Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Aangeschoten

Zondag 19 maart, Cadouin

 

In een interview in de Volkskrant met schrijfster Annegreet van Bergen lees ik de volgende passage: ‘In mijn boek vertel ik over een jonge vrouw, begin zestig, van wie de omgeving weet dat ze gaat sterven. De familie besluit om het haar niet te zeggen. Later blijkt dat zij het zelf ook weet, en heeft gedacht: ik ga het maar niet tegen mijn familie zeggen.’

Deze woorden brengen mij meteen terug naar 1971. Mijn vader is zojuist geopereerd aan zijn blaas. Hij is vierenveertig jaar, mijn moeder drieënveertig en ik zeventien. Een dag na de operatie worden mijn moeder en ik uitgenodigd door de behandelend specialist.
Hij vertelt ons dat hij heeft moeten constateren dat mijn vader blaaskanker in een vergevorderd stadium heeft. Hij spreekt het vermoeden uit dat mijn vader nog maar een jaar te leven heeft. En hij legt ons de vraag voor hoe wij op de beste manier met deze wetenschap tegenover mijn vader kunnen omgaan.

‘Wat is het beste voor meneer Tonen? Kunnen we hem vertellen dat hij nog een zeer beperkte levensverwachting heeft of moeten we hem daarover in het ongewisse laten? Wat is beter voor hem? Hoe staan jullie daartegenover?’
Mijn moeder en ik kijken elkaar blijkbaar wanhopig aan.
‘Ik kan me voorstellen dat jullie daar nog nooit over hebben nagedacht. Misschien is het goed als jullie je in het kamertje hiernaast even terugtrekken en het er met elkaar over hebben. Dan kunnen wij in de verdere behandeling, en u in uw communicatie met hem, daar rekening mee houden.’

Mijn moeder en ik trekken ons terug in tranen. Mijn vader nog maar een jaar te leven? Ik kan het me niet voorstellen.
‘Wat vind jij? Moeten we het hem vertellen?’ vraagt mijn moeder na een tijdje.
Ik weet het niet.
Ondanks ons verdriet komt mijn moeder al snel tot de volgende conclusie: ‘Aloys is mentaal niet sterk. Als hij het hoort, stort hij volledig in; dat weet ik zeker. Alle hoop en optimisme zal verdwijnen. Volgens mij moeten we het niet zeggen. Wat vind jij?’
Ik zeg dat ik denk dat mijn moeder gelijk heeft.
Met die conclusie gaan we terug naar de behandelend specialist.

Een maand later zitten we opnieuw bij de specialist, nu samen met mijn vader. De specialist vertelt ons dat hij een operatie wil gaan uitvoeren die nog nooit is uitgevoerd, maar dat hij het toch wil doen om mijn vader beter en langer te laten leven. Ondanks dat de operatie zeker niet risicoloos is. Aldus geschiedde.

Mijn vader heeft nog tien jaar geleefd. Hij stierf op 54-jarige leeftijd aan een hartstilstand. Maar vraag niet hoe hij die tien jaar heeft geleefd. Niet voor niets bestaat de uitdrukking ‘hij is aangeschoten wild.’ Mijn vader was letterlijk aangeschoten wild. Het beste kan ik zijn leven vergelijken met dat van een aangeschoten ree dat gewond en in paniek door het bos rent. Hij knalt in zijn paniek tegen bomen, is wanhopig, soms blijft hij even staan om zijn wonden te likken. Hij heeft geen idee wat hem overkomt, uitgeput rust hij in greppels om daarna weer in blinde paniek verder te rennen, hij kijkt voortdurend schichtig om zich heen, opgejaagd door angst en pijn.

Ik heb nog vaak aan die vraag gedacht: vertel je iemand wel of niet dat hij niet meer operabel is en zijn levensverwachting zeer beperkt? Zelf zou ik het absoluut willen weten. Al was het alleen maar zodat ik mijn maatregelen kon nemen. Ik denk dat er tegenwoordig consensus bestaat dat eerlijkheid de voorkeur heeft. Ik heb ons ‘leugentje om bestwil’, zoals de specialist het formuleerde, altijd een grove leugen gevonden. We hebben het hem nooit verteld, maar hij heeft daar zeker geen baat bij gehad. Het kan bijna niet anders dan dat ook hij wist dat de dood voortdurend nabij was.

Journal d’images

Mijn vader en moeder in betere tijden.

Journal

 

Valleitje

Zaterdag 18 april, Cadouin

 

Ik heb het altijd over ‘onze berg’, maar dat klopt niet helemaal. ‘Onze berg’ is namelijk een deel van een bergrug. Ons perceel is ongeveer vijfenzeventig meter breed en loopt van beneden tot aan de top. Op de top zit een dassenburcht, maar dit terzijde.
Onze rechterbuurvrouw, Jenny, heeft een veel breder deel van de bergrug, ik denk wel zo’n honderdvijftig meter. Ook haar perceel loopt van beneden tot boven.
Onze linkerbuurman is onbekend. De bergrug is daar een wild bos, het is denk ik wel tweehonderdvijftig meter breed. De eigenaar hebben we nooit ontmoet; we hebben geen idee wie het is. Op dit deel van de bergrug staan geen huizen. Als je goed kijkt, zie je wat vervallen bouwsels tussen de bomen door schemeren.

Om het beeld compleet te maken, nog twee opmerkingen. In de eerste plaats dat onze bergrug eigenlijk helemaal geen bergrug is. Het zou preciezer zijn om het een heuvelrug te noemen. Ik vind ‘bergrug’ echter veel romantischer klinken, dus sinds we hier wonen, heb ik het altijd over een bergrug. Het is trouwens best een steile bergrug. Ik meen me dat te kunnen permitteren omdat Nederlanders een heuvel al gauw een berg noemen.
In de tweede plaats is het belangrijk om te weten dat helemaal onderaan de bergrug een smal weggetje loopt: Chemin de la Condamine. Alleen aanwonenden en mensen die bij hen op bezoek gaan, mogen daar gebruik van maken. Het weggetje is één smalle auto breed.

Er staan slechts drie huizen aan de Chemin de la Condamine. Het huis van Jenny, ons huis en tweehonderdvijftig meter verderop het vakantiehuis van een Engels echtpaar. Al vóór hun huis houdt onze bergrug op.
Als je over het weggetje loopt, zie je aan het eind van de bergrug een pad naar links. Ogenschijnlijk is het de toegangsweg tot het huis van het Engelse echtpaar, maar in feite loopt het pad langs hun huis.

Het pad leidt je naar een goed verstopt valleitje, diep het bos in. Ik vind het een intrigerend gebied, vooral omdat het een schuilplek voor het wild is. Zelden komt hier iemand. Hier heerst de stilte. Het bestaat uit lage struiken en wat open plekken.
Dies is hier altijd op zijn hoede. Hij ruikt de zwijnen en wil halverwege het valleitje het liefste omdraaien. Hij heeft er geen zin in om het gevaar op te zoeken. Ik loop graag het gebiedje in, of liever gezegd: sluip graag het gebiedje in. Al diverse keren ben ik hier bijna letterlijk tegen een ree aangelopen. Dat dan van schrik en angst keihard blaffend wegrent. Het is een schel angstig blaffen.

Ik sluip graag door het valleitje. Je hebt het idee dat je midden in de wildernis bent. Links ligt dus onze heuvelrug en rechts loopt het bos langzaam weer omhoog. Wyb en ik zijn daar wel eens doorheen gelopen en kwamen bij een zwijnenpoel uit. Maar het liefst blijf ik aan het eind van het valleitje staan om naar de vogels te luisteren en te kijken of het wild zich laat zien. Vandaag hoorde ik de koekoek en hoog in de lucht zweefden roepende buizerds. Ik noem dit valleitje in mijn hoofd altijd ‘De vallei van de poëzie’. Als je hier staat, weet je dat het leven mysterieus en intens is.

Journal d’images

Journal

 

Single

Donderdag 16 april, Cadouin

 

‘Geer, wanneer ben je weer thuis?’
‘De eenentwintigste of tweeëntwintigste. Hoezo?’
‘Dan moeten we snel weer wat filmpjes opnemen.’
‘Waarover dan? Heb je al een lijstje met ideeën gemaakt?’
‘Over het single zijn, bijvoorbeeld.’
‘Als het over dat onderwerp gaat, heb je niets aan mij, An. Ik ben mijn hele leven nog niet single geweest. Sinds mijn zeventiende heb ik een relatie. Ik vier bijna mijn diamanten jubileum niet-single zijn.’
‘Maar je hebt er toch wel een mening over? Je kunt er toch wel iets over zeggen?’
‘Zeker. Mijn probleem is dat ik overal een mening over heb, dat weet je ook wel.’

Anne ruikt het succes, dat merk ik wel. Op de een of andere manier slaan die achteloze gesprekjes van ons op de bank erg aan op Instagram. Rokus vergeleek ons gisteren al met Snip en Snap, Johnny en Rijk. Ik denk dat het komt omdat de combinatie vader-dochter in de eenvormige influencerswereld bijna niet voorkomt. Wat het helemaal bijzonder maakt in deze schijnwereld, is dat een boomer en een jonge, enthousiaste vrouw in gesprek gaan. En wanneer zie je nou nog een boomer in de digitale wereld? Boomers zijn sowieso een uitstervend ras; ze worden steeds zeldzamer.

Ik denk soms best weleens: was ik maar een tijdje single geweest. Een bandeloos leven, met alle geneugten van dien, en dat voor een paar jaar, had me best iets geleken. Daarvoor in de plaats ben ik altijd een keurige man geweest. Nooit naar de hoeren geweest — hoe duf kun je het hebben —, nooit eens lazarus thuiskomen, kotsend boven de wc, nooit eens stiekem een affaire hebben. Uitgezonderd één keer dan, en dat werd meteen een regime change om in termen van Trump te spreken. Het bleek een gouden deal, dat wel.

Dat ik helemaal niet voor single in de wieg ben gelegd, blijkt deze dagen. Wyb heb ik maandag naar het vliegveld van Bergerac gebracht. Vrijdag vliegt ze weer terug en heeft dan drie dagen gewerkt. Het gevolg is dat ik drie dagen alleen hier op onze berg zit. Inmiddels ben ik daar redelijk in getraind. Maar god, ik vind het zo veel leuker met z’n tweeën.

Ik merk op zulke dagen bovendien dat ik heel slecht alleen kan slapen. Het is zo koud, alleen, vooral omdat de nachten hier best fris zijn. Maar sowieso, ik ben zo gehecht aan het lijf van Wyb ’s nachts naast me. De warmte, een arm om haar heen, of andersom, haar borst in mijn hand. Dat zijn zulke waardevolle dingen en een garantie voor een lekkere slaap.

Ik denk dan meteen aan een gedicht dat ik lang geleden schreef, een soort ode aan het samen slapen.

 

__

Wij dansen elke nacht
in een veel te klein bed
de gekende dans.

Wij draaien om en om en
met elkaar mee van links
naar rechts en terug.

De muziek is het ritme
van ons hart, het ronken
van de diepste dromen.

Een arm die om de ander slaat.
een been dat langzaam terug
beweegt. Een lijf dat wentelt.

En overdag is er een pauze,
dan lopen wij een rondje.
Maar ’s nachts, ’s nachts

dan keren wij terug naar
ons toneel, dan dansen wij
onze horizontale pirouettes.

Journal d’images

Journal

 

Groeiexplosie

Woensdag 15 april, Cadouin

 

Vorig jaar reed aan het einde van de zomer een grote graafmachine onze tuin in en maakte van onze geliefde tuin één grote modderpoel. Hij groef diepe gaten voor onze nieuwe septic tank. Een grote operatie. Eigenlijk nergens voor nodig, want onze oude septic tank functioneerde prima. Grote kans dat hij er al een eeuw of langer in zat. Maar volgens de ‘bevoegde autoriteiten’ was hij niet aux normes en was het tijd voor een gecertificeerd exemplaar.

Toen de graafmachine de tuin verliet, zat de tank erin en was de tuin geëgaliseerd. Wat bleef was een kale moddervlakte. In oktober zaaiden Wyb en ik een paar zakken graszaad over de modder en zie het resultaat. Als je in de tuin staat, lijkt het al een volwaardig gazon. Als je vanuit ons huis naar beneden kijkt, zie je nog wat kale plekken. Vandaar dat we afgelopen weekend nog eens twee zakken graszaad haalden.

Toch durf ik wel te spreken van een groeiexplosie. Zo was het kaal, zo is het een gazon. Dit is tekenend voor de Dordogne. Regendagen wisselen af met dagen vol zon. Het is de ideale tijd voor een groeiexplosie. De lente ligt hier weken voor op Nederland.

Ik vind dit eigenlijk de mooiste tijd om in Cadouin te zijn. Je ziet de natuur exploderen, alles is fris groen, de ene na de andere bloemsoort steekt zijn kop boven het maaiveld. De vallei is veranderd van een weiland in een veld vol boterbloemen.

Het fijne is ook dat het jachtseizoen is afgelopen. Zondag reden we langs de afscheidsbarbecue van de plaatselijke jachtvereniging. Die zal vast overdadig zijn geweest, want er is weer lustig op los geschoten. Met gevaar voor eigen leven en nietsvermoedende wandelaars. In 2022 waren er tachtig jachtslachtoffers, waarvan acht doden. Voor 2025 zijn de cijfers nog niet bekend.

Er is ook goed nieuws, denk ik. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat de zwijnen als winnaars uit dit jachtseizoen zijn gekomen. Tenminste, volgens mijn eigen waarnemingen, nog nooit heb ik zoveel zwijnensporen gezien. De randen van vrijwel alle paden zijn omgewoeld door zwijnen, veel meer dan andere jaren. Ze maken er een uitbundig feestje van.

Het is lekker rustig nu de jacht is gestopt. Eindelijk geen last meer van de waanzinnig blaffende honden die als gekken door de bossen rennen om het wild op te jagen. Ik begrijp ze wel. Als ze niet jagen zitten ze opgesloten in hokken, soms zelfs zonder enig daglicht. Op zaterdagen en zondagen worden ze in de kooien op fourwheeldrives gezet en in het bos losgelaten. Eindelijk eens lekker rennen. Ze gaan overal dwars doorheen: door het bos op onze berg, zelfs door onze tuin. En maar blaffen.

Tijdens het jachtseizoen zien we elke week wel een verdwaalde hond met een zender om zijn hals lopen, op zoek naar zijn baas. Jammer genoeg zal zijn baas hem al snel door de zender vinden en hem oppikken. Thuis wacht hem weer een donker hok.

Journal d’images

April 2026.

Oktober 2025.

Journal

 

Slap handje

Dinsdag 14 april, Cadouin

 

Het slaapfeestje van de eeuw zit erop. Het beeld dat ik er tot nu toe van heb gezien: er komt een auto aanrijden, Max, Lex en Jetten stappen uit, geven een handje, ‘fijn om u te ontmoeten’. Dan schakelt het beeld over naar een toespraak van Lex eerder die dag. Van het bezoek in het Witte Huis: geen foto, geen filmbeeld, niets.

En daar betalen wij niet voor, regering. Wij hebben een koningshuis voor de show. En dan willen we die show ook zien. Die hele realityshow van de Oranjes kost ons 40 miljoen euro per jaar, en daar komen nog tientallen miljoenen voor beveiliging, onderhoud van paleizen etc. bij. Dan vind ik dat er op zo’n cruciaal moment geleverd moet worden. Veel risico’s aan dit logeerpartijtje? Prima, dat is de charme van het genre reality.

Ik wil zien hoe Max en Lex van de coquilles zitten te smikkelen, en hoe Trump tegenover hen in zijn Big Mac zit te happen. Het lijkt me een prachtig beeld: Max en Lex die van de Sancerre nippen, terwijl Trump zijn glaasje cola opslurpt.
Ik wil weten of Melania inderdaad kan praten. We weten dat ze van een stuk papier kan voorlezen, maar kan ze ook praten, ik bedoel dus: converseren?

Waar hebben ze het tijdens het eten over gehad? Epstein? Of was hij de olifant in de kamer? Heeft Trump nog gevraagd of Max hem wilde imiteren? Of zat Trump tijdens het eten een beetje verveeld op zijn laptop Jezusplaatjes te fabriceren: hij als Jezus, een nieuwe hobby van hem.

Kreeg Trump nog een woedeaanval? Of excuseerde hij zich al vroeg omdat hij naar bed moest? Hij schijnt altijd om tien uur naar bed te gaan. Even nog wat gezellig twitteren, en dan lekker slapen. En zaten Max, Lex en Jetten toen alleen met Melania aan tafel? Klikte het bestek ongemakkelijk tegen de borden? We weten het niet. Alles is mogelijk. Maar dat willen we allemaal weten. Wij zijn gretig.

Door het programma Married at First Sight weten we dat je het naar bed gaan best decent in beeld kunt brengen. Max en Lex die nog even converseren wat ze ervan vonden, een laatste nachtkus en wij zijn weer bevredigd. Dat is het niveau dat we van goede reality zijn gewend.

Na afloop zegt Jetten dat hij op een open en constructieve manier met Trump heeft gesproken. Come on, man. Wat zijn dat voor algemeenheden? Ik lees een boek en Wyb vraagt: ‘En hoe was het boek?’ En ik zeg: ‘Goed.’ ‘En waar ging het over? En dan zeg ik: ‘De liefde.’ Jetten, dat zijn toch antwoorden van niks? Dan weet Wyb toch nog steeds geen ene ruk over dat boek. Open en constructief. Dan denk ik meteen: dat was dus gewoon een kutgesprek.

We willen je zweet kunnen ruiken als je voor de eerste keer alleen met hem bent. De ontmoetingen van de eerdere Nederlandse premiers leverden altijd memorabele momenten op. En jouw ontmoeting met hem? Een foto van een slap handje.

Zo’n fotootje van Max en Lex die gezellig met Poetin een biertje drinken, daar hebben we toch jaren plezier van gehad. Nog steeds eigenlijk. En wat levert deze logeerpartij aan iconisch beeldmateriaal op? Lever, Jetten. Als medefinancier van de BV Nederland wil ik waar voor mijn geld.

Journal d’images

Journal

 

Stilte

Maandag 13 april, Cadouin

 

Nodig mij niet uit voor een pubquiz. Aan mij heb je helemaal niks, ik zal er voor spek en bonen bij zitten. Als je wilt winnen, moet je Wyb uitnodigen. Die weet, voor mij, de meest onzinnige weetjes over pop- en jazzmuziek.

We gaan op het eind van het jaar altijd naar Frankrijk om Dies te beschermen tegen het Nederlandse knalfestijn. De ellende is dat de Top 2000 dan op de radio is. Voor Wyb een hoogtepunt, voor mij een kwelling. Als Wyb de eerste tonen van een liedje hoort, vertelt ze me al welk nummer het is. Onvoorstelbaar hoeveel van dit soort informatie in haar hoofd zit. Ik erger me alleen maar aan die ongelooflijke shitmuziek, zo erg dat ik enige onvervalste agressie in mij voel opkomen. Ik vind het een marteling. We hebben afgesproken dat Wyb voortaan haar oortjes indoet, zodat ik er geen last van heb.

Hoe kan het dat mijn generatie alles van popmuziek afweet en ik niet? Het antwoord weet ik wel: terwijl al mijn vrienden voor de radio zaten en een groot deel van hun tijd in platenzaken doorbrachten, genoot ik van stilte, het ontbreken van welk geluid dan ook.

Ik ben een groot liefhebber van de stilte. ‘Wat heb je nou aan stilte?’, vragen mijn dochters zich wel eens hardop af. Ik kan mateloos genieten van de stilte. Als ik alleen thuis ben, zal ik nooit de radio of Spotify aanzetten. Stilte is voor mij een warm bad — waar ik trouwens ook gek op ben.

Natuurlijk is er wel muziek aan mij blijven hangen. De stem van Dylan brengt me meteen terug naar mijn puberteit. Bij de muziek van Tom Waits leef ik op. Amy Winehouse pikte ik op latere leeftijd op. Ik hoorde haar bij toeval op de autoradio en wist meteen dat ze een groot talent was. Ik heb een kleine muziekcollectie en doe mijn best die niet groter te maken.

Ons huis in Cadouin noem ik vaak een reservaat van stilte. Het is een van de redenen dat ik hier graag ben. Wat vandaag niet klopt: terwijl ik dit schrijf, maaien twee tractoren met veel lawaai het veld in de vallei. Toen we hier aankwamen, was de vallei een deken van boterbloemen. Op dit moment wordt alles wreed weggemaaid. Ik denk niet dat iemand let op de reekalfjes die in het hoge gras liggen. De Fransen zien wild vooral als iets waar je op kunt jagen en dat je dood mag maken.

Connie is wel eens naar een klooster geweest waar ze een maand heeft gezwegen en waar niemand sprak. Het lijkt me heerlijk; dat zou ik graag eens doen.

Ik heb geen idee waarom mensen zo slecht tegen stilte kunnen en bij alles wat ze doen geluid produceren. En als er geen geluid is, zetten ze de radio aan. Ik meen dat het Schopenhauer was die schreef dat mensen niet tegen de stilte kunnen omdat ze dan geconfronteerd worden met hun eigen leegte en dat dit te confronterend voor hen is. Mijn oude vriend zou daar best eens gelijk in kunnen hebben.

NOTE VAN DE CENSOR
Ik kan dit blog alleen accorderen als deze notitie wordt bijgevoegd. Ik wil namelijk duidelijk stellen dat De Blogger mooie verhalen houdt over stilte, maar elke avond, als ik vraag of hij op de veranda komt zitten om naar de vogels te luisteren of op het muurtje aan de weg komt liggen om naar de sterren te staren, geeft meneer niet thuis omdat hij, de grote liefhebber van stilte, liever televisie gaat zitten kijken. De Blogger moet er wel voor zorgen dat de blogs een waarheidsgetrouw beeld van de werkelijkheid blijven geven. De Censor.

Journal d’images

Journal

 

Bloedband

Zondag 12 april, Cadouin

 

Het is december. Anne staat op het punt om naar Sri Lanka te gaan. ‘Geer, zullen we nog een filmpje opnemen waarin jij mij goede reisadviezen geeft?’
Het klinkt misschien raar dat een dochter aan haar vader vraagt zijn reisadviezen op een filmpje uit te spreken. Bij ons is dat tamelijk normaal. Anne is namelijk influencer en denkt in vlogs. Zoals ik in blogs denk, zo denkt zij in vlogs. Evenals ik deinst ze niet terug om haar hele hebben en houden op internet te gooien.

Als wij een bloedband zouden hebben en dus dezelfde genen deelden, zou je zeggen: ‘Ze heeft het niet van een vreemde.’ En kijk: met die laatste zin maak ik een klassieke fout. Waarom zou dat via de genen moeten gaan? Waarom zou dat niet door de opvoeding zijn gekomen? Ze heeft het inderdaad niet van een vreemde, ze heeft het van haar vader, zijnde ik — denk ik.

Ik zeg dat zo expliciet omdat Anne en ik twee weken geleden samen op de bank zaten te praten en Anne mij vroeg of ik meer van een biologisch eigen kind zou houden dan van haar als adoptiekind. Ik reageer pissig: ‘Hoe kom je daar nou bij? Liefde wordt niet gecreëerd door een bloedband. Liefde ontstaat door liefdevolle aandacht voor elkaar, samen dingen beleven, loyaliteit en nog een paar andere dingen. Een bloedband zegt niets. Kijk maar naar al die mensen met een biologische band die ruzie met elkaar hebben, niets meer met elkaar te maken willen hebben. Een bloedband op zich zegt niets.’
‘Heel goed, Geer. Zullen we hier ook een filmpje van opnemen?’ Het lijkt me een prima idee.

In het filmpje over de reisadviezen vertel ik haar op eigenwijze toon, een beetje ironiserend, mijn adviezen. Alles voor de vuist weg. Anne zet het een paar weken later op Instagram. Het resultaat: het filmpje is inmiddels 231.000 keer bekeken. Nog steeds ontvangen Anne en ik reacties op dit filmpje. Er zijn zelfs mensen die vragen of ik hen ook wil adopteren. Als klap op de vuurpijl word ik als influencer zelfs uitgenodigd voor een gratis cursus sushi-maken in Amsterdam. 

Het filmpje over de bloedband is na een week 90.000 keer bekeken. Ik snap er eerlijk gezegd niks van. Waar komen die mensen vandaan? Hoe verspreidt zo’n filmpje zich over het internet? Anne vlogt, zoals gezegd, over van alles en nog wat: reizen, food en het single zijn, maar niets scoort zo goed als die stomme gesprekjes van ons, die we tussen neus en lippen door opnemen.

Ik stel Anne de vraag: ‘Hoe kan het nou dat dit zo goed wordt bekeken?’
‘Ik denk dat boomers ‘in’ zijn. Ik heb de laatste tijd meer filmpjes gezien van gesprekken tussen ouders en kinderen; die scoren allemaal goed. Dus we moeten meer filmpjes opnemen, Geer.’
En zo word ik verdomme nog onderdeel van het verdienmodel van Anne. Door onze filmpjes krijgt ze er opmerkelijk veel nieuwe volgers bij, ik trouwens ook op mijn Instagramaccount, waar ik verder geen donder meer mee doe.

Wat mij als blogger natuurlijk steekt, is de schrille verschil in belangstelling. Mijn blog wordt dagelijks tussen de 75 en 150 mensen gelezen. Daar zit ik toch wel een uurtje op te zwoegen. Ik maak met Anne een praatje op de bank en heb opeens een bereik van tienduizenden mensen. Het moet niet gekker worden.

Journal d’images

Journal

 

Voetstappen

Zaterdag 11 april, Cadouin 

 

‘Zullen we, voordat we naar de Lidl gaan, eerst rond Limeuil wandelen? Kunnen we meteen Dies uitlaten,’ zegt Wyb.
Ik vind het een goed idee, want ik wandel graag in en rond Limeuil. In het plaatsje staat de geschiedenis letterlijk nog recht overeind. Het is een van de weinige plekken waar je nog door de onbedorven middeleeuwen kunt lopen.

Misschien omdat we lang niet meer in Cadouin zijn geweest, maar het lijkt alsof ik onze streek, de Périgord Noir, met nieuwe ogen zie. Als je ergens woont, verliest een omgeving helaas haar bijzonderheid, is mijn ervaring. Zelfs de mooiste streken worden ‘gewoon’.

Sowieso is Limeuil een bijzondere plek. De rivieren La Vézère en La Dordogne stromen recht op het dorpje af en komen elkaar, na kilometers door het landschap te hebben gekronkeld, hier tegen om als de Dordogne samen verder te gaan. Vooral na een regenperiode is het een heftig treffen. De rivieren kolken dan gevaarlijk tegen elkaar op.

We klimmen via een bospad Limeuil binnen. Het is van een ongekende schoonheid. De eerste keer dat ik er kwam vond ik het eigenlijk te mooi, zag ik de ware schoonheid niet. Ik vond het te veel Efteling, een dorp kon toch niet zó mooi zijn? Overdreven schoonheid wordt al snel kitsch.

Dan wandelen we de steile straatjes van Limeuil op. We ontdekken zowaar een paar nieuwe straatjes en een nieuw pleintje.
‘We moeten wel deze kant op,’ zegt Wyb, die een wandeling van driekwartier heeft uitgezet omdat ze weet dat ik niet van al te lang wandelen houd.
‘Laten we even doorlopen. Ik vind het zo mooi hier. Kijk, daar is een stadspoort, zullen we daar even doorheen lopen? Dan hebben we een prachtig uitzicht over de Vallée de la Vézère.’  In deze vallei liepen de eerste mensen van Europa rond en in grotten lieten zij hun tekeningen achter. Voor mij het bewijs dat kunst onverbrekelijk met onze mensensoort is verbonden.

We lopen het weggetje af waar we begeleid worden door het zingen van honderden vogeltjes die de lente vieren. Gefascineerd kijken we over de vallei waar de akkers vruchtbaar liggen te zijn.
‘We zijn nu wel heel ver van mijn route en het dorp afgedwaald,’ zegt Wyb. ‘Over een paar honderd meter kunnen we een bospad ingaan en met een grote boog terug naar Limeuil lopen.’
Wat routes en oriëntatievermogen betreft vertrouw ik 100% op Wyb. Zo erg zelfs dat mijn oriëntatievermogen door gebrek aan gebruik is geslonken.

Als we het bospad in lopen, komen we in bossen die hier al ver voor Christus waren. We bewandelen oude paden. Grote kans dat het pad hier door de voetstappen van de Cro-Magnonmens werd geëffend. Ik voel de voetstappen van vele generaties die hier vóór ons liepen. En de duivel speelt met deze gedachte, want op een paaltje zie ik een sticker zitten met de tekst: ‘Dans les PAS des Hommes de Lascaux’. In de voetstappen van de mannen van Lascaux. Ik wist het. Je ziet het aan het landschap. Het is een oud landschap dat teruggaat tot de prehistorie.

Maar dan begint bij mij de ongedurigheid als een wandeling te lang duurt. Ik begin te zeuren over wanneer we er zijn.
‘Maar jij wilde door die poort lopen. Daardoor hebben we nu een lange wandeling,’ zegt Wyb. Ze heeft helemaal gelijk.
En ik weet dat ik niet mag mopperen. De wandeling kronkelt door een prachtig landschap. Maar het is verdomme altijd die ongedurigheid van me die ervoor zorgt dat ik nooit lang van de dingen kan genieten. Ik heb de aandachtscurve van een blog.

Journal d’images

Journal

 

Parttime-kluizenaar 

Vrijdag 10 april, Cadouin

 

Zo ben je in Delft. Zo ben je in Cadouin. Nou ja, je moet er wel twaalfhonderd kilometer voor rijden.
We konden woensdag pas in de namiddag weg omdat Wyb moest werken. Nadat we door Parijs zijn gereden, zoeken we tegen half elf ’s avonds een hotel op. Het blijkt pal onder de landingsbaan van Aéroport d’Orly te liggen.
We stappen uit de auto en veertig meter boven ons vliegt een dalend vliegtuig. Dies krimpt ineen. We nemen het hotel toch omdat om elf uur het vliegverkeer stopt. In een restaurant bij de receptie zitten drie mensen met het licht uit naar een voetbalwedstrijd te kijken.

De volgende ochtend blijkt het hotel ook onder de startbaan te liggen. Van onze hotelkamer hebben ze een geluidsdichte bunker gemaakt, we merken het pas als we de kamer verlaten. Ik kan de schroeven in de buik van het vliegtuig onderscheiden. Het voordeel van het hotel is dat het pal aan de A10 ligt. We kunnen meteen op weg.

Naarmate we de Dordogne naderen, wordt het steeds meer zomer. Het lijkt wel alsof Frankrijk zijn activiteiten heeft gereduceerd. Gisteravond was het in Parijs al opmerkelijk rustig. Het was voor het eerst dat we zonder files door de stad reden. En nu, van Parijs naar de Dordogne, opmerkelijk weinig verkeer. Heeft die oorlog in het Midden-Oosten hier de economische activiteit al aangetast?

Als we in Cadouin aankomen en de autodeuren opendoen, valt de stilte als een klap boven op ons. Zoveel rust: het is bijna een shock. Hoe kan het dat de rust van Cadouin mij zo verrast? Ooit heb ik — toen ik nog kluizenaar wilde worden — toch twee jaar in die stilte gewoond. Komt het door het contrast met Delft: altijd geluid om ons heen?

Het fijne is dat er ogenschijnlijk weer niets is veranderd. Het landschap blijft, sinds we het huis hebben, al jaren onaangetast. Al is er in de periode dat wij er niet waren wel iets gebeurd. Het heeft hier weken geregend en gestormd. Een boom in de tuin van Jennie, onze buurvrouw, is omgewaaid en op ons hek gevallen. Door het ontwortelen van de boom stortte ook een klein deel van de muur van onze wasplaats in. De vallei onder ons werd weer eens een meer, maar daar is nu niets meer van te zien.

‘Die hoop stenen is een prima plek voor hagedissen en slangen,’ zegt Wyb.
Fijn, denk ik, daar hoeven we dus niets aan te doen. Lekker laten liggen.
Verder staat het huis er prima bij, wat altijd weer een bron van zorg is.
’s Avonds zitten we op onze veranda, een soort uitkijktoren over de vallei.
‘Stel je voor dat we hier waren blijven wonen,’ zeg ik tegen Wyb.
‘Dan was ons leven de afgelopen anderhalf jaar toch wel erg saai geweest.’

Toen we het huis kochten, had ik meteen het romantische idee dat ik hier in alle eenzaamheid mijn oude dag zou slijten. Lezen, schrijven, verder niets: ik zou een monnikenbestaan gaan leiden, fulltime kluizenaar worden.
Ik deed twee jaar lang mijn best om het daadwerkelijk te zijn, maar een kluizenaar met een jonge, levendige vrouw — dat was natuurlijk gedoemd te mislukken. Ik begreep goed dat Wyb weer het volle leven in wilde; het begon bij mij ook te schrijnen. Kluizenaar zijn is toch een stuk minder leuk dan ik had gedacht. Best eentonig eigenlijk.
Ik ben nu een soort parttime-kluizenaar, zeg maar, en dat bevalt prima. Een tijdje het volle leven in, en dan een paar weken weer hobby-kluizenaar zijn. Best een fijne manier om de dagen te slijten.

 

 

Journal d’images

Journal

 

On the road dus

Woensdag 8 april, Delft

 

Ultrakort blog. Efficiency maatregel.
Wij leiden een leven als het Europees Parlement: van Brussel naar Straatsburg en weer terug. Bij ons is dat: van Delft naar Cadouin en weer terug. Vandaag en morgen zijn verhuisdagen. Vanmiddag, als Wyb klaar is met werken, rijden we tot Parijs, liefst zelfs iets verder, zodat we Parijs voorbij zijn. Dan zitten we morgenvroeg niet met de verkeersopstoppingen in Parijs. Dan morgen het laatste stuk, nog zo’n zeshonderd kilometer.

Bilocaties is nooit slim. Dat weet ik uit mijn werkend leven. Ooit was ik hoofd marketing van de Stadsschouwburg in Groningen en van De Oosterpoort. Waar je kantoor hield, ging je meeste aandacht naar uit. Gewoon omdat je er bent.
Bij ons is het niet anders. Ik heb nu alweer een lijstje van zaken die ik van Cadouin naar Delft mee moeten nemen omdat ik ze in Delft mis. Soms heb je een idee, wil je aan de slag, blijken de boeken die je nodig hebt op de andere locatie te liggen. Best irritant.

Zo dadelijk inpakken. Dat verhuizen in Brussel schijnen complete verhuizingen te zijn. Dat is bij ons niet het geval. In onze hoofden zijn lijstjes gestanst wat we mee moeten nemen. Als het moet zijn we binnen een half uur weg. Maar zelden komt het voor dat we niets vergeten.

De tochten, heen en weer, zijn voor ons een soort meditatietochten. Blik op de weg: de geest zweeft vrij door de ruimte, van hot naar her. Goede muziek op. Wyb schijnt een nieuwe muzieklijst te hebben gemaakt. Soms een podcastje tussendoor. Dies op de achterbank in coma. Twee uur op, twee uur af, tussendoor Dies een keer flink uitputten door hem achter frisbees aan te laten rennen. On the road dus. Het doel: een paar weken in een andere wereld zijn. Reset van de geest.

Consequenties voor de lezers van dit blog: morgen een blogloze dag.

Journal d’images

Journal

 

Fotodoos

Dinsdag 7 april, Delft

 

Terwijl ik aan de eettafel een e-mail voor een herhaalrecept naar de apotheek schrijf, hebben Wyb en Anne op de bank een van de vele fotodozen die we hebben tussen zich in gezet. Na het herhaalrecept handel ik nog wat andere zaken af die van belang zijn, voordat we woensdag naar Cadouin afreizen.

Ondertussen hoor ik het opgewonden gesprek van Wyb en Anne over de foto’s die ze misschien al decennialang niet meer hebben gezien.
‘Wyb, hoe oud was je toen?’
‘Eenendertig.’
‘En hoe oud was Geer dan?’
‘Vierenveertig.’
‘Hoe kan het nou dat je verliefd op hem werd?’
‘Dat ging niet zomaar, hoor. Liefde ontstaat soms, of misschien wel vaak, doordat je elkaar over langere tijd veel ziet. Aan die buik heb ik echt wel even moeten wennen.’

‘Op die foto was je zeven jaar jonger dan ik nu ben. En toen kende ik je toch al. Dat is toch onvoorstelbaar.’
‘Geer, moet je deze foto eens zien,’ zegt Wyb, ‘hoe jong en slank ik nog was.’
Ik loop naar de bank. Inderdaad, een prachtige foto van Wyb uit de tijd dat ik verliefd werd op haar. Ik begrijp met terugwerkende kracht opnieuw waarom mijn liefde voor haar onontkoombaar was.

‘Jij was vroeger best een rare man,’ zegt Anne.
‘Hoezo?’
‘Dat haar. Dat zit zo stom. En je zag er op je vierenveertigste nog zo jong uit. Kun je je voorstellen dat je zo bent geweest?’

Eigenlijk ben ik het tegenovergestelde van een grijs kind, bedenk ik als ik naar de foto kijk. Veel mensen zijn vroeg oud, zijn al op jonge leeftijd in doen en denken vijftig jaar. Bij mij is het tegendeel het geval. Heel lang bleef ik een jongen en heb ik me ook altijd zo gevoeld. Als mensen vroegen naar mijn psychologische leeftijd, dan zei ik dat ik zeventien was. Pas na mijn zestigste begon ik me enigszins volwassen te voelen. Tamelijk laat toch. Een leven lang sleepte ik jeugdig enthousiasme en overmoed met me mee. Toch een onnatuurlijk fenomeen, dat in ieder geval voor een wispelturige carrière heeft gezorgd — en: never a dull moment.

‘Kun jij je nog herinneren dat je zo bent geweest?’ vraagt Anne, terwijl ze mij een andere foto laat zien waarop ik in vol ornaat als theaterdirecteur sta.
Herinneren wel. Maar ik kijk ook met grote afstand naar de foto. Het is toch iemand anders die daar met dat rare kapsel staat. Het lijkt alsof ik een soort helm op had met al die krullen. Ik vind dat ik er nu natuurlijker uitzie dan toen. Langzaam ben ik naar mezelf toegegroeid, vind ik, dat heeft toch bijna een leven lang geduurd. Of het daarmee leuker is geworden? Niet alleen mijn fysiek heeft een totale metamorfose ondergaan, maar ook mijn leven. Op die foto, herinner ik me, was ik een doorgedraaide workaholic. Inmiddels ben ik volledig afgekickt.

Need I say more.

Kampioen Mens-erger-je-niet.

Journal

 

Bos

Maandag 6 april, Delft

 

Na ons bezoek aan Peter en Bernadette op zaterdag gaan we naar Renkum. Wyb en ik hebben behoefte aan bos, aan echt bos. We lopen dan wel in een bosje bij een recreatieplas, zoals het Delftse Hout, of in de Scheveningse Bosjes. Maar dat zijn toch eilanden in een zee van stad en druk verkeer. Gecultiveerde en uitgeleefde plekken met bomen. Een mens — in ieder geval wij — wil zo af en toe toch gewoon écht bos.

We vertellen Peter en Bernadette dat we naar Renkum gaan en Bernadette vertelt ons dat Progressief Nederland daar een grote overwinning heeft gehaald. Als we door het dorp rijden, begrijpen we dat wel. Het is een keurig dorp, met veel hoger opgeleiden, vermoeden we.
‘Als we weer eens gaan verhuizen, kijken we naar de verkiezingsuitslag. Als Progressief Nederland veel stemmen heeft behaald, dan weet je dat het daar waarschijnlijk goed wonen is,’ zegt Wyb.
‘Goed idee,’ zeg ik, ‘maar we gaan niet verhuizen.’
‘Ik zou hier best willen wonen,’ zegt Wyb als we eenmaal door het bos wandelen, ‘zo heerlijk dicht bij het bos.’

Even later gaan we op een bankje zitten bij een meertje dat wordt gevoed door een helder beekje. ‘Wat valt je hier op?’ vraagt Wyb.
‘Ik heb geen idee,’ zeg ik.
‘De stilte. Hier is het nou echt stil.’
Ik had het kunnen weten, want het was mij ook al opgevallen. In Delft en Den Haag is altijd het gezoem, het geruis van de stad aanwezig, ook al loop je door een bos of park. En dan heb ik het nog niet over knetterende scootertjes en ronkende motoren. Er is altijd lawaai.
’s Nachts, als ik Dies uitlaat, valt het zelfs heel erg op: dan hoor ik hoe hard het geluid van de A13 wel niet is, de snelweg tussen Amsterdam naar Rotterdam. Het geluid van de auto’s ligt als een deken over de stad. Het is goed dat we aan de achterkant van ons appartementencomplex wonen. Als je aan de voorkant woont, hoor je dat geluid volgens mij altijd. Het geluid van de snelweg houdt ook nooit op, want het is er 24/7 druk.

Het is goed dat we woensdag weer naar Cadouin gaan. Onze behoefte aan rust en stilte bereikt een hoog niveau.
‘Het bos hier is prachtig, hoor. En lekker stil, maar zie je hoe armoedig het eigenlijk is?’ zegt Wyb. ‘Als je dit toch vergelijkt met de vegetatie van de bossen in Cadouin.’
‘Het is een uitgemergeld bos, een stikstofbos,’ zeg ik. ‘Maar wie ziet dat? De meeste mensen hebben geen vergelijkingsmateriaal. Wie komt er tegenwoordig nog in een echt bos?’
Al pratend kijken we steeds meer uit naar Cadouin.

Als we aan het eind van de middag thuis zijn, is Wyb al snel druk op zoek naar woningen in de omgeving van Renkum. Af en toe moet ik even kijken naar wat ze gevonden heeft. ‘Inderdaad prachtig. Maar we gaan niet verhuizen, Wyb. Het ligt gewoon te ver van je werk, van Den Haag. Bovendien sta je dan alleen maar in files. Maar boven alles: ik heb mijn buik vol van verhuizen. Zesentwintig keer vind ik genoeg.’
‘Maar toch zou ik wel in die omgeving willen wonen, in Oosterbeek, Renkum, in die buurt.’

Journal d’images

Wandelpauze in Cadouin.

Journal

 

Expeditie Knausgård

Zondag 5 april, Delft

 

Van het een komt het ander, zo gaat het altijd. Door de laatste brief van Rokus, Kistvulling, hoor ik voor het eerst over Emil Cioran. Hij neemt een aforisme van hem op dat meteen bij mij blijft haken. Ik zoek zijn naam op en Cioran blijkt een Roemeense filosoof te zijn die het grootste deel van zijn leven in Parijs woonde. Op YouTube zijn twee documentaires over hem te vinden waarin duidelijk wordt dat Cioran niet de minste is. Ik heb er opeens een zielsverwant bij.

Hij leefde in Parijs in dezelfde tijd als Sartre, voor beiden was Café de Flore in Saint-Germain-des-Prés een tweede huiskamer, misschien wel hun eerste. Toch hebben ze elkaar nooit ontmoet. Cioran stelde zich nooit aan Sartre voor. Vermoedelijk kende Sartre Cioran als stamgast, maar wist hij niet dat Cioran ook een filosoof was, een hardcore existentialist nog wel, en dat de geschiedenis Sartre misschien wel eens in de schaduw van Cioran zal zetten.

Emil Cioran is niet voor doetjes. Veel mensen zullen terugdeinzen bij het lezen van zijn boeken. Hij pelt de mens zo af dat er niets meer van overblijft. Cioran is alleen voor mensen die de naakte mens in al zijn naaktheid durven te aanschouwen — en dat zijn er niet veel, want dan kom je jezelf ook tegen.

In mijn brief aan Rokus, Flipperkast etc., neem ik eveneens een citaat van Cioran op. Naar aanleiding daarvan krijg ik een appje van Peter: ‘Knausgård geeft in een van zijn boeken naast een geweldige biografie van Hitler ook een grondige en interessante analyse van het werk van Cioran. De moeite voor jou, verwacht ik. Het laatste deel van de serie waarmee hij beroemd is geworden.’

Het verbaast me niets dat Knausgård geïnteresseerd is in Cioran. Karl Ove Knausgård is een Noorse schrijver die in zes dikke boekdelen — onder de titel Mijn strijd — zijn leven en omgeving genadeloos beschrijft. Hij deinst daarin nergens voor terug. Hij durft daarin zichzelf in zijn onderbroek te zetten, maar ook zijn familie en vrienden. Toen het eerste deel uitkwam, Vader geheten, las ik het met stijgende verbazing en wilde ik absoluut de volgende delen lezen.

Dat heb ik niet gedaan, omdat ik toen nog werkte en vaak niet wist of ik van voren of van achteren leefde. Ik wilde ze in alle rust kunnen lezen. Tot mijn grote vreugde biedt Peter aan dat ik de reeks van hem mag lenen. Een goede vriend is goud waard. Zo komt het dat Wyb en ik op zaterdagochtend naar Wijchen rijden, waar ik, na onze begroeting, de delen al in een doos op tafel zie staan: Mijn strijd, compleet. Met als laatste deel Vrouw, 1075 bladzijden dik, met daarin dus de biografie van Emil Cioran.

Als ik de boeken uit de doos haal, staat de stapel als een monument op de eettafel. Expeditie Knausgård kan beginnen. Voor de gein kijk ik per deel hoeveel pagina’s mij nu te wachten staan. In totaal gaat het om 3678 pagina’s. Geen idee hoe lang ik hierover ga doen. Tegen het advies van Peter in begin ik toch met het laatste deel, benieuwd als ik ben naar de biografie van Cioran. Bovendien verzekert Peter mij nogmaals dat er ook een prima biografie over Hitler in staat. Die Knausgård schuwde echt geen enkel onderwerp.

 

 

 

Journal d’images

Journal

 

Paastocht

Zaterdag 4 april, Delft

 

Paaszaterdag is voor mij een historische dag. Meer dan veertig jaar lang wist ik precies wat ik op deze dag zou doen. Dan liepen we namelijk met het mannelijke deel van mijn familie van het huis van mijn opa en oma op de Weurtseweg in Nijmegen naar Lent, waar familie van mijn opa en oma woonde. Later, nadat mijn opa en oma waren overleden, vertrokken we vanuit het huis van Jan en Connie.

Het was een wandelingetje van niks. Als ik me het goed herinner, was het zes kilometer. Eerst even door de stad lopen, daarna over de Waalbrug, de Lentse dijk op en dan in Lent de Vossenpelsestraat in. Het ging ons niet zozeer om het wandelen, voor ons waren het samenzijn en de rituelen onderweg het belangrijkste. Op de route voerden we onze decenniaoude rituelen uit.

Om een voorbeeld te geven. Op de Waalbrug is een herdenkingssteen van Jan van Hoof in een muur gemetseld, een verzetsstrijder die voorkwam dat de Duitsers de brug opbliezen. Het beeld is te zien in een halfronde inham op de brug. Het was tevens onze eerste rustplaats. Hier tikten wij tegen de ballen van Jan van Hoof onze paaseitjes kapot en ondertussen genoten we van een jonge jenever. Vervolgens gooiden we de eierschalen over de muur de Waal in.

Eenmaal klaar stelden wij ons strak in het gelid naast elkaar op nadat Jan had gecommandeerd dat we in de houding moesten gaan staan. Daarna riep hij in de oude militaire traditie: ‘Voorwaarts mars!’. Jan marcheerde dan gewichtig weg. Maar wij draaiden ons om en liepen de andere kant op. Elk jaar was Jan weer verontwaardigd.

De volgende stop was de trap die van de brug naar de Lentse dijk liep. Naast die trap liep een soort regengootje. Jan en Ton hielden als ooms dan hun jaarlijkse piswedstrijdje wie met zijn plas het verst kon komen. Wij, de neven, maakten zo goed mogelijk het gootje schoon door de takjes, blaadjes en steentjes voor de stroom weg te vegen. Het was altijd weer spannend wie zich de kampioen van dat jaar mocht noemen.

Het hoogtepunt kwam wanneer wij eenmaal van de dijk Lent inliepen en bij een waterput in een tuin aankwamen waar het geboortehuisje van mijn opa had gestaan. Daar bleven we altijd staan om hem te gedenken. ‘Mag ik een minuut stilte van jullie?’ vroeg Jan dan.
Vol eerbied keken we richting de waterput. ‘Ja, zo is het wel genoeg,’ zei Jan na twintig seconden, en verder ging onze tocht.

Op naar de Vossenpels, waar uiteindelijk alleen Toon nog op ons wachtte, een neef van mijn ooms — de andere familieleden waren inmiddels al overleden. Wij waren de laatste der Mohikanen, die onder het genot van een straf kopje koffie en daarna twee glaasjes jenever — vaste prik — de verhalen van vroeger levendig hielden. Uiteraard gingen we even in het tuinhuisje kijken waar Ome Kees, toen hij nog leefde, altijd zat te genieten van de zon.

Ik vrees dat ik hierover al diverse keren een blogje heb geschreven. De trouwe lezer van Dossiermoddergat zal het misschien bekend voorkomen. Toch kan ik het niet nalaten om er opnieuw over te schrijven. Gewoon omdat de woorden me weer even terugbrengen naar vroeger. Beschouw het ook als een eerbetoon, want zelfs van de laatste der Mohikanen zijn al velen overleden. Het leven is een slagveld.

Er zijn nog een paar laatste Mohikanen over. Nog geen handjevol. Met het slechter ter been worden van de generatie vóór ons stierf deze traditie een langzame dood. We gingen nog een paar keer samen pannenkoeken eten in plaats van wandelen, maar dat was toch iets heel anders dan eitjes tegen de ballen van Jan van Hoof kapot tikken. Voorbij, voorbij, o en voorgoed…

Journal d’images

Paastocht, editie 2005.

Journal

 

Anne in Iran

Donderdag 2 april, Delft

 

Klein leed verstopt in groot leed, zo zou je de dag van gisteren kunnen noemen. Drie dagen nadat Wyb naar huis vloog, vliegt Anne naar huis. Ze wilden samen terugvliegen, maar het toestel van Wyb was inmiddels volgeboekt. Anne vliegt wel op dezelfde uren als Wyb en heeft ook hetzelfde vluchtnummer: ai155. Ik kan haar dus mooi weer op Plane Finder volgen.

Zo af en toe kijk ik op zo’n dag even op de app om te kijken hoe ver ze nu is. Ondertussen droom ik een beetje over de landen die ze passeert. Op de app kun je zelf het landschap onder haar volgen. Klein wonder der techniek toch. En dan te bedenken dat alle vliegtuigen erop staan die hun transponder aan hebben. Als je Plane Finder opent, lijken honderden kleine vliegjes over de aarde te kruipen. Anne is nu drie uur onderweg en ik besluit te kijken waar ze zit.

‘Wyb!’
‘Wat is er? Wat ben je paniekerig?’
‘Anne vliegt Iran binnen.’
‘Bestaat niet.’
‘Kijk dan zelf.’
Ik geef haar mijn iPhone.
‘Kijk, alle vliegtuigen vliegen onder Iran door. Haar vliegtuig, dat rode toestelletje, wijkt opeens af naar rechts, recht Iran in.’

Ik heb weinig nodig om mijn fantasie op hol te laten slaan. Laat staan iets groots. Ik ga meteen naar NOS Nieuws om te kijken of er misschien een vliegtuig is gekaapt. Ik zie Anne al als westerse gijzelaar in een of andere grot in Iran zitten. In deze tijden is werkelijk alles mogelijk. De wereld is bevangen van waanzin. De Oppergek zit in het Witte Huis. Zelfs Wyb is verbaasd, hoe is dit mogelijk?

Na deze constatering kan ik aan niets anders meer denken. Een half uur later kijk ik opnieuw. Ze vliegt verdomme steeds dieper Iran in. Als ik de vliegroute doortrek, kom ik in Teheran uit. Ik kijk naar wat nieuwszenders. De BBC meldt er niets over, evenals CNN. Kijk ik intussen naar wereldnieuws in wording? Ben ik de eerste die ziet wat er gebeurt?

Ander gevaar: waarom vliegt een toestel van Air India in een gebied waar geen ander vliegtuig is te bekennen? Mijn gedachte gaat uit naar MH17. Een of andere minkukel hoeft maar te denken dat het een vijandig vliegtuig is om het toestel neer te halen. Ik zie de brokstukken al verspreid in de woestijn liggen. En ik denk aan dat Maleisische toestel: hoeveel piloten plegen er wel geen zelfmoord en sleuren hun passagiers daarin mee?

De volgende keer dat ik op Plane Finder kijk is alles anders. Anne vliegt keurig over Saoedi-Arabië. Als ik de vlieglijn van het rode vliegtuig terug volg, zie ik dat ze gewoon keurig onder Iran door is gevlogen. Gelukkig heb ik een screenshot gemaakt van Anne boven Iran. Voor je het weet denkt men dat mijn zorgen met mij op de loop zijn gegaan.

Maar wie heeft ons deze streek geleverd? Grapje van een medewerker van Plane Finder die dacht: eens even wat familieleden op stang jagen?

Uiteindelijk blijkt het klein leed te zijn. Het grote leed speelt zich onder Anne af. Meer en meer troepen verzamelen zich in de Golfregio. Bombardement volgt op bombardement. De wereld is ontwricht. Anne meldt bij thuiskomst dat er vrijwel geen toeristen meer in Nepal zijn. In Sri Lanka schijnt hetzelfde het geval te zijn. Ik hoop dat de cijfers ooit bekend worden van de wereldwijde schade die de Oppergek heeft veroorzaakt.

’s Avonds, als we Anne thuis hebben gebracht, trekken we een fles wijn open. Wyb en Anne proosten op de mooie vakantie die ze hebben gehad. Ik op het feit dat ze weer thuis zijn. Die klote oorlog ook.

Journal

 

Flipperkast etc.

Woensdag 1 april, Delft

 

Sinds enige tijd sturen Rokus Loopik en ik elkaar brieven. Soms verandert een brief in een podcast — moet kunnen. Wij schrijven elkaar onder de titel: De mens is een verzamelaar. Alle brieven zijn te lezen op LinkedIn, onder de volgende link: https://www.linkedin.com/in/rokus-loopik-3abaaa12/recent-activity/newsletter/
De volgende brief is de twaalfde brief die ik naar Rokus stuur. De titel: Flipperkast etc.

 

Beste Rokus,

Altijd voordat ik je een brief schrijf, lees ik eerst nog even de laatste brief die jij me hebt geschreven. Daarom heb ik voor deze brief nog maar eens naar de podcast geluisterd waarin jij me interviewde.

Ik vind het moeilijk om naar mezelf te luisteren, altijd gehad. Vanaf mijn vroegste jeugd zit er altijd een opgewondenheid in mijn stem. Het is een mix van bovenmatig enthousiasme, mezelf niet echt kunnen beheersen en te veel in één keer willen zeggen. Daar komt bij dat ik een raar stemmetje heb. Ik luister met jaloezie naar jouw sonore, beheerste stem. Als ik zo’n stem als jij had, was ik bij de radio gaan werken.
Tijdens vergaderingen of grote bijeenkomsten heb ik daar ook altijd last van gehad. Mijn opgewondenheid ondergroef het gezag dat ik wilde uitstralen. Als ik daar beter in was geweest, was ik misschien wel politicus geworden. Maar goed, elk mens heeft wel een of meer beperkingen — meestal meer. Die beperkingen moet je onder ogen zien en je leven daarop aanpassen.

Al tijdens onze podcast waren er gesprekspunten waarvan ik dacht: hé, daar moet ik eigenlijk nog even op terugkomen. Zo vraag jij mij: ‘moet je veel gelezen hebben om te kunnen schrijven?’ En ik zeg daar spontaan ‘ja’ op. Dat ‘ja’ komt, volgens mij, eigenlijk vooral voort uit het feit dat ik zelf veel lees en dat ik daar veel aan heb gehad. Maar eerlijk gezegd had ik moeten antwoorden op jouw vraag: ‘Voor mij geldt dat. Maar of het voor een ander een voorwaarde is, weet ik niet.’
Ook iemand die weinig heeft gelezen, kan best een goed schrijver worden, vermoed ik. Maar ik kan mij niet voorstellen dat iemand die nooit een boek heeft opengeslagen een goed schrijver zal zijn. Schrijven is toch ook een ambacht. Een ambacht vereist meesters die je het ambacht leren. Vervolgens leer je het verder door veel uren te maken en er handigheid in te krijgen. Volgens mij had ik zo’n soort antwoord moeten geven.

Een essentieel onderdeel van het interview voor mij was het moment waarop wij het weer over onze tegenstelling pessimisme (ik) en optimisme (jij) hebben. Jij zegt dan: ‘Het is mijn onwil om te geloven in het slechte van de mens.’ Heel goed, Rokus. Soms ben ik bang dat ik jou met mijn pessimisme infecteer en dat moet echt niet gebeuren. Uit jouw optimisme komt volgens mij jouw werkkracht voor, je talent om mensen in nood met open mind tegemoet te treden en ze daardoor te helpen. Dat is echt goud waard.

Ook interessant is wat jij daarna zegt. Dan zeg je dat jij denkt dat de wereld niet bedoeld is dat de dingen slecht gaan en het systeem mensen vermaalt. Letterlijk zeg je: ‘Omdat ik denk dat de wereld zo niet bedoeld is.’ In die laatste zin zit, denk ik, het grote verschil tussen ons. Ik bedoel het niet polemisch, hoor. Ik wil alleen maar het verschil tussen ons duiden zodat ik het voor mezelf goed kan formuleren.
Ik denk namelijk dat de wereld helemaal nergens voor is bedoeld. Ik weet dat veel gelovigen in predestinatie geloven, of denken dat een god goede bedoelingen met de wereld heeft, dat god liefde is en dat wij daar eigenlijk naar zouden moeten leven. Ik ben, zoals je vermoedelijk wel vermoedde, een diepgelovig atheïst. Ik ben ervan overtuigd dat er voor de wereld en de mensheid geen enkele bedoeling was. De wereld is geworden tot wat wij ervan hebben gemaakt. En ook dat maken bestond niet uit een groots vooropgezet plan. Met vallen en opstaan proberen we er iets van te maken.
De mens is een balletje in een flipperkast. Hij wordt van hot naar her geschoten; hij heeft daar nauwelijks invloed op, al denkt hij van wel, maar de mens overschat zichzelf nu eenmaal in ziekelijke mate. De pest is dat de mens geen rationeel wezen is. Hij laat zich drijven door eigen belang, onderbuik en een kompas waarvan de wijzers altijd in de richting van intuïtie wijzen — noord- en zuidpool kent het kompas niet.

Ik zou hier verder over kunnen uitweiden, maar ik houd het kort, anders leest sowieso niemand deze brief, jij misschien uitgezonderd. Maar twee dingen nog. Jij zegt in de podcast dat je lang niet alles opschrijft wat in je hoofd zit. Jammer, denk ik dan als ik dat hoor. Ik daag je graag uit om daar toch minder terughoudend in te zijn. Zoals je zelf in de podcast zegt: ‘Nobody fucks with Rokus.’ Dat is een mooi levensmotto, Rokus.

Ten slotte wil ik je bedanken dat je me kennis hebt laten maken met Emil Cioran. Ook ik had nog nooit van hem gehoord. Ik ben nu zijn boek Bekentenissen & banvloeken aan het lezen. Jezus, Rokus, die Schopenhauer is er een watje bij. Emil Cioran kent geen enkele consideratie met het fenomeen mens. Je hebt me een zielsverwant bezorgd! In jouw laatste brief citeerde je hem. Deze brief zal ik ook met een citaat van hem beëindigen.

‘Je woont niet in een land, je woont in een taal. Een vaderland is niets anders dan dat.’ Voor zo’n vaderland hang ik de vlag uit.

Hartelijke groet,
Gerard.

PS1 Dat ChatGPT is een grote slijmbal. Hij steekt je veren in de kont omdat hij je als klant wil houden. Niet intrappen, hoor.

PS2 Het aforisme van Dimitri Verhulst dat Fred Blans ons toestuurde om ons aan te moedigen vooral door te schrijven, heb ik boven mijn bureau gehangen. ‘God schiep de dag, en wij sleepten ons er doorheen.’ Het is inderdaad een prima reden om door te schrijven, Rokus. Zet ‘m op. Bon courage.

Journal

 

Spermatozoa

Dinsdag 31 maart, Delft

 

In de krant van afgelopen weekend stond tussen al die Trumpellende eindelijk eens goed nieuws. Al weet ik niet of iedereen dat zo heeft opgevat. Ik las het in de Volkskrant; verder heb ik er niets van gehoord. Geen woord erover in het Journaal. Jammer.

De kop boven het nieuws luidde ‘Tegenvaller voor ruimtekolonisten in spe: sperma verdwaalt zonder zwaartekracht’. Neem me niet kwalijk, Blogger, maar wat is nu het goede nieuws?, zullen sommige mensen denken. Ik werd er gewoon blij van dat sperma niet meedoet aan die Marswaanzin. Eigenlijk zegt het sperma: ‘Laat mij gewoon lekker op aarde blijven. Ik weet heus wel mijn weg te vinden. Ik ben niet gemaakt voor het heelal.’

Er zijn natuurlijk van die gekken, Musk voorop, die op Mars een kolonie willen vestigen. Voor een beetje levensvatbare kolonie heb je nieuwe aardse Marsbewoners nodig. Daar kunnen ze dus naar fluiten, want als je lekker hebt liggen vrijen op Mars, gaat je sperma verdomme verdwalen. Die kolonie op Mars zal op die manier snel uitsterven. Wat ik ook goed nieuws vind. Want even terugvliegen naar Moeder Aarde is natuurlijk never nooit mogelijk.

Geen idee wat mensen aantrekt aan Mars. Heb je een mooie planeet, onze aarde, wil je naar zo’n kale bende. Ik zou zeggen: zorg eerst eens even voor je eigen planeet. Eigen planeet eerst, lijkt me. En die vereist nog best wat onderhoud.

Ik vind het ook geweldig dat het begin van ons ik, het sperma dus, zo’n eigen wil heeft. Eigenlijk zegt het sperma: ‘Ik weet heus wel wat ik moet doen, ik moet naar dat eitje en dat is die kant op, dus verneuk me niet met je gewichtloosheid’.

Al die spermatozoa die verdwalen, dat vind ik ook zo’n triest beeld: gewoon een beetje in het wilde weg kronkelen, terwijl je toch naar dat lekkere eitje wilt, wilt leven, een leuke man of vrouw wilt worden — en dan tol je daar op Mars een beetje rond in het luchtledige. En dat doe je niet alleen, hè. Bij elke zaadlozing komen er tussen de veertig en driehonderd miljoen zaadcellen vrij en dat wriemelt dan door elkaar, wanhopig op zoek naar de goede richting. Het is toch een verschrikkelijk beeld: zoveel potentieel leven dat verloren gaat — dat de christenen daar nou niks van zeggen.

Ik ben dus gewoon trots op ons zaad. Die Marskolonisten kunnen verzinnen wat ze willen, maar het meest primordiale wat we hebben, steekt een stok tussen de spaken. Het schreeuwt met zijn talloos veel miljoenen: blijf op aarde, wij werken niet mee met die waanzinnige miljardairsonzin van jullie.

Journal d’images

Journal

 

De Vrouw des Huizes

Maandag 30 maart, Delft

 

Waar ben ik nou mee bezig? Ben ik zomaar het bed aan het afhalen, terwijl dat eigenlijk niet nodig is. Ik heb er alleen in geslapen, geen vlekken, eigenlijk nog maagdelijk schoon, geen geur van stiekeme minnaressen. Die laatste heb ik nooit gehad, hoor. Ja, één, en zij is inmiddels vijfentwintig jaar mijn levenspartner. Ik schrijf dat alleen maar om stoer te doen. Ik ben dat bed aan het afhalen omdat ik vind dat Wyb vanavond in een lekker schoon bed moet slapen. De Vrouw des Huizes komt vandaag terug en die moet het maximaal naar haar zin hebben.

Ik maak de wastafels in de badkamer schoon, stofzuig alle ruimtes, dweil ze zelfs en maak ook nog de wc schoon. Het huis wil ik spic en span hebben, zodat de Vrouw des Huizes denkt: dat heeft hij toch weer goed gedaan. Ik geef toe, het is wat kinderachtig, maar ik bedwing er ook mijn opgewondenheid mee.

Ik kijk op de app Plane Finder en zie dat Wyb uit Delhi is vertrokken; ze verlaat al bijna het Indiase vasteland. Toch mooi dat ik dit realtime kan volgen.

Er doemen dan ook rare gedachten bij me op. Stel dat haar vliegtuig nu zou neerstorten, dan zouden mensen later tegen elkaar zeggen: ‘Het is natuurlijk geen toeval dat Gerard dit keer geen zin had om mee te gaan. Dat heeft zo moeten zijn.’ En dat soort onzin.

Als ik Dies heb uitgelaten en boodschappen heb gedaan — lekkere kazen gehaald, een nieuw ontdekte Grüner Veltliner, zal ze fijn vinden — zie ik haar boven Koeweit vliegen, even daarna over Saoedi-Arabië. Ze is nu wel verdomd dicht bij het oorlogsgebied. Stel dat een verdwaalde raket het vliegtuig raakt. Vind je het gek dat ik vandaag wat onrustig ben? Als dat gebeurt, dan reis ik persoonlijk naar Amerika om die Pete Hegseth voor z’n donder te schieten. Voor een heleboel mensen zal dit toch een diepgevoelde behoefte zijn. Haat kweekt haat.

Natuurlijk ben ik aan het eind van de middag te vroeg op Schiphol. Stel dat het vliegtuig toch tijd inhaalt? Maar voordat ik ging, zag ik — te laat — dat ik de was niet uit de droger had gehaald en geen tijd meer had om het bed op te maken. Kan Wyb me vanavond mooi mee helpen, weet ze meteen dat ze terug is.

Om de feestvreugde te verhogen koop ik een ballon met Welcome erop en bind ik het lint om de nek van Dies vast, die daar vrolijk mee door Schiphol loopt. De ballon danst achter hem aan.

Dan kan het wachten beginnen. Het is prima zitten bij Starbucks, schuin tegenover Gate 4. Ik vind het heerlijk om te wachten op vliegvelden. Gewoon zitten en kijken. Zoveel mensen; je houdt het toch niet voor mogelijk. Wyb vliegt inmiddels boven België. Drie kwartier later vliegt het rode vliegtuigje op Plane Finder boven de Noordzee. Het blijft daar tergend lang hangen voordat het de landing inzet.

Dan belt Wyb dat ze bij band 19 staat in de hal van de bagageafhandeling. Dat ze naar het raam loopt, of wij ook komen. Kan ze Dies zien. Op een gegeven moment ziet Dies haar achter het glas staan. Het arme beest jankt zich de longen uit het lijf en wil door het glas springen, wat helaas onmogelijk blijkt. Gelukkig volgt de lichamelijke begroeting daarna al snel.

Zondagavond. Op de weg lijkt het wel maandagochtend, zo druk is het. Wyb vertelt over Nepal, haar vlucht. En dan is het eindelijk zover: de Vrouw des Huizes is weer thuis, het hoogtepunt van de dag. ‘En wat is het huis schoon!’ Terwijl ik even later Dies in de regen uitlaat, maakt Wyb in haar eentje het bed op. Alles is weer zoals het hoort te zijn.

Wyb landt.

Journal

 

Voyeur

Zondag 29 maart, Delft

 

Afgelopen vrijdag was ik voor het eerst in mijn leven in Ahoy. Toen ik het immense parkeerterrein opreed, bedacht ik dat dit wel eens uniek zou kunnen zijn. Hoeveel Nederlanders zijn er niet in Ahoy geweest? Niet veel denk ik. Het is toch wel het ultieme bewijs dat ik niet van mensenmassa’s houd. Eenenzeventig jaar lang heb ik die massa’s weten te vermijden.

Ik ging naar Ahoy voor Art Rotterdam, een beurs voor beeldende kunst en fotografie. Die combinatie is er dit jaar voor het eerst. Tot nu toe ging ik jaarlijks naar Unseen, een fotobeurs op het Westergasterrein in Amsterdam. Het was volgens mij een van de grootste fotografiemanifestaties in Nederland. Zoals bij zoveel bijzondere initiatieven ging het financieel niet voor de wind, en daardoor werd het uiteindelijk opgenomen in Art Rotterdam. Een gouden zet, wat mij betreft. Het kan bijna niet anders of je bent als fotograaf ook geïnteresseerd in beeldende kunst.

Ik had vrijdag het geluk om als een van de eersten naar binnen te gaan. Dies kan hoogstens zes uur alleen zijn — dan moet hij toch echt naar buiten. Kunstliefhebbers houden niet van vroeg opstaan, bleek, want de beursvloer vulde zich maar langzaam. Hierdoor had ik mooi de tijd om rustig te kunnen kijken. En toen ik tegen twee uur naar huis ging, vervuld van kunst, vreesde ik dat het syndroom van Stendhal wel eens kon toeslaan.
Ik vond het bezoek aan Art Rotterdam een genot. Het duurt maar drie dagen, dus nu is het voorbij. De kans om er nog heen te gaan is verkeken. Maar mocht je geïnteresseerd zijn in beeldende kunst en fotografie, tip: volgend jaar zeker gaan.

Dit bezoek was ook nog een levensles voor me. Toen ik voor de eerste keer terugkwam uit Frankrijk en in Groningen ging wonen, vatten Marc en ik het idee op om een fotogalerie te beginnen. Het mislukte omdat het ons niet lukte in Groningen tegen een redelijke prijs een ruimte te vinden. Gelukkig maar. Want Unseen maakte me duidelijk dat ik geen galeriehouder ben. Je zult maar een hele dag in een galerie moeten zitten en wachten op bezoek. Goed beschouwd is er qua fysieke en mentale beleving toch weinig verschil tussen een verkoper bij de Etos en een galeriehouder.

Nou maken die galeriehouders er nog wat van door er artistiek bij te lopen, waardoor het wat lijkt. Maar ik houd helemaal niet van artistieke brillen; Marc volgens mij ook niet.
Tijdens Art Rotterdam was er aan bezoekers geen gebrek, uiteindelijk werd Ahoy een mierennest. Maar als je in een galerietje ergens in een zijstraatje in Groningen zit, dan is het toch vermoedelijk vooral veel verveeld op je computer surfen.

Het vervelende van zo’n kunstbeurs is dat iedereen hoopt op kopers. Je hebt niet voor niets die dure vierkante meters betaald. Daarom nam ik het de galeriehouders niet kwalijk dat ze elke keer dat ik een stand binnenliep hongerig keken en contact met me wilden leggen. Wie weet was ik die rijke verzamelaar wel. Voor mij als voyeur op deze beurs vereiste het enige techniek om te doen alsof ik die hoopvolle blikken niet zag.

Zeker toen het druk werd, had ik daar geen last meer van. Ik viel steeds minder op. Ongezien dwaalde ik langs de mooiste en nieuwste kunst, een feest voor het oog en de geest. Gelukkig was ik weer op tijd thuis om Dies uit te laten. Hij was niet eens blij dat ik mooi op tijd terug was.

Journal d’images

Journal

 

Dialoog vader/dochter

Readymade

 

Zaterdag 28 maart, Delft

 

Ik zit in de auto en heb een vriend aan de lijn. Terwijl ik in gesprek ben, zie ik dat Esmee (mijn dochter) belt, maar ik kan dus niet opnemen. Het is nogal een lang gesprek met mijn vriend. Ondertussen zie ik dat Esmee appjes stuurt. Omdat ik inmiddels in Delft ben gearriveerd, lees ik de appjes pas wanneer ik thuis ben.

Esmee: Pa? Leef je nog?

Ik: Nee.

Ik bel haar terug, maar ze neemt niet op. Na een paar keer proberen besluit ik haar te appen.

Ik: Leef jíj́ nog?

Esmee: Nee.

Ik: Waarom ben ik niet uitgenodigd op je begrafenis?

Esmee: Waarom ik niet op die van jou? Als we het samen doen, kan het een knalfeest worden. Champagne! Sushi! Live band! Helemaal gezellig. Ooww en bitterballen.

Ik: Tot aan de hemelpoort.

Esmee: Tot zo!

Ik: Ik ben er al. Feestje is net begonnen.

Esmee: Hè, kut. Ben onderweg!

Ik: Oh shit, nu zie ik dat jij op de lijst van de hel staat. Ik doe wel een goed woordje voor je.

Esmee: Dit kan jij regelen!! Al lijkt mij de hel ook wel interessant. Potje dammen met Hitler.

Ik: Natuurlijk. Ik heb een groot netwerk.

Esmee: Maakt niet zoveel uit als het niet lukt hoor. Ik zal mij daar beneden prima vermaken.

Ik: Ome Jan loopt hier ook rond. Hij is de assistent van Petrus geworden.

Esmee: Ooww, wat gezellig. Hoe is het met Jan?

Ik: Hij heeft het erg naar zijn zin hier. 

     Aj, niet best, Petrus heeft je weer op de lijst van de hel gezet. Hij vindt je ondankbaar.

Esmee: Ik begrijp hem wel. Maar bedankt voor het proberen, pa.

Ik: Graag gedaan.

Esmee: Doe je af en toe ff een blogje?

Ik: Tuurlijk. Dossierhemel.nl.

Journal d’images

Journal

 

Wortelloos

Vrijdag 27 maart, Delft

 

Geen kwaad woord over Delft.

Naar alle andere steden en dorpen waar we hebben gewoond, verhuisden we omdat we dat graag wilden. Of moesten, omdat het werk ons daarheen bracht. In Delft zijn we bij toeval beland. We kwamen uit Frankrijk omdat Wyb werk in Den Haag had gevonden. Wel werk, geen huis. De eerste weken reisden we van het ene vakantiepark naar het andere hotel. Door groot geluk konden we een huis in Delft krijgen, een stad die we beiden totaal niet kenden.

Nu we Den Haag en Rotterdam beter leren kennen, waar we aanvankelijk naar huizen zochten, realiseer ik me helemaal wat voor een geluk we hebben gehad. Voor hetzelfde geld waren we in een of andere buitenwijk in een hoge flat terecht gekomen.

Er is eigenlijk maar één ding dat me tegenstaat. Elke dag realiseer ik me dat weer als ik boven zo’n blog datum en plaats schrijf, de naam Delft. Ik vind het een rotnaam, een beetje een snauwerige naam. Delft, Delft, Delft: als je het vaker achter elkaar uitspreekt, lijkt het wel een soort blaffen. Of beter: keffen.

Misschien komt die weerstand ook doordat we enorm zijn verwend wat plaatsnamen betreft. Neem mijn geboorteplaats Nijmegen. Als je die naam uitspreekt, zie je toch de Waal langs de stad stromen; dan heb je meteen uitzicht op de Ooijpolder. Nijmegen.

Of neem Groningen: een rasperige naam, maar een karakteristieke naam. Je hoort de koude wind van het Wad over ’t Hoge Land waaien. Het knauwen van de taal.

Daarna gingen we naar Leeuwarden, een naam waarin je de trotse, Friese geschiedenis hoort.

En om dan maar meteen echte grandeur erin te gooien: Saint-Hyppolyte-du-Fort aan de voet van de Cevennen. Een naam als het galmen van een kerkklok. Ik besef dat daar niets overheen komt. Zelfs niet ‘s-Hertogenbosch, waar we ook nog een tijdje hebben gewoond. Arnhem vind ik ook geen mooie naam voor een stad. Maar het kan zijn dat ik als Nijmegenaar daarin niet helemaal objectief ben. Van de naam Dwingeloo gingen we wel meteen houden.

En natuurlijk Cadouin, uit te spreken als ‘Ka-dwen’, een naam als een geweerschot, die heel kernachtig de schoonheid van de Dordogne laat zient.

En dan nu Delft.
Of het nu door de naam komt, of omdat we hier per ongeluk zijn aangespoeld, de stad — hoe sympathiek en mooi ook — blijft toch een fremdkörper voor me. Ik moet tot mijn schande bekennen dat ik nog steeds niemand in deze stad ken. Echt niemand. De enige mensen die ik kan groeten zijn de mensen die, net als ik, ’s ochtends hun hond uitlaten. Ik verblijf hier. Maar wonen?

Nu Wyb een tijdje weg is, denk ik wel eens: stel dat mij iets gebeurt. Wie gaat er dan op Dies passen? Zelfs met onze buren hebben we geen contact. Ik ken ze niet; we groeten elkaar, en daar blijft het bij. Desalniettemin wonen we hier heel prettig en zouden we niet weg willen. Maar het voelt toch wortelloos. Ik heb nog nooit ergens zo wortelloos gewoond.

Journal d’images

Journal

 

Nachtleven

Woensdag 25 maart, Delft

 

De helft van de wereld zien wij niet. De reden is simpel: het is er te donker voor en wat in die wereld leeft, laat zich liever niet zien. Gelukkig zijn er mensen die die wereld toch zichtbaar voor ons maken.

Zo iemand is de Franse natuurfilmer Vincent Munier. Een paar jaar geleden zag ik in Forum in Groningen, op een prachtig groot scherm, gezeten op een decadente stoel, meer liggend dan zittend, zijn film The Velvet Queen. In die film gaat hij op het Tibetaanse Hoogland, 4500 meter hoogte, in een guur en kaal landschap op zoek naar het sneeuwluipaard.

Wekenlang dwalen ze door dat onwereldse landschap. Ik zeg ‘ze’, omdat hij vergezeld is van de schrijver Sylvan Tesson, die van hun tocht op schrift verslag doet. Het sneeuwluipaard is een uiterst schuw dier, hoeveel er nog van over zijn, weet niemand. Soms denkt men zelfs dat het is uitgestorven. Het sneeuwluipaard is een meester in camouflage. In de film zie je de rug van een bergketen: alleen maar rots en kaalheid, denk je, en plotseling begint een steen te bewegen. Het sneeuwluipaard waant zich veilig en sluipt verder.

Momenteel draait er een andere film van hem in de Nederlandse filmhuizen: Le Chant des Forêts. In het Engels vertaald als Whispers in the Wood. Na zijn vorige film wilde ik deze zeker niet missen. Maar het mooie is: Whispers in the Wood laat mij een wereld zien waarin ik woon — niet in Delft, maar wel in Cadouin.
Munier maakt zichtbaar wat ’s nachts volop rond ons huis aanwezig is, maar wat wij niet zien omdat we in de eerste plaats te lui zijn — ons bed is zo heerlijk warm — en op de tweede plaats omdat de wezens die in die nacht wonen zich niet aan ons willen laten zien. Ze kijken wel uit. Ze hebben niet voor niets de nacht als schuilplaats opgezocht. Ze weten dat de mens een gevaarlijk dier is.

Vincent Munier heeft de film in de Vogezen opgenomen, maar het hadden ook de bossen van de Dordogne kunnen zijn. Sterker: het is het bos van onze berg waar ons huis op staat. Zo is er op de top van onze berg (het is eigenlijk een heuvel, maar ik vind het nou eenmaal stoerder om hem berg te noemen) een grote dassenburcht. De sporen rondom de burcht laten zien dat er volop leven is in en rond het bouwsel. Maar ik heb slechts één keer een das gezien en dat was nog omdat Dies dacht dat hij achter een poes aan zat. Elke nacht dalen dassen van onze berg af, maar ik zie ze nooit.

Hetzelfde geldt voor de dwerguil. Een ontzettend vertederend uiltje. Rond ons huis zat afgelopen zomer een hele familie. Leuk, zou je zeggen, en dat was het ook, maar aan de wetten van de geluidsoverlast houden ze zich niet. Ik weet inmiddels dat ze fanatiek met elkaar communiceren en dat je zelfs aan vertederende uiltjes de pest kunt krijgen.

Ook voor de dwerguil geldt dat ik hem nooit heb gezien, alleen maar eindeloos gehoord. Gelukkig heb ik ze nu in Le Chant des Forêts in volle glorie kunnen zien. Evenals de burlende herten en de sfinx. Met dank aan Vincent Munier en zijn kleinzoon. Hoezo kleinzoon? Ga zelf maar kijken.

Journal d’images

Journal

 

Berichten uit Nepal

Dinsdag 24 maart, Delft

 

Ik nam de voor mij rare beslissing om niet mee te gaan met Wyb (echtgenoot) en Anne (dochter) naar Nepal. Het is de eerste keer dat ik een kans op zo’n reis aan mij voorbij heb laten gaan. Het waarom van die beslissing houdt me nog steeds bezig en een antwoord heb ik nog niet. Is ‘gewoon geen zin’ een goede reden? Of word ik gewoon oud en ben ik de dagen moe?
Waar ik al een beetje bang voor was, is dat ik, gaande hun reis, toch best zin kreeg om mee te reizen. De berichten, de foto’s, mijn reislust werd erdoor aangewakkerd. Helaas te laat.

Niet dat ik het erg vind om hier alleen in Delft te zitten. Het fijne van enig kind zijn is dat je getraind bent in jezelf vermaken. Ik vind mezelf prima gezelschap, waarmee ik de dagen goed doorkom. En wat is alleen zijn als je een hond als huisgenoot hebt? Ik ben niet iemand die hardop in mezelf praat, maar met Dies (hond) voer ik wel hele gesprekken. Dat vind ik niet gênant omdat wij elkaar prima verstaan.

Wat mij parten speelt — een oud probleem, of moet ik het een kwaal noemen? — is mijn bezorgde aard. Wyb en Anne zitten nu zo’n zesduizend kilometer van me vandaan. En dan kondigt Anne in een appje aan te gaan paragliden. Ik laat haar natuurlijk meteen weten dat ik dat levensgevaarlijk vind. In een volgend appje word ik weggehoond. Een paar uur later zie ik haar gillend vliegen, met uitzicht op haar beentjes die hulpeloos in de lucht wapperen. De piloot doet allerlei kunstjes, ik weet dat Anne het prachtig vindt.
Als mijn dochters ons iets verwijten in de opvoeding, is het wel dat wij nooit naar kermissen of pretparken gingen. Het gevolg is dat beide dames gek zijn op attracties.
Dan volgt de vraag in Delft of ze veilig is geland. Het duurt dan veel te lang voordat ik daarvan een bevestiging krijg. Is ze dan toch neergestort? Zorgen — en hoe bestrijd je die?

Gisteren kreeg ik het bericht van Wyb en Anne dat ze een tocht door de jungle gingen maken. Eerst twee uur kanoën, daarna een mars van negentien kilometer door de jungle. Niet in een jeep, maar lopend. Hun grootste wens: neushoorns tegenkomen.
Voor Anne blijkt de tocht halverwege te zwaar omdat ze zich niet helemaal lekker voelt. Ja, vind je het gek, denk ik dan, vorige maand had je nog dengue en dacht je dat je nooit meer opknapte. Al dit soort dingen spelen dan door mijn hoofd heen en ik kan ze alleen aan mezelf kwijt.

Wyb komt verdomme inderdaad voor een neushoorn te staan. Een volwassen mannetje komt opeens uit de struiken, twintig meter bij haar en de gids vandaan. ‘Gewoon blijven staan,’ fluistert de gids. ‘Niet bewegen. Hij kijkt niet naar ons en dan heeft hij ons niet in de gaten. De wind staat gunstig, dus hij krijgt ons niet in de neus. Als hij ons wel ziet, moeten we zo hard mogelijk weglopen.’
Als ik erbij was geweest, waren we natuurlijk nooit door de jungle gaan lopen, door een gebied waar ook nog eens tijgers leven. Even later ligt er midden op het pad een python.

Daarna sturen Wyb en Anne een filmpje waarin ze in een praam zitten. Ze varen langs krokodillen, zo groot als boomstammen. Je hebt best een lastig leven als je familie reislustig en avontuurlijk is ingesteld, terwijl je zelf het liefst een boek zit te lezen.

Mijn moeder zou vele schietgebedjes hebben gepreveld. Maar ook in schietgebedjes heb ik geen vertrouwen. Het enige wat ik kan doen is hopen dat Wyb zondag weer gezond op Schiphol landt. Anne volgt dan hopelijk twee dagen later, want samen vliegen lukte niet meer door een inmiddels volgeboekt vliegtuig. Iedereen weer gewoon thuis — daar kan ik me nou echt op verheugen.

Journal d’images

Foto Anne Tonen.

Journal

 

Triomf

Maandag 23 maart, Delft

 

Ik scrolde door mijn fotoarchief op zoek naar een foto voor het blog van gisteren. Ooit maakte ik in de Hermitage in St. Petersburg foto’s van suppoosten die zaten te slapen. Een zo’n foto was toch een mooie illustratie geweest bij het blog. Ik kan de foto helaas niet vinden. Onder andere omdat ik niet weet in welk jaar we in Sint-Petersburg zijn geweest. Ik stuur nog een appje naar Wyb in Nepal, maar krijg geen antwoord. Vermoedelijk loopt ze door de jungle op zoek naar neushoorns, wat ze vandaag zou gaan doen.
Mijn fotoarchief is te groot; daar komt bij dat ik het niet goed heb gearchiveerd. Alles staat in chronologische volgorde, maar ik heb de meeste foto’s geen tag meegegeven. En blader maar eens door 45.000 foto’s.

Al scrollend kom ik onderstaande foto tegen. Ik maakte hem, denk ik, zo’n negen jaar geleden. Ik wandelde door de tuin bij het Rijksmuseum en zag een aantal jongeren een spannende schaakpartij spelen. Omdat de partij in de eindfase was, bleef ik even staan kijken. Uiteindelijk won het meisje, haar overwinning werd uitbundig gevierd. Ik vroeg of ik de overwinningsfoto mocht maken. Dat mocht. Ze pakte de dame en zette haar voet triomfantelijk op de koning. De vrouw overwint de man: mooi beeld.

Normaal gesproken zou deze foto me niet zijn opgevallen, maar het toeval wil dat ik de avond daarvoor naar de Netflix-documentaire Inside the Manosphere had gekeken, een documentaire van Louis Theroux. Voor wie niet weet wat de manosfeer is: eigenlijk is het een verzameling websites, blogs en online fora die een extreem macho wereldbeeld promoten en zich agressief verzetten tegen het feminisme.

Als boomer heb je al snel de neiging om te denken: het zal wel. Maar het punt is dat deze internetgemeenschap inmiddels heel groot is. Vraag het maar aan je kleinzoon of een andere snotneus in de puberteit. Als je de documentaire kijkt, realiseer je dan dat ons nageslacht sterk door deze influencers wordt beïnvloed. En daar word je niet vrolijk van.

Ik geloofde mijn ogen niet. Qua menselijke cultuur en denken is het een terugkeer naar de prehistorie. Die gasten staan zich de hele dag op te pompen in hun eigen sportschool. Het gaat om sixpacks en een buik als een wasbord. En daarnaast denken ze: ik kan alles bereiken wat ik wil, en vrouwen zijn totaal dom en ondergeschikt aan de man. Een paar van die gasten zijn ook nog eens stinkend rijk omdat ons nageslacht zich abonneert op cursussen waarin ze leren ook een echte man te worden.

Het is om te janken, zo dom. Voor mij als misantroop is het waardevol materiaal: het bewijst maar eens hoe achterlijk de menselijke soort is en dat ze altijd weer terugvalt in domheid. Wie verwacht nou dat dit soort gastjes na al die feministische golven nog zou kunnen bestaan?

Je zou denken dat de mens toch een stap verder op de beschavingsladder heeft gezet. Helaas: nada, nop. In de documentaire maak je kennis met gekken zonder ethiek, zonder empathie, zonder humaniteit. Het is de totale onverschilligheid, het totale egoïsme, de totale minachting voor de vrouw. Ook erg belangrijk: veel vrouwen neuken. O ja, en ik moet de agressie niet vergeten. Eens iemand in elkaar slaan werkt zeer statusverhogend, en dat moet dan zeker gefilmd worden. De zwamneus en prutser Trump is natuurlijk gek op de manosfeer. Hij ontvangt ze graag in zijn met goud behangen Oval Office.

Daarom de foto hieronder: de triomf van de dame over de koning. Dat de zachte krachten uiteindelijk triomferen over brute kracht.

Journal d’images

Journal

 

Afwijkende bewegingen

Zondag 22 maart, Delft

 

In het boek dat ik momenteel lees, Al het moois in de wereld, geschreven door een suppoost van het Metropolitan Museum of Art, Patrick Bringley, staat een intrigerende bewering. Ik kan de passage zo snel niet meer terugvinden; ik heb hem niet onderstreept — dom, dom, dom. Waar het op neerkomt, is dat hij zegt dat acht uur op een marmeren vloer staan zwaarder is dan twaalf uur staan op een houten vloer. Maakt het voor de conditie van het staan uit op wat voor vloer je staat? Het is voor het eerst dat ik dat hoor.

Ik check het bij de enige suppoost die ik ken: Reinier. Hij is eigenlijk schrijver, maar zoals zovelen heeft hij er een baantje bij om te overleven. Ik leg hem de bewering voor en hij antwoordt: ‘Ik heb ’t verschil eigenlijk nooit gemerkt. Ik beweeg mij liever en scan ondertussen mijn omgeving. Soort zweven, zo ervaar ik suppoosten.’

Ik verbaas me over het woord zweven. Ik dacht altijd dat suppoosten als het ware een dagelijks gevecht tegen de zwaartekracht leverden. Dat hoe langer de dienst duurt, hoe vermoeider je wordt, de zwaartekracht gaat natuurlijk een steeds grotere rol spelen.

Maar als ik er even over nadenk, dan begrijp ik dat zweven wel. De suppoost staat als enige de hele dag in dezelfde ruimte. Hij kent die ruimte van haver tot gort. Hij weet precies de gewoontes van het publiek: hij heeft overzicht, waardoor hij als het ware boven de bezoekers zweeft. Iedereen die zich enigszins anders gedraagt, heeft hij daardoor meteen in de gaten. Misschien is dit wel een belangrijk principe bij bewaking: je moet een beetje zweven om overzicht te houden.

Het doet me denken aan de keer dat ik foto’s wilde maken op Schiphol. Ik stapte eerder uit de trein om eens te kijken of Schiphol mooie foto’s kon opleveren. Zonder doel zwierf ik door de ruimtes. Heel raar. Want als je op Schiphol komt, heb je eigenlijk altijd een doel. Je komt iemand ophalen, je moet met een vliegtuig mee. Of je gaat naar het panoramaterras om vliegtuigen te kijken. Niemand die denkt: kom, laat ik eens lekker over Schiphol gaan zwalken. Behalve als je fotograaf bent.

Op een gegeven moment werd ik aangehouden door een marechaussee.
‘Dag meneer, mag ik vragen waarvoor u komt?’
‘Ik kijk of ik een mooie foto kan maken.’
‘Dat is hier verboden, er mogen hier beslist geen foto’s worden gemaakt.’
Het rare is dat hij niet kan zien dat ik een camera bij me heb, want die houd ik altijd in mijn jaszak. Ik voel me altijd een beetje voor lul lopen als ik er als fotograaf bijloop.
‘Hoe komt het eigenlijk dat u vraagt waarvoor ik kom?’
Zijn antwoord: ‘Dat komt omdat u afwijkende bewegingen maakt. Ik verzoek u het pand nu te verlaten.’
Missie mislukt dus. Ik vertrek zonder foto’s.

Afwijkende bewegingen. Natuurlijk hangt Schiphol vol met camera’s. Iedereen die niet doelgericht ergens naartoe gaat, valt bij het algoritme door de mand. Bij die camera’s is eigenlijk ook sprake van zweven. Ze zweven als het ware boven de massa en detecteren de gangen van de mensen. Iemand die van hot naar her zwerft, valt meteen door de mand: dat heet dan een afwijkende beweging. Goede reden voor nader onderzoek: je weet nooit.

Journal d’images

Journal

 

De suppoost

Zaterdag 21 maart, Delft

 

‘Het wordt tijd om weer eens iets groters te maken,’ zei ik tegen mezelf, aangezien mijn naasten door Nepal reizen. Een project dat ik nog altijd graag wil maken, is een fotoboek met de titel: De laatste lezers.
Het idee: ik fotografeer tussen zestig tot tachtig lezende mensen in uiteenlopende omgevingen. Ik vraag de lezer of hij of zij mee wil werken aan het fotoboek. Ik maak een foto, vraag vervolgens de naam, maak een foto van het boek dat hij leest en of hij in één of twee regels iets over het boek wil schrijven. Daarna wil ik het bibliofiel uitgeven. Het moet een monument worden voor allen die nog lezen.

Om de daad bij het woord te voegen, besluit ik ’s middags met Dies in de Scheveningse Bosjes te gaan wandelen. Fototoestel mee, want ik herinner me dat daar best veel mensen op bankjes zitten te mijmeren en te lezen. De belangrijkste vraag is: weet ik mijn brutaliteit terug te winnen om mensen zomaar aan te spreken?

Voor Dies wordt het een gouden middag. Het is een gebied waar altijd veel honden loslopen. Allemaal even lekker snuffelen aan elkaar. Qua planuitvoering is het voor mij minder geslaagd. Er zitten inderdaad mensen op bankjes te lezen, maar ze hebben verdomme allemaal een e-reader in de hand. Mensen die e-readers gebruiken, worden overgeslagen. De slechte start maakt me niet zoveel uit, want een deadline heb ik niet; daar doe ik niet meer aan.

Op een ander project — meer een idee — kom ik als ik de volgende dag de tentoonstelling Birds in het Mauritshuis bezoek. Een tentoonstelling waar Wyb en ik twee weken geleden heen gingen, maar toen bleken we een dag te vroeg te zijn.
Als ik door het museum loop, herinner ik me dat ik ooit een idee had voor een kort verhaal. Het zou De suppoost moeten heten. Het gaat om een suppoost die op een zaal staat waar maar één schilderij hangt.

Op een gegeven moment begint het schilderij hem tegen te staan en besluit hij het in een ander schilderij te transformeren. Elke dag besluit hij met één toets — een veegje met een kwastje — millimeter voor millimeter, er een ander schilderij van te maken. Het wordt een project van jaren. De verandering vindt zo langzaam plaats dat niemand het merkt.

Hij merkt zelfs dat, als hij al veel heeft gedaan, het publiek steeds enthousiaster over het schilderij wordt. Als hij bijna klaar is, neemt een curator afscheid en komt er een nieuwe curator. Hij ziet oude foto’s van het schilderij en het valt hem meteen op dat het een totaal ander schilderij is geworden. De vraag is of ze dit wereldkundig maken of het schilderij gewoon zo laten hangen. Vertelt de suppoost dat hij de dader is, of zegt hij van niets te weten? Zegt hij dat het blijkbaar een keer is verwisseld, of dat het voor zijn tijd is gebeurd? Over die vragen ben ik nog niet uit.

Voor inspiratie besloot ik het boek Al het moois in de wereld van Patrick Bringley te lezen. Hij werkte bij The New Yorker, maar door het overlijden van zijn broer besloot hij suppoost te worden in het Metropolitan Museum of Art. Een curieus boek waar ik erg van geniet.

Het heeft me doen besluiten ook suppoost te worden. Het lastige is wel dat ik door een vervelend akkefietje een paar jaar geleden om de twee uur ongeveer moet piesen. Ik hoop niet dat dit bezwaarlijk is. Ik weet niet of je als suppoost zomaar even kunt weglopen en de boel onbewaakt kunt achterlaten.

 

Journal d’images

Journal

 

Dromen en daden

Donderdag 19 maart, Delft

 

Net voordat ik de televisie aanzet, krijg ik een appje van Peter: ‘Ik word zo zenuwachtig van socioloog Marianne van Bockhove die bij elk woord dat ze zegt zo hard met haar hoofd schudt dat je bang wordt dat het eraf valt.’
Had hij dat maar niet gezegd. Van Bockhove geeft duiding bij de verkiezingsuitslagen. Maar sinds dat appje van Peter zie ik alleen nog maar dat hoofd neurotisch heen en weer gaan. Inderdaad: bij elk woord flitst haar hoofd de andere kant op. Ik raak er zo door geobsedeerd dat ik geen woord van wat ze zegt in me kan opnemen. Niks duiding dus.

Ik heb al wat later ingeschakeld. Al die uitslagen van al die gemeenten. Wat moet je ermee? En ik verlang ontzettend terug naar Herman van ’t Zand (Herman de Schermman), die op zo’n rustige manier het scherm met uitslagen wist te swipen. In zijn plaats is een of andere zenuwpees gekomen die denkt dat swipen een wedstrijdje is. Hij laat een gemeente zien en gaat meteen door naar de volgende. Televisie maken is ook een verhaal vertellen, meneer. Bij elke gemeente zegt hij: ‘Alweer een best grote gemeente.’

De man die zorg moet dragen voor de lopende teksten onder in beeld is in slaap gevallen. Eindeloos komen de exitpoll-uitslagen van Dokkum, Doetinchem en Venlo langs. Ja, dat weet ik nu wel, wil ik naar de televisie schreeuwen, maar ik weet dat het geen zin heeft.

Inmiddels wil ik de televisie uitzetten, maar Dies heeft zijn kop op mijn been gelegd en ligt diep te slapen. Omdat ik hem niet wil storen, blijf ik zitten.

Er wordt deze dag een groot succes geboekt. De opkomst stijgt, zo is de verwachting van 51% bij de vorige verkiezingen naar 53% nu. Chapeau. De politici vieren dit bij voorbaat als een hoopvolle overwinning. Ze hebben zich dan ook enorm uitgesloofd. De burgemeester van Rotterdam gaat bij een hogere opkomst van de Euromast abseilen. Jetten sluit zich daarbij aan. Markouch staat te rappen in een zwetende zaal. Arme man. Je ziet hem denken: ik wil naar huis. Ik dacht altijd dat theaterdirecteur een rotberoep was, maar burgemeester is volgens mij nog een tikkeltje erger. In andere gemeenten zijn er, als je gaat stemmen, gratis bier en frikandellen. Sinds de Romeinse tijd is er niets veranderd. Het volk lijm je met brood en spelen.

Nu weet ik wat ik fout heb gedaan. Ik had wél mee naar Nepal moeten gaan. Maar ik heb nooit gedacht aan die verkiezingsavond op televisie. Als ik was meegegaan, had ik vanavond — zo blijkt uit de foto’s die ik krijg toegestuurd — veel vrolijkheid beleefd en had ik de verjaardag van Wyb lijfelijk kunnen meevieren. Een beetje afstand nemen van Nederland was heel heilzaam voor mij geweest.

De conclusies.
De NSB marcheert de gemeenten weer binnen. Ditmaal met drie andere letters: FvD.
De lokale hobby-partijen zijn weer groter geworden. Dit betekent opnieuw meer afsplitsingen in de komende vier jaar.
Voor sommige steden en dorpen past het aantal partijen niet meer op één scherm. Het wordt steeds duidelijker dat binnenkort iedere Nederlander zijn eigen partij heeft.
Wilders drukt weer zijn snor.
De Mos viert de totale overwinning.
De beloftes zijn enorm. Tussen dromen en daden staan helemaal geen wetten en praktische bezwaren in de weg: als u maar op mij stemt.
Dat wordt weer veel teleurstelling.

Journal d’images

Journal

 

Vrijwilliger

Woensdag 18 maart, Delft

 

1.

Goed om te zien dat mijn oproep van gisteren om lekker thuis te blijven als je geen bal verstand hebt van politiek, of als je met je onderbuik gaat stemmen, of omdat ‘ze toch niet naar mij luisteren’, massaal wordt opgevolgd. Ik stond helemaal alleen in het stembureau. Tegenover mij zaten, achter een tafel, drie vrijwilligers die het democratisch proces controleren en in goede banen leiden. Toch fijn dat mijn blog inmiddels zoveel invloed heeft.

Ik mag zelfs twee stembiljetten invullen. Wyb, die vandaag jarig in Nepal loopt te wandelen, heeft mij gemachtigd. Natuurlijk heb ik de rondjes van GroenLinks/PvdA weer rood gemaakt. ‘Volg jij dan de politiek van Delft? Hoe weet je nu dat dit een goede partij is in Delft?’ zal de scherpslijper mij nu vragen.

Dat is het fijne van stemmen op een landelijke partij. Als ik op Delft Vooruit! zou stemmen, had ik geen idee waarop ik stem. Door op GroenLinks/PvdA te stemmen weet ik dat die partij wordt geïnspireerd door het sociaaldemocratisch gedachtegoed. Ik neem voetstoots aan dat ook de afdeling Delft politiek bedrijft volgens dit gedachtegoed. Daarin ben ik, in al die steden en dorpen waar ik heb gewoond, ook nooit teleurgesteld. Dat is het voordeel van ideologisch stemmen: je hoeft je niet in de dorpspolitiek te verdiepen.

2.

Eergisteren ben ik naar het gloednieuwe filmhuis in Delft geweest om de film Joe Speedboot te zien. Het is de eerste week dat het filmhuis open is. Ik weet zeker dat ik er vaak zal komen: een puik gebouw, vier zalen. Het wordt gerund door drie betaalde krachten en honderdveertig vrijwilligers.

Natuurlijk wilde ik Joe Speedboot zien. Toen ik het boek had gelezen, noemde ik het het beste Nederlandse boek dat ik in tijden had gelezen. Na al die Ontdekkingen van de hemel van Mulisch en het vermoeide gereutel van Reve was eindelijk het straatrumoer in de Nederlandse literatuur doorgedrongen. Zo verrassend als ik het boek toen ervoer, zo vlak ervoer ik de film. Hij was best onderhoudend, had mooie beelden, maar de glans ontbrak voor mij.

Ik was daar trouwens niet alleen voor de film. Mijn naaste familie maakt zich namelijk zorgen over mijn teruggetrokken leven. Ze vinden dat ik me meer onder de mensen moet begeven, socialer moet zijn. Stom genoeg opperde ik twee weken geleden dat ik misschien vrijwilliger in het filmhuis zou willen worden. Het enthousiasme van mijn naaste familie was groot. ‘Dat moet je zeker doen.’

Ik besloot even polshoogte te gaan nemen en de sfeer te proeven. Toen het publiek binnenstroomde, wist ik het al: niet doen. Ik kreeg het meteen benauwd. Ik denk toch echt dat ik als theaterdirecteur PTSS heb opgelopen. Ik moet er niet aan denken om weer in een volle foyer te gaan staan en een praatje met jan en alleman te moeten maken. Mijn hele leven ben ik supersociaal geweest, laat me alsjeblieft een paar jaar asociaal zijn. Ik geniet van mijn teruggetrokken leven. Ik vermaak mij prima met mezelf.

‘En? Word je vrijwilliger?’ appt Wyb vanuit Nepal.
‘Mijn PTSS speelde meteen op. Ik kreeg het benauwd bij die gedachte,’ app ik terug.
‘Ik wist het,’ appt Anne, ook vanuit Nepal. ‘Gerard haat mensen.’

Nee, lieve schat, ik haat mensen helemaal niet. Ik heb een somber mensbeeld, maar de individuele mens haat ik helemaal niet. Sterker, van heel veel mensen hou ik, dat moet jij als geen ander weten. Alleen kan ik er niet tegen als een heleboel mensen bij elkaar zijn en ik heb de pest aan social talk. Altijd gehad trouwens, ook toen ik directeur liep te zijn in het theater.

Na de film liep ik meteen naar huis. Aan nazitten hoef ik gelukkig ook nooit meer te doen! Thuis werd ik enthousiast door Dies ontvangen. ‘Nee jongen, de baas moet er niet aan denken om vrijwilliger te worden.’ Dies begreep het als geen ander.

Journal d’images

Journal

 

Lekker thuisblijven

Dinsdag 17 maart, Delft

 

De nieuwsrubrieken staan bol van politici die iedereen oproepen om toch vooral te gaan stemmen. Ze gaan er zelfs de straat voor op. Ik zou zeggen: ‘kappen daarmee.’

Sommige mensen kunnen echt beter thuisblijven. Wat zeg ik: ‘sommige’? Heel veel mensen kunnen beter thuisblijven. Waarom zou je mensen laten stemmen die er geen verstand van hebben en zich er totaal niet in hebben verdiept? Die kunnen de democratie alleen maar kwaad doen. Grote kans dat ze stemmen op zo’n onbenullig lokaal partijtje of op een of andere schreeuwpartij die nog geen deuk in een pakje boter kan slaan. Het zijn allemaal verloren stemmen. Tegen al die mensen moet gewoon worden gezegd: ‘Blijf alsjeblieft thuis.’

Je hebt van die mensen die zeggen: ‘Ik ga wel stemmen, maar ik weet nog niet op wie. Dat bepaal ik pas in het stemhokje.’ Beste mensen: lekker thuis blijven, dan heb je geen keuzestress. Als je het pas in het stemhokje bepaalt, betekent dat dat je feitelijk gaat gokken. In het stemhokje liggen geen partijprogramma’s klaar om je nog eens goed in te lezen.
Als je een nieuwe auto koopt, bepaal je toch ook niet pas in de garage welke je neemt? En dan hebben we het nog maar over een auto. Bij stemmen gaat het gvd om de democratie. Democratie is er voor mensen die nadenken, niet voor gokkers.

Verder vind ik dat er streng toezicht moet komen op de onderbuik. De onderbuik moet verboden worden in het stemlokaal. Wat mij betreft, als je gaat stemmen: eerst je stempas laten zien, dan je identiteitsbewijs en vervolgens moet je gefouilleerd worden op het eventueel in bezit hebben van een onderbuik. In een democratie gaat het om het verstand, niet om onderbuiken. De onderbuik is de bom onder de democratie.

Het is echt niet erg als je niet stemt. Als je geen zin hebt, als het je niets zegt, of omdat je geen vertrouwen hebt in politici omdat ‘die toch nooit naar mij luisteren’. Schenk thuis nog een lekker kopje koffie in, in plaats van te gaan stemmen. Je mag meedoen, je hoeft niet mee te doen. Ik durf wel te beweren dat het een zegen is voor de democratie als jij niet meedoet.

Al die landelijke politici die nu over straat zwerven met foldertjes, die iedereen toch meteen weggooit: terug naar Den Haag. Niks stimuleren en makkelijke woorden als ‘wij vinden het belangrijk dat u gaat stemmen.’ Veel te vrijblijvend allemaal. Zeg gewoon: wij willen alleen dat u gaat stemmen als u zich erin heeft verdiept. Anders lekker thuisblijven.

Stemmers die er de ballen verstand van hebben, verdunnen de kansen van serieuze partijen. Het resultaat zie je in de Tweede Kamer. Ik geloof dat we nu zeventien partijen hebben. Hoe ondergraaf je een land. Er zijn gemeenten waar partijen in zitten met hoogstens wee zetels. Kiezers zonder verstand verstieren het bestuur van dit land.

Journal d’images

Journal

 

Ouderliefde

Maandag 16 maart, Delft

 

Rond 21 december vorig jaar vierden Wyb en ik met lekker eten en vogelen ons 25-jarig samenzijn op Texel. Op waarneming.nl zagen we dat aan de Waddenkant een brileider was gespot, een zeldzame vogel. Normaal kun je die alleen in Alaska en Siberië zien. We besloten erheen te gaan om te kijken of we de eider konden spotten, maar ook om de toeloop van vogelaars te zien. Ik vind de opwinding onder vogelaars vaak nog interessanter dan de vogel zelf.

We hoefden niet lang te zoeken. Onderaan de dijk stond een enorm aantal auto’s; het kon niet missen dat de brileider daar ergens moest zitten. We klommen de dijk op en daar zagen we een verzameling mensen met enorme toeters op hun camera’s. Het leek wel een showcase voor fotografen. Gelukkig hadden we onze verrekijker bij ons en daardoor zagen we de brileider al snel op de basaltblokken zitten. Een vogel met een protserige schoonheid, compleet met zo’n artistieke bril waar ik zo de pest aan heb.

‘Dit bestaat niet,’ zei ik tegen Wyb, ‘Die brileider moet ziek zijn, anders bleef hij daar niet zo braaf zitten.’
‘Vogelziekte?’
‘Zou kunnen.’
De vogelaars konden hem bijna aaien.
De dag erna schreef ik op mijn blog: ‘Grote kans dat de brileider daar de volgende dag dood op het basalt heeft gelegen.’
Dat bleek niet te kloppen, want de volgende dag stond in de krant dat de vogel was opgevangen in dierenopvangcentrum Ecomare.
Verder heb ik nooit meer aan die eider gedacht.

Tot gisteren. Als laatste stuiptrekking was het arme beest gisteren landelijk nieuws. Het verzorgingshuis heeft hem niet in leven kunnen houden. ‘Vorige week laaide een worminfectie op en afgelopen donderdag stopte hij met eten,’ meldde de dierenopvang. Een uitgestelde dood dus.

Het dier werd vanuit de hele wereld gesteund, een inzamelingsactie voor de zeldzame gast leverde €10.000 op. Een woordvoerder spreekt van ‘een bijzonder verhaal met een minder leuk einde.’ Voor de proletarische meerkoet zou zo’n actie nooit zijn gelukt. Mooi zijn is niet alleen in de mensenwereld een onrechtvaardig voordeel.

Over vogels gesproken — ik heb het de laatste tijd te weinig over ze gehad — in Delft zwemmen zo’n zes à acht zwanen in de grachten. Daardoor heb ik ze beter leren kennen. Het staat buiten kijf dat het prachtige dieren zijn. Ze hebben een vorstelijke uitstraling, niet gek dat ze in vele mythes een hoofdrol spelen. Maar nu pas heb ik kunnen zien dat het gewoon ordinaire schooiers zijn.

Schuin tegenover ons in de gracht ligt een woonboot waar de bewoners de zwanen regelmatig voeren. De hele dag cruisen ze voor de boot langs om te kijken of de bewoners thuis zijn en nog wat kruimels over hebben. Op de grachten bedelen ze al drijvend bij de bankjes waar de toeristen hun broodjes eten. Ze lijken dus niet alleen vorstelijk, ze gedragen zich ook als vorsten: een beetje parasiteren op de sympathie van mensen die wel voor hun kost werken.

Ten slotte weer alle complimenten voor het ouderschap van de Nijlgans. Eind februari, toen het nog hartstikke koud was, kregen ze al zeven jongen. Vijf hebben ze zowaar in leven kunnen houden door onvoorwaardelijke zorg en trouw. De jongen worden altijd geflankeerd door hun ouders. Wee degene die bij hen in de buurt komt. Inmiddels weet ik dat dit tot het einde van de zomer doorgaat. Alle lof voor zoveel ouderliefde.

Journal d’images

Journal

 

Godswonder

Zondag 15 maart, Delft

 

Het was 1964 toen ik voor het eerst geschiedenisles kreeg. Eigenlijk werd het meteen mijn lievelingsvak. Niet voor niets ben ik uiteindelijk geschiedenisleraar geworden, al duurde dit deel van mijn carrière slechts drie maanden.

Wat ik eigenlijk wil zeggen, is dit. Toen ik op die jonge leeftijd terugkeek naar het verleden, bijvoorbeeld zeventig jaar, leek het alsof ik in een totaal andere wereld leefde. 1894 en 1964: het had niets met elkaar te maken.
Als ik vanuit 2026 zeventig jaar terug in de tijd kijk, lijkt de wereld veel minder veranderd. Of komt dat omdat ik die zeventig jaar zelf heb meegemaakt? Of kijkt een jongen van tien in onze tijd misschien met evenveel verbazing naar de jaren vijftig van de vorige eeuw als ik keek naar 1894?

Net als nu reden er in 1964 al veel auto’s op straat; er hadden geen twee wereldoorlogen tussen gezeten; de stofzuiger was al uitgevonden; er waren al raketten de ruimte ingeschoten; de cultuur vertoonde de eerste tekenen van bevrijding: jazz, rock ’n roll, de Vijftigers hadden het sonnet al afgebroken. Er waren in 1964 zelfs al prehistorische computers.
Zo peinzend kwam ik op één groot verschil. En dat komt waarschijnlijk omdat Wyb en Anne in Nepal zijn. Dat verschil heeft te maken met onze communicatiemogelijkheden.

Wyb vertelt altijd hoe ze op 19-jarige leeftijd met haar zus een jaar door India en Nepal reisde. Tijdens hun reis hadden ze nauwelijks contact met hun ouders. Soms schreven ze een brief, die er dagen over deed om aan te komen. Als hun ouders een brief terugschreven, moesten ze dat poste restante versturen. Poste restante? Wat is dat nou weer? Het is een verzendservice waarbij brieven op een specifiek postkantoor worden bewaard totdat de geadresseerde ze persoonlijk ophaalt. Anneke en Tjerk schreven dan een brief die ze bijvoorbeeld naar het postkantoor in Jaipur stuurden. Daar bewaarden ze die dan net zo lang tot Wyb en Yolanda die brief kwamen ophalen. Feest! Eindelijk een bericht uit Nederland!

Hoe anders is het nu. Hé, dacht ik eergisteren, eens kijken of Wyb al in Delhi is geland. Ik open Plane Finder en zie in real time dat ze inderdaad aan het landen is. De hoogtemeter vertelt mij dat ze van 1500 meter naar 400 meter daalt. De snelheid neemt logischerwijs steeds verder af. 75 meter, 25 meter, 0 meter — het vliegtuig zie ik steeds langzamer uitrollen. Ze is veilig geland, dus ik sluit af. Ik heb haar landing vanuit de cockpit van het vliegtuig live kunnen volgen. Ongelooflijk toch? Een godswonder voor een jongen uit 1954.

Even later waarschuw ik Anne dat het vliegveld in Delhi enorm groot is en dat het drie kwartier lopen is naar de gate. Ze zit namelijk in de aankomsthal op Wyb te wachten, maar die is na de transfer direct naar de gate gegaan. Wyb vraagt of ik haar even wil waarschuwen, dat ze moet opschieten.

Even later zou ik ze met mijn zoekfunctie in de taxi naar het hotel hebben kunnen zien rijden. Dat ga ik natuurlijk niet doen. Maar twee à drie keer per dag kijk ik wel even waar ze nu weer zijn. Hartstikke leuk.
En dan krijg ik ook nog een paar keer per dag foto’s opgestuurd. Bloedmooie foto’s, waardoor ik inmiddels stinkende spijt heb dat ik niet mee ben gegaan.

Kom daar in 1964 maar eens om: qua communicatie is de wereld in 2026 een totaal andere wereld. Ik zou hier in Delft een commandocentrum kunnen inrichten en de reis bijna één op één meemaken. Google Maps Streetview er nog bij en ik kan met ze meelopen.

Journal d’images

Foto die Wyb vandaag opstuurde. Haar onderschrift: ‘m’n pa gereïncarneerd’.

Journal

 

Generatieschaamte

Zaterdag 14 maart, Delft

 

Is het ook mogelijk om uit je generatie te stappen? Dat zou eigenlijk moeten kunnen, vind ik. Zonder dat je daar zelf enige zeggenschap over hebt, word je in ingedeeld bij een generatie. Puur op basis van je geboortedatum.

Bij mij is best sprake van generatieschaamte. Regelmatig word ik aangesproken op de kortzichtigheid en wangedrag van mijn generatie, en dat wil ik niet meer. ‘Hé, millennial!’ Dat klinkt toch veel vriendelijker dan: ‘Hé, boomer!’ Dat laatste wordt altijd onaardig of verwijtend uitgesproken. En dat begrijp ik best.

Ik vind dat wij boomers de wereld echt veel slechter achterlaten dan we haar hebben gekregen. De wereldbevolking is geëxplodeerd, gelukkig treft mij daarin geen blaam. De wereld is er niet vredelievender op geworden. Zeker nu, met dat gedoe in Iran, is de chaos compleet. Het onderwijs hebben we er niet beter op gemaakt. De woningnood hebben we niet opgelost. Ik werd in 1954 geboren op een kleine zolder aan de Broerdijk in Nijmegen en nog steeds worden kinderen op kleine, donkere zolders geboren vanwege de woningnood. Niets is veranderd.

De enigen uit mijn generatie die een beetje hun best hebben gedaan en vooruitgang hebben geboekt zijn de technici, de bèta-jongens en -meisjes. Zij hebben dingen bedacht en gemaakt die de mensheid verder zouden kunnen brengen. ‘Zouden kunnen.’ Maar ze hebben hun uitvindingen in handen gegeven van hyperkapitalisten en in plaats van een zegen is het een vloek geworden. Het spul wordt nu gebruikt om ons te manipuleren en te controleren. Het is toch om te janken.

Als misantroop beleef ik natuurlijk gouden tijden. Ik hoef maar naar iets te wijzen en te vragen: ‘Moeten we daar hoop uit putten?’ Noem mij een onderwerp waar we trots op kunnen zijn. Ja, we hebben gas opgeboord, waardoor ons land rijk werd, zodat we de hypotheekaftrek konden invoeren. Gelukkige wij. Het is ons gewoon in de schoot geworpen, niets voor gedaan. Vervolgens hebben we er ons milieu mee kapotgestookt. Nou, daar hebben we de wereld verder mee geholpen.

Ik ben geen misantroop; ze hebben van mij een misantroop gemaakt. Van nature ben ik best een opgewekt mens. Wie van mij een misantroop heeft gemaakt? Mijn generatie.
We hadden oude, wijze mannen kunnen worden. Een soort sjamanen die rond het vuur zitten en jongere generaties adviseren en bemoedigen. Wat is gebeurd: Trump 79 jaar, Poetin 73 jaar, Xi Jinping 72 jaar, Netanyahu 76 jaar. In plaats van rond dat vuur zitten, zijn ze bommen gaan gooien.

Macht, geld, gewin, liefdeloosheid, eigenbelang. Het oude liedje. Mijn generatie is geen ander liedje gaan zingen.
Waar kan ik mij uit mijn generatie laten uitschrijven? Waar is de uitgang?

Journal d’images

Journal

 

Troosteten

Vrijdag 13 maart, Delft

 

Ik werd vanmorgen om kwart voor zeven wakker. Natuurlijk grijp ik als eerste naar mijn iPhone, die sinds 2007 (de uitvinding van de iPhone) op mijn nachtkastje ligt als ik slaap.

Ik zie dat Wyb nu boven de Arabische Oceaan vliegt op 12.400 meter hoogte. Het duurt nog een uur en een kwartier voordat ze in Delhi landt. Ik volg op Plane Finder de rode lijn van haar vliegtuig terug en zie dat ze heel dichtbij de Straat van Hormuz heeft gevlogen. Ik neem aan op veilige afstand, want haar vliegtuig is lang niet het enige vliegtuig dat daar vliegt. Ik zie dat er volop boven Saudi-Arabië wordt gevlogen. Nog even en ze vliegt boven India.
Anne vliegt al vlak bij Delhi. Ze vliegt op een hoogte van 4.500 meter, is duidelijk aan het landen. Over drieëntwintig minuten zal ze er zijn. Ben benieuwd of ze elkaar op dat gigantische vliegveld gaan vinden.

Gisteravond hebben we afscheid genomen voor de vertrekbalies van Schiphol. Het vliegtuig naar India was vermoedelijk het laatste dat opsteeg: alles was leeg en verlaten. Het was een kafkaiaanse aanblik. Na ons innig afscheid loop ik terug naar P1 en rijd ik, samen met Dies, terug naar Delft.

De avond daarvoor was het gezelliger. Sinds lange tijd zijn we weer eens in een restaurant gaan eten. Je kunt het gerust ook een soort troosteten noemen. We zullen elkaar achttien dagen lang niet zien, en dat is voor ons doen ongelooflijk lang. We hebben een symbiotische relatie en die wordt nu ongebruikelijk lang uit elkaar gehaald.

In 2005, toen Wyb als reisbegeleider met een veertigtal dansers van Introdans naar Zuid-Korea ging voor een tournee, was dit de laatste keer. Pas veel later kregen we Cadouin en vliegt Wyb wel eens voor drie dagen terug naar Nederland om te werken. Ik blijf dan in Frankrijk. Allemaal te overzien. Maar achttien dagen Wyb in Nepal en ik in Delft is toch andere koek.

Troosteten dus. Vooral omdat in die periode Wyb ook nog eens op 18 maart jarig is. Ik kan haar dus alleen maar op afstand feliciteren. Tijdens ons afscheidsetentje geef ik haar alvast een cadeau dat ik voor haar heb gekocht.

Een paar maanden geleden stonden we in een nieuwe bijouteriewinkel in Delft. We liepen wat te dwalen door de winkel en ik hoor Wyb achter mij enthousiast zijn over een hangertje met een groene steen. Als zij doorloopt, loop ik erheen om te kijken welke het zou kunnen zijn. Een paar dagen later ga ik het voor haar verjaardag kopen. Het blijkt gelukkig precies het hangertje te zijn dat ze had gezien.

Wyb en ik hebben wat troost gegeten. In de tijd dat we beiden nog fulltime (en meer) werkten en geplaagd werden door stress en zorgen en we op de rand van de vulkaan dansten, gingen we regelmatig, zeer regelmatig, samen uit eten. Ik durf wel te zeggen dat wij hele maandsalarissen naar de horeca hebben gebracht. Dat heeft ons inderdaad veel troost gebracht.

Na het etentje lopen we enigszins sentimenteel terug naar huis. Het is de eerste grote reis die Wyb zonder mij gaat maken. Wij waren een perfect reisteam: dezelfde interesses, hetzelfde reisritme, dezelfde reislust. Nou ja, dat laatste geldt voor Wyb iets meer dan voor mij.

Eenmaal thuis krijg ik appjes van Wyb dat het vliegtuig steeds later vertrekt. De vraag is of ze haar overstap in Delhi haalt. Gebruikelijke reiszorgen dus.

Journal d’images

Innig afscheid.

Elkaar gevonden bij de gate. Volgende gemeenschappelijke bestemming: Nepal. 

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2026