Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2026, mei/juni

Wim is weg

1942-2026

Woensdag 17 juni, Delft

 

Als je pas in een stad woont, zie je het meest. Je bent dan die kat in het vreemde pakhuis. Ooit werd aan de dichter C. Buddingh’ gevraagd waarom hij altijd in Dordrecht was blijven wonen. Hij antwoordde dat hij de stad zo goed kende dat niets hem meer afleidde. De stad had zich als het ware opgeheven. Hij kon zich helemaal concentreren op waar hij mee bezig was.

Later bedacht ik dat dit niet klopte. Ik heb van mijn geboorte tot mijn zevenentwintigste in Nijmegen gewoond; ik ben er geboren, getogen en heb er gestudeerd. Ik kende de stad als mijn broekzak, maar dat had ook een keerzijde. Het zorgde ervoor dat ik om de drie straten een bekende tegenkwam. Veel tijd ging op aan smalltalk en dat zal bij Buddingh’ toch ook wel het geval zijn geweest.

Maar nu ter zake. Op een van mijn eerste wandelingen door Delft zag ik in de tuin van de Nieuwe Kerk een raar, stijf beeld staan. Op zich was dat niet vreemd, want in Delft staan tamelijk veel rare beelden. Het is gewoon een bijeengeraapt zooitje. Delft moet maar een voorbeeld nemen aan Rotterdam, waar een mooi, verrassend beeldenbeleid bestaat.

Op afstand zag ik al dat het beeld het Melkmeisje verbeeldde. Ik liep erheen en zag dat het beeld zowaar door Wim T. Schippers was gemaakt. Ik kon het niet geloven, want het week nogal af van het werk waarvan ik hem kende. De Barend Servet Show, karakters als Sjef van Oekel, Fred Haché, de pindakaasvloer en de vier meter hoge drol die hij voor het VPRO-gebouw heeft gemaakt. En natuurlijk moet ik het toneelstuk Going to the dogs niet vergeten, opgevoerd door zes herdershonden die zichzelf speelden. Wim T. Schippers betekende voor mij ontregeling en nou zag ik in Delft een braaf, stijf figuratief werk van hem staan. Hij zal wel in geldnood hebben gezeten, dacht ik toen; het leek me een moetje.

Omdat ik wist dat ik vandaag een blog over hem wilde schrijven, maakte ik gisteren een foto van het beeld. Tot mijn verrassing had er iemand een bosje bloemen bij gelegd, wat ik heel ontroerend vond. Ik baalde ervan dat ik zelf niet op het idee was gekomen.

Als ik terugloop naar mijn fiets — ik heb tegenwoordig weer een fiets — komt een vrouw naar mij toe.
‘Heeft u dat bosje bloemen daar neergelegd?’
‘Jammer genoeg niet,’ zeg ik. ‘Ik heb een foto van het beeld gemaakt. Aan een bosje bloemen heb ik helaas niet gedacht. Maar het is volkomen terecht dat het daar ligt. We zijn Wim T. Schippers veel dank verschuldigd.’
‘Dank verschuldigd? Hoe bedoelt u?’
‘Hij heeft Nederland veel vrolijkheid en absurditeit geschonken. Zonder hem zou het land een stuk saaier zijn geweest. Hij brak voor een deel onze cultuur open. Ik heb erg van hem genoten.’
‘Dat is zeker waar,’ zegt de vrouw. ‘Ik was ook een groot fan van hem. Hij heeft onze generatie veel bijzonders geschonken.’

Zijn laatste kunstwerk droeg de naam Wim is weg. Jammer, maar helaas.

Knutselen

Dinsdag 16 juni, Delft

 

Alles wordt minder: mijn uithoudingsvermogen, mijn lenigheid, soms verrek ik zomaar een spier. Maar één ding gaat onverminderd door: mijn haargroei. Ik weet dat het volkomen uit is om een behaarde man te zijn. Je lijf harsen is in en er zijn genoeg zaken waar ik het zou kunnen laten doen. Maar waarom? Ik ben best tevreden met mijn haar. Mooi meegenomen dat ik nog niet kaal ben. Het enige wat een beetje uit de pas loopt, zijn mijn nekharen. Die groeien nog harder dan mijn hoofdhaar. Zo ontstaat er een bos haar onder een bos haar. Erg lelijk.

‘Wyb, zou jij mijn nekharen kunnen wegscheren?’
Eens in de zoveel weken scheert ze mijn nek uit.
‘Wil ik wel doen, maar dan moet jij mijn teennagels lakken. Daar ben ik zo slecht in.’
‘Je weet dat je dat aan de verkeerde vraagt. Mijn fijne motoriek is net zo beroerd als die van jou. Je tenen zouden onder de nagellak komen te zitten.’

En dan vertel ik Wyb het verhaal over het cruciale moment in mijn kleuterschoolcarrière. Zuster Goretti nam ooit mijn moeder apart. ‘Mevrouw Tonen, het gaat heel goed met Gerardje op school, hoor. Hij is erg sociaal en in van alles geïnteresseerd. Maar er is één ding waar ik me zorgen over maak: hij doet nooit iets met zijn handen. Hij zit alleen maar in de blokkenhoek met blokken te spelen.’
Mijn moeder knikte. ‘Gerardje houdt inderdaad niet van knutselen. Als hij een keer iets doet, mislukt het ook altijd. Ik denk dat zijn fijne motoriek niet echt goed is. Misschien is het goed als u dat eens met hem wilt oefenen.’

Een paar dagen later nam zuster Goretti mij apart. ‘Gerardje, wat vind je ervan om eens niet in de blokkenhoek te spelen, maar eens lekker te gaan knutselen?’
Ze nam mij mee naar een tafeltje waarop honderden lucifers in een doos lagen en een groot rood vel papier. ‘Kijk, hier heb je lijm. Als je nou eens met die lucifers een huis zou maken.’ Ze pakte zelf een lucifer, smeerde hem in met lijm en plakte hem op het papier. Lijkt je dat niet leuk?’
Ik hoorde aan haar stem dat ik het beste ‘ja’ kon zeggen, dat ik er toch niet onderuit kwam. En zo begon ik te plakken.

Een moeilijk karweitje voor mij, want lucifers zijn smal en bleven maar niet tussen mijn vingers zitten terwijl ik ze met lijm insmeerde.
Zuster Goretti kwam om de zoveel tijd kijken en werd steeds enthousiaster over het huis. ‘Het is werkelijk prachtig,’ zei ze toen het eindelijk af was. Ik mocht het aan de hele klas tonen.
‘Kijk eens wat Gerardje heeft gemaakt.’ De klas keek weinig geïnteresseerd toe. Ik zag zelf ook wel dat het niet iets heel bijzonders was. Het enige bijzondere was dat ik eindelijk iets had gemaakt. Maar ik voelde ook geen trots. Ik had het liever niet gemaakt. Ik zag dat de blokkenhoek vrij was.

‘Zou je het leuk vinden om het huis aan de andere klassen te laten zien?’ Als zuster Goretti dat leuk vond, dan wilde ik dat best doen. Samen met Jopie, mijn vriendje, die ook iets had geknutseld, liepen we naar de overkant van de speelplaats waar de klassen met de jongere kinderen zaten.

Het vel papier lag op mijn beide handen. Ik hield het zo vlak mogelijk om het niet te kreukelen, want anders zouden de lucifers er vast afvallen.
Jopie en ik liepen de speelplaats op. Midden op de speelplaats bleek het enorm te waaien. Het lukte me net niet om het papier steviger vast te pakken. De wind tilde het rode papier met daarop het huis op. Het wapperde mee met de wind en ik zag hoe de lucifers van het papier sprongen en zich over de hele speelplaats verspreidden.
Toen ik het papier opraapte, plakte er nog maar een paar lucifers op.

Ik nam me voor nooit meer iets met mijn handen te maken. Het had geen zin: ik was onhandig, ik had het altijd al geweten en zuster Goretti zou het nu ook wel weten.

Wyb is klaar met scheren; mijn nek is weer kaal. Ze komt gelukkig niet meer terug op het lakken van haar tenen.

Journal d’images

Uitzicht

Maandag 15 juni, Delft

 

Ik heb het altijd maar over dat uitzicht in Cadouin, maar daar doe ik ons uitzicht in Delft toch tekort mee. Verrassend genoeg is het vogelleven hier in Delft misschien nog wel rijker dan in Cadouin.

Als ik op de bank zit, kijk ik over de volle breedte van onze negen meter brede kamer uit op de kruinen van kastanje- en eikenbomen. De bomen maken deel uit van een parkje dat zo’n vijfentwintig meter breed is en aan de overkant van de gracht parallel loopt met ons appartementscomplex.

Het parkje is een soort stadsjungle. Elke dag loop ik er met Dies door en dan is het een lawaai van jewelste. Zo weet ik dat dit jaar een buitengewoon goed parkietenjaar is. Al sinds wij hier wonen, zaten er altijd wel parkieten. Maar dit jaar is het een kolonie geworden.
God, wat schreeuwen die dingen. Het zijn zulke vinnige beesten. Voortdurend vliegen ze in formatie langs ons raam. Doelgericht als F-35’s die op weg zijn om de Straat van Hormuz te bombarderen.

Het gekrijs van de parkieten is één ding. Daarnaast is er het geschreeuw van de kauwtjes die voor ons raam in de toppen van de bomen hun basis hebben. Er zijn twee kauwennesten waarvan de eieren inmiddels zijn uitgekomen. Ik schat dat er in totaal zo’n twaalf jongen zijn, die nu volop door hun ouders worden gevoerd. Je ziet nu al dat het tuig van de richel wordt. Het is maar goed dat ze niet op fatbikes kunnen rijden, anders zouden ze dat zeker doen.

Tussen het parkje en ons huis ligt een gracht. Zo ben ik erachter gekomen dat wilde eenden een volstrekt misleidende naam hebben. Ik denk dat ze de meest luie vogelsoort zijn die in Nederland voorkomt. Niks wild. Hele dagen liggen ze op de steigers in de gracht niets te doen. Ik heb zelfs niet gezien dat ze dit jaar jongen hebben gekregen. Ze zijn te lui om de liefde te bedrijven.

Heel anders is dat bij de meerkoeten, de PVV’ers van de gracht. Altijd zijn ze ruzie aan het maken, het eigenbelang staat steeds voorop. Gisteren zag ik een meerkoet met vijf jongen in haar kielzog. Toen ze werden gevoerd, hield zij haar jongen pikkend op afstand. Ze gunde haar jongen geen stukje brood. Als de jongen de deur uit zijn, gaan de meerkoeten weer volop met elkaar vechten. Zelfs voor het verdrinken van soortgenoten draaien ze hun hand niet om.

Hoe anders is dat bij de fuut, de gratie zelve. Hoe liefdevol draagt de fuut haar jongen op haar rug. Verborgen onder haar verendek hebben die kleintjes altijd een veilig thuis. Futen zijn tevreden beesten. Ze hebben genoeg aan hun duikkunst. Eenmaal onder water veranderen ze in een soort torpedo’s. Dan zijn ze perfect gestroomlijnd.

Maar de bokaal voor de beste ouders gaat ook dit jaar weer naar de nijlganzen. Half maart kreeg een nijlganzenechtpaar hier in de buurt zes jongen. In de eerste dagen werd één jong op straat doodgereden. Half maart was het nog koud en regenachtig. Ik dacht: dat halen ze nooit met dit rotweer. Maar het mooie is dat het ouderpaar nooit van de zijde van zijn jongen week. Altijd stond een ouder op wacht. Om elkaar warm te houden lagen ze als een hoopje op elkaar. Bij het minste of geringste werd het kroost gewaarschuwd en was het direct alert.

Ze hadden een strenge dagindeling. Ik wist precies wanneer ze waar zaten. Na die tweeënhalve maand zag je nauwelijks nog verschil tussen ouders en jongen; zo snel worden nijlganzen groot. Ik was benieuwd wanneer de jongen zouden uitvliegen. Afgelopen woensdag waren ze nergens meer te bekennen; ook de ouders niet. Ik had ze zo graag weg zien vliegen. Zijn ze met z’n zevenen weggevlogen of ieder apart? Ik zal het nooit te weten komen. Hun vertrek is een gemis voor de buurt.

In de herfst verandert ons uitzicht rigoureus. Door het vallen van de bladeren komt de stad weer tevoorschijn. Aan de overkant zien we de huizen weer en daarachter verschijnen de torens van de Oude en de Nieuwe Kerk opnieuw in beeld.

Journal d’images

Sportjournalist

Zondag 14 juni, Delft

 

Ongetwijfeld is sportjournalist zijn het meest nutteloze beroep dat er bestaat. Je schrijft over iets dat iedereen zelf heeft kunnen zien. Een wedstrijd is alleen interessant als hij wordt gespeeld. Alleen dan zit er een bepaalde spanning in. Als de wedstrijd is afgelopen en geëindigd met 3-2, dan weet je dat de partij met een 3 heeft gewonnen. De nieuwsgierigheid is bevredigd. Na een paar dagen is iedereen die wedstrijd vergeten. Wie leest nu nog het verslag van de wedstrijd Ajax – Feyenoord uit 1973? Of uit 2024? Totaal oninteressant.

‘Wat is jouw hobby?’
‘Ik ben gek op sport.’
‘En wat voor sport beoefen je?’
‘Ik vind het leuk om naar sport te kijken.’
‘Maar dan hou je niet van sport, dan ben je gewoon een luie bankzitter.’
Het is alleen leuk om zelf voetbal te spelen; ernaar kijken is iets heel anders.

Het nadeel van naar sport kijken is dat het zoveel tijd kost. Een voetbalwedstrijd duurt twee keer drie kwartier en dan zit er ook nog een pauze in van vijftien minuten. Dit tijdsbeslag is volstrekt onnodig. Als je al het gezeur tegen de scheidsrechter, het zinloze liggen op het gras en het tijdrekken ervan aftrekt, hoeft een wedstrijd niet langer dan twee keer twintig minuten te duren. En dan kan de pauze beperkt blijven tot vijf minuten. Voor tennis geldt hetzelfde: het duurt eindeloos. Met een andere puntentelling kan zo’n wedstrijd binnen een uurtje gepiept zijn. Kunnen we tenminste weer lekker in de tuin gaan werken of de auto wassen.

Ik begrijp wel waarom er zoveel aandacht is voor sport. Het gros van de mensen heeft überhaupt geen hobby en heeft geen idee wat ze moeten doen met hun vrije tijd. Sport is het opvullen van leegte, het bestrijden van verveling. Stel dat er geen sport zou zijn, al die verveelde mensen zouden eens gaan klieren. Zelfs de Romeinen wisten het al: brood en spelen houden het volk rustig.

Zelf vermoed ik dat sport een van de laatste stuiptrekkingen van de primitieve mens is. Vooral mensen die het tribale stadium nog niet voorbij zijn, houden van sport. Al die hooligans zijn eigenlijk een fenomeen uit de tijd dat wij nog jagers/verzamelaars waren en in stamverband leefden. Hoodie op en vechten met de rivaliserende stam. Het zal niet lang meer duren voordat iedereen inziet dat het allemaal zinloze opwinding is, niets voorstelt en slechts een tijdverdrijf is voor verveelde mensen die niet genoeg verbeeldingskracht hebben om zichzelf te vermaken.

‘En wat ging er door je heen toen je dat winnende doelpunt maakte?’ Zucht.
En dan het uitgebreid analyseren van een wedstrijd na afloop: dikbuikige ex-voetballers die gaan wauwelen over iets waar niets meer aan te veranderen valt. Een enkeling schijnt het nog interessant te vinden ook.
De sportjournalist: al voordat hij zijn verhaal opschrijft, is het geen nieuws meer en rijp voor de vergetelheid. Hoogstens wordt er dertig jaar later, gedragen door een opgeklopte verteltrant, een documentaire gemaakt voor Andere Tijden Sport. Hapklare brokken voor de bankzitter.

Journal d’images

De schitterende mens

Zaterdag 13 juni, Delft

 

Dadelijk, als dit blog af is, zal ik ChatGPT openen en vragen of hij het op spelling en eventuele andere fouten wil controleren. En Chat, ik noem hem inmiddels bij zijn voornaam, zal dat uitstekend doen. Als er dan nog een foutje in zit, dan is die volledig aan mijzelf te wijten omdat ik bij de correctie te slordig was.

Ik kan bijna niet meer zonder Chat. Daar baal ik van, want ik weet ook dat Chat het resultaat is van een enorme diefstal. De afgelopen tien jaar is er op grote schaal van alles gekopieerd. Alles wat enigszins van belang is — van muziek, films, beelden, teksten — is door de kopieermachines van AI gegaan.

Geen schrijver, schilder, filmmaker, acteur of componist heeft voor deze diefstal een vergoeding gekregen. Auteursrechten, de tech-jongens hebben er hun kont mee afgeveegd. Het is het jatten van onze totale cultuurgeschiedenis, zodat AI zijn werk kon gaan doen. Een afbeelding in de stijl van Van Gogh? Het is geen probleem: AI produceert het binnen een paar seconden. Goed beschouwd is de hele creatieve sector volledig geript.

Dit decennium zou weleens het decennium van de Great Robbery kunnen gaan heten. Een andere grote diefstal, dit keer op financieel gebied, vond gisteren plaats. De fascistoïde gek Elon Musk haalde 75 miljard dollar op door SpaceX naar de beurs te brengen. Het geld is nodig om de dromen van Musk te verwezenlijken: datacentra die door het heelal vliegen, een permanent ruimtestation op de maan en vooral: de trek van de mens naar Mars.

Even was ik bang dat ook mijn geld erin zou worden gestoken. Je weet nooit wat zo’n pensioenfonds gaat doen. Ze zeggen wel dat ik na de pensioenhervorming een eigen potje heb, maar ik heb geen idee waar ik dat potje kan zien of wat ermee gebeurt. Niet ik, maar het pensioenfonds mag er onveranderd mee spelen.
Ik werd enigszins gerustgesteld door te horen dat de grote institutionele beleggers zich nauwelijks aan deze beursgang waagden en dat het vooral de kleine beleggers waren die erin trapten. Niet omdat SpaceX zoveel waard is, of zoveel winst maakt — SpaceX heeft nog nooit winst gemaakt — maar gewoon omdat ze alle vertrouwen hebben in ‘het genie’ Musk.

Ik wil er graag een wedje over maken. Deze hele beursgang ruikt naar de tulpenmanie in de 17e eeuw en het drama World Online. Iedereen krijgt dollartekens in zijn ogen, het grote geld zal binnenstromen. Maar zoals tulpenbollen ook maar gewoon tulpenbollen bleken te zijn en World Online een zeepbel bleek, zo zal de kleine belegger, nadat de vijfde raket van SpaceX is geëxplodeerd en het te pletter vallen van de tweede ruimtecapsule op Mars met bemanning, berooid achterblijven en eindelijk doorhebben dat die Musk een ordinaire charlatan was.

Ik vind het onwennig te merken dat ik, als ongelovige, steeds meer sympathie voor de paus begin voelen. Onlangs bracht hij een nieuwe encycliek uit, Magnifica Humanitas, vrij vertaald als ‘De schitterende mens’. Daarin zegt hij: ‘Laat AI ons niet beroven van onze menselijkheid.’ Daarin neemt hij stelling tegen de tech-jongens, tegen de oorlog, en zeker tegen een oorlog die door AI wordt geleid.

En ik denk dat ook de paus vindt dat de mens gewoon met zijn poten op aarde moet blijven staan. Eerst hier maar eens de ellende oplossen, daarna zien we wel verder. Als het hier niet lukt, lukt het zeker niet op Mars. Sorry, kleine belegger. Maar dan had je je maar niet moeten laten naaien.

Journal d’images

Deze onkenbare zee

Vrijdag 12 juni, Delft

 

Ik schreef al een paar keer dat ik momenteel de romancyclus Mijn strijd van Karl Ove Knausgård lees. Ik heb nu twee delen gelezen, nog vier te gaan, in totaal 3678 pagina’s. Er wachten nu nog 2150 bladzijden. Ik weet niet precies waar ik dit leesavontuur mee moet vergelijken. Is het het beklimmen van een onherbergzame literaire berg? Is het een diepe duik in het leven van Knausgård? Ik kies voor de diepe duik. Zo weet ik nu al meer over de verhouding van Karl Ove met zijn vader dan over die met mijn eigen vader.

Knausgård is rücksichtslos: hij beschrijft alles wat hij in zijn leven tegenkwam, spaart niemand, zeker zichzelf niet. Alleen daarom al is het spannend om te lezen. Nooit las ik literair werk dat zo inzoomt op één leven.

Peter, van wie ik de boeken heb geleend, vraagt in een appje: ‘Ga jij die hele stapel Knaus in één ruk uitlezen? Dein Kampf?’
Ik denk het wel; zo had ik het tenminste voor ogen. De beker in één teug leegdrinken: ik denk dat ik zo het meest van zijn boeken geniet. Nadat ik, inmiddels jaren geleden, een deel had gelezen, was ik al van plan om de hele cyclus te lezen. Ik ben toen niet aan de andere delen begonnen, omdat ik een te druk leven had. Ik heb altijd gewacht totdat ik de tijd zou hebben. Nu heb ik die tijd.

Diepe duik of beklimming van een hoge berg: ik voel de behoefte om zo nu en dan, tussen al dat geknaus door, even stil te staan en adem te halen. Daarom heb ik de verzamelde haiku’s van Matsuo Bashō gekocht. Bashō was een Japanse dichter die leefde van 1644 tot 1694. De flaptekst zegt: ‘Zijn schijnbaar eenvoudige poëzie is doordrongen van natuurbesef en vergankelijkheid.’ En zo is het.

Bashō schreef haiku’s, een dichtvorm die ik graag lees. Deze gedichten bestaan uit drie regels met in totaal zeventien lettergrepen. Vijf lettergrepen in de eerste regel, zeven in de tweede en weer vijf in de derde. Eenvoudiger kan het eigenlijk niet. En uit alle verzen spreekt een achteloze aandacht voor de gewone dingen. Een haiku legt niet uit, beargumenteert niet, heeft geen versiering of onnodige frutsels. Desondanks roept een goede haiku een hele wereld op. Een voorbeeld van Bashō zelf:

 

Oude vijver.
Een kikker springt erin.
Geluid van water.

 

Deze haiku vangt een moment van absolute stilte, dat kort wordt doorbroken door de sprong van de kikker, waarna de rust weer terugkeert.

Maar deze haiku begint helemaal niet met een regel van vijf lettergrepen, en de tweede regel heeft er maar zes. Tegenwoordig wordt er inderdaad minder aan die strenge vorm gehangen, als de vertaling maar voldoet aan de geest van de klassieke haiku. Want de oorspronkelijke Japanse teksten kenden die strenge lettergreepindeling helemaal niet. Vaak werden de haiku’s zelfs op één regel geschreven.

Om een indruk van haiku’s te geven, zal ik hieronder vijf voorbeelden opnemen die wel voldoen aan die strenge indeling; het is de vorm waarin het Westen de Japanse gedichten heeft gegoten.

 

Forellen vliegen!
en onder in het water
varen de wolken.

Onitsura

 

Er staat geschreven:
geen bloesems plukken! Maar de
wind kan niet lezen.

Anoniem

 

Zo’n grote dauwdrop!
een mier blijft ervoor stilstaan,
geheel verbijsterd.

Bōsha (1897-1941)

 

Wat stukjes papier,
nadat zij was weggegaan;
eenzame dingen.

Senna (1650-1723)

 

O, dode moeder!
altijd als ik de zee zie —
als ik de zee zie.

Issa (1763-1827)

 

In alle eenvoud een wereld oproepen: dat is de kracht van de haiku. Als ik tijdens het lezen van Knausgård even wil stilstaan en op adem komen, lees ik haiku’s. Tegenwicht is altijd belangrijk.

Ter afsluiting nog een regel van de meester zelf. Voor wie nog een levensmotto zoekt, raad ik deze aan:

Tracht niet al te exact te sturen op deze onkenbare zee.

Journal d’images

Maai-junks

Donderdag 11 juni, Delft

 

Gisteren zijn we teruggereden naar Nederland. Dat betekent een heerlijke radiodag. Ik luister eigenlijk nooit naar de radio, behalve als ik in de auto zit en dan geniet ik er elke keer weer van. Dat ‘heerlijk’ is misschien een ietwat ongelukkig gekozen woord. Als je op zo’n dag radio 1 volgt, dan realiseer je je hoe onze wereld uit balans is: Trump laat weten dat elk moment een deal met Iran kan worden gesloten, om het land een paar uur later weer te bombarderen. Dit heeft zich nu al voor de twintigste keer of zo herhaald. Het is wat sinds het Amerikaanse volk een halve gare tot president heeft gekozen.

Ook lekker nieuws: Frankrijk en Duitsland stoppen hun samenwerking om een nieuw gevechtsvliegtuig te ontwikkelen. Ik zie Trump en Heghseth zich in de Oval Office al op de knieën slaan van leedvermaak: ‘Europa ten voeten uit,’ giert Heghseth. ‘Even J.D. Vance bellen, heeft hij ook een goede dag.’

Het meest verbaas ik me vandaag over de inefficiëntie van Frankrijk. Wyb en ik rijden uiteraard via de grote wegen en tolwegen terug naar Nederland. Dat moet wel als je twaalfhonderd kilometer in één dag wilt overbruggen.
Maar het vervelende is dat de Fransen het weer te pakken hebben: het zijn echte maai-junks. Als het lente wordt en gaat zomeren, dan hoor je overal de maaimachines in Frankrijk krijsen. Net als de lentebloemen beginnen te bloeien: de maaimachine eroverheen.

Vandaag hebben ze besloten dat de bermen van de snelwegen weer eens moeten worden gemaaid. Dat hoeft geen probleem te zijn, weten wij in Nederland. Met een beetje slim manoeuvreren en goede signalering vlak voor en achter de maaimachine hoeft het verkeer er nauwelijks iets van te merken. Maar wat doen die gekke Fransen? Die zetten vier à vijf kilometer lang een hele rijstrook af, zodat er nog maar één strook overblijft. Het gevolg is dat iedereen moet invoegen, achter elkaar moet gaan rijden om vervolgens met tachtig kilometer per uur verder te sukkelen. Mensen, wij moeten nog naar Delft!

Waarom staan in godsnaam die oranje pylonen hier, denk je in eerste instantie? Hoezo werk in uitvoering? Ik zie geen werk. Pas na drie kilometer zie je een tractortje de berm maaien. Na vijf kilometer mag de file zich weer verspreiden.
Als dat een of twee keer gebeurt, niets aan de hand. Maar wat blijkt: van Cadouin tot Lille zijn ze aan het maaien. Beslissing van Macron? Elke keer weer een file, kilometers lang.

‘Maak je nou niet zo druk,’ zegt Wyb tegen me, die naast me op haar iPhone een potje Wordfeud speelt. Wyb is van nature een stoïcijn.
‘Maar het houdt niet op. Ik kan geen oranje pylon meer zien.’
‘Jij windt je altijd zo op. Dat is zo slecht voor je hart.’
‘Het is pas slecht voor mijn hart als ik me niet opwind. Als ik alles van binnen moet opvreten. Waarom gaan die gasten niet eens in Nederland kijken hoe het efficiënter kan? Moet je die bermen zien, het gras staat niet eens hoog. Waarom moet het zo kort?’

In Antwerpen staat de Ring natuurlijk helemaal vast. De Ring is onlangs, na jaren werkzaamheden, gemoderniseerd, maar dat heeft niets geholpen. Stapvoets rijden we richting Nederland.
Wyb en ik besluiten de file te verlaten en een frietkot in het centrum van Antwerpen op te zoeken. We zijn er lang niet meer geweest. De stad ziet er prachtig uit. De stad en de Schelde hebben eindelijk een echte kade.

Journal d’images

Obstructie

Dinsdag 9 juni, Cadouin

 

Ik denk dat we het maar aan elkaar moeten bekennen: dat minderheidskabinet van ons, dat wordt niks. Het is een eindeloos gehannes. Ze moeten van alle walletjes snoepen om iets te bereiken en die walletjes werken natuurlijk niet zomaar mee. En daar komt bij dat het onderling ook behelpen is. Het ging lekker toen Jetten en Bontenbal bij elkaar zaten: ouwejongenskrentenbrood. Iedereen werd er optimistisch van. Zou het dan inderdaad kunnen, zoals Jetten al een verkiezingsrace lang riep: ‘Het kan wél!’

De boel begon te rammelen toen die Yeşilgöz erbij kwam. Optimistische mensen zijn kwetsbaar omdat ze geen gevaren zien, heb ik eens gelezen. Jetten en Bontenbal waren euforisch optimistisch en lieten zich volledig overrompelen door die Yeşilgöz.

Jetten en Bontenbal hadden te rade moeten gaan bij onze hond Dies. Dies weet het: hij is gek op honden, maar altijd op zijn hoede, zelfs als ze hem toelachen door zogenaamd te kwispelen. Dies weet dat ook kwispelende honden kwaadaardige bedoelingen kunnen hebben. Valse honden vind je overal, zelfs onder de mensensoort. Yeşilgöz lacht niet voor niets zoveel.

Het is zonde. Alles wees erop dat het moment daar was om eindelijk eens een stevig meerderheidskabinet te vormen, een kabinet van D’66, CDA, VVD en GroenLinks-PvdA. Eindelijk hadden we dat machteloze regeren van de afgelopen jaren achter ons kunnen laten en hadden de middenpartijen kunnen laten zien waar ze toe in staat waren. Hé, stomme populisten: het kan wél, kijk maar! Maar helaas, zoveel voortvarendheid was Yeşilgöz net te veel. Om de VVD te behoeden voor een beschamende nederlaag had ze haar kiezers beloofd dat ze nooit, maar dan ook nooit, met links zou samenwerken. Waarom? Eigen belang, verpakt als ideologisch gewauwel.

Het gevolg is dat we opnieuw opgescheept zitten met een impotent kabinet dat niet kan doorpakken. Stikstofcrisis, woningcrisis, enzovoort: het wordt weer eindeloos soebatten zonder resultaat. En het was toch duidelijk dat iedereen genoeg had van die labbekakkerigheid, van dat slappehapgedoe waar we nou al jaren mee hebben te maken.

Eerst had je die ellende met Rutte IV. Dat viel omdat er volgens Yeşilgöz een tsunami aan nareizigers zou zijn. Achteraf bleek het een leugen. Maar ja, het kwaad was geschied, het kabinet gevallen. Je zult het maar op je geweten hebben.

Daarna zette mevrouw Yeşilgöz-Zegerius de deur wagenwijd open voor de PVV. Daarmee schoot ze zichzelf in de voet en stortte ze het land in de ellende. Maar goed, we zagen waartoe die populisten in staat waren: niets. Een grotere bestuurlijke puinhoop is nooit vertoond.
Hoe kan een land zo de weg kwijt raken? Yeşilgöz ging bovendien in zee met twee partijen die geen enkele bestuurlijke ervaring hadden en een bijeengeraapt zooitje vormden. Van beide is inmiddels niets meer over. Broddelwerk, mevrouw Yeşilgöz.

Als je bestuurder bent in dit land, bijvoorbeeld van een voetbalclub, een theatergezelschap of een woningbouwvereniging, dan ben je persoonlijk verantwoordelijk. Als je willens en wetens de boel in de soep laat lopen, kun je persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Als politiek bestuurder heb je daarentegen carte blanche. Dat is, als ik het goed heb, doordat politieke bestuurders zogenaamd namens de kiezer spreken. Dank je de koekoek, denk ik dan. Wie zijn die kiezers nou? Elke vier jaar kleuren ze een vakje rood nadat hun onderbuikjes stevig zijn bespeeld. Bullshitdemocratie.

Volgens mij wordt het hoog tijd dat politieke bestuurders die willens en wetens obstructie plegen juridisch ter verantwoording kunnen worden geroepen. Wij zitten sinds de val van Rutte IV al drie jaar in de politieke malaise, precies de periode waarin Yeşilgöz politiek leider van de VVD is. Moet iemand niet eens onderzoeken of dit nou incompetentie is of opzettelijke kwaadaardigheid? In ieder geval leidt haar politiek koers elke keer weer tot een destructieve impasse.

Journal d’images

Bidprentje

Maandag 8 juni, Cadouin

 

Wyb en ik zitten voor het eerst weer te lunchen onder de catalpa. Wyb maakt foto’s van de lunch, daarna van het tafereel. Vervolgens zoomt ze in op mij om een portret te maken. Na wat bewerkingen van de foto’s komt er een foto uit waar ik van schrik.
‘De foto voor het bidprentje heb je ook al,’ zeg ik.

Ik kijk naar de foto als een buitenstaander die op mijn begrafenis komt en dan naar deze foto kijkt. De nabestaanden hebben een foto gekozen waar hij een beetje in gedachte is verzonken, wijs in zichzelf gekeerd. Wel jammer dat er nog wat roos op zijn trui zit.
Vreemd trouwens dat ik denk dat er ooit voor mij een bidprentje wordt gemaakt. Waarom zou je voor een atheïst een bidprentje maken? Bovendien krijg ik helemaal geen kerkelijke uitvaart, ik moet er niet aan denken. Bidprentje — dat is toch weer die katholieke achtergrond.

Op het eind van de middag zijn we heerlijk aan het eten bij mijn Franse Nichten. Ineke heeft een groene pasta gemaakt met paddenstoelen. ‘Wyb hoeft zich over de foto van mijn bidprentje niet meer druk te maken,’ zeg ik en ik laat de foto zien. Ze vinden dat ik helemaal niet op mezelf lijk.

Vervolgens komt mijn oma ter sprake. Ze woonde vrijwel haar hele leven in een groot huis op de Weurtseweg in Nijmegen. Mijn Nicht en ik vonden het een magisch huis. Toen ze vierenzestig was, verhuisde ze naar een bejaardenhuis aan de Vlietstraat. Vierenzestig. Hoe is het mogelijk? Wij verbazen ons erover.

Toen vond ik het helemaal niet raar. Mijn oma was vierenzestig en dat vond ik erg oud, natuurlijk ging ze naar het bejaardenhuis om daar haar laatste jaren te slijten. Overigens had ze het erg naar haar zin daar. Vooral over het eten was ze erg te spreken.
Als ik met mijn vierenzestigste naar het bejaardenhuis was gegaan, had ik er al zeven jaar gewoond. Op mijn vierenzestigste verhuisde ik naar Frankrijk om een chambres d’hôtes te beginnen.

Het is geen toeval dat ik over mijn leeftijd begin. Ik merk steeds vaker dat ik het zelf noem. Als Wyb erover mijmert om haar zestigste verjaardag (over drie jaar) in Zuid-India te vieren, zeg ik: ‘Maar dan ben ik vijfenzeventig.’
En Anne hoor ik het ook regelmatig zeggen: ‘Maar jij bent ook al eenenzeventig.’ Daar kan ik dan gretig op ingaan om dat nog eens te benadrukken. Ik geef toe dat ik er wel eens mee koketteer.
Op die manier stigmatiseer ik mijzelf, merk ik. Hoe vaker ik het zeg, hoe meer ik het word, voor mezelf en voor de ander.

Stel dat ik niet wist dat ik eenenzeventig was, dan was er eigenlijk niks aan de hand. Ik ben er namelijk van overtuigd dat het mooiste nog moet komen. Of nog radicaler: als Trump op zijn tachtigste president van de Verenigde Staten kan zijn, kan ik dat zeker. Best zin in.

Dus ik moet ophouden over mijn leeftijd na te denken. Ik moet het pas een rol laten spelen wanneer de gebreken toeslaan.
Het nadeel is wel dat Wyb en ik veertien jaar in leeftijd verschillen. Het is logisch dat Wyb of ik dat wel eens benadruk. Ik denk dat we daar ook mee moeten ophouden. Hoe meer je praat over die veertien jaar, hoe groter het leeftijdsverschil wordt.

Of moet ik het gewoon laten lopen? Ik zie wel hoe het loopt. Met eenenzeventig is ook helemaal niks mis mee. En nee, ik heb geen bucket list meer. Ik vind het heerlijk om thuis te zitten en geen donder meer te hoeven doen. Je zult op die leeftijd nog president van de Verenigde Staten moeten zijn — arme man.

Journal d’images

Catalpa

Zondag 7 juni, Cadouin

 

‘Hoe staat jullie catalpa er nu bij?’ vroeg Henk in een appje gisteren. Ik begrijp dat hij dat vraagt, in menig blog heb ik over de catalpa geschreven en heb er allang niets meer over gezegd. Voor wie niet weet wat een catalpa is, het is geen Zuid-Amerikaans hoefdier. Een catalpa is een boom die ook in Nederland voorkomt en ook wel parapluboom wordt genoemd.

De catalpa is de koning van onze tuin. Wat de leeuw is in het dierenrijk, is de catalpa in het bomenrijk. Hij heeft een kroon waar menig boom jaloers op is. Het fijne is dat we nooit een parasol hoefden te kopen, want een catalpa heet niet voor niets een parapluboom. Zijn dichte bladerdek beschermde ons tegen de soms verzengende zon.

Begin oktober, vorig jaar, vond er een aanslag op onze geliefde boom plaats. Niet alleen op de boom, eigenlijk op de hele tuin. De Franse overheid had namelijk besloten dat onze septic tank niet aux normes was. De tank functioneerde prima en zat al eeuwen in de grond, maar hij was niet gecertificeerd. De Fransen gooien er op veel terreinen met de pet naar, maar als ze ergens goed in zijn is het bureaucratie. Elke regel dient streng nageleefd, elke handtekening moet op de goede plaats staan. Certificering is certificering. Hoge boetes dreigden.

En zo reed in oktober een graafmachine onze tuin in en vrat zich met zijn rupsbanden een weg naar de plek achter de catalpa waar de nieuwe septic tank, een kleine fabriek, moest worden ingegraven. Onze catalpa liet hem echter niet door. Verrek maar met je graafmachine, zag je hem denken. Maar de werklui waren onverbiddelijk en begonnen de onderste takken af te zagen. Wyb en ik krompen ineen. Daar werd de koning van onze tuin gemarteld en gemuteerd. Weg paraplu. Weg schuilplek voor ons, dachten wij.

De tuin werd volledig omgeploegd: overal gaten en gleuven. Toen de graafmachine verdween, zat de fabriek in de grond, waren wij aux normes en was onze tuin vernield, inclusief onze geliefde catalpa. Dood aan de Franse bureaucratie!

We egaliseerden, we haalden zoveel mogelijk stenen uit de grond, we zaaiden, allemaal werk waar ik ontzettend de pest aan heb. Tuinieren, vreselijk. In januari kwamen wij terug en verdomd, dat werk had toch zijn vruchten afgeworpen. Er groeide weer wat gras. De sporen van de graafmachine waren verdwenen. En nogmaals zaaiden wij gras op de wat kalere plekken.

Een van de redenen om deze week terug te komen, was om te kijken hoe de tuin er nu bij stond. Met een angstig hart reden we ons weggetje in: hoe groot zou de puinhoop zijn? Niks puinhoop. Onze tuin is uit de as herrezen. Het is inmiddels weer een echt gazon, inclusief onkruid, precies zoals het altijd was.
Maar het allerfijnste: de catalpa heerst weer over de tuin. Kom maar, lieve mensenvrienden, lijkt hij te zeggen. Schuil maar weer onder mijn bladerdek. Hang jullie hangmat maar weer onder mij op. Ondertussen bloeit hij als nooit tevoren. Hij is alleen wat opgeknipt, en dat staat hem best goed.

Journal d’images

Geneugten

Zaterdag 7 juni, Cadouin

 

Eerst hoor ik hem lachen, daarna zie ik hem vliegen: de groene specht. Dat is mooi, want vorig jaar was er geen groene specht in onze vallei. Nu is hij er dus wel. Kleine geneugte. Ik geniet er ontzettend van om zijn lach te horen.

Wij wonen op een berg. Ongeveer zo’n vijftien meter boven een smal weggetje. Achter ons huis loopt de berg door, het is als het ware onze achtertuin. We hebben er niks aan, want de berg is best steil. Ik ben er één keer met grote moeite opgeklommen en ook weer afgedaald. Dat was eens, maar nooit weer.

Dat neemt niet weg dat ik elke dag een paar keer geniet van die onherbergzame achtertuin. Elke keer als ik iets in de vuilnisbak gooi, kijk ik omhoog en blijf ik even staan kijken. Heel soms zie ik een ree staan. Meestal zie ik alleen de bomen. Ook niet erg, dan denk ik aan de monniken die op onze steile berg de terrassen aanlegden waar ze hun druiven verbouwden — dat moet hard werken zijn geweest.

Ik kijk of ik de koekoek zie die zich in dit stuk bos erg thuis voelt. Jammer voor ons is dat het een soort psychiatrische patiënt is die maar niet ophoudt met koekoeken. Een koekoek die ver weg zit te koekoeken heeft iets rustgevends. Als de vogel vlak boven je huis neurotisch zit te koekoeken, word je er gek van. Toch vind ik het fijn dat hij er zit.

Helemaal op de top van de berg zit een dassenburcht die steeds maar groter wordt. Dassen zijn een soort mijnwerkers. Het zou me niet verbazen als ze op een gegeven moment uitkomen in de voortuin van ons huis.

De berg is mijn meditatiemoment: gewoon kijken naar iets wat je al heel goed kent en waar je al honderden keren naar hebt gekeken en er gewoon van houden.

Aan zo’n huis in Frankrijk zitten ook stomme geneugten vast. Zo vind ik het heerlijk om, als ik sta te pissen — ik ben nog zo’n ouderwetse man die staat te pissen — het raam van de wc open te doen en onder het pissen naar buiten te kijken.
Het raam kijkt uit op een klein plaatsje. Het is omgeven door grote vijgenbomen en daar tegenover wordt het afgeschermd door de berg. Ik noem het altijd onze wasplaats. Wij hangen hier namelijk onze was te drogen.

Ik open het raam omdat ik twee jaar geleden recht in de ogen van een ree keek die op ons wasplaatsje stond te mijmeren. Een paar tellen keken we elkaar verbaasd in de ogen. Toen sprong hij weg. Elke keer als ik het raam opendoe, heb ik de hoop hem weer te zien. Als hij er niet is, geniet ik van de vele vogeltjes die er zitten. Vooral als de vijgen aan de bomen hangen is het een soort Kalverstraat voor mezen, zwartkoppen, roodborstjes en merels.

Wyb en ik wandelen na aankomst altijd even naar het dorp dat een paar honderd meter van ons vandaan ligt. Even kijken of er iets is veranderd. Gelukkig is er ook dit keer weer niets veranderd.

’s Avonds zitten Wyb en ik vaak op het muurtje van ons weggetje met de verrekijker. Op die plek zien we het meest van de lucht. Hoog in de lucht cirkelen twee zwarte wouwen. In de vallei vliegen twee koereigers.

Shit. Net op het moment dat ik het blog wil afronden, komt Wyb de kamer binnen. ‘We moeten nu echt gaan, anders is de markt van Bèlves afgelopen.

‘En ben je klaar met je blog?’ vraagt Wyb in de auto.
‘Nee, jij stoorde me in het creatieve proces. Ik moet het einde nog schrijven.’
‘Waar gaat het over?’
‘Geneugten.’
‘Geneukten?’
‘Ge-neug-ten.’
‘O.’

Journal d’images

Rafelrand

Vrijdag 5 juni, Cadouin

 

Ik kan melden dat het gisteren en eergisteren van Delft tot Cadouin zwaar bewolkt was en dat er heel wat regen viel, van stortbuien tot druilerige ellende. We hebben het de volle twaalfhonderd kilometer beleefd. En dat is best hard werken.

In menig blog heb ik de afgelopen jaren bepleit dat iedereen gewoon lekker door Parijs moet rijden, dat honderden kilometers omrijden echt niet nodig is. Parijs is niet eng. Je rijdt erdoorheen als een mes door de boter. Ik wil dit optimisme nu graag wat relativeren. Ik weet sinds eergisterenavond dat Parijs best eng kan zijn.

We rijden Parijs in. Iets voor Aéroport Charles de Gaulle blijkt deze belangrijkste verkeersader van Parijs volledig afgesloten en al het verkeer uit het noorden wordt een landweggetje in gedirigeerd. Chaos alom. Zie honderden vrachtwagens en duizenden personenauto’s maar eens door een landweggetje te persen: tien meter rijden, tien minuten wachten op beweging. Ik zie de klok tikken. Volgens de navigatie zouden we bij vertrek om 22.05 uur in ons hotel bij Aéroport Paris Orly aankomen. Voordat we de landweggetjes achter ons hebben gelaten en terug zijn op de ons vertrouwde weg, zijn we een uur verder.

Even later zegt Google dat we rechtsaf moeten. Onze vertrouwde weg gaat rechtdoor. We twijfelen, maar vertrouwen Google toch meer dan onze vertrouwde weg. De hoofdaders in Parijs gaan op de schop, dus vermoedelijk grijpt Google daarom in.

Die landweggetjes zijn niets bij wat ons nu overkomt. We rijden door de achterkant van Parijs. Google stuurt ons langs industrieterreintjes waar nog nooit een toerist heeft gereden. We merken nu pas hoe slecht het met Frankrijk gaat: gaten in de weg, omleidingen voor omleidingen. Het land steunt op obscure fabriekjes en duistere opslagplaatsen. Frankrijk blijkt een land van krabbelaars en scharrelaars te zijn.

We rijden vierhonderd meter en dan moeten we rechtsaf. Na honderdvijftig meter moeten we naar links. En dan, na driehonderd meter, weer naar links. En zo gaat het maar door. Zo slingeren we langs de rafelranden van Parijs, of waar we dan ook in zijn beland.

‘Ik krijg hier helemaal de schijt van. Hoe kan dit?’
‘Het is niet anders. We moeten het gewoon even ondergaan.’
‘Hoe lang duurt het nog?’
‘Over twintig kilometer zijn we bij dat hotel.’
‘Wat een gekloot.’
‘Ik word helemaal zenuwachtig van jou, weet je dat. Jij windt je altijd zo op.’
‘Vind je dat gek?’

We rijden het volgende louche industrieterreintje langs. Wat ik nog niet heb verteld, is dat Parijs zich heeft verdubbeld. Door de regen weerspiegelen de auto’s en gebouwen zich in de natte straten en plassen. De straatverlichting in dit bijna failliete land is op stand ‘zeer laag’ gezet. Ik moet met mijn neus op de voorruit zitten om iets te zien. Tot overmaat van ramp beslaat de ruit voortdurend, wat Wyb oplost door de ventilatie op stand ‘zeer hoog’ te zetten. Het is een verwarrende tocht.

Is het de schuld van Google dat ons straft omdat ik altijd op Big Tech zit te schelden? Of is het een plaagstoot van de Franse overheid, die genoeg heeft van al dat gejakker van Nederlanders door Parijs? Wiens straf het ook is: het is een ultieme straf. De stemming in de auto wordt er niet beter op.

‘Laat mij dan het stuur overnemen.’
‘Het is niet dat ik het niet kan, het is dat ik ervan baal.’

Klokslag twaalf uur komen we eindelijk aan bij ons hotel, dat onder de rook van Aéroport Paris Orly ligt. Nou ja, onder de rook? De volgende ochtend worden we om zes uur wakker omdat de eerste vliegtuigen uit Parijs vertrekken. We blijken praktisch aan het eind van de startbaan van Orly te slapen.

Journal d’images

Op de vergroeiing van de boom ontdekte ik zowaar nog een toevalsdier. Wie goed kijkt, ziet de kop van een nijlpaard.

Verkassen

Woensdag 3 juni, Delft

 

Tassen uit de kast gepakt. Onderbroeken geteld. Sokken. Shirts. 2 korte broeken, 2 lange. Vooral de opladers niet vergeten: iPhone, laptop, Apple watch, oplader fototoestel. Zo zou ik nog even door kunnen gaan. De lijstjes zitten in mijn hoofd. Routineklusje.

Wyb is nog aan het werk en is om half vijf klaar. Daarna komt ze meteen hierheen en vertrekken meteen naar Frankrijk. Vandaag rijden we nog door Parijs heen en nemen een hotelletje (€60) aan de zuidrand, zodat we morgen zonder files meteen door kunnen rijden naar Cadouin.

‘Een tweede huis, daar moet je nooit aan beginnen, allemaal gedoe,’ hoor ik veel mensen zeggen. En ze hebben gelijk. Maar ook weer niet. Voor ons is zo’n tweede huis een prima oplossing voor onze onrust. Af en toe totaal verkassen dempt onze voortdurende behoefte aan verandering. Wyb en ik versterken elkaar daar ook nog eens in.

Vroeger had Moddergat die functie, nu Cadouin: af en toe totale verandering van lucht. Er is veel te zeggen tegen een tweede huis, maar er zijn ook enkele voordelen. Grote voordeel vind ik dat je ook van zo’n omgeving gaat houden. Afgelopen weekend reden we Moddergat binnen en ik kreeg meteen een thuisgevoel. Hetzelfde hebben we nu met Cadouin. Ander voordeel: omdat je de omgeving van Cadouin goed kent, hoef je er ook niet meteen op uit. We kennen de omgeving als onze eigen broekzak.

Het gekke in ons geval is dat ons tweede huis eigenlijk bedoeld was als eerste huis — en dat ook een tijdje is geweest. Ons hele hebben en houden was naar Frankrijk verhuisd, overtuigd als we waren dat we daar ons verdere leven zouden kunnen slijten. Foutje. Wyb zocht daar werk, maar er is, buiten het toeristenseizoen, totaal geen werk. Het gevolg was een landerig bestaan, we verdronken in ons luxeleven van helemaal niks doen. Wij en niks doen bleek een slechte combinatie en we vluchtten terug naar Nederland. En zo werd ons eerste huis toch weer een tweede huis.

Wyb appt zojuist het lijstje met wat ik allemaal nog moet doen: ‘zalmslaatje voor onderweg kopen, hondenvoer in emmer doen, frisbee en bal voor Dies niet vergeten. Zwarte thermoskan voor koffie op de terugweg meenemen. Ik heb de hoed op het bed gelegd. Vooral de laders niet vergeten!’

Voor wie het niet weet, hier een waarschuwing. Heen- en terugreizen gaan altijd ten koste van twee blogjes. Tot overmorgen. Terugreis volgende week alweer. 

Journal d’images

Cadouin.

Zelfdoding

Dinsdag 2 juni, Delft

 

Zo gauw iemand het woord zelfmoord, zelfdoding of suïcide in de media gebruikt, duikt meteen het telefoonnummer 113 op. Heb je hulp nodig? Maak je je zorgen om iemand? Bel 113. Hoeveel mensen zullen er zijn die door 113 behoed zijn voor zelfdoding? Het zullen er hopelijk veel zijn. Maar ik weet het niet zeker. Want het aantal zelfdodingen blijft in Nederland al jaren tussen de 1.800 en 1.900 mensen per jaar. Dat betekent dat er gemiddeld vijf mensen per dag voor een zelf gekozen dood kiezen.

Ik ga in dit blog harde dingen zeggen over suïcide. Wie daar niet tegen kan: stop met lezen.

Ik moet altijd een beetje lachen als ik onze christelijke medemens krampachtig zie reageren als het om suïcide gaat. Je ziet Mirjam Bikker opveren. Zelfdoding, daar hebben christenen een duidelijke overtuiging over. Zelfdoding hoort niet. De dood is in handen van de Heer en mag geen mensenwerk zijn.

Maar ik heb slecht nieuws: zelfdoding is altijd mensenwerk geweest en zal altijd mensenwerk blijven. Er zijn mensen die gelukkig zijn, mensen die rijk zijn, mensen die tevreden zijn, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar er zijn ook mensen die diepongelukkig zijn, het leven verschrikkelijk vinden en per se dood willen, en dit om de meest uiteenlopende en voor hen valide redenen. Ik begrijp die wens ook. Ik kan me goed voorstellen dat iemand in een situatie komt waardoor hij naar de dood verlangt.

Zo las ik onlangs bij Emil Cioran: “Het idee dat je jezelf kunt doden is een geweldige troost; daarmee kom je vele slechte nachten door.” Cioran vond het beëindigen van het leven een vorm van vrijheid. De gedachte dat je niet gedwongen bent te leven, maakte het volgens hem juist mogelijk om verder te leven. Zelfdoding is een optie; dat kun je altijd nog doen, dus dan kun je ook nog wel even doorgaan met leven. Het idee dat er altijd een escape is, houdt hem op de been.

Het gekke is dat de barmhartige christenen degenen die zelfdoding plegen dwingen tot een wrede dood. O wee, degene die hun dood humaner en pijnloos wil maken: hem wacht de criminalisering. Verkoop een pilletje waarmee het pijnloos kan, help iemand om waardig te sterven, en je bent strafbaar; met fanatisme zul je worden vervolgd.

Er zijn veel hulpverleners en bestuurders die zeggen: ‘We kunnen ons er niet bij neerleggen dat mensen suïcide plegen.’ Ik zou ze willen zeggen: ‘Leg je er nou maar wel bij neer.’ Er zijn namelijk echt mensen die, hoe vaak ze ook 113 bellen, hoe liefdevol ze ook worden opgevangen door hun naasten, hoe vaak ook de hulp van de Heer wordt ingeroepen, toch een einde aan hun leven maken.

Leg je erbij neer en kijk er met een humane blik naar. Hoe wil je dat deze mensen een einde aan hun leven maken? Moeten ze voor een trein springen? Van een hotel af springen? Zichzelf verdrinken? Zichzelf tegen een boom rijden? Blijkbaar wel. Dat moeten ze, omdat een humane dood is gecriminaliseerd.
Ik blijf het vreemd vinden dat mensen voor een dergelijke wrede dood moeten kiezen en daardoor vaak andere mensen traumatiseren. Bovendien zorgt de wijze waarop ze uit het leven stappen ook nog eens voor extra verdriet: voor degene die suïcide pleegt zelf, voor diens naasten en de mensen die er ongevraagd getuige van zijn.

Het zal voorlopig niet gebeuren, maar ik hoop dat er in de toekomst met enige afstand naar wordt gekeken, dat wil zeggen zonder de morele bril, de religieuze blik of de professionele hulpverlenersreflex. Of je het nu leuk vindt of niet, zie het naakte feit onder ogen: suïcide is niet weg te denken uit ons leven; het hoort erbij. Verdriet is helaas onvermijdelijk.

 

Heb je zelf hulp nodig of maak je je zorgen om iemand? Praat erover. Anoniem en vertrouwensvol contact is altijd mogelijk via de hulplijn van 113 Zelfmoordpreventie (tel: 0800-0113) in Nederland of de Zelfmoordlijn (tel: 1813) in Vlaanderen.

Journal d’images

Verjaardag

Maandag 1 juni, Delft

 

Gisteren heb ik voor het eerst, sinds 1983, bewust aan de verjaardag van mijn vader gedacht. Ik moet bekennen dat ik niet eens meer wist op welke dag hij precies jarig was. Het moest ergens eind mei zijn, maar ik wist niet op welke datum, 31 mei dus.

Dit jaar wist ik het omdat ik een paar weken geleden zijn verjaardag in mijn agenda zette. Ik vond namelijk de rouwkaart van mijn vader en las daarop dat hij op 31 mei 1927 was geboren en op 15 augustus 1982 gestorven.
Ik vond die kaart omdat ik voor NRC, voor de rubriek Mijn Ouders, naar aanleiding van een foto, een klein in memoriam schreef. Om dat te kunnen schrijven, zocht ik in diverse dozen wat materiaal bij elkaar. En zo diepte ik uit een doos met veel troep opeens de overlijdenskaart met de mededeling dat Aloys Tonen was overleden.

Ik heb eigenlijk altijd gezegd dat mijn vader en ik weliswaar in hetzelfde huis woonden, maar dat er nauwelijks een band tussen ons was. Ik kan me niet herinneren dat we ooit een goed gesprek hebben gehad. Ik zei altijd malicieus dat ik veel van hem heb geleerd, namelijk hoe je níet moet leven.

Ik was erbij toen hij zijn laatste adem uitblies en vond het een aangrijpend moment door zijn onherroepelijkheid. Aan de andere kant wist ik dat hij graag dood wilde. Door een ziekte die die al tien jaar duurde en hem sloopte, sprak hij regelmatig een doodswens uit. Een wens die me ergerde; wie wil er nou dood? Mijn vader, verdomme. Hij stierf trouwens aan een hartstilstand.

Ik vond mijn vader eigenlijk een rare man. Vrienden had hij niet en van familie wilde hij niets weten. Vreemd dat hij met mijn moeder was getrouwd, want zij was bij uitstek een familiemens. Sowieso was zij in alles het tegendeel van mijn vader — gelukkig.
Als hij thuiskwam, deed hij standaard de luxaflex naar beneden. Hij wilde niemand zien en wilde ook niet gezien worden.
Mijn moeder en mij terroriseerde hij geregeld met een machtig wapen: het zwijgen. Na een ruzie kon hij weken zwijgen. Wekenlang hing dan een verstikkende atmosfeer in ons huis. Voor onze relatie kan ik het best een oud begrip uit de Koude Oorlog uit de kast halen: vreedzame coëxistentie.

Vandaar misschien dat ik hem na zijn dood snel vergat. Mijn moeder en ik zijn zelfs niet bij het uitstrooien van zijn as geweest. Wat ik nu onvoorstelbaar vind en inmiddels onder de noemer ‘ernstige verwaarlozing’ schaar. Ik wijt dat eigenlijk aan het feit dat wij vrede hadden met zijn dood. Na tien jaar lijden leek het niet meer dan logisch, bijna rechtvaardig, dat hij was verlost van zijn pijn en angsten.

Ik moet bekennen dat er een lichte revival plaatsvindt over het denken aan mijn vader. En dat heeft ermee te maken dat ik misschien wel meer op hem lijk dan ik ooit wilde toegeven. Ik bemerk nu bij mijzelf dezelfde neiging om me terug te trekken en een enigszins solitair leven te leiden. Daar komt bij dat het me fascineert hoe het mogelijk is dat een vader en een zoon zo weinig connectie met elkaar hadden en, vrees ik, nauwelijks iets voor elkaar hebben betekend.

Mijn moeder zei wel eens dat hij echt van me hield, dat ze dat zeker wist. Maar ik geloofde er niets van. Volgens mij zei ze dat om de moed erin te houden. Lief van haar bedoeld, maar ik kon me niet voorstellen dat ze er zelf in geloofde.
Mijn moeder hield wel van mijn vader. Of mijn vader ook van mijn moeder hield, weet ik niet; daarvoor heb ik geen aanwijzingen, laat staan harde bewijzen.

Journal d’images

Mijn vader in zijn jongere jaren in het uniform van de PTT. Hij was toen postbode.

Moddergat

Zondag 31 mei, Kollum

 




Arjan zet ons bij de boot af. We lopen naar de laatste boot die vanaf Ameland vertrekt. Vertrektijd: 18.30, belachelijk vroeg. Als we naar de vertrekhal lopen, zien we dat om 18.15 de snelboot gaat.
‘Zal ik eens vragen hoe duur dat is?’
Het blijkt tien euro p.p. te zijn. En we besluiten hem te nemen. Niet omdat het sneller gaat — veel sneller — maar gewoon omdat het kan. We gaan nooit met die snelboot.

En zo komen we drie kwartier eerder in Holwerd aan dan gepland. Wyb heeft inmiddels bedacht wat we met de gewonnen tijd gaan doen.
‘We gaan in Oosternijkerk patat halen en daarna gaan we die op de dijk in Moddergat opeten.’
Een briljant idee. Hoe lang is het geleden dat we in Moddergat zijn geweest? Het is nog veel langer geleden dat we op de dijk hebben zitten eten.

Een half uur later slaan we de deuren van onze auto dicht en horen we de stilte van Moddergat, die voornamelijk bestaat uit het krijsen van de meeuwen. We beklimmen de dijk. Altijd wanneer we de dijk beklimmen, doen Wyb en ik een wedstrijdje wie er als eerste boven is.

De dijk is niet zomaar de dijk. De plek waar wij gaan zitten om onze patat en kroketten op te eten, is de plek waar wij de as van mijn moeder hebben uitgestrooid. Het is lang geleden dat we hier waren om haar even gezelschap te houden, even goed aan haar te denken.

Mijn moeder ligt hier volkomen misplaatst. Haar as had absoluut in Nijmegen aan de Waal uitgestrooid moeten worden, daar waar haar thuis was. Maar dat wilde ze per se niet. Haar laatste wil was een absolute wil: ‘Ik wil uitgestrooid worden in Moddergat, op de dijk voor jullie huisje.’
‘Maar Ma, je bent nog nooit in Moddergat geweest. Jouw as hoort toch in Nijmegen thuis? Waarom wil je nou in godsnaam in dat Moddergat uitgestrooid worden?’
‘Dan ben ik altijd vlakbij jullie en dan denken jullie vaak aan mij.’
‘Maar het is op die dijk verschrikkelijk koud, de stormen ontmoeten hier voor het eerst het land. De wind giert over de dijk heen.’
‘En toch wil ik daar liggen, vlakbij jullie.’
Natuurlijk volgden wij haar laatste wil. Met haar as schreven we haar naam in het gras: Miep.

Een paar jaar later verkochten we, na zestien jaar, ons huisje en namen wij de benen naar Frankrijk, mijn moeder achterlatend in de verlatenheid van Moddergat.

Vandaag maken we het een beetje goed door bovenop haar as onze patat te eten. De avond is heerlijk en met plezier constateren we dat er op het wad totaal niets is veranderd. Het uitzicht is zoals het altijd was. Het is eb, ook fijn, daarom ruiken we de moddervlakte zoals die altijd rook.

Schuin links van ons zien we aan de overkant Ameland liggen, waar Malu momenteel haar zestiende verjaardag viert. Als het goed is, zitten ze nu aan tafel de salades te eten die Wyb en ik vanmiddag voor haar en haar vrienden hebben gemaakt.

Tussen Ameland en Schiermonnikoog door kijk ik de verte richting de Noordpool, ik vind het altijd een fascinerende gedachte dat er tussen mij en de Noordpool niets meer ligt.

‘Kom, we gaan naar je moeder,’ zeg ik tegen Wyb. Anneke woont zo’n twintig kilometer hiervandaan, in Kollum.
We nemen afscheid van mijn moeder. We nemen ons voor om voortaan elk jaar bij haar te gaan eten.

Journal d’images

De Grote Remigratie

(zelfcensuur)

Vrijdag 29 mei, Delft

 

Shit: dilemma. Voor het eerst in mijn achttienjarig bestaan als blogger twijfel ik over het blog dat ik vandaag heb geschreven. Die twijfel wordt extra gevoed door Wyb, die aan het werk is. Voor de zekerheid heb ik het toch naar haar gestuurd.
Haar reactie tussen haar werkzaamheden door: ‘Heftig.’
Ik: ‘Kan ik het publiceren?’
Wyb: ‘Ik vind het te heftig, maar het is aan jou. Misschien kun je het afzwakken, maar dat is niet jouw bedoeling. Jij wil provoceren.’
Dat laatste klopt, en dat heftig van Wyb begrijp ik wel; daar zit natuurlijk ook mijn twijfel.

Ik stuur het naar Esmee. Haar oordeel is duidelijk: ‘Dit kun je niet maken. Veel te heftig.’
Tsja, wat doe je dan als blogger?
Ik besluit het blog niet te publiceren. Toch wil ik de lezer wel een indruk geven. Het blog begint in algemene zin, daarna fantaseer ik over wat er met Anne en Esmee gebeurt als de De Grote Remigratie een feit is.
Hieronder staan de eerste alinea en de eerste zin van de tweede alinea.

‘Na het Kamerdebat afgelopen dinsdag met Lidewij Baudet lig ik in bed te woelen. Natuurlijk heb ik de hele avond aan Anne en Esmee moeten denken, mijn twee uit Sri Lanka geadopteerde dochters. Stel dat dat Forum voor Democratie ooit de grootste partij van Nederland wordt en de macht grijpt. Dat gebeurt toch nooit? Het vooroorlogse Duitsland was ooit ook een gewone democratie en de NSDAP was destijds eveneens een kleine splinterpartij, net als dat Forum voor Democratie nu. Zeg nooit nooit. Dat gaat hier in Nederland niet gebeuren? Ik zet er mijn geld niet op in. Nederland is een land van hypes en dwepers, met kiezers die een moreel kompas ontberen. De knokploegen staan al klaar, de fakkels zijn ingekocht. Voordat je het weet, moeten we die Lidewij Baudet aanspreken als Die Führerin.

En wat gebeurt er dan met mijn dochters?’

Die laatste vraag werk ik vervolgens uit in het blog, dat dezelfde titel had als dit blog. De lezer zal begrijpen dat dit een dystopisch beeld oplevert. Ik begrijp dat het nogal heftig is om mijn dochters centraal te zetten in dat dystopisch beeld. Maar toch: als ik die Lidewij hoor raaskallen, hoor ik haar eigenlijk steeds over mijn familie praten.

Goed, nog een alinea uit dat blog, zodat FvD weet wat ook maatschappelijke reacties zullen zijn:

‘Belangrijke vraag: wat doe ík als ‘Frau Baudet’ aan de macht komt? Waar kan ik een Kalasjnikov kopen? Het eerste wat ik ga doen is een knokploeg oprichten. Voor gewapend verzet kun je op mij rekenen. Ze moet met haar gore handen van mijn dochters afblijven.’

Laat ik maar stoppen. Dadelijk ga ik nog verder. Ik popel, maar ja, ik wil mijn familie geen verdriet doen.

Journal d’images

Fuck de tijd

Donderdag 28 mei, Delft

 

Hoe weet je nou in godsnaam of je ouder wordt? Je kunt wel dagelijks in de spiegel kijken, maar dat verouderingsproces gaat zo langzaam dat het niet is te zien. Decennialang voelde ik me eigenlijk hetzelfde, ik had geen idee dat ik ouder werd. Pas tegenwoordig ontsnapt me wel eens een kreuntje als ik van een luie strandstoel opsta. Maar zelfs nu nog: alleen doordat ik bijhoud dat ik 71 ben, maar ik zou ook best nog vijfenvijftig kunnen zijn, zoals de lieve receptioniste van het Archeologisch Museum in Athene me laatst schatte. Toch een triomfmomentje.

Eigenlijk is er maar één ding waaraan je kunt zien dat de tijd onverbiddelijk en wreed is, dat de tijd je in een wurggreep heeft: kinderen. Gisteren werd mijn lieve kleindochter Malu zestien jaar. Zestien jaar! Aankomende zaterdag gaan we naar Ameland om het te vieren. Maar zestien jaar? Ik kan het niet geloven. Gisteren zag ik haar nog, pas geboren, in het Leeuwarder ziekenhuis in de armen van haar moeder. Nu is ze opeens zestien jaar. Zij werd mijn tweede meetlat voor de tijd.

Mijn eerste meetlat was haar moeder, Esmee, mijn dochter. In 1989 haalden wij haar, bijna een maand oud, op uit Sri Lanka. Esmee besefte al vroeg hoe verschrikkelijk de tijd werkte en ze beloofde mij twee dingen. In de eerste plaats beloofde ze me dat ze nooit in de puberteit zou komen, dat ze daar niet aan zou gaan doen. En op de tweede plaats beloofde ze me dat ze voor altijd jong zou blijven, dat ze niet ouder zou worden, dat leek haar verschrikkelijk, zei ze altijd.

Maar met Esmee gebeurde natuurlijk hetzelfde als met Malu. Gisteren werd ze, strak ingebakerd, in Sri Lanka in onze armen gelegd; de volgende dag was ze zestien en schoot ze de puberteit in. Een mens blijft werkelijk niets bespaard. Ook aan de tweede belofte heeft zij zich niet gehouden, niks geen forever young, ze is nu zesendertig.

Wat ik maar wil zeggen: kijk naar je kinderen en je weet hoe oud je bent. Zo was ik drieëndertig toen ik Esmee in mijn armen mocht sluiten. En opeens ben ik 71 als we de verjaardag van Malu vieren.

Fuck de tijd. Eén keer hebben we hem echt kunnen fucken. Toen we Esmee kregen was ze dus bijna één maand oud, zo stond het in haar Sri Lankaanse paspoort. Toen wij terugkwamen in Nederland bleek ze nog steeds haar navelstreng te hebben. Had dat niet allang van haar af moeten vallen? Voor de zekerheid gingen we naar de dokter, die ons verzekerde dat dit wel eens kon gebeuren en wij waren gerustgesteld.

Vele jaren later ontmoetten we haar biologische moeder die ons bij hoog en laag verzekerde dat ze op 16 december was geboren en niet op 4 december zoals in haar paspoort stond vermeld. Dat betekende dat ze nog geen dag oud was toen wij haar op 17 december kregen. Maar het betekende ook dat ze veertien dagen jonger was dan gedacht. En misschien, overmoedig geworden door dat meevallertje, deed ze me later die twee beloftes over de tijd. Tevergeefs, niemand ontsnapt aan de tijd: zelfs Esmee niet. Helaas.

PS Nadat ik dit blogje had geschreven, liet ik het eerst aan Esmee lezen om te vragen of ze er geen bezwaar tegen had. U ziet: De Blogger werkt buitengewoon zorgvuldig. Esmee had twee belangrijke aanvullingen.
Aanvulling 1: ze hecht eraan bij biologische moeder het bijvoeglijke naamwoord ‘vermoedelijk’ toe te voegen. Dit omdat er destijds geen DNA-test is gedaan en bij een adoptieprocedures niets zeker is voordat het is bewezen.
Aanvulling 2: ze laat weten dat ik haar leeftijd verkeerd heb vermeld. Ze is geen zesendertig maar zesentwintig. Nogmaals: fuck de tijd.

Journal d’images

Solitair

Woensdag 27 mei, Delft

 

Kun je eenzaam zijn zonder het zelf te weten of te voelen?

Gisteravond gingen we naar een voorstelling van Orkater, De dood van Benny Simons, uitgenodigd door J. en A. Daarvoor aten we bij ons thuis zo’n heerlijk gerecht van Yotam Ottolenghi.
J. en A. woonden jarenlang in het hart van Amsterdam en zijn onlangs verhuisd naar een gloednieuw appartementencomplex in Zutphen met uitzicht op de IJssel en de uiterwaarden. Hoe mooi wil je het hebben?

Ze vertellen enthousiast over hun nieuwe woonomgeving en hoe al die nieuwe bewoners samen dingen organiseren. Door allerlei regelmatige ontmoetingen te organiseren en appgroepen op te zetten, is in korte tijd al een echte gemeenschap ontstaan. J. en A. leiden daar inmiddels een rijk sociaal leven.

Terwijl we erover praten, denk ik aan mijn eigen situatie. In ons appartementencomplex zijn 123 appartementen, verdeeld over vijf woonblokken en iedereen leeft volstrekt op zichzelf. Op onze verdieping, met zes appartementen, hebben wij met helemaal niemand contact. Als we elkaar tegenkomen, wat zelden gebeurt, zeggen we elkaar vriendelijk goedendag, meer niet. Sommige van deze naaste buren zie ik soms maanden niet.

En ik moet bekennen dat ik buitengewoon tevreden ben met deze situatie. De huidige geïndividualiseerde samenleving lijkt wel voor mij gemaakt te zijn, moet ik misschien wel tegen mijn zin bekennen.
Ik vind het hartstikke leuk als er bezoek komt of om samen met mensen te eten, maar ik merk dat ik tamelijk allergisch ben voor groepen of grote sociale verbanden. Samen met een grote groep naar het theater: het is niets voor mij. Een walking dinner door het appartementencomplex om elkaar beter te leren kennen: ik doe zeker niet mee. Door wat J. en A. vertellen, merk ik dat ik nog meer een solitair beest ben dan ik zelf al dacht.

Ik geniet er mateloos van om anoniem door deze stad te lopen. Ik geloof steeds meer in het gezegde dat een verre vriend meer waard is dan een goede buur. Mede door Cadouin heb ik het genot ontdekt van het alleen-zijn, van het tamelijk opgesloten zijn in mezelf. Al treed ik daar ook graag met regelmaat weer uit voor een gezellig samenzijn, een goed gesprek of een reis naar deze of gene.

En ik moet meteen bekennen dat mijn leven hier zonder Wyb er opeens totaal anders zou uitzien. Ik weet vrijwel zeker dat ik mij inderdaad meteen radeloos en eenzaam zou voelen. Ik realiseer me dat ik solitair kan zijn dankzij Wyb. Ons samenzijn is natuurlijk al het bewijs dat ik helemaal niet zo solitair ben als ik nu voorwend te zijn. Maar lid worden van een club, of van een terugkerende verplichting: als ik er alleen al aan denk, voel ik fysieke weerstand.

De dood van Benny Simons was een verrassing. Eindelijk weer eens theater waar ik van heb genoten. Misschien ook wel omdat het nu eens niet een voor theater gedemonteerd boek of film was, maar dat het een verhaal is dat voor theater is gemaakt. Het resultaat is een energieke voorstelling die zowel beeldend als muzikaal is en bovendien buitengewoon goed wordt gespeeld. Al die goede recensies en de nominaties voor de theaterprijzen vind ik helemaal terecht. Misschien toch maar eens meer naar het theater. Wie weet, maak ik er ook nog eens een vriend.

Journal d’images

Jazz

Dinsdag 25 mei, Delft

 

Sonny Rollins overleden. In ons huis geeft zo’n bericht toch altijd een schokje. Alweer een jazzlegende overleden. Nu dacht ik eerlijk gezegd dat hij al overleden was, want het is nauwelijks bij te houden welke jazzlegende nou wel of niet de pijp aan Maarten heeft gegeven. In zijn in memoriam staat dat Sonny Rollins sinds 2014 al niet meer speelde omdat hij aan een longziekte leed.

Laat ik nou niet doen alsof ik veel van jazz weet, want dat is absoluut niet het geval. Ik heb van huis uit een buitengewoon beroerde muzikale opvoeding gehad. Namelijk geen. Mijn vader hield van Vicky Leandros en James Last. Van mijn moeder kan ik niet eens een muzikale voorkeur noemen. Mijn vader, aangetast door ziekte, speelde op zo’n manier orgel dat je meteen een afkeer kreeg van elke muziekvorm. Jazz werd bij ons thuis omschreven als neurotische ellende.

Gelukkig leidde ik ook een leven buitenshuis. En daar, op een festival in De Lindenberg, zag ik voor het eerst live een jazzmuzikant, en ook niet de minste: Dexter Gordon. Godverdomme, wat vond ik dat goed. Ik weet nog dat ik een extatisch gevoel had tijdens zijn concert. Wat een muziek — dat ik dat niet kende. Prachtig ook hoe hij na elke solo zijn saxofoon omhoog hield als eerbetoon aan zijn instrument. Jazz: ik was verkocht.

Zó om dat Lies en ik, het was 1978, naar Groningen afreisden voor de Jazzmarathon, waar wij Lionel Hampton en Abbey Lincoln zagen optreden. Dat optreden betekende het begin van een levenslange liefde voor Abbey. En mazzel: voor Wyb is het niet anders. Op Wyb kom ik dadelijk terug.

Bij mijn bezoek aan de Jazzmarathon in De Oosterpoort wist ik dat ik daar graag wilde werken. En verdomme, een paar jaar later was dat het geval. Zeven jaar lang mocht ik als hoofd marketing de publiciteit voor de Jazzmarathon doen.

Dan nu toch even opscheppen. Ik heb me nooit echt in de jazz verdiept. Ik ben alleen maar een liefhebber. Toch is er elke week wel een avond dat we tijdens het eten de grote jazzlegendes langskomen. Het is de muzieksoort die me de meeste energie geeft.

Ik heb er dus eigenlijk de ballen verstand van, maar voor Wyb ligt dat anders. Toen ik haar net kende, imponeerde ze me met haar kennis over de jazz. Ik zette een jazzplaat op en Wyb wist mij precies te vertellen wie daar de solo’s speelden en wie op het podium stonden. Onvoorstelbaar. Bleek ik opeens verliefd te zijn geworden op een vrouw met kennis van zaken. Daar stond ik dan met mijn Jazzmarathon-ervaring met mijn mond vol tanden.

Wyb bleek vijf jaar lang voor de NPS tijdens het North Sea Jazz Festival schrijver in de radiowagen te zijn geweest. Zij moest de sets timen en de setlists bijhouden, welke nummers werden gespeeld, hoe lang ze duurden en wie de solo’s speelden. Daarna checkte ze dat bij de artiesten. Bovendien kende ze de nummers sterren toe, zodat de presentatoren een indicatie hadden welke nummers tijdens het concert bijzonder waren geweest.

Zo komt het dat er, ondanks mijn armzalige muzikale opvoeding, in ons huis toch heel wat jazzkennis aanwezig is.
‘Wyb, kun je even een goede jazzplaat opzetten?’ Op de een of andere manier werkt onze Spotify alleen op commando’s van de iPhone van Wyb.
‘Ik heb opeens zo’n zin in jazz.’

Journal d’images

Jakkeren

Maandag 25 mei, Delft

 

Ooit, toen ik in december 2008 begon met het schrijven van dit blog, had ik het romantisch idee dat ik later, oud en versleten, ze terug kon lezen en dan weer een beeld zou krijgen van het leven dat ik had geleid. Nou ben ik misschien wel oud, van versleten is (nog) geen sprake, maar Wyb en ik zijn die blogs nu aan het teruglezen. Ik vind het wel belangrijk om aan te tekenen dat dit het idee van Wyb was. Zelf vond ik het nog geen tijd voor de grote evaluatie. Dat neemt niet weg dat ook ik nieuwsgierig was. Tot nu toe had ik daar nooit iets van teruggelezen.

Het is wel even schrikken, dat teruglezen. We lezen nu september 2009, en wat blijkt: ik had gewoon een rotleven. Het is onthutsend om te zien hoe druk leven was. Wyb werkte in Heerlen als hoofd programmering en marketing. Ik was zakelijke directeur van Het Zuidelijk Toneel in Tilburg. We woonden in Den Bosch, hadden een pierre-à-terre in Heerlen en een huisje in Moddergat. De ouders van Wyb woonden in Kollum en mijn moeder had Alzheimer en zat in een verzorgingshuis in Nijmegen. Voor mijn werk jakkerde ik het land door. Soms om voorstellingen te verkopen, soms omdat we in andere steden aan het produceren waren, soms voor vergaderingen in Amsterdam. Ik racete eigenlijk permanent in auto of trein door Nederland. In een van de blogs lees ik dat ik dat jaar 84.000 kilometer alleen al met de auto heb gereden. Al lezend word ik gek van al het reizen dat we deden.

Nou had ik daar nog wel enige herinneringen aan, maar nu ik het teruglees komt het allemaal weer keihard binnen. Wat een rotleven eigenlijk; we kenden geen enkele rust. Het was zo erg dat onze hond Dickens, een dikke blonde labrador, niet meer met ons mee wilde. Als we bij Wybs ouders waren geweest, die op het rustige platteland van Friesland woonden, wilde hij niet meer met ons mee: stik maar met jullie waanzin, zag je hem denken.

Boven al die drukte en verplichtingen hing als een zwarte wolk de ziekte van mijn moeder. Op 2 september 2009 schreef ik:
‘Ik heb Jan (broer van mijn moeder) aan de lijn. Vorige week is hij na lange tijd weer bij mijn moeder op bezoek geweest en hij is erg geschrokken. Het was onmogelijk om een gesprek met haar te voeren.
’Wie is die mijnheer die hier zit?’ had zij aan een verzorgende gevraagd. Op een gegeven moment had ze gezegd: ‘Weet je dat Miep Tonen dood is?’ Dat had Jan erg geschokt. Ik vind dat eigenlijk wijze woorden. Misschien had ze opeens een heel helder moment. Ik denk inderdaad dat Miep Tonen al dood is, in ieder geval geestelijk.’ Twee maanden later zou ze ook fysiek overlijden.

‘Waarom lieten we ons eigenlijk meesleuren in die drukte?’ vraag ik me hardop af.
‘Weet je dat ik het eigenlijk wel lekker vond,’ zegt Wyb. ‘Ik had echt het gevoel dat we leefden.’
‘En dat gevoel heb je nu niet meer?’
‘Het is rustiger, veel rustiger. Soms verlang ik er wel naar terug. Als ik dit lees, zou ik best weer een maandje terug willen naar die tijd. Jij niet?’
‘Absoluut niet.’

Journal d’images

Mijn strijd

Zondag 24 mei, Delft

 

‘En wat heb je vandaag gedaan?’ vraagt Anne als ze op bezoek komt.
‘Een blogje geschreven, gelezen, Dies uitgelaten, boodschappen gedaan, dat soort dingen.’
‘Toch een beetje saai, vind je niet?’

Dan leg ik haar uit dat ik Karl Ove Knausgård aan het lezen ben. Heel vaak ben ik mensen tegengekomen die, als ik zit te lezen, denken dat ik niks aan het doen ben, dat lezen een vorm van luieren is. Of dat lezen saai is. Ik leg Anne uit dat ik in Knausgård aan het lezen ben, dat ik een monument aan het lezen ben, een van de belangrijkste egodocumenten die ooit zijn geschreven, een radicaal eerlijk boek, waarin hij zijn leven naar eer en geweten tot op het bot blootlegt. Hij ontziet daarbij niemand, zelfs niet zijn naasten, en zichzelf nog het minste. Ik vind het mateloos boeiend om te lezen. Ik ben nooit dieper in iemands leven doorgedrongen. Knausgård lezen is verre van saai, het is een van de meest boeiende dingen die ik in mijn leven heb gedaan.

En zeg dan nog maar eens ik niets doe. Elke dag zo’n blogje schrijven, elke keer een onderwerp bedenken dat je zelf relevant vindt. Er zijn columnisten die dit twee keer per week doen en er goed voor worden betaald. Overigens vind ik mij helemaal geen columnist, ik noem mij altijd blogger. Een columnist wordt betaald door een krant en moet een profiel ontwikkelen.
Het fijne van bloggen is dat het alle kanten op kan: ik ben een vrij man. Ik hoef aan niets en niemand verantwoording af te leggen. Ik kan schrijven over de meest onzinnige zaken, als ik dat zou willen. En ik kan alle tonen aanslaan: ik hoef geen rekening te houden met een consistente toon. Ik kan soms een blogje schrijven dat een cynisch pamflet is, maar ook het sentimentele en het nostalgische hoef ik ook niet te mijden. Sommige lezers gaan daarin mee. Anderen haken af. Mij maakt het niet uit, want, zoals ik altijd heb gezegd, ik schrijf die blogjes in eerste instantie voor mezelf.

Terug naar Knausgård, voor wie hem niet kent. In 2009 publiceerde hij in het Noors het eerste deel van een zesdelige serie waarin hij minutieus zijn leven beschrijft, van het meest triviale tot essays over bijvoorbeeld Hitler of over de dichter Paul Celan. De zes delen hebben de volgende titels, dit op volgorde van de delen: Vader, Liefde, Zoon, Nacht, Schrijver, Vrouw. In totaal beslaan ze 3678 pagina’s, waarvan ik er nu duizend heb gelezen, dus nog 2678 te gaan. De titel van de serie luidt Mijn strijd.

In 2011 las ik een van de delen en de verlokking was groot om ze meteen allemaal te lezen. Dat heb ik niet gedaan omdat ik toen nog een leven van ‘druk, druk, druk’ leidde, door afspraken en zakelijke verplichtingen werd ik voortdurend van het lezen afgeleid. Daarom besloot ik ze pas te lezen wanneer ik er alle tijd voor zou hebben en de serie in één keer zou kunnen uitlezen. Die tijd heb ik nu volop. Hulde aan Drees!

Met Mijn Strijd heeft Karl Ove Knausgård bewezen dat literatuur niet groots of spectaculair hoeft te zijn om diepe indruk te maken. Door het gewone leven serieus te nemen creëerde hij een monumentaal werk over herinnering, schaamte, liefde en de tredmolen van het bestaan.
Knausgård noemt echte namen en beschrijft familieleden, vrienden en voormalige geliefden zonder enige terughoudendheid. Dat leidde natuurlijk tot spanningen binnen zijn persoonlijke omgeving. Sommige familieleden voelden zich verraden of publiekelijk ontmaskerd. Maar juist die eerlijkheid vormt de kracht van zijn boeken. Veel lezers herkennen zichzelf in zijn onzekerheden, angsten en dagelijkse worstelingen. In ieder geval raakt Knausgård daarmee aan de fundamentele vraag hoeveel waarheid en eerlijkheid een schrijver zich kan permitteren.

Journal d’images

Huilen

Zaterdag 23 mei, Delft

 

Wyb en ik zitten op het terras van strandtent De Staat op het Scheveningse strand. We hadden het heel druk verwacht: zon, perfecte temperatuur, maar het valt erg mee. Dat zal tijdens de aankomende pinksterdagen wel anders zijn.
Wyb is zowaar een hele dag vrij. Morgen moet ze weer werken. We maken even gebruik van de situatie: wat ze morgen niet heeft, nemen we vandaag. Mij maakt het niet uit. Door dat gekke rooster van Wyb ontbreekt elke regelmaat in de week, waardoor ik vaak niet weet welke dag van de week het is.

Ik heb, zoals altijd, een plek in de schaduw opgezocht. Wyb gaat dan met haar stoel in de zon zitten nadat ze eerst Dies met een frisbee heeft uitgeput. Het meisje van de bediening brengt ons ginger beer. God, wat heb ik toch de pest aan regen. Zo zou het altijd moeten zijn.

Na een kwartier begint naast ons een baby te huilen. Je hoort aan het huilen dat het erg overstuur is. Ik moet denken aan de tijd dat Anne en Esmee nog baby’s waren. Ik voelde me altijd opgelaten als ze een keer onbedaarlijk moesten huilen, bijvoorbeeld wanneer we aan het kamperen waren. Ik dacht dan meteen aan de mensen om ons heen. Ik begrijp het goed als mensen op een kindervrije camping gaan staan.

‘Zouden kinderen in de buik ook huilen?’ vraagt Wyb.
Grappige vraag, heb ik me nooit afgevraagd. Vermoedelijk omdat ik altijd denk dat de tijd in de baarmoeder de gelukkigste periode van je leven is. Ik heb er geen herinnering aan. Maar vermoedelijk vond ik het heerlijk om in zo’n kleine capsule in het lijf van mijn moeder te zitten. Een beetje drijven op het vruchtwater, soms hoor je je moeder zingen en stemmen die je nog niets zeggen — je hebt geen vermoeden van zorgen en verdriet. Mijn liefde voor een bad wijt ik altijd aan mijn topervaring in de baarmoeder.

‘Ik zal het eens aan Chat vragen,’ zeg ik, met wie ik inmiddels op vriendschappelijke voet sta. Ik zou niet weten aan wie je dit anders kunt vragen.
Chat GPT antwoordt: ‘Nee, een ongeboren baby “huilt” niet in de buik zoals na de geboorte — er komt geen geluid uit, omdat de longen nog geen lucht bevatten. Maar onderzoekers hebben wel gezien dat foetussen vanaf ongeveer het derde trimester bewegingen kunnen maken die sterk lijken op huilen: trillende kin, open mond, onregelmatige ademhalingsbewegingen en een verdrietige gezichtsuitdrukking.
Die reacties worden meestal gezien als een soort oefening van het zenuwstelsel en de spieren die later nodig zijn om echt te huilen. Soms reageren baby’s in de baarmoeder ook op harde geluiden of stressprikkels met zulke bewegingen.’

Daar gaat mijn ideaalbeeld van het Totaal Gelukkige Kind in de baarmoeder. De ongeboren vrucht heeft nog geen herinneringen, geen vervelende ervaringen, maar het wordt toch al voorbereid op verdriet. Er is nog geen notie waarom hij huilbewegingen maakt, maar diep verstopt in onze genen zit dus al opgesloten dat wij ons moeten voorbereiden op de tijd dat we de baarmoeder verlaten en zullen gaan huilen.
Huilen is onze eerste daad als mens. Dat heb ik altijd volstrekt logisch gevonden. Want je zult maar ineens vanuit zo’n veilige, warme buik in een ziekenhuiskamer belanden met al dat felle licht. Dat is toch een vorm van cold turkey afkicken. Het overleven is begonnen.

Het meisje van de bediening zet de bitterballen voor ons neer. ‘Dit is toch echt genieten,’ zegt Wyb, en ik ben het met haar eens.

Journal d’images

Omvolken

Vrijdag 22 mei, Delft

 

Omvolken. Iedere politicus die het woord gebruikt, roept in feite Sieg Heil.
Het is een soort wachtwoord waarmee je aangeeft dat je gelooft in de superioriteit van het blanke ras. Dat je gelooft dat andere culturen minderwaardig zijn en dat je die daarom buiten de deur wilt houden. Of nog erger: zelfs de deur uit wil zetten. In extreemrechts vakjargon heet dat remigreren. Normale mensen noemen het deporteren.

Zelf moet ik altijd lachen om het geloof in dat fantastische blanke ras. Ik weet eigenlijk niet waarop die overtuiging is gebaseerd. Zelf vind ik dat blanke ras, zeker in moreel opzicht, maar een armoedig zooitje. Ze hebben er in de loop van de geschiedenis toch een aardige puinhoop van gemaakt, die blanken. Sowieso hebben ze twee vernietigende wereldoorlogen op hun naam staan, met miljoenen doden. Wreder hebben we het in de geschiedenis niet meegemaakt. En nu zijn ze met hun ‘Drill, baby, drill’ ook nog eens onze planeet aan het mollen. En dan heb ik het nog niet eens over hun geschiedenis vol koloniaal geweld en die maffe kruistochten. Het is altijd wat met die blanken.

De believers van dat omvolken hoor je vaak strijdvaardig zeggen: ‘We moeten onze joods-christelijke cultuur beschermen.’ Heeft iemand enig idee waarom? Kijk naar de leiders van die joods-christelijke cultuur. Neem Netanyahu, leider van Israël: dan zien we een land dat werkelijk elk humaan denken en handelen uit het oog heeft verloren. Het principe ‘eigen volk eerst’ is daar tot in het kwadraat doorgeslagen. Het resultaat: een soort sadistisch universum. En dan Trump. Tsja. We hebben nu een ‘leider van de westerse wereld’ die permanent de weg kwijt is en functioneert op het geestelijk niveau van een kleuter. Geen idee waarom we met deze voorbeelden dat blanke ras zo nodig moeten beschermen of in stand houden.

Ook curieus, de voorhoede van die extreemrechtse strijd. Hun geliefde kreet is: ‘Wij zijn Nederland’. Alleen al als je ze ziet, denk je: dan maar geen Nederland. Geen zinnig mens wil toch bij dat schorriemorrie horen? Wie zit er te wachten op een Nederland van over straat slenterende hoodies, bier slurpende lanterfanters en hooligans die met fakkels en vuurwerkbommen gooien? Als dat Nederland is, meteen afschaffen, zou ik zeggen.

Dat blanke ras heeft ook wel een beetje iets gluiperigs. Neem zo’n Forum voor Democratie. Door middel van tekens met hun handen maken ze het zogenaamde white power-teken. Of ze schrijven: ‘Europe will be white again. Never streSS’. Let even op die SS. Stoer, hè? Ja, zo heeft de voorhoede van het blanke superioriteitsdenken het idee dat ze echte strijders zijn, dat ze hard werken aan hun ideaal van de blanke etnostaat. Het is een beetje alsof je je rechterarm omhoog steekt en ‘Heil Hitler’ roept. En als ze je erop aanspreken zegt: ‘Nee, ik maakte gewoon een enthousiaste armbeweging’. Eigenlijk te zielig om woorden aan vuil te maken.

Dit alles zorgt ervoor dat ik ‘omvolking’ eigenlijk best een bruikbare term vind, maar dan omgekeerd aan hoe dat tuig het bedoelt. Ik stel voor die omvolking niet tegen te gaan, maar juist te realiseren. Wat mij betreft zorgen we ervoor dat Nederland zoveel mogelijk verschillende culturen en achtergronden verwelkomt. Een mooi gemêleerde samenleving zorgt ervoor dat we afkomen van het idee dat één dominante groep zich superieur kan wanen en denkt het land te kunnen toe-eigenen. Nog mooier zou het zijn als we uiteindelijk allemaal dezelfde kleur aannemen. Een samenleving zonder dat irritante superioriteitsgevoel van het blanke ras: volgens mij brengen we de menselijke soort daar echt een stap verder mee. Dat lijkt me voor iedereen een verademing.

Journal d’images

Sixpack

Woensdag 20 mei, Delft

 

Twee dingen zijn mogelijk: ik word gek, of de wereld wordt gek. Er gebeuren in ieder geval de meest waanzinnige dingen. Zo gaat het er naar uitzien dat ik, geboren in de grijze jaren vijftig, ook ga sterven in de jaren vijftig. Of in ieder geval in een kopie daarvan.

Een groot deel van de huidige mannen, of het mannelijk geslacht dat op de drempel staat van het man worden, wil weer een man zijn zoals dat vroeger was. Hij wil een ondergeschikte vrouw die hem verzorgt, hij wil kracht uitstralen, thuis de baas zijn en liefst ook daarbuiten.
Och, zielig, dacht ik in het begin. Wat moeten die kerels in deze samenleving vol geëmancipeerde vrouwen. Nou, die gaan zich nog redden ook, zie ik nu, want een groot deel van de vrouwen wil best terug naar het aanrecht: wat is er fijner dan een man die financieel voor je zorgt. Want zonder dat ik het in de gaten had, is de tradwife ontstaan, een vrouw die bewust kiest voor een rolverdeling uit de jaren vijftig.

De man, en de jongen die het nog moet worden, bereiden zich volop voor op deze nieuwe taakverdeling. Een van de meest van de pot gerukte verschijnselen daarvan is looksmaxxing: dé internettrend van dit moment. Mannen proberen hun fysieke uiterlijk te maximaliseren. Soms met tamelijk veel geweld. Zo zag ik in een documentaire een puber die met een hamer tamelijk hard zijn kaak aan het bewerken was om die een stoerdere lijn te geven. Jongetjes zitten eindeloos voor spiegels en computerschermen hun uiterlijk te bestuderen om te zien wat ze eraan kunnen verbeteren. Plastische chirurgie wordt ingezet om de ogen wat agressiever te modelleren.

En natuurlijk sporten: de nieuwe religie van de hedendaagse mens. Krachttraining moet voor bredere schouders en een gespierd lijf zorgen. Het ultieme doel: de sixpack. Wie de sixpack kan laten zien, bewijst pas echt dat hij een man is. Es lebe die Körperkultur!
De tradwife draagt inmiddels kleding die geïnspireerd is op de jaren vijftig. Volgens mijn bronnen heet dat de cottagecorestijl: bescheiden, veel jurken en rokken, vaak wijd uitlopend of halverwege de kuit, zodat de taille extra wordt benadrukt.

En zo ben ik weer terug bij af. Jaren vijftig, jaren twintig. Daartussenin leefde ik in een vrije wereld, waar de ene feministische golf over de andere rolde. Waar de jaren zestig ons bevrijdden van die benauwende jaren vijftig. Oh happy days! The times they are a-changin’!
Het liep helaas net even anders. De wereld was net negen jaar bevrijd van Hitler toen ik werd geboren. En nu ik in de eindfase van mijn leven zit, hebben we weer te maken met zo’n gek in Amerika. Ik heb mooi mazzel gehad dat ik de ellende van de jaren vijftig grotendeels heb kunnen vermijden. Jammer dat ik er in mijn laatste jaren weer mee te maken krijg. Ik had het graag anders gezien.

Nog even over de sixpack. Voor mij staat het symbool voor domheid. Hoeveel tijd heb je met die stomme fitnessapparaten doorgebracht om je spieren zover te krijgen? Wat zonde van de tijd. Uren, dagen, weken niet nadenken — alleen maar zweten. Tijd waarin je ook een boek had kunnen lezen, man.

O, sorry, een boek? Een boek is een bundel papier, bijeengehouden door een kaft en daar staan dan verhalen in die je in andere werelden brengen waardoor je de wereld en jezelf beter leert kennen. Je kunt je er prima mee vermaken en het fijne is dat je er ook veel van leert. In bijna elke stad vind je wel een winkel waar je boeken kunt kopen. Nee, als je een boek leest, kun je niet werken aan je sixpack. Ja, inderdaad, het is kiezen of delen.

Journal d’images

Bad luck

Dinsdag 19 mei, Delft

 

Niets belangrijker dan de lichamelijke staat. Vroeger dacht ik niet na over mijn gezondheid. Alles deed het prima, dus waar zou ik mij druk over maken? Naarmate je ouder wordt, gaat die lichamelijke staat toch een puntje worden.

Ik heb het aan mijn ouders gezien. Je geluk en je vrijheid zijn doorslaggevend afhankelijk van je gezondheid. Dus ik doe mijn best om die lichamelijke staat in conditie te houden. Gelukkig heb ik een hond — een border collie nog wel — en ik weet zeker dat hij levensverlengend voor me is. Gemiddeld loop ik elke dag zo’n acht kilometer. Zonder Dies zou ik een zittend bestaan leiden. Geen zin om hem uit te laten, wat meestal het geval is? Dies dwingt mij met zijn ogen op te staan en mee te gaan. Een border collie zorgt er zelf voor dat hij aan zijn trekken komt.

Daarnaast ga ik twee keer per week naar de sportschool. En dat met de grootst mogelijke tegenzin. Ik vind dat getrek en geduw aan toestellen helemaal niks. Daar komt bij dat ik lid ben van een soort seniorenclub. Dat betekent dat ik om mij heen een en al krakkemikkigheid zie. Het is allemaal weinig inspirerend. Ik heb het geluk dat die sportschool onder mijn huis zit. Ik hoef alleen maar de lift te nemen en ik sta tussen die apparaten. Als ik ervoor naar buiten had gemoeten was ik al lang gestopt.

Denk niet dat ik de illusie heb dat ik door al dat gedoe gezond leef. Ik leef gezond, maar dat biedt geen enkele garantie dat je je veilig kunt wanen. Altijd dreigt de bad luck. Overal kan zich zomaar kanker ontwikkelen, kunnen organen het begeven, dreigt een bloedprop of het springen van een ader. Ik laat mij nooit voorstaan op mijn gezondheid. Uit ervaring weet ik dat je van de ene op de andere dag, zonder waarschuwing vooraf, in het ziekenhuis kunt belanden en in een poel van lichamelijke ellende verzeild kunt raken. Ons zwaard van Damocles is: bad luck.

Het enige wat je kunt doen, is ervoor zorgen dat je het verval zo min mogelijk kans geeft. Zo laat ik elk jaar mijn bloed onderzoeken. Elk jaar haal ik opgelucht adem als de bloedwaarden weer goed zijn. Desalniettemin knaagt het ouder worden aan het lijf en heb ik pilletjes nodig om cholesterol en bloeddruk te beteugelen. De laatste keer was mijn suikerwaarde te hoog. Maar vanmorgen bleek dat ik die waarde door gezonder te eten toch heb kunnen terugdringen. Zo blijf je bezig.

Dat is mooi, maar ik schrijf het met tegenzin op. Een kwestie van bijgeloof. Snoef nooit over je gezondheid, geef nooit hoog op over je lichamelijke conditie. Het zegt uiteindelijk helemaal niks. Ik heb de gezondste mensen onverwacht zien wegglippen. Good luck wordt, voordat je het weet, bad luck.

Journal d’images

Principieel mens

Maandag 18 mei, Delft

 

In het vorige decennium werkte ik interim bij de OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam). Ik was daar onder andere om nieuwe concepten voor een bibliotheek te verzinnen. Het was de tijd dat Airbnb opkwam en iedereen nog tamelijk enthousiast over deze dienstverlening was. Het zou de wereld dichter bij elkaar kunnen brengen, dacht men.
Zouden wij als bibliotheek een manier kunnen vinden om samen te werken? Na een uitnodiging van een hoge dame uit San Francisco, die toevallig in Europa was, gingen we met haar in gesprek. Absoluut een aangenaam gesprek. We vonden best wat manieren om samen te werken.

Maar in dezelfde tijd werden er in Amsterdam, maar ook in de rest van de wereld, best wat vragen gesteld over het bedrijf. Het werd duidelijk dat het bedrijfsconcept van dit Amerikaanse bedrijf kostbare ruimte aan de woningmarkt onttrok ten behoeve van het toerisme. In de stad verscheen de ene na de andere Airbnb-locatie. Buren werden geteisterd door ratelende rolkoffertjes en dronken toeristen. Er werden de eerste maatregelen genomen om de boel enigszins in te perken.
Ons aanvankelijk enthousiasme bij de OBA verdween al snel door de terechte kritiek op het fenomeen Airbnb. Een tweede afspraak is er nooit van gekomen.

Ik moest er weer aan denken omdat we in Athene in een Airbnb-appartement zaten en ik in de stad zag dat daar nooit maatregelen zijn genomen tegen het explosief groeiende Airbnb. Overal aan muren en traliewerk waren sleutelkluisjes bevestigd waarin de sleutels van Airbnb-gasten lagen. Wij hadden er ook een. De juiste cijfercode intoetsen en dan ging een klein kastje open waarin de sleutel lag. Perfect systeem. De stad hangt er vol mee.

Ons appartement was tiptop. We hadden er zo in kunnen gaan wonen. Alles compleet ingericht, niet veel ruimte, maar alles was er, van slaapkamer tot badkamer en een compleet geoutilleerde keuken. En dat alles was onlangs keurig opgeknapt. Het kan niet anders dan dat hier tot voor kort nog gewone Atheners hadden gewoond.

En dan nu het principiële aspect. Blogger, waarom ga je in zo’n appartement zitten als je de kwade gevolgen kent? Het eerlijke antwoord is dat ook mijn vrouw en ik opportunisten zijn. Ik ben veel minder principieel dan ik misschien op het eerste gezicht lijk. Het was een mooi appartement, en, erg belangrijk, niet eens zo duur. Ja, dan zijn Wyb en ik al snel verkocht.

Eenmaal thuis beland ik opnieuw in principiële discussie met mijn vriend B. Ik zeg hem dat ik afgelopen week in Athene ben geweest en dan weet ik zijn reactie al: ‘En over chagrijnig gesproken, sommige mensen worden ook ontzettend chagrijnig van al dat gevlieg.’ Waarop ik weer zeg dat ik enige krediet heb als het om mijn voetafdruk op deze aarde gaat omdat ik geen biologische kinderen op de wereld heb gezet. Waardoor hij altijd weer pissig wordt. We zijn een repeterende plaat.

Nou ben ik helemaal geen liefhebber van vliegen, zoals ik dat ook niet van Airbnb ben, maar ja, beide zaken maken het de mens wel gemakkelijk. De lezer merkt: ik ben niet in de wieg gelegd als principieel mens. Mijn vlees en geest zijn zwak.

Over dat appartement zelf niets dan goed. Maar op de dagen dat we er waren, moesten we er ’s nachts wel een paar keer uit om ons bed weer opnieuw op te bouwen. Als Wyb te veel bewoog, vloog aan haar kant de lattenbodem uit elkaar en moesten we met onze slaperige koppen alles weer in elkaar zetten. Op zich zijn wij dat gewend, want bij een vorig eigen bed, jaren geleden, gebeurde hetzelfde. Deze bedden zijn volgens mij speciaal door IKEA ontwikkeld om het aantal geboortes te beperken.

Journal d’images

Influencer

Zondag 17 mei, Delft

 

Je zou kunnen zeggen dat Anne (dochter) mij ontdekt heeft. Al sinds de uitvinding van de iPhone richt ze zo nu en dan haar camera op me, stand op video, en begint ze me vragen te stellen. Zomaar, voor de gein. Soms geef ik serieus antwoord. Soms lul ik maar wat raak. Inmiddels moet ze wel uren aan materiaal van die ‘interviews’ hebben.

In december, vlak voordat ze op sabbatical ging, richtte ze opnieuw de camera op me en vroeg me of ik nog tips of adviezen had voor haar reis. En ik begon haar quasi belerend toe te spreken wat ze wel of niet moest doen. Voor het eerst zet ze het filmpje op haar Instagram en verdomd: 240.000 mensen kijken ernaar. Dat ging bovendien gepaard met een heleboel commentaar en twaalfhonderd likes.

Grappig, vond ik wel. Anne kreeg de smaak te pakken. Ze had nog nooit zoveel volgers erbij gekregen. Vader praat met dochter aan de eettafel, en het blijkt zowaar aan te slaan.
We praten over ouderliefde in relatie tot adoptie: 128.000 kijkers, 228 reacties, 2300 likes. Een gesprek over Anne’s opvoeding, over wat ze allemaal wel niet mocht: 130.000 kijkers, 1100 likes, 148 reacties. Bij veel van die reacties kreeg ik op mijn donder omdat ik veel te streng voor Anne ben geweest en waarom ik haar ‘dwong’ naar de VPRO te kijken.

Eerlijk gezegd geniet ik er wel van. Een nieuwe wereld gaat open. Zet daar mijn geblog nou eens tegenover. Elke dag weer een blogje schrijven, en al jaren leef ik een totaal marginaal bestaan met enkele tientallen lezers. Maar och, dan heb ik het alleen over het bereik. Het genot van het schrijven gaat ver boven het plezier van het chitchatten uit, al is het erg leuk om dit met je dochter te doen. Opeens hebben we een gemeenschappelijke hobby. Inmiddels hebben we een stuk of tien van die filmpjes op Instagram gezet. Wie had ooit gedacht dat wij samen nog eens een digitale samenwerking zouden aangaan?

Blijft de vraag voor mij: waarom vinden sommige mensen dit leuk? Ik kan een paar redenen bedenken. Reden 1: wanneer zie je op Instagram nou een vader met een dochter praten? Zoveel op Instagram is gelikt, bedacht, op effect gemaakt. Wij zitten gewoon op de bank gesprekjes te voeren die elke vader en dochter met elkaar voeren.
Reden 2 noem ik het boomer-effect. De filmpjes slaan vooral aan bij mensen in de bubbel van Anne. Als ze aan het scrollen zijn, komen ze zelden een boomer tegen. En nu zit daar opeens een ouwe lul met zijn dochter te praten. Ik vermoed dat het voor hen ook een soort freakshow is, met mij in de rol van freak.
Reden 3: omdat het van die doodgewone gesprekjes zijn, kan iedereen er wel wat van vinden. We zetten, hoe licht en onbedacht ook, toch een referentiekader neer waar je een mening over kunt hebben en die ook nog eens kunt uiten. Vinden mensen, denk ik, ook leuk.

Aan mijn eigen vriendenkring en netwerk gaat dit volledig voorbij. Welke boomer zit er nou op Instagram? Toch helemaal niemand. Voor hen blijf ik lekker mijn blogjes schrijven. Anne zegt dat ik nu een influencer ben. ‘Ik ben toegetreden tot het gilde der influencers,’ zeg ik. Gilde en influencer, dat is nou een anachronisme.

Anne noteert tegenwoordig ook de woorden die ik heb meegenomen uit de jaren vijftig, zestig en zeventig, zoals ‘ammehoela’, ‘je ziet er blits uit’, ‘dat is zo’n tang’ en ‘jouw kostje is gekocht’. Ze kan er ‘gilde der influencers’ bijschrijven. Wie gebruikt dat nou nog in 2026?

Journal d’images

Old leftie

Zaterdag 16 mei, Delft

 

Als ik in Athene zou wonen, zou ik vast vaak in de National Garden zitten. Als stadszwerver weet ik hoe belangrijk stadsparken voor een stad zijn. De National Garden is een statig stadspark, keurig onderhouden, compleet met een vijver voor schildpadden. Ik zou vaak met een boek op een bankje in de schaduw gaan zitten. Of koffie drinken in het stadspaviljoen van het park.

De leukste parken heb ik in China gezien. Bijna elk park in China is leuk, want het zijn levendige ontmoetingsplaatsen. Er wordt gedanst, muziek gemaakt en mensen zitten op terrassen, wonderlijk genoeg vaak met een vogelkooitje. Op die manier laten ze hun vogeltjes uit. Als je een Chinees park ziet, zou je bijna denken dat China een vrolijk land is.

Wyb en ik lopen door de National Garden en komen uit op de laan waar het presidentiële paleis staat. Omdat we met een grote boog door het park wandelen, zien we het paleis niet. We komen uit bij een kazerne waar een rekruut zich onder het toeziend oog van zijn commandant de choreografie eigen maakt voor de erewacht van het paleis. Het is een mallotig ritueel: veel macho gestamp met stalen schoenen en waarbij de benen zo hoog mogelijk worden opgeheven. Dat alles in een middeleeuws pakje. Hier erewacht zijn lijkt me een bullshit job van het ergste soort.

Eerst lopen we door de chique wijk van Athene. Het rijke Athene schurkt zich tegen de president aan. Dames lopen rond met dure Hermès-tassen en zonnebrillen van Dolce & Gabbana en Cartier. Ze lijken allemaal op weg naar de kapper, want de salons zitten allemaal vol. Het aantal Porches dat langskomt, staat in schril contrast met de oude meuk die voor ons appartement staat geparkeerd.
Alles is hier keurig. Het meest karakteristieke aan een dure buurt zijn de bomen. In groep acht leerde mijn onderwijzer, meneer Oosthout, mij dat rijke mensen altijd bij bomen wonen. ‘Let maar op,’ zei hij. ‘Waar rijken zijn, zijn bomen.’ Sindsdien let ik erop en weet ik dat hij ons toen een nuttige les gaf.
Alles in deze wijk is gaaf en afgerond. Zelfs in de straten zitten geen kuilen; de stoepen zijn egaal en dat hebben we in Athene nog niet gezien. Alles is er zo keurig dat er niets valt te fotograferen: alles is even correct. Meneer Oosthout had er eigenlijk ook bij moeten vertellen dat rijke buurten dodelijk saai zijn.

Wyb en ik zijn op weg naar een totaal andere wijk: Exarcheia. In ons reisgidsje staat: ‘Exarcheia is een ruige en beruchte wijk die bekendstaat om haar kraakpanden, fanatieke anarchisten en enorme hoeveelheden graffiti. De wijk biedt een fascinerende mix van studenten, creatievelingen, immigranten, old lefties en intellectuelen, tegen een achtergrond van straatkunst en oproerpolitie.’ Ik sla meteen aan op het woord old leftie.’ Ik had de term nog nooit gehoord, maar ik herken me er meteen in.

Ik heb nog nooit een wijk gezien die zo is ondergekalkt; het lijkt of een regiment drie-jarigen met spuitbussen op de muren is losgelaten. Het niveau van kladderen wordt slechts hier en daar overstegen.
In elke straat zit wel een boekhandeltje waar een old leftie hoopt te overleven met een antiquariaat dat volgestouwd is met boeken.
Wij voelen ons er meteen thuis. Alles vraagt erom gefotografeerd te worden.

Journal d’images

Stadsjutten

Donderdag 14 mei, Delft

 

‘En als we op safari gaan in een of ander wildpark in Zuid-Afrika, ga je dan mee?’ vraagt Anne als we het weer eens over mogelijke reisdoelen hebben.
‘Oh nee, moet ik niet aan denken. Al dat gehobbel in een Landrover op zoek naar een groepje slapende leeuwen. Ik moet er niet aan denken. Gaan jullie maar lekker alleen.’
‘Wat ben jij blasé, zeg.’
‘En als je die leeuwen dan eindelijk hebt gevonden, staan er binnen de kortste keren vijf Landrovers rond die leeuwen, vol met toeristen met van die toeters van telelenzen. Vreselijk. En dat allemaal voor het authentieke gevoel: de leeuw in het wild. Bovendien heb ik die Big Five allang gezien.’
‘Waar dan?’
‘In Burgers Dierenpark in Arnhem. Het zijn machtige dieren, hoor.’
‘Zo flauw.’
‘Maar wil je dan nergens meer heen?’ vraagt Wyb.
‘Natuurlijk wel, dat weet je ook wel. Als we naar een grote stad gaan, ga ik onmiddellijk mee. Maar ik heb inmiddels zoveel prachtige landschappen in mijn leven gezien. Ik hoef echt niet nog meer natuur. Er is genoeg natuur om mij heen: het Delftse Hout, de bossen in Cadouin. Ik wil alleen nog door grote steden zwerven.’

De afgelopen vijf dagen kwam ik aan mijn trekken: Athene. Wyb en ik lopen een aantal stadswandelingen die we van internet hebben gedownload. Geen idee wat we tegenkomen, en dat is de bedoeling. Een camera binnen handbereik, eindeloos lopen, geleid worden door het toeval. Stadsjutten, noem ik dat. Bij uitputting een terrasje. Tussendoor een lunch. Waartoe zijn wij op aarde? Wat mij betreft hiervoor.

We lopen langs de bibliotheek van Hadrianus (132 n.Chr.). Geen boek meer te bekennen. Alleen veel gebroken zuilen. Hier en daar staan de resten van een galerij nog overeind.
Tegen het hek zit een man op een typemachine te tikken. Voor hem een karton met daarop de tekst: ‘Writing a book in the most beautiful places of Europe! Ring for a page’. Naast hem liggen een aantal A5’jes die je tegen een kleine bijdrage kunt kopen.
‘Je bent de eerste straatschrijver die ik tegenkom,’ zeg ik tegen hem.
‘Ik combineer mijn twee passies: reizen en schrijven.’
‘Slim,’ zeg ik.
‘Deze dingen zijn best zwaar,’ zegt hij en hij streelt zijn typemachine. ‘Ik moet hem overal mee naartoe zeulen. En er zit geen autocorrectie op.’
‘Ik weet er alles van,’ zeg ik. ‘Ik heb veel op die dingen gewerkt. Typemachines, ik ben er gek op.’
‘Maar typemachines zijn heel oud,’ zegt zijn vriendin die ernaast zit. Alsof ik niet oud ben.
‘Het boomer-tijdperk,’ zeg ik. ‘Schrijf je fictie of non-fictie?’
‘Het is begonnen als non-fictie. Langzaam is het fictie geworden.’
Ik kan me niet voorstellen dat je tussen die toeristendrukte lekker kunt schrijven.
‘Veel succes,’ zeg ik en ik loop door.

Terwijl we verder lopen bedenk ik dat ik niet eens een bladzijde van hem heb gekocht. Wat waardeloos van me. Een beetje solidariteit was op zijn plaats geweest. Wyb en ik lopen terug om alsnog een A5’je te kopen. Ik ben wel benieuwd wat hij schrijft. Maar terug bij de bibliotheek van Hadrianus is hij nergens meer te bekennen.

De dagen daarna lopen we nog diverse keren langs de plaats waar hij zat. De straatschrijver laat zich niet meer zien. Zijn plek is overgenomen door sieradenverkoopsters en straatmuzikanten.

Journal d’images

Vliegen

Dinsdag 5 mei, Delft

 

Gebruikt iemand nog weleens het woord ‘held’? Ik kan me niet herinneren dat ik het zelf onlangs heb gebruikt of dat ik het iemand heb horen zeggen. Bestaan er nog helden? In mijn kennissenkring komen ze in ieder geval niet voor. Helden zijn toch meer iets uit sprookjes en stoere oorlogsverhalen uit de jaren vijftig. Wie levert nou nog een heroïsche, bovenmenselijke prestatie? Ik ken ze niet. Of liever gezegd: ik kende ze niet.

Want sinds dit weekend weet ik dat je voor echte helden het best in het vogelrijk kunt zijn; daar komen ze nog voor. In de Volkskrant stond afgelopen zaterdag een mooi artikel over de vogeltrek en hoe we daarover steeds meer te weten komen door vogels te zenderen.

Een citaat uit het artikel: ‘Ronduit spectaculair bleek de Noordse stern. Onderzoekers hadden in de zomer van 2011 een exemplaar uit een Groningse kolonie voorzien van een datalogger. Een jaar later konden zij aflezen welke reis hij had afgelegd. Die ging van Groningen via Nieuw-Zeeland naar de Zuidpool, en met omtrekkingen weer terug. Al met al een afstand van zo’n 90.000 kilometer, meer dan tweemaal de aarde rond, in 273 dagen.’
Het was voor het eerst in jaren dat het woord ‘held’ mij spontaan inviel — Homerus is er niets bij.

Wat mij betreft verdient een rosse grutto hetzelfde predicaat. Hij vloog tijdens de trek van de Amerikaanse staat Alaska naar Auckland in Nieuw-Zeeland in slechts elf dagen meer dan 12.000 kilometer, zonder één tussenstop.
En dan te bedenken dat zo’n trek vol bedreigingen zit. Overal loeren plaatselijke roofvogels en levensgevaarlijke weersomstandigheden. En laten we de mens niet vergeten: het roofdier bij uitstek, dat windmolens bouwt en het klimaat doet veranderen waardoor vogels hun trek moeten aanpassen.

Elke dag vliegt er wel een lepelaar langs ons huis — een mooie vogel. Afgelopen weekend kwamen we erachter dat liefst acht lepelaarspaartjes een paar honderd meter van ons huis nestelen in een ondoordringbaar bosje. Vrij zeldzaam in Nederland; de kolonie trekt dan ook tientallen vogelaars, waaronder Wyb en ik. Wat mij betreft zijn de ouders van lepelaarsjongen ook helden. Die hebben wat te verduren, hoor. Voortdurend hangen ze aan de bek van de ouder om voedsel te schooien. Een huilende peuter die op de grond ligt te janken bij Albert Heijn omdat hij zijn zin niet krijgt, is er niets bij.

Nu we het toch over vogels hebben. Ook Wyb en ik gaan vliegen. Aanstaande donderdag vertrekken we voor vijf dagen naar Athene. Morgen breng ik Dies naar Kollum, naar Anneke. Volgens mij vindt hij dat helemaal niet erg. Donderdag vliegen we dan uit Nederland. Ik neem mijn laptop mee, maar ik weet niet of je een blogje zult ontvangen. Ik heb besloten dat bloggen de komende dagen mijn laagste prioriteit heeft. Het lijkt me namelijk goed om even afstand te nemen van al dat geschrijf; meestal werkt dat louterend.

Journal d’images

Vloedgolf

Maandag 4 mei, Delft

 

Gisteren zag ik, heel even — was het in het Journaal? — een geschiedenisleraar die zijn verontrusting uitsprak over het nepnieuws waar hij in de klas mee te maken krijgt, en waar je als geschiedenisleraar zo onmachtig tegenover staat.

Hij noemde als voorbeeld de totaal verkeerde informatie waarmee jongeren zijn klas in komen. Zo was er een jongen die er vast van overtuigd was dat er slechts 300.000 Joden in de Tweede Wereldoorlog zouden zijn vermoord. Het werkelijke aantal van zes miljoen, daar was hij van overtuigd, was nepnieuws. Hoe hij dat wist? Filmpjes op TikTok en YouTube waren daar duidelijk over. De mainstream media en de wetenschap waren niet te vertrouwen.

Arme leraar. In feite was hij niet met leren bezig, maar met afleren, bedacht ik. Als het over geschiedenisleraren gaat, voel ik meteen empathie. Het had niet veel gescheeld of ik had dat vak zelf veertig jaar uitgeoefend. Ik had een keurige fulltime baan, een vaste aanstelling — wat wil een leraar nog meer?
Drie maanden heb ik het gedaan, en toen kon ik gelukkig ontsnappen door over te stappen naar de culturele sector. Al tijdens mijn opleiding was mij duidelijk geworden dat ik absoluut niet het onderwijs in wilde. Het gezever in lerarenkamers: vreselijk. Een klas vijf, zes keer per dag bij de les houden: ook vreselijk. Ik dacht alleen maar: ik wil iets nuttigs doen. Dat neemt niet weg dat ik sympathie voel voor mijn ex-collega’s.

En dan te bedenken dat ik in mijn leraarsbestaan misschien nog de social media had moeten meemaken. Arme leraren. ‘Flood the zone with shit,’ propageert de MAGA bende. Nou, dat merken we elke dag.
Mijn eigen social mediakanalen vullen zich het afgelopen jaar steeds meer met AI-troep. Is die foto nou echt, of is het met een prompt gemaakte troep? Gisteren paradeerde Trump als homo in diverse filmpjes over mijn scherm. Leeuwen vechten met krokodillen. In een concentratiekamp danst een meisje prachtig. Trump wordt Jezus. Flood the zone, zodat niemand meer weet wat echt en wat onecht is, nieuws is of nepnieuws, waarheid of leugen. Creëer de chaos.

Ik lees momenteel in het laatste deel van Knausgård hoe het nationaalsocialisme uiteindelijk aan de macht kwam. Net als bij MAGA is dat ‘gewoon’ via de democratische weg gegaan — wat een overeenkomsten tussen toen en nu. Flood the zone bestond tachtig jaar geleden ook al, waarheid werd leugen. Naast de werkelijkheid werd een parallelle werkelijkheid gecreëerd, die uiteindelijk de echte werkelijkheid overnam.

Zelfs de taal werd gekaapt woorden kregen een andere betekenis en natuurlijk werden er weer gemeenschappelijke vijanden en gevaren gecreëerd — een populist kan niet zonder. Als ik het lees, lijkt het op de huidige situatie in Amerika. Twee druppels water; het is om te janken. Kennis, rationeel denken, waarheid, ze betekenen niets voor mensen, toen niet, nu niet.

Elke populist weet dat het om het gevoel gaat, het creëren van sentiment. Steve Bannon, Geert Wilders, ze zijn allemaal schatplichtig aan Mein Kampf, dat is me door Knausgård duidelijker dan ooit. Flood the zone, zodat de vloedgolf uiteindelijk het systeem vernietigt. Easy peasy: geschiedenisleraren zijn saai — waarom zou je ouwe koeien uit de sloot halen? Altijd dat politiek correcte. We bepalen zelf wel wat belangrijk is, ik koop gewoon een hoodie.

Ja, de geschiedenisles is weer voorbij. Jullie kunnen gaan, fijne dag verder.

Journal d’images

De schoonheid van de wereld hangt af van je kijken.

Uitje

Zondag 3 mei, Delft

 

Wat zie ik eigenlijk als ik door een stad loop? Veel minder dan ik denk te zien, kwam ik gisteren achter.
Wyb had voor deze zonnige zaterdag een uitje bedacht. Ik ben gek op uitjes, maar ben slecht in het bedenken ervan. Dat komt waarschijnlijk doordat thuis me altijd het meest trekt. Ik denk eigenlijk nooit: laat ik eens een uitje bedenken. Wyb gelukkig wel.

Zo was Wyb op de hoogte van het bestaan van het Tramhuis in Rotterdam. Ik had er nog nooit van gehoord, terwijl ik er toch, zo bleek, vaak was langsgelopen. Het Tramhuis staat op een van de drukste punten in de stad en zal vroeger wel iets te maken hebben gehad met de vele trams die er nog steeds volop langsrijden. Nu is het de plek voor stadswandelingen. Het is hun doel Rotterdammers en bezoekers aan te moedigen de stad te voet te ontdekken. Om dat te stimuleren maken ze kekke apps en boekjes. Niks duffe VVV of stadswinkel, het is een centrum dat de verhalen van de stad al wandelend wil laten zien.

Wyb stelde voor om de app Kunst op straat te lopen. ‘In deze wandeling neemt de internationaal bekende, Rotterdamse kunstenaar Joep van Lieshout je mee langs zijn favoriete kunstwerken in de stad. Hij laat je kunstwerken zien waar je anders misschien zomaar aan voorbij zou lopen,’ schrijft het Tramhuis. Nou, dat mag je wel zeggen.

Ik heb een jaar in Rotterdam gewerkt en liep in de eerste helft van dat jaar best veel door die stad te dolen; alleen de eerste drie nachten in een hotel zijn leuk, daarna is het strontvervelend om weer op zo’n kamer te zitten. Daarom reisde ik de tweede helft dagelijks van Dwingeloo naar Rotterdam en terug. Best te doen als er een directe verbinding is.

Joep van Lieshout leidt ons via plekken die ik wel ken, maar nooit goed heb gezien, door de stad, langs kunstwerken die me vaak helemaal niet zijn opgevallen. Echt: schande. En dat voor iemand die zichzelf fotograaf noemt.

Neem het kunstwerk No matter try again fail again fail better op de Westersingel. Kunstenaar Job Koelewijn schrijft deze woorden in het water. Met bubbeltjes die van onder het water komen is de tekst vanaf de kant leesbaar. Prachtig. Hij vatte het water in de gracht op als een onbeschreven blad waarop je woorden kunt schrijven. Net zoals ik vroeger wel eens probeerde met een stok in het water te schrijven. Hem is het dus gelukt. Bijna dagelijks kwam ik er langs: nooit gezien. Komt misschien ook omdat de gracht een beetje lager ligt dan het straatniveau.

Nooit gezien. Hetzelfde geldt voor de zilveren megafoon — of is het een roeptoeter? — die in een vitrine voor het stadhuis van Rotterdam staat. De titel van dit werk: It’s Never Too Late to Say Sorry Het mooie is dat de megafoon nog altijd wekelijks wordt gebruikt. Elke woensdag om 12 uur komt er iemand — een voormalige postbode, is mij verteld — die de megafoon uit de vitrine haalt en dan de woorden It’s never too late to say sorry over de Coolsingel laat klinken.

Wyb en ik genoten met volle teugen. Jammer dat Dies er niets aan vond. Hij sjokte verveeld achter ons aan. Ik probeerde af en toe nog uit te leggen waar we naar keken, maar hij had geen enkele belangstelling. Hij kwam pas tot leven toen hij op het Schouwburgplein een stok vond die kinderen steeds voor hem weggooiden. Toch fijn dat wij mensen de kunst hebben om van te genieten.

Journal d’images

Pang pang

Zaterdag 2 mei, Delft

 

Jarenlang beweerden met name VVD politici dat het Nederlandse leger bij oefeningen te weinig munitie had en dat militairen heel hard ‘pang pang’ moesten schreeuwen om toch een beetje de illusie van munitie te hebben. Ik heb het altijd als een truc beschouwd om het defensiebudget wat opgekrikt te krijgen.

Ik moet toegeven dat ik nu aan die mening begin te twijfelen. Eén ding is zeker: het Nederlandse leger heeft nu wel munitie tot zijn beschikking en krijgt nog veel meer munitie. Het feestje is nog maar net begonnen. De goodwill voor het leger neemt hand over hand toe: op naar de 5%-norm van de NAVO. En kijk wat er gebeurt, er is nu echte munitie en het ene na het andere oefenterrein vliegt in de fik. In de tijd dat ze nog pang pang moesten roepen is dat nooit gebeurd. Het is ff wennen, dat schieten met echte munitie.

Wie rijk wil worden, moet aandelen in het militair-industrieel complex kopen. Het geld klotst daar tegen de muren. Voor de liefhebber enkele cijfers. De totale mondiale militaire uitgaven bedragen momenteel bijna 2.500.000.000.000 euro (2.500 miljard dus). De wapenhandel steeg in 2025 tot ongeveer 190 miljard dollar, 6% meer dan in 2024. De marktwaarde van het Duitse bedrijf Rheinmetall is sinds 2022 explosief gestegen, namelijk met 1500%.

Wie zijn aandelen duurzaam blijft beleggen, is een dief van zijn eigen portemonnee. Wat mij betreft: liever een dief dan mijn geld zou beleggen in het militair-industrieel complex. Ondanks dat ik best voor de versterking van Europa ben, en als belastingbetaler ‘graag’ meebetaal aan de verdediging van Europa, blijf ik diep van binnen een pacifist. Het zijn moeilijke tijden voor pacifisten. Bestaan ze eigenlijk nog? Ik heb de mijne diep weggestopt. Mijn pacifist is zo’n uitgerangeerde mafkees-idealist.

Maar het zijn natuurlijk allemaal keuzes. Zet die militaire kosten af tegen de armoe en de honger in de wereld en we hebben alle recht om ons te schamen. Jaarlijks sterven er 3,1 miljoen kinderen onder de vijf jaar aan ondervoeding. De waanzin van die militaire kosten wordt veroorzaakt door de waanideeën van twee landen en hun vertegenwoordigers: Trump en Poetin. Hoe kan het dat twee mensen de wereld meesleuren in de waanzin? Dat altijd het slechte wordt opgezocht en nooit het goede? Dat het altijd de primitieve drijfveren van het alfa-mannetje zijn?

Het is toch eigenlijk onmogelijk om geen misantroop te worden? Hoe kunnen we ons teweerstellen tegen het gif dat de staat Israël verspreidt? De wispelturige gekte van de Amerikaanse leider, die is blijven steken in het kleuterstadium? Hoe kunnen we ons uit de greep van de psychopaat Poetin bevrijden?

En tussen al die gekte zit ik me druk te maken over de pacifist in mij. Die natuurlijk allang is doodgedrukt. Je wordt verdomme gedwongen om mee te denken, te reageren op die krankzinnigheid van de macht, de taal van de wapens. Met z’n allen zijn we aan het wankelen, op zoek naar evenwicht. Ik wankel gewoon lekker mee. Maar met het weinige geld dat ik heb, ben ik liever een dief van mijn eigen portemonnee dan een moordenaar in dienst van de waanzin.

Journal d’images

Schuldgevoel

Vrijdag 1 mei, Delft

 

Tweeëntwintig jaar geleden kochten Wyb en ik een kunstwerk van de Friese kunstenaar Peter van Houten in Dokkum. Het kunstwerk bestond uit drie langwerpige schilderijtjes van hetzelfde formaat. Op het eerste schilderijtje zie je een Fries landschap met negen boompjes op de horizon, op het tweede staan tien grotere bomen en die bomen gaan op het derde schilderijtje over in een bomenrij op die horizon die uiteindelijk voor een boerderij blijkt te staan. De drie schilderijtjes wekken de suggestie dat je in een trein zit, naar buiten kijkt, en het landschap voorbij ziet razen. Dat is tenminste de gedachte die wij erbij hebben.

De drie paneeltjes hebben inmiddels in Den Bosch, Meppel, Dwingeloo, Saint-Hippolyte-du-Fort, Groningen, Cadouin en nu dus in Delft gehangen. Altijd op een prominente plek, want Wyb en ik zijn gehecht aan het kunstwerk. Op deze manier is het Friese landschap toch altijd dicht in de buurt. Voor Wyb is het een prima middel om het heimwee naar Friesland enigszins te onderdrukken.

Toch kan ik nooit naar de drie schilderijtjes kijken zonder mij schuldig te voelen. Ik heb een heilig respect voor de autonomie van de kunstenaar, iedereen moet van kunstwerken afblijven: de politiek, de zedenmeesters en de commercie. Maar nu doe ik een bekentenis: wij hebben die autonomie niet gerespecteerd — in mij huist toch een cultuurbarbaar. Al tweeëntwintig jaar lang fluisteren de schilderijtjes het mij toe.

Wat is het geval? Het kunstwerk, deze verenigde landschapjes, bestond niet uit drie, maar uit vier paneeltjes. Wij kochten dus niet een kunstwerk, wij kochten in feite 0,75 kunstwerk. Wyb en ik waren meteen verliefd op de serie, maar toen wij vroegen hoe duur die was, vonden wij het verrekte prijzig. In die tijd hadden we nog te maken met de financiële naweeën van onze scheidingen. ‘Is het ook mogelijk om drie paneeltjes te nemen?’ vroeg ik, verliefd als wij op het kunstwerk waren — we moesten het hebben. Ik was ervan overtuigd dat de kunstenaar mij zou gaan uitfoeteren, ‘Hoe durf je zo’n voorstel te doen!’ Maar hij zei: ‘Ja, dat is prima, hoor.’

En zo namen wij eigenlijk een gemankeerd kunstwerk mee naar huis. Naarmate de jaren vorderden, nam mijn schuldgevoel toe. Zo erg, dat ik vorige week besloot Peter van Houten te bellen en te vragen of hij dat vierde paneeltje nog had. Hij zei dat hij mijn gezicht nog herinnerde en vroeg mij foto’s op te sturen, zodat hij in zijn atelier kon gaan zoeken.
Ik vertelde Wyb er niets over. Ik wilde haar op 21 juni met het ontbrekende schilderijtje verrassen als wij 25,5 jaar bij elkaar zijn. Ik zag de verbijstering al op haar gezicht: ‘Dat meen je niet. Hoe kom je eraan? En hoeveel heb je ervoor betaald?’

Gisteravond kreeg ik het volgende appje van de kunstenaar:

Beste Gerard, We hebben nav uw vraag over het schilderij het even nagekeken. Het was een serie van 5 schilderijen waarvan u er 3 heeft gekocht en een andere koper heeft de andere 2 gekocht. Helaas zijn er van die serie dus geen schilderijen meer. Ik hoop dat ik uw vraag zo voldoende heb beantwoord. Dank voor de belangstelling. Met vriendelijke groet

Vijf schilderijtjes? Ik kan het me niet herinneren. Volgens mij waren het er toch echt vier. Maar wat maakt het uit. De kunstenaar heeft beschikt; het maakte hem dus echt niet uit dat wij met onze indiscrete vraag het kunstwerk uit elkaar hadden gereten.
En hij heeft gelijk: met kopers zoals wij moet je pragmatisch omgaan, uiteindelijk heeft hij de volle mep gekregen.
Sinds vandaag kijk ik met veel minder schuldgevoel naar de drie schilderijtjes, misschien verdwijnt het wel helemaal. Zelfs met de autonomie van de kunst kan een kunstenaar flexibel omgaan, weet ik nu. Ik moet inderdaad gewoon wat minder principieel worden. Maar eigenlijk was ik dat al, gezien het feit dat ik drie in plaats van vijf schilderijtjes kocht. Ben ik dan toch gewoon een hypocriet?

Journal d’images

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2026