Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Stéphane

Woensdag 28 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik heb als fotograaf om diverse redenen ontzettend geboft hier in Frankrijk. Op de eerste plaats omdat op de hoek van de Rue Blanquerie, de straat waar ik woon, een fotozaak zit. Een zaakje zoals je die in Nederland drie decennia geleden nog in elke wijk had en nu totaal zijn verdwenen.
Zo’n zaak waar ze een paar fototoestellen te koop hebben, waar ze afdrukken, waar je wat lensjes kunt kopen en waar ze het vooral moeten hebben van het maken van pasfoto’s.

Hoe kan dat nog bestaan, dacht ik toen ik hier kwam. Een domme gedachte want al snel kwam ik erachter dat de fotowinkel van Stéphane Marinangeli in een grote behoefte voorziet. Vanochtend ging ik naar hem toe en vond hem voor het eerst zonder klanten in zijn zaak. Wanneer ik hem ook bezoek, of wanneer ik ook langsloop, en dat doe ik vaak omdat ik Dies uitlaat, zijn er mensen in de winkel.
Nu begrijp ik dat wel. In Nederland is de verkoop van fotospullen volledig verschoven naar online. In grote steden heb je nog fysieke winkels met een uitgebreid assortiment maar zelfs die zijn er om de online verkoop te ondersteunen. In Frankrijk, dat treurig achterloopt in de digitale ontwikkeling, bestaat dat nog niet. Ik vrees daarom wel voor het voortbestaan van de winkel van Stéphane op langer termijn.

Mijn mazzel was dat hij ongekend goede afdrukapparatuur in zijn winkeltje bleek te hebben. En, nog belangrijker, hij heeft het beste fotopapier, precies het fotopapier wat ik in Nederland ook gebruikte. Ik heb volop van zijn diensten gebruik gemaakt, tot vandaag zelfs. Op het eind van de middag kan ik weer een paar afdrukken ophalen. Ik zal Stéphane en zijn winkel erg missen. Ik vroeg vanochtend of ik een foto van hem mocht maken, als herinnering. 
Ik wens hem en zijn winkel veel succes toe.

Ik heb ook geboft als fotograaf in Frankrijk omdat we, ondanks onze harde werken in Les Trois Comtes, veel hebben gereisd. Nou ja, gereisd, we maakten uitstapjes naar andere steden en streken, hebben veel gewandeld. Hierdoor kon ik foto’s maken die ik in Nederland niet had kunnen maken. J’aime les rues de France. Ze zijn breder, of juist veel smaller. Ze zijn ongepolijster, volkser, of juist sjieker. De muren zijn fotogeniek. De huizen melancholieker. Ik vond het een paradijs voor straatfotografen. Zo jammer dat ik een lange tijd immobiel was.

Ander groot voordeel: het licht. Er zijn hier meer zonnige dagen, minder regen, en dat betekent meer kunnen fotograferen. Het licht in Nederland is vaak zo modderig dat er geen goede foto uit is te persen. Enige nadeel was de soms wel heel felle zon, de grote contrasten in het licht. Al leveren die contrasten ook weer kansen op.

Neemt niet weg dat ik me verheug op het noordelijke landschap, de leegte waar ik zo gek op ben. De wolkenpartijen. De rechte lijnen, de vergezichten, de ruimte.

Journal

 

De chef en de bakker

Dinsdag 27 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Er waren uiteenlopende redenen waarom mensen naar Les Trois Comtes kwamen. De meesten kwamen er om vakantie te vieren, velen kwamen er ook omdat ze een bruiloft in St. Felix hadden, waar twee mooie trouwlocaties zijn. Hier worden veel internationale huwelijken gevierd waardoor we gasten uit alle continenten hadden. Soms waren er gasten bij ons met een reden die we niet van tevoren hadden kunnen verzinnen.

Zo was er op een gegeven moment een Zweedse man en een Franse vrouw. We kregen nauwelijks contact met ze. Hij lag hele dagen bij het zwembad niets te doen. Hij leek geen andere interesses te hebben dan alleen maar te liggen. Pas na drie dagen vertelde hij dat hij journalist was, uit Stockholm kwam en voor een grote Zweedse krant werkte. Voordat hij bij ons kwam was hij lange tijd in oorlogsgebied geweest. Hij was naar Soedan geweest en daarna naar Afghanistan, waar hij verslag had gedaan in de tribale gebieden. Het bleek dat hij eerder in Les Trois Comes was geweest voor de totale rust. Zo waren Wyb en ik opeens een handdruk verwijderd van de oorlog.

Niet lang daarna hadden we een Engels gezin op bezoek uit Londen, een echtpaar met twee kinderen. Keurige kinderen. Ze zaten op een internationale school in Londen en spraken daar Frans. Ze werden tweetalig opgevoed. Niet alleen omdat de moeder een Française was en de vader Engels, maar ook omdat ze misschien eens in Frankrijk wilden gaan wonen. Ook tijdens hun bezoek bij ons keken ze met een half oog naar huizen.

Het was een zondag en Wyb probeerde een recept uit. Ze wilde kijken of ze het een keer voor een tables d’hôtes kon gebruiken. De heerlijke geur van het vlees verspreidde zich door het huis. Het duurde niet lang of de Engelsman kwam opgewonden de keuken binnen.
‘Wat ruikt dat heerlijk. Blanquette de veau?’
‘Wat goed dat je dat ruikt,’ zegt Wyb.
‘Maar je hebt er iets heel bijzonders in gedaan. Een kruid, een ongebruikelijk kruid. Dat ruikt zo goed.’
Wyb is ten zeerste verbaasd dat de man zomaar ruikt dat ze blanquette de veau maakt en ook nog eens raadt dat ze er iets bijzonders in heeft gedaan. Want dat heeft ze inderdaad gedaan. Ze vond de blanquette net iets te saai.
‘Wat heb je erin gedaan?’ vraagt de man terwijl hij de deksel van de pan neemt om eens goed te ruiken.
‘Wat denk je? Raad eens?’ Wyb is er van overtuigd dat hij het nooit zal raden.
Hij ruikt nog eens goed.
‘Clove!’ zegt hij triomfantelijk. ‘Ik weet het zeker: clove. Briljant om dat toe te voegen, dat geeft er veel meer karakter aan.’
Inderdaad, kruidnagel. Wyb valt bijna om van verbazing.
‘Hoe kun je dat ruiken? Je hebt wel een hele goede neus.’
‘Ik ben Chef. Ik heb een restaurant in Londen. Ben gek op koken.’
‘En wat voor een restaurant heb je dan?’
‘Eerlijk gezegd heb ik vijf horecazaken. En drie restaurants daarvan hebben een ster.’
Wyb vraagt hoe hij heet. Als hij weer naar boven is googlen we hem en dan blijkt dat hij niet heeft overdreven. We hebben een topkok in huis. We vinden interviews in The Guardian, op BBC. Hij is zo’n beetje de Johnny de Boer van Engeland. Sindsdien volgen we hem op Instagram en Facebook en worden we regelmatig verrast met foto’s van de lekkerste gerechten. Of hij ooit blanquette de veau met kruidnagel ergens op het menu heeft gezet hebben we tot nu toe niet kunnen achterhalen.

Een dag later bleek de werkelijke reden waarom het gezin naar Saint-Hippolyte is gekomen. Ze fietsen naar Saint-Romain-de-Codierès. Dat is niet niks. Het plaatsje ligt slechts veertien kilometer van Saint-Hippolyte maar de smalle weg kronkelt steil de Cevennen in. Met een gewone auto is het al een klim en doe je er langer dan een half uur over. Tenminste als je geluk hebt en geen tegenliggers tegenkomt anders heb je de kans dat je nog tientallen meters achteruit moet rijden om een plek te vinden waar je elkaar kunt passeren. Gelukkig zijn onze Engelse gasten geoefende fietsers, ook de zonen, zo’n twaalf jaar oud, na terugkomst bleken ze de klim te hebben overleefd.

Als ze terug zijn vertelt de vader dat ze speciaal voor Saint-Romain-de-Codierès
naar Les Trois Comtes zijn gekomen. In het plaatsje woont namelijk een biologische bakker die op een speciale manier brood maakt. De Engelsman houdt van brood en hij wil graag het graag proeven en meer weten over de manier waarop de bakker het brood maakt. Van Londen naar ons voor een bakker in Saint-Romain-de-Codierès. Dat had ik nooit van tevoren kunnen verzinnen. Wyb vraagt hoe het brood smaakte. ‘Voortreffelijk.’

Het spreekt voor zich dat Wyb en ik erg nieuwsgierig waren naar de bakker en het brood. Dat wilden we zelf ook wel eens proeven. Diverse keren reisden wij af naar Saint-Romain-de-Codierès
(wat een prachtige naam weer). Steeds was de bakker dicht. Of hij was met vakantie, of het was zondag, terwijl de bakkers in ons dorp toch gewoon werken op zondag, of we waren net te laat. Wij reden altijd met plezier naar dit dorpje. Of was het een hamlet, een buurtschap? Ik weet niet wanneer je van het een of het ander spreekt. Er staan maar een paar huizen, in totaal wonen er 180 mensen in deze gemeente.

Gisteren gingen we naar Saint-Romain-de-Codierès om te wandelen. In en rond het dorp heerst altijd stilte, stilte met magnifiek uitzicht. Omdat het dorp zo hoog ligt, kijk je van alle kanten over de Cevennen heen. Midden in het dorp staat een toren, in die toren is een restaurant met een terras dat het mooiste uitzicht van de Cevennen heeft. Als het mooi weer is kun je zelfs achter de bergen de zee bij Montpellier zien schitteren. Door de herfstkleuren is de toren vandaag fel rood gekleurd, een merkwaardig gezicht. Als we de auto parkeren zien we dat de bakker open is. Eindelijk kunnen we het brood proeven

Na de wandeling, die meer klauteren dan lopen is, ik word echt te oud voor dit soort gehannes over natte rotsen, kopen we een pain multi-grain. Een brood met veel zaden. Het gaat nog warm de broodzak in. Op de terugweg rijd ik, Wyb zit naast me en plukt brood uit de zak. Eindelijk begrijpen we waarom mensen uit Londen speciaal naar hier kwamen voor een bakker. Dit brood is ongekend lekker. We proeven het zuurdesem, de zaden, de stevigheid van het brood. We zouden bijna dagelijks 14 kilometer de berg oprijden om dit brood te halen. Sommige mensen doen dat misschien ook wel want we begrijpen niet dat een bakker kan leven van een gemeenschap van 180 mensen. Ook uit de wijde omtrek moeten mensen toch naar Saint-Romain-de-Codierès voor dit heerlijke brood. We swingen op de bochtige weg terug naar Saint-Hippolyte en genieten van de traktatie.

Journal

 

Blanco toekomst

Maandag 26 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Wat weet je nou werkelijk van je opa? Wat resteert zijn misschien een paar anekdotes, wat indrukken. Maar hoe dacht hij? Wat hield hem bezig? Hoe zag zijn jeugd eruit? Waar hield hij van? Hoe was zijn relatie met zijn ouders? Zijn ouders, jouw overgrootouders, wat weet je daarvan? In mijn geval: eigenlijk niets. Ze zijn gereduceerd tot namen in een stamboom, meer niet.

Maar het is nog pijnlijker. Wat weet ik van mijn vader? Hij heeft op het seminarie gezeten. Heeft dat totaal gefrustreerd verlaten. Maar waarom? Hoe was zijn jeugd? Was hij gelukkig, wat maakte hem blij of verdrietig, waar droomde hij van? Eigenlijk weet ik het niet. Bij leven wilde ik hem nog interviewen, zoals ik ook een paar andere dierbaren had willen interviewen. Elke keer dacht ik: och, dat komt nog wel. Elke keer was ik te laat.

De vader van Wyb wist dat hij nog maar een paar maanden had te leven. Dit keer wilde ik niet te laat zijn en ik interviewde hem in een periode dat de ziekte hem nog niet volledig in haar greep had. En tot verbazing van Wyb vertelde hij mij dingen die ze niet wist. Ik denk dat dit niet uitzonderlijk is. Als je met elkaar leeft, vertrouwd met elkaar bent, denk je al snel dat alles wel verteld is, dat alles duidelijk is. Het voordeel was dat ik een relatieve buitenstaander was en kon doorvragen. Ik nam de tijd om naar hem te luisteren en ik stimuleerde hem om uit te wijden. Zo kwamen er verhalen boven die zelfs zijn naasten niet wisten.

Dit alles bracht mij op het idee om de domeinnaam www.uwleveneenverhaal.nl te registreren. Een van de dingen die ik bij terugkomst in Nederland wil doen is in opdracht biografieën, levensschetsen maken. Die vervolgens, hoop ik, resulteren in mooie boekjes die een blijvende herinnering zijn aan degene die ik heb geïnterviewd.

Ik schrijf er nu over omdat we op drempel staan van een nieuw avontuur. We zijn dadelijk terug in Nederland, en wat dan? Wat gaan we doen? Bij elke verhuizing of nieuwe wending in het leven was er meteen een nieuwe baan, een nieuw doel. Nu niet. Na 1 november wonen we in Groningen en onze toekomst is blanco. We kunnen het leven op allerlei manieren nieuw gaan invullen.

De afgelopen maanden hebben we daar natuurlijk veel over nagedacht. Het resultaat van dat wikken en wegen en nieuwe ideeën bedenken is het bovenstaande idee. Mijn eerste opdracht heb ik trouwens al. Wyb wil toch graag weer iets in de culturele sector gaan doen en is inmiddels in gesprek met een paar organisaties. Ja, ik hou dat even lekker vaag.

Naast mijn biografieën idee ga ik als eerste aan een boek werken over ons Franse avontuur. De titel van het boek: Een paradijs met zorgen. Maar bovenal wil ik weer volop gaan fotograferen. Niks bestuursfuncties hier en daar. Ik heb te vaak in besturen gezeten. Mijn hele leven heb ik anderen gefaciliteerd om dingen mogelijk te maken. Ik wil me niet meer laten afleiden, nu wil ik mijn eigen werk mogelijk maken.

Journal

 

Le Bossens

Zondag 25 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Wij zijn hier om langzaam, heel langzaam afscheid te nemen en dat lukt prima. We doen alles voor de laatste keer en genieten van de dingen nog een keer mateloos. Gisteren voor de laatste keer naar de markt en brocante van Sommierès, daarna lunchen bij Le Bossens, een restaurant in Sauve waar we het meest gegeten hebben.
Niet alleen omdat het eten prima is, maar ook omdat de locatie wonderschoon is. ‘Franser kun je het niet krijgen,’ zei ik altijd tegen gasten die we er mee naar toe namen. Zo zijn er meer locaties maar de kers op de taart is Martine, de uitbaatster. Zij is wat je hier noemt een karakter.
Iedereen die bij Le Bossens gaat eten komt terug met een verhaal over Martine. Soms zit ze op de rand van wel of niet kunnen, soms gaat ze er ook wel overheen. Niemand die daar heeft gegeten vergeet dit restaurant dat ligt op een pleintje aan de indrukwekkende stadsmuur van Sauve. Omdat het zo hoog ligt, heb je prachtig uitzicht over de omgeving. Midden op het pleintje een plataan met witte bollen en feestverlichting erin.

Van Martine en haar vrouw, de kokkin, namen we officieel afscheid en namen een afscheidsfoto. Rechts Martine, aan haar zijde haar vriendin, en rechts een meisje dat ik nooit eerder heb gezien. Als ik in Groningen ergens naar terug ga verlangen, dan zal het zeker naar Le Bossens zijn.
Op zaterdagochtend is er gelukkig een buitengewoon goede markt in Groningen. Maar ik weet zeker dat Wyb en ik als we over de Groninger markt lopen tegen elkaar zeggen: ‘Weet je nog dat we rond deze tijd vaak op de markt van Sommierès liepen.’ Nu ik het opschrijf heb ik al heimwee.

Journal

 

Besmet

Vrijdag 23 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Op de dag dat onze spullen in Groningen arriveerden, woensdag een week geleden, werd ik verkouden. Ik moest niezen en hoesten en het zal iedereen duidelijk zijn waar je dan aan denkt. Covid. Nou kon ik dat niet geloven want Wyb en ik houden op neurotische wijze afstand tot mensen. Bovendien, bij het inpakken van onze spullen, de zaterdag voor die woensdag, had ik steeds op de tocht gestaan. Alle deuren stonden in Saint-Hippolyte-du-Fort open en als het tocht kan ik er donder op zeggen dat ik verkouden word.

Moest ik thuis blijven? Bij de eerste symptomen van Covid moet je je meteen in quarantaine stellen, luidt het advies. Ik vond het een onmogelijke opgave voor iemand die gaat verhuizen en al zijn spullen door een nieuw huis moet dirigeren. Daarom besloot ik de hele dag een mondkapje te dragen en op nog meer neurotische wijze afstand tot mensen te bewaren. Verder voelde ik mij totaal niet ziek. Wat bij Covid-19 niets zegt. De klap kan nog altijd komen.

Dagen daarna werd het niet beter. Vooral op zaterdag voelde ik mij rillerig en voelde ik mijn lijf vechten tegen een onbekende vijand. Gelukkig had ik nog steeds geen koorts. Zondag reden we terug naar Zuid-Frankrijk. Inmiddels voelde Wyb zich ook niet lekker. We hadden dezelfde klachten, verkouden, rillerig. Maar we vonden het geen enkel probleem om in één streep terug naar huis te rijden. Opmerkelijk trouwens dat ik hier ‘huis’ schrijf. Ik deed het spontaan. Dus Frankrijk voelt nog steeds als ons huis. Terwijl onze spullen toch allemaal in Groningen staan.

Die zondag verlieten we de Route Soleil om even langs Paul en Josien te gaan. We vroegen ons af of het verstandig was. Stel dat we inderdaad Covid hadden? Maar we hadden nauwelijks koorts. Ik al helemaal niet, Wyb temperatuurde 37,1. Mag toch geen naam hebben.
We besloten een uur na ons bezoek aan Paul en Josien toch niet in één streep door te rijden. Ibis Budget Hotel in Lyon werd onze slaapplek.

De volgende dag voelden we ons zeker niet beter. De temperatuur van Wyb ging naar de 38. Bij mij stond de thermometer op 37,3. Zie nou wel dat we Covid hadden. Zie nou wel dat het onverantwoord was geweest om langs Paul en Josien te gaan. Stel dat we ze hadden aangestoken? We waren ook diverse kerenbij de moeder van Wyb langs geweest. Je moet er toch niet aan denken dat we haar ook hadden aangestoken.

Dinsdag en woensdag zaten onze lijven tegen ziekte aan. We zetten ons voor de zekerheid in quarantaine, wat we vermoedelijk veel eerder hadden moeten doen. Wat waren we onverantwoord bezig geweest. Op dinsdag hoorden we ook nog dat de moeder van Wyb ziek was en koorts had.
Wyb en ik probeerden een afspraak bij de teststraat te maken. De apotheker had ons al gewaarschuwd dat dit wel eens lang kon duren. Ze hadden het erg druk. Keer op keer belden we. Niemand nam op. Omdat de teststraat dichtbij is, gingen we zelf langs. Er was totaal geen activiteit, de teststraat bleek gewoon gesloten? Ziekte? Vakantie? Pas op het eind van de woensdagmiddag namen ze de telefoon op. Donderdagmorgen konden we langskomen.

We waren inmiddels overtuigd van onze Covid besmetting. Een van de verhuizers had een paar keer moeten niezen. Door hem misschien? Verder zouden we het niet weten. De bubbel waarin wij zitten bestaat uit twee personen. Wie was er verder binnen een straal van twee meter bij ons geweest? We konden het niet bedenken. Een supermarkt? We hadden een paar keer achter groepjes studenten gelopen.

Donderdagmorgen werd ik voor de tweede keer dit jaar getest. Zittend in een auto prikte een verpleegster onaangenaam in mijn neus. Tien uur later hadden we de uitslag. Negatief. Wat dus positief nieuws is. We hadden geen Covid. We hadden dus niemand besmet. Opluchting en we besloten nog voorzichtiger te zijn om dat ellendige virus niet op te lopen. De Franse overheid helpt ons daarbij want sinds vandaag leven we met een avondklok. Na 21 uur mogen we de deur niet meer uit. Pas na 6 uur ’s ochtends mogen we weer naar buiten.

Journal

 

Modderen

Donderdag 22 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

In het voorjaar, midden in de lockdown, zijn we twee keer in Nederland geweest. Het woord dat ik in die weken het meest hoorde was nuchter. Het werd tijdens die intelligente lockdown steeds met enige superioriteitsgevoel uitgesproken. Zie nou wel, wij zijn een nuchter, zakelijk volkje, ons maak je de pis niet lauw. Wij blijven met beide benen op de grond staan en zie eens hoe goed dat werkt: we houden het virus er prima onder.

Inmiddels is duidelijk dat het beeld moet worden bijgesteld. Intussen behoren we tot de slechtste jongetjes van de klas. Van die nuchterheid is niets meer over. Een deel van de bevolking is zelfs knettergek geworden, geloofd dat de mondiale elite een pedofiel netwerk is met satanische rites. Ze zijn aanhanger geworden van een lekkere nuchtere complottheorie.

Daarnaast is er een veel grotere groep, onze jongeren, onze hoop op de toekomst, die zich van god noch gebod iets aantrekt. Deze hedonistisch generatie feest vrolijk door, of ze de ziekte aan papa, mama, opa of oma doorgeven, het zal ze worst wezen. Deze in en in verwende generatie vindt onvoorwaardelijk dat ze recht heeft op een zorgeloze jeugd. Nuchterheid hoort daar niet bij.

Van enige intelligentie bij onze pogingen het virus te bedwingen is weinig over. Met halfwas maatregelen en zwabberend beleid probeert de overheid te redden wat er te redden valt. Voeg dat bij de onmacht en onwil om te handhaven en het virus rukt steeds verder op.
Zoals Herman Pley gisteren tijdens een talkshow zei: Nederland is een land dat goed is in ideeën. Als het op uitvoering uitkomt, gaat het vrijwel altijd fout. Degenen die het moeten uitvoeren doen dat meestal op zijn Jan Boerefluitjes en degenen voor wie de uitvoering is bedoeld trekken zich nergens iets van aan. Ik zou eraan willen toevoegen dat Nederland ook goed is in praten. Wij ouwehoeren wat af.

Niet de nuchterheid karakteriseert ons. Het is vooral het egoïsme, het hyperindividualisme. De ander interesseert ons geen reet. We zijn een land van 17 miljoen Dikke Ikken. In Denemarken, een land dat in veel opzichten lijkt op Nederland, heeft het virus ongelooflijk veel minder toegeslagen. Hoe dat kan, was de vraag aan een Nederlandse arts die daar werkt. Hier in Denemarken bestaat het besef dat ik slechts ik kan zijn omdat het onderdeel van wij is, zo luidde ongeveer zijn antwoord.

Wij zijn een land dat er van overtuigd is dat het Nederlandse elftal bij elk toernooi Europees of wereldkampioen wordt. In al die 65 jaar dat ik leef, is het slechts één keer Europees kampioen geworden. Het zegt veel over ons zelfbeeld. We hebben een misplaats superioriteitsgevoel, zijn zelfgenoegzaam en daardoor lui. Waarom zou een Dikke Ik zich in godsnaam drukmaken? De scherpte is uit onze geest.

Onze geest is voornamelijk gericht op geld verdienen en zo efficiënt mogelijk werken om geld uit te sparen. Zo rekenden ziekenhuiseconomen uit hoeveel ic-bedden wij eigenlijk nodig hadden. Honderden bedden werden vanuit deze berekening wegbezuinigd. Dat bezuinigde lekker weg. Ik ben benieuwd hoeveel deze zogenaamde efficiënte reorganisatie ons aan economische en maatschappelijke schade heeft gekost. Want alle maatregelen worden nu voornamelijk genomen op een ic-capaciteit die is afgestemd op een gemiddelde zonder pandemie. Duitsland heeft hierin een heel andere beslissing genomen en is nu uiteindelijk spekkoper.

En zo modderen we door. We zijn speelbal van ons zelfingenomen zelfbeeld. We lullen ons van incident naar incident en ploegen ons zo steeds dieper de modder in.

 

Journal

 

Benen

Woensdag 21 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Journal

 

Halve vakantie

Dinsdag 20 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

De vriend van Matthieu met glas wijn.

Op zondag rijden we terug naar Hippolyte om, zoals ik het steeds formuleer, op te ruimen, schoon te maken en langzaam, heel langzaam afscheid te nemen van de plek waar we anderhalf jaar hebben gewoond en twee seizoenen een chambres d’hotes runden. Volgens Wyb hebben we nu vakantie. 1 november gaan we terug naar Nederland en we moeten er nu nog even van genieten. Maar Wyb is een optimist. Mijn glas is altijd half leeg. Dus volgens mij hebben we maar een halve vakantie. Er moet best nog iets gebeuren, komt bij dat we in die veertien dagen nog vier dagen een gast hebben. De boel uit handen laten vallen, echte vakantie dus, is er nog niet bij.

Door die halve vakantie krijgt onze terugreis wel een ander karakter dan anders. Als we bij Beaune zijn zegt Wyb dat Paul en Josien hier ergens een huis hebben. Ik bel Paul met de vraag of ze toevallig in Frankrijk zijn, wat het geval is. Ze blijken een half uurtje van ons vandaag te wonen. We rijden de Route Soleil af en sturen de Bourgogne in. Het is een streek die ik nauwelijks ken. Ik word verrast door de heuvelachtige schoonheid, de kleine dorpjes. Hier en daar koeien, hier en daar wijnvelden. Hobbit land in Frankrijk.

Paul heeft het in het leven beter aangepakt dan ik. Hij heeft iets gedaan wat ik niet kon. Namelijk blijven wonen waar je eenmaal woont. Paul en Josien hebben een prachtig huis in Arnhem. Zij hebben hun energie en financiën niet versnipperd door 24x in hun leven te verhuizen. Het gevolg is dat prachtige huis in Arnhem en hier in de Bourgogne een fantastisch opgeknapte boerderij. Want Paul kan nog iets wat ik niet kan: hij is handig. Al die mooie huizen heeft hij kunnen realiseren omdat hij zijn handen uit de mouwen stak.

We blijven niet lang want we het is zeker nog vijf uur rijden naar Hippolyte. Maar als we in de auto zitten en constateren dat we toch wel een beetje vakantie hebben, besluiten we nog naar Die in de Drome te gaan, de geboorteplaats van Dies. Het is, net als Sauve, een plaatsje met veel hippies en leuke horeca. We hopen er Matthieu tegen te komen, degene bij wie Dies is geboren. Die halen we niet want we zijn alle twee al een paar dagen gammel en verkouden. We hopen niet dat we Covid onder de leden hebben. We nemen een hotel in Lyon en nemen onze temperatuur op. Allebei zitten we iets boven de 37 graden.

De volgende dag zitten we eindelijk op het terras waar we Dies in ontvangst mochten nemen. We hebben ons al zo lang voorgenomen hier een keer heen te gaan. Dies lijkt zich te realiseren dat hij op zijn geboortegrond is. Opgewonden liep hij door de straten van Die op weg naar het terras van Le Café de Lys. Het is goed om hier weer te zijn. We herinneren onze tocht twee jaar geleden om Dies op te halen.

Als we daar zo zitten valt me op dat een man steeds naar Dies zit te kijken. Op een gegeven moment komt hij naar ons toe en zegt dat hij een hond heeft die precies op Dies lijkt. We vertellen hem dat Dies hier is geboren en dat we hem van Matthieu hebben gekregen. Matthieu, die kent hij wel. Zijn hond is namelijk ook afkomstig uit een nestje van de hond van Matthieu, het eerste nestje. Het blijkt dus dat de man een half zusje van Dies heeft.

Na een rondje lopen door het plaatsje gaan we terug naar het café voor de lunch. Als we daar in de zon genieten van onze vakantie komt een vriend van Matthieu langs die erbij was toen wij aan Matthieu lieten weten dat wij wel een van de twee hondjes wilden. Terwijl we samen wijn drinken vertelt hij ons dat Dies eigenlijk uit een nest van acht jonge hondjes komt. Dat waren er veel te veel voor Matthieu die in een klein appartement woont en weinig geld heeft. Vandaar dat een vriend van hem er zes heeft gedood. Dies en een zusje bleven over. Het zusje, zo weet hij ons te vertellen, hoedt nu een schaapskudde in de bergen. Die Dies is een mazzelpik, dat is wel duidelijk. Hij overleeft een genocide en hij hoeft geen schapen te hoeden, beesten waar hij zo bang voor is. Zijn zus is blijkbaar een stuk stoerder.

Op het eind van de dag zijn we weer in Saint-Hippolyte-du-Fort. Een goed weerzien.

Journal

 

Nach Hause

Zaterdag 17 oktober, Moddergat

-A’tje onmiddellijk naar beneden komen!
– Waarom?
– Komen, hoor je me niet!

-Jee, wat doe je opgefokt. Wat is er aan de hand?
– Vertel ik je zo, als we er allemaal zijn.
Is er brand of zo?
– Ariane! Opschieten! Waar blijf je!

-Ik was net mijn kleren aan het uithangen. Is er iemand dood of zo?
– Jullie kunnen de koffers weer inpakken. We gaan terug naar huis.
– Wat!?
– Wat is dit voor een flauwe grap?
– We gaan morgen toch varen?
– De mensen in Nederland zijn ontzettend boos omdat we op vakantie zijn gegaan en daarom gaan we terug. Het was inderdaad verkeerd om op vakantie te gaan.
– Maar waarom zijn we dan wel gegaan?
Omdat mama het zo graag wilde, ze had zo’n behoefte aan een verzetje.
– Alex, wat vind ik dat gemeen om mij de schuld te geven.
– Ik zei toch dat we niet moesten gaan.
– Maar toen heb je het aan Mark gevraagd en die zei dat we best konden gaan, dat de mensen wel begrepen dat we keihard hebben gewerkt en behoefte hadden aan vakantie.
– Mark zegt altijd ja, dat weet je ook wel.
– Maar dan zijn we toch politiek gedekt.
– De reacties zijn zo negatief. Natuurlijk had Mark nee moeten zeggen.
– Och, een paar tweetjes op twitter, wat stelt dat voor?
– Niks paar tweetjes. Op elke nieuwszender wordt erover gesproken, de social media staan er bol van.
– Dan kan die Youp van ’t Hek volgende week weer een leuk stukje maken.
– Alexia doe alsjeblieft niet zo flauw. Dit is geen tijd voor grappen. Ik heb oma gebeld en die zegt ook dat we onmiddellijk terug moeten komen, dat we nooit hadden moeten gaan. Zij had dat nooit gedaan.
– O jee, komt je moeder weer om de hoek kijken. Wanneer durf je nou eens zelfstandig te denken?
– Mijn moeder is een wijze vrouw Max, en dat kun je niet van elke vrouw zeggen.
– Suggereer jij nou dat ik niet wijs ben?
– Jij hebt zeker kwaliteiten.
– Wat voor een kwaliteiten dan?
– Jij bent bijvoorbeeld erg goed in pr.
– Ja, was jij dat ook maar. Jij bent niet goed ik pr en ook niet wijs.
– Papa, mama, alsjeblieft, schei nou eens uit met dat bekvechten.
– Precies. Iedereen naar boven en inpakken. Ik heb het toestel al klaar laten zetten.
– Wat zijn we nou voor een losers? Wat moet ik nou tegen me vriendinnen zeggen? Iedereen jaloers dat we lekker gaan varen op de Middellandse Zee, komen we met de staart tussen de benen terug.
– Waarom moeten we altijd naar dat volk luisteren. Wij kunnen toch zelf wel bepalen wat we willen?
– Amalia, je begrijpt er nog niets van. Jij krijgt dadelijk niet voor niets 1,8 miljoen. Voor die 1,8 miljoen moet je wel verstandig zijn
– O god, ik weet echt niet of ik koningin wil worden.
– Dat is voor latere zorg. Allemaal naar boven en inpakken zeg ik. Ik wil niets meer horen. Wir gehen einfach nach Hause.

Journal

 

Bach

Dinsdag 13 oktober, Moddergat

We rijden over de meest saaie snelweg van Europa, ergens tussen Dijon en Luxemburg. Kilometer na kilometer heuvelachtig land zonder bijzondere herkenningspunten. Nergens iets wat markant is. Ik zit achter het stuur, Wyb zoekt muziek op. Opeens klinkt Bach. Wat is het lang geleden dat we naar Bach hebben geluisterd. Zuid-Frankrijk en Bach, ik vind het niet bij elkaar passen. Het is hetzelfde als dat ik ooit een boek van Henk Hofland mee naar Sri Lanka nam. Bach past niet bij de zon. Henk Hofland niet bij de tropen.

Maar nu we door een regenachtig landschap rijden past Bach perfect. We lijken hem opnieuw te ontdekken. We genieten van de partita’s. Wyb zoekt voor mij de partita’s van Yehudi Menuhin op. Het is een kale, rauwe manier van spelen. Hiervoor luisterden we naar een lyrische versie, maar die vind ik niks. Bach vind ik het mooist als hij eenvoudig en streng wordt gespeeld. De versie van Menuhin had ik ooit op plaat en en zijn interpretatie is in mijn hoofd gaan zitten.

‘Als je een stuk van Bach hebt gehoord, heb je ze eigenlijk allemaal wel gehoord,’ zegt Wyb.
‘He? Wat ben je nou aan het vloeken in de kerk?’ zeg ik en ik kijk haar aan.
‘Grapje.’
‘Sick joke.’
‘Ik zal het goedmaken,’ zegt ze even later. ‘Een mooie zondag begint met Bach en eindigt met Lubach.’
We lachen wat af op zo’n eindeloze tocht van Zuid-Frankrijk naar de rand van Nederland.

En als we zo rijden mijmer je wat af. En ik moet denken aan de manier waarop ik heb kennisgemaakt met klassieke muziek. Ik zat op de lagere school (nu basisschool) in Hatert. Een wijk die balanceerde tussen een volkswijk en een wijk voor de lagere middenklasse. Het hoofd van de school was meneer van Oosterhout, hij gaf ook les aan de zesde klas ( nu groep acht) waarin ik zat. Het gezicht van meneer van Oosterhout had wel iets weg van de kop van een bulldog. Hij was een man waar je niet mee kon spotten. Iedereen had respect voor hem.

Toen ik in die zesde klas zat kwam hij op het idee om ’s avonds klassieke muziek te gaan draaien en hij zou er dan iets bij vertellen. Ouders waren ook welkom. En zo kwam het dat wij een keer in de maand met een stuk of tien mensen om een pick-upje zaten geschaard waarvan ik wist dat je die bij de V&D kon kopen.
Meneer van Oosterhout had een koffertje met platen meegenomen. Nam er soms liefdevol een uit, vertelde iets over de componist, de tijd waarin hij leefde, wat hij zoal had gecomponeerd en legde dan plechtig de plaat op het pick-upje. Soms gaf hij ons een opdracht mee. ‘Luister hier nou eens goed naar met je ogen dicht en dan moet je je voorstellen wat de componist met deze muziek wilde verbeelden.’ Later leerde ik dat je je bij muziek helemaal niets hoeft te verbeelden. Muziek is wat het is, muziek. Muziek is zichzelf genoeg.

Maar goed, alle lof voor meneer van Oosterhout. Door hem leerde ik Mozart, Beethoven en Mendelssohn kennen. Of hij Bach heeft gedraaid kan ik me niet meer herinneren. Zijn er nog onderwijzers (tegenwoordig leraren) die ’s avonds in hun vrije tijd klassieke muziek voor hun leerlingen en ouders gaan draaien? Ik hoop van wel.

Journal

 

Regenbogen

Maandag 12 oktober, Moddergat

Daar trekt over de heuvels en door het grote bos. De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch en we praten en we zingen en we lachen allemaal want daar achter de hoge bergen ligt het land van Maas en Waal. En precies bij die woorden rijden we over de grens van Belgie en Nederland en zijn we terug in Nederland. Perfecte timing, het zou geregisseerd kunnen zijn. Met oer-Nederlands lied maken wij onze rentree.

Toen we wegreden uit Saint-Hippolyte-du-Fort was het 24 graden met zon, aangekomen in Moddergat was het 8 graden met regen. Dan weet je dat je weer thuis bent. De hele tocht door werden wij begeleid door regenbogen. Ik denk dat we er wel een stuk of tien hebben gezien. Laten we het beschouwen als een gunstig omen. We hadden veel regen onderweg, de regen kletterde soms ongenadig op de auto, zo hard dat we vaart moesten minderen, maar daarna was er steeds weer een regenboog.

Zaterdagmiddag om 13 uur zaten onze bezittingen in de verhuiswagen en konden de jongens wegrijden voor een volgende klus in Zuid-Frankrijk in de buurt van Nice. We zagen dat onze bezittingen nu nog meer zijn geslonken. Hoe ouder we worden, hoe minder bezit. De verhuizers schatten in dat we zo’n 17 kuub eigendom hebben. Als het aan de verhuiswagen had gelegen hadden we veel meer kunnen meenemen.

Les Trois Comtes lieten we ontzield achter. De sfeer in het huis was toch mede door onze spullen gekomen bleek. Het huis staat per 1 november te koop en of de volgende bestemming een chambres d’hotes is, is de vraag. Het kan ook zomaar 10 jaar leegstaan, zoals het huis tegenover ons. Daar staat 750 vierkanten meter al tien jaar leeg en langzaam te verkrotten. Wat moet iemand met zo’n groot pand, slecht geïsoleerd, voor een groot deels zelfs helemaal niet verwarmd. Het optimaal maken zal een vermogen kosten.

Er waren geen tranen toen we Les Trois Comtes en het dorp verlieten. Dat was ook niet nodig want we komen er aankomende zondag, of daaromtrent, weer terug. Het afscheid doen wij heel traag, we gaan het niet hard af te sluiten, we proberen er langzaam uit te glijden in de hoop dat we op die manier de tranen zo langzaam vloeien dat we ze niet voelen. De laatste twee weken gaan het huis nog opruimen, schoonmaken en van deze en gene afscheid nemen. Pas dan ligt Zuid-Frankrijk echt achter ons. Een ding is zeker: we zullen er vaak terug komen.

Journal

 

Veerkracht

Vrijdag 9 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Zoals bekend zal zijn trekt het hoofdkantoor van Dossiermoddergat zich terug uit Frankrijk om zich opnieuw in Nederland te vestigen. Vestigingsplaats: Groningen. In verband met deze verhuizing zal Dossiermoddergat een paar dagen niet verschijnen. Nog even en de verhuiswagen rijdt voor en zullen de werkzaamheden van de redactie dusdanig verstoord zijn dat werken aan Dossiermoddergat onmogelijk is. 


Met pijn in het hart verlaten we ons mooie kantoor in Saint-Hippolyte-du-Fort. Jammer dat de aandeelhouders van Dossiermoddergat hiertoe hebben besloten. Wij zullen ons Franse kantoor en het Franse leven erg missen. Het is niet anders. Gelukkig dat de redactie een talent heeft voor veerkracht. Op naar Groningen voor nieuwe avonturen. Uiteraard worden die weer vastgelegd in uw lievelingsmedium.

Journal

 

Zwerfhond

Donderdag 8 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Menselijk gedoe.

Het is zover. Vandaag hebben we onze laatste gasten vaarwel gezegd. Ze kwamen uit de Alpen en waren drie dagen bij ons omdat hun zoon hier in Hippolyte gaat samenwonen met een meisje dat hier vandaan komt. Voor deze gelegenheid hebben we zelfs hun hond toegelaten, een Australische herder, had Dies ook nog iets aan het afscheid.

Het is niet helemaal waar dat ze onze laatste gasten waren want als we terugkomen uit Nederland komt Damian nog vier nachten bij ons overnachten. Damain komt ook uit de Alpen en is hier een bedrijf aan het opzetten. Een homeopathisch bedrijf dat gaat produceren voor de Amerikaanse markt. Al sinds mei is hij een paar dagen per week onze gast en door hem hebben we dit jaar de enige Amerikaan in huis gehad, zijn zakenpartner uit Los Angeles. Wat een verschil met vorig jaar toen we heel de wereld in huis hadden en we zelfs een week een Amerikaanse familie bij ons woonde.

De gasten waren nog niet weg of de gang vulde zich met een uit een elkaar gehaald bed. Dozen met daarop: breekbaar en dierbaar. Of: keuken, kookboeken. Wij hebben inmiddels een gespecialiseerde bibliotheek. Wyb zeult vele dozen kookboeken met zich mee en van alle boeken die ik ooit had resteren voornamelijk de dichtbundels. Dit alles verpakt in wijndozen. Met de laatste twee zinnen hebben we tevens onze belangrijke liefhebberijen genoemd.

Wyb en ik hebben onze intrek in een van de kamers genomen. Ons appartement, dat voornamelijk als slaapkamer dienst deed, is inmiddels totaal onttakeld. Het stomme is, nu we weggaan voel je ook weer de schoonheid en het bijzondere van het huis. De afgelopen twee jaar keken we vanuit ons appartement uit op de prachtige heuvels van de Cevennen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Verdomme, over drie weken moeten we dat definitief missen en ruilen we het ruige heuvellandschap in voor het vlakke Hogeland van Groningen. Rare benaming Hogeland want een vlakker land in de Europese laagvlakte bestaat niet.

Wij leven nu tussen dozen, ingepakte schilderijen en gedemonteerde meubelen. Wyb en ik zijn nu twintig jaar samen. Het is onze zevende verhuizing: 2x Arnhem, 1x Den Bosch, 1x Meppel, 1x Dwingeloo, 1x Saint-Hippolyte-du-Fort. Nu dus Groningen. En dan reken ik onze pied-à-terre uitstapjes naar Heerlen, Amsterdam en Rotterdam nog niet mee. Gelukkig gaan we nu landen in Groningen, zou ik willen zeggen. Maar ik moet er aan toevoegen dat je het met ons nooit weet. Wyb is een border collie, ik ben een zwerfhond. Ik ben benieuwd of we ons nu eindelijk kunnen beheersen. Zou wel fijn zijn.

Journal

 

Q

Woensdag 7 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Street art Sauve

Ik heb niet zo’n hoge pet op van de mens in het algemeen. Mens in het algemeen? Wie is dat? Ikzelf idem? Ik vrees van wel. De mens klooit maar wat aan. Maar sommigen gaan alle grenzen te buiten. Het fijne van internet is dat dit medium dat zo helder laat zien. Lees lezersreacties onder serieuze en genuanceerde artikelen en het word je koud om het hart. Twitter, het riool van de mensheid, is ook zo’n plek waar je de krankzinnigheid van de mens goed kunt waarnemen. Geen hoge pet op? De mens is knettergek.

Zo waart een nieuw waanbeeld over de wereld: QAnon. Kern van dit waandenkbeeld: een mondiale elite is uit op een wereldregering en maakt zich schuldig aan satanisch ritueel kindermisbruik. Trump is de held in deze complottheorie. Hij strijdt in het geheim tegen de deep state die de elite ondersteunt en het is wachten, in QAnon taal, op De Storm. Dan maken mensen rond Trump, waaronder hoge militairen, korte metten met de elite.

Een of andere gek die hierin gelooft? Nee, het is intussen een serieuze beweging. Op de verkiezingsbijeenkomsten van Trump zwaaien mensen met de letter Q. Zelfs Nederland blijft er niet van verschoond.
QAnon-aanhangers hier geloven dat hoge Nederlandse ambtenaren en het koningshuis betrokken zijn bij een wijdverbreid netwerk waarin kinderen worden verhandeld voor misbruik en dat de media dit verzwijgen.

Q zou een uitwerking zijn van de wilde internetgeruchten rond ‘Pizzagate’. Dat was de samenzweringstheorie over Hillary Clinton die samen met haar campagneleider John Podesta een pedofielennetwerk zou runnen vanuit een geheime kelder van een pizzeria in Washington, D.C. Het trieste resultaat van deze theorie: een gewapend man bestormt de pizzeria om ‘de kinderen te bevrijden’. Uiteindelijk merkt hij dat de pizzeria geen kelder heeft.

De mens is gek op waandenkbeelden. Sommige van die ideeën gaan zelfs eeuwen mee. Zo zijn er mensen die geloven dat tweeduizend jaar geleden een door god gezonden man op aarde kwam om te lijden voor de zonden van de mens. Hiervoor stierf hij op wrede wijze aan het kruis. Drie dagen daarna was hij weer springlevend, herrezen uit de dood. Het is dezelfde man die wijn en vissen kon vermenigvuldigen en over water heen lopen. Later kreeg hij miljoenen volgelingen en eeuwen later zijn zij de trouwste kiezers van Trump, de held van QAnon. Het is om gek van te worden.

Journal

 

Dagje uit

Dinsdag 6 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Uzès

Journal

 

Fanfare-corps

Maandag 5 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ruik het proza.

In februari hadden wij een Nederlands echtpaar op bezoek. Ze bleven zeven dagen en waren hier omdat ze een huis in Saint-Hippolyte-du-Fort wilden kopen, vlak bij ons om de hoek. De afspraak met de notaris was al gemaakt. Aan het eind van die week sloop de twijfel bij hen binnen en besloten ze van de koop af te zien. Ze hadden te veel bedenkingen bij het huis gekregen.

Ze vroegen ons of we goed wilden kijken of er huizen vrijkwamen. Ze bleven geïnteresseerd om hier te gaan wonen. Op een dag belden ze op met de vraag hoe het me ons ging en of we al een huis voor hen wisten. Ze belden op op het moment dat wij Dies uitlieten en voor een huis stonden waarvan we inderdaad niet lang daarvoor gehoord hadden dat het te koop was gekomen. Het was een huis dat Wyb en ik niet kunnen betalen. Als dat wel het geval was, hadden we het zeker overwogen.

Ik vertelde hem dat hij net op het goede moment belde en vertelde hem over het huis. Of ik wat foto’s wilde maken. Zoals meestal had ik mijn fototoestel bij me. Een dag later stuurde ik de foto’s op met een beschrijving van de ligging en waarom Wyb en ik er zo van gecharmeerd waren.
‘Als we niet in een lockdown zaten zou ik onmiddellijk komen.’
Even later kregen we weer een telefoontje, hij had de makelaar gesproken en die ging erachteraan. Zo gauw de lockdown afgelopen was, kwamen ze naar toe.

Aldus geschiedde. Het komt er op neer dat ze het huis hebben gekocht. Morgen is het definitief van hen. Deze dagen slapen ze nog bij ons om het een en ander te regelen. Donderdag rijdt de vrachtwagen voor met al hun spullen.

Toeval bestaat. Zij komen, wij gaan. Wij hebben het nu zo geregeld dat hun verhuiswagen onze spullen naar Groningen brengt. Onze levens hebben elkaar gekruist en we hebben elkaar daarbij stevig kunnen helpen. Zaterdag rijdt de verhuiswagen bij ons huis voor om onze spullen in te laden. Op woensdag 14 oktober gaat hij ze in Groningen afleveren. Aankomende zondag proberen Wyb en ik weer in één streep naar Nederland te reizen. Het spreekt voor zich dat wij graag onze spullen in Groningen zelf willen ontvangen. Op zondag 18 oktober gaan we dan weer terug naar Frankrijk om het huis schoon en opgeruimd achter te laten en langzaam afscheid te nemen. Wij zullen Saint-Hippolyte-du-Fort zeker niet zonder tranen verlaten. Op 1 november wonen we dan in Groningen.

Het nakend einde hier levert veel ambivalente gevoelens op. We moeten erkennen dat Saint-Hippolyte ons thuis is geworden. Jan Beuving stuurt me in een mail een gedicht van Vasalis toe dat ons gemoed goed weergeeft.

 

Fanfare-corps

De lucht scheen blinkend door de blaren,
bleek en volmaakt als glas geslepen.
Met vaste man’lijke gebaren
werden de horens aangegrepen,
en luidkeels, zonder enig schromen
spoot de muziek tussen de bomen;
heldhaftig, trots. Een onverbloemde
voor elk verstaanbare muziek,
die aan het ademloos publiek
ieder gevoel met name noemde.

En even plots werd dit geklater
gedempt, twee koop’ren kelen weenden…
– over het donkergroene water
gleden twee smalle witte eenden
geluidloos als een droombeeld voort –
De horens, smekend en gesmoord
schenen hen dringend iets te vragen,
hen volgend met haast mens’lijk klagen.

Een warm en onverwacht verdriet,
eerbied voor de gewoonste dingen,
neiging om hardop mee te zingen,
en dan te huilen om dit lied,
ontstond in mijn verwend gemoed.
Ik voelde me bedroefd en goed.

Vasalis

Journal

 

Ma

Zondag 4 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

 

Ma? Mama…

Ik ben vijfenzestig. En zo nu en dan
zeg ik: Ma? Mama… dan wil ik zo graag
met mijn moeder praten

Ma? Mama… ik zei het zo vaak,
het was zo vertrouwd
en altijd was er dan haar stem

En ook nu, als ik zeg
Ma? Mama… ben ik overtuigd
dat ik haar stem weer hoor.

Helaas. Sind heel lang
is er niets dan stilte.
Ma? Mama…

Journal

 

Dies

Zaterdag 3 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Dies drinkt bij zijn moeder, één dag oud.

Matthieu schrijft zijn telefoonnummer op.

In de zomer van 2018 waren Wyb en ik aan het kamperen met Esmee (dochter) en Malu en Joris (kleinkinderen). Esmee en man runnen twee horecabedrijven op Ameland en hebben in de zomer geen tijd om samen op vakantie te gaan. Daarom vroeg Esmee of Wyb en ik mee op vakantie gingen. Ze wilde zo’n ouderwetse kampeerervaring waar ze vroeger zo van had genoten. Ze wilde dat Malu en Joris dat ook leerden kennen. Het gevolg was dat Esmee en kinderen in een sjieke safaritent zaten en Wyb en ik in een very old school kruiptent van De Waard vastgeklonken aan de aarde met tientallen haringen die ik er zelf eigenhandig in had moeten slaan.

Op een middag gingen Wyb en ik boodschappen doen, in Die een plaatsje in de Drôme in Frankrijk. We vroegen aan Esmee of we nog iets mee moesten nemen. ‘Ja, een hond natuurlijk.” Een running gag. Esmee vond namelijk dat wij weer een hond moesten nemen. Wij hadden altijd een hond gehad en ze vond het maar niets dat we nu geen hond meer hadden.

Na de boodschappen zitten Wyb en ik in een café in de hoofdstraat van Die. Opeens komt er een zwart-witte border collie de zaak in rennen en vol overgave gaat hij aan de voeten van Wyb liggen om geaaid te worden. ‘Wat een lief beest,’ ‘Waarom heeft hij mij nou uitgekozen?’ Het café zat best wel vol.
Opeens rent hij het café weer uit en gaat hij naar zijn baas die een zwerver blijkt te zijn en aan de overkant van het café tegen een muur zit, een pijpje bier in de hand. Wyb en ik kijken vertederd hoe baas en hond van elkaar houden.
Even later komt er een andere zwerver aan. Naast hem een prachtige hond. Het soort kunnen we zo snel niet thuis brengen. De zwerver houdt in zijn armen een theedoek vast waar iets in ligt. Voorzichtig legt hij de theedoek op de grond. En dan zien we dat er twee pas geboren hondjes op liggen, wormpjes nog. Onze vertedering neemt nog grotere proporties aan. Het is duidelijk dat de moederhond en de border collie elkaar kennen.

‘Zal ik eens vragen hoe oud ze zijn?’ Ik loop het café uit en stel de vraag. De hondjes blijken één dag oud te zijn. De moeder gaat liggen en de hondjes zoeken meteen haar tepels. Het blijkt dat de border collie de vader is. Binnen breng ik verslag uit aan Wyb. ‘Goede honden die vader en moeder, dat zie je meteen,’ zegt Wyb. ‘Zullen we er eentje nemen?’ stel ik voor. Ik twijfel meteen. We zouden nooit meer een hond nemen. Een hond beknot zo je vrijheid. ‘Doe niet zo gek. Weet je dat zeker?’ vraagt Wyb. ‘Nee. Dat weet ik absoluut niet zeker.’

‘Zal ik eens vragen of er nog een vrij is,’ stelt Wyb voor. Als ik deze impulsieve actie wil indammen moet ik nu negatief reageren, weet ik. Maar dat doe ik niet. Wyb loopt naar buiten. Dat is ook veel nuttiger want zij kan honderd keer genuanceerder met een Franse zwerver communiceren dan ik. Mijn Frans is zo gebrekkig. Ze zijn inmiddels geanimeerd aan het praten en ik loop ook naar buiten.

‘Die zwarte is al bezet, die bruine heeft nog geen huis,’ laat Wyb weten. ‘Zullen we het doen?’
’Hoeveel geld vraagt hij ervoor?’
’Hij wil er geen geld voor. We mogen hem zo hebben.’
’Maar dat kan niet. We kunnen hem nu toch niet meenemen?’
’Dan gaan we hem halen als hij acht weken oud is.’
’Waar halen?’
’Hier natuurlijk.’
’Dan moeten we 1300 kilometer heen rijden en 1300 kilometer terug. 2600 kilometer voor een hondje.’
’Daar draaien wij onze hand toch niet voor om.’

We spreken met Matthieu af, zo blijkt de baas van de moederhond te heten, dat we de bruine, het blijkt een reutje te zijn, op 1 oktober komen halen. We krijgen het telefoonnummer van Matthieu en beloven elkaar nog te bellen. We geven hem vijftig euro voor eten de aankomende tijd, we hopen dat dit een verplichting schept. Hij neemt het geld pas aan na enig aandringen. Of hij verder nog iets wil hebben? Graag twee pilsjes uit het café.

‘Nou, we hebben een hond, hoor,’ zegt Wyb als we weer bij Esmee aankomen.
’Ja, hoor,’ reageert Esmee ongeïnteresseerd.
’Wat fantastisch,’ zegt ze als ze het hele verhaal heeft gehoord.

We blijven lang in het ongewisse of we nu wel of niet een hond hebben want wat we ook bellen naar Matthieu, hij neemt niet op. Zelfs een week voor 1 oktober hebben we nog geen contact gehad. Ten einde raad belt Wyb naar het café met de vraag of zij Matthieu kennen. Een vriendelijke vrouw laten weten dat ze die inderdaad kent. ‘Oh, zijn jullie die Nederlanders die dat hondje komen halen,’ zegt de vrouw als Wyb haar heeft uitgelegd waarom ze belt en ze belooft aan Matthieu te vragen of hij ons terugbelt. En passant laat ze weten dat ons hondje een prachtig hondje is dat voorspoedig groeit.

Gelukkig belt Matthieu een dag later op en spreken we op 1 oktober om kwart over elf af op het terras van het café waar we met Dies kennismaakten. Na lang dubben en tientallen namen die de revue passeerden hebben we besloten onze nieuwe hond Dies te noemen. Alle namen van onze honden begonnen met een D en hopelijk brengt ook deze D ons weer veel geluk.

Op zondag 30 september rijden we 1300 kilometer naar Die. Het is opmerkelijk stil in dit stadje na het toeristenseizoen. We komen laat aan. Alleen bij een afhaal Thai kunnen we nog eten krijgen. In een soort huiskamercafé aan de overkant mogen we het opeten. 
’Wat brengt jullie hier zo aan het eind van september en waar komen jullie vandaan?’ vraagt de jongen die ons bier gaf nadat hij heel lang op een gitaar had zitten tokkelen.
’We komen uit Nederland en komen een hondje ophalen, een pup.’
’Oh, jullie zijn die Nederlanders. Jullie komen het hondje van Matthieu ophalen. Het is zo’n mooi hondje.’
Zo te horen genieten we in Die enige bekendheid.

De volgende dag zitten we om elf uur al op het terras. Over een kwartier zijn wij opnieuw bezitters van een hond. We zijn zo benieuwd hoe hij eruit ziet.
Om kwart over elf geen Matthieu, geen hond. Om half twaalf nog steeds niet. Hebben we dan toch voor niets die 1300 kilometer gereden? Om kwart voor twaalf nog steeds geen Matthieu. Pas tegen twaalven komt hij aanlopen. Uit een rugzak die hij voor zijn buik draagt, steekt het kopje van Dies. Priemende oogjes. 
Op het terras haalt hij hem uit zijn rugzak en overhandigt Matthieu hem aan Wyb. Ik ervaar het als een plechtig moment. Als het meezit is dat kleine ding toch voor weer veertien, vijftien jaar onze huisgenoot. Dies blijkt het miniatuur evenbeeld van zijn moeder te zijn, een prachtige hond dus. Even later begint hij te piepen. We hebben toch geen pieper als hond gekregen, mag ik hopen. ‘Hij moet vast plassen,’ zegt Matthieu en pakt hem van Wyb over. Hij zet hem even verder op een pleintje en daar gaat Dies keurig zitten plassen.

Waarom weid ik zo uit over Dies? Omdat we, als we geweten hadden dat we drie maanden na de komst van Dies een chambres d’hôtes zouden gaan runnen nooit een hond hadden genomen. Een hond en een chambres d’hôtes, dat is een gevaarlijke combinatie. Veel mensen houden überhaupt niet van honden en mensen die van honden houden willen geen hond waar ze last van hebben, en terecht. Wij zelf ook niet. 
De opvoeding van Dies was zeker niet makkelijk. Hij bleek een volbloed border collie te zijn en die zijn niet te vergelijken met de gezeglijke labradors die wij altijd hebben gehad. Maar toen we in maart naar Frankrijk afreisde had ik er al wel vertrouwen in dat het goed zou komen. Hij luisterde goed, blafte eigenlijk nooit, daar hadden we hem op getraind, en het was inmiddels een ontzettende mensenhond. Gek op mensen, speciaal kinderen. Ik maakte me alleen nog zorgen dat hij van enthousiasme tegen mensen aansprong, dat moesten we nog zien af te leren.

Ik durf te beweren dat we Les Trois Comtes met zijn drieën hebben gerund. Als persoonlijkheid was Dies altijd volop aanwezig. Menig keer heb ik verteld aan mensen dat hij een circus hond was en dan deden Dies en ik weer onze kunstjes. Behendig door de benen slalommen, op de rug liggen als ik vroeg waar zijn buikje was, naar zijn staart happen als ik vroeg waar zijn kwast was en mooi op zitten als ik up zei. Als Wyb ‘schouder’ zeg, gaat hij over haar heen hangen. 
Diverse gasten verlieten ons huis met de mededeling dat ze ook zo’n hond wilden. Waarop altijd een waarschuwing volgde dat het opvoeden van een hond niet makkelijk is, zelfs een beetje te vergelijken met het opvoeden van kind. Dat nam niet weg dat Dies van menig hondenhater een -liefhebber maakte. ‘Ik hou niet van honden, maar deze is wel erg lief.’ We leerden hem zelfs dat hij van enthousiasme niet tegen mensen moest opspringen. Uiteindelijk is hij de ideale chambres d’hôtes hond geworden. Dies is nu twee jaar bij ons.

Journal

 

Rust

Donderdag 1 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Journal

 

Kanarie

Woensdag 30 september, Saint-Hippolyte-du-Fort

Wat een kanarie voor een kolenmijn is, is het mondkapje voor Nederland. Is de kanarie dood, dan moet je zo snel mogelijk weg wezen want dan is er zuurstof gebrek in de mijn. Als er eindeloos gezeurd wordt over wel of niet invoeren van het mondkapje dan is er iets niet pluis in het land.

Ik wil niet over het mondkapje schrijven want iedereen doet het. Maar de operette rond het mondkapje is zo naargeestig dat ik er wel over moet schrijven. Bovendien heb ik een riante positie om het Nederlands gehannes aan te zien. Ik woon in een land waar iedereen al maanden een mondkapje draagt. Eerst alleen in winkels of overdekte publieke ruimtes, nu in de meeste steden in de hele stad verplicht. Niets aan de hand. Iedereen voelt zich prima bij zo’n mondkapje, al zijn ze natuurlijk best lastig om te dragen maar nood breekt gewoontes.

In Nederland lijkt het wel alsof mensen in de boeien worden geslagen als ze zo’n lapje stof voor hun mond en neus moeten dragen. Een vriend van mij sprak zelfs over aantasting van de identiteit. Voor een land waar alles altijd van het leien dakje gaat is zo’n mondkapje een enorm ding. In landen waar ze gewend zijn aan af en toe wat tegenslag een dingetje dat je op de koop toe moet nemen. Een mens moet niet te veel zeuren. Punt is dat in Nederland zeuren een nationale hobby is.

Nederland is geen mondkapjes land, hoorde ik iemand op televisie zeggen. Volgens mij is geen enkel land een mondkapjes land. Behalve dan Japan misschien, daar laten ze geen gelegenheid onbenut om zo’n ding te mogen dragen.

Grote schuldige aan de scepsis over het mondkapje is natuurlijk Jaap van Dissel. Al bij de eerste symptomen van de pandemie zei hij niet in mondkapjes te geloven. Dat ging er bij veel Nederlanders natuurlijk in als koek. Er waren geen wetenschappelijke bewijzen dat ze hielpen en mondkapjes zouden juist schijnveiligheid bevorderen. Hij legde basis voor het kleinzielig gehakketak rond het mondkapje.

Inmiddels weten we beter. De heer Fauci, de Amerikaanse Jaap van Dissel, merkte eergisteren fijnzinnig op dat de echte Jaap van Dissel zijn wetenschappelijke literatuur beter moest bijhouden. De eigen gedragswetenschappers van het RIVM hebben inmiddels uitgezocht dat mondkapjes helemaal niet tot schijnveiligheid leiden. Jaap blijft ijzerheinig bij zijn standpunt. Nederland is in Europa het Gallische dorpje dat als enige standhoudt tegen het mondkapje.

Ik leef nu al maanden zelf met het mondkapje. Ik draag het ding standaard in mijn zak en het komt er uit als het nodig is. Kruipen mensen dichter naar elkaar toe omdat ze zich met zo’n ding op veilig wanen? Niets van gemerkt, integendeel. De signaalwaarde van het ding is groot. Denken mensen die het mondkapje dragen dat ze daardoor veilig voor het virus zijn, dan het lapje alles oplost? Natuurlijk niet, ze zijn niet gek.
Wyb en ik hebben al een paar keer door steden gelopen waar iedereen een mondkapje draagt en dat geeft een prima gevoel. Het geeft een gevoel van bescherming en dat iedereen attent is op gezondheid. Het was even wennen, zeker. Maar inmiddels hoort het ding erbij zoals je af en toe een jas moet dragen om je te beschermen tegen de kou. Een jas is ook best een lastig ding.