Dossiermoddergat.nl
gerardtonenblogt2023, oktober/november
Dromen en daden
Donderdag 19 maart, Delft
Net voordat ik de televisie aanzet, krijg ik een appje van Peter: ‘Ik word zo zenuwachtig van socioloog Marianne van Bockhove die bij elk woord dat ze zegt zo hard met haar hoofd schudt dat je bang wordt dat het eraf valt.’
Had hij dat maar niet gezegd. Van Bockhove geeft duiding bij de verkiezingsuitslagen. Maar sinds dat appje van Peter zie ik alleen nog maar dat hoofd neurotisch heen en weer gaan. Inderdaad: bij elk woord flitst haar hoofd de andere kant op. Ik raak er zo door geobsedeerd dat ik geen woord van wat ze zegt in me kan opnemen. Niks duiding dus.
Ik heb al wat later ingeschakeld. Al die uitslagen van al die gemeenten. Wat moet je ermee? En ik verlang ontzettend terug naar Herman van ’t Zand (Herman de Schermman), die op zo’n rustige manier het scherm met uitslagen wist te swipen. In zijn plaats is een of andere zenuwpees gekomen die denkt dat swipen een wedstrijdje is. Hij laat een gemeente zien en gaat meteen door naar de volgende. Televisie maken is ook een verhaal vertellen, meneer. Bij elke gemeente zegt hij: ‘Alweer een best grote gemeente.’
De man die zorg moet dragen voor de lopende teksten onder in beeld is in slaap gevallen. Eindeloos komen de exitpoll-uitslagen van Dokkum, Doetinchem en Venlo langs. Ja, dat weet ik nu wel, wil ik naar de televisie schreeuwen, maar ik weet dat het geen zin heeft.
Inmiddels wil ik de televisie uitzetten, maar Dies heeft zijn kop op mijn been gelegd en ligt diep te slapen. Omdat ik hem niet wil storen, blijf ik zitten.
Er wordt deze dag een groot succes geboekt. De opkomst stijgt, zo is de verwachting van 51% bij de vorige verkiezingen naar 53% nu. Chapeau. De politici vieren dit bij voorbaat als een hoopvolle overwinning. Ze hebben zich dan ook enorm uitgesloofd. De burgemeester van Rotterdam gaat bij een hogere opkomst van de Euromast abseilen. Jetten sluit zich daarbij aan. Markouch staat te rappen in een zwetende zaal. Arme man. Je ziet hem denken: ik wil naar huis. Ik dacht altijd dat theaterdirecteur een rotberoep was, maar burgemeester is volgens mij nog een tikkeltje erger. In andere gemeenten zijn er, als je gaat stemmen, gratis bier en frikandellen. Sinds de Romeinse tijd is er niets veranderd. Het volk lijm je met brood en spelen.
Nu weet ik wat ik fout heb gedaan. Ik had wél mee naar Nepal moeten gaan. Maar ik heb nooit gedacht aan die verkiezingsavond op televisie. Als ik was meegegaan, had ik vanavond — zo blijkt uit de foto’s die ik krijg toegestuurd — veel vrolijkheid beleefd en had ik de verjaardag van Wyb lijfelijk kunnen meevieren. Een beetje afstand nemen van Nederland was heel heilzaam voor mij geweest.
De conclusies.
De NSB marcheert de gemeenten weer binnen. Ditmaal met drie andere letters: FvD.
De lokale hobby-partijen zijn weer groter geworden. Dit betekent opnieuw meer afsplitsingen in de komende vier jaar.
Voor sommige steden en dorpen past het aantal partijen niet meer op één scherm. Het wordt steeds duidelijker dat binnenkort iedere Nederlander zijn eigen partij heeft.
Wilders drukt weer zijn snor.
De Mos viert de totale overwinning.
De beloftes zijn enorm. Tussen dromen en daden staan helemaal geen wetten en praktische bezwaren in de weg: als u maar op mij stemt.
Dat wordt weer veel teleurstelling.
Journal d’images
Vrijwilliger
Woensdag 18 maart, Delft
1.
Goed om te zien dat mijn oproep van gisteren om lekker thuis te blijven als je geen bal verstand hebt van politiek, of als je met je onderbuik gaat stemmen, of omdat ‘ze toch niet naar mij luisteren’, massaal wordt opgevolgd. Ik stond helemaal alleen in het stembureau. Tegenover mij zaten, achter een tafel, drie vrijwilligers die het democratisch proces controleren en in goede banen leiden. Toch fijn dat mijn blog inmiddels zoveel invloed heeft.
Ik mag zelfs twee stembiljetten invullen. Wyb, die vandaag jarig in Nepal loopt te wandelen, heeft mij gemachtigd. Natuurlijk heb ik de rondjes van GroenLinks/PvdA weer rood gemaakt. ‘Volg jij dan de politiek van Delft? Hoe weet je nu dat dit een goede partij is in Delft?’ zal de scherpslijper mij nu vragen.
Dat is het fijne van stemmen op een landelijke partij. Als ik op Delft Vooruit! zou stemmen, had ik geen idee waarop ik stem. Door op GroenLinks/PvdA te stemmen weet ik dat die partij wordt geïnspireerd door het sociaaldemocratisch gedachtegoed. Ik neem voetstoots aan dat ook de afdeling Delft politiek bedrijft volgens dit gedachtegoed. Daarin ben ik, in al die steden en dorpen waar ik heb gewoond, ook nooit teleurgesteld. Dat is het voordeel van ideologisch stemmen: je hoeft je niet in de dorpspolitiek te verdiepen.
2.
Eergisteren ben ik naar het gloednieuwe filmhuis in Delft geweest om de film Joe Speedboot te zien. Het is de eerste week dat het filmhuis open is. Ik weet zeker dat ik er vaak zal komen: een puik gebouw, vier zalen. Het wordt gerund door drie betaalde krachten en honderdveertig vrijwilligers.
Natuurlijk wilde ik Joe Speedboot zien. Toen ik het boek had gelezen, noemde ik het het beste Nederlandse boek dat ik in tijden had gelezen. Na al die Ontdekkingen van de hemel van Mulisch en het vermoeide gereutel van Reve was eindelijk het straatrumoer in de Nederlandse literatuur doorgedrongen. Zo verrassend als ik het boek toen ervoer, zo vlak ervoer ik de film. Hij was best onderhoudend, had mooie beelden, maar de glans ontbrak voor mij.
Ik was daar trouwens niet alleen voor de film. Mijn naaste familie maakt zich namelijk zorgen over mijn teruggetrokken leven. Ze vinden dat ik me meer onder de mensen moet begeven, socialer moet zijn. Stom genoeg opperde ik twee weken geleden dat ik misschien vrijwilliger in het filmhuis zou willen worden. Het enthousiasme van mijn naaste familie was groot. ‘Dat moet je zeker doen.’
Ik besloot even polshoogte te gaan nemen en de sfeer te proeven. Toen het publiek binnenstroomde, wist ik het al: niet doen. Ik kreeg het meteen benauwd. Ik denk toch echt dat ik als theaterdirecteur PTSS heb opgelopen. Ik moet er niet aan denken om weer in een volle foyer te gaan staan en een praatje met jan en alleman te moeten maken. Mijn hele leven ben ik supersociaal geweest, laat me alsjeblieft een paar jaar asociaal zijn. Ik geniet van mijn teruggetrokken leven. Ik vermaak mij prima met mezelf.
‘En? Word je vrijwilliger?’ appt Wyb vanuit Nepal.
‘Mijn PTSS speelde meteen op. Ik kreeg het benauwd bij die gedachte,’ app ik terug.
‘Ik wist het,’ appt Anne, ook vanuit Nepal. ‘Gerard haat mensen.’
Nee, lieve schat, ik haat mensen helemaal niet. Ik heb een somber mensbeeld, maar de individuele mens haat ik helemaal niet. Sterker, van heel veel mensen hou ik, dat moet jij als geen ander weten. Alleen kan ik er niet tegen als een heleboel mensen bij elkaar zijn en ik heb de pest aan social talk. Altijd gehad trouwens, ook toen ik directeur liep te zijn in het theater.
Na de film liep ik meteen naar huis. Aan nazitten hoef ik gelukkig ook nooit meer te doen! Thuis werd ik enthousiast door Dies ontvangen. ‘Nee jongen, de baas moet er niet aan denken om vrijwilliger te worden.’ Dies begreep het als geen ander.
Journal d’images
Lekker thuisblijven
Dinsdag 17 maart, Delft
De nieuwsrubrieken staan bol van politici die iedereen oproepen om toch vooral te gaan stemmen. Ze gaan er zelfs de straat voor op. Ik zou zeggen: ‘kappen daarmee.’
Sommige mensen kunnen echt beter thuisblijven. Wat zeg ik: ‘sommige’? Heel veel mensen kunnen beter thuisblijven. Waarom zou je mensen laten stemmen die er geen verstand van hebben en zich er totaal niet in hebben verdiept? Die kunnen de democratie alleen maar kwaad doen. Grote kans dat ze stemmen op zo’n onbenullig lokaal partijtje of op een of andere schreeuwpartij die nog geen deuk in een pakje boter kan slaan. Het zijn allemaal verloren stemmen. Tegen al die mensen moet gewoon worden gezegd: ‘Blijf alsjeblieft thuis.’
Je hebt van die mensen die zeggen: ‘Ik ga wel stemmen, maar ik weet nog niet op wie. Dat bepaal ik pas in het stemhokje.’ Beste mensen: lekker thuis blijven, dan heb je geen keuzestress. Als je het pas in het stemhokje bepaalt, betekent dat dat je feitelijk gaat gokken. In het stemhokje liggen geen partijprogramma’s klaar om je nog eens goed in te lezen.
Als je een nieuwe auto koopt, bepaal je toch ook niet pas in de garage welke je neemt? En dan hebben we het nog maar over een auto. Bij stemmen gaat het gvd om de democratie. Democratie is er voor mensen die nadenken, niet voor gokkers.
Verder vind ik dat er streng toezicht moet komen op de onderbuik. De onderbuik moet verboden worden in het stemlokaal. Wat mij betreft, als je gaat stemmen: eerst je stempas laten zien, dan je identiteitsbewijs en vervolgens moet je gefouilleerd worden op het eventueel in bezit hebben van een onderbuik. In een democratie gaat het om het verstand, niet om onderbuiken. De onderbuik is de bom onder de democratie.
Het is echt niet erg als je niet stemt. Als je geen zin hebt, als het je niets zegt, of omdat je geen vertrouwen hebt in politici omdat ‘die toch nooit naar mij luisteren’. Schenk thuis nog een lekker kopje koffie in, in plaats van te gaan stemmen. Je mag meedoen, je hoeft niet mee te doen. Ik durf wel te beweren dat het een zegen is voor de democratie als jij niet meedoet.
Al die landelijke politici die nu over straat zwerven met foldertjes, die iedereen toch meteen weggooit: terug naar Den Haag. Niks stimuleren en makkelijke woorden als ‘wij vinden het belangrijk dat u gaat stemmen.’ Veel te vrijblijvend allemaal. Zeg gewoon: wij willen alleen dat u gaat stemmen als u zich erin heeft verdiept. Anders lekker thuisblijven.
Stemmers die er de ballen verstand van hebben, verdunnen de kansen van serieuze partijen. Het resultaat zie je in de Tweede Kamer. Ik geloof dat we nu zeventien partijen hebben. Hoe ondergraaf je een land. Er zijn gemeenten waar partijen in zitten met hoogstens wee zetels. Kiezers zonder verstand verstieren het bestuur van dit land.
Journal d’images
Ouderliefde
Maandag 16 maart, Delft
Rond 21 december vorig jaar vierden Wyb en ik met lekker eten en vogelen ons 25-jarig samenzijn op Texel. Op waarneming.nl zagen we dat aan de Waddenkant een brileider was gespot, een zeldzame vogel. Normaal kun je die alleen in Alaska en Siberië zien. We besloten erheen te gaan om te kijken of we de eider konden spotten, maar ook om de toeloop van vogelaars te zien. Ik vind de opwinding onder vogelaars vaak nog interessanter dan de vogel zelf.
We hoefden niet lang te zoeken. Onderaan de dijk stond een enorm aantal auto’s; het kon niet missen dat de brileider daar ergens moest zitten. We klommen de dijk op en daar zagen we een verzameling mensen met enorme toeters op hun camera’s. Het leek wel een showcase voor fotografen. Gelukkig hadden we onze verrekijker bij ons en daardoor zagen we de brileider al snel op de basaltblokken zitten. Een vogel met een protserige schoonheid, compleet met zo’n artistieke bril waar ik zo de pest aan heb.
‘Dit bestaat niet,’ zei ik tegen Wyb, ‘Die brileider moet ziek zijn, anders bleef hij daar niet zo braaf zitten.’
‘Vogelziekte?’
‘Zou kunnen.’
De vogelaars konden hem bijna aaien.
De dag erna schreef ik op mijn blog: ‘Grote kans dat de brileider daar de volgende dag dood op het basalt heeft gelegen.’
Dat bleek niet te kloppen, want de volgende dag stond in de krant dat de vogel was opgevangen in dierenopvangcentrum Ecomare.
Verder heb ik nooit meer aan die eider gedacht.
Tot gisteren. Als laatste stuiptrekking was het arme beest gisteren landelijk nieuws. Het verzorgingshuis heeft hem niet in leven kunnen houden. ‘Vorige week laaide een worminfectie op en afgelopen donderdag stopte hij met eten,’ meldde de dierenopvang. Een uitgestelde dood dus.
Het dier werd vanuit de hele wereld gesteund, een inzamelingsactie voor de zeldzame gast leverde €10.000 op. Een woordvoerder spreekt van ‘een bijzonder verhaal met een minder leuk einde.’ Voor de proletarische meerkoet zou zo’n actie nooit zijn gelukt. Mooi zijn is niet alleen in de mensenwereld een onrechtvaardig voordeel.
Over vogels gesproken — ik heb het de laatste tijd te weinig over ze gehad — in Delft zwemmen zo’n zes à acht zwanen in de grachten. Daardoor heb ik ze beter leren kennen. Het staat buiten kijf dat het prachtige dieren zijn. Ze hebben een vorstelijke uitstraling, niet gek dat ze in vele mythes een hoofdrol spelen. Maar nu pas heb ik kunnen zien dat het gewoon ordinaire schooiers zijn.
Schuin tegenover ons in de gracht ligt een woonboot waar de bewoners de zwanen regelmatig voeren. De hele dag cruisen ze voor de boot langs om te kijken of de bewoners thuis zijn en nog wat kruimels over hebben. Op de grachten bedelen ze al drijvend bij de bankjes waar de toeristen hun broodjes eten. Ze lijken dus niet alleen vorstelijk, ze gedragen zich ook als vorsten: een beetje parasiteren op de sympathie van mensen die wel voor hun kost werken.
Ten slotte weer alle complimenten voor het ouderschap van de Nijlgans. Eind februari, toen het nog hartstikke koud was, kregen ze al zeven jongen. Vijf hebben ze zowaar in leven kunnen houden door onvoorwaardelijke zorg en trouw. De jongen worden altijd geflankeerd door hun ouders. Wee degene die bij hen in de buurt komt. Inmiddels weet ik dat dit tot het einde van de zomer doorgaat. Alle lof voor zoveel ouderliefde.
Journal d’images
Godswonder
Zondag 15 maart, Delft
Het was 1964 toen ik voor het eerst geschiedenisles kreeg. Eigenlijk werd het meteen mijn lievelingsvak. Niet voor niets ben ik uiteindelijk geschiedenisleraar geworden, al duurde dit deel van mijn carrière slechts drie maanden.
Wat ik eigenlijk wil zeggen, is dit. Toen ik op die jonge leeftijd terugkeek naar het verleden, bijvoorbeeld zeventig jaar, leek het alsof ik in een totaal andere wereld leefde. 1894 en 1964: het had niets met elkaar te maken.
Als ik vanuit 2026 zeventig jaar terug in de tijd kijk, lijkt de wereld veel minder veranderd. Of komt dat omdat ik die zeventig jaar zelf heb meegemaakt? Of kijkt een jongen van tien in onze tijd misschien met evenveel verbazing naar de jaren vijftig van de vorige eeuw als ik keek naar 1894?
Net als nu reden er in 1964 al veel auto’s op straat; er hadden geen twee wereldoorlogen tussen gezeten; de stofzuiger was al uitgevonden; er waren al raketten de ruimte ingeschoten; de cultuur vertoonde de eerste tekenen van bevrijding: jazz, rock ’n roll, de Vijftigers hadden het sonnet al afgebroken. Er waren in 1964 zelfs al prehistorische computers.
Zo peinzend kwam ik op één groot verschil. En dat komt waarschijnlijk omdat Wyb en Anne in Nepal zijn. Dat verschil heeft te maken met onze communicatiemogelijkheden.
Wyb vertelt altijd hoe ze op 19-jarige leeftijd met haar zus een jaar door India en Nepal reisde. Tijdens hun reis hadden ze nauwelijks contact met hun ouders. Soms schreven ze een brief, die er dagen over deed om aan te komen. Als hun ouders een brief terugschreven, moesten ze dat poste restante versturen. Poste restante? Wat is dat nou weer? Het is een verzendservice waarbij brieven op een specifiek postkantoor worden bewaard totdat de geadresseerde ze persoonlijk ophaalt. Anneke en Tjerk schreven dan een brief die ze bijvoorbeeld naar het postkantoor in Jaipur stuurden. Daar bewaarden ze die dan net zo lang tot Wyb en Yolanda die brief kwamen ophalen. Feest! Eindelijk een bericht uit Nederland!
Hoe anders is het nu. Hé, dacht ik eergisteren, eens kijken of Wyb al in Delhi is geland. Ik open Plane Finder en zie in real time dat ze inderdaad aan het landen is. De hoogtemeter vertelt mij dat ze van 1500 meter naar 400 meter daalt. De snelheid neemt logischerwijs steeds verder af. 75 meter, 25 meter, 0 meter — het vliegtuig zie ik steeds langzamer uitrollen. Ze is veilig geland, dus ik sluit af. Ik heb haar landing vanuit de cockpit van het vliegtuig live kunnen volgen. Ongelooflijk toch? Een godswonder voor een jongen uit 1954.
Even later waarschuw ik Anne dat het vliegveld in Delhi enorm groot is en dat het drie kwartier lopen is naar de gate. Ze zit namelijk in de aankomsthal op Wyb te wachten, maar die is na de transfer direct naar de gate gegaan. Wyb vraagt of ik haar even wil waarschuwen, dat ze moet opschieten.
Even later zou ik ze met mijn zoekfunctie in de taxi naar het hotel hebben kunnen zien rijden. Dat ga ik natuurlijk niet doen. Maar twee à drie keer per dag kijk ik wel even waar ze nu weer zijn. Hartstikke leuk.
En dan krijg ik ook nog een paar keer per dag foto’s opgestuurd. Bloedmooie foto’s, waardoor ik inmiddels stinkende spijt heb dat ik niet mee ben gegaan.
Kom daar in 1964 maar eens om: qua communicatie is de wereld in 2026 een totaal andere wereld. Ik zou hier in Delft een commandocentrum kunnen inrichten en de reis bijna één op één meemaken. Google Maps Streetview er nog bij en ik kan met ze meelopen.
Journal d’images
Foto die Wyb vandaag opstuurde. Haar onderschrift: ‘m’n pa gereïncarneerd’.
Generatieschaamte
Zaterdag 14 maart, Delft
Is het ook mogelijk om uit je generatie te stappen? Dat zou eigenlijk moeten kunnen, vind ik. Zonder dat je daar zelf enige zeggenschap over hebt, word je in ingedeeld bij een generatie. Puur op basis van je geboortedatum.
Bij mij is best sprake van generatieschaamte. Regelmatig word ik aangesproken op de kortzichtigheid en wangedrag van mijn generatie, en dat wil ik niet meer. ‘Hé, millennial!’ Dat klinkt toch veel vriendelijker dan: ‘Hé, boomer!’ Dat laatste wordt altijd onaardig of verwijtend uitgesproken. En dat begrijp ik best.
Ik vind dat wij boomers de wereld echt veel slechter achterlaten dan we haar hebben gekregen. De wereldbevolking is geëxplodeerd, gelukkig treft mij daarin geen blaam. De wereld is er niet vredelievender op geworden. Zeker nu, met dat gedoe in Iran, is de chaos compleet. Het onderwijs hebben we er niet beter op gemaakt. De woningnood hebben we niet opgelost. Ik werd in 1954 geboren op een kleine zolder aan de Broerdijk in Nijmegen en nog steeds worden kinderen op kleine, donkere zolders geboren vanwege de woningnood. Niets is veranderd.
De enigen uit mijn generatie die een beetje hun best hebben gedaan en vooruitgang hebben geboekt zijn de technici, de bèta-jongens en -meisjes. Zij hebben dingen bedacht en gemaakt die de mensheid verder zouden kunnen brengen. ‘Zouden kunnen.’ Maar ze hebben hun uitvindingen in handen gegeven van hyperkapitalisten en in plaats van een zegen is het een vloek geworden. Het spul wordt nu gebruikt om ons te manipuleren en te controleren. Het is toch om te janken.
Als misantroop beleef ik natuurlijk gouden tijden. Ik hoef maar naar iets te wijzen en te vragen: ‘Moeten we daar hoop uit putten?’ Noem mij een onderwerp waar we trots op kunnen zijn. Ja, we hebben gas opgeboord, waardoor ons land rijk werd, zodat we de hypotheekaftrek konden invoeren. Gelukkige wij. Het is ons gewoon in de schoot geworpen, niets voor gedaan. Vervolgens hebben we er ons milieu mee kapotgestookt. Nou, daar hebben we de wereld verder mee geholpen.
Ik ben geen misantroop; ze hebben van mij een misantroop gemaakt. Van nature ben ik best een opgewekt mens. Wie van mij een misantroop heeft gemaakt? Mijn generatie.
We hadden oude, wijze mannen kunnen worden. Een soort sjamanen die rond het vuur zitten en jongere generaties adviseren en bemoedigen. Wat is gebeurd: Trump 79 jaar, Poetin 73 jaar, Xi Jinping 72 jaar, Netanyahu 76 jaar. In plaats van rond dat vuur zitten, zijn ze bommen gaan gooien.
Macht, geld, gewin, liefdeloosheid, eigenbelang. Het oude liedje. Mijn generatie is geen ander liedje gaan zingen.
Waar kan ik mij uit mijn generatie laten uitschrijven? Waar is de uitgang?
Journal d’images
Troosteten
Vrijdag 13 maart, Delft
Ik werd vanmorgen om kwart voor zeven wakker. Natuurlijk grijp ik als eerste naar mijn iPhone, die sinds 2007 (de uitvinding van de iPhone) op mijn nachtkastje ligt als ik slaap.
Ik zie dat Wyb nu boven de Arabische Oceaan vliegt op 12.400 meter hoogte. Het duurt nog een uur en een kwartier voordat ze in Delhi landt. Ik volg op Plane Finder de rode lijn van haar vliegtuig terug en zie dat ze heel dichtbij de Straat van Hormuz heeft gevlogen. Ik neem aan op veilige afstand, want haar vliegtuig is lang niet het enige vliegtuig dat daar vliegt. Ik zie dat er volop boven Saudi-Arabië wordt gevlogen. Nog even en ze vliegt boven India.
Anne vliegt al vlak bij Delhi. Ze vliegt op een hoogte van 4.500 meter, is duidelijk aan het landen. Over drieëntwintig minuten zal ze er zijn. Ben benieuwd of ze elkaar op dat gigantische vliegveld gaan vinden.
Gisteravond hebben we afscheid genomen voor de vertrekbalies van Schiphol. Het vliegtuig naar India was vermoedelijk het laatste dat opsteeg: alles was leeg en verlaten. Het was een kafkaiaanse aanblik. Na ons innig afscheid loop ik terug naar P1 en rijd ik, samen met Dies, terug naar Delft.
De avond daarvoor was het gezelliger. Sinds lange tijd zijn we weer eens in een restaurant gaan eten. Je kunt het gerust ook een soort troosteten noemen. We zullen elkaar achttien dagen lang niet zien, en dat is voor ons doen ongelooflijk lang. We hebben een symbiotische relatie en die wordt nu ongebruikelijk lang uit elkaar gehaald.
In 2005, toen Wyb als reisbegeleider met een veertigtal dansers van Introdans naar Zuid-Korea ging voor een tournee, was dit de laatste keer. Pas veel later kregen we Cadouin en vliegt Wyb wel eens voor drie dagen terug naar Nederland om te werken. Ik blijf dan in Frankrijk. Allemaal te overzien. Maar achttien dagen Wyb in Nepal en ik in Delft is toch andere koek.
Troosteten dus. Vooral omdat in die periode Wyb ook nog eens op 18 maart jarig is. Ik kan haar dus alleen maar op afstand feliciteren. Tijdens ons afscheidsetentje geef ik haar alvast een cadeau dat ik voor haar heb gekocht.
Een paar maanden geleden stonden we in een nieuwe bijouteriewinkel in Delft. We liepen wat te dwalen door de winkel en ik hoor Wyb achter mij enthousiast zijn over een hangertje met een groene steen. Als zij doorloopt, loop ik erheen om te kijken welke het zou kunnen zijn. Een paar dagen later ga ik het voor haar verjaardag kopen. Het blijkt gelukkig precies het hangertje te zijn dat ze had gezien.
Wyb en ik hebben wat troost gegeten. In de tijd dat we beiden nog fulltime (en meer) werkten en geplaagd werden door stress en zorgen en we op de rand van de vulkaan dansten, gingen we regelmatig, zeer regelmatig, samen uit eten. Ik durf wel te zeggen dat wij hele maandsalarissen naar de horeca hebben gebracht. Dat heeft ons inderdaad veel troost gebracht.
Na het etentje lopen we enigszins sentimenteel terug naar huis. Het is de eerste grote reis die Wyb zonder mij gaat maken. Wij waren een perfect reisteam: dezelfde interesses, hetzelfde reisritme, dezelfde reislust. Nou ja, dat laatste geldt voor Wyb iets meer dan voor mij.
Eenmaal thuis krijg ik appjes van Wyb dat het vliegtuig steeds later vertrekt. De vraag is of ze haar overstap in Delhi haalt. Gebruikelijke reiszorgen dus.
Journal d’images
Innig afscheid.
Elkaar gevonden bij de gate in Delhi. Nu samen naar Kathmandu.
Podcast: Graphomanie
Donderdag 12 maart, Delft
Elke dag weer zo’n blogje. Al die woorden. Elk mens heeft behoefte aan afwisseling. Als voormalig bewoner van de Dordogne weet ik: zelfs van foie gras krijg je op een gegeven moment genoeg. En daarom: And now something completely different. Een podcast.
Ik was er zelf niet opgekomen omdat ik het niet zou kunnen maken en podcasts totaal niet in mijn systeem zitten, maar bij Rokus gelukkig wel. In plaats van een volgende brief te schrijven, besloot hij een podcast te maken waarin wij elkaar interviewen. Titel: Graphomanie. Oftewel: schrijfdwang, een neurotische aandrang.
Lijd ik daaraan eigenlijk? Ik denk het niet. Al lijkt het er misschien wel eens op. Als ik een langere periode niet kan schrijven, niks aan de hand. Ik word daar niet ongelukkiger van. Waarom dan wel vrijwel elke dag zo’n blog? In de podcast noem ik het lust, lust om te schrijven. Maar nu ga ik spoilen, en dat moet ik niet doen.
Je kunt de podcast beluisteren door onderaan op de link te klikken. Dan word je vanzelf naar Graphomanie geleid. De URL is onbeholpen lang, maar dat komt omdat ik er geen verstand van heb. In ieder geval werkt hij, dat is het belangrijkste. Tot morgen. Gewoon weer lekker met een gewoon blog.
Potlood
Woensdag 11 maart, Delft
Voor mij zijn boeken en potloden onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als ik lees, ligt er altijd een potlood in de buurt.
Soms tot ergernis van Wyb: ‘Wat doen al die potloden hier nou?’ Ik ruim ze dan keurig op, maar ik weet dat er al snel weer potloden zullen liggen. Eigenlijk zou er bij de aankoop van elk boek een potlood moeten worden bijgeleverd. Hulde aan de uitgeverij die dit idee zal uitvoeren.
Wie weinig leest zal zich afvragen: ‘Een potlood? Waarom?’
Als ik een boek lees en een mooie zin, een memorabele passage of een wijsheid tegenkom, dan wil ik meteen een potlood om die te markeren met een streepje in de kantlijn of een streep onder de zin. Niet dat ik met een potlood in mijn hand lees: lezen moet geen studieactiviteit worden. Het grijpen naar een potlood moet spontaan gebeuren.
Levert zo’n potlood ook iets op? Voor dit blog neem ik de proef op de som. Een paar maanden geleden las ik We gaan zo van Koos van Zomeren. Het staat inmiddels uitgelezen in de kast. Ik ben benieuwd wat ik zoal heb onderstreept — een experiment. Lees maar mee.
– In de kunst gaat het er niet om je medemens te overwinnen, want voor een kunstenaar is niet zijn medemens zijn tegenstander, maar de beperktheid van zijn eigen geest.
– Wie in stront belegt, zal niet gauw teleurgesteld worden, want daar zal morgen beslist meer zijn dan gisteren.
– Als de geschiedenis één ding heeft bewezen, dan is het wel dat mensen helemaal geen ideale wereld nodig hebben om in te leven.
– Ik lees het liefst in de luwte, boeken die geen stof doen opwaaien of waarvan het opgewaaide stof allang is gaan liggen. Een oude Pfeijffer bijvoorbeeld.
– Buiten de verhalen die we elkaar vertellen weten we eigenlijk niets over de werkelijkheid.
– Actualiteit, dat is een moeras: je zet een stap en die stap dwingt je tot de volgende die je dwingt tot de daaropvolgende, net zo lang tot je vastzit. Terug voor het te laat is!
– Het geluid van je voetstappen in natte herfstbladeren, dat slechts wordt overtroffen door dat van voetstappen in droge herfstbladeren, dat slechts wordt overtroffen door dat van voetstappen in verse sneeuw.
– Een goede zin is een ambachtelijk product, een goede zin kun je afdwingen, een briljante zin echter overkomt je, in een briljante zin voel je de hand van God, zoals Maradona die voelde bij zijn doelpunt in de WK-finale in 1986.
– Als je een hond hebt, heb je altijd iets om over te praten — geen gering voordeel na bijna zestig jaar huwelijk.
– De eersten die we niet zouden moeten liefhebben zijn onze ouders die ons in hun onbesuisdheid de dood hebben geschonken. En intussen heeft de natuur ons aan hen gebonden.
– Er is niets zo mooi als het schrijven van een mooie zin, maar zo simpel is dat niet. Het moet wel ergens over gaan, je moet wel iets meemaken. Ik denk niet dat er ooit een mooie zin geschreven is die niet is begonnen met een gebeurtenis, een gewaarwording, een por van de zintuigen.
Tot zover. Dit is ongeveer iets minder dan de helft van de zinnen die ik heb onderstreept. Dat op een totaal van 443 bladzijden. Dat is best een hoge score, dat betekent dat ik elke 18 bladzijden iets heb onderstreept. Voor sommige boeken heb ik trouwens helemaal geen potlood nodig.
Blijft de vraag: levert zo’n potlood ook iets op? Mijn antwoord luidt: ik ga er zeker mee door, anders gaan al die mooie zinnen en wijsheden verloren. Nu kan ik ze in het boek terugvinden door erdoorheen te bladeren.
Ten slotte nog een toetje uit Morlands schaduw van Cherry Duyns: ‘Blind is de man zonder boeken.’ Uiteraard meteen onderstreept.
Journal d’images
De laatste lezer.
Tonen & Tonen
Dinsdag 10 maart, Delft
‘Zal ik, als we aankomen in Kathmandu, voor Anne en mij een airport pick-up nemen?’ vraagt Wyb aan zichzelf, want wat heb ik als thuisblijver er mee te maken.
‘Zou ik doen,’ zeg ik, ‘dat bespaart veel gedoe.’
Het verbaast me wel, want dit soort frivoliteiten hebben Wyb en ik ons nooit gepermitteerd als we reisden. Wordt de backpackster nu opeens een bedaagde toeriste? Wyb is namelijk toch altijd een ascetisch reiziger geweest. En ik heb haar daarin altijd trouw gevolgd, want Wyb was de reisleidster. En nu dan opeens een airport pick up — doe eens gek.
‘Die airport pick-up kost maar tien euro,’ laat ze tien minuten later weten.
Als ze het zegt, zie ik meteen iemand bij de uitgang staan met een bordje waarop hun namen staan: Tonen & Tonen.
‘Zou je dan een foto willen maken van de meneer of mevrouw die daar dan staat met zo’n kartonnen bordje: Tonen & Tonen?’
Wyb belooft het te doen.
De herinnering is een wild beest dat gaat liggen waar het wil, las ik onlangs. Ik dacht dat ik het had gelezen in het boek Morlands Schaduw van Cherry Duyns, maar ik kan het niet terugvinden. Het kan zijn dat ik het woordje ‘wild’ er zelf bij heb bedacht. Maar dat kan ik dus niet verifiëren.
Terwijl ik het beeld van dat bordje voor me zie, komt een herinnering boven van een enorme gemiste kans. Ik was door Joop van den Ende uitgenodigd naar New York te komen en daar naar de voorstelling van Titanic te kijken. Hij wilde deze musical naar Nederland halen en het leek hem goed als we met een aantal theaterdirecteuren gingen kijken of het inderdaad iets voor ons was.
Eenmaal aangekomen op JFK Airport kreeg ik, kan ik me herinneren, te maken met die vreselijke grenscontrole in de VS. Toen al. Ik ben er een paar keer geweest en altijd werd ik hufterig behandeld. Blij dat ik de controle had overleefd, zocht ik snel een taxi om me naar Manhattan te laten brengen.
Eenmaal in ons hotel druppelde de een na de andere collega binnen en iedereen was enthousiast over de ontvangst op JFK Airport.
‘Wat een verrassing. Wat leuk dat hij dit heeft georganiseerd. Echt Joop van den Ende.’
Wat bleek: bij het uitgaan van de passagiersterminal had een man gestaan met een bordje met hun naam erop. De man had hen meegenomen naar een luxe verlengde limousine die hen, compleet met een fles champagne, naar Manhattan had gereden.
‘Die stond er ook voor jou, hoor.’
Bij navraag bleek dat inderdaad het geval te zijn. Had ik verdomme de kans op een glorieuze entree in New York, ben ik er gewoon langs gelopen. Ik heb daar nog spijt van.
Nog even iets anders. Misschien moeten Anne en ik toch eens een tekstbureau beginnen. Tonen & Tonen zou dan echt een goede naam zijn.
Ik moet ook nog even terugkomen op dat wilde beest. Het bleef knagen en ik heb Google gevraagd van wie de uitspraak was. Het blijkt van Cees Nooteboom te zijn, en het juiste citaat luidt: ‘Herinnering is een hond die gaat liggen waar hij wil.’ Ook mooi.
Journal d’images
Reislust
Maandag 9 maart, Delft
De rugzak van Wyb staat al op de bank in haar werkkamer. Er heerst een lichte reiskoorts in ons huis. Ik schat dat de temperatuur nu op 37,8 graden ligt, dus het valt nogal mee. Desalniettemin, aankomende donderdag moet de rugzak helemaal gevuld zijn en vliegt Wyb om twintig over acht ’s avonds uit Nederland weg.
Ik weet dat het een geluksmoment is voor Wyb. Zij is een reiziger pur sang. Als ze mij niet had ontmoet, vermoed ik dat haar beroep reiziger zou zijn geweest. Wat dat betreft hebben dochter en stiefmoeder elkaar wel gevonden, want ook Anne durf ik een echte reiziger te noemen. Op vrijdag de 13e zullen zij elkaar tegen twaalven op het vliegveld in Delhi ontmoeten, als Anne uit Sri Lanka arriveert. Ze vliegen dan samen door naar Nepal.
Het oorspronkelijke doel was het lopen van de Langtang-Trail. Dat plan moest worden herzien omdat Anne de ziekte dengue kreeg. Als ik Anne zo op Instagram volg, heeft ze weer energie voor twee, maar de dokter heeft haar ten zeerste afgeraden die trail te gaan lopen. En terecht waarschijnlijk, want een paar dagen geleden ging ze in Sri Lanka weer eens naar een sportschool, en dat is haar slecht bevallen. Het vermoeide denguegevoel in haar benen was er opeens weer.
De dames Tonen brengen de eerste dagen in Kathmandu door. Daarna reizen ze naar diverse locaties waar ze kleine wandelingen gaan maken. Hun hoofddoel schijnt het spotten van neushoorns in het natuurpark Chitwan te zijn.
Nu het vertrek van Wyb nadert, vraag ik me in toenemende mate af waarom ik eigenlijk niet meega. Mijn antwoord daarop was: ‘Geen zin.’ Maar dat is natuurlijk een antwoord van niks: waar komt die ‘geen zin’ vandaan? Eigenlijk weet ik dat niet precies. Heeft het met leeftijd te maken? Ik hoop het niet, maar ik sluit het niet uit.
Het verblijf in Kathmandu zou ik graag meemaken. Maar het gereis in bussen en jeeps naar afgelegen plekken hoeft voor mij niet. Dan gaan ze ook nog in een jeep door de jungle op zoek naar die neushoorns. Tja, dat heeft toch iets gênants als je die dieren ook gewoon in Burger’s Dierenpark kunt zien. Als je dergelijke ontnuchterende opmerkingen in je hoofd zitten, verdwijnt de reislust natuurlijk al snel.
Het verontrustende is ook dat ik erg hecht aan ons huis in Delft. Ik voel me er erg op mijn gemak. Zo erg zelfs dat ik nauwelijks nog de aandrang voel om eropuit te gaan. Onlangs noemde ik mij nog een zwerver, maar ik moet toegeven dat ik die naam steeds minder verdien. Mislukt kluizenaar, mislukt zwerver, mijn cv groeit nog steeds.
Een ander puntje van mijn ‘geen zin’ heeft zeker ook te maken met mijn Franse ervaring: dat je van de ene dag op de andere, zonder nette aankondiging, opeens ernstig ziek kunt worden. In Frankrijk vond ik dat al een verzoeking, ik moet er niet aan denken dat ik in een Nepalees ziekenhuis kom te liggen. Maar ja, met zulke gedachten is het natuurlijk helemaal treurig gesteld; dan moeten alle alarmbellen toch gaan rinkelen, oude man.
Journal d’images
Anne bij jaar vertrek naar Sri Lanka.
Laklaag
Zondag 8 maart, Delft
In zijn inauguratierede beloofde Trump dat er onder zijn bewind een gouden eeuw zou aanbreken. En verdomd, hij heeft gelijk gekregen. Vermoedelijk niet in de zin die hij bedoelde. Ik vind het een gouden eeuw voor somberaars, pessimisten en misantropen zoals ik. We worden op onze wenken bediend.
Kijk, daar vaart een bootje in de Caribische Zee. Flits. Het bootje is naar de bodem van de zee getorpedeerd. Trump at work. Hoogstandje in techniek, dieptepunt wat de menselijkheid betreft.
Zo kan ik nog even doorgaan. Gemaskerde mannen trekken door de straten. Hé, die ziet er Zuid-Amerikaans uit. Prooi! Hij wordt in de boeien geslagen, naar een concentratiekamp gebracht en gedeporteerd. De SS marcheert weer door de straten. Dit keer in de Verenigde Staten en heet in deze variant ICE.
Vorige generaties hebben een soort laklaagje over het menselijk handelen weten te leggen. Zo formuleerden ze internationaal recht, zo maakten ze wetten en tooiden een systeem op om het recht in goede banen te leiden, de trias politica.
Onderdeel van Trumps gouden eeuw is dat hij het dunne laklaagje niet alleen laat craqueleren. Trump bombardeert het gewoon er vanaf.
Niks laklaag. In zijn gouden eeuw geldt het recht weer van de sterkste, de hufter, de macht van de willekeur en de domme krachten.
Gisteren namen Rokus en ik een podcast op. Daarin vroeg hij zoiets als: ‘Hoe kan het dat dat sombere mensbeeld van jou je niet aantast? Als ik je midden in de stad zet, lul je met iedereen vrolijk over van alles en nog wat.
Als antwoord formuleerde ik het voor eerst voor mezelf, tot op het bot. ‘De wereld en de mens mogen dan kut zijn, maar ik zorg ervoor dat mijn leven niet kut is, ik heb geen zin om er zelf somber van te worden.’
Belangrijk gegeven daarbij, lees goed wat ik zei. Ik had het over de mens, niet over een mens. Er zijn best veel goede mensen. Maar dat neemt niet weg dat de mens een beest is. Kut bedoel ik op filosofisch en maatschappelijk niveau. Ik heb het dan niet over psychologisch individueel niveau, al valt daar ook het nodige over te zeggen. Nette mensen hebben diepe kelders.
Rokus constateerde dat ik dus een strenge scheiding tussen kerk en staat aanbracht. En zo is het. Altijd als kerk en staat elkaar kunnen beïnvloeden krijg je gedonder.
Een strenge scheiding tussen het een en het ander redt een mens.
Journal d’images
Vier de liefde! Elke dag, overal.
Lekker lullen
Zaterdag 7 maart, Delft
Ik stuur een satirisch filmpje van Instagram, dat ik van Anne kreeg, naar een aantal vrienden. Ze geven aan dat ze het niet kunnen bekijken omdat ze geen Instagram hebben. Niemand hoeft van mij op Instagram te zitten, maar het bevestigt de indruk die ik al langer heb: dat mijn generatiegenoten, mijn mede-boomers, zich terugtrekken van social media. Hoe vaak ik de weerstand tegen social media wel niet in hun woorden hoor. Nog niet zo lang geleden was er een golf van mensen die zich van Facebook terugtrokken. Velen namen afscheid met een bijna officiële verklaring. Al zag ik ze later voorzichtig terugdruppelen.
Ik begrijp ze wel: wie heeft er geen moeite mee om Big Tech te omarmen, deze roofridders van het kapitalisme? Of misschien moet ik wel zeggen: de bedrijven die met behulp van de overheid van de VS andere landen koloniseren door ze afhankelijk te maken.
Ikzelf blijf voorlopig volop genieten van social media. Er is veel tegen te zeggen, maar ook veel vóór. Elke dag geven die social media mij toch wel een uurtje plezier. Mijn boomervrienden wijzen vaak op het Big Brother-effect van Big Tech: ‘ze weten alles van ons’. Ook dat is waar. De reactie van mijn vrienden is dat ze zich heel principieel terugtrekken. Ik hoop niet dat ze denken daardoor de dans te ontspringen, want ze hebben allemaal een mobiele telefoon en surfen er lekker op los op hun pc’s. Het lijkt me dan een illusie om te denken dat Big Tech niets van je weet. Sowieso lijkt het me onmogelijk om aan Big Tech te ontsnappen. De Nederlandse overheid heeft ons uitgeleverd aan deze Amerikaanse paladijnen.
Vandaag waag ik mij aan een nieuw medium: de podcast. Ik luister nooit naar podcasts; ik heb geen idee wanneer ik dat zou moeten doen. Als ik er al eens een wil beluisteren, denk ik meteen: toch maar eerst even lekker lezen.
‘Als ik wandel luister ik altijd naar een podcast,’ hoor ik wel eens iemand zeggen. Ik moet er niet aan denken, denk ik dan. Als ik wandel, geniet ik juist van de stilte, of van de niet-invasieve geluiden. Ik wil niet dat mijn wandelen gestoord wordt door een stem in mijn oor. Alleen als we naar Cadouin rijden en elf uur lang kilometers wegvreten, willen we nog wel eens naar een podcastje luisteren. Wyb is gek op podcasts over koken, vooral die van Teun van der Keuken en Yvette van Boven. Ik luister dan geïnteresseerd mee. Leuk om alles over aubergines te weten.
Vandaag komt Rokus op bezoek met een kekke mobiele podcastset. O ja, zo nu en dan luister ik ook wel naar een podcast van Rokus. Hij heeft een prettige stem en zet zo’n postcast goed in elkaar, vind ik. Jammer voor mij dat veel van zijn podcasts veelal gaan over hulpverlening en psychiatrische onderwerpen, wat niet bepaald onderwerpen zijn waar mijn interesse ligt.
Hij heeft zijn set meegenomen omdat hij me wil interviewen over schrijven, dacht ik aanvankelijk, maar al pratende valt het besluit om er een tweegesprek over schrijven van te maken. We maken een soort audio-intermezzo van onze briefwisseling. We lullen er samen een lekker eind op los. Best leuk, zo’n podcast opnemen. Binnenkort te beluisteren in dit theater.
Journal d’images
Bumper
Vrijdag 6 maart, Delft
Ik heb toch een raar leven, vind ik zelf. Nou ja, raar. Het is ook weer niet zo raar, want ik heb veel lotgenoten, denk ik.
Het gaat me om het volgende. Ik ben een echte nieuwsjunk. Ik lees twee kranten per dag en volg het nieuws via allerlei andere media. Dagelijks absorbeer ik een enorme hoeveelheid informatie. Ik doe dat met veel plezier, want ik ben een vreselijk nieuwsgierig mens, altijd geweest. Maar het heeft natuurlijk ook iets tragisch: wat doe ik met al die informatie? Wat kan ik ermee?
In de kamer naast mij werkt Wyb zich de blubber om alle gestrande Nederlanders te woord te staan en te zorgen dat ze mogelijk terug naar Nederland kunnen reizen. Ik las in het nieuws dat inmiddels negenduizend mensen een formulier hebben ingevuld om te laten weten dat ze niet verder kunnen reizen. Een deel van die mensen heeft acute problemen, bijvoorbeeld omdat hun medicijnen op zijn. Of omdat ze hoogzwanger zijn.
Ik vermoed dat die negenduizend aanmelders slechts het topje van de ijsberg zijn, want het gaat om mensen die vastzitten in het Midden-Oosten. Van Anne hoor ik dat ook in Sri Lanka mensen niet meer terug kunnen vliegen omdat vliegmaatschappijen hun vluchten hebben gecanceld. Door het vliegverbod boven het Midden-Oosten is het onmogelijk Europa te bereiken. Maar dat geldt natuurlijk ook voor mensen in andere Aziatische landen.
Eerst was er paniek: hoe komen we terug? Steeds meer klinkt ook woede: waarom doet de Nederlandse overheid niets voor ons? Wyb is nu de bumper van Nederland, zou je kunnen zeggen. Neem je contact op met de Nederlandse overheid, dan krijg je eerst Wyb aan de lijn, of een van haar collega’s. Maar ja, wat kan de Nederlandse overheid doen in een gebied waar landen elkaar kapot bombarderen en het te gevaarlijk is om te vliegen? Net als burgers kunnen ook overheden zich machteloos voelen. Er wordt nu naar allerlei geitenpaadjes gezocht om mensen toch terug te krijgen.
Maar goed, Wyb doet iets, Wyb is nuttig. Ik volg alleen maar het nieuws: ik volg het nieuws zonder er iets mee te doen.
Mijn functie lijkt vooral: mij verbazen. Bijvoorbeeld over het feit dat een land opgescheept zit met een president die nog niet door de helft van het land is gekozen, zich niets aantrekt van democratische afspraken, zijn land eigenstandig in oorlog stort en daarmee de wereld in chaos.
Nederlandse burgers bellen terecht met de Nederlandse overheid, maar eigenlijk zouden ze naar het Witte Huis moeten bellen. ‘Hé, gek, weet je wel wat je veroorzaakt? Ik moet morgen werken, maar ik kan niet terug naar huis. Mijn kinderen moeten naar school, maar we hebben geen idee hoe lang we hier nog moeten zitten, hoe lang ga jij nog door met het gooien van die bommen?’
Ik zie dat ik mijn minimale limiet van 350 woorden alweer heb bereikt. Dat wil zeggen dat ik aan mijn dagelijkse plicht heb voldaan. Ik kan dit blogje afsluiten om vervolgens weer in de kranten te duiken en verder nutteloos te zijn. Als u iets specifieks wilt weten over de situatie in de wereld, dan kunt u gerust contact met mij opnemen. Mijn vraagbaakfunctie vervul ik nu alleen voor mijn dochters, maar ik wil die functie best openstellen voor de lezers van dit blog. Mocht je een vraag hebben over het wereldgebeuren, app, mail, bel gerust.
Journal d’images
Reisscènes
donderdag 5 maart, Delft
1.
Het lukt me niet meer om van Delft naar Kollum te rijden zonder in de tussentijd te moeten plassen. Zo zet het ouder worden steeds dieper zijn venijnige tandjes in mijn lijf. Vandaar dat we voor Lemmer een tankstation in rijden. Wyb moet ook plassen.
Even later staan we met twee bonnetjes à tachtig eurocent voor de foodcorner om een rolletje Mentos af te rekenen.
Achter de corner staan een vrouw en een man druk met elkaar te praten; de vrouw eet ondertussen een saucijzenbroodje. De vrouw neemt een laatste hap en wendt zich eindelijk tot ons.
‘Nee, sorry, u mag per product maar één bonnetje inleveren,’ zegt de vrouw, die de laatste stukjes saucijzenbroodje wegslikt.
‘Toch flauw van Shell, ze maken genoeg winst om niet zo kinderachtig te doen,’ zeg ik. ‘Tachtig eurocent voor een plas vind ik toch een heel bedrag.’
‘Och, meneer, Shell let echt wel op de kleintjes. Laatst was er een actie en die hebben ze een maand eerder dan gepland afgebroken omdat het een te groot succes was. Het kostte hun te veel.’
‘Behandelt Shell u wel een beetje goed?’
‘Ja hoor. Maar ik hoef niet te werken, hoor. Een paar jaar geleden hebben we de boerderij verkocht en het bedrag dat we daarvoor kregen hebben we aandelen gekocht, ook veel aandelen Shell.’
‘U bent dus een vrouw in bonus.’
‘Och ja, je moet toch aan je toekomst denken.’
‘Wel fijn dat u hier kunt werken om ervoor te zorgen dat uw dividend nog wat groeit.’
‘Ze maken gigantische winsten, maar dat zie ik niet terug in mijn dividend. Dat is zo raar.’
‘Een boer heeft altijd wat te klagen,’ zeg ik tegen Wyb als we teruglopen naar de auto.
2.
Als Delftenaar ben ik jaloers op de boekhandel in Dokkum. Hadden wij maar zo’n goed gesorteerde boekhandel met vriendelijke en deskundige bediening.
‘Ik ken u toch?’ zegt de boekhandelaarster als ik het nieuwste boek van Cherry Duyns koop.
‘Wij kwamen hier vroeger vaker,’ zeg ik, ’toen we ons huisje in Moddergat nog hadden.’
‘Wij hebben elkaar toch eens ontmoet in de bus naar Schiermonnikoog?’
Wyb kan het zich nog herinneren.
‘Maar u was toch ook directeur van De Harmonie?’
‘Inderdaad. Lang geleden.’
‘Wij hebben elkaar daar eens ontmoet toen u een voorstelling voor honden organiseerde. Ik was daar met mijn hond en die heeft daar zo van genoten. Hij is uiteindelijk vijftien jaar geworden. Volgens mij is hij zo oud geworden omdat hij altijd hoopte dat hij weer eens naar zo’n voorstelling mocht.’
‘We moeten maar in Friesland gaan wonen,’ zeg ik tegen Wyb als we verder winkelen. ‘Dan word ik nog eens herinnerd aan oude successen.’
3.
Tot slot besluiten we naar Moddergat te rijden om te kijken hoe het dorp erbij ligt, maar vooral om naar de plek te gaan waar we mijn moeder hebben uitgestrooid bovenop de dijk, pal voor ons oude huisje.
Wyb en ik beklimmen de dijk. Het wad ligt er prachtig bij, de zon schijnt, blauwe lucht, maar toch waait er bovenop de dijk, zoals zo vaak, een gure wind.
‘Sorry, Ma, dat we je hier hebben uitgestrooid. Volgens mij was het een vergissing, maar jij wilde per se, dan was je tenminste dicht bij ons, zei je altijd. Maar jij wist natuurlijk ook niet dat dit zo’n koude, winderige plek is. Sorry, ik had je echt bij de Waal moet uitstrooien, daar horen we thuis, ik had je laatste wil gewoon niet moeten uitvoeren. Nu lig je hier in Friesland, je kent niemand, en wij zijn allang verhuisd.’
We kijken naar beneden naar ons huisje, dat er verwaarloosd uitziet.
‘Ma, ik beloof je dat er, als ik overlijd, een beetje van mijn as bij jou word uitgestrooid, dan lig je tenminste niet zo alleen. Niet alles, want daar vind ik het te koud voor. Nog even wachten dus; dan liggen we hier samen.’
Dan rijden we door naar Kollum, naar de moeder van Wybrich, bij wie een gemene plek onder haar oog is weggehaald — ook weer die venijnige tandjes van de tijd.
Journal d’images
Voelsprieten
Dinsdag 3 maart, Delft
Vroeger leefde ik op de huid van de tijd. Ik vond het een heerlijk gevoel: het idee dat je de tijd begreep, dat je de tijd in je vingers had, en dat de tijd jou begreep.
Nu is dat anders, nu ben ik meer een beschouwer, een kijker. Ik zie wat er gebeurt, maar ik maak niet echt meer deel uit van de tijd. Mijn enige functie — zelfgekozen, uit overtuiging — is elke dag een blogje schrijven en de hond uitlaten. Ongekende luxe, eigenlijk.
Gelukkig heb ik mijn voelsprieten. Zoals Wyb, die midden in het wereldnieuws zit en de puinhopen van Trump mag opvangen. Als ze thuiskomt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, luister ik graag naar haar verhalen. Die zijn er deze dagen volop: duizenden gestrande Nederlanders in het Midden-Oosten die totaal onverwachts in een oorlog zijn beland. Het zal je maar overkomen.
Ik weet een beetje wat het is. In 1987 gingen we naar Sri Lanka om Anne te adopteren. De strijd tussen Singalezen en Tamils was in volle gang. Volgens mij waren wij de enige buitenlanders in Sri Lanka. Dat nam niet weg dat we, voordat de adoptie plaatsvond, met een busje een rondreis door het land maakten. We zouden de strijdgebieden vermijden, verzekerde de chauffeur.
Op de derde dag van onze reis zei hij dat we voorin moesten komen zitten. ‘Als ze zien dat we buitenlanders vervoeren, gebeurt er niets.’ De chauffeur zat gespannen achter het stuur. Even later liepen er mensen met mitrailleurs langs de weg. Verderop stond een uitgebrande bus. In de berm lagen lijken. Dichter bij een oorlog ben ik nooit geweest — gelukkig.
Mijn andere voelspriet, Anne, die sinds begin januari in Sri Lanka is, schetst mij een heel ander beeld van het land. Het toerisme heeft Sri Lanka volop ontdekt, blijkt uit haar verhalen. Vliegtuigladingen vol Nederlanders trekken naar het prachtige land, dat wordt opgestoten in de vaart der volkeren. Ook daar is enige paniek onder de reizigers of ze wel terug naar Nederland kunnen vliegen. Tot donderdag zijn alle vluchten naar Nederland geannuleerd. Eén jaar Trump en de wereld is chaos.
Anne en ik bellen elkaar vrijwel dagelijks, soms zelfs meerdere keren. Is dat niet overdreven? Er zullen vast veel mensen zijn die het overdreven vinden, wij vinden het fijn. Het zit trouwens in een rijke traditie. Ook ik belde elke dag met mijn moeder. Dat kwam natuurlijk ook omdat we ver van elkaar woonden. Vroeger wipte ik snel even langs, we woonden zo’n driehonderd meter van elkaar vandaag. Toen ik in Groningen woonde, zagen we elkaar maanden niet.
De dagelijkse telefoontjes met mijn moeder waren soms uitgebreid. Vaak ook niet.
‘Ha zoon!’
‘Hoe gaat het?’
‘Goed hoor. Niks nieuws eigenlijk. En jij?’
‘Ik ook niet. Hier alles prima.’
‘Fijn te horen. Nou, dan zullen we maar ophangen, hè.’
‘Oké. Liefs.’
Het stelde niks voor. Maar zonder dat telefoontje voelde de dag toch kaal.
De telefoontjes met Anne zijn nooit zo kort. Ze vertelt mij uitgebreid over haar belevenissen. Door haar weet ik hoe het leven van een single vrouw in Amsterdam eruitziet en hoe Sri Lanka is veranderd. Ik heb ook de mazzel dat ze de wereld uitgebreid op de hoogte houdt van haar wederwaardigheden via Instagram. Ik geniet van haar verhalen.
Journal d’images
Schrik
Maandag 2 maart, Delft
De mens is een breekbaar ding. Eigenlijk hebben we gewoon te veel kwetsbare onderdelen, die niet eens vervangen kunnen worden. Komt natuurlijk omdat we op een natuurlijke manier zijn gegroeid, enige ratio kwam er niet aan te pas. De opleiding Industriële Vormgeving in Eindhoven bestond toen nog niet, die had vast wat slimme adviezen kunnen geven. Misschien toch goed dat TU Delft zich nog eens goed buigt over het ontwerp van de mens, want daar valt best nog wat aan te sleutelen.
Ik schreef er ooit het volgende kwatrijn over:
Tussen vlees en bloed en lucht zit heel dun vel.
Het lichaam is een wonderlijke cel
waar het pompt en stroomt en glijdt en borrelt, flinter…
Zwijg. Ik weet. De scheur. Het kan. Bij elke tel.
Genoeg gedraai. Nu de harde realiteit. Ik weet het uit eigen ervaring: zo is er niets aan de hand, zo lig je ineens in het ziekenhuis en moet je binnen een maand zes keer worden geopereerd. En krijg je te maken met fistels, prostaatellende en katheters. En dan heb je nog geluk gehad, want voor hetzelfde geldt was je dood geweest — zo makkelijk gaat dat.
Deze week kregen Wyb en ik ons portie weer mee. Ik zat, stond op, deed een stap, en kon opeens niet meer lopen. In mijn rechterlies is een spiertje verrekt of gescheurd of zoiets. Ik sleep mij nu door het huis. De pijn straalt uit naar mijn been en knie. Bukken gaat niet meer. Een beproeving voor iemand als ik die zich een zwerver noemt. Een vloek voor Dies, want lange wandelingen zijn er niet meer bij.
De hypochonder in mij denkt dan meteen het ergste: stel dat dit nooit meer overgaat, dan ben ik invalide. Wyb begon al plagerig over een scootmobiel. Stel dat hetzelfde gebeurt met mijn linkerbeen en ik aan een stoel gekluisterd raak. Klote lijf.
Een graadje erger gebeurde zaterdag. Wyb ging naar de gym, ik was het blogje van gisteren aan het schrijven. Veel te vroeg kwam ze terug: bleek, ontdaan.
‘Wat is er aan de hand? Wat is er gebeurd?’
‘Ik weet het niet. Ik was met een apparaat bezig en opeens voelde ik dat er iets was, dat het niet goed ging, dat ik moest stoppen. Maar wat er aan de hand was, wat er precies gebeurde: geen idee. Wat voor merk auto hebben wij eigenlijk? Ik weet dat hij lichtblauw is.’
Wyb gaat even zitten. Ik zie dat ze wazig is. ‘Wat was er voor een crisis ook weer vanochtend? Ik weet dat er een crisis was, maar ik weet niet meer wat voor een crisis. Ik kan mij sommige dingen niet meer herinneren.’
‘Iran, schat,’
‘O ja, Iran.’
Bij mij gaan meteen alle alarmbellen rinkelen. Wyb die dit niet weet, dat betekent dat er iets aan de hand is. Ik weet haar zowaar te overreden de huisartsenpost in het ziekenhuis te bellen. Die zeggen dat we meteen moeten komen. Als het onderweg erger wordt, er uitval optreedt, verlammingen in het gezicht, moeten we onmiddellijk de ambulance bellen. Ze zijn natuurlijk bang waar ik ook bang voor ben: een tia, een hersenbloeding.
De huisarts daar verwijst haar meteen door naar de neuroloog, die haar uitgebreid onderzoekt. De hele zaterdag brengen we door in het ziekenhuis. De wazigheid bij Wyb is verdwenen. Ze herinnert zich alles weer haarscherp. Ze heeft nog wel hoofd- en nekpijn.
Uiteindelijk vinden ze helemaal niets en hebben ook geen idee wat er is gebeurd. Maar ze laten haar met een gerust hart gaan, zeggen ze. Naar Nepal over twaalf dagen: geen probleem.
Wij komen met de schrik vrij.
Journal d’images
Hollandse Ziekte
Zondag 1 maart, Delft
Het is toch frappant dat ik eigenlijk nooit meer aan de coronacrisis denk, laat staan erover praat. Zelfs met Wyb is het geen onderwerp van gesprek. Opmerkelijk, want wij zijn door die crisis stevig getroffen. Zo heb je een fantastische chambres d’hôtes, en zo heb je niets meer omdat een chambres d’hôtes zonder gasten ten dode is opgeschreven.
Wij zagen het virus langzaam onze kant opkomen. We konden het bijna niet geloven dat zoiets bestond, een virus dat zich over de wereld verspreidt als inkt op vloeipapier. Het genadeschot werd ons half maart 2020 gegeven door Macron toen hij het confinement afkondigde met de woorden dat Frankrijk in oorlog was met het virus. Alles ging meteen op slot. De dagen daarna trokken mensen al hun reserveringen terug, begrijpelijkerwijs wilden ze hun voorschotten terug en waren wij platzak. Einde bedrijf.
Gisteren moest ik weer aan die coronacrisis denken omdat het nieuwe kabinet heeft besloten de 300 miljoen voor pandemische paraatheid te schrappen. Na de coronacrisis schreef de Onderzoeksraad voor de Veiligheid drie dikke rapporten over hoe we ervoor zouden kunnen zorgen dat bij een nieuwe pandemische uitbraak het niet weer zo’n puinhoop wordt als tijdens het coronavirus. Ik vond het een buitengewoon nuttig rapport, eindelijk werden er eens lessen getrokken. En nu, alsof er geen coronavirus is geweest, wordt het totale budget geschrapt.
Het is geen ongewone beslissing. Het is namelijk het gebruikelijke symptoom van wat ik de Hollandse Ziekte noem. Belangrijk principe bij deze ziekte: wat je niet ziet, waar je geen last van hebt, bestaat niet. Dus daar hoef je geen aandacht aan te besteden.
Een paar voorbeelden. In de eerste decennia van deze eeuw nam het aantal veroordeelden af. In sommige gevangenissen stonden cellen leeg. En in dit land, dat louter is gericht op efficiency en een zo klein mogelijke overheid, worden schijnbaar overbodige kosten meteen wegbezuinigd. Zo kwam er een groot plan om gevangenissen te sluiten.
Nu is er dus dikke paniek, want het aantal langdurig veroordeelden neemt toe en er zijn te weinig cellen. Mensen worden uit nood eerder vrijgelaten.
Ander voorbeeld: de asielopvang. Op een gegeven moment nam de asielaanvraag af en rechts Nederland was er als de kippen bij om asielcentra te sluiten, de COA en de IND af te slanken. Maar zoals alles zijn cyclus kent, namen door oorlog en ellende de asielaanvragen weer toe en werd de asielopvang een puinhoop. Die ellendige Wilders en zijn paladijnen bij de VVD gaven de schuld natuurlijk aan de verhoogde instroom. Onzin, want de organisatie rond de opvang was in de tussentijd gewoon kapot bezuinigd.
Nog een voorbeeld: het leger. Bestuurlijk Nederland was er van overtuigd dat er nooit meer oorlog zou komen. En als er een kwam, was die ver weg. Grappig gegeven: Rutte liep hierbij voorop. Totdat Oekraïne werd aangevallen en er opeens oorlog in onze voortuin was. Daarnaast was er nog die gek in Amerika die afstand van de NAVO nam. En jawel, nu zijn we ontzettend veel geld aan het uitgeven om de strijdmacht weer op te bouwen.
Eén ding is zeker: zo zal het ook gaan met onze pandemische paraatheid. Het is namelijk onvermijdelijk: opnieuw zal een virus de wereld in zijn greep krijgen, het is een wet van Meden en Perzen. We weten alleen niet wanneer.
Ik gaf in de eerste alinea toe dat ik nog erg weinig aan die coronacrisis denk. Maar dat kunnen bestuurders zich niet permitteren. Zij mogen zich niet laten leiden door de Hollandse Ziekte, ze moeten zich na al die ervaringen realiseren dat het kortzichtig en onverantwoord is om problemen niet te onderkennen en altijd bezuinigingen te laten prevaleren.
Journal d’images
alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2026