Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Ark

Maandag 21 juni, Groningen

Afgelopen weekend: geen blogs. Aankomende dagen: ook geen blogs. Reden: veel activiteit. Afgelopen weekend waren we op Texel om de vijfenzeventigste verjaardag van Anneke te vieren, de moeder van Wyb. Dat betekent eten, drinken, wandelen, geen tijd om te schrijven, de familie is namelijk zo actief.

Aankomende dagen reizen we naar Zuid-Frankrijk. In drie etappes hopen we woensdag weer door onze geliefde Saint-Hippolyte-du-Fort te rijden. Wyb begint daar dan donderdag met haar vakantiebaantje. Zes weken lang is ze gastvrouw van een internationale trouwlocatie in de buurt van Hippolyte. Nadere details volgen.

Ondertussen maak je het nodige mee. Afgelopen zaterdagnacht lag er een dikke komma met onrustbarend weer boven Nederland, liet Buitenradar zien. Dat wil zeggen, een klein deel van Nederland, namelijk Noord-Holland met Texel als middelpunt van noodweer. Dat hebben wij geweten. De regen roffelde vier uur ongenadig op het dak van onze bus, dit gecombineerd met een hemelse lichtshow.

De volgende ochtend bleken we midden in een meer te staan. Om ons heen vijftien centimeter diep water. Even dacht ik dat de Here de bus als Ark van Noach had aangewezen. Ik plonsde vanuit de bus het water in.
Ik zag wat ik al vreesde tijdens de regen. Dat water overleven we wel. In zo’n bus zit je prima droog. Vroeger was dat wel anders toen we nog in een tentje leefden. Maar de vraag was of die bus wel uit het water komt Zo’n ding weegt tegen de 3000 kilo en zakt hij niet, als je wegrijdt, in de blubber.

Gelukkig waren we niet de enigen. Wat is het toch heerlijk als je met meer mensen in de shit zit, dat is altijd zo troostrijk. Er kwamen hulptroepen vanuit de camping en met verstand van zaken wisten ze de bus uit het water te rijden. De grond bleek steviger dan wij slachtoffers hadden gedacht.

Zo. Genoeg. Ik ga de bus nu inpakken voor De Grote Reis Zuidwaarts. Hopelijk kan de lezer, bij voldoende aanwezigheid van wifi, donderdag of vrijdag weer wat schrijfsels en plaatsjes verwachten. Nederland moet het even zonder ons doen.

Oogpunt 57

Journal

 

Nu reeds te bestellen

Zondag 20 juni, Texel

Journal

 

Kraai

Donderdag 17 juni, Groningen

De kraai is de nieuwe Boeddha, tenminste als je op een flat woont. Er zijn flats waarbij je er op vrijwel elk balkon een ziet zitten. Geen idee waar ze vandaan komen, waar deze hype is begonnen. Misschien is het wel zoals bij het openen van de melkflessen bij koolmezen. Een ornitholoog uit Engeland zag het voor het eerst toen melkflessen met een zilveren dop nog voor de voordeur werden gezet. Ze stonden jarenlang ongeopend bij de deur. Tot het een koolmeesje lukte om de zilveren dop te verwijderen en van de melk te drinken. Wat bleek, een paar jaar later lukte het elke koolmees, ook koolmezen die ver buiten Engeland wonen. Hebben wij een interne antenne die ons, onbewust, allemaal hetzelfde laat doen.

Je zag het aan die Boeddha’s. Bij de Intratuin en de Xenos en honderden andere winkels: allemaal Boeddha’s. Het was een plaag, leek het coronavirus wel. Overal Boeddha’s. Ik weet niet of dat nu nog het geval is. Vermoedelijk is de markt verzadigd, kan bijna niet anders. Werkelijk overal dook het ding, ik bedoel hij, op.

Die plastic kraaien vind ik gek. Waarom een plastic kraai op je balkon zetten terwijl niemand zich bekommert om echte vogels? Zie hier een gedateerd lijstje dat ik nog had liggen over de achteruitgang van de vogelstand. En ik kan u verzekeren: het is vele malen erger geworden.

Grutto: Van 100.000 naar 37.000
Wulp: Van 8200 naar 4350
Scholekster: Van 217.000 naar 69.000
Veldleeuwerik: Van 117.000 naar 44.000
Kemphaan: Van 500 naar 30
Watersnip: Van 2800 naar 1400
Tureluur: Van 30.000 naar 24.500
Kievit: Van 335.000 naar 201.000

Maar ja, wie maakt zich er druk over. Als je het niet weet, maakt het niet uit. Dat is het voordeel van onwetend zijn. Zou iemand uit het kabinet wel eens door Noord-Friesland rijden en met eigen ogen zien hoe erbarmelijk het ervoor staat met de vogelstand? Het is zeer alarmerend, maar een enkeling die het weet.

We kampeerden ooit eens met de kinderen in Drenthe. Op een gegeven moment kwamen Anne en Esmee opgewonden aanlopen. ‘Papa, papa, kom snel. Daar zit een oehoe.’ Een oehoe? Vrijwel onmogelijk, bij de mergelgroeve in Zuid-Limburg kom je ze nog wel eens tegen, maar in Drenthe. Nam niet weg dat ik meteen mijn fiets pakte.

En verdomd. Daar, aan de overkant van het weiland, op het hek van weiland zat een oehoe. Wij bleven ademloos kijken.
‘Beweegt hij wel?’ vroeg Esmee zich af.
‘Ja, hoor, kijk maar, hij draait af en toe zijn kop. ‘Mooi beest, hè?’
‘Prachtig,’ beaamden mijn dochters.

‘Hij blijft wel lang zitten,’ zeiden we na twintig minuten. Vooral omdat er zojuist een hond langs rende.
‘Hij zal wel tam zijn,’ veronderstelde Anne.
Na hem nog een kwartier bewonderd te hebben, liepen we toch het weiland in. Een beest dat niet bang is, begint je op een gegeven moment toch te irriteren. We kwamen steeds dichterbij. De oehoe vloog nog steeds niet weg. Eenmaal dichterbij zagen we het: de oehoe was van plastic, we waren er ingetuind. Die plastic oehoe is nooit een hype geworden. De kraaien dus wel.

Oogpunt 56

De laatste lezer.

Journal

 

Staatsiefoto

Woensdag 16 juni, Groningen

Oogpunt 55

Journal

 

Klaprozen

Dinsdag 15 juni, Groningen

We wandelen door de woestenij van een oud waterleidingbedrijf en ik zie wat ik jaren niet meer heb gezien. Een stuk grond met veldbloemen, klaprozen, korenbloemen. Het is een beeld uit mijn jeugd. Wat een schoonheid. Vroeger zo gewoon, nu zo zeldzaam.

Ondanks dat ik de afgelopen jaren op het platteland heb gewoond, noem ik mij toch altijd een jongen van de stad. De stad is van oudsher mijn natuurlijke habitat. Maar dat is in feite helemaal niet waar. Ik ben weliswaar in Nijmegen geboren, daar moet ik dan eigenlijk bijvertellen dat ik ben opgegroeid in Hatert, een buitenwijk van Nijmegen. Er was misschien al eeuwen een kleine dorpskern die Hatert heette, ik groeide erop toen in de jaren zestig de nieuwbouwwijken daar uit de grond werden gestampt. In feite groeide ik op aan de rand van de stad.

Ik woonde op de hoek Nijenrodestraat/Couwenbergstraat. Als ik de Couwenberg in oostelijke richting afliep, zo’n tweehonderd meter, passeerde ik de stadsgrens en kwam ik op het platteland van Malden. Er liep een zandpad en nog honderd meter lopen stond een boerderij waar ik vaak hielp. Kippen voeren, hooi opsteken, ik was negen, tien jaar. Op die boerderij zag ik voor het eerst parende varkens. Twee boeren die er naar stonden te kijken en tegen mij zeiden: ‘Daar kun jij nog veel van leren, jongen.’ Ik had geen idee wat ik er van kon leren.

Als ik de Nijenrodestraat afliep in zuidelijke richting kwam in bij het Maas- en Waalkanaal. Als ik dat overstak kwam ik eerst in een onafzienbare vlakte van weilanden. Als ik die was overgestoken, stond ik in de Hatertse Vennen, voor mij de rimboe, een en al geheimzinnigheid met moerassen en bossen waarin je al snel verdwaalde. Wie nu dezelfde tocht loopt, ziet geen weilanden meer. Die loopt door de straten van Weezenhof en passeert een snelweg. De Hatertse Vennen is een armtierig bos geworden waarin de biodiversiteit is verdwenen.

Maar wat ik wil zeggen. Het beeld op de foto boven, is het beeld als ik even Hatert uitliep. Waar ik ook liep, altijd zag ik weelderig veldbloemen bloeien. Daar boven vaak een leeuwerik die luid hing te zingen.
Ik wist dat ik mijn moeder erg blij maakte als ik thuis kwam met een veldboeket. Ik legde mijn fiets aan de kant van de weg en plukte een boeket. Als ze eenmaal in de vaas stonden, gaven de klaprozen al snel de geest. Klaprozen houden er niet van om geplukt te worden.

Oogpunt 54

Journal

 

Rommeligheid

Maandag 14 juni, Groningen

Een beetje stad heeft een gebied dat buiten de gevestigde orde valt, een vergeten terrein, een vervallen industriecomplex, een rafelrand. Hier in Groningen, vlakbij ons, heb je het terrein van de voormalige Suikerfabriek. Het is best een groot terrein. Aan de rand staan wat containerwoningen voor studenten, er staat een eenzame fabriekspijp, een hostel met de naam Rebel, Rebel, een verwaarloosd fabriekspand, een werkplaats waar busjes verbouwd worden tot camper, hier een daar een kantoortje van een architect en ateliers voor kunstenaars. Op het dak van de fabriek is een terras, De Wolkenfabriek geheten.

Zo nu en dan wandelen Wyb en ik erheen, Dies kan er onbekommerd los lopen. Vandaag bleek het terrein nog veel groter dan we dachten. Wie bij binnenkomst rechtsaf slaat, komt in de woestenij van een voormalig waterzuiveringsgebied. Er liggen grote waterpartijen, een paradijs voor vogels. Aan het begin experimenteren leerlingen van een landbouwschool, wie verder loopt komt in een totaal verwaarloosd gebied.

In het Noorderplantsoen is het een drukte van jewelste. Daar kun je over de mensen lopen. In dit gebied: geen mens te bekennen, terwijl het nog geen kilometer van de stad ligt. Een ontdekking, mogen we wel zeggen. Verlatenheid, waar vind je het nog? Eenzaamheid, een kostbaar goed.
De enige die we tegenkomen is een vriend van Dies, Sinto. Hij wandelt er ook met zijn baas en vrouw. De baas vertelt me dat dit gebied niet lang meer zal bestaan. Het gaat op de schop en er komen huizen, scholen. De planologen hebben hun werk al gedaan.

Als we na het praatje doorlopen bedenk ik dat het nu toch echt tijd wordt om een nieuwe politieke partij op te richten. Ik zal hem noemen de Partij voor Meer Rommeligheid en Minder Veiligheid (PMRMV). Al dat geplan, al dat gebouw, al die keurige straten, die strakke huizen, al die efficiency, het heeft toch een negatieve uitwerking op de mens. Kijk maar eens wat voor een mopperkonten en zurige lieden het oplevert, het land zit er vol mee. Ik weet zeker dat meer rommel, minder veiligheid, de mens losser zal maken, ontspannen. Kijk naar Frankrijk, waar ze gewoon oude gebouwen durven te laten staan, tuinen en huizen te verwaarlozen, dat werkt zo ontspannend. Mensen gaan er lekkerder door eten, meer wijn drinken.

Mocht iemand zich willen aansluiten bij de Partij voor Meer Rommeligheid en Minder Veiligheid, neem contact op.

Oogpunt 53

Journal

 

Luis

Zondag 13 juni, Groningen

Zojuist lees ik dat Pieter Omtzigt uit het CDA stapt. Hij gaat verder als zelfstandig Kamerlid. Erg jammer. Een luis in de pels is zoveel meer waard dan een luis die alleen in een kamer zit. In de pels kan een luis een beest sneller laten lopen, laten krabben, irriteren, zijn bloed drinken.

De farizeeër zegt: ‘We kunnen niet anders dan zijn besluit respecteren, maar hadden op een andere uitkomst gehoopt.’ Deze farizeeër heet Wopke. Het is double speak. Wopke is namelijk ontzettend blij dat Omtzigt zijn biezen pak. Heeft hij eindelijk zijn handen vrij. Er is vanavond feest bij het CDA. Het vindt plaats in een donker achterkamertje, de vreugde is er niet minder om. Eindelijk verlost van die eikel en teringhond.

Iemand zegt tegen me: ‘Kan hij zich mooi aansluiten bij de SP.’ Ik weet zeker dat Pieter dat niet doet, want Pieter is en blijft gewoon een steile christen democraat. Aansluiten bij de SP betekent bovendien marginalisatie.

Het meest belangwekkende wat Omtzigt in zijn klaagnotitie schrijft, is dat het CDA een partij is beheerst door lobbyisten. Dat drie sponsors invloed op het partijprogramma hebben gehad. Werk aan de winkel voor de journalistiek. In feite is het CDA al lang een gekaapte partij, het is een partij in handen van de boeren. Ze draaien hun hand er niet voor om met bruinhemden samen te werken als het boerenbelang daarmee is gediend.

De boeren vormen een ware lobby plaag. VVD is boer, Baudet is boer. We moeten oppassen voor de boeren. In ons kleine land hebben ze 60% van het land in bezit. Ongekozen mogen ze meebeslissen in de Waterschappen. Systematisch maken ze de natuur kapot. Laten we alert zijn, de boer is overal. De boer is hardnekkiger dan luis. De boer wint sowieso altijd van luis, de boer bezit de gifspuit.

Oogpunt 52

Journal

 

Lijntjes

Vrijdag 11 juni, Groningen

Lentedans. Ik voel me een koe die in de lente na een strenge winter eindelijk uit de stal wordt gelaten en dansend de wei inloopt, de poten omhoog slaat, zijn onhandige lijf in rare bochten wringt. Een beetje zoals ik dans. Wyb en de kinderen willen mij niet zien dansen. Het schijnt te gênant te zijn. Ik denk niet dat ze ongelijk hebben. Het gevolg is dat ik nooit meer dans, terwijl ik vroeger, met mijn slanke jongenslijf, toch een begenadigd danser was. Jan raadde mij vroeger aan danser te worden, ik had er het kontje voor, zei hij.

Ik voel me een koe omdat ik voor het eerst in twee jaar een afspraak heb die met theater heeft te maken. Zoals ik gewend ben, moet ik ook nu weer een eind rijden om er te komen. Van Groningen naar Amersfoort is toch weer gemeen verder dan Dwingeloo Amersfoort. Ik heb een afspraak met Vincent en Wolter over een project dat nog altijd op de plank ligt. De twee jaar voordat we naar Frankrijk gingen heb ik samen met Vincent van Warmerdam een muziektheaterstuk geschreven over Elvis Presley. Het ligt kant en klaar te wachten op uitvoering, we hoeven alleen nog maar de financiering rond te krijgen.

Alleen maar. Dat is met theater altijd de ellende: je hoeft alleen nog maar de financiering rond te krijgen. De financiering rond krijgen is niet de helft van het werk, het is zeker tachtig procent van het werk. Altijd dat verdomde geld. Dat komt omdat er met theater überhaupt geen droog brood is te verdienen. De enigen die de echt rijk aan theater zijn geworden zijn de cabaretiers die alleen op het toneel staan. Elke avond kunnen ze hun winst uittellen.

Voor Elvis hebben we een bezetting van tussen de vijftien en twintig mensen nodig. Voor de lockdown hadden we nog allerlei lijntjes uitstaan. Dunne lijntjes. Maar zolang er een lijntje is, is er hoop. Vandaag bespreken we hoe we die lijntjes weer kunnen aanhalen. Je weet nooit hoe een koe een haas vangt. Mijn kompaan, Wolter, zit volop in de productie van 14, de musical. Drie jaar geleden leek dat nog een project waar je alleen van kunt dromen. En zie: nu wordt het realiteit.

Het is voor het eerst sinds lange tijd dat Wolter, Vincent en ik, brothers in crime, weer samen eten en de wereld doornemen. O ja, Elvis, bijna nog vergeten. We noemen wat bestaande en mogelijk nieuwe lijntjes. Het stuk ligt er. Nu nog de uitvoering. Wie weet. Daarna rij ik die hele tocht terug naar Groningen. If I were a rich man. Fiddler on the roof, mooie musical.

Oogpunt 51

Journal

 

Omhelzing

Donderdag 10 juni, Groningen

Ik heb gisteren voor het eerst sinds anderhalf jaar iemand anders omhelsd dan Wyb. Ik nam afscheid van Jan. Het kan best zijn dat het ons definitieve afscheid was. Al hoop ik hem na de vakantie weer even goedgemutst als vandaag in de tuin te zien zitten, ondanks dat zijn lijf en leden steeds vermoeider worden en er steeds minder zin in lijken te hebben. De medisch specialisten rond Jan zeggen zelfs dat ze er niets meer aan kunnen doen.

Ik vrees dat zijn blog Kwalitijd van afgelopen 30 mei zijn laatste blog was. Ook dat is wennen. Zijn eerste blog schreef hij op 22 augustus 2010 en sindsdien las ik elke dag zijn blog. Soms heel snel omdat ik benieuwd was of Jan nog iets bijzonders had beleefd, meestal met aandacht omdat ik ze altijd met plezier las. Soms waren het juweeltjes, alhoewel Jan zijn geblog altijd relativeerde. Ik wilde zijn blogs ooit nog bloemlezen maar daar wilde hij niets van weten. Ze hadden volgens hem een houdbaarheidsdatum van een dag. Gelukkig heb ik zijn verzamelde poëzie mogen uitgeven, De Dood en de Dingen. Nu alleen nog antiquarisch te verkrijgen.

Ik zou heel veel woorden kunnen wijden aan ons afscheid. Jan is de enige nog die mij mijn hele leven heeft gekend, van mijn prehistorie tot nu. Hij is de laatste van een generatie die ik als kind heb liefgehad. Maar die woorden zullen later nog wel komen. Voor vandaag nemen Anne en ik afscheid van hem met die omhelzing, en nog een omhelzing. De 22ste vertrekken Wyb en ik naar Zuid-Frankrijk. De kans dat ik onverhoopt terug moet komen is zeker aanwezig. Toch blijf ik hopen op een reprise van deze ochtend dat we in de zon weer grappen kunnen maken.

Nu we toch in Nijmegen-Oost zijn wil Anne wel eens mijn geboortehuis zien. Zo fietsen we samen naar de Broerdijk, een paar straten van het huis van Jan en Gade vandaan. Ik wijs haar het zolderraam waarachter ik ben geboren. Er was, net zo als nu, woningnood. Wij woonden in een piepkleine zolderverdieping die ik nog zo kan uittekenen.

Als Anne en ik daar staan, vraagt een man, die in de tuin bezig is van het huis ernaast, of wij hier herinneringen hebben. Ik vertel hem dat ik op de zolder daar ben geboren.
‘Hoe heette jullie dan van de achternaam?’
‘Tonen.’
‘Nee, dat zegt me niets. Ik woon hier namelijk al mijn hele leven. Ik ben nu vijfenzeventig en nooit verhuisd.’
‘We woonden boven op zolder bij de familie van Bremen. Ik heb er maar tot mijn vijfde jaar gewoond.’
‘Ja, die ken ik nog wel. Maar die zijn lang geleden overleden.’
‘Goed beschouwd was jij dus mijn buurjongen,’ zeg ik. ‘Jij hebt me vast nog in de kinderwagen zien liggen.’

‘Hé, wat een raar fietsstuur heb jij,’ zegt hij tegen Anne, ‘vind je dat prettig zo?’
‘Nee, helemaal niet. Het is een OV-fiets en het stuur blijkt los te zitten.’
‘Ik zal hem even voor je vastzetten.’ Hij loopt naar binnen om de juiste sleutel te halen.

Oogpunt 50

Journal

 

Prik

Dinsdag 8 juni, Berg en Dal

Het was half maart vorig jaar en Frankrijk ging in lockdown. Wyb en ik zaten op de veranda, geen gasten, geen inkomsten meer en we wisten, dit gaat heel lang duren, dit is niet zomaar even voorbij. Ik wist dat er maar één uitweg was: vaccineren. Hoe goed we ook ons best zouden doen om afstand te houden, mondkapjes te dragen of handen te wassen. Het virus was er en ging alleen maar weg met vaccineren.

De eerste berichten over een vaccin waren somber. Het duurt gemiddeld vier, vijf jaar om een vaccin te ontwikkelen, lazen we. Als er al iets ontwikkeld kan worden want het definitieve vaccin tegen aids is ook nog niet gevonden. In tegenstelling tot mij heeft Wybrich een ingebouwd optimisme. Zelfs zij zag het somber in dus besloten wij onze maatregelen te nemen. Einde Frankrijk, we organiseerden stap voor stap de terugtocht.

Na een korte pauze in de zomer belandden wij in de volgende lockdown in Nederland. Nou ja, een veel mildere variant van de Franse lockdown. In die tussentijd was er meer perspectief gekomen, het ontwikkelen van een vaccin ging veel voorspoediger dan gedacht. Onder andere door de enorme hoeveelheid geld die er tegenaan werd gegooid. Geld speelde geen rol want de economische verliezen door Covid waren immens.

Dit alles schiet door mij hoofd als ik in Zuidhorn het gebouw uitloop nadat ik mijn tweede prik heb gehad. Meer dan een jaar lang heb ik mij buitengewoon voorzichtig gedragen. Mondkapje geen probleem, nauwelijks bezoek ontvangen, altijd 1,5 meter afstand, reisbewegingen zo min mogelijk. De laatste weken dacht ik, stel je voor dat ik nu alsnog corona krijg, dat is zo’n beetje hetzelfde als de soldaat die op de laatste dag van de oorlog gewond raakt, of sneuvelt.

Ik heb het gered. Onze situatie zoals die er aan het begin van de lockdown eruit zag en nu aan het einde is echter volledig veranderd. Goed beschouwd heeft dat verrekte virus ons toch te pakken gehad. Maar niet in directe zin. Reden om een fles champagne te openen. Ik zie een ander mens opeens niet meer als een potentieel gevaar. Nu maar hopen dat niet vanuit India ofzo een nieuwe variant ons gaat belagen.

Oogpunt 49

Journal

 

Sammy

Maandag 7 juni, Groningen

Lies, mijn ex-vrouw, belt mij omdat ze heeft gehoord dat het niet zo goed gaat met Jan. Ze vraagt hoe het met hem gaat. Ik vertel haar wat ik weet. Ze zegt dat ze begrijpt dat het veel met me doet. ‘Jan was toch altijd jouw grote voorbeeld.’ Zeker, Jan was mijn grote voorbeeld. Maar hij is veel meer dan dat. Hij is mijn oom, mijn broer, zelfs hier en daar mijn vader. Wat zou het fijn zijn als ze een van die woorden had gebruikt.

Het woord voorbeeld is niet mijn woord. Het is te kil, te makkelijk. Jan was veel meer. Jan, zette de deur naar de wereld voor mij open. Jan was in onze familie de deur voor mij naar de jaren zestig en zeventig. Hij bevrijdde mij van de jaren vijftig en bekrompenheid.

Zo leerde ik in 1966 door hem het nummer Sammy kennen. In het huis van mijn opa en oma bracht hij het nummer Sammy van Ramses Shaffy binnen met een single. Hierdoor ontdekte ik een andere wereld. Aan de gezellige en ietwat rommelige keurigheid van onze familie werd het leven toegevoegd.

Ik heb Sammy keer op keer gedraaid. Van de pick-up waarop ik het draaide heb ik geen beeld meer. Wel van het opklapbed waarop ik zat om ernaar te luisteren. Het bed stond op het kamertje van Jan. Het bed waar mijn oma ooit een pan soep in had gezet om het warm te houden. Even daarna kwam mijn opa binnen en hij dacht: ‘Verdorie, het bed is nog steeds niet opgeklapt.’ Hij klapte het bed op, zoals het hoorde, waarop de pan soep in zijn geheel werd omgekieperd en het bed droop van de soep. Overal vermicelli. Hilariteit. Ondertussen zette ik nog eens Sammy op. Het leven kon beginnen. Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, want daar is de blauwe lucht.

Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, Want daarboven lacht de maan. Met dank aan Jan, mijn grote voorbeeld.

Journal

 

Koeien

Zondag 6 juni, Groningen

Oogpunt 49

Journal

 

Teren

Zaterdag 5 juni, Groningen

We zitten in de lommerrijke tuin van Kees en Annemiek. In de tuin hangt de geur van hyacinten. We hebben geen idee waar de geur vandaan komt, de hyacinten zijn al lang uitgebloeid. Wat is Nederland toch heerlijk als het mooi weer is. Er is niets lekkerder dan in een tuin onder een schaduwrijke boom te zitten.

Wij zelf hebben geen tuin, wij hebben een groot dakterras. Als ik moet kiezen tussen een tuin en een dakterras kies ik toch voor dat dakterras, om te hebben tenminste. Om te zitten kies ik voor een tuin. Maar er is bij mij een grote discrepantie tussen zitten in een tuin en het werken in een tuin. Aan een dakterras hoef je weinig tot niets te doen, een tuin vraagt voortdurend onderhoud. Elke handeling in een tuin is me eigenlijk te veel. Dus lang leve het dakterras dat van alle gemakken is voorzien en van waaruit we ruim zicht over de stad hebben.

‘Denk jij nog wel eens aan je werkzame leven?’ vraag ik aan Kees die al een paar jaar is gepensioneerd.
‘Weinig,’ is zijn antwoord. ‘Er zijn wat high en low lights waar ik nog wel eens aan denk.’
Ik ben nog maar één maand gepensioneerd. Door ons avontuur in Frankrijk lijkt het alsof dat veel langer is. Mijn reguliere werkzame leven staat inmiddels zo ver van mij vandaan. Het wonderlijke is dat ik er nauwelijks aan denk. Soms passeert een zuchtje high of low lights. Niet noemenswaardig.

Wat ik vreemd vind. Meer nog dan materieel bezit heb ik kasten vol herinneringen. Ik heb ze, maar ze spelen nauwelijks een rol in mijn leven. Ik dacht ooit dat je op herinneringen kunt teren. Tot nu toe vind ik herinneringen maar schrale grond. Wat je ook hebt meegemaakt, hoe intens, mooi of verdrietig ook, het heden is zo dominant, het verdringt alles. Je kunt je leven lang blakend gezond zijn, als je ziek wordt verbleekt de blakende gezondheid van voorheen.

Al jarenlang speelt een idee in mijn hoofd om een boek, een roman, te schrijven over mijn familie, een familie epos. Met dat boek wil ik mijn herinneringen tot leven te brengen. Ik heb er nog nooit een letter over op papier gezet. De kerngedachte is een exploderende familie. Ik vind namelijk dat mijn familie met een serie ontstekingen is geëxplodeerd. Het zal duidelijk zijn dat ik nog zoekende ben. Na de vakantie wil ik beginnen aan dit nieuwe project. Als het zover is stop ik met dit schrijfsels op dit blog. Een boek schrijven en bloggen dat gaat niet samen. Wat overblijft in Dossiermoddergat is dan het kijken.

Oogpunt 48

Journal

 

Vergiftiging

Vrijdag 4 juni, Groningen

We hebben Anne zeven maanden niet gezien. Zo lang hebben we elkaar nog nooit gezien. Gelukkig hebben we elkaar tenminste een keer per dag aan de telefoon, soms zelfs meerdere keren. Een familietraditie, dat gaat bij ons van moeder op zoon, van vader naar dochter. Daarom voelen die zeven maanden toch niet als zeven maanden. Om het te vieren lunchen we in een gerenommeerd Amsterdams restaurant. We hebben er vaker met Anne gegeten en het op basis daarvan uitgeroepen tot ons lievelingsrestaurant.

Het terras van het restaurant bevindt zich in een nauwe Amsterdamse steeg. Het fijne daarvan is dat we voortdurend contact met voorbijgangers hebben, die of met snedige opmerkingen onze lunch becommentariëren of Dies willen aaien. Het is zo heerlijk om weer in Amsterdam te zijn.

Wyb en ik verblijven op een geheel nieuwe wijze in Amsterdam. We slapen namelijk, midden in Amsterdam, in een bos. Is dat mogelijk? Ja, we vinden het zelfs ook onvoorstelbaar. Maar ons camperbus staat 1 kilometer lopen vanaf de pont over het IJ. Als we voor onze camper zitten, lijkt het of we in Drenthe op een camping staan. De camping ligt in Amsterdan-Noord in het Vliegenbos bij de Vogelbuurt, een wijk in Noord die uit architectonisch oogpunt zeer de moeite waard is om te bezichtigen, Amsterdamse School voor arbeiders. Je kunt terugverlangen naar die tijd.

Anne, Wyb en ik genieten van ons viergangen menu. We prijzen de kwaliteit weer van het restaurant, de verrassende smaken, de creativiteit van de recepten. Al is het wel erg veel. We hadden beter een driegangen menu kunnen nemen, is onze conclusie op het einde.

’s Avonds komt Anne met Sandra naar de camping. Ze hebben wijn en kaas meegenomen. Aan een picknicktafel nemen we het leven door. Dies en Charlie, de hond van Anne, verkennen de picknickwei van de camping. We zijn de enigen die er zitten.

Na een kwartier begint het. Wyb voelt zich niet lekker. Zegt dat ze misselijk is. Op een gegeven moment rent ze naar het toiletgebouw dat vlakbij is. Maar ze haalt het niet. Haar lijf maakt spastische bewegingen en ons dure viergangenmenu komt in een straal naar buiten. Dit herhaalt zich diverse keren. Wyb wordt bleker en bleker.
Dan rent Anne naar de wc. ‘Ik voel me zo beroerd.’ Ondertussen ligt Wyb uitgeteld op de bank van de picknickbank. Anne blijft op en neer rennen. ‘Het is is duidelijk dat we wat verkeerd hebben gegeten vanmiddag.’ ‘Voedselvergiftiging, dat kan niet anders.’

Ik kom er goed vanaf, denk ik. Mis. Een half uur nadat Anne op en neer naar de wc begon te rennen begin ik. Mijn middenrif pikt het niet langer. Op de een of andere manier wil het uit mijn lijf springen. Ons dure lunchmenu komt bij mij in drievoud naar buiten, van onder en van boven. Een voor een druipen we af. Eerst probeert Wyb te gaan slapen, Anne en Sandra gaan naar huis, dan zoek ik de bus op. Keer op keer ren ik die nacht naar het toiletgebouw, aan dat lunchmenu komt geen einde.

De volgende dag zijn we knockdown. Onze lijven doen pijn en accepteren geen enkele vorm van drank of voedsel. Onze hoofd is verdoofd. Lijf en leden zwaar, de dag is grijs. Met moeite rijden we terug naar het Noorden. Eenmaal terug: slapen, veel slapen. Bloggen? Ik moet er niet aan denken.

Oogpunt 47

Journal

 

Steentijd

Dinsdag 1 juni, Groninge

Je ziet het wel bij pioenrozen, zo zit de bloem in de knop, zo barst de bloem met alle pracht uit de knop: opeens staat ze in volle bloei. Aan die pioenroos moet ik denken als ik door Groningen loop. Een stad in volle bloei. Daar zorgt het mooie weer voor, en zeker het einde van de lockdown. Er hangt een bevrijding-achtige sfeer.

De terrassen, ons nieuwe symbool van vrijheid, barsten uit hun voegen. De lockdown heeft de terrassen niet alleen groter gemaakt, maar ook vermenigvuldigd. Als er geen markt is op de Vismarkt is het plein één groot terras, heb ik nog nooit eerder gezien. In de straten, langs de grachten, overal terrassen. Wyb en ik proberen tevergeefs een plekje te vinden. Ik heb me voor de pandemie nooit gerealiseerd dat het terras zo belangrijk was. Tijdens de lockdown werd het de heilige graal voor wie naar vrijheid verlangde. En nu het zo ver is, wordt het volop geconsumeerd.

Niet alleen de terrassen worden geconsumeerd. De stad loopt vol. Mensen paraderen met herwonnen zelfbewustzijn door de stad en velen dragen daarbij tassen met gekochte spullen. De vierde Covid golf ziet er totaal anders uit dan de drie daarvoor. Het is een inhaal koopgolf, een golf met totaal andere symptomen.
De idealisten onder ons voorspelden dat er na de pandemie een nieuw normaal zou komen, dat we geleerd zouden hebben van het oude normaal. We zouden minder consumeren, minder reizen. Vooralsnog lijkt dat nieuwe normaal opmerkelijk veel op het oude normaal.

Lang is aangenomen dat oorlogen en gewapende conflicten tussen mensen pas ontstonden na introductie van de landbouw, toen het afbakenen van grond begon en de eerste grenzen werden getrokken. Daarvoor, zo was de veronderstelling, toen we nog joegen en verzamelden, ging men nog vredelievend met elkaar om.
In een grafveld in de Nijldelta zijn 61 lichamen gevonden, ze leefden zo’n 15.000 jaar geleden. Het blijkt nu dat deze jagers-verzamelaars elkaar ook al verwondden. Met speren en pijlen met stenen punten ging men elkaar te lijf. Uit Frans onderzoek blijkt dat een groot deel van de individuen meerdere keren door wapens is verwond.

Wat ik maar wil zeggen, van de steentijd tot het antropoceen, de mens verandert niet zoveel: het blijft een tamelijk agressief soort gericht op eigen belang. Bezit en genot gaat boven alles, daarna komt nog een klein restje moraal, als het zo uitkomt.

Het valt me op hoe met de mensen ook weer de pats auto’s in de stad verschijnen. Raampjes open, zonnebrillen op, keiharde muziek, gillende banden, gierende hormonen, de gangster style is momenteel erg geliefd.

Oogpunt 46

Lost and found.

Journal

 

The missing link

Maandag 31 mei, Groningen

De laatste lezer.

Al jaren maak ik foto’s van mensen die lezen, dit onder de serienaam De laatste lezer. Dat doe ik niet voor niets, de ontlezing onder de Nederlandse bevolking neemt in razend tempo toe. Wat cijfers: in 2000 waren er 155 miljoen uitleningen in de bibliotheek. In 2019 zijn er dat nog maar 64 miljoen. In 2000 werden er nog 83 miljoen boeken aan volwassenen uitgeleend, nu is dat gedaald naar 27 miljoen.

Ik gooi er nog een cijfer tegenaan. Tussen 2013 en 2018 is de jeugd 40% minder gaan lezen. 60% van de jeugd zegt alleen te lezen als het moet. Bijna de helft vindt lezen absolute tijdverspilling. Slechts 20% geeft aan lezen als hobby te hebben. 2,5 miljoen Nederlanders lezen te slecht om de bijsluiter bij hun medicijn te kunnen lezen.

In de Volkskrant schrijft Bert Wagendorp vandaag: ‘Is daar niets aan te doen? Ik vrees van niet. Het boek is niet sexy meer en boeken lezen wordt weer een elitaire bezigheid die het eeuwenlang was. Een kort periode van een jaar of vijftig -van 1960 tot 2010- zal bekend komen te staan als de gouden halve eeuw van het boek, waarna de neergang werd ingezet en Netflix in de behoefte aan verhalen ging voorzien.’

En in die neergang fotograaf ik met veel plezier mensen die lezen, de laatste lezers. In de evolutietheorie is iedereen altijd erg geïnteresseerd in the missing link, de overgang van het ene na het ander stadium. Wanneer en waar en waarom werd de aap mens? Begrijpelijk die interesse. We willen natuurlijk weten hoe dat ging, op die overgang willen we vat krijgen.

Gisteren fotografeerde ik een vrouw die in het Noorderplantsoen in het gras lag te lezen. Op bovenstaande foto zie je hoe ze geniet van de zon en bij het water verdiept is in een boek. Tenminste, dat dacht ik. Toen ik de foto bewerkte, zag ik pas wat ik werkelijk had gefotografeerd.

Wie bovenstaande foto beter bekijkt, ziet dat de vrouw helemaal geen boek leest. Voor het boek houdt ze haar mobiele telefoon. Ze leest geen boek, ze checkt haar mobiel. En bij nadere beschouwing realiseerde ik me dat ik de misslng link heb gefotografeerd van de lezer naar de niet-lezer. De mens houdt uit gewoonte nog een boek vast, maar het mobiel heeft het boek al verdrongen. Voor wie wil weten hoe de evolutie van boek naar devices plaatsvond, hoe de mens van lezer, scanner van nieuws en social media werd, the missing link heb ik bij deze vastgelegd. Als je veel foto’s maak, vind je nog eens iets.

Oogpunt 46

Journal

 

Plaatje

Zondag 30 mei, Groningen

Zoals gisteren al geschreven, wandelden Wyb en ik vanuit Gasteren zo’n dertien kilometer door het Drentse land. We lopen in de stroomdalen van het Gastersche en Oudmolensche Diep. Overal in de houtwallen kwetteren de vogels, we zien zelfs de veldleeuwerik boven de hei kwinkeleren, om dat oude woord maar eens van stal te halen.

De dag heeft en hoog Merijntje Gijzen gehalte, een serie streekromans, geschreven door A.M. de Jong, die zich Brabant afspeelt. Ik zal elf, twaalf jaar geweest zijn toen ik ze las. Bij het lezen kreeg ik enorme zin om erop uit te trekken en over de zandpaden rond Nijmegen te dwalen. Nu ik dit opschrijf, word ik opeens nieuwsgierig naar die boeken. Ze zullen gedateerd zijn, maar ik ben toch benieuwd, als ik ze herlees, of ik iets van de magie van vroeger kan voelen.

Als we zo wandelen, valt me een ding op dat helemaal niet past in de Merijntje Gijzen sfeer. We passeren weiland na weiland en op elk hek dat toegang tot zo’n weiland verschaft, heeft Staatsbosbeheer een plaatje geschroefd om te laten weten dat het weiland van Staatsbosbeheer is. In mijn hoofd ontstaat de volgende brief.

Beste directie,
Ik vind het fantastisch dat u zorg draagt voor zoveel natuurgebieden in Nederland. Goed werk. Al wandelend door de stroomgebieden van het Gastersche en Oudmolensche Diep viel mij een ding op waar ik mij aan ergerde omdat het zo’n afbreuk doet aan het prachtige landschap.
Een of andere overijverige medewerker van Staatsbosbeheer heeft namelijk op elk hek een plaatje van Staatsbosbeheer geplaatst. Waarom? Er zijn al te veel bordjes in Nederland, waarom deze zinloze bordjes eraan toegevoegd? Om u naamsbekendheid te vergroten? Lijkt me volstrekt overbodig. Uw naamsbekendheid is groot genoeg, lijkt me. Een grotere naamsbekendheid lijkt me ook niet de manier om de consumptie van natuur te stimuleren. Of plaatst u de bordjes om te markeren dat de weilanden van u zijn? Maar tegen welke indringer wilt u de weilanden beschermen? U weet toch zelf dat de weilanden van u zijn en elke boer zal het wel uit zijn hoofd laten om een van uw weilanden in gebruik te nemen. Of heeft u een te overijverige marketingafdeling die te weinig te doen heeft en daarom in de overorganisatie schiet, zoals zoveel stafafdelingen in organisaties te ijverig zijn? Ik zou zeggen: jaag ze terug hun hok in.
Ik schreef zojuist dat het uw weilanden zijn, maar in feite is dat natuurlijk niet het geval. U heeft ze van ons in bruikleen opdat u er goed voor zult zorgen. U dient zich daarom bescheiden op te stellen en de natuurbeleving geen afbreuk te doen. Ik zou er voor willen pleiten dat u die bordjes er meteen afhaalt. De volgende keer dat ik er ga wandelen wil ik ze niet meer zien, hoor.
Met vriendelijke groet,
De Blogger.

Natuurlijk zal ik deze brief niet versturen. Zeker, nu ik gepensioneerd ben heb ik zeeën van tijd. Voordat je het weet word je een querulant en ben je elke dag bezig om over een futiliteit verontwaardigde brieven te schrijven. Zelfbeheersing is vereist als de dagen geen verplichtingen meer met zich meebrengen.

Oogpunt 45

Journal

 

Maaien

Zaterdag 29 mei, Groningen

Wyb en ik lopen van Gasteren naar Anloo via de meest vreemde bochten om ons maar de mooiste plekken van het gebied te laten zien. We zijn Gasteren nog niet uit of we komen langs een enorm gazon, vele malen groter dan een voetbalveld, het is zeker twee of drie voetbalvelden groot. Een gazon als een perfect biljartlaken. In strak gelid staan zes betonnen palen verspreid over het grasveld wat is omheind met een hard houten omheining zoals je dat zelden ziet, dat heeft wat gekost. Op de betonnen palen lijken kranen te zitten, goed mogelijk dat daarmee het gras besproeid wordt.
Wyb en ik blijven verbaasd staan. Wat is dit? Welke sport wordt op dit veld bedreven? Cricket? Polo? Maar daarvoor is het veld veel te mooi. Er staat geen sprietje verkeerd. Geen sprietje is groter dan het ander.

Aan de andere kant van de straat komt een man thuis. Hij parkeert zijn auto voor het huis en maakt het hek dicht. Hierdoor kan ik  aan hem vragen waar dat fantastische grasveld aan de overkant voor wordt gebruikt.
‘Voor niets,’ is het antwoord van de man.
‘Niets?’
‘Nee, de meneer die daar woont houdt van maaien. Hij heeft diverse maaimachines en maait het gras met dan weer de ene en dan weer de andere machine.’
‘Maar waarvoor doet hij dat dan? Dat gras moet toch ergens voor worden gebruikt.’
‘Nee, hoor. Hij doet er helemaal niets mee. Hij is gewoon gek op maaien. Maaien is zijn hobby.’

Wyb en ik zijn flabbergasted (vind ik zo’n mooi woord). Er bestaat dus iemand die als hobby het maaien van gras heeft. Hoe is het mogelijk. Het is een dure hobby, want als hij dat stuk grond in deze prachtige gemeente zou verkopen dan kan hij van de opbrengst zijn verdere leven vast in ledigheid doorbrengen. Nooit meer maaien, dat lijkt mij nu een prachtig leven. En al die maaimachines kosten natuurlijk ook het een en ander.

Wyb en ik vragen ons af of de man lid is van een maaiclub. Zou best kunnen. Voor alles heb je clubjes. Een club die maaien verheft tot kunst. Dat ze onderling wedstrijdjes doen, wie het mooiste grasveld heeft. Ik zou die man zo graag willen spreken. Ik ben zo benieuwd hoe hij tot deze hobby is gekomen, wat de uitdaging is, welk genoegen hij erin schept om op een maaimachine te zitten. Ik maak een foto van het grasveld. Het is werkelijk onberispelijk. Ik wil die man zo graag leren kennen.

We wandelen verder. Veel te ver. Als we terug zijn in Gasteren heb ik liefst 22.000 stappen gezet. Dat is voor mij doen heel veel. De hele wandeling door is die man op zijn maaimachine in mijn gedachte.

Oogpunt 44

Journal

 

Explosie in slowmotion

Donderdag 27 mei, Groningen

Ik was achttien toen Grenzen aan de groei uitkwam, een rapport van de Club van Rome. De Club was een stichting die in 1968 werd opgericht door Europese wetenschappers om hun bezorgdheid over de toekomst van de aarde voor het voetlicht te brengen. Ik kocht dat rapport in de vorm van een Prisma pocket. Niet dat ik het heb gelezen. Ik heb er diverse keren in gebladerd en het stond vol statistieken. Het was voor een leek als ik eigenlijk niet te lezen. Dat nam niet weg dat ik het alarmerende belang er van inzag.

Sinds dat rapport kan niemand meer zeggen dat hij niet op de hoogte kan zijn van de ernst van de situatie waarin de aarde verkeert. Het rapport heette niet voor niets Grenzen aan de groei. De Club maakte duidelijk dat binnen afzienbare tijd onze fossiele energiebronnen gewoon op zijn, al duurt het inmiddels wat langer dan zij toen dachten. De essentie blijft: op de aarde zijn beperkte voorraden aanwezig en we zijn volop bezig die uit te putten. Op dezelfde manier doorgaan, betekent jezelf in enorme problemen brengen. Bovendien is het eigenlijk jatten van het nageslacht.

Maar och, de mensheid is hardleers. Zelfs nu nog zijn er lieden als Baudet die de uitputting van de aarde en de opwarming die daarmee gepaard gaat ontkennen. Saillant detail: ik las zojuist in de Volkskrant dat de kiezer op Baudet voornamelijk hoog opgeleid is. Waarmee bewezen is dat een opleiding niets zegt over de slimheid en wijsheid van iemand.
Het rapport van de Club van Rome heeft er in ieder geval voor gezorgd dat ik altijd zo groen mogelijk heb gestemd. Niet dat het veel heeft geholpen, maar wel iets, denk ik.

Inmiddels is het bijna vijftig jaar geleden dat ik die Prisma pocket kocht (bestaan ze eigenlijk nog?), in die tijd zie je niet alleen een enorme toename van het bewustzijn over milieuproblematiek, maar zijn er ook allerlei politieke beslissingen genomen en verdragen gesloten om de aarde te redden. Hierdoor was er gisteren buitengewoon goed nieuws. Er blijkt zelfs juridische grondslag om Shell tot de orde te roepen en te dwingen de uitstoot van CO2 te verminderen. Hierdoor wordt het steeds minder aantrekkelijk, of zelfs verboden, naar fossiele grondstoffen te zoeken.

De bom die de Club van Rome onder onze groei legde met zijn rapport ontploft buitengewoon langzaam, het is een explosie in slowmotion. Dat neemt niet weg dat zij onontkoombaar is, lobby’s van landbouworganisaties, de industrie en werkgeversorganisaties ten spijt. Als één partij schuldig is aan de vertraagde explosie dan zijn het lobby-organisaties. In geen enkel ander land hebben ze zoveel invloed als in Nederland, hun speelveld kent hier, in tegenstelling tot andere landen, geen spelregels.

Oogpunt 43

Lost and found

Journal

 

Willem

Woensdag 26 mei, Groningen

Vandaag zijn Wyb en ik bij Willem op bezoek geweest. Willem is de man van een oud-collega van Wyb, zo hebben we elkaar leren kennen. Wyb en ik, zou je kunnen zeggen, verzamelen Willems. Willem schildert en wij zijn gek op zijn schilderijen. Hij is een soort J.C. van Schagen onder de schilders. Omdat niemand J.C. van Schagen nog kent, heb je niets aan deze vergelijking, maar ze is wel waar. J.C. van Schagen was een dichter uit Zeeland en schreef prachtige gedichten, ogenschijnlijk eenvoudig, maar trefzeker en mooi.

Wij zeggen vaak dat we in het Willem Museum wonen. Vrijwel op elke muur in ons huis hangt een werk van hem. Willem is geen professioneel kunstenaar, zijn oeuvre is klein want er zijn hele periodes dat hij helemaal geen zin heeft om te schilderen. Als we elkaar zien, probeer ik zoveel mogelijk te zeuren dat hij weer moet gaan schilderen. Ik weet dat dit soms helpt. Door mijn gezeur krijgt hij er weer zin in, het helpt hem over een drempel te gaan. Dan ziet hij eindelijk weer in dat hij talent heeft en mooie dingen maakt.

Wyb en ik zijn bij Willem omdat hij in een verzorgingshuis revalideert. Het had niet veel gescheeld of Willem was afgelopen weken overleden. Tien dagen lang lag hij op de IC in slaap af te wachten wat het lot hem zou brengen. Een week na zijn eerste prik kreeg hij Covid, gevaarlijk voor hem omdat hij niet zo’n sterk hart heeft, de zeventig gepasseerd en ook wel lijdt aan overgewicht. Hij noemt het een traumatische ervaring. Hij moest opnieuw leren zijn armen op te tillen en nu leert hij opnieuw te lopen. Wyb haalt hem in een rolstoel van zijn afdeling naar de bezoekersruimte.

Het lukt hem jammer genoeg nog niet om te lezen of televisie te kijken. Zijn hoofd is nog niet helder. Gelukkig is hij niet meer warrig en komt zijn geheugen terug. De eerste berichten die wij kregen waren alarmerend. Tijdens ons bezoek ben ik ervan overtuigd dat hij weer de oude Willem kan worden, al heeft de dokter gezegd dat hij niet in weken maar in maanden moet denken.

Nadat we afscheid van hem hebben genomen, wind ik me op over al die Corona-ontkenners, waarvan er velen zeggen dat Covid-patiënten acteurs zijn, ze spelen alsof het een ernstige ziekte is en krijgen daarvoor betaald. Door dit soort leugens te vertellen doe je het tegenwoordig goed bij een belangrijk deel van de kiezers, je kunt er zelfs president van Amerika mee worden.

Grote kans dat er nog een hoofdstuk komt in dit Covid-drama, horen Wyb en ik op de autoradio. In de biblebelt, waar het geloof in god groter is dan in de wetenschap, is de vaccinatiegraad erg laag, evenals in veel armere stadswijken. Wappies jagen de angst voor vaccinatie steeds meer aan. Het gevolg kan zijn dat we in het najaar ons nog steeds aan de Coronaregels moeten houden, dat er niet voldoende immuniteit zal zijn. Een viroloog die wordt geïnterviewd, inmiddels een Bekende Nederlander, sluit een volgende golf helemaal niet uit.

Oogpunt 42

Journal

 

Forever young

Dinsdag 25 mei, Groningen

Gisteren werd Bob Dylan tachtig jaar. Niks Forever young. Zelfs aan de Never Ending Tour van Dylan zal best eens een einde komen.
Vorige week belde Benne mij om te attenderen op een radioprogramma dat een avond duurde over het leven van Bob Dylan. Benne lag op bed te luisteren, hij vond het een heerlijk programma. Hij kende, volgens eigen zeggen, buiten mij, verder niemand die er ook wel eens in geïnteresseerd kon zijn.

Bob Dylan, hij gaat al mijn hele leven mee. Nou ja, niet mijn hele leven. Ik vind dat ik hem voor mijn generatie best laat ontdekte. Dat komt denk ik omdat ik geen oudere broers heb, dat is het nadeel van het enig kind zijn: je moet alles zelf ontdekken. Mijn vader luisterde vooral naar Duitse schlagers, mijn moeder las alleen boeken, had volgens mij niets met muziek.

Ik ontdekte Bob Dylan door Tino. Vermoedelijks was ik zeventien of achttien jaar. Lies en ik leerden Tino en José kennen vlak voordat ik naar de lerarenopleiding ging en Tino daar een medestudent werd. Zij woonden in een piepklein appartement boven hun oma. Ik heb daar nachten doorgebracht en tijdens die nachten stond zeker voor de helft Bob Dylan op. Ik had niemand beter kunnen ontmoeten om Bob Dylan bij mij te introduceren. Tino wist alles van Dylan en hij had alles van Dylan. Nog steeds. Alles wat legaal en illegaal verkrijgbaar is over de singer-songwriter heeft hij. Terwijl wij naar Dylan luisterden, dronken we whisky-cola, flessen vol. Forever young, precies, zo zou het zijn. Wij werden niet oud.

Nog steeds is Bob Dylan een van de weinige artiesten uit die tijd waar ik naar luister. Ik vind het heerlijk om op de radio The Rolling Stones, Ten Years After, The Doors enzovoort te horen, mijn hart gaat meteen open. Maar vrijwillig, als ik thuis ben, zal ik niet naar hun muziek gaan luisteren. Bij Bob Dylan is dat anders, soms heb ik echt zin in Dylan, de stem van mijn jeugd.

Ondanks dat ik enorm van hem kan genieten, ben ik niet bevangen door dezelfde gekte als Tino en vele anderen. Het is aardig van Benne dat hij mij attendeert op dat radioprogramma, maar ik zal voor Dylan niet een hele avond aan de radio zijn gekluisterd. Zoals ik ook maar naar twee van de zesentwintig Bobcasts heb geluisterd die de VPRO uitzond over het fenomeen. Ik hoef helemaal niet alles te weten over Bob Dylan. Dat komt vermoedelijk omdat ik geen verzamelaar ben, zoals Tino en Benne dat wel zijn. Zij kunnen maniakaal over een onderwerp alles willen hebben.

Misschien komt het ook wel omdat het heilig vuur voor de muziek bij mij niet met de paplepel is ingegoten. Als je een vader hebt die vooral naar Duitste schlagers luistert, is muziek niet meteen iets waar je enthousiast over wordt. Ik vond het zelfs verschrikkelijk. Neemt niet weg dat Dylan al een heel leven met mij mee loopt. Nooit geweten dat hij maar dertien jaar ouder is dan ik. Wat ik zo bewonder aan hem: hij heeft zich nooit laten afleiden, hij heeft zijn leven niet vergooid op allerlei zijwegen. Hij vond de ultieme focus: muziek. En vond daarin een volstrekt eigen stem, een stem waarvan ik hou.

 

Forever young

May God bless and keep you always
May your wishes all come true
May you always do for others
And let others do for you
May you build a ladder to the stars
And climb on every rung
May you stay forever young
May you stay forever young

May you grow up to be righteous
May you grow up to be true
May you always know the truth
And see the light surrounding you
May you always be courageous
Stand upright and be strong
May you stay forever young
May you stay forever young

May your hands always be busy
May your feet always be swift
May you have a strong foundation
When the winds of changes shift
May your heart always be joyful
May your song always be sung
And may you stay forever young
May you stay forever young

Bob Dylan

Oogpunt 41

Journal

 

Cadeautjes

Maandag 24 mei, Groningen

In het oude normaal stappen we een paar keer per jaar op de boot naar Ameland. In het nieuwe normaal heeft dat al een jaar niet plaatsgevonden. Schande, want daardoor zie ik mijn kleinkinderen bijna niet groeien. Het is noodzakelijk dat ik ze regelmatig zie want ze groeien als kool. Aanstaande donderdag wordt Malu elf jaar. Omdat Wyb dan moet werken besluiten we haar dit weekend te gaan feliciteren.

Als je de tijd ergens door ervaart dan is het wel het opgroeien van kinderen. Door mijn eigen kinderen zag ik hoe de jaren voorbij raasden. Zo zag ik ze voor het eerst twee weken oud op een bedje in Sri Lanka liggen, zo is Anne journalist in Amsterdam en bestiert Esmee een hotelketen op Ameland. Naast dat ze met Arjan, mijn schoonzoon, een restaurant en een discotheek heeft. Tussen dat bed in Sri Lanka en nu zitten respectievelijk 33 en 31 jaar.

Voordat we op de boot naar Ameland stappen, kijken we eerst vol bewondering naar het wad bij Holwerd, dat ons altijd aan Moddergat doet denken. Het is een maagdelijk getijden landschap. Of dat nog lang zo zal blijven is de vraag. De eerste aanzetten om het te slopen zijn gemaakt. Het is de bedoeling dat er een haven komt en een toeristencentrum, het zal vermoedelijk Holwerd by the sea gaan heten, aldus de provinciale beleidsmakers. Alles wat je bedenkt kan worden uitgevoerd, dit dus ook.

Als we op de boot stappen regent het. Bij aankomst in Ameland regent het nog steeds. De kleinkinderen zijn onvoorstelbaar gegroeid. Malu wordt een puber, bij Joris (acht jaar) zie je het zelfvertrouwen groeien.
De verjaardagswens van Malu wordt vervuld met een wit poloshirt van Ralph Lauren. Ze is er erg blij mee want ze laat weten dat ze zich wat kakkineuzer wil gaan kleden.
Joris heeft nog een cadeau tegoed voor zijn verjaardag in maart. Wij konden toen niet komen omdat hij ziek was en we nog niet wisten dat hij geen Covid had.
‘Wat is het dun,’ denk ik als ik het hem geef. Ik heb geen idee meer wat het ook weer was. Het is een nietig cadeautje, lijkt het. Maar als hij het uitpakt weet ik het weer: een game. Hij is er ontzettend blij mee.

Esmee bestiert sinds een paar maanden een paar hotels op Ameland. Daar doen wij vandaag ons voordeel mee. We krijgen de bruidssuite, compleet met jacuzzi. Bij binnenkomst is het bed bestrooid met rozenblaadjes en staat de champagne voor ons koel. Het is mijn vaderdagcadeau. Er worden wat cadeautje uitgedeeld vandaag.

Als we de volgende dag op de boot stappen voor de terugtocht, regent het opnieuw, zoals het het hele weekend regende. De boot zit overvol met mensen die zitten te klagen over het weer. Wat nou als we met z’n allen naar een warmere streek verhuizen? We laten Nederland Nederland en verhuizen met z’n zeventien miljoenen naar Zuid-Spanje of het zuiden van Amerika. Er is genoeg geld in dit land om die operatie te bekostigen, heb ik dit weekend weer gezien. We bulken van het geld. Nederland laten we achter voor wie het wil hebben en het niet erg vindt om door het weer hier chagrijnig te worden. Het zou een cadeautje van ons voor onszelf zijn: eindelijk verlost van dat takkeweer. Nooit meer klagen en zeuren, het zou andere mensen van ons maken.

Oogpunt 40

journal

 

Oogpunt 39

Zondag 23 mei, Nes, Ameland

Journal

 

Contemplatie

Zaterdag 22 mei, Groningen

Afgelopen maand, 29 april, ging ik officieel met pensioen. Dat wist ik omdat het maanden geleden met wat brieven naar mij was bevestigd. Verder gebeurde er die dag niets. Niemand die een toespraak hield of een lintje uitdeelde, het was een dag zoals andere dagen en daarna vergat ik dat ik officieel met pensioen was.

Vandaag was het anders. Wat mij betreft is mijn pensioen pas op 22 mei begonnen. Op mijn bankrekening stonden vandaag zomaar een paar substantiële bedragen. Dat is pas pensioen hebben! Je doet niks en krijgt zomaar geld overgemaakt. Het leven is mooi. Nou ja, ik heb er zelf voor gespaard.

Ik vind het vooral bijzonder omdat het betekent dat Wyb en ik ons echec in Frankrijk hebben overleefd. Toen we terugkwamen hadden we, buiten ons spaargeld, geen bron van inkomsten meer. We hadden geen idee hoe we het gat tot mijn pensioen moesten overbruggen.
Gelukkig had Wyb al snel een klus en was de Belastingdienst aardig voor ons. Zo kwamen we door de winter heen. Maar nu ik elke maand op die substantiële bedragen kan rekenen, hebben we een kurk waar we op kunnen drijven. Voor de duidelijkheid: Wyb heeft alweer twee nieuwe klussen dus dat wordt zeer behaaglijk drijven.

Ik heb mij voorgenomen nog een keer officieel mijn carrière te overdenken om een echt pensioengevoel te krijgen. Na onze reis naar Frankrijk wil ik in Nijmegen op een bankje in het Valkhof gaan zitten en naar De Lindenberg kijken, waar ik mijn eerste baantje bij het Stedelijk Cultureel Overleg kreeg. Op dat bankje probeer ik dan zoveel mogelijk herinneringen uit die periode naar boven te halen. Misschien vraag ik Bernadette, met wie ik toen werkte, wel mee om op dat bankje te zitten. Een thermoskan met koffie, twee appelpunten en we overdenken samen dat verleden.

Dezelfde contemplatie ga ik in Groningen verrichten. Ik ga op de trappen van de Stadsschouwburg zitten en concentreer mij op alle avonturen die ik daar beleefde. Misschien vraag ik hier Benne wel om bij me te zitten.
Voor Leeuwarden trek ik een hele dag uit. Misschien wel twee. Daar veranderde mijn leven ingrijpend. Ik bouwde een theater en vond de liefde. Ik ga in de berm van de Westersingel zitten, recht tegenover De Harmonie. Prachtig zicht op het gebouw. Ik vraag aan Ymke of hij naast me komt zitten. Leeuwarden was een epos.

En zo ga ik op nog een paar plaatsen zitten waar ik met liefde heb gewerkt. Ik ga niet naar Enschede en Apeldoorn, dat zijn littekens.

Oogpunt 38

Journal

 

Gort

Vrijdag 21 mei, Groningen

Als je Wolter en mij bij elkaar zet, heb je binnen de kortste keren tien goede ideeën. Althans, dat vinden wij zelf. Ik denk dat het werkelijk zo is want veel van die ideeën zijn uitgevoerd, en waren best een succes. Moet gezegd dat veel ideeën ook flopten, of uiteindelijk niet tot uitvoering kwamen door de meest uiteenlopende redenen. Sometimes you win, sometimes you lose.

Een van de beste ideeën die we hadden, in het ene jaar dat we een echt impresariaat waren, was een voorstelling produceren met wijnkenner en -boer Ilja Gort. Daarnaast is hij schrijver en televisiemaker. Wolter en ik trokken onze stoute schoenen aan, schoenen die bij ons redelijk zijn afgedragen, en maakten een afspraak met hem.

Het is buitengewoon gezellig om bij Ilja en zijn vrouw te zijn. In zijn prachtige huis is veel te zien en Ilja is een begenadigd verteller. Met genoegen luisterden Wolter en ik naar hem. Ondertussen dachten we aan die theatervoorstelling die vast een groot succes zou worden. Het was nog voor de tijd dat andere impresariaten aan collegetours en lezingen gingen doen. Wij wisten dat we een gat in de markt hadden gevonden en Ilja zou van dat gat een groot succes maken.

Wij ontmoetten elkaar daarna nog een paar keer. Wolter en ik schetsten hoe zo’n theatertour eruit zag, wat nodig was, en hoe zo’n theatertour ook in zijn voordeel kon werken. Niet alleen qua verdiensten maar ook qua merchandising. Uiteindelijk liet hij ons weten mee te doen, hij had er zin in. We beloofden het rustig aan te doen, niet te veel voorstellingen ineens te boeken. We hielden het op 35 voorstellingen.

Wolter en ik hoefden niet lang aan de telefoon te zitten. Het was duidelijk dat we een goed idee hadden. De theaterdirecteuren die we belden, boekten meteen een voorstelling, zij zagen de potentie van zo’n voorstelling. Trots konden we Ilja al snel melden dat de tournee nagenoeg rond was. Hij liet weten dat hij nog wel even met ons wilde praten.

Wat wij vreesden gebeurde. Het bleek dat het opnameschema van zijn televisieprogramma was omgezet, uitgerekend in de periode dat wij de theatertournee hadden gepland vonden de nieuwe opnamen plaats. Hij nam aan dat wij de voorstellingen nog konden afzeggen. De volgende dag zaten we een hele dag aan de telefoon om de voorstelling te cancellen. Resultaat: veel teleurgestelde theaterdirecteuren.

Ik kom erop omdat ik nu het nieuwste boek van Ilja Gort aan het lezen ben, Bed en Breakfast. Wyb kocht het omdat ze nieuwsgierig was hoe hij over zo’n onderwerp zou schrijven. Ze las het in een keer uit. Nu ik het lees, hoor ik hem weer praten. Ilja Grot is nog meer Ilja Gort geworden sinds we met hem spraken. Ilja Gort is een merk geworden, door hem zorgvuldig opgebouwd en vormgegeven. Misschien maar goed dat hij niet het theater in is gegaan: al dat gereis en drukte die zo’n tournee met zich meebrengt. Hij had nooit genoeg tijd gehad voor zijn televisieprogramma’s, boeken en wijndomein. Voor Wolter en mij blijft het doodzonde. Sometimes you win, sometimes you lose.

Oogpunt 37

Journal

 

Schuilkelder

Donderdag 20 mei, Groningen

Voor het eerst ben ik mijn eigen huiskamer uit gevlucht. De smaak van Wyb en mij komt wonderwel in vrijwel alles overeen. Er zijn twee zaken waar onze interesses diametraal tegenover elkaar staan. Uitgerekend die twee dingen teisteren vanavond de televisie: het Songfestival en Maxima.

Dat die Duncan Laurence twee jaar geleden won, prima. Ik gunde het hem. Wat ik toen van de andere deelnemers hoorde, kon het niet anders of Duncan moest winnen. Maar wat een desastreuze gevolgen heeft zijn overwinning. Vorig jaar het gelul over wel of niet doorgaan. Gered door de bel, dacht ik: het gaat niet door, wat fantastisch! Blijken we het dit jaar opnieuw te moeten organiseren. Ik kan de televisie niet aanzetten of Cornald Maas zit in beeld te glimmen. Wat een ongelooflijke ophef over zo’n bak muzikale shit.

Die Cornald, dat gaat nog wel. Als hij het niet over het Songfestival heeft, lijkt het me best een sympathieke jongen. Maar je weet, als het over muzikale ellende gaat, komen ook Geer en Goor uit hun holen kruipen.
Afgelopen oud en nieuw had ik het volgende voornemen: als de kop van Geer of Goor op het scherm komt, zet ik meteen de televisie uit. Tot nu toe is het me prima gelukt. Het was een voornemen dat me geen enkele moeite kostte. Al heeft het tot gevolg dat ik bijna geen tv meer kan kijken. Die twee vormen een ware plaag.

Tot overmaat van ramp vielen deze weken de twee zaken samen waar de interesses van Wyb en mij volledig uit elkaar lopen. Je kon er op wachten. De waardering voor het koninklijk huis kachelt achteruit en dan is vijftigste verjaardag van Maxima natuurlijk een prima aanleiding om het imago op te poetsen. Zelfs Matthijs van Nieuwkerk, die ik hoog heb, leende zich voor een propaganda interview, zogenaamd onder het mom dat hij alles kon vragen. Waarom stelde hij dan geen vraag over die 1,5 miljoen die haar dochter krijgt vanaf haar achttiende? Het kan niet anders of ook op zijn lippen brandde de vraag: hoe is dat mogelijk? Welke gek heeft dat verzonnen? De televisie stond bol om te vertellen hoe vriendelijk, authentiek, innemend, empathisch en intelligent onze koningin is. Alle zenders leden aan hoge hermelijnkoorts. Een ziekte met het rare symptoom dat de patiënt ongeneerd gaat likken.

Zat ik net een stukje Songfestival te kijken, dat moest wel omdat ik wijn inschonk, komt zelfs bij de tweede halve finale Maxima om de hoek kijken. Eventjes maar, maar zo vriendelijk, authentiek innemend, empatisch en intelligent dat ik meteen een allergische reactie kreeg. Gelukkig heb ik sinds we in Groningen wonen een eigen kamer. In tijden van Songfestival en verjaardagen van Maxima een prima schuilkelder.

Oogpunt 36

Journal

 

Bocht

Woensdag 19 mei, Groningen

 

Bocht

Met graafmachines, drilboren,
pikhouwelen, een kleine schep en
vervolgens een kwast van marterhaar
probeer ik het verleden bloot te leggen.

Ik moet terug naar wat eens was.
Hier ergens liggen de woorden begraven,
verloren terwijl ik uit de bocht vloog,
iets met cijfers, regels en subsidie.

Ik schreef protocollen, veel notulen,
heel veel notulen, en beleidsnota’s
waar sommigen echt in geloofden,
althans, dat zeiden ze met overtuiging.

Ik was een meester in aanvragen van geld,
in het optellen van de winst en het verlies.
Rekenmeester, decision maker, enzovoort
zoals het anderen en de overheid beliefden.

Nu zit ik op mijn knieën. Schraap modder,
aai het zand en stof weg. De contouren
komen te voorschijn van woorden die
ik lang geleden ben verloren in een bocht.

Oogpunt 35

Journal

 

Wilde zalm

Dinsdag 18 mei, Groningen

Eerlijk gezegd zal ik die lockdown best missen. Nou ja, lockdown, er is sowieso weinig van over. Maar het massaal op de rem trappen van maatschappelijke activiteiten, ik vond heerlijk. Zo zag ik gisteren een foto op Facebook dat Wyb en ik een jaar geleden op de Pont du Gard stonden, helemaal alleen. Een wonder, want normaal krioelen hier honderden mensen op en onder de brug.

Het was de tijd dat Frankrijk nog in lockdown was, maar dat we toch al in een straal van honderd kilometer om ons huis mochten reizen. Wyb en ik hebben daar volop gebruik van gemaakt. Dat leverde vaak surrealistische beelden op. Enorme lege parkeerplaatsen bij toeristische steden en dorpen. Wij alleen op de Pont du Gard. Er zijn niet veel mensen die die ervaring kunnen delen.

Vooral het begin van de harde lockdown in Frankrijk vond ik heerlijk. Het maatschappelijk leven kwam totaal tot stilstand. We hadden verplicht huisarrest. Ons normale werk viel volledig weg. We hadden de totale rust. We zaten op onze prachtige veranda naar de tuin en de lucht te staren waar tientallen zwaluwen gewoon doorgingen met hun jachtige werkzaamheden. Een boek bij de hand, later in de middag een glas wijn. Het geld stroomde weg, toch genoten we.

Goed beschouwd heb ik de perfecte overgang naar mijn pensionering gehad. Niet alleen ik, iedereen moest in de ruststand. Wat een fantastische solidariteit. Ik heb jaren gehad dat ik drie, vier keer per week van Dwingeloo naar Amsterdam reisde, of naar Rotterdam. Allemaal voorbij. Geen spanning meer of we een project financieel rond krijgen, of er wel genoeg publiek komt. De enige spanning die ik vandaag heb meegemaakt was dat de wilde zalm op de Groningen markt totaal was uitverkocht. Hoe kwam ik nou aan wilde zalm? Een telefoontje met Wyb en het bleek dat ik helemaal geen wilde zalm hoefde te halen. Gewone zalm is ook goed. Daar ging mijn uitdaging. Om mijzelf te belonen nam ik een broodje haring. Het leven is mooi.

Om mij heen zie ik steeds meer drukte. De enige die dadelijk nog in ruststand staat ben ik, samen met wat vergrijsde vrienden. Ik heb geen enkel bezwaar tegen die ruststand, ik hoop dat ik hem kan handhaven. Een nieuw avontuur doemt op. Half juni reizen wij af naar Zuid-Frankrijk waar Wyb voor een maand een buitengewoon sjieke trouwlocatie gaat runnen. Ik heb gezegd dat ik erg aan mijn status van pensionado hang, dat ik niet meedoe. Ik zal die status met hand en tand verdedigen, maar sta er niet voor in dat dit lukt.

Oogpunt 34

Journal

 

Ouwe-jongens-krentenbrood

Maandag 17 mei, Groningen

Ik heb een paar vrienden waarvan ik er vijftig jaar geleden van overtuigd was dat ze mijn hele leven mijn vrienden zouden blijven. Als enig kind heb je dan het idee dat je een broer hebt gevonden. Maar de tijd is een serpent, de tijd speelt alles uiteen. Zelfs vriendschappen.

Al moet je met die mening prudent omgaan. Ik heb ook vrienden die ik jaren niet heb gezien, als we elkaar dan zien, dan is het als van ouds, dan is het ouwe-jongens-krentenbrood. Dat neemt niet weg dat sommige goede vrienden toch gewoon van je wegdrijven. Er vinden verhuizingen plaats, mensen krijgen drukke banen, verliezen elkaar, soms tergend langzaam, uit het oog. Of mensen gaan scheiden, vaak een reden dat er kampen ontstaan en wie in een bepaald kamp komt, kijkt wel uit om nog in contact te treden met het andere kamp.

Ik heb eigenlijk maar één keer meegemaakt dat ik echt gebrouilleerd raakte met een goede, nog wel mijn beste vriend. Er was een duidelijk aanwijsbare reden, daar bestond geen misverstand over. Ik was woedend en schreef hem af. Sommige streken moeten vrienden onderling niet met elkaar flikken.
Na jaren nam die ex-vriend weer contact op. Of we toch niet eens met elkaar een kop koffie konden drinken. Wat ik nobel vond. Zoals ik het ook nobel van mijzelf vond dat ik daar in toestemde. Een dergelijke toenaderingspoging getuigt toch ook wel weer van vriendschap. Het kopje koffie werkte helend.

Tot zover de nuance. Maar er zijn ook vrienden die de boel echt laten versloffen. Als ik tien keer contact met iemand opneem en vijf keer op bezoek ga en het intitiatief nooit van de andere kant komt, dan denk ik op een gegeven moment: oké, dan niet. Vriendschap, evenals liefde en loyaliteit, moet altijd van twee kanten komen.

Uit voorgaande ontstaat misschien de indruk dat ik een leger van vrienden heb. Dat is zeker niet het geval. Ik heb een leger aan mensen die ik ken, een peletonnetje mensen die ik mijn kennis kan noemen en ik heb slechts een zeer kleine elite-eenheid die ik mijn vrienden durf te noemen. Van die elite-eenheid kan ik twee vrienden noemen die langzaam zijn weggedreven in de maalstroom van de tijd door eenzijdige loyaliteit. Wat vermoedelijk niet eens wegneemt dat, mochten we elkaar toevallig tegenkomen, het weer als vanouds is.

Rare uitdrukking eigenlijk, ouwe-jongens-krentenbrood. Toch even googelen. En ik lees: ‘Ouwe-jongens-krentenbrood -sfeer van kameraadschap; alles dik in orde. Deze informele uitdrukking komt al in het begin van de jaren zeventig voor, maar werd pas een goed decennium later echt populair. Wellicht is ze ontstaan in soldatenkringen.’

Zie nou wel: uitdrukking komt al in het begin van de jaren zeventig voor. Ik ben zo beïnvloed door die jaren. Ik zal de uitdrukking eens tegen mijn kinderen bezigen. Ik durf te wedden dat ze weer in lachen uitbarsten en zich afvragen waar ik al die gekke uitdrukkingen toch vandaan haal.

Oogpunt 33

Journal

 

Malutjepetoetje

Zondag 16 mei, Groningen

Een van mijn favoriete musea is FOAM in Amsterdam, een museum voor fotografie. In de nieuwsbrief die ik regelmatig van het museum krijg, staat dat exposerende fotografen in FOAM voortaan op TikTok gaan praten over hun werk. Interessant. Maar ik heb geen TikTok en besluit daarom de app te downloaden.

Tijdens het downloaden realiseer ik mij dat Malu, mijn kleindochter, een fanatiek gebruikster van TikTok is. Ooit stuurde ze mij een link naar haar account. Ergens in haar appjes vind ik het terug. Haar gebruikersnaam is malutjepetoetje. Ik vind haar al snel en zie dat ze inmiddels een carrière op dit medium heeft.

Ik kijk naar de filmpjes die ze heeft gemaakt en zie haar met bijna professionele moves op het scherm dansen. Aan creativiteit geen gebrek, zo te zien vindt ze altijd nieuwe invalshoeken. Zo zie ik haar vertraagd met de trouwjurk van haar moeder in slowmotion op de trampoline springen, ik zie haar door haar straat op Ameland dansen en de meest gekke playbacken doen.

Het is niet onopgemerkt gebleven. Ze heeft inmiddels 5897 volgers. In totaal heeft ze 24.700 likes gehad. Op haar TikTok staan tientallen, zo niet meer, filmpjes. Haar laatste filmpje werd door 529 mensen bekeken, haar een na laatste door 699. De daaropvolgende filmpjes door respectievelijk 540, 862 en 892. Voor een meisje van elf geen gek resultaat, vind ik.

Zo zijn grootvader en kleindochter beide actief op social media. De generatiekloof wordt niet beter geïllustreerd. Kleindochter leeft op social media een swingend, onbevangen leven vol gekke invallen. De grootvader schrijft elke dag zijn blogjes en zet op zijn blog vaak onbegrijpelijke foto’s. Hij is jaloers op de vrolijkheid van zijn kleindochter. Wat zou hij ook graag jong zijn en zijn TikTok vullen met vrolijkheid en gekkigheid en weten dat er nog een leven voor je ligt.

Malu wil later graag in het theater gaan werken, zegt ze al jaren. De laatste keer dat ik ernaar vroeg, liet ze me weten dat ze wel iets in het theater wilde doen, maar toch vooral beroemd wilde worden. Een begrijpelijke wens en ik zie dat ze er hard aan werkt. Met verve, lef en enige brutaliteit probeert ze haar talenten uit.

Haar grootvader schrijft ’s avonds zijn blogje. Hij heeft geen hele grote wensen meer voor de toekomst. Hij hoopt dat hij zijn kleindochter nog lang mag volgen. Nu TikTok op zijn iPhone staat, zal hij regelmatig naar het account van zijn kleindochter kijken en het betreuren dat er geen eeuwige jeugd bestaat.

Oogpunt 32

Journal

 

De laatste lezer

Zaterdag 15 mei, ’t Haantje

Oogpunt 31

Journal

 

Het gazon

Vrijdag 14 mei, ’t Haantje

Wyb en ik wandelen van ’t Haantje naar Noord-Sleen. Nee, niet het voormalige legendarische café ’t Haantje in Nijmegen. ’t Haantje is een plaatsje in Drenthe, ergens in de buurt van Emmen en Coevorden. We staan daar met de camperbus op een gelijknamige camping die veel te druk is. Wat we steeds probeerden te vermijden, zo’n ghetto-camperplaats, zijn wij nu op beland. We staan ingeklemd tussen twee andere campers, een klein strookje van drie meter hebben we voor onszelf.

De wandeling naar Noord-Sleen is buitengewoon saai. We lopen langs een weg die best druk is, waardoor Dies niet los kan lopen. Langs de hele weg staan huizen, eigenlijk lopen we door een soort lintdorp. Ik hou niet van lintdorpen omdat je er geen rondjes kunt lopen. Ik ben gek op rondjes lopen, overal waar ik heb gewoond vond ik met mijn hond altijd wel een rondje om die dagelijks meerdere keren gedachteloos te lopen.

Op een gegeven moment valt het mij op: vrijwel in elke tuin zijn mensen aan het werk. De meesten zijn druk bezig met hun gazon. Op hun motormaaiers korten ze het gras tot biljartlaken, anderen lopen met een spuit rond het gazon het onkruid te bestrijden. Weer anderen steken het gras aan de randen strak af.

En dan weet ik het. Er wordt in Nederland wat geouwehoerd over identiteit. Maar het symbool van de Nederlandse identiteit is het gazon. Waar anders dan in Nederland heb je gazons? In Frankrijk moeten ze erom lachen. Zoveel energie in zoiets fantasieloos als een gazon steken. Besteed je tijd liever aan lekker eten of mooie wijnen. De meeste Franse tuinen zijn dan ook redelijk verwaarloosd. In Hippolyte was één huis met een groot gazon en dat was van Nederlanders.

Het gazon laat perfect zien wie Nederlanders zijn. Waag het niet je kop echt boven het maaiveld uit te steken. Alles wat afwijkt van normaal, wordt met achterdocht bezien en vaak verwijderd. Diversiteit? Misschien in de grote steden, maar niet in mijn back yard.
Het hebben en onderhouden van een gazon is een calvinistische manier van tuinieren. Strengheid en eenvoud troef. Het gaat er niet om of het mooi is, het gaat erom of het voor het oog netjes is. Als je maar hard genoeg aan een gazon werkt, is het voor het oog netjes. Bloemen en struiken zijn overzichtelijk en met mate gegroepeerd in borders, ze zouden het keurige, strakke beeld van het gazon eens verstoren.

Een gazon is vermoedelijk ook onbewust het bewijs voor je buurman dat je hard werkt, dat je een ijverig man bent. Zie een gazon maar eens tot gazon te houden. Wat een werk, al dat maaien, al dat spuiten en randjes afsteken.
Alles wat afwijkt, heet onkruid en dient verdelgd. Gras is goed; onkruid is fout. Het kaf moet van het koren gescheiden. Het gazon is de spiegel waar de Nederlander zich in spiegelt. Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg. Hou het simpel, maak het niet te ingewikkeld. Het gazon is zoals de gereformeerde god van Nederland het leven heeft bedoeld. Strenge toewijding, heldere regels, geen malle fratsen, streng kader. Als ik zo door het Drentse land loop, bedenk ik dat de Nederlander de slaaf is van de sultan die gazon heet.

Oogpunt 30

Journal

 

Roedel

Donderdag 13 mei, ’t Haantje

In de Volkskrant van afgelopen dinsdag schrijft ene Mirjam Janssen, historicus en journalist, dat dierenliefhebbers geen huisdier moeten nemen. Ze schrijft: ‘Hoe je het ook wendt of keert: huisdieren zijn gevangenen. Zelfs als ze intens worden liefgehad, blijft de verhouding vergelijkbaar met die van een sultan tot zijn favoriete slavin. En tedere dictatuur. Welk mens zou voor zo’n lot kiezen?’

In een volgende alinea schrijft ze: ‘Toch worden intelligente, gevoelige wezens gedwongen tot levenslange verveling. Wellicht lijden ze er minder onder omdat ze door generaties opsluiting en fokkerij zijn afgestompt.’ En zo gaat het nog even door.

Mocht ik meegaan met haar redenering, dan ben ik mijn hele leven slavenhouder geweest, in totaal heb ik dan zo’n vijf slaven gehad. Maar natuurlijk ga ik niet mee in haar redenering. Mirjam Janssen, historicus en journalist, is vermoedelijk erg woke en voor wie woke is ligt alles gevoelig en wordt alles geïnterpreteerd in termen van macht en onderdrukking. Bij veel onderwerpen volkomen terecht, maar soms slaat het door, Mirjam slaat door.

Eerlijk gezegd zie ik onze hond Dies als een geliefd lid van onze familie. Het fijne is dat wij met elkaar kunnen praten en elkaar volkomen begrijpen. Ik versta zijn taal en hij verstaat mijn taal. Ik begrijp hem beter dan menig menselijk familielid. Ik hou ook meer van hem dan van menig familielid, ik noem geen namen, maar het is wel een feit. Gelukkig leeft Dies nog, kunnen we onze liefde met elkaar delen. Om mijn overleden honden heb ik meer gerouwd dan om menig familielid van mij waarvan ik een rouwkaart kreeg.

Vermenselijk ik Dies? In bepaalde opzichten wel, zoals hij mij honds maakt. Dies gedraagt zich in vele opzichten als een mens. Hij is jaloers, hij mist me als ik weg ben (ik hem ook), we zijn ontzettend blij als we elkaar weer zien, hij is ondeugend, daagt me uit, troost me, toont me zijn liefde, weet als ik verdriet heb. Mijn relatie met Dies is van een enorme rijkdom en diepte. Ik vind bijna dat die Mirjam Janssen, historicus en journalist, mijn waardevolle en rijke relatie met Dies beledigt door die plat te slaan met de metafoor sultan, slaaf.

Zeker, ik bepaal voor een groot deel hoe de dag van Dies eruit ziet. Dies weet dat hij onderdeel is van de familie, door hem roedel genoemd. Voor hem leven wij in een roedel, zoals zijn voorouders, de wolven, nog steeds in roedels leven. In onze roedel weet Dies dat Wyb en ik de baas zijn. In zijn taal heet dat geen sultan maar alfa.

Dies vindt het helemaal niet erg om onder in de rangorde van onze roedel te staan. Hij weet dat hij op tijd van ons water, voedsel en liefde krijgt en hij is daar ongelooflijk blij en content mee. Hoe ik dat weet. Moet je eens zien als Wyb of ik thuiskomt, zijn staart kwispelt eraf. Voor ons geldt hetzelfde als we een staart zouden hebben. Ondanks dat we verschillend zijn, vormen Dies en ik inmiddels toch een twee-eenheid. Onze talen hebben we op elkaar afgestemd. Sultan en slaaf, Dies en ik hebben er beiden hard om moeten lachten. Die Mirjam Janssen, historicus en en journalist, begrijpt er niets van, zo jammer voor haar.

Dies op een voetstuk.

Oogpunt 29

Journal

 

Bankje 4

Woensdag 12 mei, Groningen

Oogpunt 28

Journal

 

Eendagsvliegen

Dinsdag 11 mei, Groningen

In december 2008 schreef ik mijn eerste blog op een site die Dossiermoddergat heette. De daarop volgende acht jaar schreef ik elke dag een blog. Er waren jaren bij dat ik geen dag heb overgeslagen. Dossiermoddergat zag er toen anders uit dan nu. Pas in 2015 kreeg Dossiermoddergat het gezicht dat het nu heeft.
Voor wie zich afvraagt wat er met die ongeveer 2500 blogs van de eerste zeven jaar is gebeurd. Allemaal weg. Een goede vriend probeerde mijn computer op te schonen en wiste daarmee alle eerder geschreven blogs. Niet erg, want blogs zijn toch maar eendagsvliegen.

In de eerste zeven jaar konden lezers hun reacties achterlaten. Tegenwoordig kan dat niet meer. In die tijd kon ik ook zien hoeveel mensen Dossiermoddergat bekeken en waar ze vandaan kwamen. Ook dat heb ik afgeschaft.
Die lezersreacties vond ik lastig. Soms voelde ik uit beleefdheidsoverwegingen de noodzaak om te reageren. Soms schaamde ik mij voor de flauwe reacties. Ik vond dat ze mij en de lezer van Dossiermoddergat afleidden van de blogs zelf. Ik lees ook nooit lezersreacties onder artikelen in de krant. Die reacties komen meestal uit dezelfde bron als het riool dat Twitter heet.

Ik besloot mij als blogger af te sluiten van mijn lezer. In feite schrijf ik die blogs voor mezelf. Kijken naar kijkcijfers verhoogt de eigendunk of zorgt juist voor een minderwaardigheidscomplex. Ook die kijkcijfers vond ik te veel afleiden. Ik schrijf, de lezer leest en als hij er niets meer aan vindt, moet hij ermee stoppen. Dat doe ik als blogger ook als ik er niets meer aan vind.

Even een advies tussendoor. Wie schrijver wil worden: geen blogs schrijven. Blogs leiden ontzettend af van het werkelijke schrijven. Met het schrijven van een blog heb je het idee dat je hebt geschreven en tevreden leun je achterover. Een blog is echter niet meer dan een zeer kort sprintje, wie een marathon wil lopen moet niet tussendoor sprintjes gaan trekken.

Mijn oom Jan logeerde afgelopen weekend in Paterswolde. Nadat hij van daaruit had geblogd, ontving hij van een lezer de volgende reactie. Zie hier de aanvang van de mail:

‘Dus u was nog nooit in Paterswolde geweest, las ik. Hm!
Laat daar nou toevalligerwijs één van de getrouwe lezers van uw blog wonen.
Op 6 mei miste ik uw blog. En op 7 mei dacht ik: alweer niet? Zou het wel goed met hem gaan? Ja, dat denk je dan.
Totdat ik op 8 mei las dat u en Gade in het Familiehotel hadden overnacht. Nou ja zeg…
Als ik dat geweten had, dan hadden mijn vriendin en ik gemakkelijk even naar het hotel toe kunnen lopen want dat staat op een steenworp afstand van ons huis.
Dan had ik Jan en Connie verteld dat ik elke avond, vaste prik voordat ik ga slapen, zijn blog lees op mijn iPad. En dat ik dat al jaren doe. Het is een ontspannen onderdeel van mijn dagelijkse ritme.’

En zo gaat de vriendelijke mail nog even door.

Op het einde van het mailtje schrijft de meneer uit Paterswolde nog het volgende:
‘Aansluitend op uw blog, lees ik ook altijd Dossiermoddergat. Van uw neef. Doe ik ook al jaren. Evenzeer de moeite waard.
Zo, nu weet u in ieder geval dat er in Paterswolde iemand woont die uw blogberichten op waarde weet te schatten.
Dat laatste had ik u altijd al eens willen laten weten. Nu was er een mooie aanleiding.’

Het is voor mij het eerste teken sinds zes jaar dat buiten mijn vriendenkring iemand mijn blogs leest. Ik weet nu dat er drie mensen zeker mijn blogs lezen: ‘Wyb, Jan en de meneer uit Paterswolde.’

Oogpunt 27

Journal

 

Korte broek

Maandag 10 mei, Groningen

Sinds wij in maart 2019 naar Frankrijk vertrokken, moet er iets gebeurd zijn met Nederland. Wij wonen nu alweer acht maanden in Groningen en in die acht maanden is het ongelooflijk beroerd weer. Elke dag regen, elke dag gure wind. En iemand heeft het licht gedimd. Ik kan me niet herinneren dat er vóór 2019 zo’n somber, smoezelig licht was. Het lijkt of iemand modder op het peertje heeft gesmeerd.

Het is oneerlijk om Nederland met Zuid-Frankrijk te vergelijken. Maar als je daar een tijdje hebt gewoond, doe je het toch. Ook daar kon het verrekte slechte weer zijn. We hadden daar te maken met zogenaamde episodes cevenolles. Voor zo’n episode werden we zelfs gewaarschuwd door de verzekering. In de dagen van zo’n episode viel de regen recht in bakken naar beneden. Het water van de daken viel als een watergordijn op straat. Straten veranderden in beken. De rivieren die door het dorp liepen vermenigvuldigden zich. Om het helemaal sinister te maken, stak er vaak een storm op. Op zulke dagen leek het of we in de tropen woonden in de moessontijd.

Een episode cevenolle duurde twee, drie dagen en dan brak de zon door en keken we weer tegen een strak blauwe hemel aan en konden we genieten van heldere licht. Twee, drie dagen is heel wat anders dan acht maanden somber weer.

Hier in Nederland worden we ook getart met het weer. Zo kondigde de weerman voor gisteren eindelijk zon en warmte aan. ’s Ochtends deden we de rolgordijnen omhoog: opnieuw is het morsig weer, het miezert, geen zon te bekennen. Tegen twaalf uur rijden we naar Kollum. Tijdens dat tochtje breekt de zon door en lijkt het na acht maanden zowaar of we weer in Saint-Hippolyte-du-Fort wonen. Eindelijk licht en warmte.

Wyb had al gezegd dat ik mijn korte broek moest meenemen. Anneke woont namelijk aan het water, als het even kan zitten we daar buiten. Nu kon het heel goed, er hing zelfs een broeierige warmte. Voor het eerst sinds meer dan een half jaar trok ik mijn korte broek aan. Ik ben een echte korte broek loper. We zitten aan het water en het is oprecht meer dan behaaglijk.

En dan begint het sarren weer. Zo tegen half vier betrekt de lucht. Er steekt een koude wind op, de eerste druppels vallen, we vluchten naar binnen. Waarom worden wij door dat klote weer zo geteisterd? Aan wat of wie hebben we dat te danken? Het zal vast de schuld van Rutte zijn of misschien een straf van een hoger wezen. In ieder geval wakkert al dat rotweer het verlangen naar Zuid-Frankrijk enorm aan. Daar liep ik altijd in korte broek. Het is ook niet gek dat zoveel Nederlanders verzuurde zeurpieten zijn, je zult maar altijd in dat sombere weer moeten leven.

Oogpunt 26

Journal

 

Het Nijmegengevoel

Zondag 9 mei, Groningen

Als Jan en Connie bij ons op bezoek zijn, krijg ik Het Nijmegengevoel van ze cadeau, een boek met als ondertitel, Een naoorlogse stadsgeschiedenis. Ik ben er blij mee, want ondanks dat ik al veertig jaar (veertig jaar!) niet meer in Nijmegen woon, beschouw ik me nog altijd als Nijmegenaar, ik heb er niet voor niets tot mijn 27ste gewoond.

Er was een tijd dat ik, als ik door een straat in het centrum liep, zeker twee bekenden tegenkwam. Zo rond mijn twintigste had ik nooit verwacht ooit Nijmegen te verlaten. Dat klinkt allemaal sentimenteler dan het is, want ik was verrekte blij toen Lies en ik naar Groningen verhuisden. Ik had helemaal genoeg van Nijmegen. Dat kwam vooral omdat we werden opgeslokt door sociale contacten. We hadden altijd bezoek, ik werd er gek van. Andere reden was dat ik het wel gezien had in Nijmegen, de stad kende geen geheimen meer voor me. Ik groeide als het ware uit de stad waar ik was geboren, had gestudeerd en gewerkt.

Ik verlangde ook nooit terug naar de stad. Het kwam niet in mij op om daar weer te gaan wonen. Ik vond het wel altijd fijn om er weer te zijn, mijn moeder te bezoeken, met mijn familie de paastocht te lopen. Een keer maakte ik soort sentimental journey door Nijmegen, liep ik door de buurten waar ik was opgegroeid, een vervreemdende ervaring. Alles was hetzelfde gebleven, behalve ikzelf.

Een paar weken geleden stonden we op een camping in Berg en Dal en bezochten onder andere Jan en Connie. Wyb en ik reden op de fiets door Nijmegen en voor het eerst kreeg ik het gevoel dat ik er wel weer wilde wonen. Ik schreef daar volgens mij iets over in Dossiermoddergat.
Als Jan en Connie bij ons komen krijg ik Het Nijmegengevoel overhandigd met de woorden: ‘Je zult er wel blij mee zijn, want je schrijft de laatste tijd zoveel over Nijmegen. Het is duidelijk dat je ernaar terugverlangt.’

Volgens mij is dat aantoonbaar niet juist, schreef ik maar één keer over Nijmegen. Maar Jan, als diepgewortelde Nijmegenaar, als bard die het definitieve Nijmegen gedicht heeft geschreven, wil graag dat een verloren zoon van de stad terugkeert in de moederschoot.

Ik ben Het Nijmegengevoel nu aan het lezen. Er staan beschouwende artikelen over de stad in. Verder worden er 44 mensen geïnterviewd over Nijmegen, waaronder Jan. Met het lezen besef ik dat ik inderdaad een echte Nijmegenaar ben. De verhalen die verteld worden, ik ken ze vrijwel allemaal.

Ik ken de verhalen niet alleen, ze zijn me verwant, ze horen bij me. In welke zin? Zo lees ik het verhaal over de plek waar nu de HEMA staat. Het gebouw dat er voor de oorlog stond is weggebombardeerd en wat er restte was een wond, zoals Nijmegen zoveel wonden na de oorlog kende. Ik ben opgegroeid met die wonden, in mijn jeugd liep ik door een zwaar geschonden stad.

Door een erfscheidingskwestie duurde het heel lang voordat de HEMA daar uiteindelijk gebouwd kon worden. In mijn jeugd heb ik het gat van de HEMA nog gezien. Daarna zag ik de HEMA gebouwd worden. Het gekke is: nog steeds als ik over de Grote Markt loop, denk ik aan de bouwput van de HEMA. In de Vroom & Dreesmann die er naast lag, leerde ik het genot van de horeca kennen. In de glanzende lunchroom van die winkel nam mijn oma mij altijd na het winkelen mee voor een ijsje.

Oogpunt 25

Journal

 

Kompas

Zaterdag 8 mei, Groningen

Ik lees momenteel een boek van Valeria Luiselli, de titel: Archief van Verloren Kinderen. Op de achterflap lees ik: Archief van Verloren Kinderen is een avonturenroman, een felrealistisch sprookje en een aanklacht ineen; een mustread voor iedereen die ok maar iets meer van deze tijd probeert te begrijpen.

Die laatste zin triggert mij. Want sinds anderhalf, twee jaar heb ik het idee dat ik onze tijd niet echt meer begrijp. Er is iets gebeurd waardoor ik met veel meer onzekerheid blogs schrijf dan vroeger. Ik denk dat het met Trump heeft te maken, die goochelden met leugens. Het heeft met figuren als Baudet te maken, die schijnt terug te verlangen naar bruine tijden. Het heeft met onze kwetsbare democratie te maken die ervoor zorgt dat alles wat met uitvoering heeft te maken fout gaat, vastloopt in bureaucratie. Het heeft met de doem te maken waarmee wij omgaan met onze aarde. Het heeft met onze culturele leven te maken waarin geen middelpunt vliedende kracht meer is. Of zoek ik het te veel buiten mijzelf? Heeft het gewoon met mijn ouder worden te maken? Mijn leven dat drastisch is veranderd: van druk, druk, druk naar rust. Waardoor het ook komt, er is onbestemdheid, het kompas is de richting kwijt.

In Archief voor Verloren Kinderen lees ik de volgende passage. Het gezin reist in een auto door Amerika. Het zoontje van tien vraagt aan zijn moeder: ‘Wat betekent het nou, mam, om dingen te documenteren?’
Dan volgt deze passage:

‘Documenteren betekent gewoon dat je het heden vastlegt voor het nageslacht.’
‘Hoe bedoel je, nageslacht?’
‘Ik bedoel – voor later.’
Ik weet alleen niet goed wat ‘voor later’ nu nog voor betekenis heeft. Er is iets veranderd in de wereld. Er is iets veranderd, niet zo heel lang geleden, en we weten het. We weten nog niet hoe we het moeten duiden, maar volgens mij voelen we het allemaal, in onze onderbuik of in onze neurale netwerken. We ervaren de tijd anders. Niemand heeft helemaal kunnen bevatten wat er speelt, of kunnen zeggen waarom. Misschien ervaren we gewoon een afwezigheid van toekomst, omdat het heden te overweldigend is geworden, en de toekomst daarmee onvoorstelbaar. En zonder toekomst lijkt tijd een accumulatie. Een accumulatie van maanden, dagen, natuurrampen, televisieseries, terroristische aanvallen, echtscheidingen, massamigratie, verjaardagen, foto’s, zonsopgangen. We zijn nog niet in staat de precieze manier te doorgronden waarop we de tijd nu ervaren. En misschien is de frustratie van de jongen, die niet weet wat hij moet fotograferen, of hoe hij die dingen die hij ziet moet kadreren en scherpstellen, terwijl we met z’n allen in de auto door dit merkwaardige, prachtige, donkere land rijden, eenvoudigweg een teken dat onze manieren om de wereld te documenteren niet langer volstaan. Als we een nieuwe manier zouden weten te vinden om de dingen vast te leggen, zouden we misschien langzaam iets gaan begrijpen van deze nieuwe manier waarop we ruimte en tijd ervaren.’

Ik ben niet de enige die worstelt met een nieuwe tijd. Valeria Luiselli formuleert het voor me, ik had de tekst kunnen schrijven.

Oogpunt 24

Journal

 

Monument

Vrijdag 7 mei, Groningen

Zevenentwintig jaar geleden stonden Kees en Annemiek met een tent op een boerencamping in Frankrijk, iets boven de Drôme. Hun dochter, Renuka, was één jaar oud. Als ze gingen wandelen, droegen ze haar op de rug en viel dan diep in slaap.
Misschien kwam het hierdoor dat ze ’s nachts slecht sliep. Op een nacht huilde ze de hele nacht door. Ik weet precies hoe je je dan als ouder voelt. Je voelt je ontzettend schuldig ten opzichte van al die mede kampeerders. Je denkt dat het huilen van je kind iedereen wakker houdt.

De volgende dag bieden Kees en Annemiek hun directe buren excuses aan voor het huilen.
‘Sorry, maar ze was zo verdrietig, we kregen haar niet stil,’ zoiets zullen ze gezegd hebben.
‘Och, hindert niet, we hebben er echt geen last van gehad. We zijn wel even wakker geweest maar toen dachten we, wat heerlijk dat wij ons geen zorgen hoeven te maken over dat verdriet,’ antwoordden hun buren.

De buurman vroeg waar hun dochter vandaan kwam. Dat vroeg hij omdat Renuka donker is, een andere kleur heeft dan haar ouders.
‘Sri Lanka,’ antwoordden ze.
‘Oh, wat leuk. Mijn neef heeft met zijn vrouw ook twee kinderen uit Sri Lanka geadopteerd,’ zei de buurman.
‘Hoe heten uw neef en zijn vrouw dan?’
‘Gerard en Lies, ze wonen in Leeuwarden.’ De buren van Kees en Annemiek waren namelijk Jan en Connie.
‘Wat grappig, ze zijn goede vrienden van ons. Wij wonen in Groningen, waar zij ook hebben gewoond. Zij hebben ons als eerste eigenlijk iets verteld over adoptie.’

Zo ontmoetten vier mensen, waar ik mij nauw mee verwant voel, elkaar bij toeval op een Franse camping in the middle of nowhere. Als beide vriendenparen thuis zijn, krijg ik het verhaal van twee kanten te horen. Het is altijd in mijn hoofd blijven hangen.

Vandaag zijn Jan en Connie bij ons op bezoek. Tijdens de lunch herinner ik ze aan het verhaal. Dat doe ik omdat wij sinds 1 november boven Kees en Annemiek wonen. Toch een mooi toeval dat zij na zevenentwintig jaar nu samen in één huis zitten.
Maar als ik het verhaal vertel, blijken Jan en Connie zich niets van het voorval te herinneren. Ik ben verbaasd, zou ik me dan vergissen? Als ik het me goed herinner, hebben Jan en Connie het mij ook ooit zelf verteld.

Om zekerheid te krijgen, ga ik naar beneden, naar Kees en Annemiek en vertel hen wat me is overkomen. Ik verifieer bij hen of het verhaal echt is gebeurd. Dat blijkt gelukkig het geval te zijn. Ik vraag of ze misschien even mee naar boven willen komen en hun oude campingburen willen ontmoeten.

Eenmaal boven frissen Kees en Annemiek het geheugen van Jan en Connie op. Die herinneren zich inderdaad allerlei details van de camping, zoals een oude boer die op Nikes liep, het lekkere koken van de campingeigenaresse. Maar de ontmoeting, die ik al zevenentwintig jaar zo frappant vind, daagt bij hen niet echt.
Geheugen, het is een wankel iets, soms herinneren anderen zich zaken waarin jij toch een hoofdrol speelde. Nog niet zo lang geleden overkwam mij hetzelfde. De geschiedenis is een gammel monument, schreef ik ooit eens.

Oogpunt 23

Journal

 

Oogpunt 22

Donderdag 6 mei, Groningen

Journal

 

Senryū

Woensdag 5 mei, Groningen

Toch nog even door over die haiku’s. Er is een ander soort Japans gedicht dat nauw met de haiku is verwant. Dat is de senryū. De senryū heeft dezelfde vorm als de haiku, alleen staan ze inhoudelijk diametraal tegenover elkaar.
In een haiku staat meestal een natuurbeleving centraal, een haiku is etherisch, een haiku is de dichtkunst van de zen. Het heeft iets ijls en verhevens. De schoonheid, het bijzondere staat centraal. Ik citeer J. van Tooren: ‘Haiku is zen-poëzie; ondanks haar lichte allure, kan soms door een plotselinge, bevrijdende ervaring van eenheid met het wezen der dingen -satori- worden opgeroepen.’

De senryiū is het inhoudelijke tegendeel van de haiku. De senryū-poëzie is de reactie van het Japanse volk op de haiku. Het is grappig, anarchistisch, volks, platvloers. Haiku is van de filosofen en de dichters, senryū is van de cabaretiers, de satirici, de cynici.
Voor wie senryū wil lezen is er de bundel De Waterwilgen, samengesteld en voorzien van een inleiding door J. van Tooren. Vermoedelijk is de bundel alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Op de achterflap lees ik: ‘In de senryū zien we de mens in zijn dagelijkse doen en laten; fijn gevoeld en scherp gezien, en meestal van de komische kant bekeken, hoewel soms ook bitter en navrant. Deze verzen ontstonden op vrolijke bijeenkomsten in theehuizen en herbergen.’

Enkele voorbeelden:

‘Sluit het huis goed af
voor het slapengaan!’ herhaalt hij,
en gaat inbreken.

 

Zijn dode gezicht;
nu voor het eerst gelijkt hij op
een menselijk wezen.

 

Aldoor maar schreiend
verzamelt ze de as en
zoekt de gouden tand.

 

De wind van de herfst
heb ik gehoord door het gat
in mijn financiën.

 

In mijn bescheiden dichterscarrière heb ik maar één keer een senryū geschreven. Die gaat zo:

De spin is verbluft.
Plotseling wiegt in zijn web
een Marlboro peuk.

Oogpunt 21

Journal

 

Kreupelhout

Dinsdag 4 mei, Groningen

Een haiku is een dichtvorm afkomstig uit Japan. Het is een gedicht van drie regels. De eerste regel heeft vijf lettergrepen, de tweede zeven, de derde weer vijf. Het onderwerp van een haiku is vaak een natuurbeleving. Ook het landelijke en huiselijke leven kan onderwerp zijn.

Een van de beroemdste haiku’s is geschreven door de Japanse haiku-meester Matsuo Basho, hij leefde van 1644 tot 1694. Het gaat zo:

Oh, oude vijver,
een kikker springt van de kant,
geluid van water.

 

Een andere haiku van Basho:

op een dorre tak
is een kraai nog blijven zitten
in de herfstavond

 

Een paar dagen geleden zat ik op de kade van het Lage der Aa toen er zomaar een haiku in mijn hoofd kwam, zie een paar blogs geleden. Wie meer haiku’s wil lezen, raad ik het boek van J. van Toooren aan. De titel: Haiku, Een jonge maan. Het is in 1983 uitgegeven en sinds die tijd heb ik het al. Ik hou van de haiku door zijn eenvoud, zijn sfeer, de lange traditie, de ingetogenheid, de liefde die er uitspreekt voor de natuur en de kleine, vaak ogenschijnlijk onbetekenende dingen die beschreven worden.

Afgelopen zondag kwam er ook weer een haiku in mij op. Niet gek, want we reden naar Slochteren door het uitgestrekte Groninger land waar een mens zich al snel klein voelt en behoefte heeft aan beschutting. Ik heb er wel mee geworsteld. De haiku die het eerst in mij opkwam ging zo:

Donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten,
ver weg een schuilplaats.

 

Ik vond het woord schuilplaats eigenlijk te hard. Al gaf het goed weer wat ik wilde zeggen. Maar ik vind het woord schuilplaats ook te expliciet. Vervolgens schreef ik het zo:

Donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten,
ver weg een bosje.

 

Maar bosje vond ik een slap woord. Het lag ook te ver af van wat ik eigenlijk wilde zeggen. Dit werd de definitieve versie:

donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten
ver weg kreupelhout

 

Het woord kreupelhout vind ik prachtig, is geheimzinnig en ik vind het een goed synoniem voor schuilplaats, minder concreet, geheimzinniger. Ook in kreupelhout kun je goed schuilen.

 

Oogpunt 20

Journal

 

Stoelendans

Maandag 3 mei, Groningen

Wyb en ik rijden naar Zuidhorn voor mijn eerste Covid vaccinatie. Doel is een oud zalencomplex in Zuidhorn, Balk geheten. De vader en moeder van Wyb hebben hier nog hun 25-jarige bruiloft gevierd. Op een enorme parkeerplaats staan twee verkeersregelaars de weinige auto’s op een keurige rij te delegeren. Wyb maakt een foto van me voor het zalencomplex. Historische momenten dienen nu eenmaal vastgelegd.

Een verkeersregelaar komt naar ons toe om te vragen of we zeker weten dat er verder niemand op de foto staat. Wyb en ik schieten in de lach. Ook hij moet toch zien dat er verder geen mens op de parkeerplaats is.
‘De GGD, hè,’ zegt hij vergoelijkend. ‘Die zijn erg streng.’
Vermoedelijk handelt hij keurig volgens protocol. Iemand maakt een foto: meteen checken of er niemand anders op staat, ook al is er overduidelijk verder niemand te zien.

De ene na de andere beveiliger wijst mij welke richting ik op moet lopen. Hier wordt niets aan het toeval overgelaten. Ik ben iets te vroeg, maar een meisje met de afkorting GGD op haar hesje zegt dat ze er blij mee is. Ik sta nog niet te wachten of een stoplicht voor een van de hokjes springt op groen. ‘U mag,’ laat ze me weten.

En zo zit ik dan eindelijk naast iemand die het Comirnaty-vaccin van BioNTech/Pfizer in mij gaat prikken. Ik zou volgens de eerste planning half maart aan de beurt zijn. Het is nu 2 mei. Ik heb er naar uitgekeken. Van de prik voel ik niets. Terwijl ik op televisie vrijwel elke dag wel een keer heb gezien hoe zo’n naald diep de bovenarm ingaat.

Als ik het hokje uitloop, staan er opnieuw een paar beveiligers klaar om mij een wachtruimte te wijzen waar ik nog vijftien minuten moeten zitten om te kijken of ik geen onverwachte allergische reactie krijg. Met een stuk of vijftien generatiegenoten zitten we op veilige afstand van elkaar te wachten op de allergische reactie die niet komt.
‘Als dadelijk iedereen er is, zet ik de muziek aan en begint de stoelendans,’ grapt een beveiliger. Vermoedelijk maakt hij het grapje een paar keer per dag.

Ik neem mijn generatiegenoten op. Wat zijn we oud geworden. In een paar mensen zit nog leven, de meesten hebben zichzelf zo te zien afgeschreven. Een substantieel deel heeft toch met lange haren gedroomd van peace and love en van een leven leiden als in de film Easy Rider. Daar zitten we dan midden zestig gepasseerd te wachten na de eerste stap op weg naar een veilig bestaan.

Eerder die ochtend is me duidelijk geworden dat we ons na die eerste prik niet veilig moeten wanen. Willem, een vriend van ons, in ons huis hangt menig schilderijtje van hem, ligt sinds een paar dagen op de ic in Zwolle. Na zijn eerste prik kreeg hij toch Covid. Inmiddels is hij op de ic in slaap gebracht. Hij is veel in onze gedachte.

Oogpunt 19

Journal

 

Schuilen

Zondag 2 mei, Groningen

 

Dit is een kleine hut, hoog in de bergen.
Wie hier wil wonen moet het ergste vergen.
Met touwen, pikhouweel en zuurstofmasker.
Wie dient te schuilen, kan zich hier verbergen.

 

 

 

Oogpunt 18

Journal

 

Het gemaaide gras

Zaterdag 1 mei, Groningen

De terrassen in Groningen zitten vol, ondanks dat het rotweer is. Nu terrassen het symbool van herwonnen vrijheid is, wil je er natuurlijk ook van genieten. Of je nou in T-shirt of met dikke jas op een terras zit, het maakt iets uit, maar het principe blijft hetzelfde. Aan een tafel zitten met een kop koffie of een biertje op een terras is iets heel anders dan thuis aan een tafel zitten met een kop koffie of een biertje. Op een terras heb je geen last van muren en bij je thuis lopen nooit zoveel mensen langs.

Na een bezoek aan de markt pakken Wyb en ik voor het eerst een terrasje. We zitten op de rand van de kade van het Kleine der A, wat het verlengde is van het Hoge der A. Ik vind het zulke prachtige namen. Als ik nog eens een uitgeverij beging, dan noem ik haar Uitgeverij Het Hoge der A.
We bestellen een thee voor Wyb en een koffie verkeerd voor mij.
‘Waarom krijgen we er geen koekje bij?’ zeg ik tegen Wyb als we de bestelling hebben ontvangen.
‘Weet je dat ik precies hetzelfde dacht,’ zegt Wyb.
Onze levens zijn zo versmolten dat we heel vaak op het hetzelfde moment hetzelfde denken. Ik vind dat een verworvenheid. Je zult maar een relatie hebben waarin je nooit hetzelfde denkt op hetzelfde moment.

‘U heeft de koekjes vergeten,’ zeg ik tegen de vriendelijke serveerster als ze weer langsloopt.
‘Oh, ik zal ze even voor u halen.’
Verderop is de gemeentelijke schoonmaakdienst bezig met het schoonmaken van het Lage der A. Een boot met een grijper haalt de ene na de andere verroeste fiets naar boven.
‘Sorry,’ zegt de vriendelijke serveerster als ze terug komt, ‘maar koekje hebben we in het kader van de Covid-maatregelen afgeschaft.’
Ik haal mijn schouders op. In het kader van veiligheid kun je de gekste dingen verzinnen.

We genieten van ons eerste terrasbezoek, zelfs als het begint te druppelen. Ik staar naar het water van het Lage der A, zie dat er best veel stroming in zit. Zomaar ineens zit er een haiku in mijn hoofd.

het gemaaide gras
drijft langzaam langs ons richting
de grote oceaan

Oogpunt 17

Journal

 

Oogpunt 16

Vrijdag 30 april, Groningen