Dossiermoddergat.nl
gerardtonenblogt2026, juli/aug
Tokshowtafels
Vrijdag 31 juli, Delft
Ik kan zo opzien tegen het nieuwe televisieseizoen. Dadelijk zijn ze terug van vakantie en dan beginnen de tokshowtafels weer. Wie een voorproefje wil zien, raad ik aan naar Goedenavond Nederland van WNL te kijken. Ik heb nu twee pogingen gedaan en elke keer haakte ik na een kwartier af. Wat is het toch een crime om in een land te leven met een obsessie. Altijd weer de asielproblematiek. Wat kunnen we daar toch heerlijk eindeloos over ouwehoeren.
Laten we nou gewoon vaststellen dat we alles weten over dit onderwerp. Alleen wie iets nieuws zegt over asielzoekers, de asielketen of iets anders wat ermee te maken heeft, mag iets zeggen. Mensen die met cijfers en inzichten komen die we allang kennen: mond houden. Evenals mensen die voor de zoveelste keer hun ongerustheid uitspreken of de boel zitten op te hitsen. Omvolking? Donder toch op met die onzin. Eindelijk weer eens ruimte voor interessante onderwerpen.
Proef dat Goedenavond Nederland, het is alsof je ongekruid eten moet eten. Het zout ontbreekt, de peper, laat staan de kurkuma, de Provençaalse kruiden, de sambal of noem maar op. Deze tokshowtafel is een gortdroge prak. Esprit? Flux de bouche? Inventiviteit? Luciditeit? Nooit van gehoord. Moeilijke woorden? Zoek maar op. Het enige wat belangrijk is bij de selectie van de gasten is dat je lid bent van de VVD en humorloos. Alleen Jort Kelder mag af en toe dienen als liberale stuiterbal.
WNL zet als host een leuke frisse jongen en een leuke frisse jonge vrouw neer om de uitstraling een beetje op te peppen. Maar die frisheid verhult natuurlijk niet dat we hier met nitwits hebben te maken met te weinig politieke en culturele bagage. Eens lekker doorvragen, ho maar. Ik kan zo terugverlangen naar Barend & van Dorp, Paul Witteman, Koos Postema en noem maar op. Was vroeger alles beter? Ja, vroeger was echt alles beter.
Waarom was vroeger alles beter? Omdat toen nog niet het idee bestond dat alles gericht moest zijn op de ‘hardwerkende Nederlander’, de ‘gewone Nederlander’, de ‘mensen thuis’. Oftewel: the middle of the road. Het idee stond voorop dat je een spannend, goed en gevarieerd programma wilde maken. Wanneer zie je nu nog een schrijver aan die tafels zitten: een kunstenaar, een wetenschapper die we niet kennen, een paradijsvogel? Nu zijn tokshowtafels voornamelijk journalistieke onderonsjes geworden. Journalist interviewt journalist.
In september verschijnt hij weer: Wouter de Winther met zijn smalend Telegraaf-lachje. Dat had hij twintig jaar geleden ook niet gedacht dat hij als journalist van een foute krant zo’n beetje elke avond, onder het mom van journalistiek, zijn rechtse praatjes in de hoofden van mensen mag schuiven.
En we zien dan weer dat andere natuurverschijnsel: de in ongenade geraakte politicus Halbe Zijlstra (beter bekend als Halbe de Sloper), die zeer regelmatig mag verschijnen aan tafel bij Pauw; samen met de politieke sterverslaggeefster Elodie Verweij. Goh, wat krijg ik, als ik haar zie, heimwee naar Wouke van Scherrenburg. Die Pauw heeft een neus voor oninteressante gasten. Nu realiseer je je pas hoe goed Paul Witteman was, met hem zou dit nooit zijn gebeurd. Zonder Wittemans is Pauw stuurloos. De oud-bestuurders van de VARA hebben zich al lang omgedraaid in hun graf. En dat nuffige shawltje van Pauw irriteert me ook — een detail, ik geef het toe, maar toch.
‘Hé, Blogger, als jij je zo zit te ergeren, dan zet je de tv toch uit,’ hoor ik de lezer denken. En daar heeft de lezer ook helemaal gelijk in. Doe ik ook, hoor. Het beeld floept uit en ik geniet eindelijk weer van mijn avonden. Maar er is toch wel één omroep die een goede tokshow kan maken? Schaf nou eindelijk eens een goede redactie aan. Wordt het niet de hoogste tijd dat Dieuwke Wynia terugkomt om de boel eens goed aan te jagen? Die kon tenminste iets.
Jammer ook dat Sven Kockelmann, die ik toch een van de beste interviewers van Nederland vind, nu ook in het konijnenhol van rechts gevangen zit. Ook daar: VVD-lidmaatschap verplicht. Die VVD heeft dat toch maar mooi geflikt met dat WNL.
Journal d’images
Ruis
Donderdag 30 juli, Delft
Ik moet op het rechte pad blijven. Niet dat ik nou meteen de criminaliteit induik; maar wat ik bedoel: ik moet gewoon doen wat ik de afgelopen jaren heb gedaan. Elke dag een blogje schrijven, wat zwerven, foto’s maken.
Ik schrijf dat omdat een mens al snel wordt bedreigd door ruis. Door die filmpjes die ik met Anne maak, komen er opeens dingen op mij af waar ik voor moet oppassen. Opeens zijn er mensen die iets van mij willen.
Anne krijgt als actieve instagrammer altijd allerlei uitnodigingen. Door het succes van onze filmpjes krijg ik opeens ook allemaal uitnodigingen. Anne wordt dan uitgenodigd voor een festival en krijgt daarbij het verzoek of ze haar vader mee wil nemen. ‘Jullie zijn samen zo leuk.’ Ik hou helemaal niet van festivals. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt naar een festival te gaan.
Erger nog. Ik moet bekennen dat ik onlangs mijn eerste reclamefilmpje heb opgenomen. Anne werd uitgenodigd om, betaald, een filmpje over een of ander drankje te maken. Dat moest dan wel samen met haar vader gebeuren. ‘Wij genieten zo van jullie filmpjes.’ En om Anne ter wille te zijn, heb ik er inderdaad aan meegewerkt, geheel tegen mijn principes in. Ik wil niet meewerken aan commerciële uitingen, dat doen al genoeg mensen.
Het filmpje toonde perfect hoe onhandig Anne en ik samen zijn. Ik wilde ijsblokjes uit de vriezer halen en meteen glijdt een hele zak frambozen uit de vriezer. De vloer was bezaaid met bevroren frambozen. Met een stoffer en blik raapte ik ze op, een scène die uiteindelijk in het filmpje terechtkomt. Mijn advies: als je een cocktail maakt, houd altijd stoffer en blik bij de hand.
Ik zeg tegen Anne: ‘Ik wil nooit meer commerciële filmpjes maken.’
‘Echt nooit meer?’
‘Nooit meer.’
‘En als ik nou een huisje regel in Griekenland?’
Ik weet dat ik niet mag zwichten, want voordat ik het weet, heeft ze dat geregeld.
‘Nooit meer.’
‘Of als ik iets bij de Bever regel?’
‘Anne, nooit meer.’
En dan heb ik het nog niet gehad over dames die met me op date willen en over het feit dat ik gescout werd voor een televisieprogramma. Overal dreigt ruis, ruis, ruis.
Benne stuurt me een appje met de vraag of ik in Dossiermoddergat de folder wil opnemen waarin de verkoop van de kunstwerken van zijn overleden vriend wordt aangekondigd. Ik kan moeilijk verzoeken van Benne weigeren. Maar ik overtuig hem met het principe dat de lezers van Dossiermoddergat precies krijgen wat ze verwachten: namelijk mijn dagelijkse gezeur. En ik wil ze niet lastigvallen met zaken waar ze niet om hebben gevraagd. Gelukkig begrijpt hij me. Samen hebben we al jaren een afkeer van reclame. De jaren zeventig hebben diepe sporen in ons achtergelaten.
Nu hoop ik niet dat oude vrienden dit lezen. Want die zullen zich misschien herinneren dat ik mij ooit, toen ik hoofd marketing van de schouwburg en De Oosterpoort in Groningen was, nog heb laten opleiden tot gediplomeerd reclameman. ‘En dan nu ineens principieel doen, Blogger?’
Ja, kan ik in alle eerlijkheid zeggen. Ik heb dat diploma gehaald omdat ik alle kneepjes van het reclamevak wilde leren kennen om — en nu komt het — zoveel mogelijk mensen naar het theater te krijgen. Het was de tijd dat ik nog idealist was en dat ik mij een soort missionaris voelde voor theater. Mensen misten zoveel. Ze zouden pas gelukkig worden als ze naar het theater gingen. En ik was daar tamelijk fanatiek in. Niet voor niets dichtte een bekend dichter ooit: ‘De kunst van Tonen, is het tonen van de kunst.’
Eerlijk gezegd is dat in feite nog steeds zo. Al gaat het nu om het tonen van mijn kunst. En daar past geen ruis bij, want er is verdomme al zoveel ruis. Mijn kunst is juist het elimineren van ruis.
Journal d’iimages
De totale overgave
Woensdag 29 juli, Delft
De avond met de eerste Zomergast van dit jaar, Peter Pannenkoek, begon fantastisch. Hij liet een fragment zien uit een documentaire over de Belgische schilder Sam Dillemans. Een man die maar één doel in zijn leven heeft: keihard werken, alles geven wat hij heeft om het niveau van Rembrandt en Picasso te halen. Aangezien hij naar eigen zeggen niet aan deze kunstenaars kan tippen, moet hij 320 jaar worden om hun niveau te halen. Dit betekent dat hij zo lang mogelijk moet zien te blijven leven. Met boksen en het leiden van een sober leven doet hij zijn uiterste best om in goede conditie te blijven. Daar komt bij dat hij, om geen minuut van zijn leven te verliezen, alles buitengewoon streng plant. Elke ochtend permitteert hij zich een kop koffie in een café, maar dat cafébezoek mag niet langer dan acht minuten duren. Daarna moet hij weer aan de slag.
Peter Pannenkoek bekijkt de documentaire minimaal een keer per jaar. Het is een voorbeeld voor hem hoe hij zelf wil werken. Als je goed wilt worden, moet je de dingen helemaal doen: met totale overgave. Zo niet, dan word je een halve kunstenaar, zegt hij in de nabespreking.
Het concept van de totale overgave spreekt mij erg aan. Slechts één keer in mijn leven heb ik volgens dat concept kunnen leven. Dat was van 1989 tot 1997. Het was de tijd dat ik mocht werken aan een nieuw theater en het vervolgens ‘in de markt’ mocht zetten. Vanaf het begin realiseerde ik me: dit mag ik slechts één keer in mijn leven doen: genoeg gelanterfant. Dit ga ik niet voor 100% doen, maar voor 150%. De komende jaren is er niets belangrijkers dan dit. Ik zal er godverdomme voor zorgen dat het een succes wordt. Zeven jaar lang moest alles wijken voor dit voornemen. Het was de totale overgave. En toen had ik er ook goed de balen van.
Daarna is er nog één moment in mijn leven geweest waarop ik weer tot de totale overgave besloot. In Apeldoorn gingen mijn mededirecteur en ik met onenigheid uit elkaar. Met sommige mensen valt gewoon niet samen te werken. Een goed moment om afscheid van het theater te nemen, vond ik. En ik besloot niet langer een halve kinderboekenschrijver te zijn. Om in de termen van Peter Pannenkoek te blijven: eindelijk zou ik een hele kinderboekenschrijver worden. Ik zou alles opzij zetten voor het schrijven. Het theater kon de pot op.
Ik had gesprekken met mijn uitgever en verzon projecten. En daar zat ik dan in mijn kamer achter de laptop. Al die druk, druk, druk: weg. Eindelijk verlost van al die sociale drukte waar ik zo van had gebaald. Eindelijk tijd voor de totale overgave.
Maar al na drie weken voelde het als een verschrompeld bestaan. Ik had helemaal niet de guts om in mijn eentje met totale overgave te werken. Ik vond het helemaal niks. Ik was gewend te schrijven aan de randen van mijn werk. Het werd mij al snel duidelijk dat ik geen hele schrijver kon zijn: ik was gewoon een halve. Niks totale overgave.
Wat was ik blij toen Matthijs Rümke me vroeg of ik samen met hem Het Zuidelijk Toneel wilde gaan leiden en me weer het theater introk. Eindelijk kon ik weer een halve schrijver worden.
Journal d’images
Zoek Mijn
Maandag 27 juli, Cadouin
Een paar maanden geleden zat ik in Cadouin en was Wyb voor drie dagen naar Nederland gevlogen om te werken. Op donderdagavond had zij late dienst op het ministerie, wat betekent dat ze tot elf uur ’s avonds moest werken. Ze liet me weten dat ze na haar dienst met collega’s nog iets ging drinken.
Anderhalf uur later had ik nog steeds niets van haar gehoord. Ik keek op Zoek Mijn, die fantastische app waarmee je kunt zien waar iemand zich bevindt. What the fuck! Ik zie dat ze op een industrieterrein is. Staat haar trein daar misschien stil? Maar er rijdt daar helemaal geen trein. Op de kaart zie ik dat het een verlaten industrieterrein is.
In dit soort situaties ben ik heel slecht. Ik denk dan meteen het ergste. Ontvoering? Verkrachting? Ben ik geografisch getuige van het overspel van mijn vrouw? De bezorgdheid raast door mijn lijf. Ik probeer haar te bellen, maar ik krijg de mededeling dat het telefoonnummer momenteel niet bereikbaar is. Wat kan ik op twaalfhonderd kilometer afstand doen? Moet ik de politie bellen, die haar mogelijk nog op tijd kan redden?
Die ongerustheid, die mateloze bezorgdheid, had ik al in mijn vroegste jeugd. Als ik als tienjarige alleen thuis was omdat mijn ouders boodschappen deden en ik in de verte een sirene hoorde, schoot de ongerustheid door mijn lijf. Het is een ziekelijk, panisch gevoel. Ik zag mijn ouders al op straat liggen, gewond, aangereden. Wie weet waren ze wel overleden, was ik nu wees. Ik pakte mijn fiets en reed in de richting van mijn ouders, waar ze dan ook waren in de stad.
Tot mijn grote opluchting zie ik op een gegeven moment het rondje met de W van Wyb bewegen en richting de snelweg naar Delft kruipen.
Uiteindelijk bleek Wyb in de auto te zitten bij een collega die een aantal collega’s naar huis bracht. Op het moment dat ik haar spotte, zetten ze een collega af. Op een industrieterrein? Hij woont in een flat die net was gebouwd op een voormalig industrieterrein, een flat die ons ook nog werd aangeboden toen wij al in Delft woonden. Op weg naar huis kan ik Wyb gelukkig al bereiken en vertelt ze hoe de vork in de steel zit. Eindelijk kan ik gerust gaan slapen.
Eergisteren gebeurde ongeveer hetzelfde. Anne is naar Landjuweel, een festival in Ruigoord. Ik wist dat ze op een elektrische fiets naar het festival zou gaan en ’s nachts, tot mijn grote bezorgdheid, terug naar huis zou fietsen. In de ochtend kijk ik of ze goed is thuisgekomen. What the fuck! Ik zie dat de A van Anne langs een weg in de Amsterdamse haven staat, ergens tussen Ruigoord en de stad. Dezelfde angstbeelden razen weer door mijn hoofd: beroofd, verkracht, vermoord.
Ik probeer haar te bellen. De telefoon gaat een paar keer over. Dan neemt ze gelukkig op.
‘Alles goed met je?’
‘Ja, waarom niet?’
‘Je zou naar huis gaan en ik zie dat je ergens op een haventerrein bent.’
‘Ja, hier is de camping van Landjuweel en ik heb besloten hier vannacht te blijven. Was je weer ongerust?’
Inmiddels is iedereen op de hoogte van mijn ziekelijke ongerustheid.
Ik had er ooit mee naar een psycholoog moeten gaan. Maar voor de jaren die mij nog resteren vind ik dat zonde van het geld. Mijn naasten en ik moeten er maar mee leven. Ik weet dat het lastig is, maar het is niet anders.
‘Waarom verwijder je die app niet, gek?’ hoor ik de lezer denken. Als er iets ernstigs gebeurt, kijk ik het noodlot liever recht in de ogen. Overigens hebben Wyb en Anne dezelfde app. Anne omdat ze bloednieuwsgierig is, Wyb omdat ze mij in de gaten wil houden als ik met Dies door de bossen wandel: stel dat er iets gebeurt, dan weet ze waar ik lig. Best handig, zo’n app.
Journal d’images
Ecce homo.
De wijde wereld
Zondag 26 juli, Cadouin
1.
Elke ochtend gooi ik als eerste het raam open van onze slaapkamer en de ijzeren luiken die ervoor zitten. Onder mij ligt de tuin, daarachter het weggetje en daarachter, of beter gezegd daaronder, de vallei. Het uitzicht wordt enigszins belemmerd door negen hoge bomen. Wat ik niet erg vind, want ze zorgen dat de wijde wereld, die nu voor me ligt, ietwat intiemer wordt.
Ik sta daar piemelnaakt in het raam; ik slaap namelijk naakt. Zoals ik in dat raam sta, voel ik mij een beetje de paus die het Urbi et Orbi uitspreekt, wat ‘voor de stad en voor de wereld’ betekent. Ik heb alleen geen gelovigen. Ik ben een naakte paus. Het is heerlijk de frisse ochtendlucht tegen mijn lijf te voelen.
Ik volg dit ritueel nu al vijf jaar en nog nooit heeft iemand me betrapt terwijl ik daar naakt van de wijde wereld sta te genieten. En dat komt omdat er niemand is. Het geeft een heerlijk vrij gevoel om een naakte paus te zijn.
2.
‘Kom, snel,’ roep ik tegen Wyb die in de keuken staat. ‘Vlug!’
‘Wat is er aan de hand?’
‘Kijk, daar: een haas.’
‘Waar?’
Ik wijs.
Een haas. Nog nooit hebben we in de vallei een haas zien lopen. Ik wist niet eens dat er hazen in de Dordogne voorkwamen.
Het is een luxe voor een haas om hier te leven. Dit is toch een heel ander leven dan het leven van de hazen op de kale akkers van Friesland. Op die kale akkers schijnt zelden de zon. Hier schijnt zelden niet de zon. Daar regent het meestal en waait er vrijwel altijd een straffe wind over de akkers.
De haas loopt hier weliswaar niet zonder gevaar. In september komen de jagers weer in grote getale. Maar anders dan in Friesland, vindt de haas hier makkelijk een schuilplaats. Alleen al in de droge beekbeddingen die de vallei in de lengte doorsnijden. Meestal staan ze droog en vormen ze prima schuilplaatsen. Alleen als het heel veel regent, lopen ze vol. Maar dat gebeurt hoogstens één keer per jaar.
3.
Ik maak mij zorgen over de hagedissen. Normaal gesproken zie ik er altijd wel twee of drie tegen de buitenmuur lopen. Sinds we hier zijn, heb ik er slechts twee gezien.
‘Is het jullie ook opgevallen dat er dit jaar zo weinig hagedissen zijn?’ vraag ik aan mijn Franse Nichten.
‘Nu je het zegt. Inderdaad. Zo weinig hagedissen.’
Thuis besluit ik ‘Chat’ eens te raadplegen. Die zegt: ‘Dat kan verschillende oorzaken hebben, en het hoeft niet te betekenen dat de populatie daadwerkelijk is ingestort. Het weer heeft veel invloed op de zichtbaarheid. Hagedissen zijn koudbloedig en passen hun gedrag sterk aan de temperatuur aan. Na een koel of nat voorjaar kunnen ze later actief worden. Juist op heel warme dagen verschuilen ze zich midden op de dag en zijn ze vooral vroeg in de ochtend en aan het eind van de middag te zien.’ Ik ben een beetje gerustgesteld. Verder noemt hij — Chat is inmiddels een man voor mij — als reden droogte en hitte, waardoor er minder insecten zijn en ze andere schuilplaatsen kunnen opzoeken. Ik ben nog meer gerustgesteld dat ze uiteindelijk weer terugkomen.
4.
Ik weet dat de natuur haar onnavolgbare logica heeft. Twee jaar geleden was er een enorme plaag van wantsen. Elke dag zoog ik tientallen wantsen met de stofzuiger op. Iedereen in Frankrijk had er last van. In huis liep ik regelmatig door een wolk van die vieze wantsengeur. Door de smalste kieren kwamen ze ons huis in.
Regelmatig gebeurde het dat, als we terug waren in Delft, er uit een doosje, een jas of een koffer een wants kwam gekropen en je dan weer hun smerige lucht rook. Waar kwamen ze toch in die grote getale vandaan? In de twee jaar daarna heb ik geen enkele wants meer gezien.
Journal d’images
Brandlucht
Zaterdag 25 juli, Cadouin
Mijn Franse Nichten sturen het volgende appje: ‘Lieverds, hoe is het met/bij jullie? Wij zitten sinds een uur in de rook van de bosranden bij Bordeaux. Hebben jullie hier ook al last van? Ruiken jullie het ook al?’
Ik antwoord: ‘Oei, wat vervelend. Wij hebben nergens last van. Hier nu wel veel onweer. Sterkte. Hopelijk gaat die brandlucht snel weg.’ Een stom appje, bedenk ik later. Ik had er natuurlijk aan moeten toevoegen: ‘En laten we hopen dat de branden onder Bordeaux snel onder controle zijn.’
Nog geen kwartier later lopen Wyb en ik naar buiten om naar het onweer te kijken, dat steeds dichterbij komt. Dies ligt het liefst aan onze voeten, trillend van angst. Buiten lopen we tegen een muur van brandlucht op, zo sterk dat mijn ogen ervan gaan prikken. Opeens lijken de branden, die het nieuws in Frankrijk domineren, nog dichterbij.
‘Zijn jullie veilig?’ vroeg een vriend van me. De afstand tot de branden in de Gironde bedraagt, schat ik, hemelsbreed zo’n honderdvijftig kilometer. Te ver weg om me ongerust te maken over onze eigen veiligheid.
Dat neemt niet weg dat de situatie ernstig is. Inmiddels zijn 145.000 mensen geëvacueerd en breiden de branden zich nog steeds uit, ook richting Bordeaux, een stad waar we regelmatig komen en waar we van houden. Een stad die heel dichtbij voelt. Het Franse kabinet is in spoedzitting bijeen voor crisisoverleg.
Maar het is net als met oorlog. Als je hoort dat een land in oorlog is, denk je dat het overal in dat land onveilig is en dat in het hele land de oorlog woedt. En dat is meestal niet het geval. Grote delen van een land leven gewoon door. Zelf ben ik een paar keer in een land in oorlog geweest. De familie thuis vrat zich op van zorgen, terwijl wij van die oorlog niets merkten.
Al worden de zorgen over de brand daar niet minder van. Je zult maar brandweerman zijn en midden in een bos tegenover een front van vuur staan. Of op stel en sprong je huis of caravan moeten verlaten omdat het vuur jouw kant op raast.
Maak ik mij helemaal niet ongerust over mijn eigen veiligheid? Niet over de brand die momenteel in de Gironde woedt. Ik maak me wel zorgen over onze eigen situatie, die niet wezenlijk verschilt van de normale omstandigheden in de Gironde. Ons huis is namelijk ook omgeven door bomen. Op onze berg staat een bos waar nooit iemand komt. Ik weet dat er veel dode bomen liggen en veel dor hout, en dat het al weken niet heeft geregend — het is in en in droog. Eén vonkje en de boel gaat in de hens. Ik onderdruk mijn zorgen hierover bewust, want anders heb ik geen leven.
Terwijl ik dit schrijf, onweert het om ons heen volop. Ik weet dat een blikseminslag vaak de oorzaak is van brand. Ik ga buiten staan om goed om mij heen te kijken. Want de intense brandlucht die ik ruik, hoeft helemaal niet uit de Gironde afkomstig te zijn. Voor hetzelfde geld brandt het nu in de buurt, ergens in een van die uitgestrekte bossen rondom ons.
Het plaatselijke nieuws meldt dat mensen in de Dordogne niet hoeven te bellen als ze een brandlucht ruiken. Er is nergens brand in de Dordogne. Die brandlucht is inderdaad afkomstig uit de Gironde. Opluchting.
Voor de zekerheid zet ik ’s avonds toch mijn rugzak klaar, met daarin mijn laptop en alle papieren die ik mee wil nemen als we plotseling moeten vluchten omdat het vuur nadert. We zijn zeker niet de eerste die dat zou overkomen.
Journal d’images
Het museum van het onvermijdelijke
Vrijdag 24 juli, Cadouin
Het prettige van Frankrijk is dat niet alles er keurig en volgens de laatste mode uit hoeft te zien. In Frankrijk zijn ze niet bang voor een beetje verval. Ik vind het tamelijk benauwend dat Nederland een über-keurig land is. Als er ergens een kras of scheur is, wordt die meteen weggewerkt. De keuken uit de mode? Hup, een nieuwe keuken. De straten in Nederland zijn allemaal kaarsrecht, vrijwel elk huis is identiek. Steriliteit lijkt het hoogste goed.
Frankrijk is ook niet bang voor de eeuwigheid. Hier bouwde men gewoon huizen die drie à vier eeuwen zouden blijven staan. In Nederland bouwen we huizen voor twee, hoogstens drie generaties. Bij ons raken huizen uit de mode, daar heeft Frankrijk ook geen last van.
De esthetiek van de keurigheid is eigenlijk niet aan mij besteed. Ik houd meer van rommelig, ik vind het fijn als ik de tijd zijn werk zie doen. Van een mooie scheur of kras kan ik meer genieten dan van een strak gelakt oppervlak. Van iets dat niet af is, geniet ik meer dan van perfectie. In Frankrijk kom ik volop aan mijn trekken als het om de esthetiek van het onvolmaakte gaat.
Gisteren wandelde ik over de heuvelrug waar ook ons huis tegenaan ligt. Het is een wandeling waar ik volop kan genieten van het verval. Want iets over de helft van de wandeling staat een onbewoond huis dat ernstig in verval verkeert. In de rechtermuur zit een enorm gat waardoor je onbeschaamd naar binnen kunt kijken. Er hangen nog gordijnen voor de ramen, rafelig en vies. Als je goed kijkt, zie je dat de vloer is ingestort. Tegen een muur ligt op een balk nog een vergeeld matras. Alles is aangetast; weer en wind en tijd hebben hier vrij spel. Rond het huis groeien wild de planten: seringen, kamperfoelie, klimop, jasmijn en clematis. Eensgezind gaan ze het huis te lijf.
Het is lang geleden dat ik deze wandeling heb gemaakt. Dat blijkt als ik het bospad afloop en op de open ruimte kom waar een oude schuur en drie huizen staan, waaronder het vervallen huis. Even ben ik gedesoriënteerd. De open ruimte is veel groter geworden. Dan zie ik het: het vervallen huis is verdwenen. Het is met de grond gelijk gemaakt. Er is zelfs geen spoor meer van het huis te bekennen. Het huis dat voor mij een monument was: een hommage aan teloorgang, aftakeling, ontbinding, neergang, verrotting en ondergang. Weg. Gesloopt door mensenhanden.
Welke vandaal heeft besloten dit monument definitief op te ruimen? Heeft nou niemand bedacht dat er mensen zijn zoals ik, die mateloos genieten van verval? Waarom hebben ze deze ruïne niet te koop gezet? Ik had het graag nog een paar decennia verder willen laten afglijden in het onstuitbare proces van de ondergang. Hier hadden nog generaties van kunnen genieten. Ik had het wel een museale status willen geven: het museum van het onvermijdelijke.
Even wat goed nieuws tussendoor. Als ik verder loop, zie ik dat het goed gaat met de dassenburcht boven op onze berg. De burcht is wéér gegroeid. Je ziet meteen dat er volop wordt geleefd in de burcht.
Dan bedenk ik dat de sloop van het huis weleens een veeg teken kan zijn. Ik ben namelijk soms best bang dat Frankrijk langzaam een even keurig en steriel land wordt als Nederland. Het zal toch niet wezen? Moet ik weer verhuizen.
Na de wandeling bel ik Wyb, die op het Ministerie van Buitenlandse Zaken Nederlanders helpt die in het buitenland in nood verkeren.
‘Wyb, ik heb slecht nieuws.’
‘Wat dan?’
‘Ze hebben het vervallen huis gesloopt. Het is totaal weg.’
‘Dat meen je niet. Wat zonde.’
Journal d’images
Leeg huis
Woensdag 22 juli, Cadouin
Na anderhalve week had ik gisteren eindelijk weer het lef om een lange wandeling te maken. Tot dan toe was het steeds tegen de veertig graden en waagde ik het niet om alleen de bossen in te gaan. Met die temperatuur is het alsof iemand je vasthoudt, hard tegen zich aandrukt om je de adem te benemen. Gelukkig lijkt de hittegolf nu langzaam af te nemen.
Ik nam mijn lievelingswandeling, een wandeling over de heuvels die aan de andere kant van de vallei liggen, recht tegenover ons huis. De wandeling begint met een lang pad omhoog, gelukkig niet al te steil, want met de 33 graden die de thermometer aantikte, moet je nog steeds rustig aan doen.
Op de wandeling bleef ik, zoals altijd, even stilstaan om naar het houten huis te kijken dat diep verscholen in het bos ligt. Vanaf het pad kan ik net de nok van het huis zien en het balkonnetje daaronder. De balkondeur staat al jaren half open.
Sinds twee jaar weet ik dat het een leeg huis is. Er woont niemand. Dat is vreemd, want wie het zou kopen, zou er zo in kunnen trekken. Even de dakgoten vernieuwen en het is een prima huis om in te wonen. Toch staat het al tenminste vijf jaar leeg. Waarom? Voor Wyb en mij een groot raadsel.
Het duurde even voordat we het pad naar het huis in durfden te slaan. Je loopt niet zomaar iemands erf op, maar wij vonden het zo fascinerend dat, in weer en wind, die balkondeur altijd open bleef staan. Nooit zagen we een teken van leven.
Uiteindelijk waren we zo nieuwsgierig dat we het toch waagden. Wat we zagen, was een huis dat prachtig lag en er als nieuw uitzag. De voordeur stond open. Ik geef toe dat we er een spooky gevoel bij kregen, toch gingen we naar binnen. We zagen een lege woonkamer, een lege keuken, een trap naar boven, die we niet op durfden. Verder geen teken van leven. Wat was in godsnaam de geschiedenis van dit huis?
Eén keer waren we heel dicht bij het antwoord. Wyb en ik wandelden over het dorpsplein van Cadouin. Op het terras voor de pizzeria zaten drie mannen te drinken. Een van hen was P., onze overbuurman.
‘Gerard, Wybrich, kom er even bij zitten.’
Ik voelde er niets voor. Waarom zou ik bij deze drie mannen gaan zitten? Ik wilde verder lopen.
‘Wij hebben iets te vieren en willen jullie iets aanbieden. Hoe meer zielen hoe meer vreugde. Kom, ga zitten,’ zei hij terwijl hij twee stoelen voor ons klaarzette.
‘Wat hebben jullie te vieren?’
Hij wees naar de man tegenover me en noemde een naam die ik nu vergeten ben. ‘Hij is jarig.’
We feliciteerden hem. ‘Woont u ook in Cadouin?’
Hij legde uit waar hij woonde. Wyb en ik moesten meteen aan het lege huis denken. Volgens ons lag zijn huis namelijk dichtbij het lege huis.
‘Oh, dan kunt u ons vast vertellen waarom het huis vlak bij u leeg staat, terwijl het nog in zo’n goede staat is.’
‘Wandelen jullie daar vaak?’
‘Zeker.’
‘Dan wandelen jullie door mijn bossen. Al die bossen die daar liggen, zijn van mij.’
‘Dan heeft u mooie bossen. Jammer dat er zoveel in wordt gejaagd.’
‘Ik ben heel erg tegen jagen. Ik wil niet dat er gejaagd wordt, maar houd ze maar eens tegen.’
‘Maar kunt u ons vertellen waarom dat huis leeg staat?’
‘Sorry, ik zou het kunnen vertellen, maar ik doe het niet.’
‘Waarom niet? We vragen het ons al jaren af. Wilt u het echt niet vertellen?’
‘Ik kan het niet vertellen. Zeker niet vandaag, op mijn verjaardag. Ik zal het jullie ooit vertellen. Maar niet vandaag.’
‘Hij kan het echt niet vertellen,’ beaamde P.
Ze klonken zo resoluut dat wij wisten dat we niet verder moesten vragen.
Na een glas wijn namen we afscheid.
De man heb ik helaas nooit meer gezien.
Het huis staat nog steeds leeg.
Journal d’images
No face, no case
Dinsdag 21 juli, Cadouin
‘Je bent vooral opa tot je kleinkinderen zestien zijn,’ las ik onlangs. ‘Daarna gaan ze de wijde wereld in en zie je ze nog maar sporadisch.’ Ik hoop niet dat het klopt, maar je weet nooit.
Vanmiddag heb ik Wyb naar het vliegveld gebracht, dus ben ik nu een onbestorven weduwnaar. Gelukkig zit de familie deze dagen vlakbij op een camping en heeft Esmee mij uitgenodigd voor het avondeten.
Mijn kleinkinderen — nou ja, je kunt beter van grootkinderen spreken — want Malu is inmiddels zestien en Joris dertien en een half. Ze zijn erg opgewonden, want afgelopen weekend is op de camping een nieuwe groep jongeren aangekomen, waaronder twee ‘erg knappe’ Franse jongens. En een Frans meisje, ook ‘erg knap’, blijkt een oogje te hebben op Jesse, de vriend van Joris die dit jaar mee is. Over anderhalf uur is er weer een afspraak. Ze zijn er erg druk mee, vooral hun haar is erg belangrijk: het haar moet goed zitten. Er wordt voor de spiegel heel wat gekamd en in model gebracht. Malu heeft het druk met haar wimpers.
Het wordt voor mij een buitengewoon leerzame avond. Zo hoor ik ze praten over ‘plus aura’ en ‘min aura’. Geen idee waar ze het over hebben. Als opa zit je aan tafel een beetje sneu te luisteren naar een wereld waar je niets van weet.
Beste mede-boomers, geniet nog van de Nederlandse taal zoals wij die kennen. Die is van voorbijgaande aard. Ik dacht: ik kan hier toch niet zomaar lijdzaam blijven zitten als mijn kleinkinderen geheimtaal spreken.
‘Plus aura, wat betekent dat in godsnaam?’
‘Weet je dat niet? Dat is straattaal voor iemand die gewoon cool is, die iets goed heeft gedaan. Iemand heeft een min aura als die iets stoms heeft gedaan.’
‘Kunnen jullie mij geen straattaal leren?’
‘Zeker. Weet je wat wakka is?’
‘Geen idee.’
‘Dat is lopen. Jij moet raden wat het betekent. Ballie?’
‘Geen idee.’
‘Voetballen.’
En zo leren ze me dat osso huis betekent en bakka een fiets. Het zijn woorden waar ik nog nooit van heb gehoord. Voor hen zijn het inmiddels heel gewone woorden, niets bijzonders.
‘Het is vooral belangrijk dat je noncha bent, opa. Anders maak je geen kans bij de bitta’s.’
Voor boomers die geïnteresseerd zijn in deze taal: noncha betekent nonchalant, cool, onverschillig, stoer. Bitta’s zijn vrouwen, ook wel duchies genoemd.
Komen mijn kleinkinderen uit Amsterdam of Rotterdam? Nee, ze zijn opgegroeid op het beschermde Ameland. Ik kom er nu pas achter dat zelfs daar de straattaal is doorgedrongen. Mijn kleinkinderen zijn ook ouder en meer streetwise dan ik vermoedde. En passant leer ik van ze dat gooner masturberen betekent en goon sperma. Het kan niet op vandaag.
En dan maak ik me druk over vergeten woorden zoals haaibaai en op de bonnefooi. Ik lijk wel barkie, wat ‘getikt’ betekent.
‘Je gaat er toch wel een blog over schrijven, hè?’
‘Ik ga het proberen, maar dan heb ik daar wel een foto voor nodig.’
Als rechtgeaarde pubers willen ze niet op de foto. Of toch wel, maar dan wel volgens het principe ‘no face, no case’. Wat is dat dan weer? Als ik het opzoek, blijkt het een uitdrukking uit de rapwereld te zijn. Het betekent zoiets als: ‘Als je gezicht niet zichtbaar is, is het moeilijker om te bewijzen dat jij ergens bij betrokken was.’ Ze stellen zich in de stijl van de gangsterrap op. Foto gemaakt.
Als ze uitgaan, laat ik de foto aan Jesse zien. ‘Zo bro, jij bent de hipste opa van de wereld.’ Hij steekt zijn vuist naar voren om afscheid te nemen. Ik boks met mijn vuist tegen de zijne, vervolgens tikken we allebei de vuist tegen ons hart. Laatst zag ik zelfs twee zakenlui op die manier afscheid van elkaar nemen. De cultuur van de straat rukt op. Yusu.
Journal d’images
Let vooral op de afdruk van haar bikinibandje. Tegenwoordig erg belangrijk omdat je dan kunt zien hoe bruin iemand is geworden.
Een scherpe bocht
Maandag 20 juli, Cadouin
Mijn Franse Nicht houdt een aantal doorzichtige plastic mapjes in haar hand.
‘Ik heb iets heel resoluuts gedaan,’ zegt ze.
Ik kijk haar vragend aan.
‘Ik heb het archief van mijn verleden als grafisch vormgever opgeruimd en heb alles weggegooid.’
‘Dat meen je niet?’
‘Het is een enorme opluchting. Ik voel me er zo goed bij. Maar ik heb dit voor jou bewaard, misschien wil jij het nog bewaren.’ En ze geeft me de plastic mapjes.
Ik weet dat dit voor mijn Franse Nicht een belangrijke beslissing is geweest. Tientallen jaren was ze grafisch vormgever. Het beeld dat ze achter een groot scherm zit en daarop met teksten en foto’s schuift, is in mijn hoofd geëtst. We hebben veel samengewerkt, ook wel tot haar irritatie: heb je hem weer, heeft hij weer een project bedacht, een boek, een bedrijf, een uitgeverij. Maar ik maakte altijd graag van haar diensten gebruik. Ze is creatief, zeer precies. Ze is bovendien een grafisch vormgever van de oude stempel: ze heeft niet alleen liefde voor typografie, maar heeft er ook verstand van.
Een paar jaar geleden begon het werk haar steeds meer tegen te staan. Altijd achter dat grote scherm, altijd die miezenmuizende opdrachtgevers, het viel haar steeds zwaarder. En toen nam ze een scherpe bocht: ze besloot in Frankrijk makelaar te worden.
Ik begreep haar goed. Een mens kan soms zo’n behoefte hebben aan een scherpe bocht. Het oude leven achter je te laten en iets heel nieuws te beginnen. Ik ben kampioen scherpe bochten maken, en als je daarvan houdt, vlieg je ook weleens uit de bocht. Gelukkig is dat bij mijn Franse Nicht niet gebeurd. Ze verkoopt nu de mooiste huizen in de Dordogne. Ze is blij dat ze nu door dat prachtige landschap mag rijden en niet meer alleen in haar werkkamer achter een scherm hoeft te zitten.
Omdat ze doorzichtig zijn, zie ik meteen wat er in de mapjes zit: stukken verleden.
In het bovenste mapje zit de kaart die ik meenam als ik op scholen of in bibliotheken voorlas. Ik houd een rode paraplu boven een giraffe en mezelf om ons droog te houden. Op de achterkant stonden alle boeken die ik had geschreven. Ik gebruikte de kaart om mijn handtekening op te zetten als kinderen daar om vroegen.
Verder zit er een folder in over een boek dat ik ooit schreef, Een station te ver.
In een andere map zitten briefpapier en een visitekaartje dat mijn Franse Nicht ontwierp voor een bedrijf waar ik jarenlang mijn geld mee verdiende: Gerard Tonen, management- en marketingsupport.
Alles door mijn Franse Nicht ontworpen.
Ik vind het jammer dat ik nooit meer een fotoboek of een boek met haar zal maken. Al moet ik toegeven dat de tomeloze werkdrift waaruit die projecten voortkwamen inmiddels ook aardig is geluwd. Zo heb ik momenteel geen idee wat ik nu zou willen uitgeven.
Mijn site Dossiermoddergat, ontworpen door mijn Nicht, en jarenlang door haar verzorgd, is inmiddels in de zorgzame handen van iemand anders.
Eigenlijk was dat het eerste teken dat mijn Franse Nicht een scherpe bocht aan het naderen was.
Journal d’images
Waartoe?
Zaterdag 18 juli, Cadouin
‘Waartoe zijn wij op aarde?’
Het was de eerste vraag in de catechismus die ik als zes- of zevenjarig katholiek jongetje kreeg uitgereikt. Wat het Rode Boekje van Mao voor de Chinese communisten was, was de catechismus voor het katholieke volksdeel. Aan de hand van dat dunne boekje kregen wij godsdienstles en werd ons precies verteld wat wij moesten denken en hoe wij moesten leven.
Maak me ’s nachts wakker en ik dreun het antwoord op deze vraag op: ‘Wij zijn op aarde om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’
Heel lang heb ik dat boekje nog bewaard omdat ik het zo’n curieus ding vond. Bij de zoveelste verhuizing dacht ik: ik ben ook gek om het alsmaar met me mee te slepen, en gooide ik het in de vuilcontainer.
Toch is het een essentiële vraag: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’
Het katholieke jongetje in mij is al heel snel na het uitreiken van dat boekje gesneuveld. Dus moest ik als huis-, tuin- en keukenfilosoof zelf met die vraag aan de slag. Mijn antwoord is minder eenduidig dan dat van de catechismus, maar een deel van het antwoord luidt: ‘We zijn vooral op aarde om lekker te eten.’ Het is een van de grootste geneugten die ik ken. En deze week hebben wij dat weer volop mogen beleven.
Voor het eerst stond er donderdag, na het installeren van een septic tank, weer een lunchtafel onder onze catalpa. De catalpa dreigde een van de grootste slachtoffers van die installatie te worden. Opdat de graafmachines hun werk konden doen, moesten de onderste takken van de boom worden afgezaagd. Onze perfecte parapluboom, die ons jarenlang tegen de zon beschermde, werd een rare, lange snaak: meer een parodie op een populier dan een parapluboom. Maar de boom liet zich niet kisten. Je zag hem denken: ‘Waartoe ben ik op aarde? De schaduw is mij heilig.’ En verdomd, die lunchtafel stond toch weer perfect daar in zijn schaduw.
Lekker eten, goede wijnen, gezellig met elkaar praten over van alles en nog wat: dan weet je waartoe je op aarde bent. Aan die lunchtafel deden we dat met Rokus en Marie-Anne. Gisteravond gingen we met Esmee onbeschoft copieus dineren bij ons plaatselijke toprestaurant Les Terrasses de la Côte Rouge. Wij aten er onze vingers bij af.
Omdat Esmee in kennelijke staat was, bleef ze bij ons slapen. Eenmaal thuis na het diner trokken Wyb en Esmee nog een fles open. En toen wist ik het wel: dit loopt uit op een bacchanaal. Aldus geschiedde. Rond een uur ’s nachts hadden de dames me onder de tafel gedronken. Onder luid protest wist ik aan hen te ontsnappen en zocht ik mijn bed op.
Het gevolg was dat ze om kwart voor vier lallend aan mijn bed stonden.
‘Wat flauw dat je naar bed ging,’ zeiden ze om beurten met dubbele tong. ‘Ja, zó flauw.’
Wyb kon alleen nog maar op de been blijven door een soort balanceeract uit te voeren. Esmee, mijn zesendertigjarige dochter, viel vervolgens bij mij op bed. ‘Het is zo fijn om weer eens bij je vader te liggen.’
‘Ik wil slapen!’
‘We hebben iets heel belangrijks ontdekt,’ lalde Wyb.
‘Ja, we hebben iets heel belangrijks en dat moet jij weten,’ lalde Esmee.
‘Dat is mooi,’ zei ik. ‘Morgen zijn jullie de eersten. Maar ik wil nu verdomme slapen.’
Ik joeg Esmee van het bed. Wyb viel erin.
Eindelijk slapen.
Journal d’images
Vleermuizen etc.
Vrijdag 17 juli, Cadouin
Wat de dichter J.C. Bloem van de Nederlandse natuur vond, weten we inmiddels allemaal wel.
Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Ik denk dat Bloem het allemaal nog te optimistisch voorstelde. Bestaat natuur überhaupt nog in Nederland? Wyb en ik wonen nu anderhalf jaar in Delft en pas vorige maand zag ik voor het eerst een insect in ons appartement. Het was zo bijzonder dat ik er een foto van nam. De steriliteit in de Nederlandse huizen is huiveringwekkend, denk ik weleens.
Hoe anders is het bij ons in Cadouin. Hoe die spinnen het flikken, geen idee. Als wij een maand weggaan, sluiten we natuurlijk alle deuren en gaan de luiken voor de ramen. Een onneembare veste, zou je denken. Als we terugkomen is het huis overgenomen door spinnen. In elke hoek van de kamer huist wel een spin. Rond de lampen en de kaarsenstandaards overal spinnenwebben.
Het is een bewonderenswaardige invasie, maar ook erg irritant. Kan ik weer opnieuw beginnen met het cleanen van het huis. De stofzuiger is mijn wapen. Wyb is een goed mens en wil dat ik alle spinnen keurig buiten zet. Voor de vorm pak ik hier en daar een spin bij de poten om hem buiten te zetten. Ik ben genadelozer: het gros verdwijnt in de stofzuigerzak. En och, uiteindelijk weet ik dat de spinnen winnen: als we na een maand terugkomen, is de oude status quo hersteld.
Afgelopen zaterdag kwamen Esmee, Malu, Joris en Jesse (een vriend van Joris) op de camping aan, hier vijftien kilometer vandaan. Een oude traditie. Ze hebben er een huisje gehuurd. Toen we dachten dat ze zich wel hadden geïnstalleerd, gingen Wyb en ik die kant op om ze welkom te heten en het een of ander te drinken.
Op weg naar hun huisje, op de camping, kwamen we de vijf reizigers opgewonden tegen.
‘Waar gaan jullie heen?’ vroeg ik.
‘In ons huisje zitten vier wespennesten en drie vleermuizen. Jesse is al gestoken.’
Op de een of andere manier vind ik dat soort dingen altijd goed om te horen. Gelukkig, de natuur laat zich nog gelden. We zien onszelf als het middelpunt van de wereld en daaromheen zit dan de natuur. In feite is het natuurlijk andersom: de natuur is het middelpunt en wij als mensen zijn slechts passanten. Als de mens is uitgestorven, zijn er altijd nog de vleermuizen en de insecten.
Samen met de campingbaas wisten we de vleermuizen te verjagen. Het waren lieve kleintjes, nog heel gezeglijk. De campingbaas spoot zijn spuitbus leeg op de wespennesten. Succes verzekerd. Ze lieten zich niet meer zien.
Het huisje is vrijwel ontdaan van de natuur. Behalve dat een dikke kever die nacht Jesse’s wang als warm nachtverblijf koos en daar zijn eitjes legde.
Ik kom erop omdat ik Wyb gisteravond wel tien keer panisch ‘Geer!’ hoorde roepen vanuit de slaapkamer. Wyb lag al op bed en wees verbijsterd naar boven. Door onze slaapkamer fladderde een enorme vleermuis rond, een prachtig diep zwart exemplaar. Die vleermuisjes van Esmee stelden er niets bij voor.
Gelukkig hebben we ervaring met dit soort situaties. In de tijd dat we in de Cevennen woonden, hadden we menig avond vier of vijf vleermuizen in de slaapkamer. Wat je daaraan kunt doen? Niets. Vleermuizen laten zich niet sturen. Ze vliegen hun rondjes en hoe je ook zwaait om duidelijk te maken dat daar het raam is, of je nou het licht aan- of uitdoet, de vleermuis bepaalt zelf wanneer hij het genoeg vindt.
Onze eerste paniek eindigde er meestal in dat wij lijdzaam probeerden te gaan slapen en de vleermuizen hun gang lieten gaan. We zagen wel wat er zou gebeuren. Soms voelden we, als ze laag overvlogen, een luchtstroom. We doken dan met onze hoofden onder de dekens.
De volgende ochtend waren ze altijd weg.
Journal d’images
Vulkaan
Woensdag 15 juli, Cadouin
Verdomme, opeens denk ik iets wat ik nooit eerder heb gedacht. Ik denk: ‘Ik ben nog nooit zo ontspannen geweest als nu.’
Rare gedachte, want ik heb me nooit beziggehouden met gespannen of ontspannen zijn. Ik leefde, ik werkte, en spanning speelde geen rol. Ik deed. Waarom komt die gedachte nu opeens wél bij mij op?
Plaats van denken: ons weggetje. En dat zal er zeker aan bijdragen. Ik heb de auto zojuist zo’n honderd meter van ons huis in de schaduw gezet. Normaal staat hij op het smalle parkeerplaatsje onder aan onze berg, maar met deze hittegolf brandt de zon hem weg. Ik parkeer de auto onder de bomen en loop dan over het weggetje terug naar huis.
We hebben een berg, een huis en ook, een beetje, een weggetje. Ik kan niet zeggen dat het ons weggetje is, maar goed beschouwd is het dat wel, als je er rekening mee houdt dat we het delen met Jenny, onze buurvrouw. Wij zijn eigenlijk de enigen die over het weggetje, dat niet breder is dan één auto, mogen rijden. Het eenrichtingsverkeer geldt voor beide kanten. Daarom hebben Jenny en wij afgesproken dat we vanaf het dorp het weggetje inrijden en er bij St. Anna weer uitrijden. Zonder die afspraak heb je kans dat we elkaar tegenkomen, en wie rijdt dan achteruit?
De enige die zich niet aan de afspraak houdt, is de postbode. Elke dag, rond het middaguur, rijdt hij keihard van St. Anna richting het dorp over ons weggetje. Zowel Jenny als wij ontvangen nauwelijks post, dus voor ons hoeft hij vrijwel nooit te stoppen. Daarnaast zijn er dagelijks twee of drie verkeersovertreders die de eenrichtingsborden negeren.
Verder rijdt er vrijwel niemand over het weggetje. Heel vaak loop ik erover en geniet ik van de stilte: rechts de vallei, links de berg, verder niets. Ontspannen dus. Misschien dat daarom opeens die gedachte in mij opkwam.
De gedachte doet me meteen denken aan twee jaar geleden, toen we hier nog woonden. Moeizaam liep ik over het weggetje, al dagen had ik last van mijn linkerbovenbeen. Op een gegeven moment deed het zo’n pijn dat ik niet verder kon lopen. Ik moest op het muurtje gaan zitten. Even later hinkte ik naar huis.
’s Middags had ik mijn Franse Nicht aan de telefoon. ‘Je moet Rens bellen,’ zei ze.
‘Rens?’
‘Rens woont zo’n vijftien kilometer van jullie vandaan en is fascia-therapeut. Hij heeft mij al zo vaak geholpen.’
De volgende dag was ik al bij Rens.
‘Duidelijk,’ zei hij. ‘In je dij zit te veel melkzuur.’ En hij begon me te masseren. Verder raadde hij me aan om dagelijks een liter water met baksoda te drinken. Dat laatste bleek niet nodig, want na twee dagen had ik nergens meer last van.
Maar voordat ik wegging, zei Rens: ‘Laat me eens kijken. Je staat helemaal scheef.’ En hij begon aan me te trekken en te duwen.
‘Man, man, wat ben jij gespannen. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo gespannen is. Het lijkt wel alsof jij een multinational moet leiden. Wat doe jij, heb je een eigen zaak?’
‘Ik doe helemaal niks. Ben al drie jaar pensionado.’
‘Maar hoe kan het dan dat je zo gespannen bent? Je lijf staat strak van de stress.’
En nu dus deze gedachte: ‘Ik ben nog nooit zo ontspannen geweest als nu.’ Een kleine overwinning? Misschien heb ik eindelijk al dat dansen op de rand van de vulkaan achter me gelaten? Ben ik dan eindelijk een bevrijd man?
Journal d’images
What’s in a name?
Dinsdag 14 juli, Cadouin
Het is jammer dat het beroep van tekstjutter niet bestaat. Iemand die leest en tussen al die zinnen de parels eruit weet te rapen. Het is een beroep waarvoor ik mijn pensionadoschap zou opgeven. Nu doe ik het werk vrijwillig.
Ik lees nog steeds in Mijn Oorlog van Karl Ove Knausgård, een rijke bron van parels, drijfhout, koelkasten, schoenen en alle andere dingen die kunnen aanspoelen. Ik bedoel maar: in zijn boeken valt veel te jutten. Gisteren jutte ik bijvoorbeeld de volgende tekst uit Zoon, het derde deel van de serie.
‘Is dat schepsel dezelfde persoon als degene die hier in Malmö dit zit te schrijven? En zal het schepsel dat in Malmö zit te schrijven, veertig jaar oud, op een bewolkte dag in september in een kamer waar het geroezemoes van het verkeer buiten klinkt en waar de herfstwind door het ouderwetse ventilatiesysteem giert, dezelfde zijn als de grijze, ineengedoken oude man die over veertig jaar misschien ergens in een bejaardenhuis in de Zweedse bossen beverig zit te kwijlen? Om nog maar te zwijgen van het lichaam dat ooit languit op een tafel in een lijkenhuis zal liggen? Dat zullen ze nog steeds ‘Karl Ove’ noemen. Is dat in feite niet ongelooflijk, dat één enkele naam dat allemaal dekte? De foetus in de baarmoeder, de baby op de commode, de veertigjarige achter de computer, de oude man in de stoel, het lijk op tafel? Zou het niet meer voor de hand liggen om met verschillende namen te werken, aangezien hun identiteit en zelfbeeld zo ontzettend verschillend zijn? Dat de foetus bijvoorbeeld Jens Ove zou heten, de baby Nils Ove, de vijf- tot tienjarige Per Ove, de tien- tot twaalfjarige Geir Ove, de dertien- tot zeventienjarige Kurt Ove, de zeventien- tot drieëntwintigjarige John Ove, de drieëntwintig- tot tweeëndertigjarige Tor Ove, de tweeëndertig- tot zesenveertigjarige Karl Ove — enzovoort, enzovoort? Dan zou de voornaam staan voor het unieke van elke leeftijd, de tussennaam voor de continuïteit en de achternaam voor de band met de familie.’
Briljant idee, dacht ik in eerste instantie: laten we dat doen, voor elke levensfase een andere naam.
Maar na enig nadenken realiseerde ik me dat het toch veel ingewikkelder is dan Karl Ove voorstelt. Ik weet niet hoe het bij andere mensen is. Maar regelmatig ben ik nog een dertien- tot zeventienjarige, om een uur later weer een tweeënveertig- tot zesenvijftigjarige te zijn. Er rusten veel zielen in mijn lijf, zielen die niet aan leeftijd zijn te koppelen, maar dwars door elkaar heen lopen. Om toch in de geest van Karl Ove te blijven, zou je je kunnen afvragen waarom iemand sowieso maar één naam heeft.
Mijn moeder heeft dat ten dele weten op te lossen. Ze had verschillende namen voor me. Gerard was er voor de dagelijkse gang van zaken. Gerardje voor toen ik nog jong was. Has was een koosnaampje; Gradje gebruikte ze als er grapjes werden gemaakt. Zo’n palet aan namen daar heb je wat aan. Nu heb ik nog drie namen. Als ik Gerard hoor, dan weet ik dat Ik Wyb aan de lijn heb. Als ik Geer hoor, is het Anne. En als ik Pa hoor, is het Esmee. Ook heel effectief.
Maar om met een oude bard te spreken: ‘What’s in a name?’ Want of je nou op een commode ligt, in Cadouin zit te schrijven of op een tafel in een lijkenhuis ligt: het is natuurlijk dezelfde persoon. Voor een wezen met verschillende zielen in één borst is dat bijna niet te begrijpen, maar het is niet anders.
Dies, mijn hond, maakt zich daar bijvoorbeeld nooit druk om. Hij weet het gewoon. Je suis Dies (hij is een geboren Fransman), van pup tot het moment dat hij een spuitje krijgt. De baas is de baas, het vrouwtje is het vrouwtje. Hij heeft zo’n heerlijk eenduidig zelfbeeld; je kunt er jaloers op worden.
Journal d’images
Waarom ik de honderd niet haal
Maandag 13 juli, Cadouin
Gisteren belde ik Bernadette om haar te feliciteren met haar zeventigste verjaardag.
‘Zeventig,’ zeg ik.
‘Maar het voelt niet zo, hoor.’
Een logische reactie, want dat is de ellende met dat zeventig: niemand voelt zich zeventig, maar het is onmiskenbaar dat de tachtig nadert.
Ik ken Bernadette nog van mijn eerste baan in de culturele sector. Zij deed secretarieel werk en baliewerk bij Cultureel Centrum De Lindenberg en ik had daar een of andere bullshit beleidsbaan. We waren jong en kritisch en wij zouden wel even… En toen waren we zeventig, compleet met een levenslange vriendschap.
Ik vertel haar dat ik elke maandag in de Volkskrant het interview met een honderdjarige lees. En dan zegt Bernadette: ‘Uit onderzoek is gebleken dat iedereen die honderd wordt één ding gemeen heeft: ze zijn allemaal optimisten.’
Gvd, daar schrik ik toch van. Als ik iets niet ben, is het een optimist. Mijn glas is niet eens halfvol, er zit alleen nog een bodempje in. En dat in mijn meest optimistische bui. Misantroop zijn en optimisme, dat is toch water en vuur. En nou zul je ook nog hebben dat mijn pessimisme mijn dood wordt, dat ik de honderd niet mag halen. Vind je het gek dat ik pessimist ben?
Voor al die blije eieren van tegenwoordig — alles is een uitdaging, niets is meer gewoon klote — hier een kleine opsomming die mij tot de misantropie heeft geleid. Het is slechts een kleine opsomming. De leider van het vrije Westen is een halve gare en aartsleugenaar. Het vrije Westen wordt kleiner en kleiner. Mensen zijn irrationele wezens. Goed beschouwd is meer dan de helft een wappie; het enige geloofwaardige voor hen zijn complottheorieën. Er is geen open water in Nederland dat niet is vergiftigd. De mens is een moordzuchtig wezen. De aarde gaat naar de knoppen. Nederland is onmachtig ook maar iets op te lossen. Dat geldt overigens voor de hele wereld. Nog nooit is de mens zonder oorlogen geweest. Enzovoort, enzovoort.
Omdat ik dit allemaal denk, ga ik blijkbaar ook nog eens eerder dood. Gelukkig heb ik een opgewekt gemoed, ik weet niet of dat meetelt in de race naar de honderd. Ik hoop het, al heeft het weinig met optimisme te maken.
Als ik Bernadette nog een mooie dag heb gewenst, overweeg ik dat het misschien toch het beste is gewoon een optimist te worden. Maar hoe maak je van een hardcore pessimist een optimist? Ik besluit mijn oud-collega Leo Pot eens te bellen. Hij heeft een handzaam boekje geschreven met de titel Doodgaan kun je leren. Hij heeft meer van dit soort handzame boekjes geschreven. Misschien is de titel Optimisme kun je leren een idee voor hem. Ik zou zo’n boekje meteen kopen, nu ik weet dat je er misschien honderd mee kunt worden.
Dan denk ik aan mijn vriend Chat, laat ik hem eens voorleggen of je optimisme kunt leren. Zijn antwoord: ‘Ja, optimisme kun je tot op zekere hoogte leren. Het gaat daarbij meestal niet om jezelf wijsmaken dat alles goed komt.’ Daar zit natuurlijk mijn probleem: ik moet het mezelf gaan wijsmaken.
Als laatste redmiddel raadt Chat mij een bezoek aan de psycholoog aan.
Ben je verdomme in de zeventig, moet je óók nog naar een psycholoog. Ik besluit het nu al op te geven: dan maar geen optimist, dan maar eerder dood. Ik denk sowieso niet dat je het na zeventig jaar pessimisme nog redt om de honderd te halen.
Journal d’images
De ideale plek
Zondag 12 juli, Cadouin
Al sinds de directie van de Tour de France de route van dit jaar bekend maakte, heerst er in ons huis opwinding. Het blijkt namelijk dat de achtste etappe op drie kilometer van ons huis langskomt. Voor Wyb, fanatiek wielerliefhebster, is dat een ding om op je te verheugen.
Na bestudering van de etappe weet ze precies waar we moeten gaan zitten. Het is een heuveltje vanwaar je rechts zicht hebt op een lang stuk weg waar de renners komen aanrijden. Daarna nemen ze een bocht en moeten dan een klein klimmetje op, waardoor ze wat langzamer gaan. Vanaf onze plek kunnen we de renners omhoog zien rijden en linksaf richting LaLinde gaan. De ideale plek. Dat werd onlangs nog bevestigd door Henk, eveneens een fanatiek wielerfanaat, die ook had uitgevogeld wat voor ons de beste plek was om te gaan zitten. Hij kwam op dezelfde plek als Wyb uit.
Gisteren was dan de grote dag. Opnieuw gaan wij de Tour bezoeken. Ik zeg opnieuw omdat ik denk dat wij de afgelopen zes jaar al vier keer de Tour hebben bezocht. We gaan naar de ideale plek, maar daar blijkt dat ideale plekken één groot probleem hebben: iedereen weet dat het de ideale plek is. Op de ideale plek staan inmiddels campers, partytenten, overal liggen dekentjes om te picknicken en er is een zee van mensen. De eerste rijen zijn bezet. Wij moeten achteraan aanschuiven.
Niet zo’n probleem, want daardoor vinden we aan de rand van het bos een schaduwrijk plekje. Een prima plek om kranten te lezen. We hebben onze campingstoeltjes meegenomen, dus wij zitten heerlijk relaxed te lezen. Nou ja, ik zit relaxed. Wyb is onrustig. Zoals een hond altijd even zoekt naar de ideale plek om te poepen, zo blijft Wyb zoeken naar de ideale plek om te staan wanneer het circus dadelijk losbarst. Een niet onbelangrijk detail: het is vandaag 38 graden.
Voor ons heeft de Deense gemeenschap in de Dordogne zich verzameld. Keurig beschaafde mensen met een enorm arsenaal aan materiaal om Vingegaard aan te moedigen. Spandoeken, vlaggen, grote en kleine. Alles professioneel opgeborgen in flightcases. Naarmate de Tour nadert, komt er meer materiaal uit. Ondertussen richten ze een copieuze picknick aan. Wyb en ik zitten achter hen te watertanden.
En dan komt de reclamekaravaan langs, voor velen het hoogtepunt van het jaar. Ouders en kinderen graaien naar alle lekkers dat vanaf de wagens naar de kant wordt gegooid. Op de wagens staan dj’s, zangers, marktkooplui, het is een stoet van individuele aandachttrekkers. Mensen rijden rond in de vorm van aardbeien, meloenen en sinaasappels. Het toetert, danst, zingt, schreeuwt. La vache qui rit, Orangina en meer van dit soort merken. Skoda, Renault, het houdt niet op.
Als die stoet voorbij is, keert de rust weer. Ouders en kinderen tellen hun buit. Wyb neemt een strategische positie in op een verhoginkje, het zal niet lang meer duren of de renners komen langs. De Denen pakken de laatste spandoeken uit. Hier en daar wordt geduwd om de beste plaatsen te bemachtigen. Ik ga vast naast Wyb staan.
‘Kom, ik denk toch dat het beter is om aan de overkant te gaan staan,’ zegt Wyb vlak voordat de renners langskomen. Met gevaar voor eigen leven ren ik achter Wyb naar de overkant. Dan volgt de ene politiemotor met sirene na de andere. Dit betekent dat het grote moment nu is aangebroken — ik heb er inmiddels ervaring mee.
Van het overzicht van onze vermeende ideale plek is inmiddels niets meer over. Het is één grote kolkende massa. Wyb en ik hebben zo’n tien meter vrij uitzicht. De massa gaat schreeuwen. Het peloton nadert. Dan schieten honderdzeventig renners in een flits voorbij. Ik check het op de stopwatch van mijn horloge: Elf seconden. Drie uur wachten voor elf seconden, sommige campers stonden er al drie dagen. Ik ben een tolerant mens; ik gun iedereen zijn hobby.
Als we onze campingstoelen opzoeken en invouwen, zegt Wyb: ‘Ik beloof je dat dit de laatste keer is dat we zijn gaan kijken naar de Tour.’ ‘Dat leggen we dan bij deze vast,’ zeg ik.
Journal d’images
Warm welkom
Zaterdag 11 juli, Cadouin
Als we het weggetje onder ons huis opdraaien, dat niet breder is dan één auto, staan er tien meter voor de auto een ree en haar kalf. Ze staan midden op het weggetje en kijken ons uitdrukkingsloos aan. De auto schrikt hen niet af; ze blijven ontspannen naar ons kijken. Ik zet de auto stil en wij blijven vol bewondering kijken. Wat een schoonheid, wat een onschuld: een ree en haar kalf, zo recht voor ons, mens en dier kijken elkaar aan — ik heb het nooit eerder meegemaakt. En zo lang, minutenlang, blijven ze naar ons kijken.
Zo’n honderdvijftig meter verderop ligt ons huis. Als we zo een tijdje hebben gezeten, verlangen we na twaalfhonderd kilometer toch wel naar thuiskomen. Ik rijd de auto voorzichtig naar voren en de ree en haar kalf draaien zich om en lopen voor onze auto richting ons huis. Het lijkt wel een optocht: de reeën voorop, wij daarachter.
Het is onvoorstelbaar dat ze niet bang zijn. Ik vind het tegelijkertijd een geruststellend en een verontrustend teken. Geruststellend, omdat het niet anders kan betekenen dan dat het rond ons huis bij onze afwezigheid rustig moet zijn geweest. Als het druk was geweest, waren de reeën nooit zo ontspannen.
Verontrustend, omdat ik me zorgen maak over hun toekomst. Als een ree zo ontspannen is, zal die makkelijk jaagbaar zijn. Dieren in Frankrijk kunnen het zich niet veroorloven om ontspannen te zijn. In september zal het enorme leger van jagers weer op pad gaan en alles neerknallen wat voor hun lopen komt. Ik vrees dat deze ree en haar kalf een makkelijke prooi zijn. Grote kans dat we ze een paar maanden later als paté op een feestje krijgen geserveerd.
Opeens zie ik de gezonde ongerustheid in hun lijven terugkeren. De optocht eindigt. De ree en het kalf springen over het muurtje dat ons weggetje van de vallei scheidt. Ze springen drie meter naar beneden, lopen eerst nog veel te rustig over het gras en pas dan rennen ze naar de overkant van de vallei. ‘Goed zo,’ zou ik ze willen naroepen. ‘Altijd blijven rennen. Wij mensen zijn niet te vertrouwen.’
Nooit eerder hadden we zo’n mooi welkom bij onze aankomst in Cadouin.
Ik parkeer de auto voor ons huis. Ons parkeerplaatsje is slechts een smal strookje grond onder de berg waar ons huis op staat. Ik open de deuren van de auto en dan krijgen we de klap die we verwachtten.
De hitte. De drukkende hitte van de hittegolf. We zagen het vandaag al aankomen: we reden richting een hittegolf. We vertrokken vanuit Delft, 19 graden, zag ik op mijn horloge staan. Bij Antwerpen was het 21 graden. Bij Lille 24 graden. In Parijs was het al 30 graden. Ergens tussen Parijs en Cadouin, bij het uitlaten van Dies, voelden we de klap al: 33 graden. In Cadouin is het 38 graden, terwijl de dag al bijna voorbij is.
Het landschap is in de houdgreep van de hitte. De bomen staan bewegingsloos. Alles wat leeft, weet dat het zich rustig moet houden. Elke inspanning moet worden vermeden. Deze dagen is de lucht het sterkst, de warme lucht drukt alles neer. De dag daarop is het 40 graden.
Gisteravond was er voor het landschap eindelijk de ontspanning. De houdgreep werd verbroken door eerst dreigende luchten, daarna bliksemschichten en ten slotte de regen, die alles en iedereen bevrijdde.
Journal d’images
Gescout
Vrijdag 10 juli, Cadouin
Mijn ervaring is dat het leven vol kansen, verrassingen en onverwachte wendingen zit, tenminste, als je ze ziet en wilt omarmen. Ik ben er altijd gek op geweest.
Anne ging, zoals ze vrijwel elke dag doet, naar de sportschool. Als ze op het punt staat om naar huis te gaan, komt een vrouw naar haar toe. ‘Jij bent toch Anne van Instagram, hè?’
‘Ja, hoor.’
‘Ik kijk altijd naar de filmpjes met je vader; ik geniet daar erg van.’
Nu is misschien enige uitleg nodig. Sinds enige tijd plaatst Anne filmpjes op haar Instagramaccount waarin wij gesprekken voeren over van alles en nog wat. Gesprekken zoals we die hebben als we samen op de bank zitten of op een terras. De gesprekjes zijn niet gescript en vaak in één take opgenomen. We snijden geen grote wetenschappelijke onderwerpen aan, hebben geen educatieve doelstellingen. Wij praten wat met elkaar; het is wat chitchatten, zou je kunnen zeggen, meer niet. Maar het gekke is: het slaat ontzettend aan, en dan vooral bij de doelgroep van Anne, vrouwen tussen 25 en 45, schat ik. Anne wordt inmiddels op straat herkend en de reacties zijn enorm. Elk filmpje krijgt tienduizenden views, sommige zelfs honderdduizenden.
‘Ik begin erover,’ zegt de vrouw, ‘omdat mijn vriendin producente is van diverse realityshows, onder andere van Grannies. Ken je dat?’
‘Van horen zeggen,’ zegt Anne, ‘ik heb het nooit gezien.’
‘In dat programma worden vier vriendinnen tussen de zeventig en tachtig gevolgd. Nu weet ik dat ze al heel lang op zoek zijn naar een leuke, wat oudere man, maar zo iemand kunnen ze niet vinden. Nu zag ik jouw vader op jouw filmpjes en toen dacht ik: dat is degene die ze zoeken. Zou jouw vader daar iets voor voelen? Mag ik jouw telefoonnummer aan mijn vriendin doorgeven?’
‘Ik denk niet dat hij daar iets voor voelt, hoor, want hij zit het liefst thuis boeken te lezen.’
Dat neemt niet weg dat Anne mij opbelt: ‘Je bent gescout.’ En ze vertelt wat haar is overkomen. ‘Zou je daar iets voor voelen?’
Ik moet hard lachen, want toevallig zijn Wyb en ik het programma vorige week al zappend tegengekomen en hebben we een kwartiertje gekeken. Je gelooft je ogen niet. Het is slow, slow, very slow television. Op het gapende af. Het is getut zoals getut is bedoeld.
‘Maar voel je ervoor?’
‘In principe zeker niet. Maar voor dit soort dingen drink ik graag kopjes koffie. En als er een aantrekkelijk honorarium aan vastzit, wie weet.’
De volgende dag wordt Anne al vroeg door de producente gebeld.
‘Mijn vriendin had gelijk. Dit is precies de man die wij zoeken.’
‘En waarom, als ik vragen mag?’
‘Zie maar eens een leuke, levendige oude man te vinden. Die hebben wij niet kunnen vinden en jouw vader voldoet prima aan ons profiel. Hij is een man zonder filter, zoals je dat vaak bij oudere mensen ziet. Ze hebben niks meer te verliezen of op te houden en zijn heel direct over wat ze vinden. Maar denk je dat je vader het zou willen doen?’
‘Ik heb hem gebeld en hij wil er zeker over praten. Maar het liefst zit hij thuis boeken te lezen.’
‘Een belangrijke vraag: heeft hij veel vrienden in Delft?’
‘Nee, hij kent niemand in Delft. Zijn vrienden zijn verspreid over heel Nederland. Hij is namelijk ontzettend vaak verhuisd.’
‘Jammer, heel jammer, maar dan kan het niet doorgaan. Want net als bij de Grannies wil ik hem en zijn vriendengroep volgen.’
Anne belt me meteen na het gesprek op. ‘Het gaat niet door, Geer.’
‘Jammer,’ zeg ik, ‘realityster worden, mét een mooi honorarium, dat had me wel wat geleken. Word ik verdomme een keer gescout, gaat het niet door omdat ik hier geen vrienden heb.’
Ik overweeg nog even Benne, Peter en Henk te bellen met de vraag of ze naar Delft willen verhuizen om samen met mij beroemd te worden. Maar ach, ik zie er vanaf. Ik hoor hun hooggelach al.
Journal d’images
Slijtage
Woensdag 8 juli, Delft
Zoals ik eerder schreef: ik ken niemand in Delft. Ik heb één sociaal contact en dat is een vrouw, iets ouder dan ik, en we komen elkaar ’s ochtends tegen als we de honden uitlaten. De honden begroeten elkaar, ik geef haar hond een koekje, en we maken een praatje over het weer. That’s it. Daarna is Wyb de eerste persoon die ik spreek als ze van haar werk thuis komt.
Mijn verdere contact overdag bestaat uit drie vrienden die me elke dag wel iets appen of mailen. Of ik aan hen. Een goede cartoon, een grappig filmpje, een tirade over Trump, een gedachte die de moeite waard is om uit te wisselen, familieaangelegenheden, dat soort dingen. Het lukt me best met dit soort contacten, sociaal gezien, de dag door te komen.
Gisteren kregen B. en ik een discussie over Maarten ’t Hart. B. stuurde me een filmpje waarin Maarten ’t Hart minachtend doet over het werk van Nescio. B. vraagt zich af wanneer ’t Hart nou eindelijk een biografie krijgt.
Ik schrijf hem terug: ‘Ik weet niet of hij een biografie zal krijgen. Ik hoop het voor hem, maar zijn ster is de afgelopen jaren toch wel tanende. Vorig jaar herlas ik een boek van hem dat Wyb mij aanraadde. Ze had het vroeger gelezen en vond het toen prachtig. Ik vond het totaal gedateerd, eigenlijk niet meer te lezen. Zelden lees ik een boek niet uit, maar in dit geval heb ik het wel gedaan. Waarop B. terugschrijft: ‘Gedateerd is niet erg hoor.’
Nu weet ik ook wel dat gedateerdheid onvermijdelijk is. Wat raakt nou uiteindelijk niet gedateerd? De bijbel? Maar alleen niet voor gelovigen; zij houden zelfs de grootste onzin nog up-to-date. Shakespeare? Maar ja, die vereist op toneel dan steeds weer nieuwe interpretaties. Uit cultuurhistorisch perspectief heeft gedateerdheid natuurlijk ook waarde. Het gedateerde werk zegt tenslotte iets over de tijd waarin het is gemaakt.
Als je daar tevreden mee bent, is dat prima. Maar als liefhebber vind ik het vreselijk dat iets gedateerd raakt. Neem de boeken van Gerard Reve — ik ga nu vloeken in de kerk — ooit hadden ze magie voor me. Nu ik ze herlees, zie ik hoe sterk ze gebonden zijn aan de tijd waarin ze zijn geschreven. De typische Reviaanse stijl is te vaak verworden tot gewoon gezeur, zijn thematiek is in deze tijd eigenlijk niet meer interessant, zelfs zijn provocaties doen nu kinderachtig aan. Arme Gerard. Laatst zag ik zijn verzamelde werk, vergeeld, voor €30 in de ramsj liggen. Letterlijk afgeschreven dus.
Ik schrijf dit met weinig plezier op. Ik wilde Reve houden zoals ik hem bij eerste lezing ervoer. Maar alles slijt, zelfs Reve. En Reve is niet de enige schrijver die de tijd mij heeft ontnomen. Zelfs Salinger heeft de glans verloren van de eerste keer dat ik hem las. Maar dat komt misschien ook wel doordat ik hem vele malen heb herlezen.
Mijn advies: als je een lievelingsschrijver hebt of een lievelingsboek, ga het niet herlezen. De kans is te groot dat je je eigen betovering om zeep helpt. En dat is natuurlijk niet raar: je referentiekader verandert, de maatschappelijke ontwikkelingen gaan in sneltreinvaart, de modes volgen elkaar in recordtempo op, bovendien krijg je ontwikkelingen als de internetrevolutie over je heen, die onze manier van kijken en onze mentaliteit veranderen. Zie dan maar eens op dezelfde manier te blijven kijken of te lezen.
Journal d’images
Act of God
Dinsdag 7 juli, Delft
Als het om de coronacrisis gaat, maak ik iets wonderlijks mee. Terwijl ik toch in de levensfase zit waarin ik regelmatig terugkijk, denk ik eigenlijk nooit terug aan de tijd waarin het virus ons in de greep hield en we te maken hadden met lockdowns, vaccinaties en anderhalve meter afstand van elkaar moeten houden. Het lijkt wel alsof die periode van geen enkele betekenis voor me is geweest. Als ik er al eens aan denk, dan doe ik dat met grote lichtheid.
Dat is raar, want uitgerekend dat coronavirus heeft ervoor gezorgd dat het leven van Wyb en mijzelf, dat zich toen in Frankrijk afspeelde, drastisch op de schop ging. Ik weet nog hoe we het virus langzaam onze kant zagen opkomen. Nou ja, langzaam. Het virus deed er tweeënhalve maand over om ons te bereiken. En op een gegeven moment was het onvermijdelijk dat Macron half maart op televisie verscheen en het confinement afkondigde, Frans voor lockdown. Met dat televisieoptreden maakte hij ons in één klap brodeloos.
In die tijd exploiteerden wij een chambres d’hôtes in de Cevennen. Het aankomende seizoen zag er veelbelovend uit, vrijwel het hele seizoen was volgeboekt. Met de aanbetalingen van die reserveringen kwamen we de winter door. Maar na het afkondigen van de lockdown werd de ene na de andere reservering ingetrokken. Het geld stroomde onze portemonnee uit. Aan het einde van de maand was het duidelijk: er was een einde gekomen aan ons plan om dit drie jaar te doen. Geen gasten, geen inkomsten.
Gelukkig hadden wij in ons contract opgenomen dat wij bij een act of god — overmacht dus — een opzegtermijn van een half jaar hadden. Er zat niets anders op dan ons contract op te zeggen. Wat betekende dat wij per 1 oktober zowel werkloos en dakloos waren. Ik formuleer het hier harder dan wij het destijds ervoeren, want gelukkig konden we van vrienden van ons een fraaie bovenwoning in Groningen huren, een fantastisch aanbod.
Nadat we deze klap hadden geïncasseerd en misschien wel verwerkt, brak er, vond ik, een mooie tijd aan. Wij genoten volop van het half jaar dat we nog in ons paleis woonden, inclusief zwembad. Het was het mooiste huis waarin we ooit hebben gewoond en Wyb wil het nog steeds terugkopen, want het huis staat nog steeds te koop. Elk jaar koopt ze een staatslot in de hoop een miljoen te winnen.
Die Franse lockdown was niet kinderachtig. We mochten alleen onder bepaalde condities naar buiten en dan moesten we een briefje meenemen waarop stond waarom we naar buiten gingen. Regelmatig werden we door de gendarmes aangehouden die dat controleerden. Na de hectiek van het runnen van een chambres d’hôtes vond ik dat confinement weldadige rust brengen. Eindelijk weer tijd voor elkaar. Eindelijk weer eens een boek lezen.
Na drie maanden gevangenschap verlangden wij er ernstig naar om weer eens andere mensen te zien en we regelden via de Nederlandse ambassade een doorreisdocument om naar Nederland terug te rijden.
Die reis bezorgde mij de meest surrealistische ervaring in mijn leven. We reden ruim achthonderd kilometer, van de Cevennen naar de Belgische grens, en de Franse snelwegen waren totaal leeg. Wij reden als enigen in een verlaten landschap. We konden tientallen kilometers rijden zonder zelfs een vrachtwagen tegen te komen. De Franse snelwegen waren helemaal van ons alleen.
We waren vergeten koffie mee te nemen. ‘Och,’ zei ik, ‘we kopen onderweg wel een kop koffie.’ Maar werkelijk alle pompstations waren dicht. We konden alleen met pin tanken.
En het gekke was: we werden geen enkele keer gecontroleerd. Pas in België reden we een fuik in en moesten we ons document laten zien.
Dit alles gaat je niet in de koude kleren zitten, zou je denken. Maar na het einde van de crisis lijken deze gebeurtenissen een voetnoot in mijn bestaan. Ik denk er dus vrijwel nooit aan, en als ik eraan denk, kijk ik erop terug als een fijne tijd waarin het leven even stilstond. Gelukkig is er nu een parlementaire enquête, waardoor ik er weer aan terugdenk.
Journal d’images
Strolling around
Maandag 6 juli, Delft
Strolling around klinkt zoveel beter dan het Nederlandse woord ‘rondwandelen’. Rondwandelen is keurigheid, is een gereformeerde bezigheid, rondwandelen doe je op zondag. Bij rondwandelen weet je hoe je loopt, namelijk een rondje. Bij Strolling around weet je nooit waar je uitkomt. Jammer dat we daar in het Nederlands geen woord voor hebben. Bij Strolling around zie je het slenteren, het is een begrip waarbij je meteen een blues riff hoort. Ik dacht dat er veel bluesnummers Strolling around zouden heten, maar dat blijkt een vergissing te zijn wanneer ik het thuis op zowel ChatGPT als Google opzoek.
Wyb en ik wandelen eerst naar het Museumpark langs het Depot van Museum Boijmans Van Beuningen. Nadat we onszelf eerst niet konden vinden in de spiegeling, zwaaien we naar ons eigen spiegelbeeld. Binnenkort zal hier de pindakaasvloer van Wim T. Schippers weer liggen. Ik hoop zo dat er binnenkort weer een nieuwe Wim T. Schippers opstaat. De televisie is zo’n ingeslapen bende. Zelfs de NOS Avondetappe wordt nu van een Nederlandse locatie uitgezonden. Niks geen Franse sferen meer. Het zou eens geld kosten.
Dan lopen we door naar Het Park, waar we bij restaurant Parqiet koffie drinken onder een grote plataan, midden tussen ongelooflijk veel ouders met kinderen. Zoals ik graag naar chimpansees in de dierentuin kijk, kijk ik ook graag naar mensen — zeker op hun zondagse uitje.
Dan lopen we door Het Park richting de Maas. We vinden Rotterdam een fijne stad, een stad die ademt, met prachtige parken. In Amsterdam bots je altijd tegen toeristen en ontsnap je nooit aan de wietlucht. In Rotterdam is altijd nog ruimte.
Dan lopen we langs de Ballentent de Westerkade op. Ik wip even een galerie binnen. Ik kijk wat rond en zeg tegen de aardige galeriehoudster dat ik het mooie werk vind. Ik wens haar veel succes met de vernissage die om vier uur begint.
Wyb en ik gaan op de hoek van de Westerkade op een bankje zitten, hangen lui achterover, met uitzicht op de Nieuwe Maas en aan de overkant de Kop van Zuid. Alle nieuwbouw daar heb ik zien verrijzen. Ik krijg hier altijd zo’n New York-gevoel. Aan de kade ligt de Rotterdam afgemeerd, het vlaggenschip van de Holland America Line.
‘Ik zou zo graag eens met een cruise meegaan,’ zegt Wyb.
‘Wat kost zo’n cruise eigenlijk?’
Wyb zoekt het op.
‘Hier. Een cruise naar IJsland van zeven dagen. Kost €999. All-inclusive.’
‘Meen je niet. Dat gaan we doen, lijkt me fantastisch.’
Wyb noemt nog een aantal reizen die je met de Holland America Line kunt doen. Mooi. Maar IJsland vind ik toch het aantrekkelijkst.
Uiteindelijk schrijven we ons in op een soort reservelijst. Als er ergens een plaats vrijkomt, kun je voor €90 per dag mee, uiteraard wel last minute. Ben benieuwd wat ons wordt aangeboden. Wyb gaat toch liever wandelen in Ierland. Jammer. Die cruise naar IJsland wil maar niet uit mijn hoofd.
In de Pannekoekstraat vindt Dies in een parkje een lekke zilverkleurige bal. Een grote vondst voor hem. Terwijl Wyb op zoek gaat naar kleren in een paar boetieks, speel ik op de stoep met de bal. Dies is weer razendsnel, ik kan hem nauwelijks passeren, steeds houdt hij de focus op de bal en trekt hij zich niets aan van mijn schijnbewegingen.
In de Pannekoekstraat zit ook de opticien waar ik mijn bril kocht. Dat komt goed uit, want hij zit de laatste tijd wat losser op mijn neus. Na wat buigen en trekken zit hij weer als nieuw.
Op de terugweg naar huis blijkt dat ik e veel van Dies heb gevraagd daar op die stoep. Hij hinkt naar huis, heeft een blessure aan zijn rechterpoot.
Eenmaal thuis besluit ik toch te kiezen voor de titel Strolling around. Hoewel ik jarenlang Engelse titels voor mijn blogs heb vermeden. Maar Strolling around — sorry — is precies wat we hebben gedaan.
Journal d’images
Herinneringen
Zaterdag 4 juli, Delft
Herinneringen: ik vind ze maar een slap aftreksel van wat ooit was. Kun je herinnering meten? Kun je zien of ik een slechtere of betere herinnering heb dan een ander?
Ik ben namelijk erg ontevreden over mijn eigen herinneringen. Dat komt vooral doordat mijn herinneringen in feite foto’s zijn. Ik heb ongelooflijk veel van die foto’s in mijn hoofd, maar het blijven altijd foto’s. Mijn herinneringen hebben zich geklonterd in een beeld. Nooit beweegt er iemand, nooit hoor ik iemand praten. Zo kan ik de stem van mijn vader niet meer oproepen. Ik zou mijn moeder graag weer eens door ons huis in de Weezenhof zien lopen. Maar helaas. Als ik aan de Weezenhof denk, dan zie ik mijn moeder in de kamer zitten, voor het raam staan, maar het zijn toch stilstaande beelden. Zo jammer.
Ik heb wel het geluk dat ik bij elke foto nog een gevoel heb. Ik kan me de sfeer herinneren van de situatie waarin het beeld is gestold. Het beeld wordt gelukkig ‘ingekleurd’ door hoe de Weezenhof voelde, maar ook hoe mijn eigen gevoel in die situatie was, of ik gelukkig was of niet, dat soort dingen.
Maar ik zou het zo fijn hebben gevonden als mijn herinneringen een soort filmpjes waren. Dat je die kon oproepen en vervolgens afdraaien, en dat je dan hele scènes terug kon zien, compleet met het geluid van de stofzuiger en wapperende gordijnen. Helaas heb ik te maken met een beperkte versie daarvan.
Zijn er mensen die zulke filmpjes wél kunnen afdraaien? Misschien ben ik wel de enige die zich met foto’s met gevoel moet behelpen.
De boeken van Knausgård maken me erg jaloers. Eigenlijk zijn zijn boeken één grote herinnering, en die herinnering lijkt verdomde veel op een film. Hij weet tot in detail te beschrijven wat mensen zeiden, hoe ze bewogen, en in welke setting. Nu weet ik dat het om romans gaat en dat ze voor een deel fictie zijn, maar hij wilde toch zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid blijven en ik neem aan dat dit hem tamelijk goed is gelukt. In ieder geval wekt hij die suggestie.
Herinneringen heb ik van jongs af aan belangrijk gevonden. Ik heb mijn best gedaan om een collectie aan te leggen. Dat heb ik gedaan door mezelf te dwingen bepaalde situaties en gebeurtenissen bewust te onthouden. Ik heb altijd veel foto’s gemaakt en deze blogs bijvoorbeeld schrijf ik ook niet voor niets.
Toen ik nog jong was, had ik het idee dat ik, als ik later in een bejaardenhuis zou zitten — die had je toen nog — heerlijk zou gaan genieten van mijn herinneringen, in alle rust zou gaan terugdenken aan vroeger. Ik hoefde dan niets meer; ik kon op mijn lauweren rusten, me nergens meer zorgen over maken, alleen maar genieten van het verleden. Naïef, want nu weet ik dat alleen terugdenken aan vroeger ook maar een armoedig bestaan is. Op zich is het natuurlijk fantastisch dat mijn collectie herinneringen nog volop groeiende is.
Aan de andere kant vind ik het een bijna onverteerbaar idee dat mijn harde schijf ooit nog eens crasht en al die herinneringen dan met mij in het crematorium worden verbrand. Alles opeens zomaar weg. Dat is toch onvoorstelbaar.
Journal d’images
KISS
Vrijdag 3 juli, Delft
‘Wat is de beste camera om mee te fotograferen?’ Het antwoord: ‘De camera die je bij je hebt.’ Een wat flauw en simpel antwoord, maar het bevat veel wijsheid. Beginnende fotografen hebben de neiging zich op de camera te concentreren. Ze denken dat een geavanceerde camera, waar je van alles en nog wat mee kunt, de beste camera is, dat je daar de mooiste foto’s mee maakt.
Zo zie ik regelmatig met enig leedwezen mensen door de stad lopen met enorme toeters op hun veel te dure camera’s. In alle opzichten is zo’n uitrusting een last. Meestal belandt dit soort apparatuur na een tijdje in de kast: te onhandig, te log in het gebruik.
Als straatfotograaf weet ik inmiddels dat een kleine, handige camera, die gewoon in mijn jaszak past, het meest effectief is. Niks geen grote lenzen, een standaard 35mm-lens voldoet in 90% van de gevallen en die andere 10%? Nou, die mis ik dan, maar dat weegt niet op tegen de mobiliteit van een kleine camera. De meeste foto’s neem ik trouwens met mijn iPhone.
Ik kom erop omdat vandaag voor mij eindelijk een vraag wordt beantwoord: hoe gaat het met al die F-16’s die wij aan Oekraïne hebben geleverd? Ik vond het opmerkelijk stil rond die vliegtuigen, zó stil dat ik achterdochtig werd. Want als ze succesvol waren geweest, dan zou het gejuich niet van de lucht geweest.
Wat blijkt: die buitengewoon geavanceerde F-16’s zijn veel minder functioneel dan werd gedacht. Het verwachte verschil op het slagveld hebben ze in elk geval niet gemaakt. Een groot deel van de vliegtuigen staat op de grond omdat ze dringend onderhoud nodig hebben. Daar komt bij dat het jaren duurt om de wapensystemen te beheersen. Bovendien blijken het best wel kwetsbare dingen te zijn, kleine onregelmatigheden op de start- en landingsbanen zorgen al voor beschadigingen en extra onderhoud.
Dit buitengewoon technische hoogstandje blijkt gewoon een luxepaardje te zijn. Buiten oorlogsgebied beslist imposant, in oorlogsgebied gewoon onhandig en te gecompliceerd.
Een ander vliegtuig waar Oekraïne mee werkt, de Zweedse Gripen, blijkt in oorlogsgebied veel effectiever. En de Gripen kan precies wat Oekraïne zo hard nodig heeft: glijbommen uit de lucht halen. De Amerikanen hebben die mogelijkheid nu juist niet in de F-16 ingebouwd.
Over Amerikanen gesproken: ander nadeeltje van de F-16, er is geen munitie uit Amerika te krijgen. De Amerikanen hebben net even wat andere prioriteiten dan aan Oekraïne te denken.
Ik sta er niet van te kijken. Een van de tekortkomingen van mensen is dat ze de neiging hebben alles onnodig complex te maken. Kijk naar organisaties, bedrijven en overheden. Ze zijn voortdurend bezig met reorganisaties, op zoek naar organisatorische perfectie. Hier nog wat bij boetseren, daar nog wat aan plakken, en het moet vooral groter en groter worden.
Mijn uitgangspunt als manager ging tegen deze natuurlijke neiging van mensen in; ik werkte volgens het principe: houd het klein, eenvoudig en overzichtelijk. Niet dat ik dit heb uitgevonden, ik was alleen maar een aanhanger. Want natuurlijk waren de managementgoeroes hier allang opgedoken. Keep It Small and Simple. KISS, het werd een managementprincipe. Er zijn boeken over vol geschreven. Maar helaas: tevergeefs. Of het nou om camera’s, vliegtuigen of organisaties gaat, mensen doen altijd weer het tegenovergestelde.
Journal d’images
Omsingeld
Donderdag 2 juli, Delft
Wat waren de Middeleeuwen toch heerlijk overzichtelijk. Als een stad een andere stad wilde innemen, dan verklaarde het de oorlog en trok er een leger op. De andere stad gooide de poorten dicht, riep iedereen onder de wapens en de belegering kon beginnen. Beide partijen wisten waar ze aan toe waren.
Hoe anders is de situatie nu. Een vriend kan zomaar een vijand worden, wat dat betreft is er sinds de Middeleeuwen niet veel veranderd. Het is alleen de pest dat vriendschappen tegenwoordig erg verknoopt zijn. Zo hebben wij, Nederland, een vriend: Amerika, waaraan wij onze totale digitale infrastructuur hebben uitbesteed. Die vriend is machtig en heeft ontzettend veel geïnvesteerd in die infrastructuur en ligt decennia op ons voor. Terwijl Amerika bezig was met de ontwikkeling daarvan, hielden onze politici zich bezig met migratie en het zoethouden van boeren. Het is maar wat je belangrijk vindt.
Ik heb eens op een rijtje gezet wat wij onze vriend in goed vertrouwen in handen hebben gegeven. Zo hebben we een groot deel van onze overheidsinformatie opgeslagen in de cloud. Een cloud die in Amerikaanse handen is.
De kantoorsoftware die we gebruiken op ministeries, gemeenten, scholen en bedrijven is standaard van Microsoft 365. Dat betekent dat al onze actuele informatie direct via die systemen naar Amerika wordt verzonden.
Om nog wat ‘dingetjes’ te noemen. De zoekmachines die wij gebruiken: Amerikaans. Onze smartphones: Amerikaans. Social media: Amerikaans. En, ook niet onbelangrijk, er is een enorme financiële verwevenheid tussen Nederland en Amerika. De VS is een van de grootste investeerders in Nederland en wij in de VS. Een belangrijk deel van de beleggingen van onze pensioenfondsen zit in Amerika.
Bovendien loopt een groot deel van ons geldverkeer via Amerikaanse infrastructuur. De financiële belangen over en weer zijn immens.
Jarenlang dachten we dat dit geen probleem was. We privatiseerden er lustig op los, waardoor onze diensten terechtkwamen bij de goedkoopste en efficiëntste aanbieder. Een soort Rattenvanger van Hamelen-effect. Maar sinds de terugkeer van Trump weten we dat een bondgenoot zomaar een vijand kan worden. We hebben nu met een president te maken die even wisselvallig is als het Nederlandse weer.
Een president die ook steeds machtiger wordt. Zo heeft hij al de beschikking over de CLOUD Act. Met die wet in de hand kunnen Amerikaanse autoriteiten toegang eisen tot gegevens van Amerikaanse bedrijven, en daarmee dus tot Nederlandse data en informatie. Och, dat gebeurt toch niet? Zeker wel. Rechters van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag zijn inmiddels een soort outcasts geworden. Ze zijn verstoten uit alle diensten waarvan iedereen gebruikmaakt.
Terug naar de Middeleeuwen, waarnaar je bijna zou verlangen. Mijn stelling is dat Nederland in feite is omsingeld. Alles ligt voor de Amerikanen klaar om ons in te nemen. Zeker met de nieuwste AI-programma’s, waarmee alles gehackt kan worden, is dat een fluitje van een cent. Zoals de NOS schreef: ‘Experts vrezen dat als Amerika’s AI-voorsprong zo groot blijft, de Europese economie ineen zal storten. Ook zou het Witte Huis met één druk op de knop al onze computers kunnen hacken.’
Wat kunnen we doen? De poorten van onze stad kunnen we niet meer dichtgooien, die bestaan niet meer. Ons leger zal niet functioneren, want onze wapens zijn Amerikaans, evenals de bijbehorende software. Ik zou zeggen: leer uw kind van jongs af aan Engels; dat zal, meer nog dan nu, in de toekomst zeker van pas komen. We zijn omsingeld, alleen we zien het niet.
Journal d’images
‘Wat doe jij tegenwoordig zoal?’
Woensdag 1 juli, Delft
Afgelopen maandag nam ik weer eens een diepe duik in mijn oude theaternetwerk. Ik was zowaar uitgenodigd voor de viering van het zestigjarig bestaan van Impresariaat Senf. In mijn tijd — en misschien nu nog steeds — was het het belangrijkste impresariaat van Nederland, grootleverancier van voorstellingen voor de Nederlandse theaters.
Zo’n uitnodiging roept bij mij altijd meteen twijfel op: moet ik wel gaan? Waarom zou ik gaan? Zo’n bijeenkomst is natuurlijk een soort reünie. En ik heb bitter weinig met reünies.
‘Ha, wat leuk je te zien.’
‘Hoe gaat het met je?’
‘Wat doe je tegenwoordig zoal?’
En dan stokt het gesprek al gauw.
Reünies zijn van die ongemakkelijke bijeenkomsten. Je gaat even terug naar het verleden, maar het verleden is zo verschrikkelijk verleden. Reünies verzamelen mensen die intensief samen hebben geleefd, gestudeerd of samengewerkt, dat was prima, maar je merkt dan ook ontnuchterend dat iedereen zijn eigen kant is opgegaan, dat de connectie van vroeger is vergeeld en dat die vroegere gemeenschappelijkheid weinig tot niets meer voorstelt.
Toen ik vierenzestig was, heb ik besloten mijn theateractiviteiten en -netwerk resoluut achter mij te laten. Ik wilde een nieuw leven beginnen, iets totaal anders doen. De theaterwereld kende ik door en door en ik constateerde, met enige zelfafkeer, dat ik blasé en cynisch was geworden. Ik vond het de hoogste tijd voor een nieuwe start, en Wyb en ik besloten een chambres d’hôtes in Frankrijk te beginnen.
Dat is mij buitengewoon goed bevallen. Eindelijk niet meer drie, vier avonden per week in het theater zitten, geen bestuurlijke besognes meer en geen herhaling van gesprekken die ik in mijn leven al zo vaak had gevoerd.
Mijn resolute breuk met de theaterwereld had ook te maken met mijn angst om daarin te blijven hangen, te teren op oud succes, en te denken dat je belangrijk bent. Ik verlangde naar lucht, frisheid en nieuwe horizonten.
En dan krijg ik zo’n uitnodiging. Moet ik gaan? Wyb is dan de stimulans, zij vindt het leuk en staat mentaal nog dichter bij de theaterwereld dan ik.
Ik ben gegaan voor Wyb, maar ook uit een soort eerbetoon aan de oprichter van Impresariaat Senf, Jacques Senf, een markante persoonlijkheid met een enorme werkdrift. Hij was geen gemakkelijke man, hij kon bijvoorbeeld uit het niets ontzettend boos worden. Maar hij deed zijn werk met zijn hele ziel en zaligheid — ik mocht hem wel.
Hij heeft mij een aantal wijsheden meegegeven. De belangrijkste daarvan: ‘de eerste fout is de grootste fout.’ Let maar eens op, dat klopt vaak.
Een ander motto van hem was voor mij ook altijd leidinggevend: ‘Het eerste kaartje kunnen we allemaal verkopen, maar de kunst is het verkopen van het laatste kaartje.’
En zo stond ik dus toch opeens weer in mijn oude wereld en hoorde ik mijzelf inderdaad de vraag stellen: ‘Wat doe jij tegenwoordig zoal?’ Ik stelde mij voor aan de nieuwe directie van Impresariaat Senf, met wie ik nooit eerder te maken had gehad. ‘Wat is uw naam?’ vroeg een van hen. Ik noemde mijn naam. ‘O ja, daar heb ik weleens van gehoord.’
Daar zat ik dan, in een zaal met nieuwe collega’s. De wisseling van de wacht was inmiddels compleet. Vroeger had ik 90% van de zaal gekend, nu kende ik nog geen 10%. De belangrijkste constatering was dat de oude mannelijke directeuren, die enigszins snobistische heren, verwant aan de dominee, de dokter en de notaris, maar dan wel pseudo-artistiek natuurlijk, zijn vervangen door vrouwen. Na de bijeenkomst leefden ze zich meteen vrolijk uit op de dansvloer. Zoveel uitbundigheid, dat was met die heren van mijn generatie nooit gebeurd.
Journal d’images
alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2026