Dossiermoddergat.nl
gerardtonenblogtNieuw
Journal
Sportjournalist
Zondag 14 juni, Delft
Ongetwijfeld is sportjournalist zijn het meest nutteloze beroep dat er bestaat. Je schrijft over iets dat iedereen zelf heeft kunnen zien. Een wedstrijd is alleen interessant als hij wordt gespeeld. Alleen dan zit er een bepaalde spanning in. Als de wedstrijd is afgelopen en geëindigd met 3-2, dan weet je dat de partij met een 3 heeft gewonnen. De nieuwsgierigheid is bevredigd. Na een paar dagen is iedereen die wedstrijd vergeten. Wie leest nu nog het verslag van de wedstrijd Ajax – Feyenoord uit 1973? Of uit 2024? Totaal oninteressant.
‘Wat is jouw hobby?’
‘Ik ben gek op sport.’
‘En wat voor sport beoefen je?’
‘Ik vind het leuk om naar sport te kijken.’
‘Maar dan hou je niet van sport, dan ben je gewoon een luie bankzitter.’
Het is alleen leuk om zelf voetbal te spelen; ernaar kijken is iets heel anders.
Het nadeel van naar sport kijken is dat het zoveel tijd kost. Een voetbalwedstrijd duurt twee keer drie kwartier en dan zit er ook nog een pauze in van vijftien minuten. Dit tijdsbeslag is volstrekt onnodig. Als je al het gezeur tegen de scheidsrechter, het zinloze liggen op het gras en het tijdrekken ervan aftrekt, hoeft een wedstrijd niet langer dan twee keer twintig minuten te duren. En dan kan de pauze beperkt blijven tot vijf minuten. Voor tennis geldt hetzelfde: het duurt eindeloos. Met een andere puntentelling kan zo’n wedstrijd binnen een uurtje gepiept zijn. Kunnen we tenminste weer lekker in de tuin gaan werken of de auto wassen.
Ik begrijp wel waarom er zoveel aandacht is voor sport. Het gros van de mensen heeft überhaupt geen hobby en heeft geen idee wat ze moeten doen met hun vrije tijd. Sport is het opvullen van leegte, het bestrijden van verveling. Stel dat er geen sport zou zijn, al die verveelde mensen zouden eens gaan klieren. Zelfs de Romeinen wisten het al: brood en spelen houden het volk rustig.
Zelf vermoed ik dat sport een van de laatste stuiptrekkingen van de primitieve mens is. Vooral mensen die het tribale stadium nog niet voorbij zijn, houden van sport. Al die hooligans zijn eigenlijk een fenomeen uit de tijd dat wij nog jagers/verzamelaars waren en in stamverband leefden. Hoodie op en vechten met de rivaliserende stam. Het zal niet lang meer duren voordat iedereen inziet dat het allemaal zinloze opwinding is, niets voorstelt en slechts een tijdverdrijf is voor verveelde mensen die niet genoeg verbeeldingskracht hebben om zichzelf te vermaken.
‘En wat ging er door je heen toen je dat winnende doelpunt maakte?’ Zucht.
En dan het uitgebreid analyseren van een wedstrijd na afloop: dikbuikige ex-voetballers die gaan wauwelen over iets waar niets meer aan te veranderen valt. Een enkeling schijnt het nog interessant te vinden ook.
De sportjournalist: al voordat hij zijn verhaal opschrijft, is het geen nieuws meer en rijp voor de vergetelheid. Hoogstens wordt er dertig jaar later, gedragen door een opgeklopte verteltrant, een documentaire gemaakt voor Andere Tijden Sport. Hapklare brokken voor de bankzitter.
Journal d’images
Journal
De schitterende mens
Zaterdag 13 juni, Delft
Dadelijk, als dit blog af is, zal ik ChatGPT openen en vragen of hij het op spelling en eventuele andere fouten wil controleren. En Chat, ik noem hem inmiddels bij zijn voornaam, zal dat uitstekend doen. Als er dan nog een foutje in zit, dan is die volledig aan mijzelf te wijten omdat ik bij de correctie te slordig was.
Ik kan bijna niet meer zonder Chat. Daar baal ik van, want ik weet ook dat Chat het resultaat is van een enorme diefstal. De afgelopen tien jaar is er op grote schaal van alles gekopieerd. Alles wat enigszins van belang is — van muziek, films, beelden, teksten — is door de kopieermachines van AI gegaan.
Geen schrijver, schilder, filmmaker, acteur of componist heeft voor deze diefstal een vergoeding gekregen. Auteursrechten, de tech-jongens hebben er hun kont mee afgeveegd. Het is het jatten van onze totale cultuurgeschiedenis, zodat AI zijn werk kon gaan doen. Een afbeelding in de stijl van Van Gogh? Het is geen probleem: AI produceert het binnen een paar seconden. Goed beschouwd is de hele creatieve sector volledig geript.
Dit decennium zou weleens het decennium van de Great Robbery kunnen gaan heten. Een andere grote diefstal, dit keer op financieel gebied, vond gisteren plaats. De fascistoïde gek Elon Musk haalde 75 miljard dollar op door SpaceX naar de beurs te brengen. Het geld is nodig om de dromen van Musk te verwezenlijken: datacentra die door het heelal vliegen, een permanent ruimtestation op de maan en vooral: de trek van de mens naar Mars.
Even was ik bang dat ook mijn geld erin zou worden gestoken. Je weet nooit wat zo’n pensioenfonds gaat doen. Ze zeggen wel dat ik na de pensioenhervorming een eigen potje heb, maar ik heb geen idee waar ik dat potje kan zien of wat ermee gebeurt. Niet ik, maar het pensioenfonds mag er onveranderd mee spelen.
Ik werd enigszins gerustgesteld door te horen dat de grote institutionele beleggers zich nauwelijks aan deze beursgang waagden en dat het vooral de kleine beleggers waren die erin trapten. Niet omdat SpaceX zoveel waard is, of zoveel winst maakt — SpaceX heeft nog nooit winst gemaakt — maar gewoon omdat ze alle vertrouwen hebben in ‘het genie’ Musk.
Ik wil er graag een wedje over maken. Deze hele beursgang ruikt naar de tulpenmanie in de 17e eeuw en het drama World Online. Iedereen krijgt dollartekens in zijn ogen, het grote geld zal binnenstromen. Maar zoals tulpenbollen ook maar gewoon tulpenbollen bleken te zijn en World Online een zeepbel bleek, zo zal de kleine belegger, nadat de vijfde raket van SpaceX is geëxplodeerd en het te pletter vallen van de tweede ruimtecapsule op Mars met bemanning, berooid achterblijven en eindelijk doorhebben dat die Musk een ordinaire charlatan was.
Ik vind het onwennig te merken dat ik, als ongelovige, steeds meer sympathie voor de paus begin voelen. Onlangs bracht hij een nieuwe encycliek uit, Magnifica Humanitas, vrij vertaald als ‘De schitterende mens’. Daarin zegt hij: ‘Laat AI ons niet beroven van onze menselijkheid.’ Daarin neemt hij stelling tegen de tech-jongens, tegen de oorlog, en zeker tegen een oorlog die door AI wordt geleid.
En ik denk dat ook de paus vindt dat de mens gewoon met zijn poten op aarde moet blijven staan. Eerst hier maar eens de ellende oplossen, daarna zien we wel verder. Als het hier niet lukt, lukt het zeker niet op Mars. Sorry, kleine belegger. Maar dan had je je maar niet moeten laten naaien.
Journal d’images
Journal
Deze onkenbare zee
Vrijdag 12 juni, Delft
Ik schreef al een paar keer dat ik momenteel de romancyclus Mijn strijd van Karl Ove Knausgård lees. Ik heb nu twee delen gelezen, nog vier te gaan, in totaal 3678 pagina’s. Er wachten nu nog 2150 bladzijden. Ik weet niet precies waar ik dit leesavontuur mee moet vergelijken. Is het het beklimmen van een onherbergzame literaire berg? Is het een diepe duik in het leven van Knausgård? Ik kies voor de diepe duik. Zo weet ik nu al meer over de verhouding van Karl Ove met zijn vader dan over die met mijn eigen vader.
Knausgård is rücksichtslos: hij beschrijft alles wat hij in zijn leven tegenkwam, spaart niemand, zeker zichzelf niet. Alleen daarom al is het spannend om te lezen. Nooit las ik literair werk dat zo inzoomt op één leven.
Peter, van wie ik de boeken heb geleend, vraagt in een appje: ‘Ga jij die hele stapel Knaus in één ruk uitlezen? Dein Kampf?’
Ik denk het wel; zo had ik het tenminste voor ogen. De beker in één teug leegdrinken: ik denk dat ik zo het meest van zijn boeken geniet. Nadat ik, inmiddels jaren geleden, een deel had gelezen, was ik al van plan om de hele cyclus te lezen. Ik ben toen niet aan de andere delen begonnen, omdat ik een te druk leven had. Ik heb altijd gewacht totdat ik de tijd zou hebben. Nu heb ik die tijd.
Diepe duik of beklimming van een hoge berg: ik voel de behoefte om zo nu en dan, tussen al dat geknaus door, even stil te staan en adem te halen. Daarom heb ik de verzamelde haiku’s van Matsuo Bashō gekocht. Bashō was een Japanse dichter die leefde van 1644 tot 1694. De flaptekst zegt: ‘Zijn schijnbaar eenvoudige poëzie is doordrongen van natuurbesef en vergankelijkheid.’ En zo is het.
Bashō schreef haiku’s, een dichtvorm die ik graag lees. Deze gedichten bestaan uit drie regels met in totaal zeventien lettergrepen. Vijf lettergrepen in de eerste regel, zeven in de tweede en weer vijf in de derde. Eenvoudiger kan het eigenlijk niet. En uit alle verzen spreekt een achteloze aandacht voor de gewone dingen. Een haiku legt niet uit, beargumenteert niet, heeft geen versiering of onnodige frutsels. Desondanks roept een goede haiku een hele wereld op. Een voorbeeld van Bashō zelf:
Oude vijver.
Een kikker springt erin.
Geluid van water.
Deze haiku vangt een moment van absolute stilte, dat kort wordt doorbroken door de sprong van de kikker, waarna de rust weer terugkeert.
Maar deze haiku begint helemaal niet met een regel van vijf lettergrepen, en de tweede regel heeft er maar zes. Tegenwoordig wordt er inderdaad minder aan die strenge vorm gehangen, als de vertaling maar voldoet aan de geest van de klassieke haiku. Want de oorspronkelijke Japanse teksten kenden die strenge lettergreepindeling helemaal niet. Vaak werden de haiku’s zelfs op één regel geschreven.
Om een indruk van haiku’s te geven, zal ik hieronder vijf voorbeelden opnemen die wel voldoen aan die strenge indeling; het is de vorm waarin het Westen de Japanse gedichten heeft gegoten.
Forellen vliegen!
en onder in het water
varen de wolken.
Onitsura
Er staat geschreven:
geen bloesems plukken! Maar de
wind kan niet lezen.
Anoniem
Zo’n grote dauwdrop!
een mier blijft ervoor stilstaan,
geheel verbijsterd.
Bōsha (1897-1941)
Wat stukjes papier,
nadat zij was weggegaan;
eenzame dingen.
Senna (1650-1723)
O, dode moeder!
altijd als ik de zee zie —
als ik de zee zie.
Issa (1763-1827)
In alle eenvoud een wereld oproepen: dat is de kracht van de haiku. Als ik tijdens het lezen van Knausgård even wil stilstaan en op adem komen, lees ik haiku’s. Tegenwicht is altijd belangrijk.
Ter afsluiting nog een regel van de meester zelf. Voor wie nog een levensmotto zoekt, raad ik deze aan:
Tracht niet al te exact te sturen op deze onkenbare zee.
Journal d’images
Journal
Maai-junks
Donderdag 11 juni, Delft
Gisteren zijn we teruggereden naar Nederland. Dat betekent een heerlijke radiodag. Ik luister eigenlijk nooit naar de radio, behalve als ik in de auto zit en dan geniet ik er elke keer weer van. Dat ‘heerlijk’ is misschien een ietwat ongelukkig gekozen woord. Als je op zo’n dag radio 1 volgt, dan realiseer je je hoe onze wereld uit balans is: Trump laat weten dat elk moment een deal met Iran kan worden gesloten, om het land een paar uur later weer te bombarderen. Dit heeft zich nu al voor de twintigste keer of zo herhaald. Het is wat sinds het Amerikaanse volk een halve gare tot president heeft gekozen.
Ook lekker nieuws: Frankrijk en Duitsland stoppen hun samenwerking om een nieuw gevechtsvliegtuig te ontwikkelen. Ik zie Trump en Heghseth zich in de Oval Office al op de knieën slaan van leedvermaak: ‘Europa ten voeten uit,’ giert Heghseth. ‘Even J.D. Vance bellen, heeft hij ook een goede dag.’
Het meest verbaas ik me vandaag over de inefficiëntie van Frankrijk. Wyb en ik rijden uiteraard via de grote wegen en tolwegen terug naar Nederland. Dat moet wel als je twaalfhonderd kilometer in één dag wilt overbruggen.
Maar het vervelende is dat de Fransen het weer te pakken hebben: het zijn echte maai-junks. Als het lente wordt en gaat zomeren, dan hoor je overal de maaimachines in Frankrijk krijsen. Net als de lentebloemen beginnen te bloeien: de maaimachine eroverheen.
Vandaag hebben ze besloten dat de bermen van de snelwegen weer eens moeten worden gemaaid. Dat hoeft geen probleem te zijn, weten wij in Nederland. Met een beetje slim manoeuvreren en goede signalering vlak voor en achter de maaimachine hoeft het verkeer er nauwelijks iets van te merken. Maar wat doen die gekke Fransen? Die zetten vier à vijf kilometer lang een hele rijstrook af, zodat er nog maar één strook overblijft. Het gevolg is dat iedereen moet invoegen, achter elkaar moet gaan rijden om vervolgens met tachtig kilometer per uur verder te sukkelen. Mensen, wij moeten nog naar Delft!
Waarom staan in godsnaam die oranje pylonen hier, denk je in eerste instantie? Hoezo werk in uitvoering? Ik zie geen werk. Pas na drie kilometer zie je een tractortje de berm maaien. Na vijf kilometer mag de file zich weer verspreiden.
Als dat een of twee keer gebeurt, niets aan de hand. Maar wat blijkt: van Cadouin tot Lille zijn ze aan het maaien. Beslissing van Macron? Elke keer weer een file, kilometers lang.
‘Maak je nou niet zo druk,’ zegt Wyb tegen me, die naast me op haar iPhone een potje Wordfeud speelt. Wyb is van nature een stoïcijn.
‘Maar het houdt niet op. Ik kan geen oranje pylon meer zien.’
‘Jij windt je altijd zo op. Dat is zo slecht voor je hart.’
‘Het is pas slecht voor mijn hart als ik me niet opwind. Als ik alles van binnen moet opvreten. Waarom gaan die gasten niet eens in Nederland kijken hoe het efficiënter kan? Moet je die bermen zien, het gras staat niet eens hoog. Waarom moet het zo kort?’
In Antwerpen staat de Ring natuurlijk helemaal vast. De Ring is onlangs, na jaren werkzaamheden, gemoderniseerd, maar dat heeft niets geholpen. Stapvoets rijden we richting Nederland.
Wyb en ik besluiten de file te verlaten en een frietkot in het centrum van Antwerpen op te zoeken. We zijn er lang niet meer geweest. De stad ziet er prachtig uit. De stad en de Schelde hebben eindelijk een echte kade.
Journal d’images
Journal
Obstructie
Dinsdag 9 juni, Cadouin
Ik denk dat we het maar aan elkaar moeten bekennen: dat minderheidskabinet van ons, dat wordt niks. Het is een eindeloos gehannes. Ze moeten van alle walletjes snoepen om iets te bereiken en die walletjes werken natuurlijk niet zomaar mee. En daar komt bij dat het onderling ook behelpen is. Het ging lekker toen Jetten en Bontenbal bij elkaar zaten: ouwejongenskrentenbrood. Iedereen werd er optimistisch van. Zou het dan inderdaad kunnen, zoals Jetten al een verkiezingsrace lang riep: ‘Het kan wél!’
De boel begon te rammelen toen die Yeşilgöz erbij kwam. Optimistische mensen zijn kwetsbaar omdat ze geen gevaren zien, heb ik eens gelezen. Jetten en Bontenbal waren euforisch optimistisch en lieten zich volledig overrompelen door die Yeşilgöz.
Jetten en Bontenbal hadden te rade moeten gaan bij onze hond Dies. Dies weet het: hij is gek op honden, maar altijd op zijn hoede, zelfs als ze hem toelachen door zogenaamd te kwispelen. Dies weet dat ook kwispelende honden kwaadaardige bedoelingen kunnen hebben. Valse honden vind je overal, zelfs onder de mensensoort. Yeşilgöz lacht niet voor niets zoveel.
Het is zonde. Alles wees erop dat het moment daar was om eindelijk eens een stevig meerderheidskabinet te vormen, een kabinet van D’66, CDA, VVD en GroenLinks-PvdA. Eindelijk hadden we dat machteloze regeren van de afgelopen jaren achter ons kunnen laten en hadden de middenpartijen kunnen laten zien waar ze toe in staat waren. Hé, stomme populisten: het kan wél, kijk maar! Maar helaas, zoveel voortvarendheid was Yeşilgöz net te veel. Om de VVD te behoeden voor een beschamende nederlaag had ze haar kiezers beloofd dat ze nooit, maar dan ook nooit, met links zou samenwerken. Waarom? Eigen belang, verpakt als ideologisch gewauwel.
Het gevolg is dat we opnieuw opgescheept zitten met een impotent kabinet dat niet kan doorpakken. Stikstofcrisis, woningcrisis, enzovoort: het wordt weer eindeloos soebatten zonder resultaat. En het was toch duidelijk dat iedereen genoeg had van die labbekakkerigheid, van dat slappehapgedoe waar we nou al jaren mee hebben te maken.
Eerst had je die ellende met Rutte IV. Dat viel omdat er volgens Yeşilgöz een tsunami aan nareizigers zou zijn. Achteraf bleek het een leugen. Maar ja, het kwaad was geschied, het kabinet gevallen. Je zult het maar op je geweten hebben.
Daarna zette mevrouw Yeşilgöz-Zegerius de deur wagenwijd open voor de PVV. Daarmee schoot ze zichzelf in de voet en stortte ze het land in de ellende. Maar goed, we zagen waartoe die populisten in staat waren: niets. Een grotere bestuurlijke puinhoop is nooit vertoond.
Hoe kan een land zo de weg kwijt raken? Yeşilgöz ging bovendien in zee met twee partijen die geen enkele bestuurlijke ervaring hadden en een bijeengeraapt zooitje vormden. Van beide is inmiddels niets meer over. Broddelwerk, mevrouw Yeşilgöz.
Als je bestuurder bent in dit land, bijvoorbeeld van een voetbalclub, een theatergezelschap of een woningbouwvereniging, dan ben je persoonlijk verantwoordelijk. Als je willens en wetens de boel in de soep laat lopen, kun je persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.
Als politiek bestuurder heb je daarentegen carte blanche. Dat is, als ik het goed heb, doordat politieke bestuurders zogenaamd namens de kiezer spreken. Dank je de koekoek, denk ik dan. Wie zijn die kiezers nou? Elke vier jaar kleuren ze een vakje rood nadat hun onderbuikjes stevig zijn bespeeld. Bullshitdemocratie.
Volgens mij wordt het hoog tijd dat politieke bestuurders die willens en wetens obstructie plegen juridisch ter verantwoording kunnen worden geroepen. Wij zitten sinds de val van Rutte IV al drie jaar in de politieke malaise, precies de periode waarin Yeşilgöz politiek leider van de VVD is. Moet iemand niet eens onderzoeken of dit nou incompetentie is of opzettelijke kwaadaardigheid? In ieder geval leidt haar politiek koers elke keer weer tot een destructieve impasse.
Journal d’images
Journal
Bidprentje
Maandag 8 juni, Cadouin
Wyb en ik zitten voor het eerst weer te lunchen onder de catalpa. Wyb maakt foto’s van de lunch, daarna van het tafereel. Vervolgens zoomt ze in op mij om een portret te maken. Na wat bewerkingen van de foto’s komt er een foto uit waar ik van schrik.
‘De foto voor het bidprentje heb je ook al,’ zeg ik.
Ik kijk naar de foto als een buitenstaander die op mijn begrafenis komt en dan naar deze foto kijkt. De nabestaanden hebben een foto gekozen waar hij een beetje in gedachte is verzonken, wijs in zichzelf gekeerd. Wel jammer dat er nog wat roos op zijn trui zit.
Vreemd trouwens dat ik denk dat er ooit voor mij een bidprentje wordt gemaakt. Waarom zou je voor een atheïst een bidprentje maken? Bovendien krijg ik helemaal geen kerkelijke uitvaart, ik moet er niet aan denken. Bidprentje — dat is toch weer die katholieke achtergrond.
Op het eind van de middag zijn we heerlijk aan het eten bij mijn Franse Nichten. Ineke heeft een groene pasta gemaakt met paddenstoelen. ‘Wyb hoeft zich over de foto van mijn bidprentje niet meer druk te maken,’ zeg ik en ik laat de foto zien. Ze vinden dat ik helemaal niet op mezelf lijk.
Vervolgens komt mijn oma ter sprake. Ze woonde vrijwel haar hele leven in een groot huis op de Weurtseweg in Nijmegen. Mijn Nicht en ik vonden het een magisch huis. Toen ze vierenzestig was, verhuisde ze naar een bejaardenhuis aan de Vlietstraat. Vierenzestig. Hoe is het mogelijk? Wij verbazen ons erover.
Toen vond ik het helemaal niet raar. Mijn oma was vierenzestig en dat vond ik erg oud, natuurlijk ging ze naar het bejaardenhuis om daar haar laatste jaren te slijten. Overigens had ze het erg naar haar zin daar. Vooral over het eten was ze erg te spreken.
Als ik met mijn vierenzestigste naar het bejaardenhuis was gegaan, had ik er al zeven jaar gewoond. Op mijn vierenzestigste verhuisde ik naar Frankrijk om een chambres d’hôtes te beginnen.
Het is geen toeval dat ik over mijn leeftijd begin. Ik merk steeds vaker dat ik het zelf noem. Als Wyb erover mijmert om haar zestigste verjaardag (over drie jaar) in Zuid-India te vieren, zeg ik: ‘Maar dan ben ik vijfenzeventig.’
En Anne hoor ik het ook regelmatig zeggen: ‘Maar jij bent ook al eenenzeventig.’ Daar kan ik dan gretig op ingaan om dat nog eens te benadrukken. Ik geef toe dat ik er wel eens mee koketteer.
Op die manier stigmatiseer ik mijzelf, merk ik. Hoe vaker ik het zeg, hoe meer ik het word, voor mezelf en voor de ander.
Stel dat ik niet wist dat ik eenenzeventig was, dan was er eigenlijk niks aan de hand. Ik ben er namelijk van overtuigd dat het mooiste nog moet komen. Of nog radicaler: als Trump op zijn tachtigste president van de Verenigde Staten kan zijn, kan ik dat zeker. Best zin in.
Dus ik moet ophouden over mijn leeftijd na te denken. Ik moet het pas een rol laten spelen wanneer de gebreken toeslaan.
Het nadeel is wel dat Wyb en ik veertien jaar in leeftijd verschillen. Het is logisch dat Wyb of ik dat wel eens benadruk. Ik denk dat we daar ook mee moeten ophouden. Hoe meer je praat over die veertien jaar, hoe groter het leeftijdsverschil wordt.
Of moet ik het gewoon laten lopen? Ik zie wel hoe het loopt. Met eenenzeventig is ook helemaal niks mis mee. En nee, ik heb geen bucket list meer. Ik vind het heerlijk om thuis te zitten en geen donder meer te hoeven doen. Je zult op die leeftijd nog president van de Verenigde Staten moeten zijn — arme man.
Journal d’images
Journal
Catalpa
Zondag 7 juni, Cadouin
‘Hoe staat jullie catalpa er nu bij?’ vroeg Henk in een appje gisteren. Ik begrijp dat hij dat vraagt, in menig blog heb ik over de catalpa geschreven en heb er allang niets meer over gezegd. Voor wie niet weet wat een catalpa is, het is geen Zuid-Amerikaans hoefdier. Een catalpa is een boom die ook in Nederland voorkomt en ook wel parapluboom wordt genoemd.
De catalpa is de koning van onze tuin. Wat de leeuw is in het dierenrijk, is de catalpa in het bomenrijk. Hij heeft een kroon waar menig boom jaloers op is. Het fijne is dat we nooit een parasol hoefden te kopen, want een catalpa heet niet voor niets een parapluboom. Zijn dichte bladerdek beschermde ons tegen de soms verzengende zon.
Begin oktober, vorig jaar, vond er een aanslag op onze geliefde boom plaats. Niet alleen op de boom, eigenlijk op de hele tuin. De Franse overheid had namelijk besloten dat onze septic tank niet aux normes was. De tank functioneerde prima en zat al eeuwen in de grond, maar hij was niet gecertificeerd. De Fransen gooien er op veel terreinen met de pet naar, maar als ze ergens goed in zijn is het bureaucratie. Elke regel dient streng nageleefd, elke handtekening moet op de goede plaats staan. Certificering is certificering. Hoge boetes dreigden.
En zo reed in oktober een graafmachine onze tuin in en vrat zich met zijn rupsbanden een weg naar de plek achter de catalpa waar de nieuwe septic tank, een kleine fabriek, moest worden ingegraven. Onze catalpa liet hem echter niet door. Verrek maar met je graafmachine, zag je hem denken. Maar de werklui waren onverbiddelijk en begonnen de onderste takken af te zagen. Wyb en ik krompen ineen. Daar werd de koning van onze tuin gemarteld en gemuteerd. Weg paraplu. Weg schuilplek voor ons, dachten wij.
De tuin werd volledig omgeploegd: overal gaten en gleuven. Toen de graafmachine verdween, zat de fabriek in de grond, waren wij aux normes en was onze tuin vernield, inclusief onze geliefde catalpa. Dood aan de Franse bureaucratie!
We egaliseerden, we haalden zoveel mogelijk stenen uit de grond, we zaaiden, allemaal werk waar ik ontzettend de pest aan heb. Tuinieren, vreselijk. In januari kwamen wij terug en verdomd, dat werk had toch zijn vruchten afgeworpen. Er groeide weer wat gras. De sporen van de graafmachine waren verdwenen. En nogmaals zaaiden wij gras op de wat kalere plekken.
Een van de redenen om deze week terug te komen, was om te kijken hoe de tuin er nu bij stond. Met een angstig hart reden we ons weggetje in: hoe groot zou de puinhoop zijn? Niks puinhoop. Onze tuin is uit de as herrezen. Het is inmiddels weer een echt gazon, inclusief onkruid, precies zoals het altijd was.
Maar het allerfijnste: de catalpa heerst weer over de tuin. Kom maar, lieve mensenvrienden, lijkt hij te zeggen. Schuil maar weer onder mijn bladerdek. Hang jullie hangmat maar weer onder mij op. Ondertussen bloeit hij als nooit tevoren. Hij is alleen wat opgeknipt, en dat staat hem best goed.
Journal d’images
Journal
Geneugten
Zaterdag 7 juni, Cadouin
Eerst hoor ik hem lachen, daarna zie ik hem vliegen: de groene specht. Dat is mooi, want vorig jaar was er geen groene specht in onze vallei. Nu is hij er dus wel. Kleine geneugte. Ik geniet er ontzettend van om zijn lach te horen.
Wij wonen op een berg. Ongeveer zo’n vijftien meter boven een smal weggetje. Achter ons huis loopt de berg door, het is als het ware onze achtertuin. We hebben er niks aan, want de berg is best steil. Ik ben er één keer met grote moeite opgeklommen en ook weer afgedaald. Dat was eens, maar nooit weer.
Dat neemt niet weg dat ik elke dag een paar keer geniet van die onherbergzame achtertuin. Elke keer als ik iets in de vuilnisbak gooi, kijk ik omhoog en blijf ik even staan kijken. Heel soms zie ik een ree staan. Meestal zie ik alleen de bomen. Ook niet erg, dan denk ik aan de monniken die op onze steile berg de terrassen aanlegden waar ze hun druiven verbouwden — dat moet hard werken zijn geweest.
Ik kijk of ik de koekoek zie die zich in dit stuk bos erg thuis voelt. Jammer voor ons is dat het een soort psychiatrische patiënt is die maar niet ophoudt met koekoeken. Een koekoek die ver weg zit te koekoeken heeft iets rustgevends. Als de vogel vlak boven je huis neurotisch zit te koekoeken, word je er gek van. Toch vind ik het fijn dat hij er zit.
Helemaal op de top van de berg zit een dassenburcht die steeds maar groter wordt. Dassen zijn een soort mijnwerkers. Het zou me niet verbazen als ze op een gegeven moment uitkomen in de voortuin van ons huis.
De berg is mijn meditatiemoment: gewoon kijken naar iets wat je al heel goed kent en waar je al honderden keren naar hebt gekeken en er gewoon van houden.
Aan zo’n huis in Frankrijk zitten ook stomme geneugten vast. Zo vind ik het heerlijk om, als ik sta te pissen — ik ben nog zo’n ouderwetse man die staat te pissen — het raam van de wc open te doen en onder het pissen naar buiten te kijken.
Het raam kijkt uit op een klein plaatsje. Het is omgeven door grote vijgenbomen en daar tegenover wordt het afgeschermd door de berg. Ik noem het altijd onze wasplaats. Wij hangen hier namelijk onze was te drogen.
Ik open het raam omdat ik twee jaar geleden recht in de ogen van een ree keek die op ons wasplaatsje stond te mijmeren. Een paar tellen keken we elkaar verbaasd in de ogen. Toen sprong hij weg. Elke keer als ik het raam opendoe, heb ik de hoop hem weer te zien. Als hij er niet is, geniet ik van de vele vogeltjes die er zitten. Vooral als de vijgen aan de bomen hangen is het een soort Kalverstraat voor mezen, zwartkoppen, roodborstjes en merels.
Wyb en ik wandelen na aankomst altijd even naar het dorp dat een paar honderd meter van ons vandaan ligt. Even kijken of er iets is veranderd. Gelukkig is er ook dit keer weer niets veranderd.
’s Avonds zitten Wyb en ik vaak op het muurtje van ons weggetje met de verrekijker. Op die plek zien we het meest van de lucht. Hoog in de lucht cirkelen twee zwarte wouwen. In de vallei vliegen twee koereigers.
Shit. Net op het moment dat ik het blog wil afronden, komt Wyb de kamer binnen. ‘We moeten nu echt gaan, anders is de markt van Bèlves afgelopen.
‘En ben je klaar met je blog?’ vraagt Wyb in de auto.
‘Nee, jij stoorde me in het creatieve proces. Ik moet het einde nog schrijven.’
‘Waar gaat het over?’
‘Geneugten.’
‘Geneukten?’
‘Ge-neug-ten.’
‘O.’
Journal d’images
Journal
Rafelrand
Vrijdag 5 juni, Cadouin
Ik kan melden dat het gisteren en eergisteren van Delft tot Cadouin zwaar bewolkt was en dat er heel wat regen viel, van stortbuien tot druilerige ellende. We hebben het de volle twaalfhonderd kilometer beleefd. En dat is best hard werken.
In menig blog heb ik de afgelopen jaren bepleit dat iedereen gewoon lekker door Parijs moet rijden, dat honderden kilometers omrijden echt niet nodig is. Parijs is niet eng. Je rijdt erdoorheen als een mes door de boter. Ik wil dit optimisme nu graag wat relativeren. Ik weet sinds eergisterenavond dat Parijs best eng kan zijn.
We rijden Parijs in. Iets voor Aéroport Charles de Gaulle blijkt deze belangrijkste verkeersader van Parijs volledig afgesloten en al het verkeer uit het noorden wordt een landweggetje in gedirigeerd. Chaos alom. Zie honderden vrachtwagens en duizenden personenauto’s maar eens door een landweggetje te persen: tien meter rijden, tien minuten wachten op beweging. Ik zie de klok tikken. Volgens de navigatie zouden we bij vertrek om 22.05 uur in ons hotel bij Aéroport Paris Orly aankomen. Voordat we de landweggetjes achter ons hebben gelaten en terug zijn op de ons vertrouwde weg, zijn we een uur verder.
Even later zegt Google dat we rechtsaf moeten. Onze vertrouwde weg gaat rechtdoor. We twijfelen, maar vertrouwen Google toch meer dan onze vertrouwde weg. De hoofdaders in Parijs gaan op de schop, dus vermoedelijk grijpt Google daarom in.
Die landweggetjes zijn niets bij wat ons nu overkomt. We rijden door de achterkant van Parijs. Google stuurt ons langs industrieterreintjes waar nog nooit een toerist heeft gereden. We merken nu pas hoe slecht het met Frankrijk gaat: gaten in de weg, omleidingen voor omleidingen. Het land steunt op obscure fabriekjes en duistere opslagplaatsen. Frankrijk blijkt een land van krabbelaars en scharrelaars te zijn.
We rijden vierhonderd meter en dan moeten we rechtsaf. Na honderdvijftig meter moeten we naar links. En dan, na driehonderd meter, weer naar links. En zo gaat het maar door. Zo slingeren we langs de rafelranden van Parijs, of waar we dan ook in zijn beland.
‘Ik krijg hier helemaal de schijt van. Hoe kan dit?’
‘Het is niet anders. We moeten het gewoon even ondergaan.’
‘Hoe lang duurt het nog?’
‘Over twintig kilometer zijn we bij dat hotel.’
‘Wat een gekloot.’
‘Ik word helemaal zenuwachtig van jou, weet je dat. Jij windt je altijd zo op.’
‘Vind je dat gek?’
We rijden het volgende louche industrieterreintje langs. Wat ik nog niet heb verteld, is dat Parijs zich heeft verdubbeld. Door de regen weerspiegelen de auto’s en gebouwen zich in de natte straten en plassen. De straatverlichting in dit bijna failliete land is op stand ‘zeer laag’ gezet. Ik moet met mijn neus op de voorruit zitten om iets te zien. Tot overmaat van ramp beslaat de ruit voortdurend, wat Wyb oplost door de ventilatie op stand ‘zeer hoog’ te zetten. Het is een verwarrende tocht.
Is het de schuld van Google dat ons straft omdat ik altijd op Big Tech zit te schelden? Of is het een plaagstoot van de Franse overheid, die genoeg heeft van al dat gejakker van Nederlanders door Parijs? Wiens straf het ook is: het is een ultieme straf. De stemming in de auto wordt er niet beter op.
‘Laat mij dan het stuur overnemen.’
‘Het is niet dat ik het niet kan, het is dat ik ervan baal.’
Klokslag twaalf uur komen we eindelijk aan bij ons hotel, dat onder de rook van Aéroport Paris Orly ligt. Nou ja, onder de rook? De volgende ochtend worden we om zes uur wakker omdat de eerste vliegtuigen uit Parijs vertrekken. We blijken praktisch aan het eind van de startbaan van Orly te slapen.
Journal d’images
Op de vergroeiing van de boom ontdekte ik zowaar nog een toevalsdier. Wie goed kijkt, ziet de kop van een nijlpaard.
Journal
Verkassen
Woensdag 3 juni, Delft
Tassen uit de kast gepakt. Onderbroeken geteld. Sokken. Shirts. 2 korte broeken, 2 lange. Vooral de opladers niet vergeten: iPhone, laptop, Apple watch, oplader fototoestel. Zo zou ik nog even door kunnen gaan. De lijstjes zitten in mijn hoofd. Routineklusje.
Wyb is nog aan het werk en is om half vijf klaar. Daarna komt ze meteen hierheen en vertrekken meteen naar Frankrijk. Vandaag rijden we nog door Parijs heen en nemen een hotelletje (€60) aan de zuidrand, zodat we morgen zonder files meteen door kunnen rijden naar Cadouin.
‘Een tweede huis, daar moet je nooit aan beginnen, allemaal gedoe,’ hoor ik veel mensen zeggen. En ze hebben gelijk. Maar ook weer niet. Voor ons is zo’n tweede huis een prima oplossing voor onze onrust. Af en toe totaal verkassen dempt onze voortdurende behoefte aan verandering. Wyb en ik versterken elkaar daar ook nog eens in.
Vroeger had Moddergat die functie, nu Cadouin: af en toe totale verandering van lucht. Er is veel te zeggen tegen een tweede huis, maar er zijn ook enkele voordelen. Grote voordeel vind ik dat je ook van zo’n omgeving gaat houden. Afgelopen weekend reden we Moddergat binnen en ik kreeg meteen een thuisgevoel. Hetzelfde hebben we nu met Cadouin. Ander voordeel: omdat je de omgeving van Cadouin goed kent, hoef je er ook niet meteen op uit. We kennen de omgeving als onze eigen broekzak.
Het gekke in ons geval is dat ons tweede huis eigenlijk bedoeld was als eerste huis — en dat ook een tijdje is geweest. Ons hele hebben en houden was naar Frankrijk verhuisd, overtuigd als we waren dat we daar ons verdere leven zouden kunnen slijten. Foutje. Wyb zocht daar werk, maar er is, buiten het toeristenseizoen, totaal geen werk. Het gevolg was een landerig bestaan, we verdronken in ons luxeleven van helemaal niks doen. Wij en niks doen bleek een slechte combinatie en we vluchtten terug naar Nederland. En zo werd ons eerste huis toch weer een tweede huis.
Wyb appt zojuist het lijstje met wat ik allemaal nog moet doen: ‘zalmslaatje voor onderweg kopen, hondenvoer in emmer doen, frisbee en bal voor Dies niet vergeten. Zwarte thermoskan voor koffie op de terugweg meenemen. Ik heb de hoed op het bed gelegd. Vooral de laders niet vergeten!’
Voor wie het niet weet, hier een waarschuwing. Heen- en terugreizen gaan altijd ten koste van twee blogjes. Tot overmorgen. Terugreis volgende week alweer.
Journal d’images
Cadouin.
Journal
Zelfdoding
Dinsdag 2 juni, Delft
Zo gauw iemand het woord zelfmoord, zelfdoding of suïcide in de media gebruikt, duikt meteen het telefoonnummer 113 op. Heb je hulp nodig? Maak je je zorgen om iemand? Bel 113. Hoeveel mensen zullen er zijn die door 113 behoed zijn voor zelfdoding? Het zullen er hopelijk veel zijn. Maar ik weet het niet zeker. Want het aantal zelfdodingen blijft in Nederland al jaren tussen de 1.800 en 1.900 mensen per jaar. Dat betekent dat er gemiddeld vijf mensen per dag voor een zelf gekozen dood kiezen.
Ik ga in dit blog harde dingen zeggen over suïcide. Wie daar niet tegen kan: stop met lezen.
Ik moet altijd een beetje lachen als ik onze christelijke medemens krampachtig zie reageren als het om suïcide gaat. Je ziet Mirjam Bikker opveren. Zelfdoding, daar hebben christenen een duidelijke overtuiging over. Zelfdoding hoort niet. De dood is in handen van de Heer en mag geen mensenwerk zijn.
Maar ik heb slecht nieuws: zelfdoding is altijd mensenwerk geweest en zal altijd mensenwerk blijven. Er zijn mensen die gelukkig zijn, mensen die rijk zijn, mensen die tevreden zijn, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar er zijn ook mensen die diepongelukkig zijn, het leven verschrikkelijk vinden en per se dood willen, en dit om de meest uiteenlopende en voor hen valide redenen. Ik begrijp die wens ook. Ik kan me goed voorstellen dat iemand in een situatie komt waardoor hij naar de dood verlangt.
Zo las ik onlangs bij Emil Cioran: “Het idee dat je jezelf kunt doden is een geweldige troost; daarmee kom je vele slechte nachten door.” Cioran vond het beëindigen van het leven een vorm van vrijheid. De gedachte dat je niet gedwongen bent te leven, maakte het volgens hem juist mogelijk om verder te leven. Zelfdoding is een optie; dat kun je altijd nog doen, dus dan kun je ook nog wel even doorgaan met leven. Het idee dat er altijd een escape is, houdt hem op de been.
Het gekke is dat de barmhartige christenen degenen die zelfdoding plegen dwingen tot een wrede dood. O wee, degene die hun dood humaner en pijnloos wil maken: hem wacht de criminalisering. Verkoop een pilletje waarmee het pijnloos kan, help iemand om waardig te sterven, en je bent strafbaar; met fanatisme zul je worden vervolgd.
Er zijn veel hulpverleners en bestuurders die zeggen: ‘We kunnen ons er niet bij neerleggen dat mensen suïcide plegen.’ Ik zou ze willen zeggen: ‘Leg je er nou maar wel bij neer.’ Er zijn namelijk echt mensen die, hoe vaak ze ook 113 bellen, hoe liefdevol ze ook worden opgevangen door hun naasten, hoe vaak ook de hulp van de Heer wordt ingeroepen, toch een einde aan hun leven maken.
Leg je erbij neer en kijk er met een humane blik naar. Hoe wil je dat deze mensen een einde aan hun leven maken? Moeten ze voor een trein springen? Van een hotel af springen? Zichzelf verdrinken? Zichzelf tegen een boom rijden? Blijkbaar wel. Dat moeten ze, omdat een humane dood is gecriminaliseerd.
Ik blijf het vreemd vinden dat mensen voor een dergelijke wrede dood moeten kiezen en daardoor vaak andere mensen traumatiseren. Bovendien zorgt de wijze waarop ze uit het leven stappen ook nog eens voor extra verdriet: voor degene die suïcide pleegt zelf, voor diens naasten en de mensen die er ongevraagd getuige van zijn.
Het zal voorlopig niet gebeuren, maar ik hoop dat er in de toekomst met enige afstand naar wordt gekeken, dat wil zeggen zonder de morele bril, de religieuze blik of de professionele hulpverlenersreflex. Of je het nu leuk vindt of niet, zie het naakte feit onder ogen: suïcide is niet weg te denken uit ons leven; het hoort erbij. Verdriet is helaas onvermijdelijk.
Heb je zelf hulp nodig of maak je je zorgen om iemand? Praat erover. Anoniem en vertrouwensvol contact is altijd mogelijk via de hulplijn van 113 Zelfmoordpreventie (tel: 0800-0113) in Nederland of de Zelfmoordlijn (tel: 1813) in Vlaanderen.
Journal d’images
Journal
Verjaardag
Maandag 1 juni, Delft
Gisteren heb ik voor het eerst, sinds 1983, bewust aan de verjaardag van mijn vader gedacht. Ik moet bekennen dat ik niet eens meer wist op welke dag hij precies jarig was. Het moest ergens eind mei zijn, maar ik wist niet op welke datum, 31 mei dus.
Dit jaar wist ik het omdat ik een paar weken geleden zijn verjaardag in mijn agenda zette. Ik vond namelijk de rouwkaart van mijn vader en las daarop dat hij op 31 mei 1927 was geboren en op 15 augustus 1982 gestorven.
Ik vond die kaart omdat ik voor NRC, voor de rubriek Mijn Ouders, naar aanleiding van een foto, een klein in memoriam schreef. Om dat te kunnen schrijven, zocht ik in diverse dozen wat materiaal bij elkaar. En zo diepte ik uit een doos met veel troep opeens de overlijdenskaart met de mededeling dat Aloys Tonen was overleden.
Ik heb eigenlijk altijd gezegd dat mijn vader en ik weliswaar in hetzelfde huis woonden, maar dat er nauwelijks een band tussen ons was. Ik kan me niet herinneren dat we ooit een goed gesprek hebben gehad. Ik zei altijd malicieus dat ik veel van hem heb geleerd, namelijk hoe je níet moet leven.
Ik was erbij toen hij zijn laatste adem uitblies en vond het een aangrijpend moment door zijn onherroepelijkheid. Aan de andere kant wist ik dat hij graag dood wilde. Door een ziekte die die al tien jaar duurde en hem sloopte, sprak hij regelmatig een doodswens uit. Een wens die me ergerde; wie wil er nou dood? Mijn vader, verdomme. Hij stierf trouwens aan een hartstilstand.
Ik vond mijn vader eigenlijk een rare man. Vrienden had hij niet en van familie wilde hij niets weten. Vreemd dat hij met mijn moeder was getrouwd, want zij was bij uitstek een familiemens. Sowieso was zij in alles het tegendeel van mijn vader — gelukkig.
Als hij thuiskwam, deed hij standaard de luxaflex naar beneden. Hij wilde niemand zien en wilde ook niet gezien worden.
Mijn moeder en mij terroriseerde hij geregeld met een machtig wapen: het zwijgen. Na een ruzie kon hij weken zwijgen. Wekenlang hing dan een verstikkende atmosfeer in ons huis. Voor onze relatie kan ik het best een oud begrip uit de Koude Oorlog uit de kast halen: vreedzame coëxistentie.
Vandaar misschien dat ik hem na zijn dood snel vergat. Mijn moeder en ik zijn zelfs niet bij het uitstrooien van zijn as geweest. Wat ik nu onvoorstelbaar vind en inmiddels onder de noemer ‘ernstige verwaarlozing’ schaar. Ik wijt dat eigenlijk aan het feit dat wij vrede hadden met zijn dood. Na tien jaar lijden leek het niet meer dan logisch, bijna rechtvaardig, dat hij was verlost van zijn pijn en angsten.
Ik moet bekennen dat er een lichte revival plaatsvindt over het denken aan mijn vader. En dat heeft ermee te maken dat ik misschien wel meer op hem lijk dan ik ooit wilde toegeven. Ik bemerk nu bij mijzelf dezelfde neiging om me terug te trekken en een enigszins solitair leven te leiden. Daar komt bij dat het me fascineert hoe het mogelijk is dat een vader en een zoon zo weinig connectie met elkaar hadden en, vrees ik, nauwelijks iets voor elkaar hebben betekend.
Mijn moeder zei wel eens dat hij echt van me hield, dat ze dat zeker wist. Maar ik geloofde er niets van. Volgens mij zei ze dat om de moed erin te houden. Lief van haar bedoeld, maar ik kon me niet voorstellen dat ze er zelf in geloofde.
Mijn moeder hield wel van mijn vader. Of mijn vader ook van mijn moeder hield, weet ik niet; daarvoor heb ik geen aanwijzingen, laat staan harde bewijzen.
Journal d’images
Mijn vader in zijn jongere jaren in het uniform van de PTT. Hij was toen postbode.
Journal
Moddergat
Zondag 31 mei, Kollum
Arjan zet ons bij de boot af. We lopen naar de laatste boot die vanaf Ameland vertrekt. Vertrektijd: 18.30, belachelijk vroeg. Als we naar de vertrekhal lopen, zien we dat om 18.15 de snelboot gaat. ‘Zal ik eens vragen hoe duur dat is?’ Het blijkt tien euro p.p. te zijn. En we besluiten hem te nemen. Niet omdat het sneller gaat — veel sneller — maar gewoon omdat het kan. We gaan nooit met die snelboot.
En zo komen we drie kwartier eerder in Holwerd aan dan gepland. Wyb heeft inmiddels bedacht wat we met de gewonnen tijd gaan doen. ‘We gaan in Oosternijkerk patat halen en daarna gaan we die op de dijk in Moddergat opeten.’ Een briljant idee. Hoe lang is het geleden dat we in Moddergat zijn geweest? Het is nog veel langer geleden dat we op de dijk hebben zitten eten.
Een half uur later slaan we de deuren van onze auto dicht en horen we de stilte van Moddergat, die voornamelijk bestaat uit het krijsen van de meeuwen. We beklimmen de dijk. Altijd wanneer we de dijk beklimmen, doen Wyb en ik een wedstrijdje wie er als eerste boven is.
De dijk is niet zomaar de dijk. De plek waar wij gaan zitten om onze patat en kroketten op te eten, is de plek waar wij de as van mijn moeder hebben uitgestrooid. Het is lang geleden dat we hier waren om haar even gezelschap te houden, even goed aan haar te denken.
Mijn moeder ligt hier volkomen misplaatst. Haar as had absoluut in Nijmegen aan de Waal uitgestrooid moeten worden, daar waar haar thuis was. Maar dat wilde ze per se niet. Haar laatste wil was een absolute wil: ‘Ik wil uitgestrooid worden in Moddergat, op de dijk voor jullie huisje.’ ‘Maar Ma, je bent nog nooit in Moddergat geweest. Jouw as hoort toch in Nijmegen thuis? Waarom wil je nou in godsnaam in dat Moddergat uitgestrooid worden?’ ‘Dan ben ik altijd vlakbij jullie en dan denken jullie vaak aan mij.’ ‘Maar het is op die dijk verschrikkelijk koud, de stormen ontmoeten hier voor het eerst het land. De wind giert over de dijk heen.’ ‘En toch wil ik daar liggen, vlakbij jullie.’ Natuurlijk volgden wij haar laatste wil. Met haar as schreven we haar naam in het gras: Miep.
Een paar jaar later verkochten we, na zestien jaar, ons huisje en namen wij de benen naar Frankrijk, mijn moeder achterlatend in de verlatenheid van Moddergat.
Vandaag maken we het een beetje goed door bovenop haar as onze patat te eten. De avond is heerlijk en met plezier constateren we dat er op het wad totaal niets is veranderd. Het uitzicht is zoals het altijd was. Het is eb, ook fijn, daarom ruiken we de moddervlakte zoals die altijd rook.
Schuin links van ons zien we aan de overkant Ameland liggen, waar Malu momenteel haar zestiende verjaardag viert. Als het goed is, zitten ze nu aan tafel de salades te eten die Wyb en ik vanmiddag voor haar en haar vrienden hebben gemaakt.
Tussen Ameland en Schiermonnikoog door kijk ik de verte richting de Noordpool, ik vind het altijd een fascinerende gedachte dat er tussen mij en de Noordpool niets meer ligt.
‘Kom, we gaan naar je moeder,’ zeg ik tegen Wyb. Anneke woont zo’n twintig kilometer hiervandaan, in Kollum. We nemen afscheid van mijn moeder. We nemen ons voor om voortaan elk jaar bij haar te gaan eten.
Journal d’images
Journal
De Grote Remigratie
(zelfcensuur)
Vrijdag 29 mei, Delft
Shit: dilemma. Voor het eerst in mijn achttienjarig bestaan als blogger twijfel ik over het blog dat ik vandaag heb geschreven. Die twijfel wordt extra gevoed door Wyb, die aan het werk is. Voor de zekerheid heb ik het toch naar haar gestuurd.
Haar reactie tussen haar werkzaamheden door: ‘Heftig.’
Ik: ‘Kan ik het publiceren?’
Wyb: ‘Ik vind het te heftig, maar het is aan jou. Misschien kun je het afzwakken, maar dat is niet jouw bedoeling. Jij wil provoceren.’
Dat laatste klopt, en dat heftig van Wyb begrijp ik wel; daar zit natuurlijk ook mijn twijfel.
Ik stuur het naar Esmee. Haar oordeel is duidelijk: ‘Dit kun je niet maken. Veel te heftig.’
Tsja, wat doe je dan als blogger?
Ik besluit het blog niet te publiceren. Toch wil ik de lezer wel een indruk geven. Het blog begint in algemene zin, daarna fantaseer ik over wat er met Anne en Esmee gebeurt als de De Grote Remigratie een feit is.
Hieronder staan de eerste alinea en de eerste zin van de tweede alinea.
‘Na het Kamerdebat afgelopen dinsdag met Lidewij Baudet lig ik in bed te woelen. Natuurlijk heb ik de hele avond aan Anne en Esmee moeten denken, mijn twee uit Sri Lanka geadopteerde dochters. Stel dat dat Forum voor Democratie ooit de grootste partij van Nederland wordt en de macht grijpt. Dat gebeurt toch nooit? Het vooroorlogse Duitsland was ooit ook een gewone democratie en de NSDAP was destijds eveneens een kleine splinterpartij, net als dat Forum voor Democratie nu. Zeg nooit nooit. Dat gaat hier in Nederland niet gebeuren? Ik zet er mijn geld niet op in. Nederland is een land van hypes en dwepers, met kiezers die een moreel kompas ontberen. De knokploegen staan al klaar, de fakkels zijn ingekocht. Voordat je het weet, moeten we die Lidewij Baudet aanspreken als Die Führerin.
En wat gebeurt er dan met mijn dochters?’
Die laatste vraag werk ik vervolgens uit in het blog, dat dezelfde titel had als dit blog. De lezer zal begrijpen dat dit een dystopisch beeld oplevert. Ik begrijp dat het nogal heftig is om mijn dochters centraal te zetten in dat dystopisch beeld. Maar toch: als ik die Lidewij hoor raaskallen, hoor ik haar eigenlijk steeds over mijn familie praten.
Goed, nog een alinea uit dat blog, zodat FvD weet wat ook maatschappelijke reacties zullen zijn:
‘Belangrijke vraag: wat doe ík als ‘Frau Baudet’ aan de macht komt? Waar kan ik een Kalasjnikov kopen? Het eerste wat ik ga doen is een knokploeg oprichten. Voor gewapend verzet kun je op mij rekenen. Ze moet met haar gore handen van mijn dochters afblijven.’
Laat ik maar stoppen. Dadelijk ga ik nog verder. Ik popel, maar ja, ik wil mijn familie geen verdriet doen.
Journal d’images
Journal
Fuck de tijd
Donderdag 28 mei, Delft
Hoe weet je nou in godsnaam of je ouder wordt? Je kunt wel dagelijks in de spiegel kijken, maar dat verouderingsproces gaat zo langzaam dat het niet is te zien. Decennialang voelde ik me eigenlijk hetzelfde, ik had geen idee dat ik ouder werd. Pas tegenwoordig ontsnapt me wel eens een kreuntje als ik van een luie strandstoel opsta. Maar zelfs nu nog: alleen doordat ik bijhoud dat ik 71 ben, maar ik zou ook best nog vijfenvijftig kunnen zijn, zoals de lieve receptioniste van het Archeologisch Museum in Athene me laatst schatte. Toch een triomfmomentje.
Eigenlijk is er maar één ding waaraan je kunt zien dat de tijd onverbiddelijk en wreed is, dat de tijd je in een wurggreep heeft: kinderen. Gisteren werd mijn lieve kleindochter Malu zestien jaar. Zestien jaar! Aankomende zaterdag gaan we naar Ameland om het te vieren. Maar zestien jaar? Ik kan het niet geloven. Gisteren zag ik haar nog, pas geboren, in het Leeuwarder ziekenhuis in de armen van haar moeder. Nu is ze opeens zestien jaar. Zij werd mijn tweede meetlat voor de tijd.
Mijn eerste meetlat was haar moeder, Esmee, mijn dochter. In 1989 haalden wij haar, bijna een maand oud, op uit Sri Lanka. Esmee besefte al vroeg hoe verschrikkelijk de tijd werkte en ze beloofde mij twee dingen. In de eerste plaats beloofde ze me dat ze nooit in de puberteit zou komen, dat ze daar niet aan zou gaan doen. En op de tweede plaats beloofde ze me dat ze voor altijd jong zou blijven, dat ze niet ouder zou worden, dat leek haar verschrikkelijk, zei ze altijd.
Maar met Esmee gebeurde natuurlijk hetzelfde als met Malu. Gisteren werd ze, strak ingebakerd, in Sri Lanka in onze armen gelegd; de volgende dag was ze zestien en schoot ze de puberteit in. Een mens blijft werkelijk niets bespaard. Ook aan de tweede belofte heeft zij zich niet gehouden, niks geen forever young, ze is nu zesendertig.
Wat ik maar wil zeggen: kijk naar je kinderen en je weet hoe oud je bent. Zo was ik drieëndertig toen ik Esmee in mijn armen mocht sluiten. En opeens ben ik 71 als we de verjaardag van Malu vieren.
Fuck de tijd. Eén keer hebben we hem echt kunnen fucken. Toen we Esmee kregen was ze dus bijna één maand oud, zo stond het in haar Sri Lankaanse paspoort. Toen wij terugkwamen in Nederland bleek ze nog steeds haar navelstreng te hebben. Had dat niet allang van haar af moeten vallen? Voor de zekerheid gingen we naar de dokter, die ons verzekerde dat dit wel eens kon gebeuren en wij waren gerustgesteld.
Vele jaren later ontmoetten we haar biologische moeder die ons bij hoog en laag verzekerde dat ze op 16 december was geboren en niet op 4 december zoals in haar paspoort stond vermeld. Dat betekende dat ze nog geen dag oud was toen wij haar op 17 december kregen. Maar het betekende ook dat ze veertien dagen jonger was dan gedacht. En misschien, overmoedig geworden door dat meevallertje, deed ze me later die twee beloftes over de tijd. Tevergeefs, niemand ontsnapt aan de tijd: zelfs Esmee niet. Helaas.
PS Nadat ik dit blogje had geschreven, liet ik het eerst aan Esmee lezen om te vragen of ze er geen bezwaar tegen had. U ziet: De Blogger werkt buitengewoon zorgvuldig. Esmee had twee belangrijke aanvullingen.
Aanvulling 1: ze hecht eraan bij biologische moeder het bijvoeglijke naamwoord ‘vermoedelijk’ toe te voegen. Dit omdat er destijds geen DNA-test is gedaan en bij een adoptieprocedures niets zeker is voordat het is bewezen.
Aanvulling 2: ze laat weten dat ik haar leeftijd verkeerd heb vermeld. Ze is geen zesendertig maar zesentwintig. Nogmaals: fuck de tijd.
Journal d’images
En nu: Sweet sixteen.
Journal
Solitair
Woensdag 27 mei, Delft
Kun je eenzaam zijn zonder het zelf te weten of te voelen?
Gisteravond gingen we naar een voorstelling van Orkater, De dood van Benny Simons, uitgenodigd door J. en A. Daarvoor aten we bij ons thuis zo’n heerlijk gerecht van Yotam Ottolenghi.
J. en A. woonden jarenlang in het hart van Amsterdam en zijn onlangs verhuisd naar een gloednieuw appartementencomplex in Zutphen met uitzicht op de IJssel en de uiterwaarden. Hoe mooi wil je het hebben?
Ze vertellen enthousiast over hun nieuwe woonomgeving en hoe al die nieuwe bewoners samen dingen organiseren. Door allerlei regelmatige ontmoetingen te organiseren en appgroepen op te zetten, is in korte tijd al een echte gemeenschap ontstaan. J. en A. leiden daar inmiddels een rijk sociaal leven.
Terwijl we erover praten, denk ik aan mijn eigen situatie. In ons appartementencomplex zijn 123 appartementen, verdeeld over vijf woonblokken en iedereen leeft volstrekt op zichzelf. Op onze verdieping, met zes appartementen, hebben wij met helemaal niemand contact. Als we elkaar tegenkomen, wat zelden gebeurt, zeggen we elkaar vriendelijk goedendag, meer niet. Sommige van deze naaste buren zie ik soms maanden niet.
En ik moet bekennen dat ik buitengewoon tevreden ben met deze situatie. De huidige geïndividualiseerde samenleving lijkt wel voor mij gemaakt te zijn, moet ik misschien wel tegen mijn zin bekennen.
Ik vind het hartstikke leuk als er bezoek komt of om samen met mensen te eten, maar ik merk dat ik tamelijk allergisch ben voor groepen of grote sociale verbanden. Samen met een grote groep naar het theater: het is niets voor mij. Een walking dinner door het appartementencomplex om elkaar beter te leren kennen: ik doe zeker niet mee. Door wat J. en A. vertellen, merk ik dat ik nog meer een solitair beest ben dan ik zelf al dacht.
Ik geniet er mateloos van om anoniem door deze stad te lopen. Ik geloof steeds meer in het gezegde dat een verre vriend meer waard is dan een goede buur. Mede door Cadouin heb ik het genot ontdekt van het alleen-zijn, van het tamelijk opgesloten zijn in mezelf. Al treed ik daar ook graag met regelmaat weer uit voor een gezellig samenzijn, een goed gesprek of een reis naar deze of gene.
En ik moet meteen bekennen dat mijn leven hier zonder Wyb er opeens totaal anders zou uitzien. Ik weet vrijwel zeker dat ik mij inderdaad meteen radeloos en eenzaam zou voelen. Ik realiseer me dat ik solitair kan zijn dankzij Wyb. Ons samenzijn is natuurlijk al het bewijs dat ik helemaal niet zo solitair ben als ik nu voorwend te zijn. Maar lid worden van een club, of van een terugkerende verplichting: als ik er alleen al aan denk, voel ik fysieke weerstand.
De dood van Benny Simons was een verrassing. Eindelijk weer eens theater waar ik van heb genoten. Misschien ook wel omdat het nu eens niet een voor theater gedemonteerd boek of film was, maar dat het een verhaal is dat voor theater is gemaakt. Het resultaat is een energieke voorstelling die zowel beeldend als muzikaal is en bovendien buitengewoon goed wordt gespeeld. Al die goede recensies en de nominaties voor de theaterprijzen vind ik helemaal terecht. Misschien toch maar eens meer naar het theater. Wie weet, maak ik er ook nog eens een vriend.
Journal d’images
Journal
Jazz
Dinsdag 25 mei, Delft
Sonny Rollins overleden. In ons huis geeft zo’n bericht toch altijd een schokje. Alweer een jazzlegende overleden. Nu dacht ik eerlijk gezegd dat hij al overleden was, want het is nauwelijks bij te houden welke jazzlegende nou wel of niet de pijp aan Maarten heeft gegeven. In zijn in memoriam staat dat Sonny Rollins sinds 2014 al niet meer speelde omdat hij aan een longziekte leed.
Laat ik nou niet doen alsof ik veel van jazz weet, want dat is absoluut niet het geval. Ik heb van huis uit een buitengewoon beroerde muzikale opvoeding gehad. Namelijk geen. Mijn vader hield van Vicky Leandros en James Last. Van mijn moeder kan ik niet eens een muzikale voorkeur noemen. Mijn vader, aangetast door ziekte, speelde op zo’n manier orgel dat je meteen een afkeer kreeg van elke muziekvorm. Jazz werd bij ons thuis omschreven als neurotische ellende.
Gelukkig leidde ik ook een leven buitenshuis. En daar, op een festival in De Lindenberg, zag ik voor het eerst live een jazzmuzikant, en ook niet de minste: Dexter Gordon. Godverdomme, wat vond ik dat goed. Ik weet nog dat ik een extatisch gevoel had tijdens zijn concert. Wat een muziek — dat ik dat niet kende. Prachtig ook hoe hij na elke solo zijn saxofoon omhoog hield als eerbetoon aan zijn instrument. Jazz: ik was verkocht.
Zó om dat Lies en ik, het was 1978, naar Groningen afreisden voor de Jazzmarathon, waar wij Lionel Hampton en Abbey Lincoln zagen optreden. Dat optreden betekende het begin van een levenslange liefde voor Abbey. En mazzel: voor Wyb is het niet anders. Op Wyb kom ik dadelijk terug.
Bij mijn bezoek aan de Jazzmarathon in De Oosterpoort wist ik dat ik daar graag wilde werken. En verdomme, een paar jaar later was dat het geval. Zeven jaar lang mocht ik als hoofd marketing de publiciteit voor de Jazzmarathon doen.
Dan nu toch even opscheppen. Ik heb me nooit echt in de jazz verdiept. Ik ben alleen maar een liefhebber. Toch is er elke week wel een avond dat we tijdens het eten de grote jazzlegendes langskomen. Het is de muzieksoort die me de meeste energie geeft.
Ik heb er dus eigenlijk de ballen verstand van, maar voor Wyb ligt dat anders. Toen ik haar net kende, imponeerde ze me met haar kennis over de jazz. Ik zette een jazzplaat op en Wyb wist mij precies te vertellen wie daar de solo’s speelden en wie op het podium stonden. Onvoorstelbaar. Bleek ik opeens verliefd te zijn geworden op een vrouw met kennis van zaken. Daar stond ik dan met mijn Jazzmarathon-ervaring met mijn mond vol tanden.
Wyb bleek vijf jaar lang voor de NPS tijdens het North Sea Jazz Festival schrijver in de radiowagen te zijn geweest. Zij moest de sets timen en de setlists bijhouden, welke nummers werden gespeeld, hoe lang ze duurden en wie de solo’s speelden. Daarna checkte ze dat bij de artiesten. Bovendien kende ze de nummers sterren toe, zodat de presentatoren een indicatie hadden welke nummers tijdens het concert bijzonder waren geweest.
Zo komt het dat er, ondanks mijn armzalige muzikale opvoeding, in ons huis toch heel wat jazzkennis aanwezig is.
‘Wyb, kun je even een goede jazzplaat opzetten?’ Op de een of andere manier werkt onze Spotify alleen op commando’s van de iPhone van Wyb.
‘Ik heb opeens zo’n zin in jazz.’
Journal d’images
Journal
Jakkeren
Maandag 25 mei, Delft
Ooit, toen ik in december 2008 begon met het schrijven van dit blog, had ik het romantisch idee dat ik later, oud en versleten, ze terug kon lezen en dan weer een beeld zou krijgen van het leven dat ik had geleid. Nou ben ik misschien wel oud, van versleten is (nog) geen sprake, maar Wyb en ik zijn die blogs nu aan het teruglezen. Ik vind het wel belangrijk om aan te tekenen dat dit het idee van Wyb was. Zelf vond ik het nog geen tijd voor de grote evaluatie. Dat neemt niet weg dat ook ik nieuwsgierig was. Tot nu toe had ik daar nooit iets van teruggelezen.
Het is wel even schrikken, dat teruglezen. We lezen nu september 2009, en wat blijkt: ik had gewoon een rotleven. Het is onthutsend om te zien hoe druk leven was. Wyb werkte in Heerlen als hoofd programmering en marketing. Ik was zakelijke directeur van Het Zuidelijk Toneel in Tilburg. We woonden in Den Bosch, hadden een pierre-à-terre in Heerlen en een huisje in Moddergat. De ouders van Wyb woonden in Kollum en mijn moeder had Alzheimer en zat in een verzorgingshuis in Nijmegen. Voor mijn werk jakkerde ik het land door. Soms om voorstellingen te verkopen, soms omdat we in andere steden aan het produceren waren, soms voor vergaderingen in Amsterdam. Ik racete eigenlijk permanent in auto of trein door Nederland. In een van de blogs lees ik dat ik dat jaar 84.000 kilometer alleen al met de auto heb gereden. Al lezend word ik gek van al het reizen dat we deden.
Nou had ik daar nog wel enige herinneringen aan, maar nu ik het teruglees komt het allemaal weer keihard binnen. Wat een rotleven eigenlijk; we kenden geen enkele rust. Het was zo erg dat onze hond Dickens, een dikke blonde labrador, niet meer met ons mee wilde. Als we bij Wybs ouders waren geweest, die op het rustige platteland van Friesland woonden, wilde hij niet meer met ons mee: stik maar met jullie waanzin, zag je hem denken.
Boven al die drukte en verplichtingen hing als een zwarte wolk de ziekte van mijn moeder. Op 2 september 2009 schreef ik:
‘Ik heb Jan (broer van mijn moeder) aan de lijn. Vorige week is hij na lange tijd weer bij mijn moeder op bezoek geweest en hij is erg geschrokken. Het was onmogelijk om een gesprek met haar te voeren.
’Wie is die mijnheer die hier zit?’ had zij aan een verzorgende gevraagd. Op een gegeven moment had ze gezegd: ‘Weet je dat Miep Tonen dood is?’ Dat had Jan erg geschokt. Ik vind dat eigenlijk wijze woorden. Misschien had ze opeens een heel helder moment. Ik denk inderdaad dat Miep Tonen al dood is, in ieder geval geestelijk.’ Twee maanden later zou ze ook fysiek overlijden.
‘Waarom lieten we ons eigenlijk meesleuren in die drukte?’ vraag ik me hardop af.
‘Weet je dat ik het eigenlijk wel lekker vond,’ zegt Wyb. ‘Ik had echt het gevoel dat we leefden.’
‘En dat gevoel heb je nu niet meer?’
‘Het is rustiger, veel rustiger. Soms verlang ik er wel naar terug. Als ik dit lees, zou ik best weer een maandje terug willen naar die tijd. Jij niet?’
‘Absoluut niet.’
Journal d’images
Journal
Mijn strijd
Zondag 24 mei, Delft
‘En wat heb je vandaag gedaan?’ vraagt Anne als ze op bezoek komt.
‘Een blogje geschreven, gelezen, Dies uitgelaten, boodschappen gedaan, dat soort dingen.’
‘Toch een beetje saai, vind je niet?’
Dan leg ik haar uit dat ik Karl Ove Knausgård aan het lezen ben. Heel vaak ben ik mensen tegengekomen die, als ik zit te lezen, denken dat ik niks aan het doen ben, dat lezen een vorm van luieren is. Of dat lezen saai is. Ik leg Anne uit dat ik in Knausgård aan het lezen ben, dat ik een monument aan het lezen ben, een van de belangrijkste egodocumenten die ooit zijn geschreven, een radicaal eerlijk boek, waarin hij zijn leven naar eer en geweten tot op het bot blootlegt. Hij ontziet daarbij niemand, zelfs niet zijn naasten, en zichzelf nog het minste. Ik vind het mateloos boeiend om te lezen. Ik ben nooit dieper in iemands leven doorgedrongen. Knausgård lezen is verre van saai, het is een van de meest boeiende dingen die ik in mijn leven heb gedaan.
En zeg dan nog maar eens ik niets doe. Elke dag zo’n blogje schrijven, elke keer een onderwerp bedenken dat je zelf relevant vindt. Er zijn columnisten die dit twee keer per week doen en er goed voor worden betaald. Overigens vind ik mij helemaal geen columnist, ik noem mij altijd blogger. Een columnist wordt betaald door een krant en moet een profiel ontwikkelen.
Het fijne van bloggen is dat het alle kanten op kan: ik ben een vrij man. Ik hoef aan niets en niemand verantwoording af te leggen. Ik kan schrijven over de meest onzinnige zaken, als ik dat zou willen. En ik kan alle tonen aanslaan: ik hoef geen rekening te houden met een consistente toon. Ik kan soms een blogje schrijven dat een cynisch pamflet is, maar ook het sentimentele en het nostalgische hoef ik ook niet te mijden. Sommige lezers gaan daarin mee. Anderen haken af. Mij maakt het niet uit, want, zoals ik altijd heb gezegd, ik schrijf die blogjes in eerste instantie voor mezelf.
Terug naar Knausgård, voor wie hem niet kent. In 2009 publiceerde hij in het Noors het eerste deel van een zesdelige serie waarin hij minutieus zijn leven beschrijft, van het meest triviale tot essays over bijvoorbeeld Hitler of over de dichter Paul Celan. De zes delen hebben de volgende titels, dit op volgorde van de delen: Vader, Liefde, Zoon, Nacht, Schrijver, Vrouw. In totaal beslaan ze 3678 pagina’s, waarvan ik er nu duizend heb gelezen, dus nog 2678 te gaan. De titel van de serie luidt Mijn strijd.
In 2011 las ik een van de delen en de verlokking was groot om ze meteen allemaal te lezen. Dat heb ik niet gedaan omdat ik toen nog een leven van ‘druk, druk, druk’ leidde, door afspraken en zakelijke verplichtingen werd ik voortdurend van het lezen afgeleid. Daarom besloot ik ze pas te lezen wanneer ik er alle tijd voor zou hebben en de serie in één keer zou kunnen uitlezen. Die tijd heb ik nu volop. Hulde aan Drees!
Met Mijn Strijd heeft Karl Ove Knausgård bewezen dat literatuur niet groots of spectaculair hoeft te zijn om diepe indruk te maken. Door het gewone leven serieus te nemen creëerde hij een monumentaal werk over herinnering, schaamte, liefde en de tredmolen van het bestaan.
Knausgård noemt echte namen en beschrijft familieleden, vrienden en voormalige geliefden zonder enige terughoudendheid. Dat leidde natuurlijk tot spanningen binnen zijn persoonlijke omgeving. Sommige familieleden voelden zich verraden of publiekelijk ontmaskerd. Maar juist die eerlijkheid vormt de kracht van zijn boeken. Veel lezers herkennen zichzelf in zijn onzekerheden, angsten en dagelijkse worstelingen. In ieder geval raakt Knausgård daarmee aan de fundamentele vraag hoeveel waarheid en eerlijkheid een schrijver zich kan permitteren.
Journal d’images
Journal
Huilen
Zaterdag 23 mei, Delft
Wyb en ik zitten op het terras van strandtent De Staat op het Scheveningse strand. We hadden het heel druk verwacht: zon, perfecte temperatuur, maar het valt erg mee. Dat zal tijdens de aankomende pinksterdagen wel anders zijn.
Wyb is zowaar een hele dag vrij. Morgen moet ze weer werken. We maken even gebruik van de situatie: wat ze morgen niet heeft, nemen we vandaag. Mij maakt het niet uit. Door dat gekke rooster van Wyb ontbreekt elke regelmaat in de week, waardoor ik vaak niet weet welke dag van de week het is.
Ik heb, zoals altijd, een plek in de schaduw opgezocht. Wyb gaat dan met haar stoel in de zon zitten nadat ze eerst Dies met een frisbee heeft uitgeput. Het meisje van de bediening brengt ons ginger beer. God, wat heb ik toch de pest aan regen. Zo zou het altijd moeten zijn.
Na een kwartier begint naast ons een baby te huilen. Je hoort aan het huilen dat het erg overstuur is. Ik moet denken aan de tijd dat Anne en Esmee nog baby’s waren. Ik voelde me altijd opgelaten als ze een keer onbedaarlijk moesten huilen, bijvoorbeeld wanneer we aan het kamperen waren. Ik dacht dan meteen aan de mensen om ons heen. Ik begrijp het goed als mensen op een kindervrije camping gaan staan.
‘Zouden kinderen in de buik ook huilen?’ vraagt Wyb.
Grappige vraag, heb ik me nooit afgevraagd. Vermoedelijk omdat ik altijd denk dat de tijd in de baarmoeder de gelukkigste periode van je leven is. Ik heb er geen herinnering aan. Maar vermoedelijk vond ik het heerlijk om in zo’n kleine capsule in het lijf van mijn moeder te zitten. Een beetje drijven op het vruchtwater, soms hoor je je moeder zingen en stemmen die je nog niets zeggen — je hebt geen vermoeden van zorgen en verdriet. Mijn liefde voor een bad wijt ik altijd aan mijn topervaring in de baarmoeder.
‘Ik zal het eens aan Chat vragen,’ zeg ik, met wie ik inmiddels op vriendschappelijke voet sta. Ik zou niet weten aan wie je dit anders kunt vragen.
Chat GPT antwoordt: ‘Nee, een ongeboren baby “huilt” niet in de buik zoals na de geboorte — er komt geen geluid uit, omdat de longen nog geen lucht bevatten. Maar onderzoekers hebben wel gezien dat foetussen vanaf ongeveer het derde trimester bewegingen kunnen maken die sterk lijken op huilen: trillende kin, open mond, onregelmatige ademhalingsbewegingen en een verdrietige gezichtsuitdrukking.
Die reacties worden meestal gezien als een soort oefening van het zenuwstelsel en de spieren die later nodig zijn om echt te huilen. Soms reageren baby’s in de baarmoeder ook op harde geluiden of stressprikkels met zulke bewegingen.’
Daar gaat mijn ideaalbeeld van het Totaal Gelukkige Kind in de baarmoeder. De ongeboren vrucht heeft nog geen herinneringen, geen vervelende ervaringen, maar het wordt toch al voorbereid op verdriet. Er is nog geen notie waarom hij huilbewegingen maakt, maar diep verstopt in onze genen zit dus al opgesloten dat wij ons moeten voorbereiden op de tijd dat we de baarmoeder verlaten en zullen gaan huilen.
Huilen is onze eerste daad als mens. Dat heb ik altijd volstrekt logisch gevonden. Want je zult maar ineens vanuit zo’n veilige, warme buik in een ziekenhuiskamer belanden met al dat felle licht. Dat is toch een vorm van cold turkey afkicken. Het overleven is begonnen.
Het meisje van de bediening zet de bitterballen voor ons neer. ‘Dit is toch echt genieten,’ zegt Wyb, en ik ben het met haar eens.
Journal d’images
Journal
Omvolken
Vrijdag 22 mei, Delft
Omvolken. Iedere politicus die het woord gebruikt, roept in feite Sieg Heil.
Het is een soort wachtwoord waarmee je aangeeft dat je gelooft in de superioriteit van het blanke ras. Dat je gelooft dat andere culturen minderwaardig zijn en dat je die daarom buiten de deur wilt houden. Of nog erger: zelfs de deur uit wil zetten. In extreemrechts vakjargon heet dat remigreren. Normale mensen noemen het deporteren.
Zelf moet ik altijd lachen om het geloof in dat fantastische blanke ras. Ik weet eigenlijk niet waarop die overtuiging is gebaseerd. Zelf vind ik dat blanke ras, zeker in moreel opzicht, maar een armoedig zooitje. Ze hebben er in de loop van de geschiedenis toch een aardige puinhoop van gemaakt, die blanken. Sowieso hebben ze twee vernietigende wereldoorlogen op hun naam staan, met miljoenen doden. Wreder hebben we het in de geschiedenis niet meegemaakt. En nu zijn ze met hun ‘Drill, baby, drill’ ook nog eens onze planeet aan het mollen. En dan heb ik het nog niet eens over hun geschiedenis vol koloniaal geweld en die maffe kruistochten. Het is altijd wat met die blanken.
De believers van dat omvolken hoor je vaak strijdvaardig zeggen: ‘We moeten onze joods-christelijke cultuur beschermen.’ Heeft iemand enig idee waarom? Kijk naar de leiders van die joods-christelijke cultuur. Neem Netanyahu, leider van Israël: dan zien we een land dat werkelijk elk humaan denken en handelen uit het oog heeft verloren. Het principe ‘eigen volk eerst’ is daar tot in het kwadraat doorgeslagen. Het resultaat: een soort sadistisch universum. En dan Trump. Tsja. We hebben nu een ‘leider van de westerse wereld’ die permanent de weg kwijt is en functioneert op het geestelijk niveau van een kleuter. Geen idee waarom we met deze voorbeelden dat blanke ras zo nodig moeten beschermen of in stand houden.
Ook curieus, de voorhoede van die extreemrechtse strijd. Hun geliefde kreet is: ‘Wij zijn Nederland’. Alleen al als je ze ziet, denk je: dan maar geen Nederland. Geen zinnig mens wil toch bij dat schorriemorrie horen? Wie zit er te wachten op een Nederland van over straat slenterende hoodies, bier slurpende lanterfanters en hooligans die met fakkels en vuurwerkbommen gooien? Als dat Nederland is, meteen afschaffen, zou ik zeggen.
Dat blanke ras heeft ook wel een beetje iets gluiperigs. Neem zo’n Forum voor Democratie. Door middel van tekens met hun handen maken ze het zogenaamde white power-teken. Of ze schrijven: ‘Europe will be white again. Never streSS’. Let even op die SS. Stoer, hè? Ja, zo heeft de voorhoede van het blanke superioriteitsdenken het idee dat ze echte strijders zijn, dat ze hard werken aan hun ideaal van de blanke etnostaat. Het is een beetje alsof je je rechterarm omhoog steekt en ‘Heil Hitler’ roept. En als ze je erop aanspreken zegt: ‘Nee, ik maakte gewoon een enthousiaste armbeweging’. Eigenlijk te zielig om woorden aan vuil te maken.
Dit alles zorgt ervoor dat ik ‘omvolking’ eigenlijk best een bruikbare term vind, maar dan omgekeerd aan hoe dat tuig het bedoelt. Ik stel voor die omvolking niet tegen te gaan, maar juist te realiseren. Wat mij betreft zorgen we ervoor dat Nederland zoveel mogelijk verschillende culturen en achtergronden verwelkomt. Een mooi gemêleerde samenleving zorgt ervoor dat we afkomen van het idee dat één dominante groep zich superieur kan wanen en denkt het land te kunnen toe-eigenen. Nog mooier zou het zijn als we uiteindelijk allemaal dezelfde kleur aannemen. Een samenleving zonder dat irritante superioriteitsgevoel van het blanke ras: volgens mij brengen we de menselijke soort daar echt een stap verder mee. Dat lijkt me voor iedereen een verademing.
Journal d’images
Journal
Sixpack
Woensdag 20 mei, Delft
Twee dingen zijn mogelijk: ik word gek, of de wereld wordt gek. Er gebeuren in ieder geval de meest waanzinnige dingen. Zo gaat het er naar uitzien dat ik, geboren in de grijze jaren vijftig, ook ga sterven in de jaren vijftig. Of in ieder geval in een kopie daarvan.
Een groot deel van de huidige mannen, of het mannelijk geslacht dat op de drempel staat van het man worden, wil weer een man zijn zoals dat vroeger was. Hij wil een ondergeschikte vrouw die hem verzorgt, hij wil kracht uitstralen, thuis de baas zijn en liefst ook daarbuiten.
Och, zielig, dacht ik in het begin. Wat moeten die kerels in deze samenleving vol geëmancipeerde vrouwen. Nou, die gaan zich nog redden ook, zie ik nu, want een groot deel van de vrouwen wil best terug naar het aanrecht: wat is er fijner dan een man die financieel voor je zorgt. Want zonder dat ik het in de gaten had, is de tradwife ontstaan, een vrouw die bewust kiest voor een rolverdeling uit de jaren vijftig.
De man, en de jongen die het nog moet worden, bereiden zich volop voor op deze nieuwe taakverdeling. Een van de meest van de pot gerukte verschijnselen daarvan is looksmaxxing: dé internettrend van dit moment. Mannen proberen hun fysieke uiterlijk te maximaliseren. Soms met tamelijk veel geweld. Zo zag ik in een documentaire een puber die met een hamer tamelijk hard zijn kaak aan het bewerken was om die een stoerdere lijn te geven. Jongetjes zitten eindeloos voor spiegels en computerschermen hun uiterlijk te bestuderen om te zien wat ze eraan kunnen verbeteren. Plastische chirurgie wordt ingezet om de ogen wat agressiever te modelleren.
En natuurlijk sporten: de nieuwe religie van de hedendaagse mens. Krachttraining moet voor bredere schouders en een gespierd lijf zorgen. Het ultieme doel: de sixpack. Wie de sixpack kan laten zien, bewijst pas echt dat hij een man is. Es lebe die Körperkultur!
De tradwife draagt inmiddels kleding die geïnspireerd is op de jaren vijftig. Volgens mijn bronnen heet dat de cottagecorestijl: bescheiden, veel jurken en rokken, vaak wijd uitlopend of halverwege de kuit, zodat de taille extra wordt benadrukt.
En zo ben ik weer terug bij af. Jaren vijftig, jaren twintig. Daartussenin leefde ik in een vrije wereld, waar de ene feministische golf over de andere rolde. Waar de jaren zestig ons bevrijdden van die benauwende jaren vijftig. Oh happy days! The times they are a-changin’!
Het liep helaas net even anders. De wereld was net negen jaar bevrijd van Hitler toen ik werd geboren. En nu ik in de eindfase van mijn leven zit, hebben we weer te maken met zo’n gek in Amerika. Ik heb mooi mazzel gehad dat ik de ellende van de jaren vijftig grotendeels heb kunnen vermijden. Jammer dat ik er in mijn laatste jaren weer mee te maken krijg. Ik had het graag anders gezien.
Nog even over de sixpack. Voor mij staat het symbool voor domheid. Hoeveel tijd heb je met die stomme fitnessapparaten doorgebracht om je spieren zover te krijgen? Wat zonde van de tijd. Uren, dagen, weken niet nadenken — alleen maar zweten. Tijd waarin je ook een boek had kunnen lezen, man.
O, sorry, een boek? Een boek is een bundel papier, bijeengehouden door een kaft en daar staan dan verhalen in die je in andere werelden brengen waardoor je de wereld en jezelf beter leert kennen. Je kunt je er prima mee vermaken en het fijne is dat je er ook veel van leert. In bijna elke stad vind je wel een winkel waar je boeken kunt kopen. Nee, als je een boek leest, kun je niet werken aan je sixpack. Ja, inderdaad, het is kiezen of delen.
Journal d’images
Journal
Bad luck
Dinsdag 19 mei, Delft
Niets belangrijker dan de lichamelijke staat. Vroeger dacht ik niet na over mijn gezondheid. Alles deed het prima, dus waar zou ik mij druk over maken? Naarmate je ouder wordt, gaat die lichamelijke staat toch een puntje worden.
Ik heb het aan mijn ouders gezien. Je geluk en je vrijheid zijn doorslaggevend afhankelijk van je gezondheid. Dus ik doe mijn best om die lichamelijke staat in conditie te houden. Gelukkig heb ik een hond — een border collie nog wel — en ik weet zeker dat hij levensverlengend voor me is. Gemiddeld loop ik elke dag zo’n acht kilometer. Zonder Dies zou ik een zittend bestaan leiden. Geen zin om hem uit te laten, wat meestal het geval is? Dies dwingt mij met zijn ogen op te staan en mee te gaan. Een border collie zorgt er zelf voor dat hij aan zijn trekken komt.
Daarnaast ga ik twee keer per week naar de sportschool. En dat met de grootst mogelijke tegenzin. Ik vind dat getrek en geduw aan toestellen helemaal niks. Daar komt bij dat ik lid ben van een soort seniorenclub. Dat betekent dat ik om mij heen een en al krakkemikkigheid zie. Het is allemaal weinig inspirerend. Ik heb het geluk dat die sportschool onder mijn huis zit. Ik hoef alleen maar de lift te nemen en ik sta tussen die apparaten. Als ik ervoor naar buiten had gemoeten was ik al lang gestopt.
Denk niet dat ik de illusie heb dat ik door al dat gedoe gezond leef. Ik leef gezond, maar dat biedt geen enkele garantie dat je je veilig kunt wanen. Altijd dreigt de bad luck. Overal kan zich zomaar kanker ontwikkelen, kunnen organen het begeven, dreigt een bloedprop of het springen van een ader. Ik laat mij nooit voorstaan op mijn gezondheid. Uit ervaring weet ik dat je van de ene op de andere dag, zonder waarschuwing vooraf, in het ziekenhuis kunt belanden en in een poel van lichamelijke ellende verzeild kunt raken. Ons zwaard van Damocles is: bad luck.
Het enige wat je kunt doen, is ervoor zorgen dat je het verval zo min mogelijk kans geeft. Zo laat ik elk jaar mijn bloed onderzoeken. Elk jaar haal ik opgelucht adem als de bloedwaarden weer goed zijn. Desalniettemin knaagt het ouder worden aan het lijf en heb ik pilletjes nodig om cholesterol en bloeddruk te beteugelen. De laatste keer was mijn suikerwaarde te hoog. Maar vanmorgen bleek dat ik die waarde door gezonder te eten toch heb kunnen terugdringen. Zo blijf je bezig.
Dat is mooi, maar ik schrijf het met tegenzin op. Een kwestie van bijgeloof. Snoef nooit over je gezondheid, geef nooit hoog op over je lichamelijke conditie. Het zegt uiteindelijk helemaal niks. Ik heb de gezondste mensen onverwacht zien wegglippen. Good luck wordt, voordat je het weet, bad luck.
Journal d’images
Journal
Principieel mens
Maandag 18 mei, Delft
In het vorige decennium werkte ik interim bij de OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam). Ik was daar onder andere om nieuwe concepten voor een bibliotheek te verzinnen. Het was de tijd dat Airbnb opkwam en iedereen nog tamelijk enthousiast over deze dienstverlening was. Het zou de wereld dichter bij elkaar kunnen brengen, dacht men.
Zouden wij als bibliotheek een manier kunnen vinden om samen te werken? Na een uitnodiging van een hoge dame uit San Francisco, die toevallig in Europa was, gingen we met haar in gesprek. Absoluut een aangenaam gesprek. We vonden best wat manieren om samen te werken.
Maar in dezelfde tijd werden er in Amsterdam, maar ook in de rest van de wereld, best wat vragen gesteld over het bedrijf. Het werd duidelijk dat het bedrijfsconcept van dit Amerikaanse bedrijf kostbare ruimte aan de woningmarkt onttrok ten behoeve van het toerisme. In de stad verscheen de ene na de andere Airbnb-locatie. Buren werden geteisterd door ratelende rolkoffertjes en dronken toeristen. Er werden de eerste maatregelen genomen om de boel enigszins in te perken.
Ons aanvankelijk enthousiasme bij de OBA verdween al snel door de terechte kritiek op het fenomeen Airbnb. Een tweede afspraak is er nooit van gekomen.
Ik moest er weer aan denken omdat we in Athene in een Airbnb-appartement zaten en ik in de stad zag dat daar nooit maatregelen zijn genomen tegen het explosief groeiende Airbnb. Overal aan muren en traliewerk waren sleutelkluisjes bevestigd waarin de sleutels van Airbnb-gasten lagen. Wij hadden er ook een. De juiste cijfercode intoetsen en dan ging een klein kastje open waarin de sleutel lag. Perfect systeem. De stad hangt er vol mee.
Ons appartement was tiptop. We hadden er zo in kunnen gaan wonen. Alles compleet ingericht, niet veel ruimte, maar alles was er, van slaapkamer tot badkamer en een compleet geoutilleerde keuken. En dat alles was onlangs keurig opgeknapt. Het kan niet anders dan dat hier tot voor kort nog gewone Atheners hadden gewoond.
En dan nu het principiële aspect. Blogger, waarom ga je in zo’n appartement zitten als je de kwade gevolgen kent? Het eerlijke antwoord is dat ook mijn vrouw en ik opportunisten zijn. Ik ben veel minder principieel dan ik misschien op het eerste gezicht lijk. Het was een mooi appartement, en, erg belangrijk, niet eens zo duur. Ja, dan zijn Wyb en ik al snel verkocht.
Eenmaal thuis beland ik opnieuw in principiële discussie met mijn vriend B. Ik zeg hem dat ik afgelopen week in Athene ben geweest en dan weet ik zijn reactie al: ‘En over chagrijnig gesproken, sommige mensen worden ook ontzettend chagrijnig van al dat gevlieg.’ Waarop ik weer zeg dat ik enige krediet heb als het om mijn voetafdruk op deze aarde gaat omdat ik geen biologische kinderen op de wereld heb gezet. Waardoor hij altijd weer pissig wordt. We zijn een repeterende plaat.
Nou ben ik helemaal geen liefhebber van vliegen, zoals ik dat ook niet van Airbnb ben, maar ja, beide zaken maken het de mens wel gemakkelijk. De lezer merkt: ik ben niet in de wieg gelegd als principieel mens. Mijn vlees en geest zijn zwak.
Over dat appartement zelf niets dan goed. Maar op de dagen dat we er waren, moesten we er ’s nachts wel een paar keer uit om ons bed weer opnieuw op te bouwen. Als Wyb te veel bewoog, vloog aan haar kant de lattenbodem uit elkaar en moesten we met onze slaperige koppen alles weer in elkaar zetten. Op zich zijn wij dat gewend, want bij een vorig eigen bed, jaren geleden, gebeurde hetzelfde. Deze bedden zijn volgens mij speciaal door IKEA ontwikkeld om het aantal geboortes te beperken.
Journal d’images
Journal
Influencer
Zondag 17 mei, Delft
Je zou kunnen zeggen dat Anne (dochter) mij ontdekt heeft. Al sinds de uitvinding van de iPhone richt ze zo nu en dan haar camera op me, stand op video, en begint ze me vragen te stellen. Zomaar, voor de gein. Soms geef ik serieus antwoord. Soms lul ik maar wat raak. Inmiddels moet ze wel uren aan materiaal van die ‘interviews’ hebben.
In december, vlak voordat ze op sabbatical ging, richtte ze opnieuw de camera op me en vroeg me of ik nog tips of adviezen had voor haar reis. En ik begon haar quasi belerend toe te spreken wat ze wel of niet moest doen. Voor het eerst zet ze het filmpje op haar Instagram en verdomd: 240.000 mensen kijken ernaar. Dat ging bovendien gepaard met een heleboel commentaar en twaalfhonderd likes.
Grappig, vond ik wel. Anne kreeg de smaak te pakken. Ze had nog nooit zoveel volgers erbij gekregen. Vader praat met dochter aan de eettafel, en het blijkt zowaar aan te slaan.
We praten over ouderliefde in relatie tot adoptie: 128.000 kijkers, 228 reacties, 2300 likes. Een gesprek over Anne’s opvoeding, over wat ze allemaal wel niet mocht: 130.000 kijkers, 1100 likes, 148 reacties. Bij veel van die reacties kreeg ik op mijn donder omdat ik veel te streng voor Anne ben geweest en waarom ik haar ‘dwong’ naar de VPRO te kijken.
Eerlijk gezegd geniet ik er wel van. Een nieuwe wereld gaat open. Zet daar mijn geblog nou eens tegenover. Elke dag weer een blogje schrijven, en al jaren leef ik een totaal marginaal bestaan met enkele tientallen lezers. Maar och, dan heb ik het alleen over het bereik. Het genot van het schrijven gaat ver boven het plezier van het chitchatten uit, al is het erg leuk om dit met je dochter te doen. Opeens hebben we een gemeenschappelijke hobby. Inmiddels hebben we een stuk of tien van die filmpjes op Instagram gezet. Wie had ooit gedacht dat wij samen nog eens een digitale samenwerking zouden aangaan?
Blijft de vraag voor mij: waarom vinden sommige mensen dit leuk? Ik kan een paar redenen bedenken. Reden 1: wanneer zie je op Instagram nou een vader met een dochter praten? Zoveel op Instagram is gelikt, bedacht, op effect gemaakt. Wij zitten gewoon op de bank gesprekjes te voeren die elke vader en dochter met elkaar voeren.
Reden 2 noem ik het boomer-effect. De filmpjes slaan vooral aan bij mensen in de bubbel van Anne. Als ze aan het scrollen zijn, komen ze zelden een boomer tegen. En nu zit daar opeens een ouwe lul met zijn dochter te praten. Ik vermoed dat het voor hen ook een soort freakshow is, met mij in de rol van freak.
Reden 3: omdat het van die doodgewone gesprekjes zijn, kan iedereen er wel wat van vinden. We zetten, hoe licht en onbedacht ook, toch een referentiekader neer waar je een mening over kunt hebben en die ook nog eens kunt uiten. Vinden mensen, denk ik, ook leuk.
Aan mijn eigen vriendenkring en netwerk gaat dit volledig voorbij. Welke boomer zit er nou op Instagram? Toch helemaal niemand. Voor hen blijf ik lekker mijn blogjes schrijven. Anne zegt dat ik nu een influencer ben. ‘Ik ben toegetreden tot het gilde der influencers,’ zeg ik. Gilde en influencer, dat is nou een anachronisme.
Anne noteert tegenwoordig ook de woorden die ik heb meegenomen uit de jaren vijftig, zestig en zeventig, zoals ‘ammehoela’, ‘je ziet er blits uit’, ‘dat is zo’n tang’ en ‘jouw kostje is gekocht’. Ze kan er ‘gilde der influencers’ bijschrijven. Wie gebruikt dat nou nog in 2026?
Journal d’images
Journal
Old leftie
Zaterdag 16 mei, Delft
Als ik in Athene zou wonen, zou ik vast vaak in de National Garden zitten. Als stadszwerver weet ik hoe belangrijk stadsparken voor een stad zijn. De National Garden is een statig stadspark, keurig onderhouden, compleet met een vijver voor schildpadden. Ik zou vaak met een boek op een bankje in de schaduw gaan zitten. Of koffie drinken in het stadspaviljoen van het park.
De leukste parken heb ik in China gezien. Bijna elk park in China is leuk, want het zijn levendige ontmoetingsplaatsen. Er wordt gedanst, muziek gemaakt en mensen zitten op terrassen, wonderlijk genoeg vaak met een vogelkooitje. Op die manier laten ze hun vogeltjes uit. Als je een Chinees park ziet, zou je bijna denken dat China een vrolijk land is.
Wyb en ik lopen door de National Garden en komen uit op de laan waar het presidentiële paleis staat. Omdat we met een grote boog door het park wandelen, zien we het paleis niet. We komen uit bij een kazerne waar een rekruut zich onder het toeziend oog van zijn commandant de choreografie eigen maakt voor de erewacht van het paleis. Het is een mallotig ritueel: veel macho gestamp met stalen schoenen en waarbij de benen zo hoog mogelijk worden opgeheven. Dat alles in een middeleeuws pakje. Hier erewacht zijn lijkt me een bullshit job van het ergste soort.
Eerst lopen we door de chique wijk van Athene. Het rijke Athene schurkt zich tegen de president aan. Dames lopen rond met dure Hermès-tassen en zonnebrillen van Dolce & Gabbana en Cartier. Ze lijken allemaal op weg naar de kapper, want de salons zitten allemaal vol. Het aantal Porches dat langskomt, staat in schril contrast met de oude meuk die voor ons appartement staat geparkeerd.
Alles is hier keurig. Het meest karakteristieke aan een dure buurt zijn de bomen. In groep acht leerde mijn onderwijzer, meneer Oosthout, mij dat rijke mensen altijd bij bomen wonen. ‘Let maar op,’ zei hij. ‘Waar rijken zijn, zijn bomen.’ Sindsdien let ik erop en weet ik dat hij ons toen een nuttige les gaf.
Alles in deze wijk is gaaf en afgerond. Zelfs in de straten zitten geen kuilen; de stoepen zijn egaal en dat hebben we in Athene nog niet gezien. Alles is er zo keurig dat er niets valt te fotograferen: alles is even correct. Meneer Oosthout had er eigenlijk ook bij moeten vertellen dat rijke buurten dodelijk saai zijn.
Wyb en ik zijn op weg naar een totaal andere wijk: Exarcheia. In ons reisgidsje staat: ‘Exarcheia is een ruige en beruchte wijk die bekendstaat om haar kraakpanden, fanatieke anarchisten en enorme hoeveelheden graffiti. De wijk biedt een fascinerende mix van studenten, creatievelingen, immigranten, old lefties en intellectuelen, tegen een achtergrond van straatkunst en oproerpolitie.’ Ik sla meteen aan op het woord old leftie.’ Ik had de term nog nooit gehoord, maar ik herken me er meteen in.
Ik heb nog nooit een wijk gezien die zo is ondergekalkt; het lijkt of een regiment drie-jarigen met spuitbussen op de muren is losgelaten. Het niveau van kladderen wordt slechts hier en daar overstegen.
In elke straat zit wel een boekhandeltje waar een old leftie hoopt te overleven met een antiquariaat dat volgestouwd is met boeken.
Wij voelen ons er meteen thuis. Alles vraagt erom gefotografeerd te worden.
Journal d’images
Journal
Stadsjutten
Donderdag 14 mei, Delft
‘En als we op safari gaan in een of ander wildpark in Zuid-Afrika, ga je dan mee?’ vraagt Anne als we het weer eens over mogelijke reisdoelen hebben.
‘Oh nee, moet ik niet aan denken. Al dat gehobbel in een Landrover op zoek naar een groepje slapende leeuwen. Ik moet er niet aan denken. Gaan jullie maar lekker alleen.’
‘Wat ben jij blasé, zeg.’
‘En als je die leeuwen dan eindelijk hebt gevonden, staan er binnen de kortste keren vijf Landrovers rond die leeuwen, vol met toeristen met van die toeters van telelenzen. Vreselijk. En dat allemaal voor het authentieke gevoel: de leeuw in het wild. Bovendien heb ik die Big Five allang gezien.’
‘Waar dan?’
‘In Burgers Dierenpark in Arnhem. Het zijn machtige dieren, hoor.’
‘Zo flauw.’
‘Maar wil je dan nergens meer heen?’ vraagt Wyb.
‘Natuurlijk wel, dat weet je ook wel. Als we naar een grote stad gaan, ga ik onmiddellijk mee. Maar ik heb inmiddels zoveel prachtige landschappen in mijn leven gezien. Ik hoef echt niet nog meer natuur. Er is genoeg natuur om mij heen: het Delftse Hout, de bossen in Cadouin. Ik wil alleen nog door grote steden zwerven.’
De afgelopen vijf dagen kwam ik aan mijn trekken: Athene. Wyb en ik lopen een aantal stadswandelingen die we van internet hebben gedownload. Geen idee wat we tegenkomen, en dat is de bedoeling. Een camera binnen handbereik, eindeloos lopen, geleid worden door het toeval. Stadsjutten, noem ik dat. Bij uitputting een terrasje. Tussendoor een lunch. Waartoe zijn wij op aarde? Wat mij betreft hiervoor.
We lopen langs de bibliotheek van Hadrianus (132 n.Chr.). Geen boek meer te bekennen. Alleen veel gebroken zuilen. Hier en daar staan de resten van een galerij nog overeind.
Tegen het hek zit een man op een typemachine te tikken. Voor hem een karton met daarop de tekst: ‘Writing a book in the most beautiful places of Europe! Ring for a page’. Naast hem liggen een aantal A5’jes die je tegen een kleine bijdrage kunt kopen.
‘Je bent de eerste straatschrijver die ik tegenkom,’ zeg ik tegen hem.
‘Ik combineer mijn twee passies: reizen en schrijven.’
‘Slim,’ zeg ik.
‘Deze dingen zijn best zwaar,’ zegt hij en hij streelt zijn typemachine. ‘Ik moet hem overal mee naartoe zeulen. En er zit geen autocorrectie op.’
‘Ik weet er alles van,’ zeg ik. ‘Ik heb veel op die dingen gewerkt. Typemachines, ik ben er gek op.’
‘Maar typemachines zijn heel oud,’ zegt zijn vriendin die ernaast zit. Alsof ik niet oud ben.
‘Het boomer-tijdperk,’ zeg ik. ‘Schrijf je fictie of non-fictie?’
‘Het is begonnen als non-fictie. Langzaam is het fictie geworden.’
Ik kan me niet voorstellen dat je tussen die toeristendrukte lekker kunt schrijven.
‘Veel succes,’ zeg ik en ik loop door.
Terwijl we verder lopen bedenk ik dat ik niet eens een bladzijde van hem heb gekocht. Wat waardeloos van me. Een beetje solidariteit was op zijn plaats geweest. Wyb en ik lopen terug om alsnog een A5’je te kopen. Ik ben wel benieuwd wat hij schrijft. Maar terug bij de bibliotheek van Hadrianus is hij nergens meer te bekennen.
De dagen daarna lopen we nog diverse keren langs de plaats waar hij zat. De straatschrijver laat zich niet meer zien. Zijn plek is overgenomen door sieradenverkoopsters en straatmuzikanten.
Journal d’images
Journal
Vliegen
Dinsdag 5 mei, Delft
Gebruikt iemand nog weleens het woord ‘held’? Ik kan me niet herinneren dat ik het zelf onlangs heb gebruikt of dat ik het iemand heb horen zeggen. Bestaan er nog helden? In mijn kennissenkring komen ze in ieder geval niet voor. Helden zijn toch meer iets uit sprookjes en stoere oorlogsverhalen uit de jaren vijftig. Wie levert nou nog een heroïsche, bovenmenselijke prestatie? Ik ken ze niet. Of liever gezegd: ik kende ze niet.
Want sinds dit weekend weet ik dat je voor echte helden het best in het vogelrijk kunt zijn; daar komen ze nog voor. In de Volkskrant stond afgelopen zaterdag een mooi artikel over de vogeltrek en hoe we daarover steeds meer te weten komen door vogels te zenderen.
Een citaat uit het artikel: ‘Ronduit spectaculair bleek de Noordse stern. Onderzoekers hadden in de zomer van 2011 een exemplaar uit een Groningse kolonie voorzien van een datalogger. Een jaar later konden zij aflezen welke reis hij had afgelegd. Die ging van Groningen via Nieuw-Zeeland naar de Zuidpool, en met omtrekkingen weer terug. Al met al een afstand van zo’n 90.000 kilometer, meer dan tweemaal de aarde rond, in 273 dagen.’
Het was voor het eerst in jaren dat het woord ‘held’ mij spontaan inviel — Homerus is er niets bij.
Wat mij betreft verdient een rosse grutto hetzelfde predicaat. Hij vloog tijdens de trek van de Amerikaanse staat Alaska naar Auckland in Nieuw-Zeeland in slechts elf dagen meer dan 12.000 kilometer, zonder één tussenstop.
En dan te bedenken dat zo’n trek vol bedreigingen zit. Overal loeren plaatselijke roofvogels en levensgevaarlijke weersomstandigheden. En laten we de mens niet vergeten: het roofdier bij uitstek, dat windmolens bouwt en het klimaat doet veranderen waardoor vogels hun trek moeten aanpassen.
Elke dag vliegt er wel een lepelaar langs ons huis — een mooie vogel. Afgelopen weekend kwamen we erachter dat liefst acht lepelaarspaartjes een paar honderd meter van ons huis nestelen in een ondoordringbaar bosje. Vrij zeldzaam in Nederland; de kolonie trekt dan ook tientallen vogelaars, waaronder Wyb en ik. Wat mij betreft zijn de ouders van lepelaarsjongen ook helden. Die hebben wat te verduren, hoor. Voortdurend hangen ze aan de bek van de ouder om voedsel te schooien. Een huilende peuter die op de grond ligt te janken bij Albert Heijn omdat hij zijn zin niet krijgt, is er niets bij.
Nu we het toch over vogels hebben. Ook Wyb en ik gaan vliegen. Aanstaande donderdag vertrekken we voor vijf dagen naar Athene. Morgen breng ik Dies naar Kollum, naar Anneke. Volgens mij vindt hij dat helemaal niet erg. Donderdag vliegen we dan uit Nederland. Ik neem mijn laptop mee, maar ik weet niet of je een blogje zult ontvangen. Ik heb besloten dat bloggen de komende dagen mijn laagste prioriteit heeft. Het lijkt me namelijk goed om even afstand te nemen van al dat geschrijf; meestal werkt dat louterend.
Journal d’images
Journal
Vloedgolf
Maandag 4 mei, Delft
Gisteren zag ik, heel even — was het in het Journaal? — een geschiedenisleraar die zijn verontrusting uitsprak over het nepnieuws waar hij in de klas mee te maken krijgt, en waar je als geschiedenisleraar zo onmachtig tegenover staat.
Hij noemde als voorbeeld de totaal verkeerde informatie waarmee jongeren zijn klas in komen. Zo was er een jongen die er vast van overtuigd was dat er slechts 300.000 Joden in de Tweede Wereldoorlog zouden zijn vermoord. Het werkelijke aantal van zes miljoen, daar was hij van overtuigd, was nepnieuws. Hoe hij dat wist? Filmpjes op TikTok en YouTube waren daar duidelijk over. De mainstream media en de wetenschap waren niet te vertrouwen.
Arme leraar. In feite was hij niet met leren bezig, maar met afleren, bedacht ik. Als het over geschiedenisleraren gaat, voel ik meteen empathie. Het had niet veel gescheeld of ik had dat vak zelf veertig jaar uitgeoefend. Ik had een keurige fulltime baan, een vaste aanstelling — wat wil een leraar nog meer?
Drie maanden heb ik het gedaan, en toen kon ik gelukkig ontsnappen door over te stappen naar de culturele sector. Al tijdens mijn opleiding was mij duidelijk geworden dat ik absoluut niet het onderwijs in wilde. Het gezever in lerarenkamers: vreselijk. Een klas vijf, zes keer per dag bij de les houden: ook vreselijk. Ik dacht alleen maar: ik wil iets nuttigs doen. Dat neemt niet weg dat ik sympathie voel voor mijn ex-collega’s.
En dan te bedenken dat ik in mijn leraarsbestaan misschien nog de social media had moeten meemaken. Arme leraren. ‘Flood the zone with shit,’ propageert de MAGA bende. Nou, dat merken we elke dag.
Mijn eigen social mediakanalen vullen zich het afgelopen jaar steeds meer met AI-troep. Is die foto nou echt, of is het met een prompt gemaakte troep? Gisteren paradeerde Trump als homo in diverse filmpjes over mijn scherm. Leeuwen vechten met krokodillen. In een concentratiekamp danst een meisje prachtig. Trump wordt Jezus. Flood the zone, zodat niemand meer weet wat echt en wat onecht is, nieuws is of nepnieuws, waarheid of leugen. Creëer de chaos.
Ik lees momenteel in het laatste deel van Knausgård hoe het nationaalsocialisme uiteindelijk aan de macht kwam. Net als bij MAGA is dat ‘gewoon’ via de democratische weg gegaan — wat een overeenkomsten tussen toen en nu. Flood the zone bestond tachtig jaar geleden ook al, waarheid werd leugen. Naast de werkelijkheid werd een parallelle werkelijkheid gecreëerd, die uiteindelijk de echte werkelijkheid overnam.
Zelfs de taal werd gekaapt woorden kregen een andere betekenis en natuurlijk werden er weer gemeenschappelijke vijanden en gevaren gecreëerd — een populist kan niet zonder. Als ik het lees, lijkt het op de huidige situatie in Amerika. Twee druppels water; het is om te janken. Kennis, rationeel denken, waarheid, ze betekenen niets voor mensen, toen niet, nu niet.
Elke populist weet dat het om het gevoel gaat, het creëren van sentiment. Steve Bannon, Geert Wilders, ze zijn allemaal schatplichtig aan Mein Kampf, dat is me door Knausgård duidelijker dan ooit. Flood the zone, zodat de vloedgolf uiteindelijk het systeem vernietigt. Easy peasy: geschiedenisleraren zijn saai — waarom zou je ouwe koeien uit de sloot halen? Altijd dat politiek correcte. We bepalen zelf wel wat belangrijk is, ik koop gewoon een hoodie.
Ja, de geschiedenisles is weer voorbij. Jullie kunnen gaan, fijne dag verder.
Journal d’images
De schoonheid van de wereld hangt af van je kijken.
Journal
Uitje
Zondag 3 mei, Delft
Wat zie ik eigenlijk als ik door een stad loop? Veel minder dan ik denk te zien, kwam ik gisteren achter.
Wyb had voor deze zonnige zaterdag een uitje bedacht. Ik ben gek op uitjes, maar ben slecht in het bedenken ervan. Dat komt waarschijnlijk doordat thuis me altijd het meest trekt. Ik denk eigenlijk nooit: laat ik eens een uitje bedenken. Wyb gelukkig wel.
Zo was Wyb op de hoogte van het bestaan van het Tramhuis in Rotterdam. Ik had er nog nooit van gehoord, terwijl ik er toch, zo bleek, vaak was langsgelopen. Het Tramhuis staat op een van de drukste punten in de stad en zal vroeger wel iets te maken hebben gehad met de vele trams die er nog steeds volop langsrijden. Nu is het de plek voor stadswandelingen. Het is hun doel Rotterdammers en bezoekers aan te moedigen de stad te voet te ontdekken. Om dat te stimuleren maken ze kekke apps en boekjes. Niks duffe VVV of stadswinkel, het is een centrum dat de verhalen van de stad al wandelend wil laten zien.
Wyb stelde voor om de app Kunst op straat te lopen. ‘In deze wandeling neemt de internationaal bekende, Rotterdamse kunstenaar Joep van Lieshout je mee langs zijn favoriete kunstwerken in de stad. Hij laat je kunstwerken zien waar je anders misschien zomaar aan voorbij zou lopen,’ schrijft het Tramhuis. Nou, dat mag je wel zeggen.
Ik heb een jaar in Rotterdam gewerkt en liep in de eerste helft van dat jaar best veel door die stad te dolen; alleen de eerste drie nachten in een hotel zijn leuk, daarna is het strontvervelend om weer op zo’n kamer te zitten. Daarom reisde ik de tweede helft dagelijks van Dwingeloo naar Rotterdam en terug. Best te doen als er een directe verbinding is.
Joep van Lieshout leidt ons via plekken die ik wel ken, maar nooit goed heb gezien, door de stad, langs kunstwerken die me vaak helemaal niet zijn opgevallen. Echt: schande. En dat voor iemand die zichzelf fotograaf noemt.
Neem het kunstwerk No matter try again fail again fail better op de Westersingel. Kunstenaar Job Koelewijn schrijft deze woorden in het water. Met bubbeltjes die van onder het water komen is de tekst vanaf de kant leesbaar. Prachtig. Hij vatte het water in de gracht op als een onbeschreven blad waarop je woorden kunt schrijven. Net zoals ik vroeger wel eens probeerde met een stok in het water te schrijven. Hem is het dus gelukt. Bijna dagelijks kwam ik er langs: nooit gezien. Komt misschien ook omdat de gracht een beetje lager ligt dan het straatniveau.
Nooit gezien. Hetzelfde geldt voor de zilveren megafoon — of is het een roeptoeter? — die in een vitrine voor het stadhuis van Rotterdam staat. De titel van dit werk: It’s Never Too Late to Say Sorry Het mooie is dat de megafoon nog altijd wekelijks wordt gebruikt. Elke woensdag om 12 uur komt er iemand — een voormalige postbode, is mij verteld — die de megafoon uit de vitrine haalt en dan de woorden It’s never too late to say sorry over de Coolsingel laat klinken.
Wyb en ik genoten met volle teugen. Jammer dat Dies er niets aan vond. Hij sjokte verveeld achter ons aan. Ik probeerde af en toe nog uit te leggen waar we naar keken, maar hij had geen enkele belangstelling. Hij kwam pas tot leven toen hij op het Schouwburgplein een stok vond die kinderen steeds voor hem weggooiden. Toch fijn dat wij mensen de kunst hebben om van te genieten.
Journal
Pang pang
Zaterdag 2 mei, Delft
Jarenlang beweerden met name VVD politici dat het Nederlandse leger bij oefeningen te weinig munitie had en dat militairen heel hard ‘pang pang’ moesten schreeuwen om toch een beetje de illusie van munitie te hebben. Ik heb het altijd als een truc beschouwd om het defensiebudget wat opgekrikt te krijgen.
Ik moet toegeven dat ik nu aan die mening begin te twijfelen. Eén ding is zeker: het Nederlandse leger heeft nu wel munitie tot zijn beschikking en krijgt nog veel meer munitie. Het feestje is nog maar net begonnen. De goodwill voor het leger neemt hand over hand toe: op naar de 5%-norm van de NAVO. En kijk wat er gebeurt, er is nu echte munitie en het ene na het andere oefenterrein vliegt in de fik. In de tijd dat ze nog pang pang moesten roepen is dat nooit gebeurd. Het is ff wennen, dat schieten met echte munitie.
Wie rijk wil worden, moet aandelen in het militair-industrieel complex kopen. Het geld klotst daar tegen de muren. Voor de liefhebber enkele cijfers. De totale mondiale militaire uitgaven bedragen momenteel bijna 2.500.000.000.000 euro (2.500 miljard dus). De wapenhandel steeg in 2025 tot ongeveer 190 miljard dollar, 6% meer dan in 2024. De marktwaarde van het Duitse bedrijf Rheinmetall is sinds 2022 explosief gestegen, namelijk met 1500%.
Wie zijn aandelen duurzaam blijft beleggen, is een dief van zijn eigen portemonnee. Wat mij betreft: liever een dief dan mijn geld zou beleggen in het militair-industrieel complex. Ondanks dat ik best voor de versterking van Europa ben, en als belastingbetaler ‘graag’ meebetaal aan de verdediging van Europa, blijf ik diep van binnen een pacifist. Het zijn moeilijke tijden voor pacifisten. Bestaan ze eigenlijk nog? Ik heb de mijne diep weggestopt. Mijn pacifist is zo’n uitgerangeerde mafkees-idealist.
Maar het zijn natuurlijk allemaal keuzes. Zet die militaire kosten af tegen de armoe en de honger in de wereld en we hebben alle recht om ons te schamen. Jaarlijks sterven er 3,1 miljoen kinderen onder de vijf jaar aan ondervoeding. De waanzin van die militaire kosten wordt veroorzaakt door de waanideeën van twee landen en hun vertegenwoordigers: Trump en Poetin. Hoe kan het dat twee mensen de wereld meesleuren in de waanzin? Dat altijd het slechte wordt opgezocht en nooit het goede? Dat het altijd de primitieve drijfveren van het alfa-mannetje zijn?
Het is toch eigenlijk onmogelijk om geen misantroop te worden? Hoe kunnen we ons teweerstellen tegen het gif dat de staat Israël verspreidt? De wispelturige gekte van de Amerikaanse leider, die is blijven steken in het kleuterstadium? Hoe kunnen we ons uit de greep van de psychopaat Poetin bevrijden?
En tussen al die gekte zit ik me druk te maken over de pacifist in mij. Die natuurlijk allang is doodgedrukt. Je wordt verdomme gedwongen om mee te denken, te reageren op die krankzinnigheid van de macht, de taal van de wapens. Met z’n allen zijn we aan het wankelen, op zoek naar evenwicht. Ik wankel gewoon lekker mee. Maar met het weinige geld dat ik heb, ben ik liever een dief van mijn eigen portemonnee dan een moordenaar in dienst van de waanzin.
Journal d’images
Journal
Schuldgevoel
Vrijdag 1 mei, Delft
Tweeëntwintig jaar geleden kochten Wyb en ik een kunstwerk van de Friese kunstenaar Peter van Houten in Dokkum. Het kunstwerk bestond uit drie langwerpige schilderijtjes van hetzelfde formaat. Op het eerste schilderijtje zie je een Fries landschap met negen boompjes op de horizon, op het tweede staan tien grotere bomen en die bomen gaan op het derde schilderijtje over in een bomenrij op die horizon die uiteindelijk voor een boerderij blijkt te staan. De drie schilderijtjes wekken de suggestie dat je in een trein zit, naar buiten kijkt, en het landschap voorbij ziet razen. Dat is tenminste de gedachte die wij erbij hebben.
De drie paneeltjes hebben inmiddels in Den Bosch, Meppel, Dwingeloo, Saint-Hippolyte-du-Fort, Groningen, Cadouin en nu dus in Delft gehangen. Altijd op een prominente plek, want Wyb en ik zijn gehecht aan het kunstwerk. Op deze manier is het Friese landschap toch altijd dicht in de buurt. Voor Wyb is het een prima middel om het heimwee naar Friesland enigszins te onderdrukken.
Toch kan ik nooit naar de drie schilderijtjes kijken zonder mij schuldig te voelen. Ik heb een heilig respect voor de autonomie van de kunstenaar, iedereen moet van kunstwerken afblijven: de politiek, de zedenmeesters en de commercie. Maar nu doe ik een bekentenis: wij hebben die autonomie niet gerespecteerd — in mij huist toch een cultuurbarbaar. Al tweeëntwintig jaar lang fluisteren de schilderijtjes het mij toe.
Wat is het geval? Het kunstwerk, deze verenigde landschapjes, bestond niet uit drie, maar uit vier paneeltjes. Wij kochten dus niet een kunstwerk, wij kochten in feite 0,75 kunstwerk. Wyb en ik waren meteen verliefd op de serie, maar toen wij vroegen hoe duur die was, vonden wij het verrekte prijzig. In die tijd hadden we nog te maken met de financiële naweeën van onze scheidingen. ‘Is het ook mogelijk om drie paneeltjes te nemen?’ vroeg ik, verliefd als wij op het kunstwerk waren — we moesten het hebben. Ik was ervan overtuigd dat de kunstenaar mij zou gaan uitfoeteren, ‘Hoe durf je zo’n voorstel te doen!’ Maar hij zei: ‘Ja, dat is prima, hoor.’
En zo namen wij eigenlijk een gemankeerd kunstwerk mee naar huis. Naarmate de jaren vorderden, nam mijn schuldgevoel toe. Zo erg, dat ik vorige week besloot Peter van Houten te bellen en te vragen of hij dat vierde paneeltje nog had. Hij zei dat hij mijn gezicht nog herinnerde en vroeg mij foto’s op te sturen, zodat hij in zijn atelier kon gaan zoeken.
Ik vertelde Wyb er niets over. Ik wilde haar op 21 juni met het ontbrekende schilderijtje verrassen als wij 25,5 jaar bij elkaar zijn. Ik zag de verbijstering al op haar gezicht: ‘Dat meen je niet. Hoe kom je eraan? En hoeveel heb je ervoor betaald?’
Gisteravond kreeg ik het volgende appje van de kunstenaar:
Beste Gerard, We hebben nav uw vraag over het schilderij het even nagekeken. Het was een serie van 5 schilderijen waarvan u er 3 heeft gekocht en een andere koper heeft de andere 2 gekocht. Helaas zijn er van die serie dus geen schilderijen meer. Ik hoop dat ik uw vraag zo voldoende heb beantwoord. Dank voor de belangstelling. Met vriendelijke groet
Vijf schilderijtjes? Ik kan het me niet herinneren. Volgens mij waren het er toch echt vier. Maar wat maakt het uit. De kunstenaar heeft beschikt; het maakte hem dus echt niet uit dat wij met onze indiscrete vraag het kunstwerk uit elkaar hadden gereten.
En hij heeft gelijk: met kopers zoals wij moet je pragmatisch omgaan, uiteindelijk heeft hij de volle mep gekregen.
Sinds vandaag kijk ik met veel minder schuldgevoel naar de drie schilderijtjes, misschien verdwijnt het wel helemaal. Zelfs met de autonomie van de kunst kan een kunstenaar flexibel omgaan, weet ik nu. Ik moet inderdaad gewoon wat minder principieel worden. Maar eigenlijk was ik dat al, gezien het feit dat ik drie in plaats van vijf schilderijtjes kocht. Ben ik dan toch gewoon een hypocriet?
Journal d’images
Journal
Duizend nijlpaarden
Donderdag 30 april, Delft
Ik wilde dit blog beginnen met de openingszin: ‘Soms schamp je langs het wereldnieuws.’ Maar toen ik die zin even liet bezinken, bedacht ik dat het woordje ‘soms’ toch een beetje overdreven is. Zelf ben ik twee keer langs het wereldnieuws geschampt.
De eerste keer was in 1987, toen Lies en ik Anne uit Sri Lanka ophaalden. We kwamen daar aan toen het conflict tussen de Singalezen en Tamils op het hoogtepunt was. De ene na de andere gruwelijkheid kwam in het nieuws. Er was op het eiland geen toerist meer te vinden. Iedereen was al lang en breed gevlucht. Wij waren, samen met nog wat andere adoptieouders, de enige buitenlanders in Colombo.
Het thuisfront had het niet meer. De Nederlandse kranten stonden vol van alle ellende in Sri Lanka en wij zaten er middenin, dachten ze. Maar van die hele oorlog hebben wij eigenlijk niets gemerkt. Wij zaten veilig in een hotel aan de kust bij Colombo en waren vervuld van de komst van Anne. Het enige wat wij van de oorlog merkten, was dat er af en toe een legerhelikopter laag overvloog. Maar goed, dat gebeurt hier in Delft ook weleens.
De andere keer dat wij langs het wereldnieuws schampten, was in Colombia. Wyb en ik waren daar op vakantie en gingen naar een eiland voor de kust. Het bleek dat wij dichtbij het voormalige landgoed van drugsbaron Escobar zaten. Toen wij erlangs voeren, zagen wij het liggen.
Hij zelf was al een tijdje dood, maar het wereldnieuws was dat de vier nijlpaarden die hij ooit importeerde, drie vrouwtjes en een mannetje, zich inmiddels hadden vermenigvuldigd tot een kudde van meer dan honderd nijlpaarden. Nijlpaarden en ratten hebben dus best veel gemeen, ze vermenigvuldigden zich als de konijnen.
Juist toen wij er waren, was dit wereldnieuws. Hoe kom je op een beetje charmante manier van een kudde nijlpaarden af, was de vraag. Doodschieten is een mogelijkheid, maar de plaatselijke dierenbescherming was inmiddels een machtige beweging geworden. Wyb en ik hadden het landgoed kunnen bezoeken, maar wij huurden in die tijd een boomhut waar het buitengewoon goed toeven was, dus we hebben geen nijlpaard gezien. Bovendien waren in een hostel mijn schoenen gestolen.
Ik kom erop omdat de nijlpaarden van Escobar vandaag opnieuw wereldnieuws zijn. De kudde is inmiddels uitgegroeid tot duizend exemplaren. Dat moet daar een paradijs voor nijlpaarden zijn. De Colombiaanse autoriteiten worstelen nog steeds met de vraag wat zij ermee moeten.
Vandaag lees ik in de Volkskrant dat een Indiase miljardairszoon ze graag wil overnemen en naar India wil laten overvliegen. Hij heeft een privédierentuin waar hij, volgens het bericht, 52.000 dieren heeft verzameld. Vreselijk, lijkt me: 52.000 dieren, en dan wil je ook nog duizend nijlpaarden erbij. Ik vind één hond al veel.
Mijn ‘schampen’ stelt dus niet eens zoveel voor. De kranten staan vol van wereldnieuws, maar wanneer heb je er nou zelf mee te maken?
Of misschien best veel, bedenk ik nu. Als je je tank vol benzine gooit, is dat toch eigenlijk ook een vorm van schampen van het wereldnieuws.
Jezus, duizend nijlpaarden — de mens is de wereld niet waard.
Journal d’images
Journal
Brommen
Woensdag 29 april, Delft
Vincent vertelt over een familielid dat rustig de dingen aanziet, er het zijne van denkt en soms met een opmerking duidelijk maakt dat hij heus wel weet hoe de hazen lopen. ‘Mijn oma zei altijd: God hoort hem brommen.’
God hoort hem brommen, een mooie uitdrukking die ik nog nooit eerder heb gehoord.
‘Mijn oma had meer van die mooie uitdrukkingen. Ik weet nog dat ze voor het eerst Jim van der Woude zag. Toen zei ze: ‘Die is bij het visbakken uit de pan gesprongen.’ Voor wie niet weet wie Jim van der Woude is: hij was een theatermaker met de meest markante kop van Nederland. Helaas is hij overleden.
Die uitdrukking over dat brommen blijft in mijn hoofd zitten. God heeft mij nog nooit horen brommen. God heeft mij eigenlijk altijd meteen luidruchtig enthousiast horen zijn — een van mijn valkuilen. Iemand vertelde me een goed idee en ik stond meteen klaar om het uit te voeren. Ik zag de dingen zelden rustig aan, stond meteen in de doe-modus. Eigenlijk nog steeds; het is de reden dat ik als taoïstisch kluizenaar ben mislukt.
Vandaag ben ik minder enthousiast. Vincent en ik hebben afgesproken in Foam omdat we de tentoonstelling van de Britse fotograaf Martin Parr willen zien. Hij is toch echt een grote naam in de fotografie; er zijn weinig mensen die zijn vaak humorvolle foto’s niet kunnen waarderen. We gaan erheen omdat we voetstoots aannemen dat het een overzichtstentoonstelling van zijn werk is. Zijn naam en faam vragen daar toch om.
Tot onze verbazing is de tentoonstellingsruimte niet groter dan mijn huiskamer. Er hangen zeven foto’s van hem. Aan de wand daar tegenover hangen A3’tjes met ingezoomde foto’s, te veel om er vat op te krijgen en ook nog eens slordig opgehangen. Verder is er een gang waar nog een stuk of zeven zwart-wit foto’s van hem zijn te zien. Al met al: een teleurstellende ervaring. Parr wordt hier liefdeloos afgescheept. Dit alles ook nog eens begeleid door het geluid van drilboren en snerpende zagen.
En daarvoor ben ik dan speciaal uit Delft gekomen. Niet dat ik dat erg vind, want Vincent en ik hebben elkaar een tijdje niet gezien, dus alle tijd om bij te praten. Maar ik vind het vooral lullig voor hem, omdat hij zestien euro moest neertellen voor een tentoonstelling die die naam eigenlijk niet waard is — ik heb gelukkig een Museumjaarkaart.
Als we weggaan, laat de receptioniste weten dat het museum momenteel wordt verbouwd en dat Parr daarom zo weinig ruimte heeft gekregen. Vandaag toch maar een brief naar de directie van Foam schrijven waarom ze niet duidelijk vermelden dat dit een tentoonstelling van niks is.
Voor de lezer van dit blog dus een waarschuwing: voorlopig niet naar Foam gaan, laat je niet verleiden door de naam Martin Parr. Je kunt beter een fotoboek van hem kopen.
Eenmaal thuis zoek ik op of ‘God hoort hem brommen’ een bestaande uitdrukking is. En ja hoor. AI meldt: “God hoort hem brommen is een Nederlandse zegswijze die betekent dat iemand weliswaar stilzwijgend of binnensmonds ontevredenheid uit (mopperen), maar dat dit niet onopgemerkt blijft.’ AI geeft er dus een negatieve connotatie aan, terwijl Vincent en zijn oma het juist positief bedoelden. Ik hou toch de interpretatie van zijn oma aan, en ga de uitdrukking voortaan zeker zelf gebruiken.
Op de terugweg in de trein stoot het meisje dat tegenover mij zit haar blikje cola om. De cola zoekt haar weg over het tafeltje, druipt op de grond, waar ze het laagste punt van de trein opzoekt. Het meisje blijft rustig doorbellen met haar vriendin. Ik ga ergens anders zitten; mijn schoenen maken een plakkend geluid.
Journal d’images
Foto op de site van Foam is van Martin Parr.
Journal
Tederheid, tederheid en tederheid
Maandag 27 april, Delft
In de kelder staan drie dozen met foto’s, totaal ongeordend, mijn hele leven door elkaar gehusseld. Daarnaast staan er nog vier dozen met oude troep: beleidsnota’s die ik ooit heb geschreven, brieven van en aan vrienden, diploma’s, krantenartikelen, bidprentjes, enzovoort. Verder heb ik nog zeventien jaargangen oude blogs in mijn computer zitten. Als je het hebt over herinneringen maken, dan heb ik mijn best gedaan. En echt: ik kijk er nooit naar om. Ik weet dat het bestaat, maar ik taal er nog niet naar. Bij elke verhuizing vond ik opnieuw dat ik die hele zooi moest weggooien — al dat gesjouw. Uiteindelijk kon ik het toch niet over mijn hart verkrijgen en gingen ze mee naar het volgende adres.
Daarom verbaasde het me dat Wyb vorige week zei: ‘Zullen we Dossiermoddergat eens chronologisch teruggaan lezen? Elke keer één maand?’ Ik vond het een uitdagend idee en sinds dat voorstel zitten we elke dag naast elkaar op de bank en lezen we telkens een maand blog terug. Gisteren lazen we augustus 2009.
Maar herinneringen stemmen niet altijd vrolijk. Al lezende zitten Wyb en ik opeens weer midden in het ziekteproces van mijn moeder. Soms weet ik niet of ik wel wil doorlezen. Zo lezen we op maandag 24 augustus:
Op het eind van de middag naar mijn moeder. Ik schrok toen ik haar in de gemeenschappelijke huiskamer in haar rolstoel zag hangen. Een week geleden waren Wyb en ik nog bij haar, maar in een week is ze zoveel slechter geworden. Ik kan nu echt niet meer met haar communiceren. Soms mompelt ze in zichzelf zinnen, waarvan ik flarden opvang, zinnen die ik probeer te interpreteren, maar niet begrijp.
Ze heeft een vreemde, schorre stem. Als ik met haar op haar kamer zit, word ik gebeld door een verzorgende. Ze vertelt dat de dokter vandaag bij haar is geweest omdat ze het zo benauwd had. De schorheid komt doordat ze soms heel hard in de gangen om hulp schreeuwt. Ze roept dan om mij en haar vader en moeder. ‘Gerard, Gerard, help, help, ze houden me hier gevangen!’ Om dat schreeuwen tegen te gaan, krijgt ze nu pilletjes.
Als ik er wat langer ben, kan ik haar gelukkig weer beter verstaan.
‘Hoe is het met moeke en papa?’ vraagt mijn moeder voor de zoveelste keer.
Tot nu toe heb ik altijd geantwoord dat ze al heel lang dood zijn. Dat ze dat toch wel weet. Waarop ze meestal ‘O, ja,’ antwoordde. ‘Wat stom dat ik dat steeds vergeet.’
Soms maakt ze me ook verwijten omdat ik dat nooit tegen haar heb verteld en beleeft ze het verdriet opnieuw.
Voor het eerst zeg ik dat het goed gaat met moeke en papa. Ze is daar erg opgelucht over.
Ik word triest van mijn antwoord. Het voelt als een soort afscheid. We betreden nu de irreële, duistere wereld van mijn moeder. Opnieuw heb ik een andere moeder. Een moeder die steeds verder in een zwart gat verdwijnt. Een gat dat vandaag nog zwarter is geworden.
‘Hoe vaak vrijen jullie per week?’ vroeg ze op een gegeven moment. Een vraag die ze vroeger zeker nooit zou stellen.
‘Tederheid, tederheid en tederheid. Dat is heel belangrijk,’ voegt ze er aan toe.
En dat getuigt van grote wijsheid.
Ik neem knuffelend afscheid van haar. Arme moeder.
Schoolfoto van mijn moeder.
Journal
London calling & de zwembroekgeneratie
Zondag 26 april, Delft
Meteen nadat ik mijn blog Spiegeltje, spiegeltje.. over mijn naaktheid als oudere op internet heb gezet, gaan Wyb en ik naar Den Haag. Ons doel: de tentoonstelling London Calling in het Kunstmuseum Den Haag. Voor het eerst worden hoogtepunten van de naoorlogse Britse schilderkunst in een overzichtstentoonstelling getoond.
De tentoonstelling toont werken van onder meer Francis Bacon, Lucian Freud, David Hockney en Sylvia Sleigh. Ik maakte eerder kennis met hun werk in Tate Modern en in galeries in Londen. Ik vind hun werk prachtig. Elke keer dat ik voor hun werk sta, betreur ik dat ik geen schilder ben.
Kunstmuseum Den Haag kondigt de tentoonstelling als volgt aan: ‘Londen is wat hen bindt, net als een gedeelde toepassing van verf: doeken met lijven, blikken, binnenkamers — de uitdrukking van een tijdsbeeld. De menselijke figuur wordt door deze schilders gevierd en tot het uiterste gedreven.’ Ik geef toe dat dit niet de mooiste zinnen zijn die in het Nederlands zijn geschreven. Een cursus helder schrijven voor kunsthistorici en curatoren zou erg nuttig zijn.
De tentoonstelling is een feest. Het menselijk lichaam wordt inderdaad gevierd. David Hockney doet dat in zijn bekende aanstekelijke kleuren, Francis Bacon maakt onze existentiële angsten zichtbaar, maar het hoogtepunt blijft voor mij toch altijd Lucian Freud. Hij schildert grote, naakte lijven in al hun pracht, onvolmaaktheid en vleselijkheid.
In de zaal waar het werk van Francis Bacon hangt, zitten een stuk of twintig pubers rustig op de grond te tekenen. De een tekent een schilderij na, een ander laat zich erdoor inspireren. Een lief gezicht: zestien-, zeventienjarigen die met het puntje van hun tong uit hun mond aan het werk zijn.
Wyb en ik staan in een klein zaaltje voor een kunstwerk van Sylvia Sleigh. Op het doek ligt diagonaal een naakte man op een rode deken, zijn benen wijd, een slank lijf, behaard, een piemel prominent in het midden van het doek, zijn armen ontspannen onder zijn hoofd. De man heeft een bos krullen die ik vroeger ook had. Wyb merkt op dat de man wel erg lijkt op mijn jeugdfoto’s. Dat was mij ook al opgevallen.
Wyb en ik concluderen dat het een mooi schilderij is. Op dat moment gaat de deur open en komen de eerste pubers binnen die wij eerder op de grond zagen zitten. En dan gebeurt iets wat deze generatie mijlenver van mijn generatie scheidt. Ze komen binnen. Ze kijken even naar rechts, naar het schilderij met het naakt, en draaien meteen hun hoofd naar links: ze durven er niet naar te kijken — en dat niet één iemand, maar allemaal. Het lijkt afgesproken werk: naakt — je ziet dat ze het verschrikkelijk vinden. Wyb en ik moeten er hardop om lachen. En ik word er ook een beetje triest van. Dit is nou de nieuwe generatie: bang voor bloot. Het is de generatie die met een zwembroek onder de douche gaat op de voetbalclub — de zwembroekgeneratie. Wat ben ik blij dat ik in de jaren zestig en zeventig puber was en een klap van de seksuele revolutie heb meegekregen.
Als de laatste pubers binnenkomen en ook zij hun hoofd verschrikt naar links draaien, kan ik het niet laten te wijzen en te zeggen: ‘Kijk, dat is nou een piemel.’ Het educatieve personeel kijkt mij verwijtend aan. Heb ik me nou schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag?
Als we de tentoonstelling verlaten, zitten een aantal pubers keurig te wachten op de anderen. Ik ben bang dat ze überhaupt het bloot van de Londense schilders niet aandurfden. ‘Blijven jullie hier dan maar wachten.’ Hoe kan het toch dat wij — nou ja, niet wij, maar ‘men’ — zo preuts zijn geworden? Wie of wat heeft daarvoor gezorgd? Is het de christelijke en islamitische invloed, die verdomde geloven met hun weerzin tegen lichamelijkheid en seksualiteit?
De tentoonstelling is te zien tot en met 7 juni. Aarzel niet, zeer de moeite waard.
Journal d’images
Journal
Spiegeltje, spiegeltje…
Vrijdag 24 april, Delft
Mijn vader had ongetwijfeld de lelijkste benen die ik ooit heb gezien. Ze waren erg dun, melkwit en zonder enige spiervorming. Bij mij is dat gelukkig nog niet het geval. Ik zie dat ze steeds meer oudemannenachtig dunner worden, maar ik heb het geluk dat ik in Cadouin vaak in korte broek loop, zodat ze bruin zijn en dat ze stevig zijn behaard. Daar komt bij dat ik elke dag wel zeven, acht kilometer met Dies loop, waardoor mijn spieren nog tamelijk goed ontwikkeld zijn.
Verder is het verval overal onbarmhartig aanwezig. Mijn armen lijken in de loop van de jaren langer geworden. Dat komt volgens mij doordat ze steeds dunner worden. Ik trek en duw sinds een paar maanden aan allerlei apparaten, maar enig spoor daarvan is niet zichtbaar.
De eerste keer dat ik me bij mijn voormalige schoonfamilie ging voorstellen, was het eerste wat hun opviel mijn dunne polsjes. En die heb ik altijd gehouden.
Mijn hoofdhaar, jezus, mijn hoofdhaar. Ik kan er nauwelijks naar kijken. Ooit sierde een bos pijpenkrullen mijn hoofd, tot op mijn schouders. In de loop van mijn zestigste begon het verval: eerst grijs, daarna steeds minder haar. Wat er nu zit, heeft het leven vrijwel opgegeven. Van de weelderige krullen is alleen nog een flauwe slag overgebleven. Ze doen me steeds meer denken aan basilicumplantjes die ik bij de Albert Heijn koop en bij ons altijd kwijnend eindigen.
De begroeiing op mijn lijf wordt daarentegen niet dunner. Overal zit haar dat van geen wijken weet. Het schijnt dat sommige vrouwen gruwen van behaarde mannen. Behaard zijn is volstrekt uit de mode. Er wordt tegenwoordig flink wat afgeharst, heb ik me laten vertellen. Tegen mijn haargroei valt niet op te harsen. Wyb heb ik er gelukkig nooit iets over horen zeggen en zelf heb ik er ook vrede mee.
Dan mijn gezicht. Mensen die ik van lang geleden ken, zullen mij niet herkennen. Het bolle is uit mijn gezicht verdwenen. Nu: overal groeven en rimpels. De zwaartekracht trekt onophoudelijk en blijkbaar geeft mijn lichaam zich steeds meer over.
Sowieso ben ik veel dunner geworden. Toen ik stopte met werken woog ik 85 kilo. Daar zijn er nog 76 van over. Alles aan me is minder geworden; er resteert steeds minder Blogger. Behalve mijn buik, souvenir van al dat uit-eten in mijn leven, al die alcohol waarmee ik hem heb gevoed. Volgens Wyb is de buik ‘echt veel minder geworden’, dat is lief van haar. Maar als ik, zoals nu, voor onze nieuwe IKEA-staspiegel sta, zie ik het zo: mijn lijf wordt steeds dunner, mijn buik blijft hetzelfde formaat houden, waardoor mijn figuur een steeds vreemdere vorm krijgt.
Waaraan je het meest kunt zien dat de ouderdom aan me vreet, is mijn kont. Ik had het eerst niet door. In mijn beleving waren de opmerkingen van Jan van zestig jaar geleden nog actueel, namelijk dat ik een prachtige kont had en dat ik zeker balletdanser moest worden. Ik probeer ernaar te kijken, maar dat lukt helaas niet. Mijn rug kraakt.
Ik kwam erachter omdat ik een keer bij iemand opmerkte dat hij zo’n ouwelijke kont had. ‘Heb je je eigen kont dan weleens gezien?’ vroeg Wyb. ‘Nee, hoezo?’ ‘Die is ook aardig oud geworden, hoor.’ Ze maakte een foto van mijn naakte achterste en ik wist niet wat ik zag; ik schrok me dood. Mijn prachtbillen waren verschrompeld als een sinaasappel die al wekenlang in de fruitschaal ligt. Ik schaamde me voor mijn eigen kont. Ik zag de totale ineenstorting.
Als we het dan toch over intieme zaken hebben, moeten we maar alles benoemen. Mijn geslacht? Och, mijn geslacht, wat moet ik erover zeggen zonder onaardig over hem te zijn en mezelf niet belachelijk te maken? Wie het ziet zal zeggen: ouderdom, onmiskenbaar. De aantasting door de tijd is in volle gang. De zwaartekracht heeft de overwinning in zicht. De IKEA-spiegel is meedogenloos.
Het zal duidelijk zijn dat ik momenteel stevig word beïnvloed door de schrijver Karl Ove Knausgård.
Journal d’images
Journal
Muisje
Donderdag 23 april, Delft
Vandaag toch weer even wat kinderpoëzie. Twee lezers vroegen zich af hoe dat gedichtje in de bloemlezing van Gerrit Komrij luidde. Ik haal het graag nog eens tevoorschijn. Omdat ik dan toch bezig ben, nog twee gedichtjes extra en dan hou ik ermee op.
Muisje
Och, kijk,
wat lief
een muisje
in een heel
klein versje
Muisje werd ook nog opgenomen in een andere bloemlezing, de bundel Heel de wereld wordt wakker, samengesteld door Jaap Robben. Hij verklaarde in de Taalstaat dat Muisje zijn lievelingsgedichtje was, juist door zijn kleinheid. Ik stond versteld van die keuze. Heel de wereld word wakker won ook nog de Zilveren Griffel, waardoor ik, goed beschouwd, toch 1/333 van een Zilveren Griffel heb gewonnen. Er stonden namelijk 333 gedichten in. Goed, dan nu het volgende gedicht.
De hond
Voor Dobber
Ik aai
de hond.
De hond
aait
mij nooit.
Dat is
wel jammer.
Ik beschouw mij als de uitvinder van het schreeuwgedicht. Tijdens optredens in scholen en bibliotheken liet ik de kinderen zo hard mogelijk gedichten mee schreeuwen. Ik zei een regel en dan schreeuwden ze die zo hard mogelijk na. Zo heb ik het onderwijs in heel wat scholen stilgelegd. Even wat aandacht voor poëzie, vond ik, kon geen kwaad. Zo’n schreeuwgedicht is De zwanen.
De zwanen
De zwanen
vliegen
de V
van
vliegen.
De V
van
Ver,
heel erg
Ver.
De V
van
Vrij.
Wij zijn
Vrij.
Tip: wie dit gedicht echt wil beleven, raad ik aan om het keihard uit te schreeuwen. Duizenden kinderen gingen je voor.
Journal d’images
Journal
O, was ik maar een aap
Woensdag 22 april, Delft
Mijn oeuvre met kinderpoëzie is echt flinterdun. Het bestaat uit achttien gedichten, gebundeld in de ultradunne bundel O, was ik maar een aap. Het grappige is dat er in de belangrijkste bloemlezingen van de afgelopen tijd altijd wel een van de gedichtjes werd opgenomen. Zo vond ik mezelf terug in de dikke bloemlezing van Gerrit Komrij: De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Ik ben daar te vinden op pagina 847, met het uit elf woorden bestaande gedichtje Muisje.
Vorig jaar werd het titelgedicht van mijn bundeltje opgenomen in de bloemlezing Elk versje is een visje, samengesteld door Hans Hagen. Het gedicht gaat zo.
Een aap
Van tak
tot tak.
Omhoog,
omlaag.
Van links
naar rechts.
Van hier
naar daar.
Met hand
met voet.
Van hot
naar her.
Een zwiep
een zwaai.
Altijd lol
en nooit in slaap.
O, was ik maar
een aap.
Ik kreeg, zoals dat hoort — maar wat Komrij was vergeten — een presentexemplaar van Elk versje is een visje toegestuurd. Natuurlijk zoek je dan eerst je eigen gedichtje op. Toen ik het zag, werd ik woedend. Als er een rechtbank voor poëzie bestond, had ik de samensteller aangeklaagd wegens verkrachting van mijn gedicht. In de bloemlezing stond Een aap als volgt afgedrukt:
Een aap
Van tak
tot tak.
Omhoog,
omlaag.
Van links
naar rechts.
Van hier
naar daar.
Met hand
met voet.
Van hot
naar her.
Een zwiep
een zwaai.
Altijd lol
en nooit in slaap.
O, was ik maar
een aap.
Witregels vormen, vind ik, de longen van een gedicht. Amputeer je de witregels uit een gedicht, dan beneemt dat de adem en is het gedicht opeens morsdood. Bovendien geven witregels rust en betekenis aan een gedicht. De barbaar die besloten heeft de witregels uit O, was ik maar een aap te halen, is een poëziecrimineel, een verkrachter van poëzie.
Arme aap: door deze typografie zag je hem niet meer zwiepen en zwaaien, alle lol was hem vergaan. Het is een nietig gedichtje, maar dat wil niet zeggen dat je het moet vernietigen.
Er zal vast een wetenschapper zijn die promotieonderzoek heeft gedaan naar de functie van de witregel. Ik zou dat graag vinden, want dan stuur ik het meteen naar Hans Hagen, die toch verantwoordelijk is voor deze bloemlezing. Foei, Hans.
Ik geloof zelfs dat het boek Elk versje is een visje zich ontzettend schaamt en dat het ergens in een hoekje is weggekropen. Waar ik ook zoek — in Cadouin of Delft — ik kan het niet meer vinden. Het boek heeft zichzelf zoekgemaakt. En terecht.
Journal d’images
Journal
Thuizen
Dinsdag 21 april, Cadouin
‘Eigenlijk is dit toch ons thuis,’ zei Wyb een paar dagen geleden.
Ik kon het alleen maar bevestigen, ook al is het niet waar, weten we allebei.
Cadouin voelt zeker als ons thuis. Eigenlijk staan al onze spullen hier. Toen we naar Delft vertrokken, wilden we het huis hier niet ontmantelen. We moesten ons er thuis blijven voelen. De meeste boeken staan hier, de meubels waar we van houden, de kunst hangt hier aan de muren. Als we hier zijn, voelt het zoals een thuis voor ons behoort te zijn.
Maar het is het niet. We hebben het uitgeprobeerd, maar het werkte niet. Niet dat we hier ongelukkig waren, maar langzaam sloop de verlatenheid van de streek ook in ons. Wyb was hier graag aan de slag gegaan, maar er was geen werk. Buiten het toeristenseizoen is er hier nauwelijks economie. We waren hier helemaal teruggeworpen op onszelf. De grote steden liggen hier uren rijden vandaan, daar ga je niet zomaar even heen. Behalve boeken en televisie zijn we hier verstoken van cultuur. In de loop van de twee jaar dat we hier woonden, droogden we langzaam uit.
Voor mij kwam daar nog bij dat ik me niet veilig voelde. In de Cevennen ervoer ik hoe het is om van de ene op de andere dag een patiënt te zijn. Zo zit je ’s avonds te borrelen en te lachen en zo lig je de volgende dag in het ziekenhuis. In de Cevennen hadden we tenminste nog twee academische ziekenhuizen in de buurt. Hier moeten we tientallen kilometers rijden voordat we bij een streekziekenhuis zijn. In de Cevennen hadden we mevrouw Bonvoisin als huisarts, een en al zorgzaamheid. Hier hebben we een huisarts die nog het meest weg heeft van een kampcommandant.
Maar zou een ziekenhuis dichtbij zijn, dan nog zit ik met mijn taalprobleem. Mijn Frans is te slecht om genuanceerd met medici over mijn toestand te praten. Daar komt bij dat Franse medici dat sowieso niet graag doen. Ik voelde me daar in de Cevennen aan de goden overgeleverd.
Dus het is nogal twijfelachtig om te zeggen dat Cadouin ons thuis is. Ons huis voldoet gevoelsmatig aan de criteria, maar — om in ambtenarentermen te spreken — dat wordt niet gefaciliteerd door de omgeving. Als ik moest kiezen tussen Cadouin en Delft, dan koos ik zeker voor Delft. Oké, dat huis van ons daar is ingericht met veel Marktplaats-spul, maar het is best naar onze zin.
Een wat schizofrene situatie dus. Hinken op twee ’thuizen’, of is het ’thuisen’? Nu blijkt ook nog eens dat het meervoud van thuis niet bestaat. We zitten dus in een onbestaanbare situatie.
Vandaag rijden we van thuis Cadouin naar thuis Delft. Je kunt het ook een luxeprobleem noemen, the best of two worlds, of meer van dit soort clichés. Wij switchen dus regelmatig van wereld, hebben in elk thuis totaal verschillende ervaringen. Eigenlijk ook niet gek. Nu zijn we ‘in between’, wat weer lunchen in Parijs betekent. Zo erg is het nu ook weer niet om niet echt één thuis te hebben.
Journal d’images
Thuis Cadouin.
Journal
Aangeschoten
Zondag 19 maart, Cadouin
In een interview in de Volkskrant met schrijfster Annegreet van Bergen lees ik de volgende passage: ‘In mijn boek vertel ik over een jonge vrouw, begin zestig, van wie de omgeving weet dat ze gaat sterven. De familie besluit om het haar niet te zeggen. Later blijkt dat zij het zelf ook weet, en heeft gedacht: ik ga het maar niet tegen mijn familie zeggen.’
Deze woorden brengen mij meteen terug naar 1971. Mijn vader is zojuist geopereerd aan zijn blaas. Hij is vierenveertig jaar, mijn moeder drieënveertig en ik zeventien. Een dag na de operatie worden mijn moeder en ik uitgenodigd door de behandelend specialist.
Hij vertelt ons dat hij heeft moeten constateren dat mijn vader blaaskanker in een vergevorderd stadium heeft. Hij spreekt het vermoeden uit dat mijn vader nog maar een jaar te leven heeft. En hij legt ons de vraag voor hoe wij op de beste manier met deze wetenschap tegenover mijn vader kunnen omgaan.
‘Wat is het beste voor meneer Tonen? Kunnen we hem vertellen dat hij nog een zeer beperkte levensverwachting heeft of moeten we hem daarover in het ongewisse laten? Wat is beter voor hem? Hoe staan jullie daartegenover?’
Mijn moeder en ik kijken elkaar blijkbaar wanhopig aan.
‘Ik kan me voorstellen dat jullie daar nog nooit over hebben nagedacht. Misschien is het goed als jullie je in het kamertje hiernaast even terugtrekken en het er met elkaar over hebben. Dan kunnen wij in de verdere behandeling, en u in uw communicatie met hem, daar rekening mee houden.’
Mijn moeder en ik trekken ons terug in tranen. Mijn vader nog maar een jaar te leven? Ik kan het me niet voorstellen.
‘Wat vind jij? Moeten we het hem vertellen?’ vraagt mijn moeder na een tijdje.
Ik weet het niet.
Ondanks ons verdriet komt mijn moeder al snel tot de volgende conclusie: ‘Aloys is mentaal niet sterk. Als hij het hoort, stort hij volledig in; dat weet ik zeker. Alle hoop en optimisme zal verdwijnen. Volgens mij moeten we het niet zeggen. Wat vind jij?’
Ik zeg dat ik denk dat mijn moeder gelijk heeft.
Met die conclusie gaan we terug naar de behandelend specialist.
Een maand later zitten we opnieuw bij de specialist, nu samen met mijn vader. De specialist vertelt ons dat hij een operatie wil gaan uitvoeren die nog nooit is uitgevoerd, maar dat hij het toch wil doen om mijn vader beter en langer te laten leven. Ondanks dat de operatie zeker niet risicoloos is. Aldus geschiedde.
Mijn vader heeft nog tien jaar geleefd. Hij stierf op 54-jarige leeftijd aan een hartstilstand. Maar vraag niet hoe hij die tien jaar heeft geleefd. Niet voor niets bestaat de uitdrukking ‘hij is aangeschoten wild.’ Mijn vader was letterlijk aangeschoten wild. Het beste kan ik zijn leven vergelijken met dat van een aangeschoten ree dat gewond en in paniek door het bos rent. Hij knalt in zijn paniek tegen bomen, is wanhopig, soms blijft hij even staan om zijn wonden te likken. Hij heeft geen idee wat hem overkomt, uitgeput rust hij in greppels om daarna weer in blinde paniek verder te rennen, hij kijkt voortdurend schichtig om zich heen, opgejaagd door angst en pijn.
Ik heb nog vaak aan die vraag gedacht: vertel je iemand wel of niet dat hij niet meer operabel is en zijn levensverwachting zeer beperkt? Zelf zou ik het absoluut willen weten. Al was het alleen maar zodat ik mijn maatregelen kon nemen. Ik denk dat er tegenwoordig consensus bestaat dat eerlijkheid de voorkeur heeft. Ik heb ons ‘leugentje om bestwil’, zoals de specialist het formuleerde, altijd een grove leugen gevonden. We hebben het hem nooit verteld, maar hij heeft daar zeker geen baat bij gehad. Het kan bijna niet anders dan dat ook hij wist dat de dood voortdurend nabij was.
Journal d’images
Mijn vader en moeder in betere tijden.
Journal
Valleitje
Zaterdag 18 april, Cadouin
Ik heb het altijd over ‘onze berg’, maar dat klopt niet helemaal. ‘Onze berg’ is namelijk een deel van een bergrug. Ons perceel is ongeveer vijfenzeventig meter breed en loopt van beneden tot aan de top. Op de top zit een dassenburcht, maar dit terzijde.
Onze rechterbuurvrouw, Jenny, heeft een veel breder deel van de bergrug, ik denk wel zo’n honderdvijftig meter. Ook haar perceel loopt van beneden tot boven.
Onze linkerbuurman is onbekend. De bergrug is daar een wild bos, het is denk ik wel tweehonderdvijftig meter breed. De eigenaar hebben we nooit ontmoet; we hebben geen idee wie het is. Op dit deel van de bergrug staan geen huizen. Als je goed kijkt, zie je wat vervallen bouwsels tussen de bomen door schemeren.
Om het beeld compleet te maken, nog twee opmerkingen. In de eerste plaats dat onze bergrug eigenlijk helemaal geen bergrug is. Het zou preciezer zijn om het een heuvelrug te noemen. Ik vind ‘bergrug’ echter veel romantischer klinken, dus sinds we hier wonen, heb ik het altijd over een bergrug. Het is trouwens best een steile bergrug. Ik meen me dat te kunnen permitteren omdat Nederlanders een heuvel al gauw een berg noemen.
In de tweede plaats is het belangrijk om te weten dat helemaal onderaan de bergrug een smal weggetje loopt: Chemin de la Condamine. Alleen aanwonenden en mensen die bij hen op bezoek gaan, mogen daar gebruik van maken. Het weggetje is één smalle auto breed.
Er staan slechts drie huizen aan de Chemin de la Condamine. Het huis van Jenny, ons huis en tweehonderdvijftig meter verderop het vakantiehuis van een Engels echtpaar. Al vóór hun huis houdt onze bergrug op.
Als je over het weggetje loopt, zie je aan het eind van de bergrug een pad naar links. Ogenschijnlijk is het de toegangsweg tot het huis van het Engelse echtpaar, maar in feite loopt het pad langs hun huis.
Het pad leidt je naar een goed verstopt valleitje, diep het bos in. Ik vind het een intrigerend gebied, vooral omdat het een schuilplek voor het wild is. Zelden komt hier iemand. Hier heerst de stilte. Het bestaat uit lage struiken en wat open plekken.
Dies is hier altijd op zijn hoede. Hij ruikt de zwijnen en wil halverwege het valleitje het liefste omdraaien. Hij heeft er geen zin in om het gevaar op te zoeken. Ik loop graag het gebiedje in, of liever gezegd: sluip graag het gebiedje in. Al diverse keren ben ik hier bijna letterlijk tegen een ree aangelopen. Dat dan van schrik en angst keihard blaffend wegrent. Het is een schel angstig blaffen.
Ik sluip graag door het valleitje. Je hebt het idee dat je midden in de wildernis bent. Links ligt dus onze heuvelrug en rechts loopt het bos langzaam weer omhoog. Wyb en ik zijn daar wel eens doorheen gelopen en kwamen bij een zwijnenpoel uit. Maar het liefst blijf ik aan het eind van het valleitje staan om naar de vogels te luisteren en te kijken of het wild zich laat zien. Vandaag hoorde ik de koekoek en hoog in de lucht zweefden roepende buizerds. Ik noem dit valleitje in mijn hoofd altijd ‘De vallei van de poëzie’. Als je hier staat, weet je dat het leven mysterieus en intens is.
Journal d’images
Journal
Single
Donderdag 16 april, Cadouin
‘Geer, wanneer ben je weer thuis?’
‘De eenentwintigste of tweeëntwintigste. Hoezo?’
‘Dan moeten we snel weer wat filmpjes opnemen.’
‘Waarover dan? Heb je al een lijstje met ideeën gemaakt?’
‘Over het single zijn, bijvoorbeeld.’
‘Als het over dat onderwerp gaat, heb je niets aan mij, An. Ik ben mijn hele leven nog niet single geweest. Sinds mijn zeventiende heb ik een relatie. Ik vier bijna mijn diamanten jubileum niet-single zijn.’
‘Maar je hebt er toch wel een mening over? Je kunt er toch wel iets over zeggen?’
‘Zeker. Mijn probleem is dat ik overal een mening over heb, dat weet je ook wel.’
Anne ruikt het succes, dat merk ik wel. Op de een of andere manier slaan die achteloze gesprekjes van ons op de bank erg aan op Instagram. Rokus vergeleek ons gisteren al met Snip en Snap, Johnny en Rijk. Ik denk dat het komt omdat de combinatie vader-dochter in de eenvormige influencerswereld bijna niet voorkomt. Wat het helemaal bijzonder maakt in deze schijnwereld, is dat een boomer en een jonge, enthousiaste vrouw in gesprek gaan. En wanneer zie je nou nog een boomer in de digitale wereld? Boomers zijn sowieso een uitstervend ras; ze worden steeds zeldzamer.
Ik denk soms best weleens: was ik maar een tijdje single geweest. Een bandeloos leven, met alle geneugten van dien, en dat voor een paar jaar, had me best iets geleken. Daarvoor in de plaats ben ik altijd een keurige man geweest. Nooit naar de hoeren geweest — hoe duf kun je het hebben —, nooit eens lazarus thuiskomen, kotsend boven de wc, nooit eens stiekem een affaire hebben. Uitgezonderd één keer dan, en dat werd meteen een regime change om in termen van Trump te spreken. Het bleek een gouden deal, dat wel.
Dat ik helemaal niet voor single in de wieg ben gelegd, blijkt deze dagen. Wyb heb ik maandag naar het vliegveld van Bergerac gebracht. Vrijdag vliegt ze weer terug en heeft dan drie dagen gewerkt. Het gevolg is dat ik drie dagen alleen hier op onze berg zit. Inmiddels ben ik daar redelijk in getraind. Maar god, ik vind het zo veel leuker met z’n tweeën.
Ik merk op zulke dagen bovendien dat ik heel slecht alleen kan slapen. Het is zo koud, alleen, vooral omdat de nachten hier best fris zijn. Maar sowieso, ik ben zo gehecht aan het lijf van Wyb ’s nachts naast me. De warmte, een arm om haar heen, of andersom, haar borst in mijn hand. Dat zijn zulke waardevolle dingen en een garantie voor een lekkere slaap.
Ik denk dan meteen aan een gedicht dat ik lang geleden schreef, een soort ode aan het samen slapen.
__
Wij dansen elke nacht
in een veel te klein bed
de gekende dans.
Wij draaien om en om en
met elkaar mee van links
naar rechts en terug.
De muziek is het ritme
van ons hart, het ronken
van de diepste dromen.
Een arm die om de ander slaat.
een been dat langzaam terug
beweegt. Een lijf dat wentelt.
En overdag is er een pauze,
dan lopen wij een rondje.
Maar ’s nachts, ’s nachts
dan keren wij terug naar
ons toneel, dan dansen wij
onze horizontale pirouettes.
Journal d’images
Journal
Groeiexplosie
Woensdag 15 april, Cadouin
Vorig jaar reed aan het einde van de zomer een grote graafmachine onze tuin in en maakte van onze geliefde tuin één grote modderpoel. Hij groef diepe gaten voor onze nieuwe septic tank. Een grote operatie. Eigenlijk nergens voor nodig, want onze oude septic tank functioneerde prima. Grote kans dat hij er al een eeuw of langer in zat. Maar volgens de ‘bevoegde autoriteiten’ was hij niet aux normes en was het tijd voor een gecertificeerd exemplaar.
Toen de graafmachine de tuin verliet, zat de tank erin en was de tuin geëgaliseerd. Wat bleef was een kale moddervlakte. In oktober zaaiden Wyb en ik een paar zakken graszaad over de modder en zie het resultaat. Als je in de tuin staat, lijkt het al een volwaardig gazon. Als je vanuit ons huis naar beneden kijkt, zie je nog wat kale plekken. Vandaar dat we afgelopen weekend nog eens twee zakken graszaad haalden.
Toch durf ik wel te spreken van een groeiexplosie. Zo was het kaal, zo is het een gazon. Dit is tekenend voor de Dordogne. Regendagen wisselen af met dagen vol zon. Het is de ideale tijd voor een groeiexplosie. De lente ligt hier weken voor op Nederland.
Ik vind dit eigenlijk de mooiste tijd om in Cadouin te zijn. Je ziet de natuur exploderen, alles is fris groen, de ene na de andere bloemsoort steekt zijn kop boven het maaiveld. De vallei is veranderd van een weiland in een veld vol boterbloemen.
Het fijne is ook dat het jachtseizoen is afgelopen. Zondag reden we langs de afscheidsbarbecue van de plaatselijke jachtvereniging. Die zal vast overdadig zijn geweest, want er is weer lustig op los geschoten. Met gevaar voor eigen leven en nietsvermoedende wandelaars. In 2022 waren er tachtig jachtslachtoffers, waarvan acht doden. Voor 2025 zijn de cijfers nog niet bekend.
Er is ook goed nieuws, denk ik. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat de zwijnen als winnaars uit dit jachtseizoen zijn gekomen. Tenminste, volgens mijn eigen waarnemingen, nog nooit heb ik zoveel zwijnensporen gezien. De randen van vrijwel alle paden zijn omgewoeld door zwijnen, veel meer dan andere jaren. Ze maken er een uitbundig feestje van.
Het is lekker rustig nu de jacht is gestopt. Eindelijk geen last meer van de waanzinnig blaffende honden die als gekken door de bossen rennen om het wild op te jagen. Ik begrijp ze wel. Als ze niet jagen zitten ze opgesloten in hokken, soms zelfs zonder enig daglicht. Op zaterdagen en zondagen worden ze in de kooien op fourwheeldrives gezet en in het bos losgelaten. Eindelijk eens lekker rennen. Ze gaan overal dwars doorheen: door het bos op onze berg, zelfs door onze tuin. En maar blaffen.
Tijdens het jachtseizoen zien we elke week wel een verdwaalde hond met een zender om zijn hals lopen, op zoek naar zijn baas. Jammer genoeg zal zijn baas hem al snel door de zender vinden en hem oppikken. Thuis wacht hem weer een donker hok.
Journal d’images
April 2026.
Oktober 2025.
Journal
Slap handje
Dinsdag 14 april, Cadouin
Het slaapfeestje van de eeuw zit erop. Het beeld dat ik er tot nu toe van heb gezien: er komt een auto aanrijden, Max, Lex en Jetten stappen uit, geven een handje, ‘fijn om u te ontmoeten’. Dan schakelt het beeld over naar een toespraak van Lex eerder die dag. Van het bezoek in het Witte Huis: geen foto, geen filmbeeld, niets.
En daar betalen wij niet voor, regering. Wij hebben een koningshuis voor de show. En dan willen we die show ook zien. Die hele realityshow van de Oranjes kost ons 40 miljoen euro per jaar, en daar komen nog tientallen miljoenen voor beveiliging, onderhoud van paleizen etc. bij. Dan vind ik dat er op zo’n cruciaal moment geleverd moet worden. Veel risico’s aan dit logeerpartijtje? Prima, dat is de charme van het genre reality.
Ik wil zien hoe Max en Lex van de coquilles zitten te smikkelen, en hoe Trump tegenover hen in zijn Big Mac zit te happen. Het lijkt me een prachtig beeld: Max en Lex die van de Sancerre nippen, terwijl Trump zijn glaasje cola opslurpt.
Ik wil weten of Melania inderdaad kan praten. We weten dat ze van een stuk papier kan voorlezen, maar kan ze ook praten, ik bedoel dus: converseren?
Waar hebben ze het tijdens het eten over gehad? Epstein? Of was hij de olifant in de kamer? Heeft Trump nog gevraagd of Max hem wilde imiteren? Of zat Trump tijdens het eten een beetje verveeld op zijn laptop Jezusplaatjes te fabriceren: hij als Jezus, een nieuwe hobby van hem.
Kreeg Trump nog een woedeaanval? Of excuseerde hij zich al vroeg omdat hij naar bed moest? Hij schijnt altijd om tien uur naar bed te gaan. Even nog wat gezellig twitteren, en dan lekker slapen. En zaten Max, Lex en Jetten toen alleen met Melania aan tafel? Klikte het bestek ongemakkelijk tegen de borden? We weten het niet. Alles is mogelijk. Maar dat willen we allemaal weten. Wij zijn gretig.
Door het programma Married at First Sight weten we dat je het naar bed gaan best decent in beeld kunt brengen. Max en Lex die nog even converseren wat ze ervan vonden, een laatste nachtkus en wij zijn weer bevredigd. Dat is het niveau dat we van goede reality zijn gewend.
Na afloop zegt Jetten dat hij op een open en constructieve manier met Trump heeft gesproken. Come on, man. Wat zijn dat voor algemeenheden? Ik lees een boek en Wyb vraagt: ‘En hoe was het boek?’ En ik zeg: ‘Goed.’ ‘En waar ging het over? En dan zeg ik: ‘De liefde.’ Jetten, dat zijn toch antwoorden van niks? Dan weet Wyb toch nog steeds geen ene ruk over dat boek. Open en constructief. Dan denk ik meteen: dat was dus gewoon een kutgesprek.
We willen je zweet kunnen ruiken als je voor de eerste keer alleen met hem bent. De ontmoetingen van de eerdere Nederlandse premiers leverden altijd memorabele momenten op. En jouw ontmoeting met hem? Een foto van een slap handje.
Zo’n fotootje van Max en Lex die gezellig met Poetin een biertje drinken, daar hebben we toch jaren plezier van gehad. Nog steeds eigenlijk. En wat levert deze logeerpartij aan iconisch beeldmateriaal op? Lever, Jetten. Als medefinancier van de BV Nederland wil ik waar voor mijn geld.
Journal d’images
Journal
Stilte
Maandag 13 april, Cadouin
Nodig mij niet uit voor een pubquiz. Aan mij heb je helemaal niks, ik zal er voor spek en bonen bij zitten. Als je wilt winnen, moet je Wyb uitnodigen. Die weet, voor mij, de meest onzinnige weetjes over pop- en jazzmuziek.
We gaan op het eind van het jaar altijd naar Frankrijk om Dies te beschermen tegen het Nederlandse knalfestijn. De ellende is dat de Top 2000 dan op de radio is. Voor Wyb een hoogtepunt, voor mij een kwelling. Als Wyb de eerste tonen van een liedje hoort, vertelt ze me al welk nummer het is. Onvoorstelbaar hoeveel van dit soort informatie in haar hoofd zit. Ik erger me alleen maar aan die ongelooflijke shitmuziek, zo erg dat ik enige onvervalste agressie in mij voel opkomen. Ik vind het een marteling. We hebben afgesproken dat Wyb voortaan haar oortjes indoet, zodat ik er geen last van heb.
Hoe kan het dat mijn generatie alles van popmuziek afweet en ik niet? Het antwoord weet ik wel: terwijl al mijn vrienden voor de radio zaten en een groot deel van hun tijd in platenzaken doorbrachten, genoot ik van stilte, het ontbreken van welk geluid dan ook.
Ik ben een groot liefhebber van de stilte. ‘Wat heb je nou aan stilte?’, vragen mijn dochters zich wel eens hardop af. Ik kan mateloos genieten van de stilte. Als ik alleen thuis ben, zal ik nooit de radio of Spotify aanzetten. Stilte is voor mij een warm bad — waar ik trouwens ook gek op ben.
Natuurlijk is er wel muziek aan mij blijven hangen. De stem van Dylan brengt me meteen terug naar mijn puberteit. Bij de muziek van Tom Waits leef ik op. Amy Winehouse pikte ik op latere leeftijd op. Ik hoorde haar bij toeval op de autoradio en wist meteen dat ze een groot talent was. Ik heb een kleine muziekcollectie en doe mijn best die niet groter te maken.
Ons huis in Cadouin noem ik vaak een reservaat van stilte. Het is een van de redenen dat ik hier graag ben. Wat vandaag niet klopt: terwijl ik dit schrijf, maaien twee tractoren met veel lawaai het veld in de vallei. Toen we hier aankwamen, was de vallei een deken van boterbloemen. Op dit moment wordt alles wreed weggemaaid. Ik denk niet dat iemand let op de reekalfjes die in het hoge gras liggen. De Fransen zien wild vooral als iets waar je op kunt jagen en dat je dood mag maken.
Connie is wel eens naar een klooster geweest waar ze een maand heeft gezwegen en waar niemand sprak. Het lijkt me heerlijk; dat zou ik graag eens doen.
Ik heb geen idee waarom mensen zo slecht tegen stilte kunnen en bij alles wat ze doen geluid produceren. En als er geen geluid is, zetten ze de radio aan. Ik meen dat het Schopenhauer was die schreef dat mensen niet tegen de stilte kunnen omdat ze dan geconfronteerd worden met hun eigen leegte en dat dit te confronterend voor hen is. Mijn oude vriend zou daar best eens gelijk in kunnen hebben.
NOTE VAN DE CENSOR
Ik kan dit blog alleen accorderen als deze notitie wordt bijgevoegd. Ik wil namelijk duidelijk stellen dat De Blogger mooie verhalen houdt over stilte, maar elke avond, als ik vraag of hij op de veranda komt zitten om naar de vogels te luisteren of op het muurtje aan de weg komt liggen om naar de sterren te staren, geeft meneer niet thuis omdat hij, de grote liefhebber van stilte, liever televisie gaat zitten kijken. De Blogger moet er wel voor zorgen dat de blogs een waarheidsgetrouw beeld van de werkelijkheid blijven geven. De Censor.
Journal d’images
Journal
Bloedband
Zondag 12 april, Cadouin
Het is december. Anne staat op het punt om naar Sri Lanka te gaan. ‘Geer, zullen we nog een filmpje opnemen waarin jij mij goede reisadviezen geeft?’
Het klinkt misschien raar dat een dochter aan haar vader vraagt zijn reisadviezen op een filmpje uit te spreken. Bij ons is dat tamelijk normaal. Anne is namelijk influencer en denkt in vlogs. Zoals ik in blogs denk, zo denkt zij in vlogs. Evenals ik deinst ze niet terug om haar hele hebben en houden op internet te gooien.
Als wij een bloedband zouden hebben en dus dezelfde genen deelden, zou je zeggen: ‘Ze heeft het niet van een vreemde.’ En kijk: met die laatste zin maak ik een klassieke fout. Waarom zou dat via de genen moeten gaan? Waarom zou dat niet door de opvoeding zijn gekomen? Ze heeft het inderdaad niet van een vreemde, ze heeft het van haar vader, zijnde ik — denk ik.
Ik zeg dat zo expliciet omdat Anne en ik twee weken geleden samen op de bank zaten te praten en Anne mij vroeg of ik meer van een biologisch eigen kind zou houden dan van haar als adoptiekind. Ik reageer pissig: ‘Hoe kom je daar nou bij? Liefde wordt niet gecreëerd door een bloedband. Liefde ontstaat door liefdevolle aandacht voor elkaar, samen dingen beleven, loyaliteit en nog een paar andere dingen. Een bloedband zegt niets. Kijk maar naar al die mensen met een biologische band die ruzie met elkaar hebben, niets meer met elkaar te maken willen hebben. Een bloedband op zich zegt niets.’
‘Heel goed, Geer. Zullen we hier ook een filmpje van opnemen?’ Het lijkt me een prima idee.
In het filmpje over de reisadviezen vertel ik haar op eigenwijze toon, een beetje ironiserend, mijn adviezen. Alles voor de vuist weg. Anne zet het een paar weken later op Instagram. Het resultaat: het filmpje is inmiddels 231.000 keer bekeken. Nog steeds ontvangen Anne en ik reacties op dit filmpje. Er zijn zelfs mensen die vragen of ik hen ook wil adopteren. Als klap op de vuurpijl word ik als influencer zelfs uitgenodigd voor een gratis cursus sushi-maken in Amsterdam.
Het filmpje over de bloedband is na een week 90.000 keer bekeken. Ik snap er eerlijk gezegd niks van. Waar komen die mensen vandaan? Hoe verspreidt zo’n filmpje zich over het internet? Anne vlogt, zoals gezegd, over van alles en nog wat: reizen, food en het single zijn, maar niets scoort zo goed als die stomme gesprekjes van ons, die we tussen neus en lippen door opnemen.
Ik stel Anne de vraag: ‘Hoe kan het nou dat dit zo goed wordt bekeken?’
‘Ik denk dat boomers ‘in’ zijn. Ik heb de laatste tijd meer filmpjes gezien van gesprekken tussen ouders en kinderen; die scoren allemaal goed. Dus we moeten meer filmpjes opnemen, Geer.’
En zo word ik verdomme nog onderdeel van het verdienmodel van Anne. Door onze filmpjes krijgt ze er opmerkelijk veel nieuwe volgers bij, ik trouwens ook op mijn Instagramaccount, waar ik verder geen donder meer mee doe.
Wat mij als blogger natuurlijk steekt, is de schrille verschil in belangstelling. Mijn blog wordt dagelijks tussen de 75 en 150 mensen gelezen. Daar zit ik toch wel een uurtje op te zwoegen. Ik maak met Anne een praatje op de bank en heb opeens een bereik van tienduizenden mensen. Het moet niet gekker worden.
Journal d’images
Journal
Voetstappen
Zaterdag 11 april, Cadouin
‘Zullen we, voordat we naar de Lidl gaan, eerst rond Limeuil wandelen? Kunnen we meteen Dies uitlaten,’ zegt Wyb.
Ik vind het een goed idee, want ik wandel graag in en rond Limeuil. In het plaatsje staat de geschiedenis letterlijk nog recht overeind. Het is een van de weinige plekken waar je nog door de onbedorven middeleeuwen kunt lopen.
Misschien omdat we lang niet meer in Cadouin zijn geweest, maar het lijkt alsof ik onze streek, de Périgord Noir, met nieuwe ogen zie. Als je ergens woont, verliest een omgeving helaas haar bijzonderheid, is mijn ervaring. Zelfs de mooiste streken worden ‘gewoon’.
Sowieso is Limeuil een bijzondere plek. De rivieren La Vézère en La Dordogne stromen recht op het dorpje af en komen elkaar, na kilometers door het landschap te hebben gekronkeld, hier tegen om als de Dordogne samen verder te gaan. Vooral na een regenperiode is het een heftig treffen. De rivieren kolken dan gevaarlijk tegen elkaar op.
We klimmen via een bospad Limeuil binnen. Het is van een ongekende schoonheid. De eerste keer dat ik er kwam vond ik het eigenlijk te mooi, zag ik de ware schoonheid niet. Ik vond het te veel Efteling, een dorp kon toch niet zó mooi zijn? Overdreven schoonheid wordt al snel kitsch.
Dan wandelen we de steile straatjes van Limeuil op. We ontdekken zowaar een paar nieuwe straatjes en een nieuw pleintje.
‘We moeten wel deze kant op,’ zegt Wyb, die een wandeling van driekwartier heeft uitgezet omdat ze weet dat ik niet van al te lang wandelen houd.
‘Laten we even doorlopen. Ik vind het zo mooi hier. Kijk, daar is een stadspoort, zullen we daar even doorheen lopen? Dan hebben we een prachtig uitzicht over de Vallée de la Vézère.’ In deze vallei liepen de eerste mensen van Europa rond en in grotten lieten zij hun tekeningen achter. Voor mij het bewijs dat kunst onverbrekelijk met onze mensensoort is verbonden.
We lopen het weggetje af waar we begeleid worden door het zingen van honderden vogeltjes die de lente vieren. Gefascineerd kijken we over de vallei waar de akkers vruchtbaar liggen te zijn.
‘We zijn nu wel heel ver van mijn route en het dorp afgedwaald,’ zegt Wyb. ‘Over een paar honderd meter kunnen we een bospad ingaan en met een grote boog terug naar Limeuil lopen.’
Wat routes en oriëntatievermogen betreft vertrouw ik 100% op Wyb. Zo erg zelfs dat mijn oriëntatievermogen door gebrek aan gebruik is geslonken.
Als we het bospad in lopen, komen we in bossen die hier al ver voor Christus waren. We bewandelen oude paden. Grote kans dat het pad hier door de voetstappen van de Cro-Magnonmens werd geëffend. Ik voel de voetstappen van vele generaties die hier vóór ons liepen. En de duivel speelt met deze gedachte, want op een paaltje zie ik een sticker zitten met de tekst: ‘Dans les PAS des Hommes de Lascaux’. In de voetstappen van de mannen van Lascaux. Ik wist het. Je ziet het aan het landschap. Het is een oud landschap dat teruggaat tot de prehistorie.
Maar dan begint bij mij de ongedurigheid als een wandeling te lang duurt. Ik begin te zeuren over wanneer we er zijn.
‘Maar jij wilde door die poort lopen. Daardoor hebben we nu een lange wandeling,’ zegt Wyb. Ze heeft helemaal gelijk.
En ik weet dat ik niet mag mopperen. De wandeling kronkelt door een prachtig landschap. Maar het is verdomme altijd die ongedurigheid van me die ervoor zorgt dat ik nooit lang van de dingen kan genieten. Ik heb de aandachtscurve van een blog.
Journal d’images
Journal
Parttime-kluizenaar
Vrijdag 10 april, Cadouin
Zo ben je in Delft. Zo ben je in Cadouin. Nou ja, je moet er wel twaalfhonderd kilometer voor rijden.
We konden woensdag pas in de namiddag weg omdat Wyb moest werken. Nadat we door Parijs zijn gereden, zoeken we tegen half elf ’s avonds een hotel op. Het blijkt pal onder de landingsbaan van Aéroport d’Orly te liggen.
We stappen uit de auto en veertig meter boven ons vliegt een dalend vliegtuig. Dies krimpt ineen. We nemen het hotel toch omdat om elf uur het vliegverkeer stopt. In een restaurant bij de receptie zitten drie mensen met het licht uit naar een voetbalwedstrijd te kijken.
De volgende ochtend blijkt het hotel ook onder de startbaan te liggen. Van onze hotelkamer hebben ze een geluidsdichte bunker gemaakt, we merken het pas als we de kamer verlaten. Ik kan de schroeven in de buik van het vliegtuig onderscheiden. Het voordeel van het hotel is dat het pal aan de A10 ligt. We kunnen meteen op weg.
Naarmate we de Dordogne naderen, wordt het steeds meer zomer. Het lijkt wel alsof Frankrijk zijn activiteiten heeft gereduceerd. Gisteravond was het in Parijs al opmerkelijk rustig. Het was voor het eerst dat we zonder files door de stad reden. En nu, van Parijs naar de Dordogne, opmerkelijk weinig verkeer. Heeft die oorlog in het Midden-Oosten hier de economische activiteit al aangetast?
Als we in Cadouin aankomen en de autodeuren opendoen, valt de stilte als een klap boven op ons. Zoveel rust: het is bijna een shock. Hoe kan het dat de rust van Cadouin mij zo verrast? Ooit heb ik — toen ik nog kluizenaar wilde worden — toch twee jaar in die stilte gewoond. Komt het door het contrast met Delft: altijd geluid om ons heen?
Het fijne is dat er ogenschijnlijk weer niets is veranderd. Het landschap blijft, sinds we het huis hebben, al jaren onaangetast. Al is er in de periode dat wij er niet waren wel iets gebeurd. Het heeft hier weken geregend en gestormd. Een boom in de tuin van Jennie, onze buurvrouw, is omgewaaid en op ons hek gevallen. Door het ontwortelen van de boom stortte ook een klein deel van de muur van onze wasplaats in. De vallei onder ons werd weer eens een meer, maar daar is nu niets meer van te zien.
‘Die hoop stenen is een prima plek voor hagedissen en slangen,’ zegt Wyb.
Fijn, denk ik, daar hoeven we dus niets aan te doen. Lekker laten liggen.
Verder staat het huis er prima bij, wat altijd weer een bron van zorg is.
’s Avonds zitten we op onze veranda, een soort uitkijktoren over de vallei.
‘Stel je voor dat we hier waren blijven wonen,’ zeg ik tegen Wyb.
‘Dan was ons leven de afgelopen anderhalf jaar toch wel erg saai geweest.’
Toen we het huis kochten, had ik meteen het romantische idee dat ik hier in alle eenzaamheid mijn oude dag zou slijten. Lezen, schrijven, verder niets: ik zou een monnikenbestaan gaan leiden, fulltime kluizenaar worden.
Ik deed twee jaar lang mijn best om het daadwerkelijk te zijn, maar een kluizenaar met een jonge, levendige vrouw — dat was natuurlijk gedoemd te mislukken. Ik begreep goed dat Wyb weer het volle leven in wilde; het begon bij mij ook te schrijnen. Kluizenaar zijn is toch een stuk minder leuk dan ik had gedacht. Best eentonig eigenlijk.
Ik ben nu een soort parttime-kluizenaar, zeg maar, en dat bevalt prima. Een tijdje het volle leven in, en dan een paar weken weer hobby-kluizenaar zijn. Best een fijne manier om de dagen te slijten.
Journal d’images
Journal
On the road dus
Woensdag 8 april, Delft
Ultrakort blog. Efficiency maatregel.
Wij leiden een leven als het Europees Parlement: van Brussel naar Straatsburg en weer terug. Bij ons is dat: van Delft naar Cadouin en weer terug. Vandaag en morgen zijn verhuisdagen. Vanmiddag, als Wyb klaar is met werken, rijden we tot Parijs, liefst zelfs iets verder, zodat we Parijs voorbij zijn. Dan zitten we morgenvroeg niet met de verkeersopstoppingen in Parijs. Dan morgen het laatste stuk, nog zo’n zeshonderd kilometer.
Bilocaties is nooit slim. Dat weet ik uit mijn werkend leven. Ooit was ik hoofd marketing van de Stadsschouwburg in Groningen en van De Oosterpoort. Waar je kantoor hield, ging je meeste aandacht naar uit. Gewoon omdat je er bent.
Bij ons is het niet anders. Ik heb nu alweer een lijstje van zaken die ik van Cadouin naar Delft mee moeten nemen omdat ik ze in Delft mis. Soms heb je een idee, wil je aan de slag, blijken de boeken die je nodig hebt op de andere locatie te liggen. Best irritant.
Zo dadelijk inpakken. Dat verhuizen in Brussel schijnen complete verhuizingen te zijn. Dat is bij ons niet het geval. In onze hoofden zijn lijstjes gestanst wat we mee moeten nemen. Als het moet zijn we binnen een half uur weg. Maar zelden komt het voor dat we niets vergeten.
De tochten, heen en weer, zijn voor ons een soort meditatietochten. Blik op de weg: de geest zweeft vrij door de ruimte, van hot naar her. Goede muziek op. Wyb schijnt een nieuwe muzieklijst te hebben gemaakt. Soms een podcastje tussendoor. Dies op de achterbank in coma. Twee uur op, twee uur af, tussendoor Dies een keer flink uitputten door hem achter frisbees aan te laten rennen. On the road dus. Het doel: een paar weken in een andere wereld zijn. Reset van de geest.
Consequenties voor de lezers van dit blog: morgen een blogloze dag.
Journal d’images
Journal
Fotodoos
Dinsdag 7 april, Delft
Terwijl ik aan de eettafel een e-mail voor een herhaalrecept naar de apotheek schrijf, hebben Wyb en Anne op de bank een van de vele fotodozen die we hebben tussen zich in gezet. Na het herhaalrecept handel ik nog wat andere zaken af die van belang zijn, voordat we woensdag naar Cadouin afreizen.
Ondertussen hoor ik het opgewonden gesprek van Wyb en Anne over de foto’s die ze misschien al decennialang niet meer hebben gezien.
‘Wyb, hoe oud was je toen?’
‘Eenendertig.’
‘En hoe oud was Geer dan?’
‘Vierenveertig.’
‘Hoe kan het nou dat je verliefd op hem werd?’
‘Dat ging niet zomaar, hoor. Liefde ontstaat soms, of misschien wel vaak, doordat je elkaar over langere tijd veel ziet. Aan die buik heb ik echt wel even moeten wennen.’
‘Op die foto was je zeven jaar jonger dan ik nu ben. En toen kende ik je toch al. Dat is toch onvoorstelbaar.’
‘Geer, moet je deze foto eens zien,’ zegt Wyb, ‘hoe jong en slank ik nog was.’
Ik loop naar de bank. Inderdaad, een prachtige foto van Wyb uit de tijd dat ik verliefd werd op haar. Ik begrijp met terugwerkende kracht opnieuw waarom mijn liefde voor haar onontkoombaar was.
‘Jij was vroeger best een rare man,’ zegt Anne.
‘Hoezo?’
‘Dat haar. Dat zit zo stom. En je zag er op je vierenveertigste nog zo jong uit. Kun je je voorstellen dat je zo bent geweest?’
Eigenlijk ben ik het tegenovergestelde van een grijs kind, bedenk ik als ik naar de foto kijk. Veel mensen zijn vroeg oud, zijn al op jonge leeftijd in doen en denken vijftig jaar. Bij mij is het tegendeel het geval. Heel lang bleef ik een jongen en heb ik me ook altijd zo gevoeld. Als mensen vroegen naar mijn psychologische leeftijd, dan zei ik dat ik zeventien was. Pas na mijn zestigste begon ik me enigszins volwassen te voelen. Tamelijk laat toch. Een leven lang sleepte ik jeugdig enthousiasme en overmoed met me mee. Toch een onnatuurlijk fenomeen, dat in ieder geval voor een wispelturige carrière heeft gezorgd — en: never a dull moment.
‘Kun jij je nog herinneren dat je zo bent geweest?’ vraagt Anne, terwijl ze mij een andere foto laat zien waarop ik in vol ornaat als theaterdirecteur sta.
Herinneren wel. Maar ik kijk ook met grote afstand naar de foto. Het is toch iemand anders die daar met dat rare kapsel staat. Het lijkt alsof ik een soort helm op had met al die krullen. Ik vind dat ik er nu natuurlijker uitzie dan toen. Langzaam ben ik naar mezelf toegegroeid, vind ik, dat heeft toch bijna een leven lang geduurd. Of het daarmee leuker is geworden? Niet alleen mijn fysiek heeft een totale metamorfose ondergaan, maar ook mijn leven. Op die foto, herinner ik me, was ik een doorgedraaide workaholic. Inmiddels ben ik volledig afgekickt.
Need I say more.
Kampioen Mens-erger-je-niet.
Journal
Bos
Maandag 6 april, Delft
Na ons bezoek aan Peter en Bernadette op zaterdag gaan we naar Renkum. Wyb en ik hebben behoefte aan bos, aan echt bos. We lopen dan wel in een bosje bij een recreatieplas, zoals het Delftse Hout, of in de Scheveningse Bosjes. Maar dat zijn toch eilanden in een zee van stad en druk verkeer. Gecultiveerde en uitgeleefde plekken met bomen. Een mens — in ieder geval wij — wil zo af en toe toch gewoon écht bos.
We vertellen Peter en Bernadette dat we naar Renkum gaan en Bernadette vertelt ons dat Progressief Nederland daar een grote overwinning heeft gehaald. Als we door het dorp rijden, begrijpen we dat wel. Het is een keurig dorp, met veel hoger opgeleiden, vermoeden we.
‘Als we weer eens gaan verhuizen, kijken we naar de verkiezingsuitslag. Als Progressief Nederland veel stemmen heeft behaald, dan weet je dat het daar waarschijnlijk goed wonen is,’ zegt Wyb.
‘Goed idee,’ zeg ik, ‘maar we gaan niet verhuizen.’
‘Ik zou hier best willen wonen,’ zegt Wyb als we eenmaal door het bos wandelen, ‘zo heerlijk dicht bij het bos.’
Even later gaan we op een bankje zitten bij een meertje dat wordt gevoed door een helder beekje. ‘Wat valt je hier op?’ vraagt Wyb.
‘Ik heb geen idee,’ zeg ik.
‘De stilte. Hier is het nou echt stil.’
Ik had het kunnen weten, want het was mij ook al opgevallen. In Delft en Den Haag is altijd het gezoem, het geruis van de stad aanwezig, ook al loop je door een bos of park. En dan heb ik het nog niet over knetterende scootertjes en ronkende motoren. Er is altijd lawaai.
’s Nachts, als ik Dies uitlaat, valt het zelfs heel erg op: dan hoor ik hoe hard het geluid van de A13 wel niet is, de snelweg tussen Amsterdam naar Rotterdam. Het geluid van de auto’s ligt als een deken over de stad. Het is goed dat we aan de achterkant van ons appartementencomplex wonen. Als je aan de voorkant woont, hoor je dat geluid volgens mij altijd. Het geluid van de snelweg houdt ook nooit op, want het is er 24/7 druk.
Het is goed dat we woensdag weer naar Cadouin gaan. Onze behoefte aan rust en stilte bereikt een hoog niveau.
‘Het bos hier is prachtig, hoor. En lekker stil, maar zie je hoe armoedig het eigenlijk is?’ zegt Wyb. ‘Als je dit toch vergelijkt met de vegetatie van de bossen in Cadouin.’
‘Het is een uitgemergeld bos, een stikstofbos,’ zeg ik. ‘Maar wie ziet dat? De meeste mensen hebben geen vergelijkingsmateriaal. Wie komt er tegenwoordig nog in een echt bos?’
Al pratend kijken we steeds meer uit naar Cadouin.
Als we aan het eind van de middag thuis zijn, is Wyb al snel druk op zoek naar woningen in de omgeving van Renkum. Af en toe moet ik even kijken naar wat ze gevonden heeft. ‘Inderdaad prachtig. Maar we gaan niet verhuizen, Wyb. Het ligt gewoon te ver van je werk, van Den Haag. Bovendien sta je dan alleen maar in files. Maar boven alles: ik heb mijn buik vol van verhuizen. Zesentwintig keer vind ik genoeg.’
‘Maar toch zou ik wel in die omgeving willen wonen, in Oosterbeek, Renkum, in die buurt.’
Journal d’images
Wandelpauze in Cadouin.
Journal
Expeditie Knausgård
Zondag 5 april, Delft
Van het een komt het ander, zo gaat het altijd. Door de laatste brief van Rokus, Kistvulling, hoor ik voor het eerst over Emil Cioran. Hij neemt een aforisme van hem op dat meteen bij mij blijft haken. Ik zoek zijn naam op en Cioran blijkt een Roemeense filosoof te zijn die het grootste deel van zijn leven in Parijs woonde. Op YouTube zijn twee documentaires over hem te vinden waarin duidelijk wordt dat Cioran niet de minste is. Ik heb er opeens een zielsverwant bij.
Hij leefde in Parijs in dezelfde tijd als Sartre, voor beiden was Café de Flore in Saint-Germain-des-Prés een tweede huiskamer, misschien wel hun eerste. Toch hebben ze elkaar nooit ontmoet. Cioran stelde zich nooit aan Sartre voor. Vermoedelijk kende Sartre Cioran als stamgast, maar wist hij niet dat Cioran ook een filosoof was, een hardcore existentialist nog wel, en dat de geschiedenis Sartre misschien wel eens in de schaduw van Cioran zal zetten.
Emil Cioran is niet voor doetjes. Veel mensen zullen terugdeinzen bij het lezen van zijn boeken. Hij pelt de mens zo af dat er niets meer van overblijft. Cioran is alleen voor mensen die de naakte mens in al zijn naaktheid durven te aanschouwen — en dat zijn er niet veel, want dan kom je jezelf ook tegen.
In mijn brief aan Rokus, Flipperkast etc., neem ik eveneens een citaat van Cioran op. Naar aanleiding daarvan krijg ik een appje van Peter: ‘Knausgård geeft in een van zijn boeken naast een geweldige biografie van Hitler ook een grondige en interessante analyse van het werk van Cioran. De moeite voor jou, verwacht ik. Het laatste deel van de serie waarmee hij beroemd is geworden.’
Het verbaast me niets dat Knausgård geïnteresseerd is in Cioran. Karl Ove Knausgård is een Noorse schrijver die in zes dikke boekdelen — onder de titel Mijn strijd — zijn leven en omgeving genadeloos beschrijft. Hij deinst daarin nergens voor terug. Hij durft daarin zichzelf in zijn onderbroek te zetten, maar ook zijn familie en vrienden. Toen het eerste deel uitkwam, Vader geheten, las ik het met stijgende verbazing en wilde ik absoluut de volgende delen lezen.
Dat heb ik niet gedaan, omdat ik toen nog werkte en vaak niet wist of ik van voren of van achteren leefde. Ik wilde ze in alle rust kunnen lezen. Tot mijn grote vreugde biedt Peter aan dat ik de reeks van hem mag lenen. Een goede vriend is goud waard. Zo komt het dat Wyb en ik op zaterdagochtend naar Wijchen rijden, waar ik, na onze begroeting, de delen al in een doos op tafel zie staan: Mijn strijd, compleet. Met als laatste deel Vrouw, 1075 bladzijden dik, met daarin dus de biografie van Emil Cioran.
Als ik de boeken uit de doos haal, staat de stapel als een monument op de eettafel. Expeditie Knausgård kan beginnen. Voor de gein kijk ik per deel hoeveel pagina’s mij nu te wachten staan. In totaal gaat het om 3678 pagina’s. Geen idee hoe lang ik hierover ga doen. Tegen het advies van Peter in begin ik toch met het laatste deel, benieuwd als ik ben naar de biografie van Cioran. Bovendien verzekert Peter mij nogmaals dat er ook een prima biografie over Hitler in staat. Die Knausgård schuwde echt geen enkel onderwerp.
Journal d’images
Journal
Paastocht
Zaterdag 4 april, Delft
Paaszaterdag is voor mij een historische dag. Meer dan veertig jaar lang wist ik precies wat ik op deze dag zou doen. Dan liepen we namelijk met het mannelijke deel van mijn familie van het huis van mijn opa en oma op de Weurtseweg in Nijmegen naar Lent, waar familie van mijn opa en oma woonde. Later, nadat mijn opa en oma waren overleden, vertrokken we vanuit het huis van Jan en Connie.
Het was een wandelingetje van niks. Als ik me het goed herinner, was het zes kilometer. Eerst even door de stad lopen, daarna over de Waalbrug, de Lentse dijk op en dan in Lent de Vossenpelsestraat in. Het ging ons niet zozeer om het wandelen, voor ons waren het samenzijn en de rituelen onderweg het belangrijkste. Op de route voerden we onze decenniaoude rituelen uit.
Om een voorbeeld te geven. Op de Waalbrug is een herdenkingssteen van Jan van Hoof in een muur gemetseld, een verzetsstrijder die voorkwam dat de Duitsers de brug opbliezen. Het beeld is te zien in een halfronde inham op de brug. Het was tevens onze eerste rustplaats. Hier tikten wij tegen de ballen van Jan van Hoof onze paaseitjes kapot en ondertussen genoten we van een jonge jenever. Vervolgens gooiden we de eierschalen over de muur de Waal in.
Eenmaal klaar stelden wij ons strak in het gelid naast elkaar op nadat Jan had gecommandeerd dat we in de houding moesten gaan staan. Daarna riep hij in de oude militaire traditie: ‘Voorwaarts mars!’. Jan marcheerde dan gewichtig weg. Maar wij draaiden ons om en liepen de andere kant op. Elk jaar was Jan weer verontwaardigd.
De volgende stop was de trap die van de brug naar de Lentse dijk liep. Naast die trap liep een soort regengootje. Jan en Ton hielden als ooms dan hun jaarlijkse piswedstrijdje wie met zijn plas het verst kon komen. Wij, de neven, maakten zo goed mogelijk het gootje schoon door de takjes, blaadjes en steentjes voor de stroom weg te vegen. Het was altijd weer spannend wie zich de kampioen van dat jaar mocht noemen.
Het hoogtepunt kwam wanneer wij eenmaal van de dijk Lent inliepen en bij een waterput in een tuin aankwamen waar het geboortehuisje van mijn opa had gestaan. Daar bleven we altijd staan om hem te gedenken. ‘Mag ik een minuut stilte van jullie?’ vroeg Jan dan.
Vol eerbied keken we richting de waterput. ‘Ja, zo is het wel genoeg,’ zei Jan na twintig seconden, en verder ging onze tocht.
Op naar de Vossenpels, waar uiteindelijk alleen Toon nog op ons wachtte, een neef van mijn ooms — de andere familieleden waren inmiddels al overleden. Wij waren de laatste der Mohikanen, die onder het genot van een straf kopje koffie en daarna twee glaasjes jenever — vaste prik — de verhalen van vroeger levendig hielden. Uiteraard gingen we even in het tuinhuisje kijken waar Ome Kees, toen hij nog leefde, altijd zat te genieten van de zon.
Ik vrees dat ik hierover al diverse keren een blogje heb geschreven. De trouwe lezer van Dossiermoddergat zal het misschien bekend voorkomen. Toch kan ik het niet nalaten om er opnieuw over te schrijven. Gewoon omdat de woorden me weer even terugbrengen naar vroeger. Beschouw het ook als een eerbetoon, want zelfs van de laatste der Mohikanen zijn al velen overleden. Het leven is een slagveld.
Er zijn nog een paar laatste Mohikanen over. Nog geen handjevol. Met het slechter ter been worden van de generatie vóór ons stierf deze traditie een langzame dood. We gingen nog een paar keer samen pannenkoeken eten in plaats van wandelen, maar dat was toch iets heel anders dan eitjes tegen de ballen van Jan van Hoof kapot tikken. Voorbij, voorbij, o en voorgoed…
Journal d’images
Paastocht, editie 2005.
Journal
Anne in Iran
Donderdag 2 april, Delft
Klein leed verstopt in groot leed, zo zou je de dag van gisteren kunnen noemen. Drie dagen nadat Wyb naar huis vloog, vliegt Anne naar huis. Ze wilden samen terugvliegen, maar het toestel van Wyb was inmiddels volgeboekt. Anne vliegt wel op dezelfde uren als Wyb en heeft ook hetzelfde vluchtnummer: ai155. Ik kan haar dus mooi weer op Plane Finder volgen.
Zo af en toe kijk ik op zo’n dag even op de app om te kijken hoe ver ze nu is. Ondertussen droom ik een beetje over de landen die ze passeert. Op de app kun je zelf het landschap onder haar volgen. Klein wonder der techniek toch. En dan te bedenken dat alle vliegtuigen erop staan die hun transponder aan hebben. Als je Plane Finder opent, lijken honderden kleine vliegjes over de aarde te kruipen. Anne is nu drie uur onderweg en ik besluit te kijken waar ze zit.
‘Wyb!’
‘Wat is er? Wat ben je paniekerig?’
‘Anne vliegt Iran binnen.’
‘Bestaat niet.’
‘Kijk dan zelf.’
Ik geef haar mijn iPhone.
‘Kijk, alle vliegtuigen vliegen onder Iran door. Haar vliegtuig, dat rode toestelletje, wijkt opeens af naar rechts, recht Iran in.’
Ik heb weinig nodig om mijn fantasie op hol te laten slaan. Laat staan iets groots. Ik ga meteen naar NOS Nieuws om te kijken of er misschien een vliegtuig is gekaapt. Ik zie Anne al als westerse gijzelaar in een of andere grot in Iran zitten. In deze tijden is werkelijk alles mogelijk. De wereld is bevangen van waanzin. De Oppergek zit in het Witte Huis. Zelfs Wyb is verbaasd, hoe is dit mogelijk?
Na deze constatering kan ik aan niets anders meer denken. Een half uur later kijk ik opnieuw. Ze vliegt verdomme steeds dieper Iran in. Als ik de vliegroute doortrek, kom ik in Teheran uit. Ik kijk naar wat nieuwszenders. De BBC meldt er niets over, evenals CNN. Kijk ik intussen naar wereldnieuws in wording? Ben ik de eerste die ziet wat er gebeurt?
Ander gevaar: waarom vliegt een toestel van Air India in een gebied waar geen ander vliegtuig is te bekennen? Mijn gedachte gaat uit naar MH17. Een of andere minkukel hoeft maar te denken dat het een vijandig vliegtuig is om het toestel neer te halen. Ik zie de brokstukken al verspreid in de woestijn liggen. En ik denk aan dat Maleisische toestel: hoeveel piloten plegen er wel geen zelfmoord en sleuren hun passagiers daarin mee?
De volgende keer dat ik op Plane Finder kijk is alles anders. Anne vliegt keurig over Saoedi-Arabië. Als ik de vlieglijn van het rode vliegtuig terug volg, zie ik dat ze gewoon keurig onder Iran door is gevlogen. Gelukkig heb ik een screenshot gemaakt van Anne boven Iran. Voor je het weet denkt men dat mijn zorgen met mij op de loop zijn gegaan.
Maar wie heeft ons deze streek geleverd? Grapje van een medewerker van Plane Finder die dacht: eens even wat familieleden op stang jagen?
Uiteindelijk blijkt het klein leed te zijn. Het grote leed speelt zich onder Anne af. Meer en meer troepen verzamelen zich in de Golfregio. Bombardement volgt op bombardement. De wereld is ontwricht. Anne meldt bij thuiskomst dat er vrijwel geen toeristen meer in Nepal zijn. In Sri Lanka schijnt hetzelfde het geval te zijn. Ik hoop dat de cijfers ooit bekend worden van de wereldwijde schade die de Oppergek heeft veroorzaakt.
’s Avonds, als we Anne thuis hebben gebracht, trekken we een fles wijn open. Wyb en Anne proosten op de mooie vakantie die ze hebben gehad. Ik op het feit dat ze weer thuis zijn. Die klote oorlog ook.
Journal
Flipperkast etc.
Woensdag 1 april, Delft
Sinds enige tijd sturen Rokus Loopik en ik elkaar brieven. Soms verandert een brief in een podcast — moet kunnen. Wij schrijven elkaar onder de titel: De mens is een verzamelaar. Alle brieven zijn te lezen op LinkedIn, onder de volgende link: https://www.linkedin.com/in/rokus-loopik-3abaaa12/recent-activity/newsletter/
De volgende brief is de twaalfde brief die ik naar Rokus stuur. De titel: Flipperkast etc.
Beste Rokus,
Altijd voordat ik je een brief schrijf, lees ik eerst nog even de laatste brief die jij me hebt geschreven. Daarom heb ik voor deze brief nog maar eens naar de podcast geluisterd waarin jij me interviewde.
Ik vind het moeilijk om naar mezelf te luisteren, altijd gehad. Vanaf mijn vroegste jeugd zit er altijd een opgewondenheid in mijn stem. Het is een mix van bovenmatig enthousiasme, mezelf niet echt kunnen beheersen en te veel in één keer willen zeggen. Daar komt bij dat ik een raar stemmetje heb. Ik luister met jaloezie naar jouw sonore, beheerste stem. Als ik zo’n stem als jij had, was ik bij de radio gaan werken.
Tijdens vergaderingen of grote bijeenkomsten heb ik daar ook altijd last van gehad. Mijn opgewondenheid ondergroef het gezag dat ik wilde uitstralen. Als ik daar beter in was geweest, was ik misschien wel politicus geworden. Maar goed, elk mens heeft wel een of meer beperkingen — meestal meer. Die beperkingen moet je onder ogen zien en je leven daarop aanpassen.
Al tijdens onze podcast waren er gesprekspunten waarvan ik dacht: hé, daar moet ik eigenlijk nog even op terugkomen. Zo vraag jij mij: ‘moet je veel gelezen hebben om te kunnen schrijven?’ En ik zeg daar spontaan ‘ja’ op. Dat ‘ja’ komt, volgens mij, eigenlijk vooral voort uit het feit dat ik zelf veel lees en dat ik daar veel aan heb gehad. Maar eerlijk gezegd had ik moeten antwoorden op jouw vraag: ‘Voor mij geldt dat. Maar of het voor een ander een voorwaarde is, weet ik niet.’
Ook iemand die weinig heeft gelezen, kan best een goed schrijver worden, vermoed ik. Maar ik kan mij niet voorstellen dat iemand die nooit een boek heeft opengeslagen een goed schrijver zal zijn. Schrijven is toch ook een ambacht. Een ambacht vereist meesters die je het ambacht leren. Vervolgens leer je het verder door veel uren te maken en er handigheid in te krijgen. Volgens mij had ik zo’n soort antwoord moeten geven.
Een essentieel onderdeel van het interview voor mij was het moment waarop wij het weer over onze tegenstelling pessimisme (ik) en optimisme (jij) hebben. Jij zegt dan: ‘Het is mijn onwil om te geloven in het slechte van de mens.’ Heel goed, Rokus. Soms ben ik bang dat ik jou met mijn pessimisme infecteer en dat moet echt niet gebeuren. Uit jouw optimisme komt volgens mij jouw werkkracht voor, je talent om mensen in nood met open mind tegemoet te treden en ze daardoor te helpen. Dat is echt goud waard.
Ook interessant is wat jij daarna zegt. Dan zeg je dat jij denkt dat de wereld niet bedoeld is dat de dingen slecht gaan en het systeem mensen vermaalt. Letterlijk zeg je: ‘Omdat ik denk dat de wereld zo niet bedoeld is.’ In die laatste zin zit, denk ik, het grote verschil tussen ons. Ik bedoel het niet polemisch, hoor. Ik wil alleen maar het verschil tussen ons duiden zodat ik het voor mezelf goed kan formuleren.
Ik denk namelijk dat de wereld helemaal nergens voor is bedoeld. Ik weet dat veel gelovigen in predestinatie geloven, of denken dat een god goede bedoelingen met de wereld heeft, dat god liefde is en dat wij daar eigenlijk naar zouden moeten leven. Ik ben, zoals je vermoedelijk wel vermoedde, een diepgelovig atheïst. Ik ben ervan overtuigd dat er voor de wereld en de mensheid geen enkele bedoeling was. De wereld is geworden tot wat wij ervan hebben gemaakt. En ook dat maken bestond niet uit een groots vooropgezet plan. Met vallen en opstaan proberen we er iets van te maken.
De mens is een balletje in een flipperkast. Hij wordt van hot naar her geschoten; hij heeft daar nauwelijks invloed op, al denkt hij van wel, maar de mens overschat zichzelf nu eenmaal in ziekelijke mate. De pest is dat de mens geen rationeel wezen is. Hij laat zich drijven door eigen belang, onderbuik en een kompas waarvan de wijzers altijd in de richting van intuïtie wijzen — noord- en zuidpool kent het kompas niet.
Ik zou hier verder over kunnen uitweiden, maar ik houd het kort, anders leest sowieso niemand deze brief, jij misschien uitgezonderd. Maar twee dingen nog. Jij zegt in de podcast dat je lang niet alles opschrijft wat in je hoofd zit. Jammer, denk ik dan als ik dat hoor. Ik daag je graag uit om daar toch minder terughoudend in te zijn. Zoals je zelf in de podcast zegt: ‘Nobody fucks with Rokus.’ Dat is een mooi levensmotto, Rokus.
Ten slotte wil ik je bedanken dat je me kennis hebt laten maken met Emil Cioran. Ook ik had nog nooit van hem gehoord. Ik ben nu zijn boek Bekentenissen & banvloeken aan het lezen. Jezus, Rokus, die Schopenhauer is er een watje bij. Emil Cioran kent geen enkele consideratie met het fenomeen mens. Je hebt me een zielsverwant bezorgd! In jouw laatste brief citeerde je hem. Deze brief zal ik ook met een citaat van hem beëindigen.
‘Je woont niet in een land, je woont in een taal. Een vaderland is niets anders dan dat.’ Voor zo’n vaderland hang ik de vlag uit.
Hartelijke groet,
Gerard.
PS1 Dat ChatGPT is een grote slijmbal. Hij steekt je veren in de kont omdat hij je als klant wil houden. Niet intrappen, hoor.
PS2 Het aforisme van Dimitri Verhulst dat Fred Blans ons toestuurde om ons aan te moedigen vooral door te schrijven, heb ik boven mijn bureau gehangen. ‘God schiep de dag, en wij sleepten ons er doorheen.’ Het is inderdaad een prima reden om door te schrijven, Rokus. Zet ‘m op. Bon courage.
alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2026