Dossiermoddergat.nl
gerardtonenblogt2026, januari/februari
Dozen
Vrijdag 27 februari, Delft
In totaal ben ik liefst zesentwintig keer verhuisd. Belachelijk natuurlijk, maar het is niet anders. Je wordt gelukkig wel steeds beter in verhuizen. Zo hebben wij onze bezittingen enorm afgeslankt. De eerste keer dat we verhuisden, hadden we nog een halve vrachtwagen met boekendozen. Dat hebben we niet meer. We weten inmiddels dat boeken erg zwaar zijn en dat ik nauwelijks herlees. Daar zijn er nu nog een stuk of tien van overgebleven.
Dat neemt niet weg dat ik nog steeds zes andere dozen heb die ik altijd meeverhuis. Die zes dozen vormen, zou je kunnen zeggen, mijn verleden, mijn herinnering. In drie dozen zitten foto’s. De foto’s van Wyb zitten nog allemaal keurig in mapjes; mijn dozen zijn een soort grabbelton. Ik hoef maar even te graaien en er komt weer een andere periode uit mijn leven tevoorschijn. In de resterende dozen zitten schrijfsels, diploma’s, twaalf mappen met in totaal 365 brieven aan mijn toenmalige beste vriend, evenals brieven van andere mensen die mij dierbaar zijn.
Voor elke verhuizing vindt tussen Wyb en mij dezelfde dialoog plaats.
‘Gerard, zullen we nu eens eindelijk die dozen met herinneringen gaan opruimen?’
‘Goed idee.’
‘Als we van die zes dozen nou eens drie dozen maken.’
‘Laten we meteen mee beginnen.’
We pakken de dozen en gaan ze een voor een bekijken. Elke doos vergt een lange sessie. We verliezen ons in herinneringen.
‘Moet je deze foto eens zien.’
‘Waar is deze foto gemaakt? Kan ik mij niets meer van herinneren.’
‘Heb je deze foto wel eens gezien, uit mijn basisschooltijd?’
‘Moet je hier zien, wat een meisje ik nog was.’ ‘Wel een verdomd leuk meisje.’
Het komt erop neer dat er uiteindelijk niets uit de fotodozen wordt weggegooid. Ja, misschien een foto die overduidelijk mislukt is, maar die zuivering levert geen ruimte op.
Dan begin ik aan mijn andere drie dozen. Om te kunnen schiften moet je veel teruglezen en alles goed bekijken. Ook deze operatie vergt veel tijd.
Natuurlijk gooi ik dat briefje van mijn moeder aan mij niet weg.
Die beleidsnota’s die ik bewaarde omdat ik er toen zo trots op was, kan ik niet weggooien. Ze brengen me terug naar een tijd waarin ik keihard werkte en nog voor honderd procent geloofde in wat ik deed.
Diploma’s gooi je ook niet weg.
Hetzelfde geldt voor de originele tekeningen die ik van Georgien Overwater kreeg.
‘Kijk, dit is het contract dat ik op zestienjarige leeftijd met Jacques afsloot, waarin we elkaar beloofden leraar te worden om de wereld te verbeteren’ Het is inmiddels vergeeld en gescheurd, maar weggooien? Geen denken aan.
Uiteindelijk kwam het erop neer dat alle dozen weer meegingen. Ze stonden een paar jaar in onze slaapkamerkast in Cadouin. De afgelopen tijd hebben we, als we ruimte hadden, de dozen meegenomen naar Delft. Ze staan nu in de kelder. De kans is groot dat ik ze nooit meer bekijk als we niet gaan verhuizen. Maar ik weet dat ik ze heb, en dat is het belangrijkste.
Journal d’images
Zo’n foto gooi je toch niet weg.
Reiziger
Donderdag 26 februari, Delft
Ik heb best veel gereisd: van IJsland tot China, van Moskou tot Ulaanbaatar, van Sri Lanka naar Vietnam. Toch ben ik geen reiziger. Al mijn reizen heb ik aan Wyb te danken, die als oud-reisbegeleider en soloreiziger een echte reiziger is. Als we langs Schiphol rijden, raakt ze al opgewonden en wil ze in elk willekeurig vliegtuig stappen. In al haar reiswensen ben ik haar altijd trouw en met plezier gevolgd. Soms dacht ik zelfs dat ik misschien toch ook een reiziger was.
Nu weet ik zeker dat ik geen reiziger ben. Wyb en Anne vatten het plan op om in maart naar Nepal te gaan en natuurlijk vroegen ze of ik meeging. Voor het eerst had ik er totaal geen zin in. Ik ben al eerder in Nepal geweest — een mooi land — maar ik voel geen enkele behoefte om er nog eens heen te gaan. Als ik moet kiezen tussen Nepal of Dies, onze hond, dan kies ik voor Dies. Dat wil zeggen: kiezen voor lekker thuisblijven.
Wyb en Anne ontmoeten elkaar op 13 maart om twaalf uur op het vliegveld in Delhi. Anne is momenteel in Sri Lanka en reist van daaruit naar Delhi. Vervolgens vliegen ze samen naar Kathmandu. Dat betekent dat ik bijna drie weken alleen zal zijn. Voor mij is dat een uitzonderlijke situatie. Normaal ben ik overdag vaak alleen, maar ik weet altijd dat Wyb ’s avonds weer thuiskomt en we ’s nachts samen het bed zullen delen.
Ooit werd ik als theaterdirecteur geïnterviewd en de krant koos als kop: ‘Alleen ben ik het gelukkigst.’ Wat ik wel had gezegd, maar wat ik bedoelde, was dat ik het heerlijk vind om overdag alleen thuis te zijn. Sindsdien wordt deze uitspraak mij binnen ons gezin nagedragen. Bij het minste of geringste, als het hen uitkomt, wordt de uitspraak mij weer voor de voeten geworpen. ‘Maar jij zei toch dat je alleen het gelukkigst was?’ Ik had het nooit moeten zeggen.
Het vervelende is dat ik door hun reis naar Nepal niet bij de verjaardag van Wyb zal zijn, voor het eerst in zesentwintig jaar. Dat vind ik eigenlijk toch wel ernstig. Inmiddels heb ik een cadeau gekocht voor haar. Dat heb ik Wyb ook laten weten, omdat ik weet dat ze dan verteerd wordt door nieuwsgierigheid. De avond voordat ze vertrekt zal ik het, onder het genot van een heerlijk etentje, haar geven.
‘Nu weet ik wat je me geeft,’ zei Wyb vanochtend alsof ze een grote ontdekking had gedaan.
‘O ja? Vertel.’
‘Bij wijze van verrassing kom je toch op 18 maart naar Bandipur op mijn verjaardag.’
‘Lieve schat, echt niet. Ik zeg niet wat je wél krijgt, maar dit is het zeker niet.’
Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik dit wel heb overwogen. Dat zou inderdaad een grote verrassing zijn. Dan loop ik in Bandipur het hotel binnen dat Wyb al had gereserveerd.
‘Wyb, ik kom je toch even feliciteren.’
Ik zag de reactie al voor me. Totale verrassing, blijdschap. Wat zou dat mooi zijn. Maar helaas, de niet-reiziger heeft overwonnen — trouwens voor het eerst. Is dit nu het ouder worden?
Journal d’images
Ambassadeur
Woensdag 25 februari, Delft
Toen we anderhalf jaar geleden van Cadouin naar Delft verhuisden, was een belangrijke vraag: waar konden we in godsnaam de hond uitlaten? Wij waren de bossen van Cadouin gewend, waarin we eindeloos konden wandelen. Nu belandden we midden in de Randstad. Van Delft kende ik alleen de weg van het station naar het theater. Zowel Wyb als ik waren er nooit echt geweest.
Natuurlijk waren er geen bossen à la Cadouin in de buurt, die zijn er in Europa alleen in de Dordogne. Gelukkig is er in Delft wel Delfts Hout, een groot recreatiegebied met een grote waterplas en wat bosjes er omheen. Planologen hebben er weer een karakterloos geheel van weten te maken. Maar goed, er was een gebied waar we Dies konden uitlaten.
Voor bossen waar je blij van wordt, kwamen we uiteindelijk in Den Haag terecht. Het Haagse Bos, op een steenworp afstand van het station, bleek een prachtig bos te zijn, met echte bomen, veel groter dan ik had gedacht. Het is er heerlijk wandelen. Hetzelfde geldt voor het bos — of is het een park? — van het nabijgelegen Clingendael. Den Haag is, wat natuur betreft, een rijk bedeelde stad. Nog iets later ontdekten we de Scheveningse Bosjes, een gebied waar honden zowaar los mogen lopen en Dies komt er dan ook heel wat tegen. En dan is Den Haag ook nog eens gezegend met een prachtig duinlandschap en daarvoor de zee. Feest voor Dies.
Wyb en ik wandelden afgelopen weekend door de Scheveningse Bosjes, dat ook veel groter is dan wij oorspronkelijk dachten. We ontdekken steeds weer nieuwe hoeken. Jammer dat er wat grotere wegen doorlopen, maar goed, waar lopen in Nederland geen wegen doorheen?
Het fijne van de Scheveningse Bosjes is dat er aan de randen grote huizen staan. Er wonen mensen die ontzettend blij zijn met dit nieuwe VVD-kabinet, daarnaast zijn er tal van ambassades gevestigd.
Als we een heuveltje beklimmen, zien we voor ons weer een vlag van een of andere ambassade wapperen, groen, wit, rood.
‘Het zal de ambassade van Italië zijn,’ zeg ik.
‘Volgens mij die van Hongarije,’ zegt Wyb. Zij kan het weten, want zij werkt op Buitenlandse Zaken. Ze blijkt inderdaad gelijk te hebben.
Als we langs de ambassade lopen, komt net de ambassadeur met zijn dochtertje naar buiten om in een veel te dure auto te stappen.
‘Ik loop even naar hem toe en dan vraag ik of Hongarije alsjeblieft uit de EU wil stappen. Ga lekker weer onder de vleugels van Rusland leven, dan zijn wij van jullie af,’ zeg ik tegen Wyb.
‘Ben je nou helemaal gek?’
‘Dat zal zelden gebeuren, die man moet toch weten wat er leeft onder de Nederlandse bevolking?’
Natuurlijk doe ik het niet. Ik heb een mooie kans laten lopen.
Even later, als we een straat oversteken en midden op de weg staan, komt er een auto de hoek om. Wyb rent naar de overkant, ik vlucht terug. Het is de auto van de ambassadeur. Hij stopt keurig en gebaart dat ik kan oversteken.
Dit is mijn tweede kans, denk ik. Ik loop gewoon naar die auto en vertel hem hoe ik over die Orbán denk, deze nep-Trump, deze likdoorn van de EU, politiek leider van een pislandje met slechts 9,6 miljoen inwoners dat het verziekt voor de rest van Europa.
Ik steek over, de ambassadeur en ik knikken elkaar vriendelijk gedag, ik dank hem met een handgebaar dat hij wachtte totdat ik was overgestoken. Natuurlijk laat ik de tweede kans ook lopen.
Journal d’images
Bordes
Dinsdag 24 februari, Delft
Stel dat jij minister was geworden en op het bordes moest staan voor de foto: hoe zou je dan gaan staan? Het valt me op dat de meesten met de ene hand de vingers van de andere hand pakken.
Ik heb er eens over nagedacht, maar ik zou nooit mijn vingers vasthouden. Dat heb ik nog nooit gedaan en ik zou het ook niet speciaal voor de bordesfoto doen. Ik vind het een tamelijk geforceerde manier om zogenaamd ontspannen te staan. Ik vermoed dan ook dat dit een ingestudeerde pose is, ingegeven door een of andere communicatiedeskundige. Daar schijnen er tegenwoordig ontzettend veel van rond te lopen en om zichzelf aan het werk te houden geven ze dan dit soort adviezen.
Ik zette de tv aan en het eerste wat ik zag, was die bordesfoto. Ik schrok er een beetje van: zoveel donkere pakken. Even later zag ik beelden waarop ze naar buiten kwamen in een keurige rij, twee aan twee. Het leek wel een begrafenisstoet. Iedereen zweeg, ook toen ze hun plaats op het bordes zochten. Natuurlijk glimlachen ze op die foto, maar ik weet niet of die glimlach gerechtvaardigd is. Hoe zal dit aflopen? Terwijl ze daar zwijgend stonden, hoorde je het geschreeuw en de sirenes van demonstranten.
De enige die eruit springt is Yeşilgöz. Zij dacht: je kunt er vergif op innemen, al die heren trekken hun donkere pakken weer aan, ik trek een lekker kek wit broekpak aan. Ze kijkt ook best vrolijk, triomfantelijk bijna. Daar heeft ze ook alle reden voor. Zij mag gerust de overwinnaar van dit gezelschap worden genoemd. Het kabinet heet Jetten 1, maar in feite is het Yeşilgöz 1. Haar gewenste centrumrechtse kabinet heeft ze gekregen. Gedekt door partijen die niet op dit podium staan, maar in de Kamer met graagte dit kabinet nog meer naar rechts zullen trekken.
En dit alles alweer veroorzaakt door een leugen. Leugen op leugen. Dit keer beloofde Yeşilgöz de hardwerkende Nederlander rust in zijn portemonnee. Mijn hoela, ze had moeten zeggen: ik zorg ervoor dat tweemaal modaal rust krijgt, evenals mensen met een vermogen. De echte hardwerkende Nederlander gaat de kosten van dit kabinet betalen. De kiezer is er alweer ingetrapt.
Gaat het wat worden met het kabinet op dat bordes? Ik denk van niet, om de volgende reden. Wat Nederland werkelijk had geholpen, was een stabiel middenkabinet. Maar wat op het bordes staat, is verre van een stabiel middenkabinet, het is slechts een minderheid die afhankelijk is van de grillen van de meerderheid. Ze zullen als een flipperbal van de ene naar de andere hoek worden geschoten. Alles wat zij zich voor hebben genomen zal worden aangetast of als prop in de prullenbak belanden. De schuldige: de vrouw in het witte broekpak. Dit het derde kabinet dat wordt verstierd door haar strategische kronkels.
De koning staat er weer verkrampt bij. Zijn kroon is een pochet. Jetten blijft glimlachen. Hij staat ontspannen en houdt met zijn ene hand niet zijn vingers vast. Met zijn armen langs zijn lijf is zijn houding open, vrij van angst en verkramptheid. Laten we daar voorlopig onze hoop op vestigen, ondanks het feit dat Yeşilgöz hem in het pak heeft genaaid.
Journal d’images
Haas
Maandag 23 februari, Delft
De haas is het lievelingsdier van Wyb — en dat begrijp ik wel. Als je in Friesland bent opgegroeid en elke dag door een kaal landschap naar school hebt moeten fietsen — regen, storm, het maakte niet uit, fietsen moest je — dan identificeer je je natuurlijk met de haas.
Als je zoals ik in Nijmegen bent geboren, ben je meer een konijnenman. In Berg en Dal en de Hatertse Vennen zag je nauwelijks hazen. Konijnen daarentegen des te meer. Het was de tijd voordat myxomatose zijn vernietigende werk deed. Ik vind konijnen ook meer een zuidelijk, katholiek beest. Lekker samen in een hol zitten en heel veel jongen maken zodat de katholieke zuil zal groeien. De haas is een gereformeerd beest. Het is een beest dat zijn door god gegeven opdracht vervult en nooit klaagt. Om te overleven moet hij hard werken; een haas is nooit veilig.
Ik heb de haas pas leren waarderen door ons huis in Moddergat. Kaler dan daar kan het niet, het leven is daar volledig tot zijn essentie teruggebracht. Uitgestrekte kwelders en akkers, schrale wind, regen als geselslagen. Daar tussendoor loopt de haas. Jezus, wat heb ik hem daar bewonderd. De lucht hing zwaar boven het land. Het was ijskoud, maar de haas deed wat hij ook zomers deed: leven, overleven.
Je moet er toch niet aan denken een haas te zijn. Als haas weet je dat je niets anders dan prooi bent. Boven je bidden de roofvogels, om je heen sluipen de vossen en de marters. Een haas heeft een echt kloteleven. Altijd moet hij op zijn qui-vive zijn, overal dreigt de dood. De haas is één groot radar: alles houdt hij in de gaten, elk geluid, elke beweging.
Even een trieste anekdote tussendoor. Toen wij in Dwingeloo woonden, hadden we een kat geadopteerd, Gijs, een prachtbeest. Hij was van een buurvrouw, maar hij weigerde daar nog langer te blijven, hij wilde alleen bij ons zijn. Uiteindelijk hebben wij hem officieel geadopteerd en we waren erg gelukkig met elkaar.
Hij had alleen één nare gewoonte. Hij had de gave jonge haasjes op te sporen die lagen te wachten op de terugkomst van hun moeder, die te doden en mee te nemen naar ons huis. Het kwaad vermoordt de onschuld. Het ging hem alleen om het doden, de trofee. Hij deed er verder niets mee.
In de boekhandel had ik al langer het boek Een haas in huis van Chloe Dalton zien liggen. Het is een bestseller. En het stomme is dat ik iets tegen bestsellers heb. Iedereen heeft juist de neiging om een bestseller te kopen. Bij mij is het tegendeel het geval. Het is een fout soort recalcitrantie waar ik mee behept ben.
In dit geval ben ik over die beperkende recalcitrantie heen gestapt. Een boek van iemand die een haasje vond en hem verzorgt, dat kan ik toch niet laten liggen voor iemand van wie de haas haar lievelingsdier is. Ze zal ervan genieten.
PS De haas is een dier van de vrijheid. Het blijkt ook uit het boek. Je kunt een haas ondersteunen, maar domesticeren is onmogelijk. Eens solitair, altijd solitair.
Journal d’images
Wilhelmus
Zondag 22 februari, Delft
Ik hou niet van sport, schreef ik onlangs nog. Blijkt toch niet helemaal te kloppen, want ik heb best lang voor die televisie naar shorttrack zitten kijken. Dat komt vermoedelijk doordat ik een blogger ben. Blogs en shorttrack hebben gemeen dat je er niet lang mee bezig hoeft te zijn. Zoals blogs zich verhouden tot shorttrack, zo verhoudt de roman zich tot een marathon.
Ik heb me tijdens die uitzendingen wel zitten ergeren aan dat Wilhelmus. Niet-Nederlanders zullen wel gedacht hebben: wat bewegen die Nederlanders hun lippen raar, kunnen ze niet articuleren? Het meezingen van die sporters lijkt helemaal nergens op. Dat ligt natuurlijk niet aan de sporters, het komt door die verrekt mallotige tekst. Zoveel onzin, vijftien coupletten lang, heb ik nog nooit bij elkaar gezien. Het is alleen te snappen als je de Tachtigjarige Oorlog hebt meegemaakt — en dat zijn er tegenwoordig niet veel.
Ik vind de muziek nog wel gaan, die heeft iets moois gedragen en plechtigs. Het is muziek waardoor sporters die op het hoogste schavot staan kunnen huilen. Dat gebeurt de laatste jaren jammer genoeg steeds minder. Nu hield slechts een enkeling het niet droog. Jammer, want vroeger, als kind, kon ik er echt door ontroerd worden als iemand in tranen was.
Nou ja, misschien is het wel goed dat we een gedrocht van een volkslied hebben. Niemand snapt het, dus niemand voelt de behoefte om zijn hand op zijn hart te leggen, zoals die Amerikanen altijd pathetisch doen. Van al die pathetiek en geloof komt alleen maar ellende, dat zie je wel aan die MAGA-beweging. Ik ben sowieso tegen alles wat naar nationalisme ruikt. Dat Jens van ’t Woud na zijn ereronde de Nederlandse vlag als een vod op de reling achterliet: helemaal prima. Dat zie ik graag.
Ik las trouwens dat het Wilhelmus pas in 1932 ons officiële volkslied werd. Lange tijd hadden we gewoon een ander volkslied. Bij de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd in 1817 het lied Wien Neêrlands Bloed van de dichter Hendrik Tollens tot volkslied gekozen. Dat schijnt een deftig misbaksel te zijn geweest en werd geen succes onder de bevolking. Het Wilhelmus bleef door de jaren heen vooral populair in protestantse en Oranjegezinde kringen, vandaar misschien mijn lichte weerstand tegen het Wilhelmus.
Ik vroeg me af wie die vreselijke tekst nou had geschreven. Niemand die dat met zekerheid kan zeggen. Vermoedelijk is dat Filips van Marnix geweest, maar bronnen hierover ontbreken. Anderen die ervoor in aanmerking komen zijn Coornhert en Petrus Datheen.
De muziek hebben we gewoon gejat van de Fransen. De melodie is afkomstig van het spotlied O la folie entreprise du prince de Condé.
De vijftien coupletten waaruit ons gekke volkslied bestaat, vormen een zogenaamd acrostichon. Voor wie niet weet wat dat is: de eerste letters van de coupletten vormen de naam ‘Willem van Nassov’. Het Guinness Book of Records beschouwt het Wilhelmus als het volkslied met de oudste muziek en tekst. Dat is toch een beetje raar voor een volkslied dat pas in 1932 een officieel een volkslied werd.
Nu ik dit schrijf, bedenk ik dat het maar goed is dat het zo’n ondoordringbare tekst is; kan niemand het meezingen, wel zo makkelijk voor ons, onderdanen. Het lukt vrijwel niemand zelfs maar één couplet mee te zingen. Eigenlijk is het ook wel grappig om te zien hoe die sporters zich daaruit proberen te redden met gemurmel.
Journal d’images
Havermelkelite
Zaterdag 21 februari, Delft
Sinds een maand ben ik lid van de havermelkelite en het voelt fantastisch. Ik wachtte even met het naar buiten brengen van dit nieuws, want je weet natuurlijk nooit of het lukt om af te kicken van melk.
Van melk naar havermelk, het is wel even wennen. Ik probeerde het eerder, maar dat mislukte. De smaak van melk was onderdeel geworden van mijn smaakpalet. Een afwijking daarvan stuitte op weerstand. Stap maar eens over van koffie met suiker op koffie zonder suiker. Dus gaf ik me opnieuw over aan melk.
Ik moet doorzetten, dacht ik later. Je moet wennen aan smaken. En verdomd: na twee weken hield ik van de havermelksmaak en was ik van de melk afgekickt.
Man, waar maak je je druk over, zullen veel mensen denken. Melk of havermelk, wat maakt het uit? Een wereld, zeg ik dan. En daarmee bedoel ik concreet: de wereld.
Mijn voornaamste reden om over te stappen is: de boer. Ik heb een pest aan boeren. Niet alle boeren, maar wel de overgrote meerderheid die de agro-industrie in stand houdt. Ik beschouw de boer als een van de grootste vijanden van de vooruitgang.
Hun lobby is er schuld van dat Europa maar niet echt Europa wordt. Die lobby gijzelt Europa met de dwang de landbouwsubsidies in stand te houden. Als die maar enigszins worden bedreigd, trekt het boerenleger weer op naar Brussel om de straten vol te spuiten met stront en melk.
Het boerenbedrijf is een totaal overschatte business. Het aandeel van de primaire landbouw in het Nederlands bruto binnenlands product (BBP) is 1,4%. Dat stelt dus helemaal niks voor. Voor dit aandeel hebben zij echter 54% van alle grond in Nederland in handen. Dat is een totaal scheefgegroeide verhouding. Hiermee blokkeren ze de groei van Nederland, dat snakt naar grond om woningen te bouwen.
Dat bouwen lukt sowieso niet, want die 1,4% zorgt ervoor dat Nederland door hun vervuiling op slot zit. Het grootste deel van het stikstofprobleem wordt veroorzaakt door de agro-industrie. Een industrie die met haar lobby zelfs het Ministerie van Landbouw volledig in handen kreeg met een minister en een staatssecretaris.
En dan heb ik het nog niet over de vergiftiging van Nederland gehad door het boerenbedrijf. Vind maar eens een rivier, sloot of watertje in Nederland dat niet ernstig vervuild is door landbouwgif en koeienstront.
‘Wij voeden Nederland,’ riepen de boeren tijdens het bezetten van onze snelwegen. Onzin natuurlijk. 75% van hun productie is bestemd voor export. De leus had moeten zijn: ‘Wij maken winst over de rug van Nederland.’
Nou ja, winst. Volgens cijfers uit 2020 ontving elk boerenbedrijf gemiddeld € 19.000 aan subsidie. Zonder subsidie zouden veel boeren omvallen. Ik denk dat boeren de grootste subsidieslurpers van Nederland zijn.
Genoeg informatie. Tijd voor een kop koffie. Eerst maar eens mijn havermelk opwarmen. Ik heb trouwens nog geen andere leden van de havermelkelite ontmoet, hoeft ook niet. Wij zijn zelfstandige denkers, en het is een goed gevoel om te weten dat je die agro-industrie niet meer steunt.
O ja, en dan heb ik het nog niet eens over het dierenleed gehad. Wel eens een koe horen loeien bij wie het kalf is weggehaald?
Journal d’images
Delf en delf
Vrijdag 20 februari, Delft
Wyb en ik bezoeken Museum De Lakenhal in Leiden, een mooi, klassiek museum. Ons doel: de tentoonstelling van schilderijen van Meester I.S. Hij is een tijdgenoot van Rembrandt; allerlei stilistische kenmerken wijzen ook naar Leiden. Maar hoe hij werkelijk heet? Niemand die het weet. Zijn biografie? Totaal onbekend.
Meester I.S. draait er niet omheen: hij spaart zijn modellen niet. Littekens, puisten, vergroeiingen, hij mijdt het niet. Veel gezichten zijn getekend door de ouderdom. Maar het vreemdste is: de meeste modellen dragen mutsen die niet uit Nederland afkomstig lijken, de kleding die zijn onderwerpen dragen doet nog het meest denken aan Baltische klederdracht. Meester I.S. is een compleet mysterie, maar schilderen kan hij.
Het is een kleine tentoonstelling, maar die ontzettend populair blijkt. Mensen verdringen zich voor de kleine schilderijen. Een mevrouw in een irritant wit broekpak dringt steeds voor. Haar broekpak leidt me af van de ingetogen schilderijen. Ik overweeg haar een flinke duw te geven. Het is maar goed dat ik keurig ben opgevoed.
Na de niet zo omvangrijke tentoonstelling dwalen we het gebouw in. Het gebouw is prachtig, maar de collectie is ronduit rommelig, van alles en nog wat hangt door elkaar. We komen bij een prachtige trappartij. Op de verdieping hangen grote gedichten aan de muren. Lodeizen, Hoornik, Pfeijffer, mijn oog valt op een gedicht van Henriette Roland-Holst, een gedicht dat ik niet ken. Maar ik vind het een revelatie.
Wat is het nut van poëzie?
Waarom lees je poëzie?
Waarom is poëzie altijd zo ongrijpbaar?
Waarom doet poëzie altijd zo moeilijk?
Ik snap totaal niet wat jou aan poëzie boeit?
Het zijn vragen die ik vaak krijg. Of die ik lees in de ogen van mensen omdat ze met poëzie geen hout kunnen. Vaak antwoord ik dan dat een roos toch ook ‘ohne warum’ is. Leg maar eens uit waarom mensen rozen zo mooi vinden. Wat is de essentie van die schoonheid eigenlijk?
Nadat ik het gedicht van Henriette Roland-Holst heb gelezen, denk ik: eigenlijk geeft dit gedicht antwoord op deze vragen. Ik nodig de lezer uit om haar gedicht rustig te lezen, dus net even anders te lezen dan je gewoonlijk een blog leest. Ga er even voor zitten. Proef de woorden.
Keer in tot het verborgen zelf,
waar denken ophoudt en de ritselingen
der uren gans verstild zijn, wilde vlagen
tot rust gebracht: keer in nu, delf en delf
tot waar de wortels van de tijd niet reiken,
geen adem dringt van morge’ en avondwind –
keer in tot waar het murmelen begint
der bronnen uit onzichtbare rijken.
Keer tot het tijdloze in, mijn kind.
Henriette Roland Holst
Wie nu denkt: geef mij portie maar fikkie, recht tegenover dit gedicht hangt een gedicht van de voetballende filosoof Johan Cruijff. Dat gaat zo:
Als je ergens niet bent, ben je of te vroeg of te laat.
Johan Cruijff
Journal d’images
Kut
Donderdag 19 februari, Delft
Excusez le mot. Het woord kut was in de eerste twintig jaar van mijn bestaan een woord dat je niet uitsprak. Ik geloof niet dat het ooit over mijn lippen is gekomen. Mocht dat zijn gebeurd, dan werd ik onmiddellijk door mijn moeder gecorrigeerd. Maar ik durf er vergif op in te nemen dat ze dit nooit heeft hoeven doen. De jaren ’50 en ’60, en misschien ook nog wel de jaren ’70, waren er helder over: het woord kut is verboden terrein.
Laat ik eerlijk zijn: nog steeds gaat er een klein alarmsignaal af als ik het woord uitspreek of opschrijf. Al gebruik ik het inmiddels best wel vaak. Kut, het is ook gewoon een lekker woord om te gebruiken. Het is een resoluut woord dat je mond uit kan schieten. Het geeft ook precies weer wat het betekent, namelijk dat het klote is. Het heeft dezelfde scherpte als het Engelse woord ‘fuck’; beide woorden klinken als kogels, mits ze met overtuiging uitgesproken.
Ik heb het woord kut langzaam uit de taboesfeer zien sluipen. Ik denk dat het ergens eind jaren tachtig gebeurde. Steeds vaker hoorde ik mensen het woord in de mond nemen. Door het vele gebruik verloor het langzaam zijn seksuele connotatie. Kut werd een vloekwoord dat lekker klonk. Als iets kut is, is het ook echt kut.
Ik begin erover omdat ik het woord de afgelopen periode regelmatig en met overtuiging heb gebruikt, moet ik bekennen.
Anne, mijn dochter, belt vanuit Sri Lanka dat ze erg ziek op bed ligt.
‘Nee toch?’ schrik ik.
Nadat ze naar de dokter is geweest, belt ze me opnieuw. ‘Het is dengue.’
‘Nee. Dat is echt beroerd, Anne. Kut.’
We hebben veel contact vanuit haar ziekbed. Ik hoor haar zieker en zieker worden.
‘De dokter heeft gezegd dat ik naar het ziekenhuis moet.’
‘Kut.’
Vanuit het ziekenhuis vertelt ze me na elk onderzoek haar bloedwaarden. Die worden slechter en slechter. Ze naderen de kritische grens.
‘Kut.’
Sinds een paar dagen gaat het eindelijk iets beter met haar, al kan ze nog nauwelijks lopen. Toch dacht ik het woord niet meer te hoeven gebruiken. Tot vrienden van ons uit Porto bellen en mijn vriend vertelt dat zijn vrouw B. een lichte hersenbloeding heeft gehad en dagen in het ziekenhuis heeft gelegen.
‘Nee? Wat vreselijk.’
‘Kut, zo kut,’ zeg ik tegen Wyb als ik het haar vertel.
Een paar dagen later belt mijn vriend opnieuw. B. heeft ook nog een tia gekregen. Mijn vrienden moeten gerepatrieerd worden. Ik bied aan hun auto van Portugal naar Nederland te rijden. Ik vlieg dan naar Porto, zij rijden dan in een ambulance terug. Ik hoor een dezer dagen of het echt nodig is, afhankelijk van hoe de ANWB-alarmcentrale de repatriëring organiseert. Ik ben er klaar voor, mochten ze een beroep op mij doen.
Het lijkt alsof iedereen die ik ken en op reis is door ziekte wordt getroffen.
Ik hoop dat mijn moeder me vergeeft dat ik zo vaak het woord gebruik dat zij nooit over haar lippen zou krijgen. ‘De tijden zijn veranderd, ma. Jij kunt het je niet voorstellen, maar het woord is inmiddels toch tamelijk gewoon geworden. En de situatie is werkelijk kut. Ik heb er geen ander woord voor.’
Journal d’images
Zwerven
Dinsdag 17 februari, Delft
Een paar keer per maand ontpop ik mij als zwerver. Als ik moet kiezen tussen in de natuur wandelen of in de stad, dan kies ik zonder twijfel voor de stad. Ik vind het heerlijk om door een stad te dwalen, liefst buiten de toeristische routes om. Alhoewel, een goede wandelroute is ook nooit weg, daarvan maak ik vooral gebruik als ik met Wyb een vreemde stad doorkruis. Alleen dwaal ik op een innerlijk kompas.
Ik loop daar zeker niet doelloos. Zoals echte zwervers tegenwoordig op zoek zijn naar blikjes in vuilnisbakken, ben ik op zoek naar beelden, curiosa, dingen die mij opvallen en die ik bijzonder vind. Ik ben de jutter van de stad, zou je kunnen zeggen, als het om beelden gaat. Mijn fototoestel is mijn trouwe werkpaard en metgezel.
Om het wat af te bakenen. Ik ben niet op zoek naar de kitsch graffiti op de zijwanden van flats om de armoe en het verval van een stad te maskeren. Dat is meer iets voor buurtwerkers en politici. Ik ben geïnteresseerd in de graffiti van de armoe zelf, het kleine protest, het anonieme protest. Wat ik fantastisch vind zijn de anonieme kunstenaars die met hun werk in de nacht de straat opgaan om hun werk te tonen. Voor mij geven ze de stad een gezicht. Het zijn de machteloze stemmen van anonieme kunstenaars. Hulde voor hun werk! Mede omdat zij er niet voor kiezen om samen met andere kunstenaars samen te klitten in een loserscafé om te jammeren over hun miskendheid.
Een voorbeeld van wat ik bedoel, vind je hieronder. In oktober dwaalden Wyb en ik door Toulouse, een van de leukste steden van Frankrijk. We wandelden door de stad en kwamen een op papier gedrukte panda tegen die een boek leest met de titel: Comprendre l’humain, Tome 1 (Begrijp de mens, deel 1). De panda heeft nog vier delen te gaan. Dit soort graffiti kan me ontroeren. Waarom ga ik niet uitleggen, het beeld moet altijd voor zich spreken. Of je doorgrondt het of je vindt het onzin.
Mijn geluk kon niet op toen we al wandelend van dezelfde kunstenaar een panda tegenkwamen die met papieren op de grond zit waar ‘Shell’ opstaat. Deze straatkunstenaar maakt er echt werk van. Hij laat een voetspoor na door zich bekend te maken als M.N.
Weer even later zien we een panda die op zijn rug ligt en met een wereldbol speelt. Omgeven door kleuren die andere graffitikunstenaars hebben achtergelaten. En zo vond ik, al juttend, onderstaande serie. Met dank aan M.N.
Deze serie is wel een heel gaaf exemplaar van straatkunst. Hier is een kunstenaar aan het werk die visie en humor heeft. Ik vermoed dat hier een geschoold kunstenaar achter zit. Het is bijna te mooi, want in het ruige, het achteloze of het wilde zit voor mij ook altijd veel esthetisch genot. Om wat tegenwicht te bieden, vind je hier, onder de pandaserie, een voorbeeld van.
Journal d’images
Vlag
Maandag 16 februari, Delft
Nooit gedacht dat ik ooit nog voor de televisie zou zitten om naar sport te kijken. Sport is tijdverspilling, was altijd mijn stelling. Tennis, voetbal, die wedstrijden duren eindeloos, en we worden er ook nog eens mee doodgegooid. Al die voetballers die maar op de grond gaan liggen of protesteren bij de scheidsrechter: dodelijk saai.
Nu heb ik een sport ontdekt waarin saaiheid niet bestaat: shorttrack. Niks flauwekul. De schaatsers gaan bij de start staan. Het startschot klinkt. En baf: ze gaan als gekken rijden. De sluwste wint. Wie zich het meest leep door de op hol geslagen meute kan laten glijden wint. Prachtig. Een wedstrijd is soms binnen een minuut afgelopen, hoogstens drie minuten. Het woord ’tijdverspilling’ kan niet eens bij je opkomen.
Helemaal spectaculair is de relay, een soort aflossingsrace. Het levert een choreografie op die zo in het programma van het Nederlands Dans Theater kan worden opgenomen. Na die wedstrijd was er een interview met de vier schaatsers. ‘Dames’ heet dat bij het schaatsen. Maar ik zag vier meisjes. Nou ja, meisjes: dames die razendsnel kunnen schaatsen, bloedfanatiek, onvervaard, goed van de tongriem gesneden. Leuke meisjes. Maar het viel me op dat hun gezichten nog totaal niet door het leven zijn getekend. Ze waren nog zo fris en frank.
‘Waarom komen wij nou nooit zulke meisjes tegen?’ zegt Wyb. Blijkbaar denkt ze hetzelfde als ik.
‘Dat komt omdat we oud worden, schat. Zelfs onze dochters zijn een kleine twintig jaar ouder dan deze meisjes, ik bedoel dames.’
Voor dat shorttracken had ik naar de duizend meter race van Jutta Leerdam gekeken. Ook lekker snel voorbij. Het irriteerde me dat de camera voortdurend op die vriend van haar inzoomde, hoe heette hij ook weer? Hij zat naast zijn schoonouders. O ja, hij heet Jake Paul. Ik heb het te doen met het echtpaar Leerdam. Zo zul je de hele dag naast een Trumpiaanse gek moeten zitten.
Vader en moeder Leerdam lijken me zeer redelijke mensen. Komt je dochter met haar nieuwe vriend binnen. Ze stelt hem voor. ‘Wat doe jij eigenlijk voor de kost?’ vraagt de vader. ‘Ik laat mij in elkaar slaan in bokswedstrijden,’ antwoordt Jake. ‘Oh, en verdient dat nog wat?’ ‘De laatste wedstrijd leverde 92 miljoen op, meneer.’ ‘Oh, nou, welkom in de familie.’
En vervolgens gaat die fascistische baardaap overal mee naartoe en komt hij ook nog eens naast je zitten.
Even een adviesje van een andere vader: keer je nooit tegen een potentiële nieuwe schoonzoon, hoe verschrikkelijk hij ook is. Dat wakkert de liefde alleen nog maar aan. Prijs hem vooral de hemel in. En dan maar hopen dat hij snel verdwijnt.
Even was ik trots op Nederland. Dat kwam door het volgende beeld. Jens van ’t Wout pakte goud op de duizend meter heren bij het shorttrack. De Chinees Sun Long behaalde zilver. Ze reden samen een ererondje, de vlag wapperde achter hen aan. Toen ze klaar waren, vouwde Sun Long de vlag zorgvuldig en met eerbied op. Jens van ’t Wout gooide het doek achteloos op een tafel, waar het als een slordig hoopje bleef liggen. Wat is het toch heerlijk dat we in een land leven waar we ons niet druk hoeven te maken over een vlag.
Journal d’images
Bofkont
Zondag 15 februari, Delft
Wat heb ik qua landschap toch geboft in het leven. Nijmegen is een perfecte plek om op te groeien als het om landschap gaat. Zo ben ik geboren op de Nijmeegse Heuvelrug, een stuwwal ontstaan zo’n tweehonderdduizend jaar geleden door Scandinavisch ijs dat een weg naar het zuiden zocht en daarmee een soort bulldozer werd. Als ik op de heuvelrug stond, had ik uitzicht over de Ooijpolder, een vogelgebied bij uitstek.
Een paar straten van de Broerdijk vandaan, de straat waarin ik ben geboren, kronkelde de Waal met zijn uitgestrekte uiterwaarden. Ten oosten van Nijmegen lagen de bossen van Berg en Dal en de Duivelsberg. Bossen en heuvels die me altijd deden denken aan buitenland. Ten zuiden van Nijmegen, waar ik later ging wonen, zijn er de Hatertse Vennen, die ik van links naar rechts heb doorkruist.
En eenmaal weg uit Nijmegen had ik ook geen klagen. Zo heb ik ook het Hoge Land van Groningen leren kennen. Zestien jaar heb ik mogen wonen aan de laatste wildernis van Nederland, het Wad. En daarna hebben we nog vijf jaar op het Dwingerderveld gewoond. Verdorie, dit is voor het eerst dat ik de landschappen waarin ik heb gewoond op een rij zet. Niet gek, al zeg ik het zelf. En dan heb ik het nog niet gehad over de Franse landschappen waarin wij mochten wonen: de Cevennen en de Dordogne. Ik ben een regelrechte bofkont.
Ik kom erop omdat Wyb en ik van Delft naar Hoek van Holland rijden. We rijden langs de plaatsjes De Lier, Westerlee, Heenweg (klopt!), Naaldwijk, en ‘s-Gravenzande. Overal waar je kijkt: glas, tuinbouwkassen. Onmiskenbaar rijden we door het lelijkste stuk van Nederland. Je zult hier wonen en je hele leven tegen een kas aankijken. Elk stukje natuur heeft moeten wijken voor glas. Het landschapsbeeld wordt gevormd door geparkeerde vrachtwagens, fantasieloze huizen en natuurlijk, alles overheersend, die glastuinbouw. De rotondes versierd met plastic aubergines, paprika’s en aardbeien.
Het kan niet anders of dit landschap moet je leven beïnvloeden. Een leven zonder schoonheid, zonder natuur, je zult er maar geboren zijn. Hier en daar zie je een enorme kitschhuizen staan, protserige rijkdom, hiervoor is dit hele liefdeloze landschap gecreëerd: geld. Je ziet het aan alles: hier woont de hardwerkende Nederlander waar de VVD zo gek op is. Jammer voor die partij, want de meeste mensen schijnen hier PVV te stemmen. Ik begrijp het wel, dit landschap heeft elk uitzicht op menselijkheid en schoonheid vernietigd. Hier klinken tegen het glas alleen de echo’s van het geschreeuw en gescheld van Wilders. Hardheid zoekt hardheid op. Alles wat zacht is, is hier weerloos – en al lang verloren.
Als we in Hoek van Holland zijn, kunnen we weer ademhalen: uitzicht op de zee, een koude noordelijke wind. Heerlijk. Als we links kijken zien we de drukte van de Nieuwe Waterweg, aan de overkant de fabrieken en installaties van Europoort. Maar ook dat heeft zijn eigen schoonheid: er is in ieder geval uitzicht.
Journal d’images
Zorgen
Zaterdag 14 februari, Delft
Het was natuurlijk naïef van me, maar voordat wij kinderen kregen, zag ik toch voornamelijk baby’s voor me. Over wat er na die babytijd kwam, dacht ik eigenlijk niet na. De peuter-, kleuter- en een schooltijd leken zo oneindig ver weg dat ik me daar ook nog totaal niet druk over maakte, er zelfs niet eens aan dacht.
Dat dit een zeer beperkte opvatting was, bleek natuurlijk al snel. Die babytijd stelde uiteindelijk eigenlijk helemaal niets voor. Voordat je het weet zet een kind zijn eerste stapjes en brabbelt het zijn eerste woordjes.
Daarmee ontpopte zich voor mij een ander probleem. Die babytijd was voor mij heerlijk. Het kind ligt op bed en als hij eruit is, ligt hij in de box of zit hij bij je op schoot. Niets aan de hand. Maar een kind dat gaat lopen, die zijn eerste stapjes zet, dat betekent vallen en opstaan. Tafelranden zijn scherp, de vloer hard. Dan komen er ook nog tandjes. In die tijd bemerkte ik voor het eerst dat ik een bezorgde vader was, een overbezorgde vader. Een ziekelijk bezorgde vader, mag ik wel zeggen.
Ik had me nooit gerealiseerd dat het leven zoveel bedreigingen kende. Overal liggen gevaren op de loer, zelfs in je eigen keuken en woonkamer. En dan worden kinderen natuurlijk ook nog ziek, negenendertig graden koorts, veertig graden koorts. Opeens betrapte ik me erop dat ik een huisarts aan het bedreigen was die niet wilde komen. Ik zei het al: ziekelijk bezorgd.
In die tijd daalde het besef in: die bezorgdheid gaat nooit meer over. De puberteit is voor mensen als ik natuurlijk helemaal een hel. Vooral met de dames die ik had, want die gingen onvervaard de grote mensen wereld ontdekken, ze sloegen geen aspect over.
Ik realiseerde me best dat ik onheil toch niet kon voorkomen, hoe ik ook mijn best deed. Komt het onheil niet van links, komt het wel van rechts. Als bezorgde vader kon je er gek van worden, en dat wilde ik natuurlijk óók niet. Gelukkig hadden ze een moeder en later een stiefmoeder die mijn bezorgdheid met flegma en spot te lijf gingen.
Vroeger dacht ik nog dat mijn ziektebeeld wel minder zou worden als ze de deur uitgingen. Niet dus. Nou ja, enigszins, onderhuids blijft die bezorgdheid altijd zeuren. Soms vlamt die bezorgdheid op, zoals de afgelopen week. Anne (38) heeft drie maanden een sabbatical en reist in die tijd door Azië, te beginnen in Sri Lanka. Ze had het daar erg naar haar zin en bleef er wat langer dan oorspronkelijk haar bedoeling was.
Na ongeveer vier weken voelde ze zich niet lekker. Dat niet-lekker-voelen, werd al snel hartstikke ziek. De dokter constateerde meteen dat ze dengue had opgelopen, een virus dat je krijgt door een steek van de tijgermug. Anne, en wij allen om haar heen, weten inmiddels dat het een verrekt beroerde ziekte is. Het is een regelrechte aanval op lijf, leden en gemoed.
Dan zit je hier als ziekelijk bezorgde vader in Nederland. Anne meer dan achtduizend kilometer van ons vandaan. Ze werd gelukkig opgenomen in een gespecialiseerd ziekenhuis. Dat nam niet weg dat ze steeds zieker werd. Het aantal bloedplaatjes, dat normaal tussen de 400 en 150 moet zitten, daalde bij Anne van tweehonderd naar vierendertig en meer van dit soort alarmerende waarden. Het enige wat ze nog kon doen was slapen. Opstaan mocht überhaupt niet. Gelukkig lag ze aan het infuus.
‘An, ik vind dat wij moeten komen.’
‘Nee, dat is echt niet nodig. Je kunt hier niets doen. Het enige waar ik wat aan heb zijn doktoren en die zijn hier. Ze houden me goed in de gaten. Echt. De zorg is hier prima. Ik krijg twee keer per dag een scan, vier keer per dag wordt mijn bloed getest. Ik hang nu op, hoor. Ik ben zo moe.’
Vrijdag de dertiende is een gelukkige dag. Voor het eerst gaan de waarden in haar lichaam omhoog. Ze heeft verschrikkelijke jeuk aan voeten en handen, maar dat alles betekent herstel. Eindelijk herstel. Het woord herstel is muziek in de oren van een ziekelijk bezorgde vader.
Journal d’images
Jutten
Nederlands Fotomuseum
Vrijdag 13 februari, Delft
Visueel feest
Donderdag 12 februari, Delft
Wyb en ik hebben de goede gewoonte om op een dag dat Wyb vrij heeft naar een of ander museum te gaan. Gisteren was dat een museum waar ik al lang op zit te wachten: het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam. Afgelopen zaterdag opende het museum zijn deuren, nadat de opening door bestuurlijke ellende een paar keer was uitgesteld.
Een tijdje geleden bezong ik al de lof over migratiemuseum Fenix in Katendrecht pal tegenover de Kop van Zuid. Zowel architectonisch als inhoudelijk een nieuw Nederlands topmuseum. Voor het Nederlands Fotomuseum, tweehonderd meter van Fenix vandaan, doe ik nu hetzelfde. Beide musea zijn gevestigd in voormalige pakhuizen. Met inventieve architectonische toevoegingen zijn fantastische gebouwen gerealiseerd, met zeer interessante collecties.
Als fotoliefhebber word ik sowieso verwend in Nederland. We hebben maar liefst vier uitstekende fotomusea. Voor wie geïnteresseerd is: in Amsterdam heb je FOAM en het Huis Marseille, beide musea liggen op loopafstand van elkaar. In Den Haag is er Fotomuseum Den Haag. Alle vier de musea zijn meer dan een bezoekje waard.
Maar goed, gisteren dus voor het eerst naar het Nederlands Fotomuseum. Het was een luizige woensdagochtend in februari, een dag zonder kraak noch smaak. Het zal wel rustig zijn, dachten wij. Maar dat viel tegen. Toen we aankwamen lopen stond er al een rij van zo’n vijfenzeventig meter voor het museum.
Eenmaal binnen leek het gebouw een bijenkorf. Overal zoemden mensen langs de panelen. Wat daarbij opviel: het waren allemaal senioren. Tijdens onze museumbezoekjes vergelijk ik al die op drift geraakte senioren wel eens met een sprinkhanenplaag. Geef ze iets cultureels en ze springen er met z’n allen op af en grazen met gretigheid.
Waarbij ik me meteen afvraag: wat moet er gebeuren als de huidige boomergeneratie er niet meer is? Musea en theaters komen hopeloos leeg te staan. Ik noem dit ook wel het operette-fenomeen. Toen ik vijftig jaar geleden (ouwe lul vertelt) in het theater ging werken, was de operette ontzettend populair. Als je een voorstelling boekte, kon je die gerust drie dagen boeken en elke avond zat het vol met mensen met een permanentje. Langzaam heb ik ze zien verdwijnen. Drie voorstellingen werden er twee, toen een. En uiteindelijk bleek iedereen die gek was op operette uitgestorven. Een tragisch gegeven. Maar de vraag blijft: wie vult het gat op dat die boomers gaan achterlaten? Er is geen generatie die zo cultuurbelust is.
Het Nederlands Fotomuseum is een feest. Wat een rijkdom! Voor wie van fotografie houdt, is het één grote snoeptrommel. Ik weet zeker dat ik hier vaak zal komen. Even een korte inhoudsopgave.
Op de begane grond is een bibliotheek, een koffiecorner en een winkel in fotoboeken die je heel gretig maakt. Nee, Blogger, niks kopen. Wyb moet bijna geweld gebruiken om mij tegen te houden.
Op de eerste verdieping is de Eregalerij van de Nederlandse Fotografie, een permanente tentoonstelling met 99 iconische beelden die de geschiedenis van de fotografie in Nederland vanaf 1842 tot nu vertellen.
Op de tweede verdieping een overweldigende uitstalling van de 6,5 miljoen foto’s die het museum in zijn collectie heeft zitten. Uiteraard gaat het hier om een selectie.
Een verdieping hoger is er de tentoonstelling: Rotterdam in focus. En op de daaropvolgende verdieping zijn fotografische objecten te zien en de tentoonstelling Ontwaken in blauw. Die verdieping gaan we een volgende keer bekijken. Het visuele feest is overdonderend, je zou er bijna het syndroom van Stendhal van krijgen.
Journal d’images
Smoking
Woensdag 11 februari, Delft
Even vooraf: ik heb niets met mode of kleren in het algemeen. Ik draag eigenlijk altijd middle of the road. Ik koop vooral praktische kledingstukken bij Uniqlo: goedkoop, prima kwaliteit, praktisch, allemaal basics. Ik draag ze tot er gaten in vallen of ze echt niet meer schoon te wassen zijn. Mijn favoriete kleuren zijn vooral saai: blauw, groen, bruin.
Wyb zegt vaak: ‘Je ziet er weer uit als een echte geschiedenisleraar,’ als ze vindt dat ik te saai gekleed ben. Nou, dan verloochen ik mijn afkomst niet. Niet voor niets ben ik opgeleid als leraar Nederlands en geschiedenis. Ik ben drie maanden in het onderwijs werkzaam geweest, maar blijkbaar heeft dat beroep toch een blijvende invloed op mijn kledingstijl gehad.
Mensen die zich artistiek kleden: ik heb er niets mee. Hetzelfde geldt voor mensen met een artistieke bril. Kleren maken de man. Maar door kleren word je echt niet artistiek. Eerder potsierlijk. Maar dat maakt mij niet uit. Lekker doen. Als ik het maar niet hoef te dragen.
Dan nog even over de kwantiteit van mijn kleren. Mijn hoeveelheid kleren past op twee planken van een Ikea-kast. Van elk kledingstuk heb ik hoogstens vier stuks. Als ik er twee heb gedragen, gaan ze in de was, anders kom ik mogelijk zonder te zitten.
Je ziet: mijn voetafdruk op aarde is niet alleen beperkt omdat ik geen biologische kinderen op aarde heb gezet, maar ook omdat ik een sober mens ben. Zo doe ik bijvoorbeeld niet aan outdoorkleding. Waarom trekken mensen kleren van de Bever aan als ze uit wandelen gaan? Om met de dichter J.C. Bloem te spreken: ‘En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant. Een heuvel met wat villaatjes ertegen.’ Alles in Nederland is te bewandelen in mijn spijkerbroek.
Dus ik wil verder geen opmerkingen hebben dat ik toch nog even terugkom op die smoking. Ik vind smokings ook belachelijke dingen, zo niet meer van deze tijd. Maar toch vond ik het leuk hem weer eens te dragen.
Vandaag moest ik de smoking terugbrengen bij een nette dame die best vaak met de hoogste kringen in dit land converseert. Dat merk je gewoon.
‘En? Was de kleding naar tevredenheid?’
‘Zeker,’ zei ik, ‘het was voor de eerste keer dat ik een smoking had die lekker luchtig droeg.’
‘Fijn.’
‘O ja, één dingetje, de knoop achter het rechtervoorpand zit erg los. Misschien moeten jullie die vastzetten voordat hij eraf valt.’
‘Meneer, dat gaan we zeker niet doen. Dat hoort namelijk zo. Dat heet in ons vak een vreethaak.’
Ze legt het jasje op de toonbank en knoopt het jasje dicht met die losse knoop. En verdomd: als je het jasje op die manier vastmaakt, heb je opeens meer ruimte om je buik te vullen met eten.
‘Nooit geweten,’ zeg ik. ‘Wat handig.’
De dame knikt mij vriendelijk toe. Ook oudere dames kunnen aantrekkelijk zijn, heb ik altijd gevonden.
‘Heeft u het bonnetje bij u waarmee u uw borg terugkrijgt?’
Ik overhandig het bonnetje en krijg mijn honderd euro borg terug.
Journal d’images
Toch leuk dat er ook een ober was.
Hans W.
Dinsdag 10 februari, Delft
Het zal het najaar van 2018 zijn geweest. Frank Boeijen treedt op in Ogterop, het theater van Wyb. Het is in de loop van de jaren traditie dat ik er ben als Frank optreedt. Dat was al zo toen ik zelf nog directeur was in Leeuwarden en dat heb ik in Ogterop voortgezet.
Frank en ik kennen elkaar nog uit onze jeugd. We hadden zo’n beetje dezelfde vriendengroep en bezochten dezelfde jeugdhonken. Ik denk dat ik bij het eerste concert van de Frank Boeijen Groep ben geweest op de Waaldijk in Lent. Was het niet het eerste concert, dan zal het het tweede zijn geweest.
Frank is in goeden doen. Dat is wel eens anders geweest. Soms was hij er wel, maar was toch volstrekt afwezig, stoned als een garnaal, noemden we dat vroeger. Ik maakte mij dan als theaterdirecteur zorgen of het wel goed kwam met zijn optreden. Kun je in zo’n staat wel een concert geven? Ja dus.
Als we zo bij de kleedkamers staan te ouwehoeren, komt er een lange man binnen. Hij komt me vaag bekend voor.
‘Hans!’ roept Frank enthousiast.
Dan zie ik het. Het is Hans W., ik ken hem nog uit mijn Nijmeegse tijd.
‘Verdomd, Hans W.’ roep ik ook enthousiast.
Hij kijkt me aan. ‘Gerard T.’
Hans was poprecensent bij het Nijmeegs Dagblad – bestaat het nog? – en samen schreven we ooit een popnota voor Nijmegen. Nou ja, hij schreef en ik deed ook iets, waarschijnlijk faciliteren; ben ik altijd goed in geweest. Ik heb een vaag beeld van zijn kamer in In de Betouwstraat: een enorme wand met platen en hij had een ontzettend leuk dribbelhondje dat hem overal volgde. Ik verliet Nijmegen en we verloren het contact. Gek genoeg moest ik nog regelmatig aan hem denken. Nijmegen was voor mij ook Hans W..
Die avond hebben we het vast veel over Nijmegen gehad. Hans, dat wist ik trouwens, had een boek over de teksten van Frank geschreven. Tot mijn verwondering bleek hij samen met zijn vriendin Jolenta in Hasselt te wonen, niet ver van Meppel. We spraken een paar keer af – of was het één keer? Ik weet het niet meer. In ieder geval weet ik dat wij de wens uitspraken naar Frankrijk te gaan en Hans en Jolenta naar Spanje.
Lange verhalen kort: aldus geschiedde en we verloren elkaar weer uit het oog. Totdat ik gisteren een emoticon van Hans ontving: twee handen in dankvorm, hij bleek af en toe mijn blogs te lezen en reageerde op het vorige blog Première. Een goede aanleiding om weer eens contact met hem op te nemen, vond ik, en stuurde een mailtje. Hoe het met ze ging? En of ze nog in Spanje woonden?
En hij antwoordde me, en daarom schrijf ik dit blog: ‘Wij wonen alweer een jaar of drie in Spanje, bijna geheel off grid in de bergen, zo’n 40 km van de toeristische kust. We hebben hier twee hectare bos en olijfgaard midden in een natuurgebied, dus zijn verzekerd van rust en stilte. Jolenta gaat nog wel eens terug naar Nederland om haar oude moeder te bezoeken, ik ben er al drie jaar niet meer geweest.’
We hebben allebei ongeveer hetzelfde pad gevolgd. Twee Nijmeegse jongens die via wat omzwervingen in het buitenland gaan wonen. Hij een bos en een olijfgaard; ik een berg met een bos. Er is echter één groot verschil: hij is er gebleven en is er blijkbaar goed geworteld. Iets wat mij niet is gelukt – ik ben een mislukte kluizenaar en reis heen en weer tussen berg en Delft. Het is toch hinken op twee gedachten.
Journal d’images
Première
Maandag 9 februari, Delft
Gisteren naar de première van de musical Willem van Oranje geweest. Mijn eerste impuls toen ik de uitnodiging voor de première ontving: de kaartjes omruilen voor een gewone voorstelling. Ik hou niet van premières. Dat heeft diverse redenen. Belangrijke reden is dat de première meestal niet de beste voorstelling is. Iedereen staat stijf van de zenuwen, zie dan maar eens lekker te spelen.
Andere reden: het premièrepubliek is het meest beroerde wat er bestaat. De zaal is voor een belangrijk deel gevuld met beroepskijkers: vakgenoten, recensenten en andere diehards. En mijn ervaring is – ik bezocht tientallen premières in mijn leven – dat dit het meest vervelende publiek is. Het is geteisterd door te veel kijken, blasé en cynisch worden zijn dan bijna onvermijdelijk. Bovendien is theaterkijken ook een modieus gebeuren. De inner circle weet tamelijk precies wat goed en slecht is en wauwelt elkaar graag na, stel dat je een verkeerde mening hebt en uit de boot valt.
De belangrijkste reden waarom ik niet van premières hou, is dat ik een hekel heb aan het gedoe eromheen: de small talk, ons kent ons, opgelegd pandoer. In dit geval bijvoorbeeld: dresscode black tie. Wyb zorgde ervoor dat ik de kaartjes niet ruilden. Wyb vat het leven lichter op dan ik en houdt wel van een première. Ze ontnam mij mijn wapens met de opmerking ‘Och, jij ziet er altijd tegenop, hebt altijd allerlei bezwaren, en als je er bent vermaak je je prima.’ Ik kon het niet ontkennen.
Ze benadrukte: ‘We gaan er lekker heen.’ Ik gaf me over.
Dan gaan we het ook goed doen, dacht ik, en besloot zowaar een smoking te huren. Lang geleden had ik zelf een smoking. Het was een totale miskoop. De smoking was gemaakt voor de winter, of zoiets. Hij was in ieder geval van een nare, dikke stof en elke première zat ik onaangenaam te zweten. Nu huurde ik zo’n ding bij een gerenommeerd Haags verhuurbedrijf, een genot om de winkel te bezoeken. Ik wed dat Couperus er ooit zijn smoking heeft gekocht. Het ding zat echt als gegoten. Ik stuurde een foto van mijn werkkleding naar Anne, die ziek op bed in Sri Lanka ligt, en haar reactie: ‘Je lijkt hier echt weer een directeur.’ Nou, dat krijg ik ook niet elke dag te horen.
Dat ons theaternetwerk is opgelost, is duidelijk. Behalve Wolter, de aanstichter van dit hele gebeuren en mijn oude zakenpartner, kwamen we vóór de voorstelling niemand tegen die we kenden. We liepen door een massa mensen in gala, iedereen onbekend. Wat heerlijk. Tijdens de voorstelling bemerkte ik dat ik het beroepskijken goed achter me had gelaten. Ik kon onbevangen kijken en zag een voorstelling waarvan veel te genieten valt. De techniek is echt spectaculair, de montage benadert het tempo van een Netflixfilm. De voorstelling nam mij zonder terughoudendheid mee en ik vind het alleen daarom al een aanrader. Wie hier heengaat, krijgt beslist geen spijt.
Natuurlijk viel er wat op aan te merken. De voorstelling is gewoon te lang. Er hadden best zes, zeven liedjes uit gekund. Dat had de voorstelling compacter gemaakt. Jammer ook dat de chronologie van de geschiedenis rond Willem belangrijker was dan de psychologie, een dramaturg had hier goed werk kunnen doen. Nee, laat ik niet vervallen in mijn handicap van beroepskijker. Bovenal is er de bewondering voor het realiseren voor zo’n groot en rijk spektakel waarvoor zelfs een speciaal theater is gebouwd. Petje af. En dit alles twee kilometer van ons huis vandaan.
Journal d’images
En dan zit dat verdomde strikje toch weer scheef.
Journal d’images
Jutten in Den Haag
Zondag 8 februari, Delft
A dirty mind is a joy forever.
Geschreven door mijn grote vriend J.C. Bloem, helaas lang geleden overleden.
Ter ere van de grote meester.
Laten we met z’n allen uitkijken naar Konijn.
Toneel
Zaterdag 7 februari, Delft
Ik heb nauwelijks nog contacten in de toneelwereld. Met een rigoureuze stap richting Frankrijk ben ik zeven jaar geleden uit mijn theaternetwerk gestapt.
Er zijn drie mensen waar ik nog regelmatig contact mee heb. Dat is mijn voormalige kompaan en tevens oud-hoofd marketing van De Harmonie en tegenwoordig producent van megaproducties, de lezer zal deze week nog van hem horen.
Verder is er een oud-collega die ook zakelijk leider was bij een groot toneelgezelschap. Tegenwoordig geeft hij les aan vluchtelingen. Zo nu en dan spreken we met elkaar af.
De derde persoon is Wyb. Ik doe haar eigenlijk geen recht door haar een persoon uit mijn voormalig netwerk te noemen, al is dat feitelijk wel het geval. Inmiddels heeft zij alle mensen uit mijn toenmalig netwerk vervangen en hebben wij een soort symbiotische verhouding die inmiddels al meer dan vijfentwintig jaar duurt. Je zou kunnen zeggen dat wij beiden onze netwerken hebben ingeruild voor elkaar. Ik heb er geen spijt van. Wyb volgens mij ook niet. Overdag zijn we vrijwel onafscheidelijk en ook de nachten brengen we samen zij aan zij door. Behalve de nachten waarin Wyb nachtdienst heeft. Dat leed wordt enigszins gecompenseerd door een fijne toeslag op haar salaris.
Gisteren had ik een afspraak met die oud-collega zakelijk leider. Ik had de koffie nog niet ingeschonken of we waren het erover eens dat wij niemand aanraden ooit zakelijk leider te worden.
‘Denk je er met geen enkel plezier meer aan terug?’ vraag ik.
‘Nee, eigenlijk niet. Ik vond het een hondenbaan. Je bent een soort herdershond die rond de artistieke meute moet rennen in de hoop dat ze de richting uitgaan die jij met ze hebt afgesproken. En jij?’
‘Nee, ik eigenlijk ook niet. Al kon ik erg goed met Matthijs opschieten. Ik vond het een genot om met hem te werken. Zo hebben we nooit ruzie gehad, al verschilden we regelmatig van mening.
Weet je wat het is, als zakelijk leider ben je overal voor verantwoordelijk, behalve voor datgene waar het om gaat, de voorstelling. Ik heb vaak knarsetandend naar voorstellingen zitten kijken en mijn handen jeukten om in te grijpen. Ik had de voorstelling echt beter kunnen maken als ik veel van die artistieke fuss had mogen schrappen.’
‘Weet je wat het probleem is met toneel? Te veel mensen bemoeien zich ermee. Het resultaat is eigenlijk altijd een compromis van een compromis. Daarom houd ik zo van literatuur. De schrijver kan vrijwel autonoom zijn teksten schrijven, begeleid door een redacteur. Wil je nog een kop koffie?’
‘Graag. Weet je wat het is? Toneel is gewoon een te lomp medium om mee te communiceren. Je hebt mensen op toneel nodig en mensen achter de schermen, een heel artistiek team, een compleet theater. Publiek dat slechts op bepaalde momenten kan komen kijken. Dat is toch achterhaald? Alleen door overheidssubsidie blijft het op de been. Maar die onhanteerbaarheid straft zichzelf. Het is inmiddels een gemarginaliseerde kunstvorm. En dat allemaal voor een kleine groep diehards.’
‘Die subsidiëring is nog wel het ergste. Daar ging mijn meeste tijd inzitten om die te verkrijgen en te behouden. En wij maar die subsidiënten naar de mond praten om dat geld te krijgen. Ik vond het vernederend.’
‘Wat zou jij worden als je het nog eens over mocht doen?’
‘Ik zou een groothandel beginnen in een volstrekt oninteressant product, zo iets als schroeven en moeren. En jij?’
‘Documentairemaker.’
Journal d’images
Luchtrivier
Vrijdag 6 februari, Delft
De dichter Marsman dichtte: Denkend aan Holland/zie ik brede rivieren/traag door oneindig/laagland gaan. Als ik het gedicht lees, moet ik als Nijmegenaar natuurlijk altijd aan de Waal denken. Ik heb best veel rivieren gezien in de wereld, maar de Waal is nog steeds de mooiste. Wel een kleine kanttekening daarbij, de Waal is alleszins traag. Ik zou hem eerder machtig, zelfs majesteitelijk noemen. De Waal stuwt zich door het laagland.
Vandaag krijgt het begrip rivier een nieuwe dimensie voor me. In NRC, onder de kop ‘Luchtrivieren zorgen voor recordregen in Andalusië’, lees ik: ‘Niet ter land, maar boven zee en in de lucht vindt op aarde het meest omvangrijke watertransport plaats. Zogeheten atmosferische rivieren, duizenden kilometers lang en honderden kilometers breed, vervoeren enorme hoeveelheden waterdamp van de tropen naar kustgebieden.’ Deze rivieren worden dus ook wel luchtrivieren genoemd.
In het zuiden van Spanje stort deze week zo’n luchtrivier naar beneden. Vrienden van mij zitten in Andalusië op een berg en kunnen door de regenval er niet meer afkomen. Zo’n luchtrivier vervoert even veel water als de Amazone, de grootste ‘normale’ rivier ter wereld. Maar nu niet schrikken: van deze luchtrivieren stromen er doorgaans zo’n acht tegelijk door de atmosfeer. De Waal verbleekt erbij.
Op de voorpagina van NRC staat trouwens een rivier van woorden. NRC drukt er een gedicht af van onze nieuwe Dichter der Nederlanden, Mbarki Ben Ayad. Het gedicht heet Beginselverklaring en is, evenals een luchtrivier, een mateloze rivier.
In principe houd ik niet van mateloze kunst. Ik verdenk mateloze kunst eigenlijk vaak van gemakzucht. Misschien ten onrechte, maar bij het lezen van een mateloos gedicht, of een mateloze voorstelling, komt die gedachte altijd bij mij op.
In Beginselverklaring komen Engelse en Franse woorden voor, zelfs woorden die geschreven zijn in, wat ik vermoed, Arabisch. Het mondiale karakter spreekt me aan omdat het Geert Wilders en trawanten zal provoceren, maar voor het gedicht werkt het fnuikend. Zoals zo vaak bij mateloze kunst verlies ik mijn aandacht. Ik verdrink in de stroom woorden. Mijn voorliefde ligt bij dichters als Van Schagen, Hussem en Armando: eenvoud.
In het gedicht Beginselverklaring staan wel enkele mooie zinnen. Ik haal ze hieronder even wreed uit hun context:
‘het gezicht in de spiegel zal een geschiedenis/schrijven/bruin en vrouwelijk’
‘elk woord heeft naast een prijs een schaduw/in de schaduw herkennen we elkaar’
‘we zijn generaties flinterdun rookvlees’
‘ouders keren naar hun geboortegrond en lachen als/kinderen’
Voor wie niet weet wat die / tussen de woorden doen: die geven aan dat in het gedicht een nieuwe regel begint. Die / heet trouwens een Duitse komma of slash.
Journal d’images
Strijdlust
Donderdag 5 februari, Delft
Ik zit wat voor de tv te zappen. Zo kom ik bij het programma RTL Tonight (babbelbabbelbabbel). Normaal zou ik meteen doorzappen, maar wat zie ik: Máxima staat in militair gevechtstenue in gelid. Dan een beeld dat ze op een stormtoren klimt. Vervolgens het beeld dat ze een revolver op iets richt. Het laatste beeld: ze wrijft haar gezicht in met camouflagekleuren. Beau is buiten zinnen. Wie heeft een koningin die dit allemaal zomaar doet? Het is een vrouw met ballen, hij prijst haar de hemel in. Die ballen zijn niet zijn woorden, hoor, het is mijn interpretatie van zijn enthousiasme. Hij had het graag willen zeggen, dat hoorde ik wel.
Ik haal mijn schouders op. Hoe desperate moet je als land zijn om je koningin zo gek te krijgen? Zo dochter, zo moeder. Beiden zijn nu actief in het Nederlandse leger als reservist. Dat is niet voor niets natuurlijk: dat gammele leger van ons moet eerst groeien tot 100.000 mensen, uiteindelijk moet het een leger worden van 200.000 manschappen.
Ik heb er eerlijk gezegd geen enkele fiducie in. Wie in Nederland onder de veertig gaat met tien graden onder nul door loopgraven kruipen? Er is niet eens een douche! En stel dat het festivalseizoen begint, wie blijft dan luisteren naar de commando’s van een of andere schreeuwlelijk? Krijgen onze jongens vrij als de Vrienden van Amstel plaatsvindt? Vast niet. Dat wordt grootschalige desertie.
Strijdlust? Weerbaarheid? We kennen het niet. We zijn te hoog op de piramide van Maslow geklommen om daar nog mee bezig te zijn. Al die jongens en meisjes die de vijand buiten de deur moeten houden: op de kleuterschool werden ze al met bakfietsen vervoerd, als ze naar hockey gingen bracht papa of mama ze met de auto. Ik zie ze echt niet naar het front marcheren. Veertig kilometer in formatie? Koude voeten, blaren, kunnen we niet een Uber bestellen?
Ik denk dat Nederland alleen goed is in het zichzelf overgeven. Stel de Amerikanen of de Russen vallen ons land binnen. De eerste dag zullen er over en weer beleefde beschietingen zijn. In de tussentijd vliegt het Koningshuis naar Argentinië om in ballingschap te gaan. Daarna zwaait premier Jetten met de witte vlag. ‘Stop, stop, we geven ons over!’ Om het zo echt mogelijk te laten lijken, wordt hij in hechtenis genomen.
Thierry Baudet meldt zich diezelfde dag nog bij Poetin of Trump (het is lood om oud ijzer) dat hij op vrijwillige basis wel stadhouder van Nederland wil worden. In zijn sollicitatiebrief vermeldt hij dat Seyss-Inquart zijn grote voorbeeld is, en dat bevalt beide heren wel.
Daarna gaan we weer lekker ouderwets polderen. Natuurlijk mag meneer Poetin Nederland innemen, als de hypotheekaftrek maar niet wordt afgeschaft, daar hechten we in dit land nogal aan. Evenals de rust in de portemonnee en de subsidie op de brandstof.
Of wij het erg vinden als het onderwijs wordt gerussificeerd? Totaal niet, er zijn toch steeds meer mensen die het Nederlands niet kunnen lezen en schrijven. En vinden we het niet erg als de Nederlandse geschiedenis wordt vervangen door de Amerikaanse geschiedenis? Volstrekt niet, meneer Trump, geschiedenis hadden we sowieso als vak al afgeschaft. Al die oude verhalen. Fijn als er eens nieuwe verhalen worden verteld.
In Argentinië wordt tijdens de barbecue hard gelachen als ze weer eens de herinnering ophalen dat zowel Máxima als Amalia soldaatje speelden. ‘Och ja, we moesten er iets voor over hebben. Weet je nog dat die Beau zo enthousiast was?’ ‘Dat noemden ze toen hermelijnkoorts,’ weet Willem-Alexander zich te herinneren. ‘Wie wil nog een braadworst?’
Journal d’images
Handdoekje
Woensdag 4 februari, delft
Als je ouder wordt, kom je voor rare dilemma’s te staan. Weinig verheffende dilemma’s ook. Zo sleep ik mij twee tot drie keer per week naar de gym. Ik weet namelijk maar al te goed dat, als ik op die stoel blijf zitten met een boek, ik deze wereld veel te snel als een plumpudding ga verlaten. Een te groot deel van mijn tijd gaat in deze levensfase in feite op aan pogingen om de dood zo lang mogelijk uit te stellen. Een gevecht wil ik het niet noemen, dat klinkt te heroïsch voor de hulpeloosheid van mijn pogingen.
Misschien goed dat ik die gym even beschrijf. Het is geen grote hal waar mensen met jaloersmakende lijven zich in het zweet staan te werken. Mijn gym is een soort grote huiskamer waarin een tiental apparaten staan waar mensen van mijn leeftijd heen schuifelen en die dan in beweging proberen te krijgen. Anne, als fanatiek fitnessbeoefenaar, wilde graag mee om dit gehannes een keer te zien. Maar mijn schaamte is te groot om te zeggen: ‘kom maar eens kijken.’
Door al dit gedoe sta ik voor het volgende dilemma. Nadat ik twee of drie keer was geweest merkte ik pas dat mijn leeftijdsgenoten allemaal een handdoekje met zich meeslepen. Als ze naar een nieuw apparaat gaan – en dat gebeurt om de minuut, want zo zijn ze afgesteld, wij maken een soort rondedans – draperen ze hun handdoekje op het zitvlak van het apparaat.
Dit riep bij mij twee vragen op. Waarom? En: moet ik nu ook zo’n handdoekje meenemen? Eerst even over de waaromvraag: welk probleem lost zo’n handdoekje nu op? Het zijn allemaal zeer propere mensen. Hun trainingsbroeken zien er niet ongewassen uit en ik zie niet dat ze zich dusdanig inspannen dat het zweet door hun bilnaad gutst en op het apparaat belandt. Dus: waarom?
Vraag twee, moet ik ook een handdoekje meenemen? Is het handdoekje onderdeel van een stilzwijgende afspraak om te laten zien dat je er echt bijhoort? Vindt men mij misschien doodgewoon een viezerik omdat ik zonder handdoekje op zo’n apparaat zit? Blijven mensen misschien wel weg als ze mij daar zonder handdoekje zien fitnessen? Bang voor enige besmetting of onreinheid?
Ik ben er nog niet uit. Mijn voorlopige conclusie is dat het een vorm van truttigheid is, een kwestie van misplaatste hygiëne, waar het Nederlandse volk sowieso aan lijdt. Het wordt de hoogste tijd dat we ons realiseren dat de mens ongeveer tussen de 30 tot 40 biljoen bacteriën bij zich draagt. Dit aantal is grofweg gelijk aan het totaal aantal menselijke cellen in een lichaam. In totaal gaat het om zo’n duizend verschillende micro-organisme. Goed beschouwd zijn mensen een soort lopende megastal voor het in leven houden van bacteriën.
Even een kleine nuance bij het fenomeen handdoekje. Uit de tijd dat wij nog naturistisch kampeerden, liepen wij ook met een handdoekje rond. Als je dan op een terrasstoel ging zitten, of op een stoel bij het zwembad, dan legden we daar een handdoekje op. Logisch, want je wilt niet dat er eventuele kakstrepen op stoelen achterblijven. Maar in de gym is daar geen sprake van. Ik neem aan dat iedereen onder zijn trainingsbroek een onderbroek aan heeft, dus van eventuele poepstrepen kan geen sprake zijn. Al zijn er misschien wel mensen bij die aan een ernstige ziekte lijden. Maar dat zullen toch niet alle mensen in mijn gym zijn?
Journal d’images
Ontworteld
Dinsdag 3 februari, Delft
We rijden begin januari terug uit Cadouin naar Delft. Rond half tien ’s avonds, ter hoogte van Rotterdam en bijna thuis, vraag ik Wyb: ‘En? Hoe vind je het om weer naar huis te gaan?’
‘Raar,’ zegt Wyb, ‘Delft… ik kan me nog steeds niet voorstellen dat we in Delft zijn beland. En jij?’
‘Ik heb het gevoel dat we daar even zijn geparkeerd. Ons huis voelt als thuis. Maar Delft? Nooit gedacht dat ik ooit in Delft zou gaan wonen. Maar dat heb je ervan als je, zoals wij, ontwortelde mensen zijn. Dan heb je de kans dat je overal en nergens terecht kan komen.’
Nijmegen is mijn biotoop; Groningen voelt ook als een biotoop. Delft voelt als ver weg. Tot mijn zeventigste was dat een andere wereld: de Randstad. Wyb en ik hebben beiden nooit in de Randstad gewoond. De Randstad is druk, de Randstad is file, de Randstad is arrogantie. En opeens belanden we toch in de Randstad.
Na zesentwintig verhuizingen in mijn leven weet ik dat ik overal kan wonen en mij overal gelukkig kan voelen. Om een misverstand te voorkomen, dat kan ontstaan door de eerste alinea: wij hebben het buitengewoon naar onze zin in Delft. Het is een vriendelijk stadje en we genieten van de voordelen van de Randstad. Rotterdam en Den Haag liggen op tien minuten treinafstand. Om het kwartier gaan er treinen rechtstreeks naar Amsterdam. Dat is wat anders dan wonen op eilanden als Leeuwarden en Groningen. Als je daar een uur in de trein zit, ben je nog nergens.
Er zijn twee dingen in Delft waar ik ontzettend van geniet. Het eerste is dat ik er echt niemand ken. In Delft ben ik volstrekt anoniem. Ik vind het een genot. In Leeuwarden ervoer ik het tegendeel: daar was ik een publiek figuur. Ik kon niet eens normaal boodschappen doen, mensen spraken me voortdurend aan om over theater te praten.
‘Dat komt omdat je publiciteitsgeil bent,’ zeiden mijn medewerkers wel eens.
Je moest eens weten hoe ik er de pest aan heb, dacht ik dan, maar het heeft weinig zin om je tegen diepgewortelde overtuigingen teweer te stellen.
Zeker, ik zorgde ervoor dat De Harmonie vaak in het nieuws kwam. Als dat een week niet gebeurde, belegden we een vergadering om iets te verzinnen. Ik vond het essentieel dat het bedrijf top of mind bleef. Voordat je het weet sukkelt een theater in slaap en wordt het een saaie en middelmatige openbare voorziening.
Het tweede waarvan ik enorm geniet, is ons huis. Ook al heb ik geen eigen werkkamer, ik heb nog nooit zo lekker ergens kunnen werken. Ik zit aan de tafel in de woonkamer, uitzicht op de gracht en de bomen tegenover ons. En door de bomen heen zie ik verderop de torens van de Oude en de Nieuwe Kerk staan. Dat prettige werken komt vast door die enorme raampartij in de woonkamer, het licht dat binnenvalt.
En het is heerlijk dat we aan de rand van het centrum wonen. Ik ben opgegroeid in de buitenwijken van Nijmegen, Hatert, Dukenburg. Nijmegen was vroeger eigenlijk een rare stad, het was een soort zak die aan de Waal hing. Ik woonde onder in die zak. Dit betekende dat ik altijd ver van het centrum woonde. Ik moest zeven, acht kilometer fietsen naar het centrum waar mijn school stond. Hier loop ik ons appartementencomplex uit en sta meteen in het centrum. En dat ook nog eens geheel anoniem – een genot, de luxe van onzichtbaarheid.
Journal d’images
Konijnenplaag
Maandag 2 februari, Delft
Voor een politieke junk als ik zijn het gouden tijden: er valt veel te genieten in het Haagse.
Eén scène heeft zich vastgezet in mijn hoofd. Het is het moment waarop Jetten, Bontenbal en Yeşilgöz naar buiten komen om aan de pers te vertellen dat ze er in principe uit zijn, en er een regeerakkoord ligt. Jetten gaat als eerste voor de verzamelde pers staan. Dan komen Bontenbal en Yeşilgöz naast hem staan. Wie goed kijkt, ziet dat Yeşilgöz zich tussen de twee mannen manoeuvreert, zodat ze in het midden staat. Dat lijkt Bontenbal te ergeren en geïrriteerd kijkt hij een paar keer schuin naar zijn buurvrouw. Verder blijft hij tijdens de korte persconferentie opmerkelijk chagrijnig – of is het vermoeidheid?
De manoeuvre blijkt een slimme zet van Yeşilgöz. De heren naast haar in hun donkere pakken steken stijf af tegen het oud-roze broekpak dat zij draagt. In deze positie lijkt het alsof zij aan de basis van deze samenwerking staat en de nieuwe premier gaat worden. De positieve vibe waarmee Bontenbal en Jetten de werkelijke basis voor deze samenwerking legden lijkt vergeten.
Sommige mensen lachen te veel. Sommigen geven aan dat lachen ook nog eens te veel karakter, waardoor ze hun cynisme of valsheid verraden. Yeşilgöz is zo iemand. Ze is opmerkelijk vrolijk, zelfs opgelucht, lijkt het. En dat is niet zonder reden.
‘Tante Dilan is opeens bekeerd tot de redelijkheid,’ zeg ik tegen Wyb. ‘Wat is ze blij dat ze is ontsnapt uit het moeras van het vorige kabinet.’ Eigenlijk vind ik dat Yeşilgöz op het strafbankje had moeten zitten achter Bontenbal en Jetten. Hier staat een vrouw vrolijk te doen die Nederland drie jaar lang politiek verlamde.
Eerst blies ze met een leugen kabinet Rutte IV op. Daarna zette ze de sluizen voor de PVV open door te zeggen dat zij de PVV niet uitsloot. Daarna smeedde ze met Wilders een kabinet waarin ze elkaar de tent uitvochten, bemand door incompetente brekebenen. Eigenlijk is Yeşilgöz een soort politieke vandaal, die gedijt bij onrust en puinhoop.
En dat is nog niet afgelopen, als ik de minderheidscoalitie zo zie staan. Voor hetzelfde geld had Nederland de komende vier jaar een superstabiel meerderheidskabinet kunnen hebben. Maar Yeşilgöz koos, door GroenLinks/PvdA uit te sluiten, voor het redden van het hachje van de VVD, dat weggevaagd dreigde te worden. Partijbelang boven landsbelang, opnieuw een vandalistische daad.
Ik voorspel dat deze move Nederland opnieuw in jaren van gedoe en geploeter zal storten. Het konijn uit de hoed voor Omtzigt was het buitenparlementaire kabinet. Het konijn uit de hoge hoed voor Jetten is het minderheidskabinet. Experiment na experiment. De hoedster van deze konijnenplaag is de vrouw in het oud-roze broekpak die impasse na impasse veroorzaakt.
Na de presentatie van het definitieve coalitieakkoord blijkt trouwens dat Bontenbal en Jetten daar weliswaar in hun donkere pakken stonden, maar dat zij in feite door Yeşilgöz waren uitgekleed. Het door haar zo gewenste rechtse kabinet is een feit: de politieke chaos krijgt een vervolg. Ze blijkt daar niet voor niets in het midden te hebben gestaan.
Journal d’images
Ballenjongen
Zondag 1 februari, Delft
Voetbal interesseert me geen ene bal. Ik ben al vijftig jaar niet meer naar een voetbalwedstrijd geweest en ik zit nooit op zondagavond met een bord op schoot naar Studio Sport te kijken. Het massaal afsteken van vuurwerk door dat voetbaltuig: wedstrijd meteen afbreken. Hetzelfde geldt voor gooien van bananen en roepen van oerwoudgeluiden en meer van dat soort onzin: wedstrijd afbreken. Dat zal ze leren dat tuig.
Dat neemt niet weg dat ik nog steeds een diepe verbondenheid voel met de voetbalclub van mijn jeugd: NEC. Die verbondenheid bestaat eruit dat ik al vijfenvijftig jaar lang elke maandagochtend kijk naar de voetbaluitslagen in de krant. Als ik zie dat ze hebben gewonnen, voel ik iets van blijdschap. Bij verlies baal ik. Terwijl ik toch geen enkele speler van het huidige elftal kan noemen en niet eens weet wie de trainer is, al schijnt hij fantastisch te zijn.
Mijn verbondenheid heeft alles te maken met de glanzende carrière die ik als ballenjongen bij NEC heb gehad. Rond mijn tiende ben ik zo’n drie seizoenen ballenjongen geweest als het eerste elftal thuis speelde in dat veel te grote Goffertstadion van destijds. Het leverde me roem op bij familie, vrienden en kennissen van mijn ouders. Elke zondagavond zaten ze voor de televisie om een schim op te vangen van mij achter het goal of langs het veld. Als die schim zichtbaar was geweest, werd er druk getelefoneerd: ‘Heb je Gerardje gezien?’ Ja, iedereen had Gerardje gezien.
Wie kan zeggen dat hij met Johan Cruijff, Piet Keizer en Sjakie Swart samen op het veld heeft gestaan? Ik. Maar ook met Coen Moulijn, Willem van Hanegem en Rinus Israël. Elke zondag vormden wij ballenjongens een erehaag als de helden het veld betraden. Soms kreeg ik een hand van deze of gene. In deze functie heb ik zowel Eddie Pieters Graafland als Tonny van Leeuwen mogen aanraken, mijn keepershelden van die tijd. Wie kent ze nog? Zo zie je maar weer: roem is vergankelijk.
Mijn finest hour beleefde ik toen NEC voor de eerste keer van de eerste naar de eredivisie promoveerde. Als ballenjongen mocht ik voorop lopen in de eretocht door de stad. Honderden stonden langs de straten in het Nijmeegse centrum en ik met mijn vlag was de eerste die ze zagen. Onvergetelijke roem. Eenmaal bij De Vereeniging, waar de officiële huldiging plaatsvond, mocht ik weer met mijn NEC-vlag als eerste op het podium. Daverend enthousiasme was mijn deel.
Volgens mij moeder was ik hiervoor uitverkozen omdat mijn vader de coördinator van de ballenjongens kende. Ze hadden samen bij de post gewerkt. Zo zie je maar weer, vriendjespolitiek is overal.
Om nog één hoogtepuntje te noemen. Op een gegeven moment kwam de begeleider van de ballenjongens in de kleedkamer en zei: ‘Jongens, jullie maken vandaag iets unieks mee. Jullie mogen als eerste ballenjongens van Nederland een trainingspak dragen met reclame erop.’ En hij deelde een zwart trainingspak uit waar op de rug ‘Bankzegels’ stond. Met nog meer trots vormden wij de erehaag.
Zo’n zelfde soort trots ervaar ik nu NEC als derde in de competitie staat. Ik heb NEC ook wel eens boven aan zien staan, maar dat was na twee wedstrijden. Daarna donderden ze meteen naar beneden. Dat ze nu, na de winterstop, achter PSV en Feyenoord maar vóór Ajax derde staan, is uniek. Omdat ik mijn clubliefde nergens kwijt kan, zing ik van pure vreugde en uit volle borst het clublied maar in mijn huiskamer in Delft: ‘Weer trekken wij ten strijde, voor ons rood, groen en zwart. Vechten te allen tijde. N.E.C. wordt kampioen!’
Herlezen
Zaterdag 31 januari, Delft
Gisteren ben ik na lange tijd weer eens begonnen met het herlezen van een boek. Ik doe dat altijd met enig wantrouwen, want ik heb eigenlijk slechte ervaringen met het herlezen van boeken.
Twee jaar geleden herlas ik De Steppenwolf van Herman Hesse, een boek dat ik in mijn puberteit heb gelezen en waarvan ik lang verklaarde dat het een van de beste boeken was die ik ooit had gelezen. Je kunt jezelf bedonderen bleek, want bij herlezing bleek dat het een heel ander boek te zijn dan ik in mijn hoofd had. Gelukkig had ik het wel in een goede periode van mijn leven gelezen, want het boek is gemaakt om door pubers gelezen te worden. Wat een puberaal geneuzel.
Nog een voorbeeld dat tot teleurstelling leidde: het herlezen van Reve, wat ik nog niet zo lang geleden heb gedaan. Ik las Op weg naar het einde en Oud en eenzaam, ik vond het volkomen gedateerde boeken. Traag, zeer traag geschreven, en de schrijver was gefocust op onderwerpen die voor mij nu bijna geen waarde en betekenis meer hebben.
Ik heb het verdomme al bij het herlezing van mijn eigen boeken: volkomen gedateerd. De kinderen die ik beschrijf hebben geen mobiele telefoon, gamen niet, worden niet door hun ouders overal heengereden. Ze spelen volop buiten, ontmoeten hun vriendjes nog buiten en bouwen hutten. Kom daar tegenwoordig maar eens om.
Bij herlezing merk ik altijd twee dingen. Het boek is sec natuurlijk niet veranderd, maar de tijd tast het boek toch aan. Er gebeurt ook zo verrekte veel in ons bestaan, de wereld is zo aan verandering onderhevig. Maar misschien nog belangrijker is dat je zelf verandert. Door al die veranderingen kan een boek een andere betekenis krijgen. In feite is de lezer even belangrijk als de schrijver, beiden brengen een boek tot leven. De schrijver blijft dezelfde, maar de lezer gaat uit de pas lopen.
Dit keer kies ik ervoor een boek van J.D. Salinger te herlezen, Nine stories. Dat doe ik met vertrouwen, want dit boek heb ik twintig jaar geleden ook eens herlezen en toen stond het nog als een huis. Tot mijn grote vreugde is dat nog steeds het geval. De verhalen zijn fris alsof ze gisteren zijn geschreven. Het stomme is dat er verhalen instaan die ik volledig ben vergeten. Ook weer fijn, want hierdoor lees ik toch opeens nieuwe verhalen van Salinger.
Er is nog een nadeel aan herlezen. Ik herlees altijd met een beetje schuldgevoel. Er is nog zoveel dat ik wil lezen en een boek dat ik herlees, gaat ten koste van een ander boek, dat ik nog niet heb gelezen. In mijn hoofd zeurt een stemmetje: zonde van je tijd. Dat stemmetje wordt luider naarmate je ouder wordt.
Misschien moet je een boek inderdaad gewoon één keer lezen. Dan hoef je later je leeservaring niet bij te stellen. Het boek blijft wat het altijd was. De Steppenwolf blijft dat bijzondere boek dat zoveel invloed op mijn leven had. Reve blijft een van de grootste Nederlandse schrijvers en je hebt gewoon meer tijd om nieuwe boeken te lezen.
Journal d’images
Jojo
Vrijdag 30 januari, Delft
En dan leid je toch een ander leven dan je had gedacht. Zo dadelijk, om twaalf uur, heb ik weer gereserveerd voor de gym. Wie had ooit gedacht dat ik nog een regelmatige bezoeker van een gym zou worden? Ik ben in mijn leven diverse keren lid van een fitnessclub geweest, maar altijd wist ik niet hoe snel ik me na vier keer moest afmelden. Die grens heb ik dit keer zowaar overschreden. Ik ben sinds oktober lid en het ziet ernaar uit dat ik het nog wel even volhoud.
‘Welk doel heeft u om hier te komen fitnessen?’ vroeg een van de trainers.
‘Omdat ik de dood zo lang mogelijk wil uitstellen,’ antwoordde ik naar waarheid.
Ik leid een leven als een luis op een zeer hoofd. Ik zou de hele dag op mijn stoel kunnen zitten lezen en koffie drinken. Maar ik weet al te goed dat een lijf onderhoud nodig heeft. Als ik nu, na drie maanden, voor de spiegel sta, lijkt het erop dat mijn armspieren zich toch iets ontwikkelen.
Ik hou dat fitnessen vol omdat de gym onder ons huis zit en dat er verder vooral ouwe en krakkemikkige mensen lid zijn. Ik geld daar toch een beetje, vermoed ik, als de jeune premier. Het is verrekte lang geleden dat ik dat ooit was. Andere voordelen van deze gym: er klinkt geen housemuziek, niemand is zijn lijf aan het oppompen, de outfit doet er niet toe. Deze gym is van alle glamour ontdaan. De meeste leden zijn al blij als ze een apparaat in beweging krijgen.
Daarnaast, ander onderwerp, ben ik sinds 1 januari fulltime kapitalist geworden. Nou is ‘geworden’ misschien het verkeerde woord. Men heeft mij, zonder dat ik daar iets over had te zeggen, op de aandelenmarkt gestort. Het oude pensioenstelsel is voor mij die dag overgegaan in een stelsel dat puur afhankelijk is van de aandelenmarkt. Uitgerekend waar ik mij altijd verre van heb willen houden, ben ik nu van afhankelijk.
Ik moet erbij zeggen dat mijn pensioenfonds heeft aangekondigd dat ik er dit jaar maar liefst 12,5% op vooruitga. Meevallertje. Ik zou er bijna optimist van worden. Jammer genoeg heb ik een goed geheugen en kan ik me herinneren dat er ook tijden waren dat de AEX onder de 300 punten stond. Zo’n AEX is eigenlijk niets anders dan een jojo. Soms zit het mee, soms zit het tegen. Nu zit het even mooi mee, en staat de AEX rond de 1000 punten. Het is slechts wachten tot de boel gaat zakken. Je hoeft geen econoom te zijn om te weten dat dit gaat gebeuren. De enige vraag is wanneer.
Er zijn genoeg bedreigingen die op de loer liggen. Mijn andere pensioenfonds heeft liefst een paar miljard in waardepapieren Amerika gestoken. Spul dat steeds meer in gevaar komt sinds in het Witte Huis een gek zit die aan alles morrelt wat redelijk goed loopt. Verder: de AI-bubbel kan zomaar ontploffen, de mondiale schuldenlast is vrijwel onbeheersbaar, oorlog bedreigt de stabiliteit, Europa vergadert zich kapot, en zo zou ik nog wel even door kunnen gaan. En mijn pensioentje is afhankelijk van de waanzin van de markt. Een mens krijgt ook nooit eens rust in zijn leven, zelfs niet in zijn nadagen.
Journal d’images
Meisje
Donderdag 29 januari, Delft
Wyb en ik gaan deze ochtend naar het Mauritshuis. Het is lang geleden dat we daar zijn geweest. Ik denk: nog ver voor onze exodus naar Frankrijk. Ik vind het een prettig museum: ideale maat (niet te groot) en een mooie collectie. De statige uitstraling is ook niet te versmaden. Natuurlijk gaan we voor het Puttertje, ooit door Carel Fabritius geschilderd in Delft. Hoge kunst van de eenvoud.
We worden toch weer het meest geraakt door Rembrandt. Ik kan me niet herinneren dat ik de Homerus van Rembrandt eerder heb gezien. Ik denk dat ik het zijn mooiste werk vind, al realiseer ik me dat het tamelijk ridicuul is om dit stempel bij Rembrandt te gebruiken. De lachende man, een miniatuur, en zijn vermoedelijk laatste zelfportret, die ook in het Mauritshuis hangen, zijn eveneens prachtig.
De grootste verrassing is dat ik plotseling voor Het meisje met de parel sta. Ik had me niet gerealiseerd dat het hier hing. Eindelijk sta ik dan eens voor het origineel; ik word namelijk doodgegooid met reproducties van haar. De afgelopen dagen, toen we op Ameland waren, hing ze in de huiskamer van Esmee op enorm formaat boven de bank.
Als ik met Dies in Delft wandel kom ik haar zeker meer dan tien keer tegen. Ze hangt zelfs op een vuilnisbak waarin ik de poepzak van Dies deponeer. Zeer regelmatig kom ik langs het geboortehuis van haar maker, Johannes Vermeer. Alles in Delft is doordrenkt met Vermeer. Het meisje met de parel staat op tegels, kussens, kopjes, kaarten, schriftjes, agenda’s. In het Mauritshuis zie ik zelfs dat ik een schort met haar beeltenis kan kopen. Ik twijfel even.
Als ik voor haar sta, in levende lijve – nu ga ik vloeken in de kerk – valt ze me eigenlijk een beetje tegen. Ze is veel vlakker geschilderd dan ik dacht. Het lijkt wel alsof er een digitaal filtertje overheen is gelegd. Nergens is een oneffenheid op haar gezicht te bekennen, nergens toont het gezicht karakter. Niet voor niets wordt ze de Mona Lisa van het noorden genoemd. Neem haar blauwe haarband, het delicate witte kraagje en de parel weg en je houdt een soort Barbie-gezichtje over.
Dan zie ik op het informatiebordje naast het schilderij dat Het meisje met de parel eigenlijk helemaal geen portret is maar een tronie. Dat wil zeggen dat dit schilderij geen weergave is van een specifiek persoon. Het is een studie ontsproten aan het brein van Johannes Vermeer. Je zou kunnen zeggen dat Het meisje met de parel ontstaan is uit een heleboel meisjes die Vermeer in zijn leven heeft gezien.
Goed beschouwd is ze de menselijke variant van A.I. Ook voor een AI-portret worden een heleboel afbeeldingen verzameld om er vervolgens, afhankelijk van de prompt, een nieuw gezicht uit te creëren. Hoe je het wendt of keert: ook Het meisje met de parel is een extract van een heleboel indrukken die Vermeer van meisjes had. Met een beetje goede wil zou je deze H.I. (Human Intelligence) een voorloper van A.I. (Artificial Intelligence) kunnen noemen. Ik ben benieuwd wanneer A.I. een portret aflevert dat even fascinerend is als de Mona Lisa of Het meisje met de parel.
Journal d’images
Weekdier
Dinsdag 27 januari, Delft
‘Hoe is het met je dichtbundel, Het huis van het weekdier?’ vroeg een vriend.
‘Goed,’ zei ik, ‘de belangrijkste doelstelling is gehaald.’
‘En die was?’
‘Dat ik hem in mijn hand kon houden.’
‘En de verkoop?’
‘Ik heb via Dossiermoddergat twintig exemplaren verkocht en er nog tien uitgedeeld aan mensen die dat verdienden.’
‘De oplage was toch honderd? Hoe gaat de verkoop in de boekhandel?’
Dan moet ik hem het volgende verhaal vertellen. Wyb en ik gingen in november naar Leeuwarden om de tentoonstelling Schervengeluk van keramist Bouke de Vries te zien. Een mooie gelegenheid om even langs boekhandel Van der Velde te gaan en een stapeltje bundels daar in consignatie neer te leggen. Het zou de eerste boekhandel zijn waar ik dat zou doen. Het was mijn bedoeling de bundel bij boekhandels in een aantal grote steden neer te leggen.
Ik vond Van der Velde een veilige plek om het eens uit te proberen, want vroeger was ik daar kind aan huis. Ik heb er heel wat boeken gekocht. De stichter van de boekhandelketen Adriaan van der Velde was ooit samen met zijn vrouw vrijwilliger in mijn theater. Ik had een stapeltje van vijf boeken meegenomen; misschien waren er in mijn voormalige woonplaats nog lezers voor de bundel.
Achter de toonbank stond gelukkig Ronnie, die landelijke bekendheid kreeg als lid van het boekenpanel van DWDD. Vroeger groetten wij elkaar altijd hartelijk. Eenmaal voor zijn toonbank merkte ik dat hij mij niet herkende.
‘Dag, ik heb een dichtbundel met onze eigen uitgeverij, Uitgeverij Prinsen, uitgegeven en ik vroeg me af of jullie een stapeltje in consignatie willen neerleggen?’
‘Och, meneer, elke week komen tien mensen langs die hetzelfde vragen. We kunnen er echt niet aan beginnen. Mag ik de bundel eens zien?’
…
‘Geschreven door Gerard Tonen? Ben jij Gerard Tonen? Ja, natuurlijk, nu zie ik het. Ha, Gerard. Ja, nu wil ik wel twee exemplaren neerleggen.’
‘Ik heb er vijf meegenomen.’
‘Nee, dat is echt te veel. Poëzie verkoopt nu eenmaal niet, dat weet jij ook wel. En ik wil het ook niet in consignatie hebben, want dat levert mij alleen maar papierwerk op. Ik wil er twee van je kopen. Stuur me maar een factuur.’
En toen wist ik: hoezo langs boekhandels gaan? Die Ronnie kende ik nog een beetje, in Leeuwarden heb ik een geschiedenis. Maar al die andere boekhandels? Ik had helemaal geen zin in een mission impossible. Dat geleur: vreselijk. Facturen sturen? Helemaal geen zin in.
‘Ronnie, ik ga je geen factuur versturen. Dat is werk waar ik geen zin in heb. Ik schenk je de twee boeken. Mocht je de boeken verkopen, dan sponsor ik met dat geld de boekhandel. Doe ik ook eens iets terug, want vroeger wilden jullie nog wel eens een project bij mij sponsoren.’
‘En nu?’ vroeg mijn vriend, ‘Wat doe je nu met de resterende zeventig exemplaren?’
‘Die liggen in dozen in de kelder. Er zijn twee mogelijkheden. Of ik begin een guerrilla-actie en ik leg in elke boekhandel in een grote stad twee exemplaren neer zonder te vragen. Misschien komen ze zo toch nog bij een liefhebber terecht. Of ik bewaar ze en Wyb moet ze maar op mijn begrafenis uitdelen.’
‘En waar heb je voor gekozen?’
‘Uitdelen op mijn begrafenis. Jammer voor degenen die al een exemplaar hebben gekocht, maar ja, de poëzie moet worden verspreid. En aangezien de boekhandel dat blijkbaar heeft opgegeven, moet dat maar via mijn begrafenis gebeuren.’
Journal d’images
Voor mensen die niet op mijn dood willen wachten, of niet op mijn begrafenis willen komen. De bundel is nog steeds te koop voor €19,50. Stuur me even een bericht dat je graag een exemplaar wilt kopen en ik zend de bundel gratis naar je toe, gevolgd door een Tikkie.
IJsadel
Maandag 26 januari, Delft
‘De honden moeten uit. Zullen we een strandwandeling maken?’
‘Dat kan niet. Het is zo koud. Jij bent nog niet buiten geweest, maar het is echt verschrikkelijk.’
‘Jij was vanmorgen buiten. Nu zal het wel beter zijn.’
‘Echt niet.’
‘Als we nou naar het strandpaviljoen in Buuren gaan. Dat schijnt wel open te zijn, gaan we daar even het strand op. Maar de honden moeten gewoon even naar buiten. En ik heb er ook zin in.’
Wyb weet hoe ze mij moet paaien. Stel een warm strandtent in het vooruitzicht, en ik ben om. Ik zie mij dan achter een lamsburger zitten, een warme chocomel met rum na, turend naar die zee met hoge golven. De hele dag staat er al een straffe noorderwind.
Als we bij het strandpaviljoen aankomen blijkt het dicht te zijn.
‘Op hun site stond toch dat ze open waren. Laten we even het strand opwandelen,’ zegt Wyb.
‘Even dan.’
Tussen de duinen was het al koud. Op het strand heeft de wind vrij spel, hij jaagt het zand op, pleegt een aanslag op ons. Alsof messen in je vel steken, zo koud is het. Border collies en labradors hebben er geen last van. Evenals Wyb.
Als het om de weerelementen gaat, loopt er diepe scheiding in de beleving tussen Wyb en mij. Wyb is een rasechte Friezin, afkomstig uit een schaatsfamilie die opleeft bij min vijf. De geboorteplek van de familie ligt aan de Bonkevaart, de finish van de Elfstedentocht. Haar vader reed de Elfstedentocht van 1963, dus dan weet je het wel. Hard volk. Voor geen kleintje vervaard. IJsadel, durf ik wel te beweren.
Ik ben een Nijmeegse stadsjongen. Mijn enige ervaring met ijs beleefde ik op de grote vijver die voor het bejaardenhuis vlak bij ons huis in Hatert lag. Van een tante had ik Friese doorlopers geleend. Een paar maten te groot, vermoed ik, want het lukte me niet ze strak onder te binden.
Toen ik dacht dat het eindelijk was gelukt en ik drie slagen deed, schoten ze weer los van mijn schoenen. Mijn vingers waren inmiddels zo koud dat het me niet eens meer lukte om de veters vast te houden. ‘Zullen we maar naar huis. gaan?’ vroeg mijn moeder. Ik was gek op mijn moeder.
‘Ik ga terug, hoor. Ik vind het verschrikkelijk,’ riep ik tegen de wind in die me zandstraalde.
‘Ik wil nog even doorlopen.’
‘Ik ga niet mee, ben een beetje gek. Ik ga terug naar de auto.’
‘Als jij nou met de auto naar Sjoerd rijdt, dan loop ik daarheen over het strand.’
‘Prima.’ Blij dat Wyb geen moreel beroep op mij deed. ‘Heb je een telefoon bij je?’
‘Vergeten.’
Teruglopend naar de auto begon ik mij ongerust te maken. Wyb zou dit niet halen. Niemand overleefde zo’n tocht. Hugo, de oude labrador zeker niet. Wat moest ik doen als het fout ging? Het was maar de vraag of ik de duinen zou halen. Ik hapte naar adem. Hield mijn sjaal voor mijn gezicht. Ameland, gure ellende.
Ik stond op het duin bij Sjoerd en tot mijn opluchting zag ik Wyb met de honden spelend in de verte. Als er nu iets zou gebeuren, kon ik misschien met de auto het strand oprijden.
De tijd dat ik mij in dit soort situatie slap of schuldig voelde is trouwens voorbij. Definitief. Ik ben toch niet gek om zogenaamd voor de lol door die kou te lopen.
Journal d’images
December 2009, Wyb met haar ouders.
Schone ogen
Zaterdag 25 januari, Nes, Ameland
Overdaad en mateloosheid zijn de vijand van iedere kunstenaar. Het gevaar ligt voor hen allemaal op de loer, want wie ‘de geest heeft’, lekker aan het werk is, het ene na het andere goede idee krijgt, leunt niet snel achterover om zijn werk eens kritisch van een afstand te bezien. Artistieke obesitas ligt voor iedere kunstenaar op de loer. De lust van het bedenken en maken overheerst nu eenmaal alles.
Ik kom erop omdat ik (nog steeds) ‘De eenzaamheid van Sonia en Sunny’ aan het lezen ben, geschreven door Kiran Desai. Een boek dat op de shortlist staat voor de Booker Prize 2025. Na het lezen van de eerste tweehonderd bladzijden raadde ik het boek overmoedig iedereen aan. Zou ik nou niet meer doen.
Ik heb ontzettend genoten van de eerste vierhonderd pagina’s van het boek. Daar ergens vliegt het boek uit de bocht door het ontbreken van een middelpuntvliedende kracht. Het verhaal is verteld, het verhaal is op. Maar dat is voor Kiran Desai geen reden om te stoppen met schrijven. Ze tikt gewoon nog eens 334 bladzijden door. Ik worstel me nu door die 334 pagina’s, zondere te weten of ik het boek moet wegleggen of doorlezen.
Gelukkig gebeurt dit niet zo vaak in het boekenvak. In de toneelwereld is dat een heel ander verhaal. Artistieke obesitas is in de toneelwereld eerder regel dan uitzondering. Ik denk dat het een belangrijke reden is waarom het toneel in Nederland zo is gemarginaliseerd.
Hoe komt het dat het boek van Kiran Desai implodeert? In eerste instantie natuurlijk door haarzelf. Maar een kunstenaar kun je dat nauwelijks kwalijk nemen. Als je lekker aan het tikken bent, ga je gewoon lekker door. Het goede van een uitgeverij is dat er redacteuren werken, mensen die met schone ogen naar het schrijfproces kijken. Ik vind dan ook dat het boek van Desai vooral getuigt van falend redacteurschap. Ze had gewoon strenger begeleid moeten worden. Men had haar moeten behoeden voor de implosie van het boek. Elke schrijver heeft hiermee te maken. Wie het heeft meegemaakt, weet hoe waardevol het is.
De toneelwereld moet het redacteurschap helaas ontberen. In het Nederlandse toneel is de regisseur de absolute baas. Hij maakt de voorstelling en bepaalt uiteindelijk hoe die eruit gaat zien. Hij heeft weliswaar een dramaturg, die artistiek adviseert, maar de dramaturg is onderdeel van het maakproces en heeft daardoor geen schone ogen. Menig toneelvoorstelling mislukt daardoor.
Probeer als regisseur je darlings maar eens níet te killen. Welke maker heeft geen weerstand tegen het hanteren van het rode potlood? Alleen vreemde ogen kunnen dwingen en dat zijn de ogen van een redacteur, die weer gedekt wordt door de uitgever, die beslist of een boek überhaupt wordt uitgegeven.
Ik heb zo vaak in een theaterzaal gezeten en gedacht: ‘Wat had ik de makers een redacteur gegund.’ Met de beste bedoelingen, de zuiverste artistieke intenties, is het toch weer gelukt om een voorstelling te maken die aan obesitas lijdt en het toneelpubliek de zaal uitjaagt. Zoals ik nu uit het boek van Kiran Desai word verdreven.
Journal d’images
Daadje
Vrijdag 23 januari, Nes, Ameland
Nou ja. Dan zit je voor de televisie naar het gedoe in Davos te kijken. Of specifieker: naar de woorddiarree van de razende kleuter uit Amerika. Ik weet niet hoe het de lezer vergaat, maar als Blogger word ik er tamelijk mismoedig van.
Die mismoedigheid is, denk ik, het resultaat van de boosheid die in mij woedt en nergens vorm kan krijgen. Ik heb de neiging om die gek uit Amerika een paar klappen om de oren te geven en toe te snauwen: ‘En nou is het uit. Jij gaat gewoon weer terug op je stoeltje zitten. Je houdt je mond, want anders stuur ik je de klas uit.’
Ik in de rol van onderwijzer op het wereldtoneel, dat soort voorstellingen dus. Het is allemaal onmacht. We kunnen alleen maar toekijken naar de infantilisering van wat vroeger serieuze business was. Trumpje die Macron imiteert omdat hij een zonnebril draagt en accent heeft als hij Engels spreekt. Hoeveel talen spreekt Trump? Ik weet het antwoord.
Trumpje richt een vriendenclubje op en noemt het Vredesraad. Het doet mij sterk denken aan Pietje Bel die de club van de Zwarte Hand oprichtte. Canada mag geen lid worden. Mark Carney had met zijn trefzekere toespraak in Davos veel succes. Trumpje had het begrepen. Hij werd door Carney de les gelezen en Canada dient dus gestraft te worden. ‘Jij mag lekker geen lid worden van mijn clubje, sliepuit!!
Wat kunnen wij doen? Niets. Als er verkiezingen zijn, op de goede partijen stemmen. Dat is het enige. En dat doen de meeste mensen niet. Zie hier de oorzaak van het probleem. Het probleem ligt bij onszelf. We zijn te onontwikkeld om onszelf uit de problemen te kunnen trekken.
Maar gelukkig is er Teun van de Keuken met zijn boycotactie voor het WK voetbal in Amerika. Eindelijk is er een mogelijkheid om als eenvoudig bloggertje een daad te stellen. Natuurlijk moet Nederland niet meedoen aan een toernooi in een land waarin de stoottroepen van ICE willekeurige mensen te grazen nemen en in concentratiekampen opsluiten.
Gaat Nederland niet naar dat toernooi? Natuurlijk wel. Die boycotactie maakt geen enkele kans van slagen. Maar daarom heb ik ook niet als een van de eersten getekend. Mij is het er vooral om te doen om Trump te ergeren. De actie vind ik geslaagd als hij hoort dat er een boycotactie plaatsvindt en hij uit zijn vel springt van verontwaardiging. Ik zeg niet dat hij ervan hoort, maar de kans is aanwezig. Eindelijk een kans om een daadje te stellen.
Had Nederland in 1936 niet de Olympische Spelen van Hitler in Berlijn moeten boycotten? Na alles wat wij achteraf weten: uiteraard! We hebben het niet gedaan, net zoals we nu niet het WK voetbal gaan boycotten. Hitler maakte er een grote propagandashow van, Trump zal niet voor hem onderdoen.
Journal d’images
Ruimtevaarder
Donderdag 22 januari, Nes, Ameland
Nu ik tien dagen mag oppassen op mijn twaalfjarige kleinzoon wordt het mij heel duidelijk: vooruitkijken is zoiets anders dan achteruitkijken.
Mijn kleinzoon is kampioen vooruitkijken. Of eigenlijk is dat een foute benaming. Zijn vooruitkijken bestaat uit het hebben van plezier, verwachtingen en ambities. En die heeft hij in niet geringe mate. Het is heerlijk om deze dagen zijn scala aan interesses en activiteiten van dichbij te zien.
Zoals ik al schreef weet hij al sinds zijn zesde dat hij astronoom wil worden. In zijn kamer hangt een draaimobile van het zonnestelsel. Als het om het heelal en scheikunde gaat, weet hij nu al meer dan ik. Gisteren probeerde hij mij uit te leggen wat het periodiek systeem is. Laat ik eerlijk zijn, ik had ervan gehoord, maar ik had werkelijk geen idee wat het was. Mijn kleinzoon heeft er al spreekbeurten over gegeven. Niet voor niets noemden ze hem op de basisschool ‘De Professor’. Met zo’n kleinzoon leer je nog eens wat.
Andere grote hobby: muziek. Een paar dagen geleden vertelde hij me hoe hij met gitaarspelen is begonnen. Vorig jaar hoorde hij een muziekstuk van Bach en dat is hij toen, uit het niets, gaan uitvogelen hoe je dat op gitaar zou kunnen spelen. En passant speelt hij het me voor.
Inmiddels heeft hij regelmatig gitaarles van zijn vader en speelt hij in de schoolband. Een klein wonder vind ik, want vroeger was hij een klein verlegen mannetje dat absoluut niet wilde opvallen. Nu zingt hij zonder gêne voor volle schoolaula’s. Een frontman in spé.
Vooruitkijken is hopen, een leven vormgeven. Achteruitkijken is beschouwen, mooie herinneringen koesteren, littekens bedekken, wonden verzachten. Je weet wat je hebt gedaan, het is afgerond en klaar. Het leven is een pakketje geworden dat is ingepakt en waar je wel of niet tevreden over kunt zijn. Vooruitkijken is zoeken, je plaats veroveren, vechten. Deze tegenstelling is voor tien dagen in dit huis aanwezig. Grappig om mee te maken.
Denk niet dat mijn kleinzoon een doetje is. Hij ziet zichzelf ook als bokser. In de tuin hangt een grote bokszak. Die heeft hij gekregen van zijn andere opa, die vroeger bokser is geweest. Regelmatig hardt hij zijn vuisten op de bokszak. Mijn kleinzoon heeft zeker ook ambities op dit gebied. In zijn slaapkamer liggen twee bokshandschoenen en hij kijkt op YouTube naar oude opnames van Muhammad Ali en Joe Frazier om iets van hun techniek te leren.
Gisteren had hij gymles en heeft hij zijn leraar een stoot laten zien die hij zelf heeft bedacht. Het is een verre uithaal van achteruit, waardoor hij zijn hele lichaam in de strijd gooit. Volgende week mag hij de stoot aan de klas laten zien en wat vertellen over bokstechnieken.
IJdelheid is hem niet vreemd. Regelmatig staat hij voor de spiegel om zijn haar weer in model te brengen. Zijn kuif doet me aan Elvis denken.
‘Ik ga nooit meer naar de kapper op Ameland. Die knipt veel te snel en weet niks van de mode.’
‘Waar ga je dan heen?’
‘Ik ga naar een kapper in Leeuwarden als we daar zijn, die hartstikke goed. Met een lineaal meet hij mijn haar.’
En zo schiet mijn kleinzoon zichzelf het leven in. De eerste trap van de raket is geprepareerd. Hopelijk blijft de raket goed op koers. Ik ben als achteruitkijker inmiddels weer op aarde geland met een capsule ergens in de Stille Oceaan. Het is een feest om naar een nieuwe ruimtevaarder te kijken.
Journal d’images
Noorderlicht
Woensdag 21 januari, Nes, Ameland
Soms ben je opeens een loser. Dat gevoel bekroop me gisteren toen ik wakker werd en in de media tientallen foto’s zag waaruit bleek dat er de avond en de nacht daarvoor een grote lichtshow boven Nederland zichtbaar was geweest. Het noorderlicht had zich onbeschaamd boven ons land vertoond, zelfs tot in Limburg toe. En Wyb en ik? Wij zaten een of andere Netflix-serie te kijken. Totaal onwetend van het spektakel.
Dit is extra pijnlijk omdat wij een paar honderd meter van het Amelandse strand verblijven, zo ongeveer het meest noordelijke puntje van Nederland. Even naar buiten, naar een duin wandelen, en wij hadden eerste klas gestaan, het noorderlicht recht in het gezicht. Tussen het Amelandse strand en de Noordpool ligt helemaal niets. Wij hadden vrij zicht gehad op deze zeldzame lichtshow.
Maar ja, het botert gewoon niet tussen ons en het noorderlicht. We hebben zestien jaar in Moddergat gewoond. Talloze keren hebben we in het donker op de dijk gestaan. Ook daar met vrij zicht op de Noordpool. Nooit hebben wij ook maar een spleetje licht van dat noorderlicht gezien.
Wij zijn verdomme naar het noordelijkste puntje van Zweden gereisd, daarna meteen door naar het noordelijkste punt van Noorwegen. Niks, helemaal niks aan noorderlicht gezien.
We hebben zelfs drie weken door IJsland gereisd in de stiekeme hoop het noorderlicht te mogen aanschouwen. De zon speelt een spelletje met ons: alweer geen noorderlicht. En als de zon dan wel een keertje gul is, zitten wij naar een thriller te kijken.
Gisteravond zou alles goedmaken, hoopten wij. De voorspelling was positief. Het overweldigende licht van de avond ervoor zou uitblijven, maar er was zeker nog wel een staartje spektakel te zien. En zo reden we met de Mercedesbus, die ons deze dagen ter beschikking staat, naar het strand. Fotoapparatuur in de aanslag.
We moesten een eindje het strand oplopen zodat we geen last meer hadden van het storende licht van de strandtent, maar toen stonden we ook echt in het pikkedonker. Toen we er langer stonden, konden we auto’s op het strand onderscheiden met mensen die ook op het noorderlicht stonden te wachten. Zij hadden het wat beter aangepakt dan wij. Wij kregen het steeds kouder, zij zaten lekker warm in een auto. Wie denkt nou aan een drive-inbioscoop als je naar het noorderlicht gaat kijken?
Als het om observeren gaat, van vogels bijvoorbeeld, of van het noorderlicht, heeft Wyb veel meer uithoudingsvermogen dan ik. Ik heb sowieso eigenlijk geen vertrouwen meer in dat noorderlicht. Het mag ons niet, of zo. lk kreeg het kouder en kouder. Verder bleef het aardedonker.
‘Zullen we maar lekker naar huis gaan?’ herhaalde ik een paar keer.
Maar Wyb weet dan van geen wijken.
Ik denk dan al gauw: ik heb de foto’s gezien.
Gelukkig kreeg ze het op een gegeven moment ook te koud.
Het noorderlicht liet ons opnieuw in de steek.
Gedesillusioneerd keken we naar de derde aflevering van die thriller op Netflix.
Journal d’images
Een ochtendwandeling maakt veel goed.
Grootbeeld
Dinsdag 20 januari, Nes, Ameland
Ik moet mij zo beheersen om niet elke dag over die gek in Amerika te schrijven. Elke ochtend als ik wakker word, sta ik weer versteld wat die zwetser, dat opblazen ego, die kleuter, die psychopaat nu weer heeft geflikt. Kijk, zo zou ik nog wel even kunnen doorgaan. Ik heb zo de behoefte om hem eindeloos uit te schelden, hem voor zijn ballen te trappen. Maar ja, het is natuurlijk machteloos gedoe, dat weet ik ook wel. En jij, lezer, krijgt er al snel schoon genoeg, want net als ik kom je hem al te veel tegen.
Nu vind ik dat ik me de laatste tijd best redelijk weet te beheersen. Dat komt ook doordat ik een hekel aan mezelf heb als ik Trump weer eens onderwerp van een blog maak. Hierdoor dwing ik mijzelf tot blogs die down to earth zijn. Gewoon schrijven over triviale, persoonlijke zaken, dat is voor mij toch veel bevredigender dan schrijven over die mega-maga-waanzin.
Daarom nu iets volstrekt triviaals.
Wyb en ik hebben al zo’n tien jaar geen televisie meer. Dat wil niet zeggen dat we geen televisie kijken. Televisiekijken geeft me veel plezier en elke avond zitten we wel op de bank te kijken. We kijken dan niet naar een televisieapparaat, maar naar onze laptop. Voor ons op een tafeltje staat een laptop van 13 inch. Dus gewoon een schermpje van niks. En op dat kleine schermpje beleven we alles wat de televisie heeft te bieden.
Mensen die ons zo zien zitten, zeggen dat we hartstikke gek zijn, dat het toch geen doen is. Maar daarin hebben ze geen gelijk. Wij weten dat het heel goed te doen is. Wij weten niet beter en vragen ons ook niet af of het beter kan.. En het grote voordeel: we hebben niet zo’n lelijk zwart scherm in ons huis staan of hangen. We zijn volledig tevreden met dat laptopkijken.
Tot nu toe. Want nu we aan het oppassen zijn op Ameland hebben we een enorme televisie ter beschikking. Ik denk dat het scherm dat hier hangt twee meter breed is en een meter hoog. Het kan ook meer zijn. De beeldkwaliteit is excellent. Zo zie ik nu pas dat die kop van Trump veel pokdaliger is dan ik dacht, dat die lelijke kop gewoon is meegegroeid is met die ellendige ideeën van hem. Vroeger, toen hij nog met Epstein op kleine meisjes stond te geilen, had hij best een onschuldig-blote-kontengezicht.
Wyb en ik hebben nu al een paar keer naar elkaar toegegeven dat zo’n groot scherm toch erg mooi is. Dat het bijna een bioscoopervaring is. Het is dat ik er niet aan moet denken om zo’n zwart ding in huis te hebben, anders… Of moeten we toch eens overwegen zo’n ding wel aan te schaffen? Zo’n grootbeeld: ik vind het heerlijk.
Is er een manier om zo’n groot scherm weg te moffelen? Ik zal er hier en daar toch eens naar gaan informeren. De beleving is zoveel intenser. Ik zie er nu al tegenop om naar huis te gaan en dadelijk weer achter ons laptopje te moeten plaatsnemen. Waarom doen wij ons dat zelf aan? Waarom kiezen wij altijd voor soberheid en een ascetisch bestaan? Waarom geven wij ons niet gewoon over aan de moderne wereld?
O ja, mocht je ook voor een boycot zijn van het Trump-WK in de VS, teken de petitie. Niet omdat het tot resultaat zal leiden, maar al was het alleen maar om die Trump te ergeren: https://actie.degoedezaak.org/petitions/boycot-het-trump-wk-in-de-vs-1
Journal d’images
Riffje
Maandag 19 januari, Nes, Ameland
Ik woon nu tien dagen in het huis van een ander. Ik geloof niet dat dit eerder is gebeurd. Dat komt omdat ik het liefst thuis ben. Dat heeft niets met mijn ouder worden te maken, dat heb ik altijd gehad. Ik hou gewoon van thuis. Ik rij liever ’s nachts twee uur naar huis dan dat ik bij iemand blijf logeren. Ik zeg het soms vrij grof: ‘Ik hou ervan om met de deur open te poepen.’ Onzin, want ik poep nooit met de deur open.
Dat thuis veel meer is dan een huis en een eigen bed, merk ik deze dagen. Een thuis is ook een soort landschap. Het blindelings de weg weten. Zonder nadenken de koffie kopjes kunnen pakken, weten waar de kaas in de koelkast ligt. Precies weten waar je het liefst zit op een bepaald tijdstip. Weten hoe de stofzuiger werkt, en veel meer van dit soort kleine, eigenlijk niet ter zake doende dingen.
Ik ken het huis waar ik dezer dagen woon vrij goed. Maar toch, zeker deze eerste dagen is het een zoeken naar dingen, je draai vinden. Wij komen best vaak op Ameland, maar we slapen nooit bij Esmee en Arjan. Het is een familietraditie dat, als je meerdere dagen bij elkaar op bezoek gaat, je het liefst ’s avonds in een hotel in slaapt. Mijn moeder deed dat als ze vanuit Nijmegen bij ons in Groningen op bezoek kwam. Wyb en ik doen het als we naar Ameland gaan. Voor beide partijen is het heerlijk om nog even samen rustig te zitten.
Wyb en ik hebben er nu opeens een hond en een kind bij. Twee honden is best veel, merk ik. Wyb heeft het er wel eens over: ‘Zullen we er nog een hond bij nemen?’ Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt. Nu weet ik het helemaal zeker.
Dat kind, mijn geliefde kleinzoon, is helemaal oké. Liever een kleinzoon erbij dan een hond. Toevallig heb ik ook nog eens een erg leuke kleinzoon. Een kind dat weet wat hij wil worden, is een gezegend kind. Mijn kleinzoon is een kind met een doel. Al van zijn zesde weet hij dat hij astronoom wil worden. Gistermiddag zat ik met hem aan tafel en hadden we het erover.
‘Binnenkort mag ik op school kiezen uit twee clubs. Er komt een astronomenclub en een schaakclub.’ ‘Jij kiest natuurlijk voor de astronomenclub.’ ‘Ik denk het niet. Het is een beginners club. Ze gaan het over feiten hebben, over het wat. En dat weet ik wel. Ik ben vooral geïnteresseerd in het hoe.’ ‘Dus dan kies je voor de schaakclub?’ Wat hij bevestigend beantwoordt. Arme ik. Al jaren is het traditie dat ze in de vakantie in de buurt van Cadouin gaan kamperen. De afgelopen vakantie werd ik al twee keer met schaken door hem ingemaakt. Ik vrees voor de aankomende vakantie.
Mocht het niet lukken met de astronomie. Dan kan hij nog altijd popster worden. ‘Ken jij dat riffje van Van Halen?’ ‘Wat is dat, van Halen.’ ‘Dat is een gitarist. En ik kan dat riffje inmiddels ook.’ Hij zet You Tube op en laat me het riffje horen. Daarna pak hij zijn nieuwe elektrische gitaar (kleur goud!) en speelt hij het riffje perfect na. Inmiddels speelt hij het hele repertoire van Doe Maar. ’Ik speel inmiddels ook in de schoolband.’ Gouden gitaar, gouden jongen.
Hij heeft de mazzel dat zijn vader een begenadigd gitarist is en een batterij aan de mooiste elektrische gitaren in huis heeft.
Journal d’images
Eiland
Zondag 18 januari, Nes, Ameland
Sinds Esmee op Ameland woont en wij daar regelmatig komen, heb ik het op het eiland alleen maar drukker zien worden. Bovendien is het toeristenseizoen meer en meer opgerekt. Zes maanden drukte werden tien maanden drukte. Van november werd een kunstmaand gemaakt en opnieuw werd een maand vol drukte aan het toeristenseizoen toegevoegd.
Wyb en ik zijn nu tien dagen op Ameland en treffen een volledig ander eiland aan. De meeste winkels zijn gesloten, restaurants zijn een maand dicht, op straat zijn de slenterende toeristen nagenoeg verdwenen. Zelfs de grote strandtenten als Sjoerd en Sunset zijn gesloten. Dit tot gemopper van de weinige toeristen die er nog wel zijn zijn en na een strandwandeling behoefte hebben aan een chocomel met slagroom.
We boffen: qua weer lijkt het alsof we in Cadouin zijn. Overdag volop zon en een strakblauwe lucht. Ik ben benieuwd hoe lang dit gaat duren. We zien een eiland zoals het vroeger geweest moet zijn, een eiland voor mensen die er wonen. De toeristen hebben deze maand eens geen hoofdrol. De horecaondernemers zijn uitgevlogen en rusten uit in Thailand of in Mauritius. Vandaar dat wij hier zijn: oppassen op hond en kleinzoon.
Wyb en ik genieten van die rust. We wandelen op een bospad dat parallel met de duinen loopt. Dan zien we een gouden vogel, met hier en daar likken groen en rood. De vogel doet zijn uiterste best om op te vallen. Niks camouflage. Het is de meest kitscherige vogel die ik ooit heb gezien. Een goudfazant is het eerste wat in mij opkomt. Na het bekijken van wat foto’s blijkt het er inderdaad een te zijn. Oorspronkelijk komt hij uit China, maar sinds enige tijd wordt hij vaker in Nederland gezien.
Dan steken we door het bos naar de duinen. Na de relatieve donkerte van het bos duiken de zee en de lucht op. Alles fel blauw, het witte strand daaronder. Verdomme, wat zou ik graag schilder willen zijn. Overweldigend uitgestrekt doemt het strand op. Hier en daar, ver weg, wandelen mensen met honden – stippen.
’s Avonds breng ik Joris (kleinzoon) naar Hollum. Hij is twaalf jaar en wilde er op de fiets naartoe. Ik moest er niet aan denken. Elf kilometer fietsen langs donker bos. Zelf ziet hij er geen gevaar in ‘hier gebeurt nooit iets’. Maar ja, ik ben een stadsjongen, waar altijd wel iets gebeurt. Ik bied aan hem met de bus te brengen en op te halen, waar hij erg blij mee is. Als ik hem breng, staan zeven jongens van dezelfde leeftijd op hem te wachten.
‘En wat hebben jullie vanavond gedaan?’ vraag ik als ik hem ophaal, geen idee wat je in Hollum ’s avond in het donker zou kunnen doen. ‘We hebben door Hollum gerend.’ ‘Door Hollum gerend?’ ‘Ja, dan lopen we wat en doen dan steeds wedstrijdjes. Soms sprintjes, soms langere afstanden.’ Ik zie het voor me: zeven jongens die in het donker hard door de paar straten van Hollum rennen. De onschuld van een eiland.
Journal d’images
Treffen
Zaterdag 17 januari, Nes, Ameland
‘Morgen Rubio. En wat heb je deze morgen te melden?’
‘Ik kreeg een bericht door van de Amerikaanse ambassade in Nederland, Mister President. Nederland voegt zich bij de NATO troepen op Groenland.’
‘Nederland? Waar ligt dat ook alweer? Boven Denemarken?’
‘Nee, Mister President. Nog niet zo lang geleden bent u er zelf geweest. De vorige NATO-top vond in Den Haag plaats en dat ligt in Nederland.’
‘O ja, toen heb ik nog in dat paleis geslapen. De koningin daar heet Maxime, fantastisch charmante vrouw. En hoeveel troepen sturen ze?’
‘Eén militair.’
‘Eén militair?! Dat is nog minder dan een team militairen met een hondenslee. Bel Pete Hegseth. Dan maken we een einde aan die flauwekul.’
‘U weet toch, Mister President, dat Mark Rutte premier in Nederland is geweest?’
‘Meen je niet. Ik ga hem meteen bellen.’
…
…
‘Met Mark Rutte.’
‘Mark, Daddy hier. Klopt het dat jij premier van Nederland bent geweest?’
‘De langszittende ooit zelfs, Mister President.’
‘Dan heb je het daar niet goed gedaan, Mark.’
‘Hoezo niet Mister President?’
‘Dat land van jou stuurt één militair naar Groenland. Dat is toch belachelijk, dan ben je het toch niet waard om jezelf een NATO-land te noemen? Ik schaam me kapot dat zo’n land lid is van de NATO. Wat denk je wat dat voor een uitstraling heeft op de leider van de NATO, Amerika?’
‘Sorry, Mister President, het is gewoon een verkenner.’
‘Verkenner? Wat valt er in Groenland in godsnaam te verkennen? Ik kan je zeggen dat er heel veel sneeuw ligt, dat er bijna niemand woont, dat het verdomd strategisch ligt en de bodem vol schatten zit. Dus ik verzoek je vriendelijk je landgenoten te vertellen dat er niks valt te verkennen en dat ik wil dat ze een divisie militairen sturen.’
‘Maar dat maakt het lastig voor u om het eventueel binnen te vallen.’
‘Beeldvorming is het allerbelangrijkst, Mark. Ik wil geen bondgenoot van een land zijn dat één militair stuurt. Dat is minderwaardig gedrag.’
‘Maar een hele divisie – begrijp ik nu dat u afziet van het militair innemen van Groenland?’
‘Natuurlijk niet. Pete Hegseth komt dadelijk langs en wat mij betreft vindt de inval zo snel mogelijk plaats. Maar wij gaan toch niet vechten met één militair, Mark. Zijn jullie nou helemaal gek geworden?!’
‘Ik beloof u meteen contact op te nemen met de huidige premier, de heer Schoof.’
‘Schoof? Schoof? Is dat niet de enige regeringsleider op het westelijk halfrond die niets te vertellen heeft en altijd zijn mond houdt tijdens vergaderingen omdat hij niet weet wat hij mag zeggen? Mark, jij bent de baas van de NATO en je stuurt als de bliksem een divisie Nederlandse militairen naar Groenland. Als het tot een treffen komt, dan moet het ook een echt treffen zijn. Begrepen?’
‘At your service, Mister President!’
‘Mark, momentje.’
…
‘Oh Mark, ben je er nog?’
‘Zeker Mister President.’
‘Ik krijg net een briefje toegeschoven waarop staat dat die militairen van jullie ook recht hebben op een papadag.’
‘Klopt Mister President.’
‘Wat is dat voor maf wokegedoe. Het zijn militairen, Mark. Ik wil dat die papadag meteen wordt afgeschaft.’
‘At your service, Mister President.’
…
(Twee dagen later.)
‘Met Mark Rutte.’
‘Donald Trump hier. Mark, ik vraag je een divisie naar Groenland te sturen in plaats van één militair. En wat lever je? Twee militairen. Heb je wel eens van de uitdrukking gehoord dat vertrouwen te voet komt en gaat te paard?’
‘Zeker, Mister President.’
‘En weet je wat ik altijd zei als een kandidaat tijdens The Apprentice niet voldeed?’
‘You’re fired, Mister President.’
‘Dat bedoel ik maar.’
Journal d’images
Journal
Touwtje
Vrijdag 16 januari, Nes, Ameland
‘Het touwtje uit de brievenbus’ van Jan Terlouw, ik kan me de uitzending van DWDD nog goed herinneren. Jan Terlouw gebruikte het touwtje dat in vervlogen tijden uit de brievenbus hing als symbool voor het vertrouwen dat mensen vroeger in elkaar hadden – en nu is verdwenen. Het leek een scherpe afbakening: vroeger en nu. Toen een touwtje, nu zou niemand dat meer durven.
Pas eergisteren kwam ik erachter dat die afbakening toch niet zo scherp blijkt te zijn. Het touwtje is namelijk nogal regionaal bepaald. De komende tien dagen zijn Wyb en ik op Ameland te vinden. Esmee en Arjan vliegen naar Mauritius – nou ja, dat doet maar – en wij passen op Joris. Malu leidt inmiddels een eigen leven op kamers in Leeuwarden.
Vroeger mochten de kinderen buiten de schoolvakanties mee op vakantie. Een Amelandse gewoonte: op een horeca-eiland passen zelfs de scholen zich aan de behoeften van de horeca-ondernemers aan. Tenminste op de basisscholen; nu ze beiden op het vwo zitten, is dat anders. Het serieuze leven is voor hen dus al een beetje begonnen. Opeens staan er wetten tussen droom en daad.
‘Ha Pa, met Esmee.’ ‘Hé, leuk dat je belt. Ik had behoefte aan je stem.’ ‘Ik bel je over de Mercedesbus, die kunnen jullie natuurlijk gewoon gebruiken.’ ‘Fijn, en waar leg je de sleutels van de bus neer?’ ‘Als wij naar de boot gaan, zetten we de bus op het parkeerterrein voor de boot neer.’ ‘Oké, maar waar vinden we de sleutels dan?’ ‘Die laten we natuurlijk gewoon in de auto liggen.’ ‘Maar dan is de auto niet op slot.’ ‘Pa, dit is Ameland. Niemand zet zijn auto hier op slot.’ ‘Maar dat is nog iets anders dan gewoon de sleutels in de auto laten liggen.’ ‘Dat doet echt iedereen. Maak je maar geen zorgen.’
Even later vertelt ze me nog dat het een lastige gewoonte is. Als ze met de auto naar de wal gaan, en ergens parkeren, dan gebeurt het vaak dat ze terug moeten lopen omdat ze auto niet op slot hebben gezet. Gewoontes zijn hardnekkig.
Dat touwtje van Jan Terlouw is dus eigenlijk alweer een volgende stap geweest in het groeiend wantrouwen. Want op Ameland gaan de deuren überhaupt niet op slot. Esmee vertelt me dat ze niet eens weet waar de huissleutel ligt.
Fietsen – dat weet ik uit ervaring omdat ik bij hen vaak zomaar een fiets pak – staan daar al jaren zo voor het grijpen buiten. Maar op Ameland worden geen fietsen gejat. En dat is maar goed ook, want er woont slechts één politieagent. Hij werkt in een team van zes mensen, maar die anderen moeten van de wal komen als dat nodig is. Als hij ook nog eens de aangifte van fietsdiefstallen erbij moest opnemen, zou zelfs voor een agent op Ameland een burn-out dreigen.
Het komt er dus eigenlijk op neer dat ze op Ameland het touwtje nog moeten uitvinden. Het zou mooi zijn als dat nooit nodig is. Jammer dat ik Jan Terlouw dit allemaal niet kan laten weten. En nu maar hopen dat door dit blog het criminele tuig niet en masse naar het eiland afreist.
Journal d’images
Verhalen
Woensdag 14 januari, Delft
Mijn dochter was zes of zeven jaar en ik las haar elke avond voor uit de boeken van Hanna Kraan over heksen. Ze was er gek op; ik mocht niet ophouden. Totdat ik vond dat ze moest gaan slapen. Voordat ik het licht uitdeed, moest ik heel duidelijk laten zien dat ik het boek uit haar slaapkamer meenam. Ze wilde het boek absoluut niet in haar kamer hebben, stel dat de heksen uit het boek ’s nachts tot leven zouden komen. Voor haar was er een dunne scheidslijn tussen fictie en werkelijkheid. Of misschien was er helemaal geen scheidslijn.
Verhalen, ze zijn van levensbelang, ze vullen ons leven. Ze zorgen ervoor dat ons leven een consistent geheel is. Alle herinneringen die wij hebben, alle verhalen die wij beleven, maken ons tot wie we zijn. Een leven zonder verhalen bestaat eenvoudig niet, het zou even tragisch en zinloos zijn als een boek zonder letters.
Verhalen en boeken, vormen een enorme kracht. Anders dan bij andere kunstdisciplines kunnen ze tot in de finesses de drijfveren van mensen laten zien. Ze kunnen in de diepte van onze psyche duiken, tot in alle duistere uithoeken. In verhalen kunnen we de ziel van mensen blootleggen. Verhalen kunnen mensen meenemen, zelfs naar andere, imaginaire werelden.
Mensen kunnen zo makkelijk in de ban van een verhaal komen. Religie is daar wel het beste voorbeeld van. Je vertelt een inspirerend verhaal en voordat je het weet heb je gelovigen. De bijbel, de koran, miljoenen volgers hebben een heilig geloof in deze verhalen. Ze geloven er niet alleen in, ze richten er zelfs hun hele leven naar in en dat allemaal met de vage belofte dat na hun overlijden het paradijs wacht. Er is geen enkele scheidslijn meer tussen fictie en werkelijkheid. De fictie is geabsorbeerd in de werkelijkheid.
Tijdens het kijken van de vierdelige documentaireserie ‘Wakker in Paraguay’ bedacht ik dat verhalen gif kunnen zijn. Niet alleen op het gebied van godsdienst, ook op het gebied van maatschappelijk en politiek denken kunnen verhalen mensen in hun greep krijgen, ingrijpend veranderen en op dwaalsporen brengen. Zo ga je zomaar geloven dat de wereldelite met 5G de mens beïnvloedt en klaar maakt voor de grote reset. Of dat in de kelders van een pizzeria in New York kinderen worden misbruikt door democratische politici. Je gaat erheen met een mitrailleur om die politici een lesje te leren en dan pas kom je erachter dat die pizzeria helemaal geen kelder heeft.
Onze wakkere landgenoten gingen onder andere naar Paraguay omdat volgens de verhalen Paraguay een vrij land was, waar geen lockdown was geweest en waar mensen tijdens de corona- epidemie niet werden gevaccineerd. Eenmaal in Paraguay, verhuisd en al, kregen ze te horen dat er wel zeker een lockdown is geweest en dat er op grote schaal vaccinatie had plaatsgevonden. Nou ja, een kwestie van even het verhaal bijstellen. Ze hebben in ieder geval kunnen ontsnappen uit Nederland, dat onvrije land met zijn hoge belastingen en een elite die uit is op een nieuwe lockdown.
De mens laat zich graag bedonderen. Verzin een meeslepend verhaal en voordat je het weet word je stinkend rijk, ben je een geestelijk leider, of president van de Verenigde Staten (MAGA!, MAGA!, MAGA!). Tip: het herhalen van verhalen is aan te bevelen. Duizend leugens worden al gauw een waarheid.
Journal d’images
Smoking
Dinsdag 13 januari, Delft
‘Oh god, we hebben een uitnodiging gekregen voor de première van Willem van Oranje. Blacktie,’ zeg ik tegen Wyb als ik binnenkom, de uitnodigingskaart in de hand.’ ‘Leuk!’ zegt Wyb. ‘Nou, ik ga niet hoor.’ ‘Natuurlijk gaan we.’ ‘Ik zie dat helemaal niet zitten. Je weet dat ik de pest heb aan premières. Allemaal opgelegd pandoer.’ Opgelegd pandoer? Is dat eigenlijk nog een uitdrukking? Vermoedelijk heb ik die ergens in de jaren vijftig opgepikt. ‘Je kunt het tegenover Wolter niet maken om niet te gaan. En bovendien, ik vind het wel leuk.’ ‘Moet ik verdomme zo’n smoking huren.’ ‘En wat is daar tegen? Ik wil je wel weer eens in een smoking zien.’ Wyb realiseert zich niet wat voor een pest ik aan premières heb. ‘Ik heb er vermoedelijk te veel meegemaakt; ik denk dat ik er een PTSS aan over heb gehouden.’ Wyb: ‘Stel je alsjeblieft niet zo aan.’
Premières. Het zijn de initiatieriten van het theater. Acteurs zenuwachtig. Artistiek team zenuwachtig. Een halve zaal vol recensenten, collega’s en andersoortige kenners: toeschouwers die al tijdens het spelen kritisch zitten te beschouwen. Ze lijden allemaal aan het syndroom dat ze te veel hebben gezien, wekelijks te vaak in een theaterzaal zitten, en daardoor totaal blasé zijn en ook nog eens cynisch. Iedereen weet het. Helaas is het onvermijdelijk. Zonder première krijg je fataal minder aandacht. De krantenkoppen en de sterren zijn nodig voor de affiches.
Een van de grote voordelen van mijn pensionadoschap is dat ik niet meer naar premières hoef. En van dat voordeel maak ik gretig gebruik. Sowieso word ik niet meer uitgenodigd; ik ben nu eenmaal zeven jaar geleden met een grote sprong uit mijn netwerk ontsnapt.
Dat ik de uitnodiging nu krijg heb ik aan Wolter te danken, mijn oude kompaan. De musical Willem van Oranje is het resultaat van de tweetrapsraket die Wolter en ik ooit bouwden. Ik was alleen bij de bouw van de eerste trap betrokken: samen richtten we Bureau Lommerde & Tonen op.
Het was voor mij een ideale combinatie. Wolter is een echte ondernemer, ik was alleen maar een fanatieke liefhebber. Meer en meer kreeg ik genoeg van het theater en op een gegeven moment stapte ik uit Bureau Lommerde & Tonen. Ik wilde nog één keer in mijn leven iets leuks doen. Het eerste deel van de raket stuwde het bovenste deel omhoog en Wolter ging sky high. Willem van Oranje – ik weet zeker dat ik het nooit had aangedurfd – dat ik last had gekregen van hoogtevrees. Wolter is onvervaard, behept met een jaloersmakend optimisme en durf.
Natuurlijk gaan we naar die première. Vanmiddag heb ik een afspraak met een kledingverhuurbedrijf dat mij een smoking gaat aanmeten voor een huurbedrag van honderdvijftig euro, inclusief zwarte lakschoenen.
Journal d’images
Lafbek
Maandag 11 januari, Delft
Tijd voor een denkoefening. En nu eerlijk zijn, Blogger: geen mooie praatjes.
De vraag of er oorlog komt, is geen vraag meer. Er is oorlog. De Amerikanen zijn ons land binnengevallen omdat de Israëlische premier Netanyahu in een Scheveningse cel gevangen zit. Samen met Spanje hebben we Netanyahu uit Israël ontvoerd, naar voorbeeld van Trump Madura. Maar de ene ontvoering is de andere niet.
Zoals de VS altijd heeft gezegd: mochten onze eigen mensen vastgezet en berecht worden door het Internationaal Gerechtshof, dan halen we ze op. Aangezien Israel de 51ste staat is van Amerika, is Trump hem gaan halen. Bovendien ging hij nog een stapje verder. Dat Nederland – wat stelt het eigenlijk voor? Hij besloot er de 52ste staat van Amerika van te maken.
Een fluitje van een cent, want alle overheidsinformatie was al in Amerikaanse handen. Al het wapentuig waarmee die Nederlanders dachten te kunnen vechten, was van Amerikaanse makelij. Er waren slechts twee presidentiële decreten nodig om Nederland te veroveren. Decreet 1: confiskeer alle overheidsinformatie, zorg dat de Nederlandse overheid er niet meer bij kan en zet de informatie over naar Amerikaanse bevoegdheden. Decreet 2: vernietig voor Nederland de software van het Amerikaanse wapentuig. Een paar dagen later hing er een zwerm Boeing AH-64-Apache helikopters boven Den Haag om de boots on the ground te dekken.
Het leek Trump een goed idee: een bruggenhoofd in Europa. Nederland was daarvoor natuurlijk het ideale land. Aan zee gelegen, goede infrastructuur, een bevolking die liever deals sloot dan vocht. Zo’n bruggenhoofd was natuurlijk ook wel geinig om Brussel een beetje te plagen. Er waren wat demonstraties in Amsterdam. Even gericht schieten en het was voorbij. Klus geklaard.
Dan nu de denkoefening: wat doe ik? Waar sta ik als Nederland in een oorlog belandt? Sluit ik me aan bij een verzetsgroep? Nee! Veel te eng. Ik wil niet dood. Of pak ik de auto zodra de eerste Apaches boven Den Haag verschijnen en rij ik naar Cadouin?
Die laatste optie is een gok. Er zal zeker niet worden gevochten in de Dordogne, maar volgens mijn theorie schiet de vijand als allereerste een supersonische raket met kernkop naar de Dordogne. Het is een waarschuwingsschot als het ware. Er woont geen kip in de Dordogne, dus het aantal slachtoffers zal beperkt blijven. Frankrijk zal zich snel overgeven. Zo’n ding op Parijs wil je niet hebben. In Delft blijven is ook geen optie. Rotterdam The Hague Airport ligt hemelsbreed zes kilometer van ons vandaan. Evenals de havens en het regeringscentrum. De supersonische raketten voor Nederland gaan als eerst deze kant op.
De bezetting is een feit en Amerika gaat naarstig op zoek naar iedereen die Trump wel eens heeft beledigd. Natuurlijk kom ik als hoofdredacteur van Dossiermoddergat als eerste in beeld. Wat heb ik wel niet over Trump gezegd? Hij is een zwamneus, een kleuter, een leugenaar, een crimineel, een lulhannes, een pedo, geen scheldwoord liet ik onbenut.
Nu moet ik even goed nadenken wat ik in zo’n situatie zou doen. Ik ben eenenzeventig jaar en dan wil je niet in zo’n detentiekamp komen zoals die in Vught en Westerbork inmiddels zijn ingericht. Ik kan me ook gewoon gedeisd houden, terugtrekken met mijn boeken, de boel aanzien, net zoals al die andere Nederlanders.
En dan weet ik het: die laatste optie vind ik toch het meest aantrekkelijk. Ik trek de stekker uit Dossiermoddergat, vernietig alle gegevens, wis mijn harde schijven. Ik ga misschien zelfs wel naar de verplichte feestelijkheden om Trump toe te juichen als hij als overwinnaar en redder van Nederland in Amsterdam wordt binnengehaald.
Conclusie van deze denkoefening: ik ben, net zoals mijn landgenoten, gewoon een lafbek. Ik kreeg zowaar even een vieze smaak van mijzelf in mijn mond toen bekend werd dat Trump de Nachtwacht uit het Rijks haalde en naar New York liet overbrengen. Maar ja, de laatste zeven jaar van mijn leven breng ik in relatieve rust door. En dat is toch ook wat waard.
Journal d’images
5x Readymades
Zondag 11 januari, Delft
Pake
Lieve Pake,
jammer dat je dood bent.
Maar verder komt
alles wel goed, hoor.
Liefs, Malu
__
Twee flessen
brandewijn
en nauwelijks
drie woorden
gesproken.
Message
This is a message
to Michael Sin.
This is a message
to Michael Sin.
Your wife is waiting at
Schiphol Airport.
Your wife is waiting at
Schiphol Airport.
Naderingsbeen
Volgens de getuigenverklaringen
werd het naderingsbeen
te veel naar links gevlogen,
te dicht bij het hek
en in de landingsrichting dus.
Bovendien loopt dit hek
niet evenwijdig aan de lierbaan,
maar er iets naar toe.
__
Kijk, een zeer plaatselijke sneeuwbui
op de schouders van mijn man.
Journal d’images
Stadswatcher
Zaterdag 10 januari, Delft
Mijn leven is streng ingekaderd. Dat heb je als je een border collie hebt. Als pensionado kan ik me niet eens permitteren te vervelen. Ik sta onder streng regime van mijn hond. Half tien: uitlaten. Twee uur: groot rondje door de stad. Zes uur: eten. Half elf: poepen, en snel terug naar huis. Het lukt me niet om onder dit schema uit te komen. Mijn border collie heeft een klok in zijn kop.
Als ik me niet aan het schema houd dat hij eenzijdig met mij heeft afgesproken, tikt hij me met poot of neus aan. Mocht ik dan nog niet reageren, dan gaat hij voor me zitten en kijk hij me doordringend aan. The Eye noemen ze dat. Border collies hebben dit geleerd om schapen te dwingen. De moderne border collie past The Eye nu ook toe op mensen: hij blijft je net zo lang fixeren tot je doet wat hij wil.
Het gevolg is dat ik ’s middags heel vaak hetzelfde rondje met hem loop. Ik vrees dat ik in Delft inmiddels een bekende stadsgenoot ben: ‘Kijk, daar loopt die man met die hond weer.’ Elke dag zie ik de stad rond ongeveer dezelfde tijd. Daardoor word je vanzelf ook een soort stadswatcher. Ik zie het als mijn persoonlijke taak om belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen op dit soort tochten te ontdekken. Als pensionado probeer je je toch enigszins nuttig te maken.
Attentie, nu volgt zo’n observatie. Er ligt al twee dagen sneeuw als ik het opmerk: er spelen helemaal geen kinderen buiten. Er worden volop sneeuwpoppen gemaakt, maar alleen door studenten, niet door kinderen. Voor ons huis is een man van middelbare leeftijd de hele ochtend bezig iets van sneeuw te maken. Hij rolt ballen, modelleert met een schep een pilaar of zoiets. Is hij misschien bezig een sneeuwpenis te maken – een nieuwe trend? Vanmorgen zag ik er op mijn tijdlijn een voorbij komen.
Als ik Dies uitlaat kan, ik pas goed zien wat hij heeft gebouwd: de Oostpoort. Uit ons andere raam kijk ik uit op de oudste stadspoort (circa 1400 na Chr.) van Delft. De man heeft hem aandoenlijk in sneeuw nagebouwd. Op mijn verdere tocht zie ik best veel mensen die een sneeuwpop maken. Maar niet door kinderen. Sterker: ik zie helemaal geen kinderen.
In de tijd dat ik Dies ’s middags uitlaat, kom ik langs twee scholen die uitgaan. Voor de scholen staat een leger ouders met bakfietsen. Als de school uitgaat, rennen de kinderen de bakfietsen in en worden vervolgens in sneltreinvaart afgevoerd. Vermoedelijk omdat er Zoom-afspraken op de ouders wachten. Ook op een Papadag kun je best nog een vergaderingetje meepikken.
Wat kinderen thuis doen? Geen idee. Vroeger schreef ik kinderboeken. Als ik er nog eens een teruglees, valt me vooral op hoe gedateerd ze zijn. De kinderen in mijn boeken speelden met z’n allen buiten, keken nooit op een telefoon, zaten nooit achter een computer. Mijn kinderen bouwden hutten, speelden vadertje en moedertje, struinden door bossen. Als het sneeuwde, waren ze dolblij en wisten ze niet hoe snel ze naar buiten moesten om te sleeën en sneeuwpoppen te maken. Mijn boeken zijn echt belachelijk ouderwets.
Journal d’images
Spul
Vrijdag 9 januari, Delft
Gisteren belde ik een oude vriend om hem te feliciteren met zijn vijfenzeventigste verjaardag. Tijdens onze studietijd en lang daarna zagen we elkaar een paar keer per week. Tot diep in de nacht dronken we whiskey-cola, wat ik daarna nooit meer gedronken heb. We bespraken de wereld en het leven en alle andere dingen die belangrijk zijn, niets uitgezonderd.
Mijn oude vriend bezat de gave om met zijn gitaar te gaan zitten, wat te pingelen, en even later had hij een kant-en-klaar nieuw nummer, inclusief tekst. De nummers nam hij op cassettebandjes op – in zijn kast stapelden de cassettebandjes zich op. Ik noemde hem altijd de Nederlandse Bob Dylan.
‘Man, wanneer ga je daar nou iets mee doen?’ zei ik een paar keer per jaar.
‘Ja, ja, dat komt wel. Ik moet er een keer rustig voor gaan zitten.’
Weer een jaar later: ‘Daar in de kast ligt een schat aan muziek. Stuur nou eens wat op. Benader een platenmaatschappij.’
‘Ik weet niet, hoor. Ik vertrouw ze niet. Voordat je het weet jatten ze je muziek.’
De nacht nadat zijn oudste dochter was geboren, maakten we de hele nacht muziek. Hij op gitaar, ik op bongo. Het leverde het prachtige nummer ‘Grote mama heeft een kleintje’ op. Een hit; wij geloofden er heilig in.
Ik ben ervan overtuigd dat veertig jaar later die cassettebandjes in een doos op zolder staan, een verstoft oeuvre.
Halverwege ons leven verloren we elkaar meer en meer uit het oog. Ik had Nijmegen verlaten en een drukke baan zodat ik niet meer wist of ik van voren of van achteren leefde. Mijn oude vriend begon met zijn gezondheid te kwakkelen en werd uiteindelijk afgekeurd voor het onderwijs. Wat hij niet erg vond, want hobby’s zat waarmee hij zich vermaakte.
Een paar jaar geleden belde hij na vele jaren zonder contact omdat een gemeenschappelijke vriend was overleden, later omdat er een gemeenschappelijke vriendin was overleden.
Daarna weer jaren geen contact. Tot hij me vorige maand op mijn verjaardag belde om te feliciteren. Hij vertelde me dat hij zo goed als invalide was, net zoals zijn vrouw die zich alleen nog in een scootmobiel kon voortbewegen.
Laat ik de traditie weer oppakken, dacht ik daarom gisteren en hem feliciteren. Helaas werd het geen opwekkend gesprek. Het leek alsof ik Johan Derksen aan de lijn had.
‘Maar jij wilt dat spul hier toch ook niet hebben?’
‘Wat bedoel je met spul?’
‘Nou, die asielzoekers.’
‘Dus jij bent ook al bevangen door de obsessie van de asielzoekers?’
Het hek was van de dam: we hadden niets meer over ons eigen land te zeggen, alles werd gedicteerd door dat Europa. Extinction Rebbelion, vreselijk, schande dat het mag, die demonstraties. Hetzelfde geldt voor die pro-Palestijnse demonstraties.
‘Welke krant lees je tegenwoordig?’ vroeg ik.
Zijn vrouw las nog de Volkskrant. Hij las geen kranten meer. Al die columnisten schrijven elkaar toch maar na, allemaal woke.
‘Het zal mijn tijd wel duren.’
‘Op wie heb je gestemd?’
‘Keijzer, BBB.’
‘Jij? Hoe is het mogelijk.’
‘Ja, op wie anders? Het is allemaal één pot nat.’
Nadat ik heb opgehangen loop ik naar de kamer waar Wyb zit te werken om stoom af te blazen.
‘Wat was je opgewonden aan het praten?’
‘Ik belde een oude vriend en was getuige van een totale metamorfose. Onbegrijpelijk.’
’s Avonds kijk ik naar een vierdelige documentaire met de titel ‘Wakker in Paraguay.’ Complotdenkers, wapppies en libertariërs wijken uit naar Paraguay. Waar ze, volgens eigen zeggen, veilig zijn voor de overheid die gestuurd wordt door de elite. Ik blijf de hele dag aan mijn oude vriend denken.
Journal d’images
Sneeuw
Donderdag 8 januari, Delft
Ik kan het me nog zo goed herinneren: je doet als kind de gordijnen open en je ziet dat het heeft gesneeuwd. Eerst is er verbazing: hoe mooi, een wereld die in één nacht helemaal wit is geworden. Hoe is het mogelijk. Dan is er opwinding, je wilt maar één ding: naar buiten.
En als je buiten staat – als eerste mens! – hoor je dat alle geluiden anders klinken, doffer, niet zo hard, intiemer. Voor je ligt het maagdelijke wit. Ga je hier voetstappen zetten? Je realiseert je dat het zonde is, de wereld is zo mooi. Toch doe je het. Die eerste stappen, het voelt bijna aan als een historische gebeurtenis. Jij, die als eerste door de sneeuw loopt. Zo moet Neil Armstrong zich vele jaren later ook gevoeld hebben toen hij als eerste mens een voet op de maan zette. De sneeuw knispert onder je laarzen. Je pakt je slee. Een aanloop, en je duikt erop. Glijden is een vorm van vliegen.
Een uur later begint het eerste sneeuwbalgevecht. Op de speelplaats vliegen de sneeuwballen over en weer. De eerste meisjes worden ingezeept, maar die laten zich niet op de kop zitten. De sneeuw kruipt via je hals langs je warme rug naar beneden. Als de sneeuw blijft liggen – en hij blijft gelukkig liggen – is het in de pauze een herhaling van het tafereel hiervoor. Na school gingen we naar de Echoput of de Goffert, waar steile hellingen waren, waar je heerlijk lang en hard vanaf kon glijden.
Tijdens mijn studietijd huurden we met vrienden een paar jaar een huisje in de Ardennen. We hadden het geluk dat het sommige jaren sneeuwde. We maakten op de helling van de heuvel waar ons huisje op stond een lange baan om te sleeën. De baan werd steeds gladder. Even weer kreeg ik dat heerlijke gevoel van mijn jeugd terug. Glijden is een vorm van vliegen.
Ik heb het idee dat het na mijn studietijd lange tijd niet meer gesneeuwd heeft. Ook in de tijd dat mijn kinderen klein waren, heeft het opmerkelijk weinig gesneeuwd. Jammer, ik had ze zoveel meer sneeuw gegund.
Ik werd ouder en zo nu en dan sneeuwde het natuurlijk wel. Ik vond het alleen maar lastig, het zorgde ervoor dat ik mijn agenda moest omgooien, of helemaal niet bij afspraken kon komen. In die tijd reisde ik als een gek door Nederland, per auto, per trein. Sneeuw was in die tijd alleen maar een spelbreker, een lastige onderbreking.
Zoveel plezier ik in mijn jeugd aan sneeuw beleefde, zo vervelend vind ik het nu. Ik beleef er nog enige lol in dat het keurige Nederland opeens ontwricht is, maar verder kan die sneeuw me gestolen worden. Als ik erop loop, zeker nu het wat aangevroren is, voel ik het dreigend gevaar van vallen.
Journal d’images
Monsterfile
Woensdag 7 januari, Delft
Wyb rekende uit dat wij in 2025 zeven keer naar Cadouin en terug zijn gereden. Heen is 1100 kilometer, terug idem dito. Je kunt dus gerust zeggen dat wij ervaren Frankrijk-reizigers zijn en kilometervreters. Voor wie honkvast is zal het vast als een gruwel klinken. Wij draaien onze hand er niet voor om. Er waren in mijn leven periodes dat ik 70.000 kilometer per jaar reed, alleen al met de auto, trein niet meegerekend – dus och, dan ben je wel wat gewend.
Onze tochten zijn tamelijk goed georganiseerd. Zo kunnen wij in een kwartier alle benodigde reisspullen ingepakt hebben. Samen in een auto zitten, vinden wij ontspannend. Elke ochtend luisteren we naar Radio 1. De middag is gereserveerd voor een podcast of Spotify. Tussendoor luisteren we naar een Franse zender voor de verkeerssituatie. Het zijn dagen van twee uur op en twee uur af. In de middag laten we Dies flink achter een frisbee rennen zodat hij helemaal kapot is. Dies is een perfecte reishond, hij kan de hele dag op de achterbank in coma ligt.
Belangrijkste les die ik de Frankrijk-reiziger kan meegeven, kies voor de Périphérique intérieur en niet voor de Périphérique extérieur. De bange Nederlander kiest standaard voor de extérieur, maar onze ervaring is: op de intérieur kun je veel beter doorrijden en zijn er veel minder files. Dus gewoon: dwars door Parijs rijden. Voor beide keuzes geldt: pas op voor kamikazepiloten op motoren en scooters, die met honderd kilometer per uur tussen de rijen auto’s door racen.
De laatste nacht dat we in Cadouin sliepen was het tien graden onder nul. Die avond zagen we onthutsende beelden uit Nederland van een land dat tot stilstand was gekomen. Het was voor het eerst dat we ons zorgen maakten over de terugweg. Waar begon de sneeuwgrens? Waren de wegen wel berijdbaar? De hele week was ons al opgevallen dat het in Cadouin weliswaar zwaar vroor, maar dat de wegen niet opvroren; die bleven gewoon droog. Ook die ochtend. Zonder problemen wisten we uit de Dordogne te ontsnappen.
Tot Parijs: hetzelfde recept. Soms doemde er een donkere lucht op, waar vervolgens niets uitviel. De snelwegen waren zo droog dat iedereen gewoon honderddertig kon rijden. Niks aan de hand. Rond Orléans werd het mistig, waardoor wij door een sprookje reden. De bossen langs de wegen zaten vol met rijp en leken daardoor van kristal. In Parijs: volop zon. Ik heb het al vaker bepleit, ga vooral met code geel of oranje de weg op. Veel mensen blijven thuis, waardoor jij lekker kunt doorrijden.
De problemen begonnen tussen Parijs en Lille. Een of andere onverlaat in dienst van de tolwegen had bedacht dat er maatregelen genomen moesten worden voor de sneeuwstorm van morgen. Twee rijbanen werden afgesloten met pionnen, voor het doorgaande verkeer was alleen de rechterrijbaan beschikbaar. Rond twaalf uur vannacht moest al het vrachtverkeer stoppen en zijn toevlucht zoeken op de twee rijbanen die nu leeg waren.
Bij de tolpoorten kwam iedereen op die ene rijbaan in een fuik terecht. Totale chaos, voor het eerst belandde ik in een monsterfile. Mijn opstandige ik zei me gewoon over die twee rijbanen te gaan rijden waar niets mee gebeurde. Mijn keurige vrouw weerhield mij ervan. Mijn humeur werd er niet beter van. Waren ze nou helemaal gek geworden?
Nadat we eindelijk bevrijd waren uit de monsterfile, reisden we opnieuw zonder problemen door België en Nederland en hadden we door die gekken van de péage liefst twee uur oponthoud gehad.
Dat nam niet weg dat we in de auto enorm hadden genoten van de reportages vanuit Schiphol waar mensen uit Canada, Noorwegen en Amerika al vier dagen wachtten op het ene na het andere geannuleerde vliegtuig en zich afvroegen wat Nederland bezielde om door een beetje sneeuw ontwricht te raken. Ik wist het antwoord wel: allemaal de consequentie van ons efficiencydenken: winst is belangrijker dan kwaliteit. Maar ja, leg dat maar eens uit aan een gestrande reiziger.
Niet ver van ons huis in Cadouin ligt deze bosweg, Impasse de Patience. Aan de weg ligt aan het begin één huis, daarna klimt de weg steil omhoog het bos in. Ik zou graag in dat huis willen wonen en dan kunnen zeggen: ‘Mijn adres is Impasse de Patience.’ Vrij vertaald betekent dit: de Doodlopende weg van het geduld. Het is meer een statement dan een straatnaam. Als gedoemd aanhanger van het ongeduld is het de ideale straatnaam voor me.
Jachtgeweer
Maandag 5 januari, Cadouin
Laat er geen misverstand over bestaan: Frankrijk is een prima land. Hier is ruimte, natuur om je vingers bij af te likken, heerlijk eten, vaak mooi weer. Maar soms denk je wel eens: wat zou het leuk zijn als hier in Frankrijk Italianen of Engelsen zouden wonen in plaats van Fransen. Het zou er een stuk gezelliger van worden. Die Fransen zijn best rare jongens. Veel bekende vooroordelen blijken, nu ik ze wat beter ken, eigenlijk prima oordelen te zijn.
Om er een paar te noemen. Die Fransen zijn gek op staken of de boel blokkeren; geen gelegenheid laten ze voorbij gaan. Het zijn ook ondernemers van lik-me-vestje. Probeer hier maar eens een afspraak met een loodgieter of schoorsteenveger te krijgen. Elke afspraak wordt nauwkeurig afgehouden, ze hebben er een oeuvre aan smoezen voor. Daar komt bij dat die Fransen ook niet bepaald open en opgewekte lieden zijn. Ze zijn best gesloten en verkeren het liefst in de familiekring. De familie staat voorop. De rest zal ze worst wezen.
Ik begin hierover omdat ik graag mijn gram kwijt wil over twee buitengewoon nare gewoontes van die Fransen. Het eerste betreft hun manische dwang om te jagen. Elk dorp hier heeft een jachtvereniging, wat je best een klein leger kunt noemen. Met z’n allen trekken ze vrijwel elk weekend de bossen in. Omdat zo’n beetje elk dorp zo’n legertje heeft, lopen er hier in de uitgestrekte bossen zomaar een stuk of tien rond.
Het jagen is voor de dieren desastreus. Er is geen enkel toezicht, dus regels worden zonder problemen aan de laars gelapt. Het gevolg zijn leeg gejaagde bossen. Mocht je ooit tussen september en maart in Frankrijk zijn: ga op zaterdag en zondag niet zomaar wandelen in de natuur. Elk jaar kost het aan zo’n twintig onschuldige passanten het leven. Ondanks het wapentuig is er voor de jager geen reden om de drank te laten staan.
Een ander zeer irritant gegeven bij die jacht is het knallen. Ik noemde ons eerder vuurwerkvluchtelingen, maar we zijn van de regen in de drup gekomen. Rond ons huis werd de eerste dagen volop gejaagd. Het resultaat: Dies zit weer op mijn schoot te bibberen van angst. Zie onderstaande foto.
De tweede ergernis betreft een andere nare gewoonte van de Fransman. Ze scheppen er enorm genoegen in om met van die kloterige crossmotoren respectloos door de bossen te scheuren. Dit weekend lopen we door de uitgestrekte bossen tussen Cadouin en Paleyrac. Het is een heuvelachtig landschap en nu er geen bladeren aan de bomen zitten zijn er prachtige uitzichten. De stilte zou er oorverdovend zijn, ware het niet dat op onze wandeling twee uur lang een crossmotor ons auditief terroriseerde. Hoe ver hij ook van ons verwijderd is, overal is het geronk te horen. Als hij vlakbij is denk ik: had ik nu maar een jachtgeweer.
Journal d’images
Lezen
Zondag 4 januari, Cadouin
Lang geleden ging ik bij een vriendin op bezoek. In haar boekenkast stonden alle boeken op kleur gesorteerd. Met verbazing keek ik ernaar. ‘Wat vind je ervan?’ ‘Kleurrijk.’ In haar boekenkast was een soort regenboog gevormd. Ze was te aardig om te vertellen wat ik er werkelijk van vond. Eigenlijk vond ik het een minachting van het boek. Een boek is geen kleurtje, een boek is een monument. Een monument om het leven, een idee, een geschiedenis te verbeelden. Hier waren boeken ministeck geworden. Boeken horen in alfabetische volgorde te staan, op genre of in rubrieken – nooit op kleur.
Het idee van boeken op kleur komt terug in een artikel van NRC van afgelopen vrijdag. Jezelf de opdracht geven: boeken lezen met covers in alle kleuren van de regenboog. Het artikel gaat over challenges, het hele jaar door dagen lezers zichzelf uit, of in groepen, om meer te lezen. Zoals: boeken lezen van auteurs uit zoveel mogelijk landen, titels lezen op basis van het alfabet. Jezelf of in een groep de opdracht aannemen één boek per week te lezen, of honderd in een jaar. Op zich allemaal begrijpelijk, het lezen kachelt toch al zo achteruit. Je moet iets verzinnen om het lezen terug te winnen. Er zijn al diverse apps die je daarbij helpen, de grootste is Goodreads, voor wie interesse heeft.
Toch lees ik het artikel met ongeloof. Het staat haaks op de manier waarop ik lees. Ik heb het lezen van boeken nog nooit geassocieerd met kwantiteit. Ik moet er ook niet aan denken om boeken in groepsverband te gaan lezen. Het plezier van het lezen zit voor mij juist in het feit dat het in wezen een solitaire aangelegenheid is. Met een boek plons je in een andere wereld en je sluit je af van de bestaande wereld.
‘Wat prefereer je: de theaterwereld of de literaire?’ is mij diverse keren gevraagd. Het antwoord wist ik meteen: de literaire wereld. En dat had alles met het solitaire karakter van het boek te maken. Het lukt je alleen een goed boek in afzondering te schrijven. Het is een compromisloos proces, evenals het lezen van een boek. Bij een theaterproductie bemoeien zich Jan en alleman met het maakproces, het is per definitie een compromis en als je het consumeert doe je dat met een zaal vol mensen. Mensen die kuchen, kraken, snurken, fluisteren. Er gaat niets boven een boek lezen in een stoel zonder dat iemand je afleidt.
Samen een boek kiezen, ook dat staat haaks op mijn manier van door de literatuur zwerven. Achter mijn keuze zit geen enkele doelstelling, het ene boek brengt mij bij het volgende, een recensie, het advies van een vriend, toeval, een geschenk, er zijn zoveel oorzaken die mij bij een volgend boek brengen. Ik heb geen enkel educatief doel bij het lezen, geen maatschappelijk doel, ik ken eigenlijk alleen het genot van het escapisme dat een boek mij bezorgt en de kracht van het verhaal.
Dat zwerven wil niet zeggen dat lezen voor mij een vrijblijvende activiteit is. Zoals ik al zei, is een boek voor mij een monument. Het is voor mij de manier om mensen te ontmoeten die ik zonder boek nooit zou ontmoeten, avonturen mee te maken en streken te bezoeken die anders aan mijn neus voorbij zouden gaan. Boeken zijn mijn manier om de wereld te bereizen en te leren kennen.
Aan de gevel van Boekhandel Heinen in Den Bosch hing altijd een uitspraak van Kafka: ‘Een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons’. En zo is het.
Journal d’images
Hier begin ik in het boek dat ik momenteel lees: De eenzaamheid van Sonia en Sunny van de in India geboren, maar in de Verenigde Staten wonende schrijfster Kiran Desai. Het boek is genomineerd voor de Booker prize 2025 en wat mij betreft krijg zij de prijs.
Check
Zaterdag 3 januari, Cadouin
Wyb laat Dies ’s ochtends uit en ik doe dat voor het slapen gaan. Prima verdeling. Wyb is ’s ochtends op haar best, ik ’s avonds. Al is het niet altijd makkelijk. Vaak denk ik er ’s avonds niet aan. Pas als het laat is en ik wat drank op heb, lekker op de bank hang en naar iets interessants op televisie kijk, realiseer ik me dat ik Dies nog moet uitlaten. ‘Och jee, die rothond moet nog uit.’
‘Diesje, lieve schat, je moet nog uit.’ Dies kijkt me aan en ik zie hem denken: och man, schei uit. Hij draait zijn kop van mij af, waardoor hij het onheil denkt af te wenden. Als ik mijn jas aan heb en mijn zaklamp heb gepakt, weet hij dat er geen ontkomen aan is. Uiterst langzaam en stijf staat hij op.
Gisteravond, of eigenlijk moet ik zeggen gisternacht, zie ik meteen dat hij wild in zijn neus heeft. Weg is de luiheid, zijn staart gaat omhoog, hij is een en al alertheid. We dalen de berg af naar ons weggetje en dan schiet hij weg.
De nacht is prachtig. Volle maan, de hele vallei is fel verlicht. Wat moet dat in vroegere tijden een feest zijn geweest. Volle maan, eindelijk kon je ook ’s nachts iets doen. In Delft zie ik nooit sterren, het valse licht overheerst alles. Hier is een oceaan aan sterren, nergens vals licht. Ik kan me goed voorstellen dat mensen vroeger behoefte aan god hadden. Zo’n imposant spektakel boven je hoofd, het overstijgt het bevattingsvermogen.
Ik roep Dies, die meteen terugkomt. Hij voelt zich een hele pief. Staart omhoog. I’m the macho man. Het lijkt heel wat, maar hij is gewoon een lafaard. Hij jaagt poezen en dassen met veel bombarie op, maar als ze blijven staan, deinst hij terug.
Ik blijf even staan om naar de oneindigheid te kijken. Dat kan lang niet altijd. Meestal beland ik als ik Dies uitlaat in de totale donkerte. Het enige licht komt van mijn zaklamp, een zielig straaltje licht. De stilte is dan alles overheersend. Soms hoor ik in de verte een uil roepen. Op het eind van de zomer klinkt vaak het burlen van de herten. Verder is het doodstil.
Ik kan me van vroeger de angst voor het donker herinneren. Als ik ’s avonds iets in de schuur moest wegleggen, kon ik opeens de dreiging van de donkerte voelen. Een beetje fantasie en je ziet overal spoken. In Cadouin heb ik dat wonderlijk genoeg nooit. Ik weet dat iemand mij van ver met mijn zaklamp kan zien staan. Maar ik weet ook dat die iemand er niet is. We wonen hier zo verlaten, zelfs elke dreiging is ver weg.
Dies heeft zijn behoefte gedaan en ik ben blij dat ik weer naar binnen kan. ’s Avonds, als de zon is verdwenen, wordt het deze dagen erg koud, zeker met zo’n heldere hemel. Eenmaal binnen installeer ik me weer op de bank, Dies ligt weer aan onze voeten. Plicht voldaan. Check.
Journal d’images
Paden
Vrijdag 2 januari, Cadouin
Gefeliciteerd, lezer, je hebt de nieuwjaarsnacht overleefd en hebt minstens nog één oog over om dit blog te lezen. Sorry dat ik wat cynisch begin. Maar de beelden die wij van semi-oorlogsgebied Nederland zagen waren, zeker voor ons die die deze dagen op een eenzame berg in Frankrijk wonen, tamelijk absurd.
Wat een tegenstelling in het beleven van Oud en Nieuw. De mensen die ik op televisie zie schieten met vuurwerkmitrailleurs staan verder van me af dan de Eskimo’s in Groenland. Wat jammer dat ik met deze mensen in één land moet wonen. Terwijl zij hun vuurwerk inkopen met papa of hun maten, wandelen wij door een landschap dat volgens mij in niets verschilt van de Middeleeuwen. Wij lopen over paden die eeuwen oud zijn. Hier heerst bovenal de stilte.
Mensen die in de vakantiemaanden in de Dordogne zijn geweest, zouden eigenlijk eens in de winter terug moeten komen. Ze zullen de streek niet herkennen. In ons dorp wonen in de zomer, schat ik in, zo’n 300 mensen. In de winter zijn dat er hoogstens nog een stuk of dertig.
Nu ziet de Dordogne er in haar meest pure vorm uit. Lege wegen, stille paden. Op onze wandeling komen we helemaal niemand tegen, zelfs geen auto. Ik stel me de monniken voor die hier in dezelfde stilte liepen als wij. Hetzelfde pad gingen als waarop wij lopen. Maar het kan ook goed zijn dat het pad al is gevormd door de voetstappen van de Cro-Magnonmens, duizenden jaren eerder – wij wonen in de kraamkamer van de Europese geschiedenis. Ik wilde bijna schrijven: ‘de kraamkamer van de Europese beschaving’. Maar het woord beschaving vond ik na die beelden uit Nederland eigenlijk niet op zijn plaats.
Als ik op ons weggetje loop en eens goed naar onze berg kijk, zie ik door de kale bomen allerlei bouwsels. Het kunnen restanten zijn van de terrasmuren die de monniken hier aanlegden om hun wijn te verbouwen. Maar de muren die ik tussen de bomen ontwaar, zijn daar eigenlijk te hoog voor. Het zou goed kunnen zijn dat het overblijfselen zijn van kleine huisjes, wie weet woonde er op onze berg een kleine gemeenschap van mensen. Binnenkort zal ik toch eens dit deel van de berg opgaan dat eigenlijk van onze buurman is. Wie dat is, weten we niet. Er woont niemand en we hebben geen idee wie de eigenaar is van dit stuk berg dat eigenlijk één groot verwilderd bos is.
Thuis kom ik op Facebook de volgende tekst tegen: ‘Liever volstrekt eenzaam. Liever eenzaam met jou dan de honderden compromissen van oppervlakkige contacten. Liever die bewust doorleefde eenzaamheid dan de lelijke troost van handen schudden, het wangen kussen, de ijdele praat. Liever het moeizame jij dan het gemakkelijke onderons. Liever het karige gesprek dan de van woorden wemelende koffiekransen, kroegen en talkshowtafels.’
Het blijkt een tekst van de onlangs overleden dichter Leonard Nolens te zijn. Ik had hem graag zelf willen schrijven. Ik kon zelfs niet van de tekst afblijven. Als laatste woord stond er ‘cenakels’ en daar heb ik – schande! – talkshowtafels van gemaakt. Met excuses aan Leonard Nolens. Maar wat zijn in godsnaam cenakels? Voor wie het wil weten: het is een ruimte waar besloten vergaderingen worden gehouden. Het wordt ook wel gebruikt als aanduiding van een literaire bijeenkomst.
Journal d’images
Gammel
Donderdag 1 januari, Cadouin
Ik moet toegeven dat ons nieuwjaarsmoment weinig florissant was. Terwijl in Nederland een orgastisch knalfeest bezig was, menig kinderoog werd vernield en tamelijk veel losse handjes door de lucht vlogen, deden wij het licht uit.
De eerste fout is de grootste fout. En de eerste fout begingen wij door de avond voor oudejaarsavond onze Franse buurvrouw met een Koerdische vriend uit te nodigen. Het was een gezellig samenzijn, waarin de Koerdische vriend zich ontpopte tot de grootste drinker die ik ooit heb ontmoet. En dat wil wat zeggen, want mijn familie bestond/bestaat sowieso uit geweldige innemers. Ik bleef zijn glas inschenken tot er van onze wijnvoorraad niets meer over was.
Gezelligheid kent geen tijd, zegt het spreekwoord. Maar dat is niet waar. Op een gegeven moment is de gezelligheid op, kan ik uit ervaring zeggen. Bezoek krijgen is leuk, tafelen vind ik heerlijk, maar na het komen is er ook een tijd van gaan en dat voelt niet iedereen aan. Onze buurvrouw en de Koerdische vriend bleven maar zitten. Wyb en ik hingen inmiddels lodderig aan tafel. Ik verstond steeds minder wat ze zeiden.
Uiteindelijk, de wijn was op, verlieten ze het pand. Ze glibberden naar huis, want de nachten hier in Frankrijk zijn ijskoud en onze trap bleek onder het ijs te zitten. Wyb en ik vielen in bed. De afwas zou de volgende ochtend wel komen.
De volgende dag waren onze hoofden ernstig aangetast door drank en slaapgebrek. En we moesten ook nog de troep van de vorige avond opruimen. Een dag kan fijner beginnen.
Pas op het eind van de dag werden we opgepept door het traditionele bezoek aan mijn Franse Nichten die elk jaar een uitgebreide apéro houden op oudejaarsdag. Inmiddels kent het gezelschap elkaar tamelijk goed, dus het wordt steeds gezelliger. Maar wat is een apéro zonder drank en lekker eten? Dat hoef je mijn Franse Nichten niet te vragen, want daar hebben ze geen weet van, bij hen zijn glazen en tafels altijd gevuld met de lekkerste dingen.
Tegen half negen reden we door een donkere Dordogne naar huis. We verheugden ons op Peter Pannenkoek, maar zelfs hij was niet in staat om ons wakker te houden. Dan viel ik weer in slaap, dan Wyb weer. We waren te gammel om onze ogen open te houden. Tegen kwart voor twaalf schrok ik wakker, Wyb lag naast me op de bank in diepe slaap.
‘Wyb, wakker worden, het is bijna twaalf uur. Ik pak de champagne vast, hoor.’
Peter Pannenkoek was met een bevlogen einde bezig. Dat klonk goed, maar wij waren de context totaal kwijt.
‘Ik heb helemaal geen zin in champagne, wat mij betreft blijft de kurk op de fles.’ Het is de eerste keer in ons 25-jarig bestaan dat ik dit Wyb hoor zeggen. De kurk op de fles? We gaan een nieuwe tijd tegemoet.
We tellen slaperig mee af. Ja! Twaalf uur! We kussen elkaar en wensen elkaar een gelukkig nieuwjaar.
‘Zullen we meteen maar naar bed gaan?’
‘Ja, graag.’
Terwijl wij slapen vindt in Nederland een orgie van vuurwerk plaats. Ik heb het vaker gezegd in 2025 en nu voor de eerste keer in 2026: Nederland is een psychiatrische patiënt.
Journal d’images
alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2026