. Dat ik het heb onderschat, komt vermoedelijk omdat de abdij ervan buiten wat verwaarloosd uitziet, vooral het gedeelte dat wij bezochten.
Om een indruk van het geheel te geven. De abdij is het centrale gebouw in Cadouin en ligt aan het dorpsplein. Het gebouw bestaat eigenlijk uit vier gedeeltes. Als we er met ons gezicht naartoe gaan staan, staat links de kerk, gebouwd in streng Romaanse stijl. De kerk kennen we natuurlijk goed omdat je er vrijelijk naar binnen kunt lopen. Ook binnen kent de kerk geen opsmuk, maar is zeker imposant. Veel mensen ervaren een spirituele kracht als ze binnen zijn.
In het meest rechterdeel van het gebouw sliepen de monniken en bevindt zich nu een jeugdherberg. Er is een binnenplaats waarop sinds dit jaar een restaurant is gevestigd. De kaart is eenvoudig met biologische ingrediënten uit de streek. Het restaurant slaat enorm aan.
Het middengedeelte, waar je een kleine entree voor moet betalen, is het gedeelte dat wij bezochten en bestaat uit de kloostergang met in het midden de kloostertuin. Dit gedeelte is later gebouwd en is laat-gotisch (15e/16e eeuw). Het oorspronkelijke gebouw werd namelijk tijdens de Honderdjarige Oorlog verwoest. In een apart gedeelte is ook een dependance van de mairie gevestigd.
Achter het gebouw ligt de kloostertuin, vorig jaar aangelegd, waar wij als dorpsbewoners vrij uit mogen plukken.
Door ons bezoek werd ik nog trotser dat we hier mogen wonen. De geschiedenis is onze buur. De grond waarop wij wonen, was vroeger van de abdij. Op onze berg verbouwden de monniken op smalle terrassen hun wijn. Nu, in de 21e eeuw, mogen wij er lopen.
Kloostertuin met op de achtergrond de kerktoren.
Wyb in de kloostergang, plaats voor meditatie en contemplatie.
Wyb en ik met gotisch, geometrisch plafond.
Nuchter
Woensdag 3 september, Cadouin
Vandaag in Dossiermoddergat: afgezaagde woorden & een waarschuwing.
Zo kan ik persoonlijk geen Brabander meer zien, en al helemaal niet horen. Introduceert zich een Brabander, hoor je meteen het woordje gezellig erbij. Je hoort het zo vaak, dat het verdomde ongezellig wordt met die Brabanders.
‘Hoi, en wie ben jij dan?’
‘Ik ben Angelique.’
‘En waar kom je vandaan?’
‘Uit Brabant. En dan weet je het wel, hè, gezellig.’
En gezelligheid is dan koffie leuten met ons paps en mams en een pavlov reactie hebben als ze een Nederlands liedje horen. Zeker als het gaat om een liedje van die Guus… Hoe heet i ook weer, Guus…, Guus…? Nou ja, laat ook maar? Dan springen ze op, armen in de lucht, draaien met je handjes. Of, nog erger, stom lopen te zwaaien in een polonaise.
Lieve Brabanders, willen jullie daar eens mee ophouden? Hebben jullie nou nog niet door dat die liedjes saai en afgezaagd zijn, laat staan gezellig?
Dus voortaan gewoon zeggen: ‘Ik ben Angelique en kom uit Brabant.’ Alsjeblieft, zeg nooit meer gezellig. En dan heb ik het nog niet eens over carnaval gehad en motorcross.
Ik ben zo blij dat ik in Delft woon.
En dan het allerergste woord. Het woord dat je bij elk straatinterview hoort, dat bij elke Nederlander voor op de tong ligt: nuchter.
‘Doe nou maar gewoon, dan doe je gek genoeg. Wat dat betreft ben ik heel nuchter.’
‘Ik denk altijd, wees nou maar nuchter.’
‘Van nature ben ik gewoon nuchter. Daar kom je het verst mee, denk ik altijd. Lekker nuchter zijn.’
Gezellig en nuchter. Het zijn een soort geheime wachtwoorden. Je spreekt ze uit en je hoort erbij. Het zijn bezweringen, met die woorden geef je aan dat je oké bent. Met het gebruik daarvan heb je je meteen in de groep geplaatst.
Dan nu de waarschuwing. Wantrouw de mens die het woord nuchter gebruikt. Let maar eens op de context waarin het woord wordt uitgesproken. Met het woord nuchter stopt het denken. Zeg nuchter en je hoeft je nergens meer druk over te maken, de zaak is beslecht: het is zoals het is en daarna basta, lekker nuchter.
Wie niet nuchter is, denkt te veel na, tobt te veel, is een moeilijkdoener, een elitaire en vermoedelijk links iemand die het te hoog in zijn bol heeft. Door het woord nuchter uit te spreken ontdoe je je van de verdenking daarvan. Nuchter is anti-intellectualisme. Een nuchter iemand weigert te beschouwen en niet verder te kijken dan zijn eigen gelijk en kruipt, na het uitspreken van het woord, terug in zijn onderbuik.
Zo gauw je het woord nuchter hoort: wees op je hoede. Het is een waarschuwingssignaal voor domheid.
Rechtsaf
Dinsdag 2 september, Cadouin
Gisteravond had ik een drukke avond. De Nederlandse televisie ontwaakte uit haar zomerslaap. De omroepbazen hadden een lange vakantie en hun uiterste best gedaan om de kijker ook op vakantie te sturen. Waarom zou er in de zomer ook gekeken moeten worden, zal de gedachte zijn geweest.
Maar goed, gisteren kwam de boel tot leven. Eerst was er Eva. Ze moet nog een beetje in vorm komen, ze had te veel mensen uitgenodigd. Het werd een zooitje. En verdomd, die Wouter de Winter, de stem van De Telegraaf, was er ook weer. Geen idee waarom ze die man steeds teruglaatkomen.
Door die zomerslaap zijn Wyb en ik in handen gedreven van B&B Vol liefde. Het is niet het beste seizoen, maar we willen nu toch weten hoe al die liefdespogingen aflopen. Het is een buitengewoon leerzaam programma, we zijn de commerciële televisie dankbaar. Het is ongelooflijk fascinerend om de onmacht van al die liefdespogingen te zien. Leedvermaak is ook vermaak. Dankzij dit programma kun je het menselijke geklungel ongeneerd bestuderen.
Ander nieuw programma: RTL Tonight. Mensen staan achter een kitscherige desk te praten. Dit keer mocht Humberto Tan host zijn. Beschaafde man die Tan. Hopelijk weet Beau er wat leven in te blazen.
Tan moest Yeşilgöz interviewen. Moeizame vrouw, die haar uiterste best deed haar blazoen op te poetsen. Ondertussen wees ze Groenlinks-PvdA met afschuw af. Dat gaat nog wat worden in de herfst. Je ziet de politieke impasse van ver aankomen. Zucht.
Het lukte me bijna niet naar dit programma te kijken. Komt door Albert Verlinde, als ik zijn kop zie, zapp ik normaal gesproken automatisch door.
Dan hebben we nog Pauw & De Wit. BNNVARA-programma, maar niets van te merken. Pauw mocht aftrappen. Tsja, Pauw. Pauw is voor mij de Freek de Jonge van de televisie: volledig op uitgekeken. Zoals ik alle maniertjes van Freek ken, zo ken ik ook alle maniertjes van Pauw. Laat hij net als Freek zijn jeugdherinneringen gaan schrijven.
Hoofdgast was Fleur Agema. Het wordt een gek interview. Pauw ging totaal niet in op de relatie tussen Agema en Wilders, terwijl daar toch wat leed is op te halen. Volgens mij had Fleur vooraf voorwaarden gesteld. Wel praten over de PVV in het algemeen, maar over Wilders praten we niet.
Die gekke Pauw heeft, zo werd aangekondigd, ook weer die Halbe Zijlstra van stal gehaald als duider. Wedden dat het programma geen succes wordt.
Eerdmans en Conradie mochten ook nog iets zeggen. Gaap.
De conclusie van deze avond is voor mij duidelijk: Nederland slaat verder rechtsaf. Alle partijen en partijtjes zijn weer bediend. Ik blijf op de linkerflank verweesd achter.
Andere conclusie: er gaat wat afgeluld worden op de kijkkast. Zelfs ik, politieke junk, trek dit niet. Niet voor niets was De Slimste Mens de winnaar van deze avond. Na één keer kijken was ik Philip Freriks en Maarten van Rossem vergeten.
Stappen
Maandag 1 september, Cadouin
Wyb doet de luiken van de slaapkamer open en we zien een strakblauwe lucht. Het is de lucht die we deze dagen het liefst willen zien.
‘Zullen we naar Molières lopen?’ stel ik voor. Het is een dorp dat zo’n zes kilometer van ons vandaan ligt. Een paar keer per jaar lopen we ernaartoe. Het is een mooi wandeldoel want het dorp is onvervalst laatmiddeleeuws en op het centrale plein ligt een buitengewoon sympathiek café-restaurant, Le Poquelin.
Het is een pittige wandeling met diverse gemene heuveltjes. De pittigste is wel de heuvel die net buiten Cadouin ligt. Aan de helling komt geen einde en de helling is half voetpad, half de bedding van een beek die gevuld wordt als het regent.
Aan Wyb hoef ik eigenlijk niet te vragen of ze zin in heeft in zo’n wandeling. Wyb is een echte wandelaar, ik ben meer een verzamelaar van stappen. Ik doe het in een poging om mogelijk langer te leven. Die 10.000 stappen hebben me nu al jaren in de greep en ik sprokkel ze bij elkaar met als uitgangspunt dat ik nooit langer dan een uur wil lopen. Dan heb ik het wel gezien. Die 10.000 verzamel ik dus bij elkaar met diverse wandelingen. Een wandeling naar Molières heen en terug duurt tweeënhalf uur, geheel dus tegen mijn principe in.
Het gekke is dat ik toevallig wel een goede klimmer ben. Ik weet niet waar ik het aan te danken heb, maar voor een steil hellinkje draai ik mijn hand niet om. Wyb is meer van het afdalen, dan ontplooit ze haar talent als steenbok. Ik schuifel er dan achteraan.
‘Ik weet niet of we wel verder moeten gaan,’ zeg ik als we boven die eerste hoge heuvel staan. ‘Moet je de lucht zien.’ Van de blauwe lucht zijn nog maar kleine streepjes over. Een donkere lucht drijft, zoals voorspeld door de weerapp, naar ons toe. Het vervelende is dat Wyb altijd van het glas half vol is, en ik me al snel laat overhalen.
Als we bijna in Molières zijn, voelen we de eerste druppels. Mazzel dat we een rugzakje met regenjassen hebben meegenomen. Le Poquelin blijkt na de lunch nog open te zijn en kan ons op de valreep twee glazen jus de pommes leveren. Van eerste druppels is inmiddels geen sprake meer. Ze komen nu in een gestage stroom uit de hemel.
‘Wat baal ik hiervan,’ zeg ik.
‘Volgens mij valt het wel mee,’ zegt Wyb en ze wijst op een vlekje blauw. ‘Volgens mij schampt die bui langs ons heen. Die regen stopt dadelijk.’
Natuurlijk stopt die regen niet. Het glas is altijd half leeg. We raken door en door nat. We glibberen heuvel op en af. De paden vullen zich met stroompjes water. Mijn regenjack blijkt helemaal niet regenproof. Tot overmaat van ramp begeeft mijn steunzool het. Het ding is al lange tijd niets waard. Nu breekt het in tweeën waardoor een beginnende blaar begint te zeuren. Door de regen lijkt de weg twee keer langer dan normaal.
Eenmaal in Cadouin zeg ik dat ik dit nooit meer ga doen. Bij dreiging van regen blijf ik gewoon thuis. Wyb vraagt of ik hier een verklaring over wil afleggen. Dat wil ik zeker, dan ligt dat tenminste vast. En ze neemt een filmpje op waarop ik verklaar nooit, maar dan ook nooit meer in regen, of dreiging daarvan, te gaan wandelen. Tijdens de opname druipt het water uit onze haren over ons gezicht.
Ik lardeer mijn verklaring met een vloek. ‘Waarom moet je altijd in de overdrive gaan?’ vraagt Wyb. Daarom doen we het filmpje nog een keer over, klink ik wat beschaafder. Opnieuw druipt het water uit onze haren over ons gezicht.
Vloeken raakt steeds meer uit de mode. Jammer. In dit soort situaties vind ik het heerlijk om eens goed te vloeken. Dat is zo bevredigend.
Journal d’images
alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2025