Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Frankrijk en Frankrijk

Dinsdag 7 februari, Cadouin

 

Toen we in Saint Hippolyte-du-Fort woonden zag ik het voor het eerst: er zijn eigenlijk twee Frankrijken. Er is het Frankrijk van juli en augustus en een Frankrijk van die andere maanden. Het verschil is enorm. Als toerist heb ik me dat nooit gerealiseerd. Je kruist het land en overal is het druk, volle winkels, alle restaurants open, op de wegen soms opmerkelijk druk. Vaak zon, vaak warm.

In de andere maanden is Frankrijk dus een heel ander land. In september realiseer je je het opeens: verrek, het land verandert. De laatste toeristen, veelal bestaande uit gepensioneerden die de topdrukte vermeden, rijden het land weer uit. De drukte is verdwenen, de winkels zijn opmerkelijk leeg, de eerste sluiten alweer hun deuren want de Fransman is niet geïnteresseerd in souvenirs en lavendelzakjes, in de restaurants hoef je niet meer te reserveren, op de weg kun je weer lekker doorrijden. Gelukkig blijft de zon nog volop, evenals de warmte, die worden pas in oktober, november definitief aangetast.

Frankrijk gaat weer in de ruststand, wat volgens mij de natuurlijke stand van Frankrijk is. Juli en augustus zijn er om geld te verdienen aan toeristen zodat je de rest van de maanden weer rustig aan kunt doen. Werken is nodig om geld te verdienen, maar als het niet hoeft dan hoeft het niet. In sommige dorpen loopt een leger van mensen door de straten die geen werk hebben en die dat volgens mij helemaal niet zo erg vindt. Het huis is afbetaald, van de uitkering kun je net leven, met een moestuintje en soms een zwart klusje hier en daar heb je ook nog wat beleg op de boterham. En voor mensen die werken: gelukkig is er een 35-urige werkweek en is Frankrijk het land met de meeste vrije dagen. De luiken gaan steeds vroeger voor de ramen, hoe vroeger hoe beter. De Fransen sluiten graag de wereld buiten.

Je ziet het deze dagen weer aan de massale protesten tegen de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Op NOS Nieuws is het vandaag te lezen. In Morlaix, een plaatsje in Bretagne protesteert vrijwel de hele stad tegen de plannen. In het plaatsje van 15.000 mensen zijn liefst 10.000 mensen op de been om tegen de verhoging van 62 jaar naar 64 jaar te protesteren. “Voor veel Fransen staat werk gelijk aan lijden”, schreef de linkse politiek analist Mathieu Slama. Hij pleitte voor ‘het recht op luiheid’, tekent NOS Nieuws op. Waar best iets voor te zeggen is, vind ik.

In mei, juni komt Frankrijk heel rustig weer tot leven. De eerste gepensioneerden en mensen die zich kunnen permitteren om buiten de schoolvakanties op vakantie te gaan laten zich weer sporadisch zien. De eerste toeristenwinkels gaan open, de restauranthouders halen de bordjes Fermer van de deur. Men maakt zich op voor het andere Frankrijk. Het zou me niet verbazen als veel Fransen dat als een onnatuurlijk Frankrijk beschouwen: drukte, bah.

Ik moet nog aantekenen dat in de maanden januari en februari Frankrijk in diepe winterslaap is. Hier in Cadouin is vrijwel niemand te zien. Luiken van huizen lijken voor altijd gesloten. Wyb en ik passen ons opmerkelijk snel aan: we blijven steeds langer uitslapen.

355

Journal

 

Druktemaker

Zondag 5 februari, Cadouin

 

Na de verhuizing keert de rust weer, evenals de zon. Al twee dagen lang kunnen we op onze veranda in de zon zitten. Het is niet echt warm, maar met een dikke trui en soms een jas aan is het heerlijk zitten. Ik lees in een boek van Markus Zusak met de titel Als honden huilen. Op bladzijde 91 kom ik de volgende prachtige zin tegen:

‘Je bent tot alles in staat als het niet echt is.’

Het is een zin die ik denkt te begrijpen. Ik vind de zin een ode aan de fantasie, aan de imaginaire wereld, waar ik het zo uitstekend toeven vind. Of misschien doelt hij helemaal niet op de imaginaire wereld maar op je eigen wereld, je binnenwereld.

Ik heb het geluk enig kind te zijn. Ik heb daardoor geleerd, denk ik, genoeg te hebben aan mijzelf. Ik genoot van de fantasie die ik had, vermaakte mijzelf uitstekend. Een kwaliteit waar ik nog elke dag, zeker nu we hier in Cadouin wonen, de vruchten van pluk.

Al een paar keer heeft Anne laten weten dat ze het helemaal niets zou vinden hier te wonen. Het is daar veel te rustig, vindt ze. Ik denk dat het voor veel mensen geldt, ze zouden zich hier te pletter vervelen. Ik vind het juist heerlijk. Zoveel mogelijk alleen zijn met jezelf, alleen met je eigen gedachten, alleen je eigen dingen doen.

Zou ik hier alleen willen wonen? Geen denken aan. Zonder Wyb zou ik onmiddellijk verhuizen. Gelukkig hebben we met z’n tweeën al lang een evenwicht gevonden om in relatieve verlatenheid samen zeer tevreden rond te keutelen en daarbij genoeg ruimte te hebben om alleen te zijn met jezelf.

Het drukke leven dat ik had, vond ik vaak een last. Ik heb er dan ook veel minder van genoten dan ik misschien had kunnen doen. Het drukke leven weerhield mij ervan om bezig te zijn met dingen die niet echt zijn. Het weerhield mij van lezen, het weerhield mij van schrijven, het weerhield van de rust waar ik zo van houd. Al denk ik dat weinig mensen dat hebben gemerkt, over het algemeen werd ik toch gezien als een druktemaker. Als ik in een bepaalde modus zit, weet ik wel door te gaan.

Mark Zusak vervolgt de zin met de volgende alinea:

‘Wanneer het wél echt is, is er niets om je val te breken. Er zit niets tussen jou en de grond, en het had nog nooit zo echt gevoeld als die avond in het park. Ik had naar mijn gevoel nog nooit zo weinig controle over iets gehad. Zo leek het te zijn, en altijd te blijven.’

354

Uit de serie Eilanden.

Journal

 

Post

Zaterdag 4 februari, Cadouin

 

 

De post, dat is wel een dingetje bij ons. Het begint al met het feit dat wij geen huisnummer hebben. Dat heet in Frankrijk dan ‘lieu dit’. Ons adres is Lieu dit Chemin de la Condamine. Geen nummer dus, wat in Frankrijk tamelijk vaak voorkomt. Volgens Liesbeth komt daar binnenkort een einde aan, dat schijnt nu wettelijk te zijn geregeld. Als wij naar de burgemeester stappen en een huisnummer vragen, is hij verplicht de huizen aan ons weggetje nummers te geven.

Aan ons weggetje staan vier huizen. Vanaf het dorp gezien, zijn wij het tweede huis. In het eerste huis woont Jenny, zij is haar huis vanaf de fundamenten aan het opbouwen en is al ver gevorderd. Volgens de Nederlandse huisnummer toekenning zou haar huis dan nummer 2 zijn en ons huis nummer 4. Of haar huis nummer 1 en ons huis nummer 3. Volgens Liesbeth, die gemeenteraadslid is van een gemeente hier vlakbij, hebben ze in Frankrijk een totaal andere manier om nummers toe te kennen.

Het is goed mogelijk dat Jenny op nummer 2565 komt te wonen en wij op 2737. De nummers worden namelijk toegekend naar het aantal voetstappen vanaf het centrum van een dorp. Zijn ze nu helemaal gek geworden? dacht ik toen Liesbeth het me vertelde.
‘Dat is handig voor de hulpdiensten,’ wist Liesbeth me te vertellen. ‘Dan weten ze hoever het huis van het centrum is’. Daar zit toch wat in, dacht ik na het krijgen van deze informatie.
Maar goed, ik zie ons nog niet voor een huisnummer naar de burgemeester stappen.

Ander dingetje is dat de post nu weigert bij onze vier huizen de post te bezorgen. Niet dat iemand ons dat vertelde. Gisteren kwam Jenny met de post om te zeggen dat we de post voortaan moeten ophalen bij de mairie die is gevestigd in het voormalige klooster. De post weigert namelijk ons weggetje in te rijden omdat het aan beide kanten eenrichtingsverkeer is. Aan de kant van het dorp staat ook een eenrichtingsverkeer bord, maar in tegenstelling tot de andere kant staat er onder, sauf riverain, wat uitgezonderd aanwonende betekent. Aangezien de postbode in zijn gele autootje geen aanwonende is, mag er hij dus niet in, is zijn interpretatie.

Zo komt het dat we van Jenny gisteren een kaart van Mieke kregen, had ze meegenomen van de mairie nadat ze was gaan klagen dat de post niet meer in onze brievenbussen valt. De eerste zin van het kaartje: ‘Zomaar een kaartje. Om te kijken of de post bij jullie bezorgd wordt, ook al ontbreekt een huisnummer.’ Nee dus, maar dat komt omdat, behalve wij, niemand meer het weggetje mag inrijden.

353

Journal

 

Eindelijk

Vrijdag 3 februari, Cadouin

 

 

Verhuizen haalt je leven overhoop. Niet dat dat erg is, ik ben er aan gewend. Ik weet dat je een paar dagen moet wachten totdat alles weer op zijn plaats ligt en valt. Zo gaat dat, je moet er iets voor over hebben.

Het meest vervelende is dat ik al weken geen boek heb aangeraakt. Eerst moet je de boel inpakken, vervolgens moet je alles in een auto laden en naar de nieuwe bestemming brengen. In ons geval best een eind weg. En als je daar dan na twee dagen rijden bent, moet je alles weer uitladen, uit de dozen doen en er een plek voor vinden. Daar gaan best een paar dagen overheen en dan kun je niet op een bank gaan zitten en even lekker lezen.

Sinds we hier in Frankrijk aankomen, is het eigenlijk niet al te best weer. Er zijn veel wolken, af en toe komt er regen uit. Als een soort troost wil er wel eens een zonnetje doorbreken, maar niet dat je zegt wat een behaaglijk zonnetje. Het best is gewoon door te werken. Hoe sneller alles op zijn plaats ligt, staat en valt hoe beter.

Vanmorgen had ik geen wekker gezet, waarom zou ik. De aankomende weken heb ik geen afspraken staan. Dat is toch fantastisch, ik heb een leven achter de rug waarin afspraken mijn leven bepaalden. Ik zat in een afspraak of ik rende naar een afspraak. Ik vond het ook wel lekker, dan was het net alsof je echt iets deed.

Om acht uur word ik wakker door het geblaf van Dies. Dies blaft nooit, dus er moet echt iets aan de hand zijn. Ik loop in mijn blote kont naar de voordeur. Dom, want er staat iemand op de deur te kloppen. Ik sta dan wel aan de andere kant, maar kan de deur niet opendoen. In je blote kont de deur opendoen is geen gezicht, zeker in het preutse Frankrijk. Ik roep Wyb, die gelukkig snel komt aanlopen.

Het is de termietenman. In Nederland heeft niemand een termietenman. Hier in Zuid-Frankrijk hebben best veel mensen een termietenman. In ons huis zijn twee jaar geleden termieten geconstateerd. De vorige bewoners hebben meteen een termietenman in de armen genomen. Zo’n man gaat onmiddellijk aan het verdelgen, zet acht vallen rond het huis, twee in huis en komt om het half jaar kijken of de verdelging is gelukt. Bij ons was het goed gelukt. Tot vandaag. In een val blijken twee termieten te zitten. Dit betekent dat hij vergif in de val heeft gestrooid, sterk vergif, als de termieten met het vergif weglopen, gaat de hele kolonie eraan. De termietenman heeft verschrikkelijke verhalen over termieten. Binnen één maand kunnen ze een huis slopen. Voor de zekerheid komt hij nu om de drie maanden.

Op het einde van de middag is het dan zover. Eindelijk kan ik mij de luxe van even niets doen permitteren, volgens mij de hoogste trede die een mens in de beschaving kan bereiken. Ik pak een boek, een boek waar ik me al weken op heb verheugd, ik heb het speciaal voor dit moment in Nederland gekocht. Het is een boek van Markus Zusak, de titel: Als honden huilen.

Ik heb de afgelopen tien jaar twee keer gehuild. Elke keer was dat als ik een boek van Markus Zusak las. Het eerste boek dat ik van hem las was De bruggenbouwer, het tweede boek De boekendief. Ongekend mooie boeken. De zon schijnt, strak blauwe hemel. Ik pak het boek uit de nieuwe boekenkast en ga op de veranda in de zon zitten. Eindelijk. Lezen.

 

 

352

Journal

 

Behang

Woensdag 1 februari, Cadouin

 

 

Zoals de trouwe lezer van Dossiermoddergat weet, is street art een vast onderwerp in mijn fotografie. Het lijkt me toch goed om duidelijk te zijn over de street art die mijn belangstelling heeft. Voor een groot deel van street art interesseer ik me namelijk geen bal. Ik kom erop omdat ik op de NOS Nieuwssite lees dat een muurschildering in Tilburg is verkozen tot de mooiste van de wereld. Onder dit blog zie je een foto van die mooiste muurschildering. Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar ik vind het een vreselijk kitsch plaatje. De jury moet behept zijn met veel wansmaak.

Sowieso hou ik niet van dit soort patserige en protserige muurschilderingen, ik vind het kitscherig behang. Zo hebben gemeentes street art ontdekt om lelijkheid te bedekken. Het zou me niet verbazen als dat dit wanprodukt hierdoor is ontstaan. In de lelijkste stad van Nederland, Heerlen, hebben ze de street art zelfs tot unique selling point gemaakt. Dit in navolging van het lelijkste land van Europa, Albanië. Street art als staatskunst, mijn fototoestel is er allergisch voor.

Ik ben alleen geïnteresseerd in street art die controversieel is, anti-establishment, voortkomt uit subcultuur of protestbeweging, en/of gemaakt is door autonome kunstenaars. Street art die voortkomt uit braafheid en bedoeld is als behang, vind ik oogvervuiling. Ik hou van het recalcitrante, het poëtische in street art, van de snelle en daarom vaak ietwat slordige esthetiek. Mensen die dagenlang op steigers staan met een pallet vol spuitbussen kunnen me gestolen worden. Ik hou van de kunstenaars die midden in de nacht op stap gaan om hun kunst te maken omdat overdag arrestatie dreigt.

En dan nog iets wat me aan het bericht op NOS Nieuws ergerde. Het mooiste van van de wereld, toe maar. Alsof schoonheid volgens criteria valt te beoordelen. Ik geloof überhaupt niet in kunstprijzen, ook al heb ik ze zelf uitgereikt. Kunst moet geen onderdeel van competitie zijn. Bovendien heeft dit kitsch plaatje niets met kunst te maken, het is alleen gemaakt voor het effect en het behagen. Kunst vertelt ons iets over de wereld of laat ons de poëzie zien. Het gladjakkerige plaatje dat verkozen is door een krankjorume jury heeft daar niets mee te maken. Als iemand al die prijs zou verdienen, dan is het natuurlijk Banksy, de Rembrandt onder de straatkunstenaars. Al ben ik ervan overtuigd dat hij hem zou weigeren, zelfs als een belediging zou beschouwen.

351

Voie sans issue – doodlopend

Journal

 

Klooster

Dinsdag 31 januari, Cadouin

 

 

Zoals zo vaak belt Anne deze ochtend om het leven door te nemen. ‘En? Hoe gaat het met jullie daar?’ vraagt ze.
‘Nou ja, we zitten in een soort kloosterachtige situatie,’ zeg ik. ‘Rust, stilte, alleen zijn.’
‘Dat lijkt me zo vreselijk.’ Ik had geen ander antwoord verwacht. Anne zit midden in de Amsterdamse scene. Vandaag weet ze me te vertellen dat ze diverse keren wordt genoemd in de podcast van Marc-Marie Huijbregts en Aaf Brandt Corstius. Die nemen op vrolijke wijze een interview op de hak dat Anne voor Beau Monde met Nick van die Simon heeft gemaakt.
‘Ik geniet ervan,’ zeg ik, doelend op de kloosterachtige situatie. Ik ben altijd opzoek geweest naar een atheïstisch klooster. Het ziet ernaar uit dat ik dat klooster nu zelf heb gecreëerd. De vraag is natuurlijk hoe lang zoiets blijft bevallen. In ieder geval genieten we nu van een mateloze rust.

Misschien goed om voor de nieuwsgierige mens iets over de verhuizing te vertellen. Ik merk dat, naarmate je vaker verhuist, je meer ervaring krijgt en verhuizingen steeds makkelijker worden. Komt ook omdat we inmiddels een op elkaar ingespeeld team hebben. Erik en Ed brachten ons vier jaar geleden naar Saint-Hippolyte-du-Fort, afgelopen weekend deden ze dat naar Cadouin.
Voordeel is dat ons bezit enorm is uitgedund. Waren vier jaar geleden nog een bus, een paardentrailer plus onze volgeladen auto nodig. Nu doen we het met een kleiner busje en onze auto.

Het is wel goed om even een realistisch beeld te scheppen. De foto’s van ons huis geven een vertekend beeld. De foto’s van de buitenkant suggereren dat we een groot huis hebben. Laat ik eerlijk zijn: klopt niet. In feite hebben wij slechts de helft van dat huis want het onderste deel beslaat uit rots. Ons huis is namelijk op een rots gebouwd. In de rots zit nog een kleine cave die die naam nauwelijks verdient, het is meer een kast.

Op de rots ligt ons eigenlijke huis. De foto van gisteren, van de werk- annex eetkamer, geeft ook al een vertekend beeld. De foto is met een groothoeklens genomen en daar worden kamers lekker groot van. Het is een prima kamer, zoals alle andere ruimte in ons huis prima zijn, maar alles bij elkaar is het niet groot. Het was passen en meten om alles een plaats te geven, wat gelukkig wel is gelukt, al waren we daar even bang voor.

Nadat ik de eerste alinea schreef, pakte ik het boek dat ik voor deze verhuisdrukte aan het lezen was. Titel: De weg terug. Ondertitel: Chinese kluizenaars en het taoïsme. Ik zie dat ik de volgende passage heb onderstreept:
‘Maatschappelijk nuttig zijn is slecht voor de gezondheid; streven naar roem en rijkdom is smeken om ellende; de terugkeer naar een leven van eenvoud en tevredenheid is in alle omstandigheden te verkiezen, want de geschiedenis heeft voldoende duidelijk gemaakt dat alles wat de mensheid wegvoert van de eenvoud alleen maar tot meer chaos leidt; men dient te proberen zo weinig mogelijk afhankelijk te zijn van anderen; soms is het noodzakelijk te opteren voor een radicale terugtrekking uit de mensenwereld en de wijk te nemen naar hoge bergen en diepe valleien.’

 

350

Journal

 

Rui

Maandag 30 januari, Cadouin

 

 

Ik denk dat ik me moet hervinden. Ik zit hier achter mijn eigen tafel, voor mij mijn eigen laptop, maar de plaats waar tafel en laptop staan is volledig veranderd: andere kamer, ander huis, ander land. Woonde ik in een drukke studentenstraat, eigenlijk een soort campus, nu woon ik midden in de natuur, uitzicht op een vallei en achter de vallei een kerkhof. De kamer voelt onwennig, evenals het huis en het land. Hoe ga ik me verhouden tot Nederland, hoe tot Frankrijk? Heeft dit alles effect op Dossiermoddergat? Vast.

Ik vraag me zelfs af of Dossiermoddergat nog wel bestaansrecht heeft. Wat ga ik hier meemaken? Wat krijg ik mee van Nederland? In Frankrijk ben ik een buitenstaander en dat zal ik zeker blijven. Mijn belangrijkste beleving is de rust, de ruimte. Maar vul je met rust blogs? Zal ik vanuit die rust de lust en de drive hebben om weer eens in de zoveel dagen een blog te schrijven? Ik maak me nu al schuldig aan wat ik al jaren probeer te vermijden: bloggen over bloggen, wat toch een vorm van ongeinspireerdheid is.

Op Facebook schrijft een Facebook vriendin dat je in Frankrijk toch ook jeugd en theater hebt. Met andere woorden, ook daar zullen jullie je wel vermaken. Het zal als een soort troost naar ons zijn bedoeld. Maar het punt is dat ik helemaal niet op jeugd en theater zit te wachten. De tijd dat ik fanatiek en vol enthousiasme kinderboeken schreef, ligt al onvoorstelbaar lang achter me. De afgelopen jaren heb ik, op een heel natuurlijke wijze, afscheid van het theater genomen. Als ik eens met Wyb mee kon naar een voorstelling bleef ik liever thuis, er zijn weinig voorstellingen die ik het nog waard vond om naar een theater af te reizen en een avond van mijn leven te geven.

Wyb heeft hier in Frankrijk inmiddels werk gevonden. Zij wordt voor vijf maanden hoofd receptie van een grote camping die tien kilometer van ons huis ligt. Ze zal zeker met jeugd te maken krijgen, met theater vermoedelijk niets. Net zo min als ik vind ze dat veel minder erg dan veel mensen denken. Misschien zijn wij vogels in de rui. We schudden onze oude veren af en hopen sterke nieuwe te krijgen. De oude veren kriebelen, zijn een beetje slap geworden. Waar die nieuwe veren toe leiden? We hebben geen idee. Maar alleen al daarmee bezig zijn, vinden we heerlijk.

Misschien kun je de periode dat we in de rui zijn op Dossiermoddergat blijven volgen. Ik zal mijn best doen, maar kan geen garanties geven. Het schrijven van het blog versnippert de concentratie en die wil ik de aankomende tijd toch vooral richten op twee anderen grote projecten. Of eigenlijk drie. Het wordt tijd dat ik me eens goed stort op het Frans.

Journal

 

I.v.m. verhuizing is Dossiermoddergat tijdelijk gesloten

Maandag 23 januari, Groningen

Journal

 

Handtasje

Zondag 22 januari, Groningen

 

 

Als je wilt weten hoe beroerd het geheugen is, moet je filmpjes maken als je op reis bent. Vervolgens moet je die filmpjes vijftien jaar laten liggen, tussentijds niet bekijken. Als je na vijftien jaar de filmpjes gaat bekijken, ben je verrast dat je daar geweest ben, herken je sommige plekken überhaupt niet. Als je geluk hebt, herstelt het geheugen sommige plekken en gebeurtenissen met horten en stoten.

Wyb rijdt op de fiets door Chengdu. Het is een lange shot. We rijden over een prachtig fietspad. ‘Aan zo’n fietspad kan Nederland een puntje zuigen,’ hoor ik mezelf zeggen. Links en rechts passeren wij fietsen en veel fietsen passeren ons. Wyb fietst, ik heb al fietsend de camera in handen. Soms roepen we iets tegen elkaar. Zo nu en dan passeren we drukke kruisingen en moeten we even van de fiets afstappen. Daarna rijden we weer heerlijk over dat fietspad in die miljoenen stad.

Het is slower dan slow television, toch genieten we van deze lange fietsshot. Gefascineerd kijken we toe, deze hele tocht, deze opnames: totaal vergeten.
‘Op mijn begrafenis moet je deze opnames afspelen als de mensen binnenkomen,’ zegt Wyb.
Ik begrijp het wel. De opname lijkt geknipt uit een vrolijke Franse feel good movie. Het laat Wyb zien, zoals ze zichzelf het liefste ziet: op weg, vrij, vrolijk, reizend, nieuwe streken en steden ontdekkend.
Ik hoop, alleen al gezien onze leeftijden, dat ik eerder doodga, dus weinig kans dat haar wens wordt vervuld. Wie zal deze opname in dat enorme digitale archief van ons kunnen terugvinden?

Dan komt mijn moeder in beeld. Ze zit bij de Anneke en Tjerk, de ouders van Wyb, thuis in een stoel. Ze heeft haar handtasje op schoot en rommelt erin. Het is een bekend beeld. In die laatste jaren, naarmate de alzheimer verder toeslaat, heeft ze dat handtasje altijd op schoot. In dat tasje is ze altijd op zoek naar… Ik denk dat ze het zelf niet weet. De dingen in het tasje pakt ze even vast, laat ze dan weer los en woelt verder.

Ik moet bekennen dat ik, ondanks dat ik wist dat het kwam door dat monster alzheimer, me altijd ergerde als ze zo aan het woelen was. Schei er nou eens alsjeblieft mee uit, dacht ik dan. Maar ik heb er nooit iets van gezegd, ik kon mijzelf corrigeren. Sommige zaken kun je niet anders dan gelaten over je heen laten gaan.

Ze is bij Anneke en Tjerk omdat we dadelijk naar ons trouwen in Dokkum gaan. Mijn moeder is de getuige van Wyb. Een paar shots later zien we haar keurig tekenen. Ze kijkt trots, een deel van haar kan nog bij ons zijn, aan haar ogen zie ik dat alzheimer haar nooit meer echt zal verlaten. Als ze heeft getekend, pakt ze meteen haar handtasje weer.

Journal

 

Bandjes

Zaterdag 21 januari, Groningen

 

 

Ik heb deze week een belangrijke daad verricht. Al zeker twaalf jaar ligt bij ons in de kast zo’n plastic doos van Ikea met deksel erop. In die doos een Sony filmtoestel en, naar nu blijkt, achttien bandjes. Het filmtoestel is kapot. De kabels die naar een televisietoestel leiden om de bandjes af te spelen heb ik niet meer. Elke verhuizing nemen we de plastic doos mee om in een volgende kast te stoppen.

Het doosje staat symbool voor mijn specifieke laksheid. Je zult je afvragen wat specifieke laksheid is. Het is de onaangename tekortkoming om één bepaald ding niet te doen. Ook tijdens mijn werkzame leven was er altijd wel één ding waar ik niet aan toe kwam/wilde komen/kon komen, noem het onmacht. Het verhuisde van de ene naar de andere to do lijst, bijvoorbeeld een functioneringsgesprek met iemand. Als ik dan geen zin had in dat gesprek, maar dat absoluut moest plaatsvinden, verschoof ik het toch van de ene na de andere week. Ik kwam er gewoon niet toe, ondanks de noodzaak. Goed mogelijk dat zo’n functioneringsgesprek nooit werd uitgevoerd. Vreemd, want verder was ik toch een meester in het afwerken van die to do lijsten.

Jaar na jaar namen Wyb en ik voor om de bandjes in die doos te digitaliseren. We wisten dat er de meest verrassende dingen opstaan, dat we er heel blij van zouden worden. Diverse keren zocht ik adressen op waar je die analoge bandjes kunt digitaliseren, het scheen een fluitje van een cent te zijn. Het kwam er niet van, specifieke laksheid.

Door onze aanstaande verhuizing kreeg ik de doos weer in handen. Meenemen? Of gewoon maar eens weggooien? Opeens werd ik mij bewust van die laksheid. De doos kon een schat aan beelden bevatten. Eindelijk besloot ik dat er einde moest komen aan deze domme laksheid. Ik Googelde op bandjes digitaliseren, belde en kwam in de huiskamer van een nerd die de kamer vol had staan met alle digitale apparaten die er ooit zijn gemaakt.

Gisteren, een week nadat ik de bandje had gebracht, stonden ze keurig op een harde schijf. Eenmaal thuis keek ik snel even naar het eerste bandje: ik had een schat in handen. Tjerk, de vader van Wyb, kwam tot leven, eindelijk kon ik dat heerlijke Friese accent weer horen. Dickens komt kwispelend in beeld. Ik zie mijzelf met een soort pruik op en een buik die aan het begin van deze eeuw toch wel erg dik was, hij paste wel prima bij dat papperige gezicht.

’s Avonds zitten Wyb en ik uren voor de laptop. We lopen weer door China, reizen door Noorwegen, we zien ons huis in Den Bosch kamer voor kamer voorbij komen en dan hebben we nog vijftien bandjes te gaan. Het is één grote duik in het verleden. Een feest!

Journal

 

It Lytse Gea

Woensdag 18 januari, Groningen

 

Het was vermoedelijk begin januari 2001. Als ik het me goed herinner, reden Wyb en ik via het Hoge Land naar Groningen. In De Oosterpoort werd Vikram Seth geïnterviewd en speelde een strijkkwartet de muziek die zo belangrijk is in zijn roman Verwante Stemmen. Wyb en ik hadden het boek onlangs gelezen en het verbond ons nog meer.
Onze tocht was geheim. Dat wil zeggen, niemand mocht weten dat wij samen naar Groningen reden. Onze liefde was pril en heftig. Als de liefde uitkwam, zou er een bom ontploffen. Gelukkig gebeurde dat pas maanden later, wij ontstaken hem zelf, op het moment dat de tijd er rijp voor was.

‘Zullen we even langs het huis van mijn ouders rijden?’ stelde Wyb voor, ‘het is maar een klein eindje om.’
‘Maar lieve schat, ik hoef je ouders nu echt niet te ontmoeten.’
‘Ze zijn niet thuis, ze zijn op vakantie. Ik wil je graag het huis laten zien.’
Het bleek een prachtig huis, of ik moet zeggen een bijzonder huis. Het was een klein huisje, maar rond het huis was een magnifieke tuin met grote stukken rietland. Het lag aan het water, in de tuin vijvers en sloten, dat alles omgeven door grote bomen. Ik had de stiekeme hoop dat we in het lege huis nog even de liefde konden bedrijven. IJdele hoop, we moesten door naar Groningen.

Het huis, zag ik op een steen die bij de afrit lag, heette It Lytse Gea. Een knipoog naar It Fryske Gea, de natuurorganisatie die over het Friese landschap waakt, de vader van Wyb werkte er als vrijwilliger. Zo ging hij elke week naar een eendenkooi om te zorgen dat die niet verviel. Onlangs, 22 jaar later, hebben wij zijn as daar uitgestrooid.

Het duurde niet lang of ik werd kind aan huis in It Lytse Gea. In de jaren die volgden, tot nu toe, genoten wij mateloos van het huis en de tuin. Wij sprongen in onze blote kont de Sylster Ryd in, het water dat langs het huis stroomt. Of ik belandde met kleren en al in de sloot, zogenaamd omdat ik de sprong naar de overkant niet haalde. Ik had veel over voor de kinderen. ’s Avonds keken we naar de zonsondergang die ergens achter Leeuwarden onderging en zaten we rond het vuur dat Tjerk in een afgedankte wasmachinetrommel brandend hield.

Tjerk bleek een man naar mijn hart te zijn. Hij werkte bij twee natuurorganisatie, Staatsbosbeheer en It Fryske Gea. Als hij voor Staatsbosbeheer werkte droeg hij de bodywarmer en pet van It Fryse Gea. Als hij bij It Fryske Gea werkte, droeg hij de bodywarmer en pet van Staatsbosbeheer. Bij Anneke en Tjerk was het nooit saai, beiden zaten vol verhalen, die keer op keer werden herverteld. In het huis heerste altijd gezelligheid en liepen onze bijeenkomsten, vaak gedrenkt in drank, regelmatig uit de hand. Op mijn laptop staat nog de kersttoespraak die Tjerk in kennelijk staat hield, verstoord door een kakofonie van opmerkingen.

Gisteren hebben wij Anneke verhuisd naar een klein huisje midden in Kollum. It Lytse Gea is niet meer. De enorme tuin werd te veel voor Anneke, ze had er nagenoeg een dagtaak aan en op 76-jarige leeftijd stond ze met lieslaarzen nog altijd de sloten schoon te maken. Het werd haar gewoon te veel. Het huis liep sowieso van haar weg. Tijd om het paradijs te verlaten, want in die termen spraken we over It Lytse Gea.

De nieuwe bewoners zullen de naam wel niet overnemen. Tjerk en Anneke waren enorme natuurliefhebbers. In de tuin hadden ze niet alleen de meest bijzondere planten verzameld, maar ze hadden er ook een paradijs voor vogels, vlinders en libellen van gemaakt. Vermoedelijk zullen de planten, de vogels, vlinders en libellen, net zo schrikken van dat lege huis als wij. Door dat lege huis verliezen wij allemaal een thuis.

 

Journal

 

Onbenul

Maandag 16 januari, Groningen

 

Ik heb naar de eerste drie afleveringen van de Slimste Mens gekeken. De kandidaten waren jong, hip en cool. Bij elke nieuwe kandidaat dacht ik: volgens mij is deze hartstikke goed. De zelfverzekerdheid waarmee ze op de stoelen zaten, hoog opgeleid, de frisse présence. Maar jezus, ik was verbijsterd door hun niets weten. Ik raad ze ten zeerste aan een cursus Algemene Ontwikkeling van de LOI te doen. Hun domheid was verontrustend.

Voorbeeldje. In welke Friese plaats is Bonifatius vermoord? Sneek kwam langs, evenals Franeker en Harlingen. Bonifatius? Nog nooit van gehoord. Alles ouder dan the nineties schijnt oninteressante verleden tijd te zijn. Namen van schrijvers? Titels van boeken? Ze zaten met de bek vol tanden. En daarmee werd perfect weerspiegeld dat van geschiedenisonderwijs nog nauwelijks sprake is en dat Nederlands is verworden tot het africhten van leerlingen voor tekstverklaring, want dat kun je zo heerlijk makkelijk toetsen.

Onlangs was in het nieuws dat het vertrouwen in de politiek opnieuw was gedaald. Natuurlijk werd gewezen naar de politici, het werd tijd dat ze dat vertrouwen gingen terugwinnen. De kiezer bleef bij dit nieuwsfeit buiten schot. Ten onrechte, want als de schuld voor deze vertrouwenscrisis ergens ligt, dan is het bij de kiezer. De kiezer is namelijk verworden tot een stuk onbenul. Hij leest geen kranten, geen boeken en de mainstream media vindt hij onbetrouwbaar, hetzelfde geldt en passant voor de wetenschap. Waar hij wel zijn informatie vandaan haalt? Natuurlijk: de social media. En zijn gevoel natuurlijk: mijn gevoel zegt… En dan komt er weer een bij elkaar geflanst theorietje uit.

Tegelijkertijd kwam in het nieuws dat een 1/5 van electoraat inmiddels heilig gelooft in complottheorieën. Nog eens 1/5 deel sluit het niet uit. En dan valt Nederland, vergeleken met veel andere landen in Europa, nog mee. Er zijn landen waar de 50% is gepasseerd. Dat verbaast me niet, want als het om maffe fantasieën, geloof en andere bizarre verzinsels gaat, heeft de geschiedenis van de mensheid een rijk verleden. Een kind dat voortkomt uit een maagd omdat ze onbevlekt ontvangen was, tientallen maagden die je opwachten als je een aanslag hebt gepleegd, je kunt een groot deel van de mensheid echt alles wijsmaken. Hemel, hel, vagevuur, er zijn meer mensen die er wel dan niet in geloven. Je kunt het zo gek niet verzinnen of je vindt wel iemand die bereid is er zijn ziel en zaligheid voor te geven. Ik overweeg steeds vaker om zelf een geloof te beginnen, een beetje fantaseren heeft me altijd wel gelegen, een fijne sekte waar je veel geld aan kunt verdienen, best een ontspannen verdienmodelletje.

Vandaag begint in Davos het jaarlijks World Economic Forum. Ook zo’n heerlijk doelwit voor complotdenkers. Voor velen is dit de plek waar de Great Reset wordt geregisseerd. In mijn tijd was het vooral een gewild doelwit van links, logisch, want het is een onderonsje van en voor de elite, het is het liberale feestje bij uitstek. En verdomd, extreem-rechts gaat er nog harder tegenaan. Ze zijn er zelfs van overtuigd dat hier reptielen rondlopen die ons, eenvoudige lieden, proberen te onderwerpen en te beheersen. Aldus de politicus die zo wordt geadoreerd door vele beoefenaarsters van yoga.

349

Journal

 

Woelen

Zondag 15 januari, Groningen

 

 

Vannacht was het weer zover: om vier uur wakker, slapen ho maar. Misschien is het wel een ongewenste vorm van luxe. Vroeger, toen ik nog druk was en veel zorgen aan mijn kop, sliep ik als een roos. Nu ik het leven leid van een luis op een zeer hoofd, slaap ik buitengewoon slecht. In slaap vallen lukt me, maar een hele nacht doorslapen is er niet bij.

Misschien komt het omdat ik te veel wil slapen, iets wat ik nooit heb gedaan. In die prehistorische drukke tijd sliep ik ook maar vier, vijf uur en dan kon ik er weer tegenaan. Nu ga ik rond twaalf uur naar bed en wil het liefst tegen acht uur opstaan. Goed mogelijk dat zo’n lange nachtrust niet voor mij is weggelegd.

Of komt het toch door de verhuizing? Het huis gaat steeds meer op de kop staan. Alleen de woonkamer is nog niet aangetast, boven staat alles al in het teken van de verhuizing. Mijn werkkamer is geen werkkamer meer, het is nu een opslagruimte. Hetzelfde geldt voor de kamer van Wyb, waar zich steeds meer verhuisdozen verzamelen.

Dat we daar zo vroeg mee beginnen, pas de 27ste januari is de verhuizing, heeft te maken met het gegeven dat we veel spullen niet kunnen meenemen en voor de verhuizing kwijt moeten, en dat betekent vooruit werken.
Gelukkig neemt de jongen die na ons op een paar kamers van ons huis komt wonen een aantal grote spullen over: de mooie ronde tafel, de bank, een schuifkast. Gisteren hadden we via Marktplaats een afspraak met iemand die om 14 uur de vouwfiets kwam halen. We hebben de hele middag gewacht, maar de oetlul kwam niet opdagen.

Een verhuizing laat een mens niet onberoerd. Sowieso omdat het toch een operatie is, zelfs voor ons die toch ervaren verhuizers zijn. Ik maak nu mijn 26ste verhuizing mee. Daar komt nu een psychisch aspect bij. Van het ene na het andere land verhuizen, zelfs daar hebben we ervaring mee, maar het is toch een hele stap. Hoe gaat het ons daar bevallen? We denken prima, maar je weet het nooit.

Wat me nog het meest bezighoudt is het gegeven dat we voor het eerst geen backing meer in Nederland hebben. Tot voor kort hadden we altijd ons huis in Moddergat achter de hand, vanaf de 27ste hebben we alleen nog ons huis in Frankrijk. Nog nooit heb ik de band met Nederland zo doorgesneden. Altijd als we in Frankrijk waren, kon ik het idee hebben dat we weer terug naar Nederland zouden gaan. Dat idee kan ik nu niet meer koesteren.

Met al deze gedachten woel ik de nacht door. Ik overweeg voortaan gewoon op te staan en de dag eerder te beginnen. Er is echter één maar. Zo tegen zevenen val ik opnieuw in een diepe slaap, waardoor de wekker mij alsnog wakker moet maken. Dat uurtje slapen is heerlijk diep. Mijn lichaam houdt me voor de gek. Als ik dan wakker word, heb ik het idee dat ik nog uren kan slapen, terwijl me dat in de uren voor zevenen totaal niet lukte.

348

Journal d’images

 

Beeldscherm

Zaterdag 14 januari, Groningen

Sinds een paar weken loopt in Groningen een beeldscherm rond.

Het huis van het weekdier

 

 

 

__

Nog drie dagen
en de vakantie is voorbij.

Ik loop door de stad. Inspiratie,
waar is inspiratie? Op het terras,

in de kerk, de vrouw, in de goot,
het maakt niet uit. Maar ik moet

toch ook dit jaar tenminste
weer één gedicht schrijven.

Het klinken van glazen op het terras.
De koelte van de kerk.
Het lopen van de vrouw.
Het blad dat in de put waait.

Eén gedicht maar.
Eén gedicht.

Journal

 

Nuiluh

Vrijdag 13 januari, Groningen

 

 

Mijn dochter werkt voor een hotel, dat wil zeggen, meerdere hotels, want op Ameland weten ze wat ondernemen is. Esmee belt me en zegt dat ze met een vrouw werkt die uit Nijmegen komt.

‘Kijk, nu wordt het interessant,’ zeg ik. Het woord Nijmegen heeft een magische klank voor me, dan sla ik meteen aan, dan zie ik de Waal, de Ooijpolder, Nijmegen-Oost, waar ik geboren ben, Hatert, Dukenburg. Nijmegen is een woord met ongelooflijk veel inhoud, barstens vol verhalen.

‘Die vrouw wordt binnenkort 70 jaar en voor haar verjaardag heb ik het volgende bedacht. Ze werkt met heel veel Tsjechische en Poolse mensen samen. Maar het punt is dat ze die talen niet spreekt. Ook haar Engels en Duits is niet goed, dus ze heeft altijd problemen met hen te communiceren. Nou heb ik het volgende bedacht. Als jij nou een aantal Nijmeegse scheldwoorden op een rij zet, dan laat ik die vertalen in het Tsjechisch en Pools. Ze ligt altijd in de clinch met Tsjechen en Polen die ze moet aansturen. Dan kan ze voortaan ook wat krachttermen gebruiken.’

Oef. Nijmeegse scheldwoorden. Ik ken er twee: vuile jembek en smerige kerbenojelip, maar dan houdt het wel op. Althans, dat is mijn eerste reactie. Nou had ik toevallig een oom die mee heeft geschreven aan het Nimweegs woordenboek, daar zullen er ook nog wel wat instaan. Ik tik op mijn laptop ‘Nijmeegse scheldwoorden’ in. En verdomd, daar komt een heel rijtje te voorschijn. Het woordenboek van mijn oom staat inmiddels online. Ik beloof haar voor vrijdag een rijtje scheldwoorden toe te sturen.

Het lijstje wordt een feest van herkenning. Ik ken er veel meer dan gedacht, het blijkt dat ik ben opgeroeid met Nijmeegse scheldwoorden. Ik denk dat er in het Nijmeegse dialect meer scheldwoorden zijn dan in andere dialecten. Volgens mij komt dat omdat het Nimweegs zo’n ontzettend vet en lelijk dialect is. Het lijkt gemaakt om te schelden. Het dialect kun je alleen spreken als je een brede bek opzet en een ontzettend ordinair praat. Je moet je vooral niet inhouden, ik ben er gek op.

Het lijstje dat ik naar Esmee opstuurde, ziet er als volgt uit.

 

Fuile sjembek – klootzak

Smerige kerbenojelip – lul

Vlooiebek – schooier

Klooteklapper – zeurpiet

Miesbal – gluiperd, slijmbal

Lup tog hin, gek – Ga toch weg, gek

Jij bint oek un kwanterik – jij bent ook een apart persoon

Jij, denkst – jij, apart persoon

Un sloajbek – een brutale mond

Die het t goed wies kapot – die is niet goed wijs

Goj jij nou gau plèite – ga jij nou gauw weg

Och jij, mins – och jij, gek wijf

Jij bint oek un kniepert – jij bent ook een gierig persoon

Lèg nie te nuiluh – hou op met dat gezeur

Lig nie uut je nèk te lullen – praat geen onzin

Jij, daas – jij, idioot

Koek veur je ei – klap voor je kop

Og jij, sielekieter – och jij, klootzak

Muk of dus – oen, sulletje

Moejje hierkomme, dan ken je een boets kriegel! – moet je hier komen, kun je een klap voor je kop krijgen

Pas maar op, vlooiebek, anders bring ik je noar de woutenkiet – pas maar op schooier, anders breng ik je naar het politiebureau

Ammuh hoela – je kunt me wat

So, jij bint buis, keilert – zo, jij bent dronken, dronkaard

Nie wieś! – Gek!

Meulepeerd! – lompe vrouw

Jij speurt ook nie – jij bent ook niet normaal

Bin nog nie liep! – Ik ben niet gek!

Leg nie te netsen – geen ruzie maken

Kiek muir uut anders kribje d’r ’n puir! – Kijk maar uit anders pas ik zinloos geweld op je toe

Mot je un klap tege je kanis – pas op, anders sla ik je op je kin

Bèkschuufer, kets, hengst, koek – allemaal woorden voor klap tegen je kop

Moak gen Dallas, anders krieg je un hengst – maak geen moeilijkheden, anders krijg je klap

Duts – oen, sulletje

Schuumke – schooier

Schumert – schooier

Hier, schup onder je kont – Hier, schop onder je kont

Viese Hent – smerige kerel

Ferreku! – Varken!

Leup nie te netsen – loop niet te bekvechten

Wa sit je nou te seike – wat zit je nou te zeuren

Geutpinser – zwerfhond!

 

Lèg nie te nuiluh, is mijn favoriet.

347

Journal

 

Archivarissen

Donderdag 12 januari, Groningen

 

 

Op de grote zolder van mijn oma hing, als je binnenkwam, links in de hoek een groot gordijn. Achter dat gordijn stonden oude spullen, zoals mijn kinderstoel en mijn kinderwagen. Ik zal vijf, zes jaar zijn geweest toen mijn oma en mijn moeder besloten de hoek op te ruimen. Ze pakten de stoel en de wagen en zeiden tegen elkaar dat die wel weg konden, dat ze toch niet meer nodig waren. Ik protesteerde, ze waren van mij geweest, ik had mijn babytijd erin doorgebracht, dat kon je toch niet zomaar wegdoen? Mijn oma en moeder kenden geen consideratie, de stoel en de wagen verdwenen genadeloos uit mijn leven.

In principe hang ik aan de dingen die mij mijn geschiedenis geven, blijkbaar zat dat er al jong in. En hoe ouder je wordt, hoe meer geschiedenis je met je meesleept. Zeker nu we kleiner gaan wonen, dienen Wyb en ik strenge archivarissen te zijn. Er moet weer worden selecteert wat wel of niet weg kan. Wat doet Wyb met de brillen van haar oma? Ze bezorgen haar een directe band met haar oma. Toch gaan ze weg, ze sleept ze nu al een half leven mee. Eén keer moet de knoop worden doorgehakt. Wat doe ik met dat prachtige vijftiger jaren foto-album dat ik van mijn kinderloze oom heb geërfd. Ik ken werkelijk niemand die er in staat. Ik zal met mijn nichten overleggen wat ik er mee moet. Wat mij betreft gooien we het weg.

In deze dagen sijpelt weer veel geschiedenis de vuilnisbak in, of vindt zijn weg naar de kringloopwinkel. Het vreemde bij deze verhuizing is, dat ik me meer zorgen maak over hoe we van de dingen afkomen, dan zorgen over hoe we de dingen meekrijgen. In Frankrijk wacht een huis dat eigenlijk al was ingericht. Vorige week hebben we daar plaats gemaakt voor de dingen die we beslist willen meenemen: onze monumentale tafel (nee, Esmee, je krijgt hem nog niet), het Tibetaanse en het art-deco kastje, ons vloerkleed en ons Indonesisch bankje. De verhuisruimte die we nodig hebben wordt kleiner en kleiner.

Maar wat doen we met onze zware bank? De ronde tafel? En onze klimaatkast? De laatste is gisteren meegenomen door Aniek en Jasper, wat een opluchting. En gelukkig is er Erik die van het leeghalen van huizen zijn beroep heeft gemaakt en daarbij zorgt dat veel een tweede leven kan leiden. Aan het einde van de maand gaat hij ons niet alleen verhuizen maar helpt hij ook met het afvoeren van de spullen naar plekken waar ze de meeste kans op dat tweede leven hebben. Ik groet de dingen en wens ze nog een mooi en duurzaam leven.

Ons bed, onze fietsen, weg ermee, ik zal er geen traan om laten. Erger is het afscheid te nemen van oude schrijfsels, de oude stempels waar ik eens zo gek op was, fototoestellen die ik nooit meer aanraak. Er is inmiddels zoveel geschiedenis die ik nooit meer zie of kan aanraken. Dat wat nu wel meegaat, wordt daardoor des te meer gekoesterd.

346

Journal d’images

 

Trash

Dinsdag 10 januari, Groningen

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

Als een gek

Vroeger dacht ik
dat de aarde beheerst
en gestadig om zijn as
rond de zon draait.

Nu weet ik dat hij,
in het licht der millennia,
dag, nacht, licht, donker,
licht, donker, als een gek
om de zon tolt en tolt en tolt.

En dan te bedenken
dat ik op het ding sta,
waak en droom, tussen licht en
donker. Het is als het knipperen
met de ogen. Als een gek.

Journal

 

Petite histoire

Maandag 9 januari, Groningen

 

 

Petites histoires, kleine verhalen, anekdotes, ik denk dat ze van groot belang zijn voor een familiegevoel, vooral omdat die petites histoires steeds weer worden herhaald. Ze vormen het cement van familiegevoel.

We hebben het geluk dat we in Cadouin in de buurt van onze Nichten wonen. Nou ja, eigenlijk is het geen geluk, want ze zijn de oorzaak ervan. Als zij er niet hadden gewoond, waren wij er niet gaan wonen.

Vorig jaar januari gingen we voor een lang weekend naar hen toe om mijn fotoboek af te maken. In aanloop daar naar toe stuurde Liesbeth een huis dat misschien wel iets voor ons was en ze gaf met FaceTime een rondleiding. Dat kan ze allemaal doen omdat ze makelaar is. Het huis bleek niet in goede staat, dus we besloten het niet te doen. Het betekende wel dat ze een zaadje had gepland. Uiteindelijk werd dat zaadje ons huis in Cadouin.

Maar dit terzijde. Met Oud en Nieuw organiseren Liesbeth en Ineke op oudejaarsavond, aan het eind van de middag, altijd een soort uitgebreide apéro voor vrienden en kennissen. Als nieuwe ingezetenen van de Dordogne waren we dit jaar voor het eerst uitgenodigd. We maakten kennis met mensen die we niet kenden.

Tijdens het borrelen en het eten van heerlijke hapjes kwam ter sprake dat Ineke en ik neef en nicht waren. We vertelden waarom we als neven en nichten zo’n sterke band hebben: onze hele familie bestond uit gezinnen met één kind en de familieband was erg hecht. Zodoende zijn we samen opgegroeid.

‘Maar het heeft me wel een jeugdtrauma opgeleverd,’ zegt Ineke opeens.
Ik kijk verbaasd naar haar. Hoezo dat dan?
‘Mijn neef hier en mijn nicht uit Eindhoven speelden altijd samen op de zolder van mijn opa en oma. Ze waren elkaar daar uitgebreid lichamelijk aan het ontdekken, heb ik later mogen vernemen. Als jongste die toch steeds ouder werd, mocht ik uiteindelijk meespelen. Maar dat kwam mijn neef en nicht niet zo goed uit want dat hinderde hen in het ontdekken.’

Ik was het kwijt. Inderdaad. Weggezakt in de drab van de tijd. Nu herinner ik het me weer. Ik weet precies wat ze gaat vertellen.

‘Daarom besloten ze vadertje en moedertje te gaan spelen. Mijn neef en nicht waren natuurlijk vader en moeder, ik was het kind. En wat bedachten ze: dat ik nog niet geboren was. Ik moest in een van de zolderkamers wachten en dan speelden zij alvast dat ze vadertje en moedertje waren en dat mijn nicht in verwachting was. Ondertussen konden zij elkaar weer onbekommerd lichamelijk ontdekken. Na lang wachten werd ik dan eindelijk geboren.’

Raffinement in de kinderwereld. Of wreedheid? Je kunt in ieder geval spreken over grensoverschrijdend gedrag in diverse opzichten. Maar toch mooi dat het verhaal, meer dan zestig jaar later, aan een tafel in Frankrijk, weer wordt verteld. Sweet memories.

345

Journal

 

Chippendales

Vrijdag 6 januari, Cadouin

 

 

Ik weet eerst niet wat ze zegt. Ik vermoed telefonische verkoop.

‘Ik ben van het programma Khalid en Sofie en een oud-collega van u zei dat ik u maar moest bellen.’
‘Oh?’
‘Ik bel u omdat wij volgende week woensdag in ons programma aandacht willen besteden aan de opkomst van de Chippedales. Volgens uw oud-collega was u betrokken bij de discussie of je zoiets nou wel of niet moest programmeren.’

De Chippendales, al twintig of vijfentwintig jaar heb ik nooit meer aan de Chippendales gedacht. Wat moet ik nou met de Chippendales.
‘Chippendales? Nou, dan bent u aan het goede adres, daar weet ik echt alles van,’ wilde ik cynisch zeggen. Maar ik besluit mij in te houden.

Wel of niet de Chippendales programmeren, daar hebben we inderdaad in een stafvergadering over gesproken, kan ik mij vaag herinneren.
‘Kunt zich nog herinneren hoe dat ging die discussie? Volgens uw oud-directeur was dat optreden het dieptepunt in zijn carrière. Wat was uw standpunt in die discussie?’
Jezus, geen idee.
‘Ik kan me inderdaad herinneren dat we erover hebben gesproken. Ik kan me die discussies uiteraard niet meer letterlijk herinneren, maar ik denk dat ik voor was, al ik tenminste consistent in mijn denken ben.’
‘Waarom was u voor?’
‘Ik ben altijd voor nieuwe dingen in het theater geweest. Ik vind theaterprogrammeringen nogal voorspelbaar. Het is vaak amusement voor de keurige burger, goed verdienend, hoger opgeleid. Ik vond, en vind nog steeds, dat theater er voor de hele samenleving moet zijn, dat brede groepen daarvan moeten kunnen genieten. En die Chippendales gaven aan die programmering opeens een verrassende wending. Ik vond het een mogelijkheid om groepen in het theater te krijgen die anders niet zouden komen.’

‘Al moet ik ook zeggen dat ik het nogal ordinair vond. Past zoiets in het theater? Ik vond het in ieder geval de moeite waard om het eens te proberen. De zalen puilden uit, dus het voorzag zeker in een behoefte.’
‘U vond het niet vrouwonvriendelijk?’
‘In de zaal merkte ik daar niets van. Ik heb vrouwen nog nooit zo enthousiast gezien. Het was een hysterisch massa. Er werden slipjes op het podium gegooid. Vrouwen smeekten dat die mannen op hun schoot kwamen zitten.’

Ik raakte op stoom merkte ik. ‘Er zat in die beleving volgens mij ook een soort genoegdoening. Voor mannen was er altijd wel iets pornografisch, of semi-pornografisch voorhanden en nou was er ook iets voor vrouwen. Volgens mij droeg dat bij aan een euforisch gevoel.’
‘Zou u over die discussie en uw ervaringen iets in ons programma willen zeggen? Zou u aan de tafel willen aanschuiven?’ Ze noemde de namen van de andere gasten, waarvan ik me alleen Paul de Leeuw herinner.

Eindelijk! Eindelijk, werd ik eens gevraagd voor een talkshowtabfel. Natuurlijk wilde ik komen, al zei ik dat niet te enthousiast.
‘Ah, fijn, dan houden wij de aankomende week hierover contact. Als u nog iets wilt vragen, kunt u mij altijd bellen.’

Ik had de verbinding nog niet verbroken of ik dacht: shit! Zit ik daar volgende week over Chippendales te praten. Dan wordt dit een van mijn laatste daden voor het theater, en waar sprak hij over: een ordinaire stripshow.

En wat had ik te melden over die Chippendales die me werkelijk geen reet interesseerden? Ik vond toen wel dat we het moesten proberen, maar ik was ook blij toen die hype voorbij was. Ik zou ze nu nooit meer programmeren. Gelukkig gingen ze uiteindelijk naar evenementenhallen waar ze meer konden verdienen. Geen flintertje gedachte heb ik ooit nog aan ze besteed. Ik wilde helemaal niet voor dit onderwerp naar Khalid en Sofie, wat een onzinnig onderwerp trouwens. Weten ze op zo’n redactie niet iets beters te verzinnen?

‘Dan zit ik volgende week woensdag dus bij Khalid en Sofie,’ zeg ik tegen Wyb.
‘Woensdag? Dan komen Jasper en Aniek bij ons eten.’
Natuurlijk, ik heb een dubbele afspraak gemaakt. Het etentje met Jasper en Aniek wil ik helemaal niet afzeggen. Liever Jasper en Aniek dan Khalid en Sofie.
De volgende dag bel ik de redactrice dat het me spijt maar dat ik een dubbele afspraak heb gemaakt. Ik noem een naam die ze ook kan bellen, waarvoor ze me enthousiast bedankt.

Als ik de verbinding verbreek, ben ik zo opgelucht. Gelukkig heb ik de associatie van mij met de Chippendales kunnen afwenden.

344

Journal

 

Atelier

Woensdag 4 januari, Cadouin

 

 

Vandaag zagen we dat de brem zijn eerste gele blaadjes krijgt, vlak daarna zagen we de eerste lammetjes in de wei springen. Niet dat het hier volop lente is, helemaal niet. Het was vandaag mistig en kil, maar de mooie en slechte dagen wisselen elkaar af, zo hebben we al diverse keren op de veranda in de zon gezeten. Het is dus niet gek dat de brem en de schapen er zin in krijgen.

De natuur is nu kaal en bruin, de winter is nog lang niet voorbij, maar dat neemt niet weg dat die zonnige dagen verwachting scheppen. Die verwachting zit ook bij Wyb en mij. We leven momenteel in een huis dat er tussenin zit. We leven met de spullen die we over kochten, onze eigen spullen staan nog in Groningen. We hebben nu een slaapkamer en een logeerkamer. Na 27 januari wordt de logeerkamer onze slaapkamer en wordt de huidige slaapkamer onze werkkamer, en worden beide gevuld met onze eigen vertrouwde bezittingen, zoals de meubels en de schilderijen.

Wie mocht denken dat wij ons in de bossen van de Dordogne terugtrekken en de wereld de rug toekeren, en uitsluitend luxe gaan vegeteren, die heeft het mis. Bij ons nieuwe huis heb ik romantische gedachten. Zo zie ik het eigenlijk als een soort atelier, een studio, waar wij dadelijk hard gaan werken, ieder aan onze eigen projecten. Ik heb de stille hoop dat we hier harder en geconcentreerder kunnen werken omdat het afgelegen is en we, vergeleken met Nederland, veel minder mensen kennen.

En vanuit die studio trekken we de wereld in om foto’s te maken, verhalen op te halen om dan weer terug te keren en alles wat we hebben opgehaald te verwerken. Wyb gaat aan een site over de Dordogne werken. Ik wil een nieuw fotoboek maken waarvan ik de titel al heb: People, Places, Signs & other things. Voor minder doe ik het niet. En dat boek dat onaf in de la ligt, blijft in mijn hoof zeuren.

Ik verheug me er nu al op dat wij aan onze grote tafel voor het raam zitten met uitzicht over de vallei. Wyb aan de ene kant, ik aan de andere kant en hard aan het werk zijn, al onze boeken onder handbereik. Het zal niet makkelijk zijn, want Cadouin nodigt inderdaad uit tot luiheid. Want niets is toch fijner dan op de veranda of onder de capalca in de schaduw te zitten en een beetje te mijmeren. Gelukkig beschikken we beiden over genoeg zelfdiscipline om ons bij de kraag te pakken en onszelf naar de werktafel te brengen.

343

Journal

 

Knallen

Maandag 2 januari, Cadouin

 

 

Om iets goed te kunnen zien, moet je afstand nemen. Dat is een van de redenen om rond de jaarwisseling naar de Dordogne te gaan. Van een afstand kan ik het oud en nieuw gekrioel in Nederland beter zien dan dat ik er midden inzit.

Onzin. De eerste zin is waar, de rest is kul. Neemt niet weg dat ik via televisie en krant in alle rust naar de afgelopen dagen heb kunnen kijken. Verwondering is mijn deel. Hoe is het mogelijk dat een groot deel van het land zoveel plezier heeft in vuurwerk?

Dat plezier is toch van een ongelofelijke simpelheid. Je steekt een lont aan, het vuurtje loopt naar het projectiel en vervolgens geeft het rotje of de bom een harde knal. Oe, wa leuk. Of het vuurtje loopt naar de vuurpijl. Een sissend geluid, een lancering en vervolgens explodeert het in vele kleuren in de lucht. Oe, wa mooi. Zo’n tweehonderd miljoen euro werd in een uurtje verbrand.

Dat geld zal me worst wezen. Nederland bulkt van het geld, een beetje meer verkwisting maakt niet uit. Het gaat me om de ziel van het plezier. Wat is het dat de mens aan zoiets simpels zoveel plezier beleeft? Hier in Frankrijk mag je op eigen terrein vuurwerk afsteken maar niemand doet het. Op oudejaarsavond gaan ze hier met familie lekker eten, oesters en champagne zijn vaste ingrediënten.

Al enige tijd vind ik het gedrag van vele Nederlanders zo infantiel, de vuurwerkobsessie is er een voorbeeld van. Ik woonde de afgelopen twee jaar midden tussen studenten en daar viel me de infantiliteit als eerste op. De student van tegenwoordig hangt vlaggen van zijn favoriete biermerk in zijn kamer op en vindt het heerlijk om zich te verkleden. Uitgerekend in Groningen is het permanent carnaval. Jongens trekken lollige rokjes aan of verkleden zich als arabier. Vrouwen zijn konijn of zigeunerin. Opgewonden zie je ze het hele jaar in groepjes door de straten lopen, ondertussen een blikje bier in de hand of een brandende sigaret. Liefst beide.

Het is natuurlijk niet gek dat Nederland infantiliseert. John de Mol en Joop van den Ende worden geroemd voor hun ondernemerschap, maar niemand stelt vragen over de aard van dat ondernemerschap. Wat ze Nederland op grote schaal brachten was televisie voor debielen. Hoe dommer hoe beter en alle zenders werden er mee vol gegooid. The Mask Singer, ik bedoel maar: debiel, debieler, debielst. Zelfs aan de meest serieuze talkshowtafels zien we voortdurend Geer of Goor opduiken. Ze zijn niet van de televisie te branden. Nergens verstand van en maar uit de nek lullen. En veel lachen natuurlijk, altijd lachen

Hier en daar zijn nog snippertjes ambitie tot enige verheffing (wat een heerlijk ouderwets woord) te vinden. Meestal blijven die snippertjes een of twee seizoenen op televisie en dan worden ze snel weer afgevoerd. Elitair is een vies woord. Domheid is de maatstaf. En maar knallen, oe so leuk, lekker knallen.

342

Journal

 

Craqueleren

Zondag 1 januari, Cadouin

 

 

We hadden diverse redenen om rond de jaarwisseling naar Cadouin te gaan. Op de eerste plaats omdat we er zin in hadden. Tweede reden was een plek te hebben waar Dies geen last heeft van vuurwerk. Aangezien er tijdens oud en nieuw in Frankrijk geen vuurwerk is, en wij in Cadouin tamelijk afgelegen wonen, vermoedden wij dat een het prima plek zou zijn.

Daarnaast was er een praktische reden om erheen te gaan: een boekenkast. Op 27 januari gaan we definitief verhuizen. Dat betekent dat, ondanks dat we weer flink snoeiden in ons boekenbezit, we daar wel een boekenkast moeten hebben.
Bij Ikea zagen we een boekenkast in berkenhout die ons wel beviel. We wilden hem bij de Ikea in Bordeaux bestellen en dan laten bezorgen. Smaken verschillen. Het bleek dat niemand in Frankrijk de boekenkast in berken wilde hebben, vandaar dat ze hem uit het assortiment hebben gehaald. Aangezien wij niet voor één gat zijn gevangen, kochten we hem in ons eigen Groningen.

Dit betekende wel dat we hem nog naar Cadouin moesten vervoeren. Aangezien we daar dus toch heen wilden, besloten we een aanhangwagen te huren en dat zware pakket, en nog diverse andere dingen, zelf daarheen te rijden. Dat scheelt weer ruimte voor 27 januari.
Ik geloof niet dat onze Volvo er blij mee was. Het is een joekel van een aanhangwagen en de geestdrift waarmee de Volvo anders naar het zuiden rijdt, was nu duidelijk minder. Hij zoop brandstof. We vergden het uiterste van hem en dat moest duidelijk worden gecompenseerd. Hoe dan ook, we hebben het gehaald.

De vuurwerk luwe plek voor Dies viel enigszins tegen. Er was op oudjaarsdag en ook rond de middernacht inderdaad geen vuurwerk, maar de plaatselijke jagersvereniging had bedacht dat het een ideale dag voor een jacht was. In de bossen rond ons huis klonk voortdurend gejank van jachthonden en geknal van geweren. Voor Dies maakt het niet uit, vuurwerk of schieten, het blijft geknal. Ondanks ons goede voornemen om hem daarvoor te behoeden, was hij die dag toch van streek.

Ander akkefietje hadden we met onze boekenkast. We vervoerden het hele pakket zoals dat hoorde. Daarna tilden we het naar boven, de heuvel op naar ons huis. In anderhalve dag zetten we de boel in elkaar. Dat wil zeggen: vooral Wyb ontraadselde de gebruiksaanwijzing van Ikea en begon met het monteren van de kast. Ik was er vooral voor het sjouwwerk, het helpen vasthouden van planken en deuren en de achterkant met spijkertjes vastzetten.
De kast bestaat uit vier verschillende kasten. Met elke kast die af was, werden wij vrolijker. Het werd precies zoals wij ons hadden voorgesteld.

‘Wacht, even een foto maken,’ zei ik tegen Wyb terwijl ze de laatste deur in de kast hing. Ik maak de foto. Een halve minuur later klinkt er een onheilspellende knap. Blijkt het glas geknapt, het glas totaal gecraqueleerd. Het gevolg is dat onze boekenkast dit verblijf niet af komt. We moeten eerst in Nederland een nieuwe deur halen. Ik hoop niet dat het een teken is voor het nieuwe jaar, dat op het einde van het jaar de boel uiteindelijk toch craqueleert.

O ja, ik moet niet vergeten de lezer van Dossiermoddergat een gelukkig nieuwjaar te wensen. We zijn er weer.

Journal

 

Wens

Zaterdag 24 december, Groningen

 

 

Dossiermoddergat wenst iedereen een goed en vrolijk nieuwjaar met veel zelfreflectie, liefde, leesgenot, joie de vivre, culinaire genot, vriendschap, mooie en nuttige filosofische inzichten, fijne feesten, zinnelijk genot, esthetische hoogtepunten, weldadige slaap, rechtvaardigheid, strijdbaarheid, creativiteit, geluk, het winnen van de loterij en allerlei andere zaken die je zomaar in de schoot kunnen vallen of waar je juist hard voor moet werken. Zo, dat was het dan, de nieuwjaarswens is geuit.

Goed om te weten dat de redactie van Dossiermoddergat zich een week terug trekt. Reden: familiale gezelligheid, verhuisperikelen, reislust, enige luiheid, drankgebruik en niet te vergeten verjaardagsgedoe. Ook de redactie wil wel eens uitslapen, aan iets anders denken dan een blog of foto. De redactie gaat het er van nemen, en zal wel wel zien wanneer ze weer bij zinnen komt.

Journal

 

Walm

Donderdag 22 december, Groningen

 

 

Als ik rond middernacht terugloop van mijn wandeling met Dies bedenk ik dat ik eigenlijk de hele dag tussen verslaafden heb rondgelopen.

Het begint met de ochtendwandeling van Dies. Bij ons om de hoek zit het Noorderpoort College, een instituut voor MBO-onderwijs. Het zit in een oud universiteitsgebouw, daarvoor was het misschien een klooster. Het terrein kent vijf ingangen en bij elke ingang staat prominent een bord dat hier een Rookvrije Generatie aan de toekomst werkt. Mooi initiatief, maar er klopt geen bal van. Bij elke poort staat de Rookvrije Generatie als een gek te paffen. Ik heb er een foto van willen maken, zo’n groepje met daarbij dat bord. Jammer genoeg durf ik hem niet te maken. Met moeite ontwijk ik de groepjes studenten. Als ik niet oppas word ik nog een verslaafde meeroker.

Hetzelfde gebeurt overdag als ik door de stad loop. Op grote schaal wordt tegenwoordig op straat gerookt. Vroeger vonden we dit asociaal, inmiddels is het bon ton. Er wordt op straat net zoveel gerookt als in de series van Netflix, het paft maar door. Nieuw fenomeen daarbij is de e-sigaret, die de mens tot schoorsteen maakt. Een beetje e-roker ontwikkelt enorme rookwolken waaraan niemand kan ontsnappen, en dan krijg je ook nog zo’n weeïg geurtje mee.

’s Avonds op weg naar het plantsoentje waar ik Dies voor het laatst uitlaat, loop ik langs de vele studentenhuizen in onze straat. Erg gezellig want veel studenten staan in groepjes buiten, Dies wordt overal met enthousiasme begroet. Maar de toekomstige juristen, bedrijfseconomen en medici staan daar niet voor niets: ze staan daar ‘gezellig’ te roken. Door de vele fietsen op de stoep lukt het me nu niet om de nicotinewalm te ontlopen.

In het plantsoentje zit vandaag een man met een heliumtank tussen zijn benen. Keer op keer vult hij een ballon die hij dan in zijn mond stopt. Het is een bankje waar elke avond wel iemand verslaafd zit zijn. Gisteren zaten er twee mannen crack of heroïne te prepareren, het was niet hun eerste shot.
‘Hé, meneer, mag u uw hond in de stad wel los laten lopen?’
‘Volgens mij wel, hoor, ik heb nog nooit een bekeuring gehad.’
‘Weet u dat zeker? U moet geen bekeuring krijgen, hoor. Volgens mij mogen honden niet loslopen.’
‘Wij doen hier ook illegale dingen,’ zegt de ander.
‘Ja, maar u mag de hond niet los laten lopen. Ik heb zelf twee boksers gehad, die liet ik nooit loslopen. Mag ik u hond eens aaien?’
‘Natuurlijk.’ Ik roep Dies, die enthousiast naar de twee mannen loopt, waarvan de een nog steeds bezig is met het prepareren van de shot.
‘Hij luistert goed, meneer.’
‘Ik zou hem wel vastmaken, hoor,’ zegt de man als ik met Dies wegloop.

Vanavond dus de man met de heliumtank. Het lijkt erop dat mensen die gebruiken goed zijn in het herhalen van zinnen. Zo vraagt de man met de ballon wel zes keer of ik me veilig voel hier.’ Keer op keer verzeker ik hem dat ik me zeker veilig voel, maar dat schijnt hem niet te overtuigen. ‘Voelt u zich echt wel veilig?’ Ook hij vraagt of hij de hond mag aaien. Dies is een troost voor junks.

Terug naar huis komen we weer langs de studenten die voor hun deuren staan te roken. Ik ben trouwens geen haar beter als het om verslaving gaat. Vanavond geen praatjes met de studenten, ik loop snel terug naar huis, want ik weet dat daar een volgend glas wijn op me wacht.

 

 

341

Journal

 

Bulkgoed

Woensdag 21 december, Groningen

 

 

Laat ik eerlijk zijn, toen ik voor het eerst hoorde dat er sprake was van excuus over het Nederlandse slavernijverleden, dacht ik: nou dat weer. Ik was mij er, dacht ik, ten diepste van bewust dat het slavernijverleden van Nederland een ongelooflijk smerige vlek op ons blazoen is, maar om nu weer obligaat excuus te gaan maken.

Die smerige vlek viel voor mij in een patroon. Nederland en geld, het is een Siamese tweeling. Als er ergens geld valt te verdienen, dan kun je er donder op zeggen dat er een Nederlander in de buurt is. Zelfs als dat geld verdienen stinkt door smerige praktijken. Ethiek is niet onze sterkste kant. Gelukkig zijn we gelovig en is er altijd vergeving. Als de kassa maar rinkelt.

Ik schreef zojuist ‘was mij er ten diepste van bewust’. Maar dat klopte toch niet, blijkt nu Rutte ook een weg heeft afgelegd van afwijzing van excuses naar het maken daarvan. Pas gisteren, bij het zien van de reacties op die excuses, uitgesproken door zwarte mensen, realiseerde ik me ten volle hoe ernstig die slavernij echt was. We behandelden hen die we tot slaaf maakten minder dan honden. We kochten ze, verhandelden ze, een dode meer of minder maakte niet uit, want wat was een slaaf nou eenmaal waard. De mens als bulkgoed. V.O.C.-mentaliteit pur sang.

Het gevolg is dat families uit elkaar werden gereten, maar ook culturen. Met de deportatie van al die mensen, maakten we de samenlevingen van waaruit ze kwamen kapot, maar ook de gebieden waar we slaven naartoe transporteerden. De gevolgen daarvan blijven gemeen schrijnen. De woorden misdaad tegen de mensheid zijn hier absoluut op zijn plaats.
Wie spreekt over oude koeien uit de sloot halen en ‘moeten we het verleden nou altijd weer oprakelen’, zou ik willen zeggen dat die koeien helemaal niet oud zijn. Volgend jaar herdenken we dat 150 jaar geleden de slavernij werd afgeschaft. Bij mijn geboorte was dat dus slechts 80 jaar geleden, terwijl ik tijdens mijn opvoeding het idee kreeg dat dit toch op zijn minst honderden jaren geleden was.

En wie mocht denken dat de sporen van die slavernij, in de vorm discriminatie, voorbij zijn, heeft het mis. Ik weet dat al te goed omdat ik van nabij meemaak wat mijn bruine dochter in Amsterdam te verduren kreeg. Ik zal daar nu niet over schrijven, die tijd komt misschien binnenkort wel. Voor wie denkt dat Nederland een keurig land is, waar discriminatie niet voorkomt, kan ik zeggen: individuele discriminatie en institutionele discriminatie kankert overal nog door. Shame on us.

 

340

Journal d’images

 

De katten van Bordeaux

Dinsdag 20 december, Groningen

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

Gewoon, zoals de merel
op de punt van het dak.

Over de grootte van het land.
Over de moeders die komen en gaan.
Over de monden van de jongen.
Over de vluchten, hoogte, afstand.
Over pleisterplaatsen.
Over het plezier van het water.
Over de dingen die verdwenen.
Over het nest, de heggen en het dak.

En dan naar een andere punt vliegen,
gewoon zoals de merel.

Zingen.
Avond na avond.

Journal

 

Ster

Maandag 19 december, Groningen

 

 

Ik hou van voetbal, maar ik kijk nooit naar voetbal. Dat komt omdat er zoveel voetbal is dat je er niet goed van wordt. Een potje voetbal op zijn tijd is prima. Maar op televisie, en zelfs op de radio, worden we overvoerd met voetbal. Ik vind het een van de meest overgewaardeerde maatschappelijke activiteiten, ondanks dat ik van voetbal hou.

Zo heb ik vanmiddag een van de mooiste voetbalpotjes ooit in mijn leven gezien. In de finale van dit wereldkampioenschap in Qatar, de wedstrijd tussen Argentinië en Frankrijk, zagen we voetbal zoals voetbal moet worden gespeeld. Beide partijen vochten onverveerd (wat een mooi woord) met elkaar, waardoor de wedstrijd van begin tot het einde spannend was. Het spel golfde prachtig over en weer.

De wedstrijd was, wat mij betreft, ook een aanklacht tegen het spel van het Nederlands elftal. Met afschuw keek ik naar het totaal zielloze spel van onze landgenoten. Louis van Gaal probeerde ons in de voorbereidingen al wijs te maken dat het moderne voetbal niet zonder systeem kan. Daarom had hij voor dit wereldkampioenschap een systeem bedacht dat tot afzichtelijk laf voetbal leidde. Het systeem was eenvoudig: zijn zetstukken moesten vooral verdedigen en als de kans zich voordeed via de flanken counteren. Ik noemde het gaap voetbal. Het leidde tot voetbal waar je je voor moet schamen, het was passief, defensief, saai, vrijwel stilstaand voetbal zonder sjeu.

Gelukkig lieten zowel Argentinië als Frankrijk zien dat Louis van Gaal ongelijk had. Natuurlijk heeft het moderne voetbal een tactiek nodig, maar de kracht ligt niet bij de tactiek, die ligt bij creativiteit, het anticiperen, beweeglijk zijn, individuele kwaliteit, vechtlust en speelplezier. Al deze laatste zaken heeft Van Gaal er bij zijn spelers uitgeramd. Iedere speler diende zich dienstbaar te maken aan Het Systeem en dan zou het wel goed komen. Natuurlijk kwam het helemaal niet goed.

Het Nederlands elftal speelde één kwartiertje goed. Dat was toen ze 2-0 achterstonden in de wedstrijd tegen Argentinië en de tijd drong. Er moest iets gebeuren. De spelers ontworstelden zich uit het systeem en gingen eindelijk voetballen. Eindelijk gingen ze ouderwets aanvalluuuh. Het was een plezier om te zien en binnen de kortste tijd was de achterstand weggewerkt. Daarna vervielen ze weer in dat laffe en saaie Systeem, met gevolg: roemloos verlies.

Het Nederlands Elftal kende één ster, één iemand die straalde, en dat was Louis van Gaal zelf. Goh, wat zagen we hem genieten. Hij is als een soort verlosser uit zijn pensionadodom geroepen en je zag dat hij dacht: ik heb toch niets meer te verliezen, ik ga hier mateloos van genieten. Hij zette zijn spelers, die het eigenlijke werk moeten doen, in de schaduw. In plaats over voetbal ging het over Zijn Systeem en zijn leven. Hij stal de show met melige grappen, het kussen van spelers en pseudo superieur doen. Het voetbal verdween naar de achtergrond.

Gelukkig hebben Argentinië en Frankrijk ons het kinderachtige en incompetente optreden van Louis Van Gaal doen vergeten. Door hun spel staat Louis met terugwerkende kracht in zijn hemd. Het spel van de beide landen zou ons zelfs bijna laten vergeten dat het toernooi plaatsvond in Qatar, een land dat door corruptie het toernooi binnenhaalde en vervolgens walgelijk veel geld uitgaf aan voorzieningen die na het toernooi hun functie verliezen. En dan hebben we het nog niet over de vele doden die deze krachtinspanning mogelijk maakten.

Van Gaal en Qatar kunnen we beide de grote verliezers van dit toernooi noemen. De individuele kwaliteit van Messi en Mbappe daarentegen zijn de grote winnaars. Creativiteit wint het uiteindelijk altijd van een systeem.

339

Journal

 

Stilte

Vrijdag 16 december, Groningen

 

 

Toch wonderlijk: de wereld ging een paar keer in lockdown en toen de lockdowns voorbij waren was er een enorm tekort aan personeel. Het aantal treinen nam vanwege dat gebrek af, evenals de lengte van die treinen. De wachtlijsten in de zorg werden langer en langer, alom was een gebrek aan mensen die een ambacht beheersten. Het land is uit evenwicht.

Nou weet ik dat ik geen enkel recht van spreken heb, want tijdens een van die lockdowns verliet ik het slagveld en ging met pensioen, eindelijk de total vrijheid. Ik besloot die vrijheid volledig tot mij te nemen. Bestuursfuncties, ik weigerde ze allen. Klusjes? Ik nam er nog twee aan waarvan ik enorme spijt kreeg. Zelfs het kleinste klusje verstoort de totale vrijheid, merk ik.

Bestuursfuncties al helemaal. Je wordt altijd verleid met het verhaal dat zo’n functie nauwelijks werk met zich meebrengt. Het bestuur of de raad van toezicht komt vier keer per jaar bij elkaar en dat is alles, fluitje van een cent. Ik waarschuw degene die na zijn pensioen nog een volle agenda wil hebben. Elke bestuursfunctie heeft mij vele malen meer tijd gekost dan beloofd.

In elke organisatie breekt wel een crisis uit. Er komt een financiële crisis, de subsidie wordt gehalveerd, de directeur stapt op, het personeel meldt grensoverschrijdend gedrag, en zo zou ik nog vele voorbeelden kunnen noemen. Altijd gedoe. De enige manier om daar gegarandeerd verschoond van te blijven, is het nooit aanvaarden van een bestuursfunctie. Tenzij je natuurlijk houdt van sores en ellende, dan is een bestuursfunctie een ideaal middel om daarvan te proeven.

Terwijl ik mijn eigen weg volg en allemaal dingen doe ik echt wil doen, zonder mij van iemand of iets aan te trekken, zie ik de personeelstekorten in het onderwijs oplopen, er is een gebrek aan huisartsen, vervoerders smeken om personeel. Wat doe ik? Ik vertrek naar Frankrijk, ga over de zijlijn heen en zoek nog meer de marge op. Ik neem geen verantwoordelijkheid, help niet mee om tekorten te verminderen.

Het gekke is dat niemand mij ook vraagt ergens in te springen. Met een zak geld heeft men mij laten gaan om te genieten van mijn vrijheid en ik ben vergeten. Voor mij een goede zaak, dat is precies wat ik wilde. Dat geldt niet alleen voor mij, maar voor al die pensionados die lui op hun lauweren kunnen rusten. Gezien de nood had ik wel verwacht dat er een vraag zou komen. Hé, Blogger, kun jij af en toe niet eens met een taxi rijden? Of: Hé, Blogger jij hebt toch een onderwijsbevoegdheid? Kun jij niet eens wat taallessen aan al die scholieren geven die als halve analfabeten van het basisonderwijs komen?

Het bleef gelukkig stil en in stilte knijp er tussenuit. Ze horen nog van me.

338

Journal d’images

 

Bidprentje

Donderdag 15 december, Groningen

We wandelen in Dwingeloo door onze oude biotoop. We krijgen er altijd een thuisgevoel van. Het is waterkoud en wat donker. En opeens komt de zon tevoorschijn. Een lichtstraal priemt door de bomen heen. Wyb knipt. Dan blijkt dat ze de foto voor mijn bidprentje heeft gemaakt. Fijn. Hoeven we ons daar niet meer druk over te maken, die kun je maar vast hebben.

Journal

 

Ontdekkingsreiziger

Woensdag 4 december, Groningen

 

 

Ik heb de pest aan winters. Ik hou maar van één winter, en die lijkt uitgestorven. Het is de winter dat je nog kind bent, je stapt uit bed, je blote voeten schrikken van het koude zeil. Je opent je gordijnen en je ziet dat alles anders is, de wereld heeft zelfs zijn kleur verloren. Je weet niet hoe snel je buiten moet komen. Die sneeuw, die maagdelijke sneeuw, het lijkt alsof er geen andere mensen op de aarde zijn, nergens zijn voetstappen te bekennen, als een ontdekkingsreiziger zet jij de eerste stappen in een nieuwe wereld.

En dan ben jij de eerste die door sneeuw stapt. Bij elke stap kraakt de sneeuw een beetje. Je ziet niet alleen dat het heeft gesneeuwd, je hoort het ook. Het geluid is anders, alles is doffer, het geluid is kleiner gemaakt.
Je maakt de eerste sneeuwbal en raakt de lantaarnpaal. Dan ga je naar het fietsenhok van de school die iets hoger ligt, je zet af en de lichte helling zorgt ervoor dat je de straat op glijdt. Voor de straat hoef je niet bang te zijn, want niemand waagt zich buiten. De straat is van jou.

Later op de dag ga je naar de Echoput, waar het een gekrioel en geschreeuw van kinderen is die met grote vaart de diepte in glijden. Dan loop je door naar de Goffert, waar een lange, stijle helling is. De slee gaat zo hard dat je zelfs bang wordt, hoe moet je dit ding ooit stoppen? En je klimt weer naar boven.

Later gingen mijn vriendjes schaatsen op de vijver bij het bejaardenhuis. Ik weet niet van wie ik de Friese doorlopers kreeg, maar ze bleven nooit aan mijn voeten zitten, altijd kropen ze weer naast mijn schoen. Handschoenen uit en ze weer onder binden. Totdat mijn handen zo koud waren dat ik nog maar één ding wilde: naar huis, mijn handen op de kolenkachel leggen.

Helaas. Deze winter zijn uitgestorven, niet alleen omdat ik ouder werd, maar ook omdat die lekkere pakken dikke sneeuw zich niet meer laten zien. Strenge winters zijn voorbij. De winter is er nu een van sombere luchten, bedompte straten, regenbuien, wind.

De eerste winter nadat wij terug waren uit Frankrijk schrok ik enorm van het deprimerend weer. Ik had het altijd lijdzaam ondergaan, druk met werk. Nu pas, na al die mooie heldere luchten in Zuid-Frankrijk, in zomer en winter, viel het mij op hoe onverbiddelijk de winters in Nederland zijn. Ze zijn bijna niet door te komen. Alleen dat al was een motivatie om weer aan Frankrijk te gaan denken.

Het vriest nu, de lucht is helder, blauw, lekker koud. Over de Elfstedentocht hoor ik niemand praten. Niemand die het durft, het verleden heeft het ons afgeleerd. De winter waar ik van hield is definitief verleden tijd.

337

Journal

 

Rapport

Dinsdag 13 december, Groningen

 

 

Beste lezer,

 

Als bestuur van Dossiermoddergat willen wij u graag van het volgende op de hoogte stellen. Volgens een onafhankelijk onderzoeksrapport is gebleken dat Dossiermoddergat een ‘verwaarloosde organisatie’ is. Het bestuur gaf opdracht tot dit onderzoek nadat wij via de vertrouwenspersoon in 2020 meldingen hadden ontvangen over pesten, discriminatie en intimidatie.

Uiteraard willen wij geen namen noemen, maar de klachten richten zich vooral op De Blogger. Uit het onderzoek is gebleken dat medewerkers zich bij hem onveilig voelen. Het blijkt dat hij medewerkers, vooral onze fotografen, ernstig schoffeert, soms zelfs vernedert. En dit in het bijzijn van andere medewerkers. Het is niet voor niets dat het ziektepercentage binnen de organisatie significant veel hoger is dan het ziektepercentage bij vergelijkbare organisaties.

Het excuus van De Blogger dat Dossiermoddergat nou eenmaal in de champion league speelt en dat hij daarom iedereen op scherp moet stellen, hebben we niet aanvaard. Wij vinden het een niet relevant excuus, een excuus dat tegenwoordig iedere manager gebruikt die uit de bocht vliegt.

Door te hoge werkdruk en de voorgenoemde bedrijfscultuur viel een van de vijf medewerkers langdurig uit, vaak met een burn-out. Steun tot herstel bood de organisatie nauwelijks. Gevolg was een enorm personeelsverloop.

Het rapport meldt ook incidenten met vier zwarte kunstenaars. De slechte samenwerking met hen is volgens het onderzoeksbureau te wijten aan een gebrek aan kennis over discriminatie, racisme en inclusiviteit bij een deel van medewerkers en specifiek De Blogger. Dossiermoddergat staat zich wel voor op een divers personeelsbeleid, maar van de vijfentwintig medewerkers tussen 2015 en 2022 waren er drieëntwintig wit en hetero.

Ander aspect waar het rapport op wijst, is het zich structureel schuldig maken aan nepotisme. Volgens de doelstellingen van Dossiermoddergat moet het het blog een breed beeld van de samenleving geven en streeft het een diversiteit aan onderwerpen na. Helaas heeft Dossiermoddergat onder leiding van De Blogger de scope steeds meer vernauwd tot zijn eigen leven, zijn naaste familieleden en vrienden.

Wij hechten er waarde aan te vermelden dat De Blogger zich niet schuldig heeft gemaakt aan seksueel overschrijdend gedrag, wat in een eerdere werkkring van hem wel heeft plaatsgevonden. Dat neemt niet weg dat het bestuur De Blogger voorlopig op non-actief heeft gesteld.

Het bestuur biedt zijn oprechte excuses aan de medewerkers aan dat zij zijn blootgesteld aan de grillen en willekeur van het management van De Blogger. Wij bieden ook onze excuses aan de lezer aan, aangezien de blik van Dossiermoddergat steeds beperkter werd.

De aankomende week zullen wij ons beraden welke maatregelen we gaan nemen om te zorgen dat aan deze situatie per direct een einde komt en er voor te zorgen dat dergelijke toestanden in de toekomst zich niet herhalen.
Wij houden u op de hoogte en hopen niet dat u door deze onverkwikkelijke zaken het lezen van Dossiermoddergat opgeeft. Want Dossiermoddergat bestaat bij de gratie van uw lezen.
Wij wachten een reactie van De Blogger af, mocht die komen, al heeft hij aangegeven dat hij daartoe geen behoefte voelt, dan houden wij u zeker op de hoogte. Nogmaals onze welgemeende excuses.

 

Met vriendelijke groet,
het bestuur van Dossiermoddergat,
is getekend,
de voorzitter.

 

P.S. Omdat wij vinden dat de onderste steen boven moet komen, hebben wij aan Deloitte gevraagd nader onderzoek te doen hoe het zover heeft kunnen komen. Het onderzoeksrapport van Deloitte zal in 2025 klaar zijn. Uiteraard brengen wij u over de conclusies van dit rapport te zijner tijd op de hoogte.

336

Journal d’images

 

Tjerk

Zondag 11 december, Groningen

 

 

Acht jaar geleden overleed Tjerk, de vader van Wyb. Hij was een belangrijk deel van zijn leven vrijwilliger van het It Fryske Gea. In die functie zorgde hij ervoor dat de Van Asperen eendenkooi in Anjum in goede conditie bleef. Hij onderhield de kooi met een aantal mannen die zijn kameraden werden. In een keet bij de kooi groeiden ze steeds meer naar elkaar toe. Na het werk was er tijd voor een Jägermeister, de lievelingsdrank van Tjerk. Hij heeft menig fles soldaat gemaakt. Een aantal van die flessen, bijeen gehouden door de ruggengraat van een gestorven ree, vonden we vandaag terug in de vensterbank van de keet die ze gewoon De Keet hebben genoemd.

Tjerk gaf aan dat hij graag in de eendenkooi zijn laatste rustplaats zou vinden. Vandaag hebben we die wens vervuld. Met Anneke en de kinderen wandelden we door het landschap waar Tjerk zo van hield. Uitgestrekte weilanden, donkere luchten, zompige grond, ganzen die gakkend overvlogen, een haas die wegvluchtte. Onder een boom, die ooit door de bliksem is getroffen, hebben we hem verstrooid.

Het spreekt voor zich dat we daarna nog een Jägermeister in de keet dronken. De fles, nog half gevuld, hebben we met wat glazen achtergelaten voor zijn kameraden. Dit alles, daar zijn we van overtuigd, in de geest van Tjerk. Hij was een man uit duizenden waarvan we nog steeds veel houden.

Journal

 

AI

Zaterdag 10 december, Groningen

 

Het absolute geluk lonkt. Binnenkort kan ik echt in mijn hangmat gaan schommelen, wijn en boek onder handbereik. De baliemedewerkster in het bankwezen, de typograaf, de encyclopedie, de medewerkster van het reisbureau en de beste menselijke schaker ter wereld gingen mij voor. Allen verdwenen door digitalisering en het toenemen van de kunstmatige intelligentie, of beter: artificial intelligence (AI). Het einde van het bloggen is in zicht. Voor altijd vakantie!

Of eigenlijk zeg ik het verkeerd. Er zal altijd worden geblogd, maar er hoeft geen mens meer aan te pas te komen. Grote sensatie is het programma ChatGPT. Je geeft ChatGPT een schrijfopdracht en je krijgt een uitstekend lopende tekst. Niks geen houterige computergestuurde taal meer, de taal is niet te onderscheiden van de menselijke schrijfkunst. Sterker: je kunt ChatGPT zelfs vragen om in een bepaalde stijl of genre te schrijven. Vraag een thriller à la Grisham en je krijgt een thriller à la Grisham. Het programma schijnt zelfs te begrijpen wat ironie en sarcasme is en daarmee aan het werk te kunnen. Wat betekent dat het met gelaagdheid in een tekst kan omgaan.

Ik heb het programma gedownload en heb er een beetje mee gespeeld. Het is onvoorstelbaar wat mogelijk is. Ik vraag een kritisch commentaar op het asielbeleid van Nederland en verdomd, ik krijg een lezenswaardig blog. Dit betekent dat ik binnen afzienbare tijd ’s ochtend alleen nog maar een onderwerp hoeft te kiezen. Dan zeg ik tegen ChatGPT: schrijf een blog over de overheid als dader in de stijl van Dossiermoddergat. Ik kruip in de hangmat en tegen lunchtijd ga ik eens kijken wat ChatGPT heeft gebrouwd. Het zal vast mogelijk zijn om een automatische link te leggen met Dossiermoddergat zodat ik het er niet zelf meer hoef op te zetten. Eindelijk ben ik af van dat bloggen.

Laat ik je een voorproefje geven. Om te kijken of het programma op het allerhoogste artistieke niveau kan werken, geef ik ChatGPT de opdracht een haiku te schrijven met als onderwerp een ree. En zie hier het resultaat.

de ree op het land
zomer, herfst, winter, lente
de ree op het land

Nou moet een goede haiku in principe een natuurbeschrijving zijn en drie regels bevatten. De eerste regel moet vijf lettergrepen bevatten, de tweede zeven en de derde weer vijf. Verdomd, het programma heeft het prima uitgevoerd. Het gedicht vind ik door zijn eenvoud ongelooflijk mooi, het schept meteen de leegte van een landschap, een ree die daar als silhouet in weer en wind in staat. Het is in feite een zeer doeltreffende ode aan de ree.

Wat ik ook knap vind is dat het programma kiest voor de ree en niet voor het ree. Volgens het Groene Boekje mag je zowel ‘de’ als ‘het ree’ zeggen. Van Dale noemt ook beide opties maar vermeldt erbij dat ‘het ree’ typisch jagerstaal is. Daaruit kunnen we opmaken dat minder vuurgevaarlijke lieden het vaker over ‘de ree’ hebben. Uiteraard gebruiken de redacteuren van Dossiermoddergat, als minder gevaarlijke vuurgevaarlijke lieden, als optie de ree.

De lezer van Dossiermoddergat kan nog veel plezier hebben van deze artificial intelligence. En ik ook.

335

334

Journal d’images

 

Hemel

Donderdag 8 december, Groningen

 

 

 

Grote vriendelijke kat.

Hoe laat is het in het paradijs?

Raak de hemel aan.

Journal

 

De weg terug

Woensdag 7 december, Groningen

 

 

Verhuizen naar een eenzaam huis op een berg. Verdomd, blijk ik in een eeuwenoude traditie te staan enerzijds, anderzijds op de huid van de tijd te zitten. Ik verklaar mij nader.

In NRC lees ik afgelopen zaterdag de kop: ‘Stilte is de grootste luxe.’ In het artikel lees ik: ‘We willen ons bevrijden van de constante drukte. Echte stilte en afzondering is maar voor een kleine groep weggelegd.’ Ander citaat: ‘Maar voor échte stilte en rust heb je veel meer geld nodig. Stiltevakanties zijn een trend in het luxesegment. In Italië worden vijfsterrenhotels geopend in voormalige kloosters, voor een ‘meditatieve’ vakantie.’
Die trend schijnt zich dus vooral voor te doen in het dure segment. Dan kun je er donder op zeggen dat na de early adopters de late majority zal volgen. Dat zou vooruitgang zijn. In ieder geval zitten Wyb en ik met onze verhuizing naar onze berg blijkbaar op de huid van de tijd.

Maar dat zal me worst wezen. Een dag eerder las ik in de Volkskrant dat er een nieuw boek uit is, geschreven door Jan de Meyer. De titel luidt: De weg terug. De ondertitel: Chinese kluizenaars en het daoïsme.
Op de achterflap lees ik: ‘Gedurende meer dan tweeduizend jaar hebben Chinese daoïsten (lees taoïsten) zich teruggetrokken uit het dagelijks leven en zich in stilte als kluizenaar te wijden aan geestelijke rust, onthechting en eenvoud. Hun aandeel in de geschiedenis lijkt marginaal, maar is dat allerminst. Talrijke keizers deden een beroep op de ‘verheven heren’ omdat in hun teruggetrokken levenshouding een sterk commentaar op het ambtelijk apparaat sprak en zij door hun weigering een bestuurlijke rol op zich te nemen boven de massa uitstaken.’
Het spreekt voor zich dat ik dat boek wil lezen.

Elke dag ga ik als een soort handelsreiziger, met boeken waarvan we vanaf willen, de stad in. Dan ga ik weer naar het ene antiquariaat, dan weer naar het andere. Elke dag scoor ik zo’n vijfentwintig à dertig euro. Vandaag besluit ik de opbrengst van mijn handeltje aan De weg terug te besteden. Ik hoop er de filosofische onderbouwing of ondersteuning van onze verhuizing in te vinden. Eenmaal thuis begin ik meteen te lezen.

‘Niet alleen zijn de Chinese kluizenaars niet marginaal, ze zijn ook geen verleden tijd. Verschillende van de belangrijkste thema’s die hen meer dan twintig eeuwen bezig hebben gehouden, zijn vandaag minstens even actueel en relevant als ze al die tijd geleden al waren: de keuze tussen het bewaren van een zo groot mogelijke mate aan autonomie en individuele integriteit enerzijds, en het participeren aan de ontwikkeling van het beleid anderzijds; het conflict tussen het eigen geweten en de bezoedelingen die gepaard gaan met het uitvoeren van de macht; de keuze tussen persoonlijke vrijheid en zelfontplooiing enerzijds, en het accepteren van een leven van conformisme in een ritualisme doordrenkte maatschappij anderzijds.’

‘Niet zelden steunden onze anachoreten (kluizenaars) op passages uit de Zhuangzi, waarin wordt gesteld dat de individuele integriteit enkel kan worden bewaard door zich nutteloos te maken voor overheid en bestuur, met andere woorden, door de schijn te wekken maatschappelijk voor niets te deugen.’

Ik verheug me in toenemende mate op de verhuizing.

333

Journal

 

Verhuistolerantie

Dinsdag 6 december, Groningen

 

 

‘Dat je dat durft.’
‘Wat een grote beslissing.’
‘Wat heerlijk.’
‘Een straf besluit.’
De reacties op onze beslissing weer naar Frankrijk te verhuizen lopen nogal uiteen. Misschien omdat we het al een keer hebben gedaan zie ik het zelf niet als een grote beslissing. Je kunt in Nederland en in Frankrijk wonen, wat maakt het uit. Twaalf uur rijden en ik ben weer in Nederland. Dat oppervlakkige gevoel overheerst bij mij. Maar het is natuurlijk te simpel gedacht. Ik heb echt zin om weer naar Frankrijk te gaan. Waarom eigenlijk? Wat zijn de werkelijke reden waarom wij dat, in tegenstelling tot een heleboel mensen, ‘zomaar’ doen?

De belangrijkste drijfveer voor mij is vermoedelijk de behoefte aan stilte, aan rust. Ik vind het heerlijk om daar te zijn. De ruimte van het land, de afstand van de drukte, ik kan daar erg van genieten. Wyb en ik kunnen prima met z’n tweeën zijn. Ook zonder duizend-en-een contact en verplichtingen vermaken wij ons uitstekend.

Ik heb het donkerbruine vermoeden dat door die stilte en rust zich weer nieuwe dingen aandienen. Klinkt vaag, is vaag. De rust geeft ruimte voor nieuw denken. Hoop ik. Als die nieuwe dingen niet komen, ook prima. Ik vind het heerlijk om op een veranda te zitten. Geef mij een boek en een laptop en mijn leven is gevuld. Voor Wyb ligt dat anders, denk ik. Zij heeft echt behoefte aan nieuwe werkzaamheden, andere werkzaamheden, werk dat buiten het theater ligt. Ik kan mij dat goed voorstellen. Ook ik had het theater op een gegeven moment wel gezien. Het leven is te lang om je met één soort werk bezig te houden.

Andere belangrijke reden om het besluit te nemen heeft met het licht te maken. Het licht in Nederland, en vooral in de herfst en de winter, is vaak zo deprimerend modderig, en zo lang modderig. In de Dordogne regent het ook wel en is het ook bewolkt, maar nooit zo lang als in Nederland. Al ongekend snel voor Nederlandse begrippen breekt de lucht, is er blauwe lucht en zon te zien. Die ellenlange periodes van modderig licht heb je daar niet. En: een ongelooflijk groot goed, het waait er opmerkelijk weinig, dat is heerlijk, hierdoor wordt alles behaaglijker.

Ander aspect. Ik heb in Frankrijk het heerlijke gevoel dat ik een buitenstaander ben. In Nederland voel ik mij met alles verwant en dat alles vind ik opmerkelijk vaak onaangenaam. Komt de domme drang bij dat ik me ermee wil bemoeien. In Frankrijk schud ik dat van me af. Ik maak me ook geen enkele illusie over het integreren in de Franse samenleving. Alleen al mijn slechte beheersing van de Franse taal behoedt mij daarvoor. Ik heb ook niet bepaald het idee dat de Fransen op die integratie zitten te wachten. Hun eigen familie staat centraal, en die buitenlanders die er wonen, à la.

Wat de beslissing makkelijk maakt, zal onze verhuistolerantie zijn. Wij zijn gewend onze spullen te pakken en in een totaal nieuwe omgeving te gaan wonen. Wij zijn getrainde verhuizers. Dat bedoel ik niet in fysieke zin, want zonder hulp om onze spullen van A naar B te brengen zouden we het niet redden. Gelukkig zijn er Erik en Ed die ons al eerder naar het zuiden brachten.

Erik stelde gisteren al voor om zelf een flinke aanhangwagen te kopen zodat we die bij de volgende verhuizing kunnen gebruiken. Het kan best dat Erik ons inmiddels beter kent dan wij onszelf. Hij is er blijkbaar van overtuigd dat er een volgende verhuizing komt. Ik zou er op dit moment niet aan moeten denken, maar ja, de resultaten uit het verleden wijzen inderdaad een andere richting op. Zowel Wyb als ik beschikken over een bovengemiddelde wendbaarheid, dus ja, wat moet ik hierover zeggen?, ik weet het niet, het zou kunnen, we zien het wel.

332

Jamais dormir: Nooit slapen.

Journal d’images

 

Bordeaux

Maandag 5 december, Groningen

 

 

Journal

 

Met grote dankbaarheid

Zondag 4 december, Groningen

 

 

Ik ga vandaag iets met pijn in mijn hart doen. De eerste boeken die ik kreeg waren alle fictie. Zo had ik de hele serie van Puk en Muk die ik in een rood koffertje bewaarde. Als ik bij mijn oma ging logeren moest het koffertje mee. Daarna verzamelde ik nog de serie van Wipneus en Pim, iets later de serie van Pim Pandoer. Eigenlijk ben ik altijd een serie lezer gebleven. Als een schrijver mij bevalt, wil ik het liefst alles van hem lezen.

Het eerste non-fictie boek dat ik kreeg was Dit dier is uw vriend, een boek, zoals de ondertitel zegt, alles over huisdieren. Ik keek zojuist in het boek wanneer het is uitgegeven: 1963, ik was negen jaar. Grote kans trouwens dat ik het toen op Sinterklaasavond heb gekregen.
Het is niet gek dat ik het kreeg want dieren hebben altijd een grote rol in mijn leven gespeeld. In de tijd dat ik het boek kreeg hadden we een parkiet, Popi geheten, die ik allerlei kunstjes had geleerd. Het kan niet anders of ik had ook hamsters. Mijn hele jeugd heb ik hamsters gehad. Ik probeerde ze te fokken. Soms hadden ze jongen en dan bracht ik die naar de dierenzaak om te verkopen. Maar vaker vraten ze hun kroost op en vond ik in de bak aangevreten jongen.

Ik heb zelfs seksuele voorlichting gekregen via de hamster. Op een gegeven moment waren het mannetje en vrouwtje dat ik had op de salontafel aan het neuken. Mijn moeder stelde toen de verbijsterende vraag: ‘Hoe denk je nou hoe mensen kinderen kunnen krijgen?’ Na haar uitleg viel alles voor mij op zijn plaats.

Ik denk dat Dit dier is uw vriend ook een belangrijke oorzaak is dat ik mijn hele leven, tot de dag van vandaag, honden heb gehad. Ik vrat het hoofdstuk over de hond en droomde hoe het was om zelf een hond te hebben. Die hond kwam een paar jaar later en was, tot mijn teleurstelling, een dwergpoedel. Zelf had ik meer een schotse collie in gedachte, zo’n hond als Lassie, of een herdershond als Rin Tin Tin. Onze dwergpoedel verrichtte nooit heldendaden.

Vandaag ga ik Dit dier is uw vriend weggooien. Voor mij een grote daad. Maar ik vind het nu toch ook onzin dat je een boek een leven lang in de kast laat staan om sentimentele redenen. Ik heb het boek zeker vijfenvijftig jaar niet ingekeken, maar wel bij elke verhuizing weer meegenomen. De Puk en Muks zijn al lang uit mijn leven verdwenen, Dit dier is uw vriend pakte ik elke keer weer in. Nu we opnieuw kleiner gaan wonen, de boekenkast beperkt is, besluit ik er definitief afscheid van te nemen. Vooral omdat de rug ernstig is gehavend, is het zelfs niet waard om naar een kringloopwinkel te brengen. Met grote dankbaarheid dat ik het boek in mijn jeugd had, gooi ik het in de vuilnisbak. Het boek heeft mijn liefde voor dieren zeker nog meer aangewakkerd.

Journal

 

Croucho Club

Zaterdag 3 december, Groningen

 

 

Een fotoboek uitgeven is een genot. Op de eerste plaats omdat je de foto’s waarvan je zo houdt in één boek in de hand kunt houden en bekijken. Foto’s in een boek vind ik sowieso de ideale manier om foto’s te bekijken. Foto’s op internet en in Dossiermoddergat zijn ook niet te versmaden, maar dan blijven ze toch teveel lichtbeelden. In een fotoboek zie je foto’s zoals ze zijn bedoeld. Als ik moet kiezen tussen foto’s bekijken op een fototentoonstelling of diezelfde foto’s bekijken in een boek. Dan kies ik voor het boek. Een fototentoonstelling loop ik maar één keer over, een boek kan ik altijd weer in mijn hand houden. Een foto op een fototentoonstelling wordt ook teveel kunst, vind ik. Een foto in een boek is meer een gebruiksding, is veel vriendelijker en onnadrukkelijker.

Maar er is nog een reden dat het uitgeven van een fotoboek een genot is. Dat heeft te maken met de contacten die het genereert. Wyb en ik hebben sinds het uitkomen van het boek nog nooit zoveel sociale contacten gehad. Mensen nodigen ons uit om het boek te komen brengen, mensen komen langs om het boek te halen en vaak gaat dat weer gepaard met een etentje. Al weken staat er vrijwel elke dag iets in mijn agenda, dat was toch al een paar jaar nauwelijks het geval. Al die sociale contacten, waar ik best van geniet, hebben één nadeel, en dat is dat ik nauwelijks aan fotograferen toekom.

Gisteren hadden we een eetafspraak met Grita en Crispin. Normaal gesproken wonen zij in het Engelse Sussex, een paar honderd meter van de zee in een huis dat stamt uit 1500 zoveel. Van alle vrienden die ik heb, wonen zij denk ik wel het mooist. Ze zijn in Nederland voor een familiebezoek.
Ik spreek over vrienden, maar kun je mensen die je meer dan 35 jaar niet hebt gezien wel vrienden noemen? Ja, dat kan. Makkelijk. Want 35 jaar betekenen niets voor een vriendschap. Als ze voor de deur staan, is het als vanouds.
Het contact dat we hebben, verloopt normaal gesproken via Facebook. Er wordt wat afgekankerd op het medium, maar het zorgt er wel voor dat ik nog een soort van sociaal contact hou met mensen die ik weinig kan zien. Ook Grita en Crispin kwamen om een boek op te halen. Crispin is een fanatiek fotograaf, Grita is in Engeland een gewaardeerd book designer. Altijd interessant om hun mening te horen.

De laatste keer dat ik Grita en Crispin in levende lijve zag, was in de jaren tachtig in Londen, waar ze een prachtig huis hadden waar Lies en ik logeerden. Bijzondere gebeurtenis die ik me herinner was een bezoek aan de Groucho Club. Normaal gesproken kom je daar als bezoeker echt niet binnen, zeker niet in die tijd. De Groucho Club is een private member club in Dean Street, Soho. We konden naar binnen omdat Crispin lid was. De leden van de club zijn voornamelijk afkomstig uit de media-, entertainment- en kunstwereld. Even lunchten wij in het hart van de Engelse cultuur. Ondanks dat hip Engeland er zat, dit het episch centrum van de moderne kunst was, ademde het de sfeer die de Engelse clubs al eeuwen hebben. Crispin wees ons de titanen uit die wereld aan. Ik geloof niet dat ik een van hun namen kende.

 

331

Journal d’images

 

Rode kat

Donderdag 1 december, Groningen

Journal

 

Kogel

Woensdag 30 november, Groningen

 

 

We dachten een losse flodder af te schieten, bleek het een kogel te zijn. Het ding had een afwijking, het floot om ons heen. Het leek een ongeleid projectiel. Werd de losse flodder een gevaar voor ons? We bleven het ding volgen, het schoot om ons heen. Soms vloog het even weg, dachten we er vanaf te zijn. Maar dan kwam het weer in grote snelheid op ons af. Dat ging zo een tijdje door. We kwamen er niet meer van los.

En toen, opeens, ging de kogel toch door de kerk. Bam! Het was duidelijk: we besloten terug te gaan naar Frankrijk. Deo volente gaan we rond 1 februari terug. Alweer verhuizen, hoor de ik lezer van Dossiermoddergat met verbazing uitroepen. Alles weer inpakken. Ja, weer verhuizen. Cadouin lonkt.

Eigenlijk zouden we niets hoeven in te pakken. We kochten het huis in Frankrijk met inboedel. Al maanden hebben we er in gewoond zonder iets te missen. Maar toch, we willen onze eigen spullen om ons heen, de boeken, schilderijen, de tafel en de stoelen waar we aan zijn gehecht. Door al dat verhuizen van ons zijn we gelukkig enorm afgeslankt. Alleen het hoognodige, het meest dierbare is over, we hebben ons verlost van de ballast.

Waarom verhuizen? We hebben een prima huis in Groningen, waarom halen we ons al dat werk weer op de hals? Het is de rust, de stilte van het huis en zijn omgeving. Het is de geborgenheid die we er voelen.
‘En wat ga je daar doen?’ vraagt een vriend tegen wie ik het vertel. Hij geeft zelf het antwoord: ‘De taoïsten noemen dat het vasten van het hart. Je terugtrekken in jezelf, langzaam versterven.’ In dat vasten kan ik me nog vinden, in dat versterven zeker niet. Wyb heeft plannen om allerlei dingen aan te pakken. Ik idem dito. Ik verheug me op de rust waardoor ik weer een project kan oppakken. Een nieuw fotoboek, zeker. Een roman die al een tijd in mijn la ligt te wachten om opnieuw aangepakt te worden? Misschien.

Gisteren, toen we terugkwamen uit Frankrijk en ergens onder Breda de grens overgingen, wist ik het zeker. We kwamen in een stoet terecht van veel te dure auto’s, de stoet duurde van de grens tot even na Zwolle en zelfs daar bleef het druk. Al die mensen. Drukte. En nog eens drukte. Wyb en ik haken voorlopig af, we trekken ons terug. Tijd voor contemplatie.

Maar je moet natuurlijk nooit te optimistisch zijn. Die kogel door de kerk deed me denken aan een gedicht van C. Buddingh’. Of was het niet van Buddingh’? Het geheugen is zo’n onbetrouwbaar hulpmiddel. Gelukkig is er Google. Ja, het blijkt inderdaad van Buddingh’ te zijn.

 

Verzuchting van de eeuwige underdog

Komt de kogel ooit door de kerk,
krijgen we ‘m weer in ons achterwerk.

C. Buddingh’

330

Journal

 

Wit

Maandag 28 november, Cadouin

 

 

Demonstreren is niet moeilijk, als het mag tenminste. Je bent ergens voor of tegen, je verenigt je en dan ga je de straat op. Op spandoeken en borden schrijf je waar je voor of tegen bent. Ik heb het in mijn jonge jaren zelf veel gedaan, te veel, want op een gegeven moment zie je jezelf lopen en denk je: hier loop ik nou voor de zoveelste keer, heeft dit nut? Na het stellen van die vraag kreeg ik er steeds minder zin in, komt bij dat ik een goede baan kreeg. Ja, ja, zo gaat dat.

Ondanks dat demonstreren een eenduidige bezigheid is, zie ik toch een nieuwe internationale tendens. Uit nood geboren, gewoon omdat het aantal autoritaire klootzakken op het wereldtoneel toeneemt en steeds meer klootzak worden. Ik zag het voor het eerst in Rusland, daarna Iran en nu weer China. Er zijn geen spandoeken of borden meer. De demonstrant houdt een leeg A4-tje omhoog. Een ontroerend gebaar, vind ik. Het is bijna een poëtische vorm van sprakeloos zijn. Het is in feite de ultieme manier om duidelijk te maken dat men monddood is. Het is de erkenning van de zwakke positie, de onderdrukking, maar daar toch uiting aan willen geven.

Het is een machteloos gebaar. En toch. Dat simpele A4-tje schijnt levensgevaarlijk te zijn en veel te zeggen. Wie het A4-tje omhoog houdt, wordt al snel opgepakt en afgevoerd. Het A4-tje beschrijft zonder woorden de hele wereld waarin de demonstrant leeft. In een brute wereld is hij of zij de mens zonder stem. Het lege papier is de manier om het te laten weten en er tegen te protesteren.

Ik gebruikte net de woorden poëtische vorm. Ook in de poëzie speelt het wit een essentiële rol. Het wit scheidt de delen van het gedicht, de coupletten. Door dat wit krijt elk couplet zijn eigen zeggingskracht. Het gedicht zelf staat in een zee van wit. Door het wit krijgt de tekst kracht en betekenis. Het wit scheidt het af van die enorme wereld om het gedicht heen, het wit maakt van het gedicht een eiland met eigen betekenis en waarde.

Onderschat het wit niet. Het staat niet voor leegte, het staat voor de stem van hen die geen stem hebben. Het wit legt ook de angst van de machthebber bloot. Zelfs wit, het niets, zien ze als een gevaar dat met brute kracht de nek moet worden omgedraaid. Je bent toch diep gezakt als je het wit als een gevaar ziet. Want wit staat voor onschuld, voor overgave en non-agressie. Wie zich overgeeft zwaait met een witte vlag. Wie met een wit A4-tje zwaait, doet het tegenovergestelde.

 

329

Journal

 

Gids

Zondag 27 november, Cadouin

 

 

Toen Wyb en ik reageerden op een advertentie waarin een beheerdersechtpaar voor een chambres d’hôtes in Saint-Hippolytte-du-Fort werd gevraagd, hadden wij geen idee waar we dat konden vinden. Na enig googlen zagen we dat het aan de voet van de Cevennen lag.
Na diverse gesprekken in Nederland vonden we het, voordat we zouden beslissen, het raadzaam om ook nog zelf te gaan kijken. Rond Kerst reden we de streek en Hippolyte binnen. We waren meteen verkocht. Het dorp was helemaal niet Provence-achtig liefelijk. De Cevennen bleek een ruige streek, enorm uitgestrekt. Hippolyte beschouwde ik altijd als het echte Frankrijk. Het trok niet veel toeristen, maar de mensen die kwamen konden de sfeer van de Cevennen en het dorp meteen waarderen, eigenlijk iedereen herkende de authenticiteit.

Pas nadat wij er waren gaan wonen, bleek de plek nog een cadeau voor ons in petto te hebben. Hippolyte bleek namelijk niet ver van Montpellier te liggen, een stad die ik daarvoor niet kende. Het bleek een prachtstad te zijn. Ze is zo’n beetje de oudste universiteitsstad van Europa en draagt daar nog alle sporen van. De universiteit is er nog steeds en de studenten zijn in grote getale aanwezig en in het centrum van Montpellier staan nog steeds de oude huizen in het oorspronkelijke stratenplan opgesteld, het is een stad vol sfeer: levendig, vrolijk, mooi.

Toen wij begin dit jaar ons huis in Cadouin kochten, wisten we wel iets van de Dordogne. We waren er meerdere keren op vakantie geweest en bovendien wonen onze Nichten daar. Het was dus niet geheel en al onbekend voor ons. En evenals Hippolyte blijkt ook Cadouin een cadeau voor ons te hebben. Niet al te ver van de eenzame landelijkheid van Cadouin (wat een genot) ligt Bordeaux, een stad waar Wyb en ik ooit één middag zijn geweest en waarvan we al meteen zeiden dat het ons een topstad leek.

Nadat we drie dagen over onze planken vloer hadden gekropen, vonden we dat we een beloning verdienden. Bovendien moest de olie intrekken en mochten we de vloer een etmaal niet belopen. Allemaal goede redenen om naar Bordeaux af te reizen en te checken of onze eerste indruk, jaren geleden, klopte.

En die bleek uitstekend te kloppen, Jezus, wat een leuke stad, en vooral, wat een mooie stad, wat een allure. Ik vind het heerlijk om naast die landelijke eenzaamheid een stad te weten waar je Het Grote Leven even kunt snuiven. Voor mij is het een waar Fotografie Paradijs.

Wyb en ik beginnen dan meteen te fantaseren. Misschien kunnen we hier voor een tijdje een studio huren, door de week in Bordeaux wonen, in het weekend naar Cadouin. Wyb voegt dan meteen de daad bij het woord en gaat kijken of ze hier zou kunnen werken. Blijkt geen probleem te zijn. Zo worden er gidsen gevraagd om met toeristen de rijke wijngaarden van Bordeaux te bezoeken. Een andere organisatie vraagt gidsen om met toeristen sightyseeënd door Bordeaux te fietsen. Wyb lijkt het geweldig. Mij ook. Een studio heb je voor zevenhonderd, achthonderd euro. Het hele weekend krijg ik mijn lievelingslied van Louis Davids maar niet uit mijn hoofd: Mensch durf te leven!

 

328

Eilanden.

Journal

 

Klus

Donderdag 24 november, Cadouin

 

Deze dagen zijn we in Frankrijk bezig met iets waar ik ontzettend de pest aan heb: klussen. Soms hoor ik wel eens iemand zeggen: ‘Ik ga morgen lekker klussen.’ Lekker? Geen idee wat de woorden lekker en klussen met elkaar hebben te maken. Het is jaren geleden dat ik iets heb geklust, en ook die keer bracht de overtuiging dat klussen en ik net zomin bij elkaar passen als de woorden lekker en klussen.

Ooit besloot ik al mijn gereedschap weg te doen opdat ik nooit meer in de verleiding zou komen iets te doen. Jarenlang, ondanks vele verhuizingen, kreeg ik het voor elkaar om niet te klussen. Wat wel betekende dat jarenlang, en ook nu nog, een peertje in plaats van een smaakvolle lamp onze slaapkamer verlicht.

Wyb en ik zijn deze dagen bezig met het schuren en oliën van onze slaapkamervloer, de vloer in de gang en van de logeerkamer. Het gevolg is dat de inboedel van die kamers midden in onze woonkamer annex keuken staat. Al twee nachten slapen we pontificaal in onze woonkamer in ons eigen bed. Overal waar ik kijk troep: matrassen, lampen, kasten, nachtkastjes.

Het is Dies verboden om bij ons op bed te slapen, dat neemt niet weg dat ik elke ochtend wakker word met een hond naast me. Dat komt omdat we samen in een kamer moeten slapen omdat de rest van het huis is afgesloten door de werkzaamheden. De smiecht weet elke nacht op ons bed te sluipen en zich elke nacht met ons mens te wanen.

Overdag kruipen Wyb en ik over vloeren. Met een schuurmachine verwijderen we het bovenste laagje van de vurenhouten vloer, daarna schoonmaken, stofzuigen en is het de bedoeling dat we de vloer oliën. Omdat wij er geen verstand van hebben, dachten we dit karweitje wel in één dag te klaren. Foutje. Zo’n schuurmachine is een weerbarstig ding, het wil zich alle kanten uit vreten. Na een paar minuten het ding in bedwang houden, gutst het zweet van mijn lijf en laten mijn spieren weten dat ze niet zijn gediend van dit werk, of ik gek ben geworden.

Ja, ik ben gek geworden omdat we dachten dit klusje wel zelf te kunnen klaren, vooral omdat er met klusjesmannen in Frankrijk nauwelijks sluitende afspraken zijn te maken. Het is zelfs de vraag of er überhaupt klusjesmannen in Frankrijk zijn. Je kunt ze wel bellen, ze nemen zowaar soms de telefoon op, maar aan afspraken komen ze nooit toe, wel aan toezeggingen om binnenkort eens langs te komen om te kijken wat het werk nou precies inhoudt. Ons huis wordt echter nooit bereikt.

Laat maar. Dachten wij. We doen het zelf wel. Het is nu al de tweede dag dat ik vieze handen heb, geen tijd om te lezen of te fotograferen. Morgen volgt er nog een derde dag. De logeerkamer is nu helemaal klaar. En verdomd, al zeggen we het zelf, het er prima uit. Nou moeten we het niet te hoog in de bol krijgen want dadelijk raken we er nog van overtuigd dat wij best wel kunnen klussen. En ik vrees dat zo’n overtuiging zeker tot nog meer klussen leidt.

Gebukt onder het klussen. Voor wie denkt, waarom neem je nou geen groot schuurapparaat. Zo’n groot ding is veel te zwaar, die krijgen we de berg niet op. Met dat kleintje gaat het prima, al krijg je er wel een hernia van.

Journal

 

Stap

Dinsdag 22 november, Cadouin

 

 

Groningen, Cadouin, een grotere tegenstelling is niet mogelijk.
In Groningen wonen een ongelooflijke hoeveelheid jonge mensen. Als ik door de stad loop ben ik als 67-jarige een bezienswaardigheid. In de Groninger straten zie je weinig anderen van die leeftijd. Het gros is rond de twintig, als je tegen de dertig loopt, verlaat je blijkbaar de stad.

In het centrum racet een leger thuisbezorgers op snelle fietsen en scootertjes. Ik heb slechts één keer een ongeluk gezien, een wonder, want de bezorgers trekken met hoge snelheid door de massa studenten die elke dag door het centrum trekt.
Overal is herrie, getoeter, sirenes, het geschreeuw van de sirenes doet me vaak aan Londen en New York denken, ook daar de hele dag door het gehuil van sirenes.

In Cadouin wonen geen jongen mensen. Ik heb er in ieder geval nog geen gezien. Eigenlijk zijn er twee Cadouins. Een is het Cadouin in de toeristentijd, het andere is het Cadouin buiten de toeristentijd. In Saint-Hippolyte-du-Fort viel het me al op, de toeristentijd duurt in feite heel kort, zes, acht weken en dan gaat alles weer back to normal. Toen ik zelf nog toerist was, dacht ik dat de toeristentijd het normale Frankrijk was. Fout. Het is een korte opleving van drukte, meer niet.

Wyb en ik verblijven momenteel in het Cadouin van buiten de toeristentijd. En het moet gezegd, het is nog veel rustiger dan ik dacht. Veel meer huizen dan ik vermoedde zijn vakantiehuizen. De meeste huizen hebben dan ook dag en nacht hun luiken dicht en wachtten in volle overgave op hun eigenaren die ergens in Parijs, Engeland of Nederland zich de benen onder hun lijf lopen.
Wij lopen door een verlaten dorp. De plaatselijke pizzeria is alleen nog op vrijdag, zaterdag en zondag open. De andere restaurants zijn dicht. Als we bezoek zouden krijgen, moeten we kilometers rijden om een restaurant te vinden waar we samen kunnen eten.

Belangrijke vraag voor ons: blijven we genieten van beide werelden of gaan we kiezen? Meer en meer neigen we naar het eenzame Cadouin. Het lijkt alsof ik in Groningen word omringd door mensen, ik moet moeite doen om ze te ontlopen, maar contact heb ik nauwelijks. Of ik nou door de bossen van Cadouin loop of door het centrum van Groningen, qua contact maakt het niet veel uit. Oké, soms ga ik met Henk of iemand anders een glas bier drinken, maar dat ga ik hier ook wel krijgen.

De vraag is of ik tegen de eenzaamheid kan. Al mijn leven lang flirt ik met het kluizenaarschap. Ik hoef nog maar één stap te zetten, namelijk van Groningen naar Cadouin verhuizen en het kluizenaarschap is een feit. En zoals het er nu naar uitziet, gaan we die stap maken. Ik hou van het alleen zijn, dat wil zeggen, alleen met Wyb zijn, en de stilte, in Nederland een zeldzaam goed. Ik beken meteen dat ik hem ook eng vind. Elke keer dat we hier waren voelden we ons in de hemel, maar is dat ook nog als we hier een jaar, twee jaar, drie jaar wonen?

328

Journal d’images

 

Momentje

Maandag 21 november, Cadouin

Toch even een bijzonder momentje. Onze namen staan weer op een huis in Frankrijk.

Journal d’images

 

Strandleven

Zondag 20 november, Cadouin

Journal

 

Inpakken

Vrijdag 18 november, Groningen

 

 

Ik ben inmiddels kampioen inpakken. Morgen gaan we weer richting Cadouin en in mijn hoofd zit blijkbaar een lijstje wat ik dan moet meenemen. Voor Wyb geldt hetzelfde, in razend tempo pakken we de spullen bij elkaar. We zijn een ingespeeld team, Wyb zorgt voor de officiële papieren, ik zorg ervoor dat ons computerpark meegaat en de sleutels. Blindelings kunnen we de kleren uit de kast grissen, hoeveel stuks, het zit allemaal in ons hoofd.

‘Word je er niet gek van om weer naar het zuiden te gaan?’ vraagt Esmee als ik haar aan de lijn heb. Nee, eigenlijk helemaal niet. Wij zijn het reizen helemaal niet als verloren dagen. Ik, maar ook Wyb, vind het heerlijk om lange afstanden te rijden. Voor mij is het een soort meditatie. Het verstand op nul, de blik op oneindig, ondertussen jagen onder ons de kilometers weg. Twee uur rijden, wisselen van bestuurder, na nog een keer twee uur rijden, wisselen en Dies uitlaten.

Voor ons is zo’n autorit een prima gelegenheid om naar muziek te luisteren en in alle rust met elkaar te praten. De afgelopen tijd was druk. Wyb was voortdurend aan het werk, ik had afspraken die met Rues de France hadden te maken. Zo ging ik eergisteren eindelijk weer eens naar Nijmegen. Wat heerlijk om via de spoorbrug Nijmegen in te rijden. Het ontroerde me. Net als je de spoorbrug over ben, kun je de flat van mijn moeder aan de Veemarkt zien, jarenlang woonde ze daar. Wat hebben we daar gelukkige jaren meegemaakt.

Vorig jaar en begin dit jaar had Wyb een opdracht in Nijmegen, was ze interim zakelijk leider van Kwatta, dat zo’n honderd meter van het huis van Jan en Connie ligt. Hierdoor kwamen we opeens vaak in Nijmegen. Die periode heeft mijn band met Nijmegen weer helemaal aangehaald. De stad is als een oude jas voor me. Ik had hem even onder in de kast gelegd, er eigenlijk niet meer aan gedacht. Maar toen we er vaker kwamen, haalde ik hem uit de mottenballen en zag ik dat het een jas is die me eigenlijk heerlijk past. Aan de stad hangen zoveel herinneringen en beelden, ze zijn diep in mij gegrift.

De reden dat we nu naar de Dordogne gaan, is een praktische. In de slaapkamer, de gang en de logeerkamer ligt nog een onbewerkte vurenhouten vloer. De aankomende dagen willen we die in de olie zetten opdat hij minder slijt en hem beter kunnen schoonmaken.

Andere reden is dat het herfst is. We hebben het huis inmiddels in alle seizoenen meegemaakt, behalve de herfst. We willen ervaren hoe het huis dan voelt. De weersverwachting belooft ons een maximale herfstervaring. De regen zal met bakken over ons heen worden gestort.

327

Journal

 

Passanten

Donderdag 17 november, Groningen

 

 

Ik zit met een vriend voor zijn open haard, we praten over van alles en nog wat. In tegenstelling tot mijzelf is mijn vriend, die nog niet zo lang geleden de 70 heeft aangetikt, nog steeds actief in de culturele sector, voornamelijk als bestuurder, soms als adviseur. ‘Hij is enigszins geïrriteerd omdat hij in een kwestie, ondanks zijn lange ervaring in de sector, niet serieus werd genomen. Hij begrijpt niet dat anciënniteit zo weinig wordt gewaardeerd. Hij heeft toch niet voor niets al die ervaringen opgebouwd, bepleit hij.

Misschien omdat ik langer met mijn poten in de managementmodder heb gestaan, weet ik al lang dat anciënniteit geen pré is. Integendeel misschien wel. Anciënniteit kan mensen wantrouwig maken, heb ik gemerkt. Oud, of ouder zijn, kan mensen in onze samenleving achterdochtig maken. Wat doet die ouwe vent nog hier? Het geloof in alles wat jong is, is daarentegen groot. De dynamiek, het aanpassingsvermogen ligt bij degenen die jong zijn. Volgens mij zijn het ingesleten gedachten in Nederland.

In mijn geval lag die twijfel over het ouder worden ook erg bij mijzelf. Zo rond midden vijftig zag ik mijzelf zitten tussen al die aanstormende talenten. Om mij heen stürm und drang, in mij de scepsis. Vind je het gek. Bedacht zo’n jonge, overmoedige maker weer een plan dat ik in mijn leven al vijf keer voorbij had zien komen en elke keer had zien sneven. Moest ik daar iets van zeggen? Natuurlijk heb ik dat diverse keren gedaan, maar dan zag ik de vermoeidheid in de vergadering sluipen: daar heb je die ouwe lul weer.

Juist omdat je veel ervaring hebt, word je sceptischer, cynischer. En laten we niet vergeten: blasé. Een voorstelling die ik op oudere leeftijd zag, kwam toch in het licht te staan van al de voorstellingen die ik daarvoor heb gezien. Wat een nieuwe generatie als spectaculair zag, als heel bijzonder, vond ik vaak wijn in oude zakken. Moest ik daar iets over zeggen? Ik liet het vaak achterwege, blijft dat ik het oude zakken vond. Ook al zeg je er niets van, het communiceert niet lekker.

Dat is een van redenen dat ik na mijn pensioen geen werkzaamheden of bestuursfuncties in de podiumkunsten meer wilde. Ik wist het gewoon te goed, vond ik. En ik weet dat veel weten een handicap kan zijn. Onbevangenheid is een groot goed. Kennis kan niet alleen jezelf in de weg zitten maar zeker ook volgende generaties die hun eigen weg in de wereld willen vinden. Iedere generatie wil zijn eigen succes veroveren en heeft recht op zijn eigen fouten.

Naarmate ik ouder werd, voelde ik de tijd door mijn vingers wegsijpelen. De schone ogen die ik ooit had vervuilden door alles wat ik had gezien en meegemaakt, waardoor het werkelijk zicht op de tijd vervormde. Je bril wordt ouder, je ogen idem dito, en dan is er de veranderende werkelijkheid, ze corresponderen steeds minder met elkaar. Ik heb gemerkt dat je zelfs een vreemde van jezelf kan worden.

‘Wij zijn allen passanten,’ zeg ik tegen mijn vriend.
‘Zo is het,’ beaamt hij.

326

Journal

 

Gideon

Dinsdag 15 november, Groningen

 

Wanneer je je zoon Gideon noemt, vraag je als ouders toch om problemen. Gideon is een Hebreeuwse naam die verband houdt met het werkwoord vellen. Gideon betekent dus ‘de veller’, ‘de vernietiger’, aldus Google. Het is de goden verzoeken als je je zoon Gideon noemt. Ik vind het ook raar om te doen: je weet dat die naam geassocieerd wordt met ellende. Het is vermoedelijk niet voor niets dat er vrijwel geen Gideons meer zijn.

Gideon van Meijeren doet me altijd denken aan die ene jongen bij ons op school die in de pauze altijd alleen stond en als enige op school altijd keurig een pak droeg. Het was de tijd van flower power en revolutie en dat mannetje stond daar maar eigenwijs te wezen en lid te zijn van de JOVD. Hij was de verpersoonlijking van alles waar wij een hekel aan hadden. En het ergste was dat die jongen genoot van zijn positie. Hoe meer hekel we aan hem kregen, hoe gelukkiger hij leek.

Gideon van Meijeren is in zijn eigen complottheorieën gaan leven. Er is voor hem een belangrijke taak weggelegd. De overheid is een dictatuur en het is zijn Grote Opdracht om aan die dictatuur te knagen en te knagen in de hoop dat die verschrikkelijke overheid, geleid door het kartel (het lukt me nauwelijks om dit woord te typen, ik vind het zo’n kinderachtig woord) om zal vallen opdat hij eindelijk zijn tribunalen kan oprichten. Oh, wat zal hij ze straffen. Vermoedelijk heeft hij de plekken van de kampen al in zijn Bosatlasje ingetekend.

Het kan best zijn dat zijn ouders ook al op die alt-right forums zaten. Aan de naam Gideon is natuurlijk ook het begrip Gideonsbende gelieerd. Dat is een kleine groep vastberaden strijders die een groot leger verslaat. Met een beetje pech ziet Van Meijeren zich als lid van zo’n leger en hadden papa en mama de stille hoop dat hij ooit tot die gideonsbende zou gaan behoren, je weet het niet.

Het uiterlijk van Gideon gaat steeds meer naar die knaagtaak staan. Ik heb voor dit blogje nog eens naar foto’s van hem zitten kijken en dan zie dat hij zomaar een typetje van Van Kooten & De Bie zou kunnen zijn. Hij lijkt soms frappant veel op De Vieze Man, maar dan met een stropdas en keurig geknipte haartjes. Van Kooten heeft voor deze gelegenheid een gebitje in gedaan met van die kleine knaagtandjes. En dat typetje maar knagen en knagen.

Marcel van Roosmalen noemde hem een reptiel, ik zie in Gideon toch veel meer een konijntje. Ik vind hem namelijk best aandoenlijk. Ventje speelt fascistje. Hij is in de slipstream van die Baudet in de Kamer gekomen. Wie had dat ooit gedacht, Gideon kamerlid! En daar geniet het ventje nu met volle teugen van. Eindelijk hoeft hij niet alleen maar achter zijn computer die alt-right sites te lezen en alt-right te twitteren, nu kan hij echt iets betekenen. Tegen de verdunning van onze cultuur, tegen het ka… ka… kar…, nee, het lukt me niet, mijn vingers weigeren.
Al die jongens die hem in de pauze pestten, hij zal ze krijgen. Oh, wat verlangt hij naar die tribunalen. En hij is zo blij met zijn naam Gideon. De naam zegt precies wie hij is.

PS Overigens kreeg die jongen met dat pak, dat JOVD-lid, een decennium later het tij mee en stonden wij met onze flower power en revolutie als outsider te kijken hoe de anderen in de pauze speelden op de aandelen- en cryptomarkten. We moeten oppassen, want voordat je het weet krijgt die Gideon het tij mee.

325

Journal

 

Jazz

Zondag 13 november, Groningen

 

 

Het was 1979, of 1980, Lies en ik reden in onze Opel Kadet naar Groningen. Ik was nog nooit in Groningen geweest, maar ik wist wel dat daar de Jazzmarathon was. Goede reden om naar het Noorden af te reizen. In de auto lagen matjes en slaapzakken want die nacht zouden we in onze Kadet (aanschafprijs 400 gulden) op een parkeerterrein in de buurt van De Oosterpoort slapen.

Hoogtepunt van het festival was het optreden van Lionel Hampton, de grote zaal van De Oosterpoot stond op zijn kop. Naast mij swingde een grote reus met zijn vrouw, vele koppen groter dan ik. Hij vroeg waar we vandaan kwamen en ik vertelde hem dat we uit Nijmegen kwamen.
‘En waar slapen jullie dan?’
Ik vertelde hem dat we in de auto zouden slapen.
‘Maar jullie kunnen ook bij ons thuis slapen, hoor.’
Zo kwam het dat we achter hem aanreden naar Roden of Norg, precies weet ik het niet meer. Ze woonden in een rijtjeshuis. In hun woonkamer stond een enorme collectie jazzplaten. Verder kan ik me niet veel van het bezoek herinneren. Wel dat Lies ’s ochtends naar de badkamer ging en dat de reus daar naakt in een badje lag te weken.

Door dat uitstapje naar Groningen was ik diep onder de indruk van De Oosterpoort en de Jazzmarathon. Dat was een andere schaal dan de lullige activiteiten in De Lindenberg waar ik in die tijd werkte. Als ik daar ooit nog eens zou kunnen werken. En verdomd, aldus geschiedde, in 1983 werd ik er hoofd marketing.

Gisteren, 43 jaar later, zit ik in dezelfde zaal te luisteren naar Joshua Redman. In diezelfde zaal heb ik, na acht jaar in De Oosterpoort te hebben gewerkt en vele Jazzmarathon mede te hebben georganiseerd, heel wat jazzconcerten meegemaakt. Maar het concert van Joshua Redman is het mooiste wat ik in al die jaren heb gehoord.

Gelukkig begon het concert van Redman om 17 uur, een beetje rare tijd omdat dergelijke acts, geheide hoogtepunten, meestal een festival afsluiten. Na een glas wijn konden we daardoor meteen gaan genieten van dat hoogtepunt. Euforisch verlieten we na een dik uur de zaal.

En zo kwam het dat ik opeens, sinds jaren, in een festival belandde, Rockit genaamd. Ik hou totaal niet van festivals, voor mij is het synoniem met hangen, wachten, dringen, drukte en met mensen praten waar je geen zin in hebt. Gisteravond was het niet anders. Daar kwam bij een enorme emmer regelrechte klote muziek. Mijn oren waren weldadig gevuld met Joshua Redman en een stel nitwittin, voor wie de volumeknop belangrijker is dan goed spelen, deden hun uiterste best zijn muziek te verdrijven. Is ze mooi niet gelukt. Er werd bevestigd wat ik al wist: mijd festivals.

324

Journal d’images

 

Rondje Drenthe

Zaterdag 12 november, Groningen

Journal

 

Homo lupus ad lupum est

Vrijdag 11 november, Groningen

 

 

Ik heb de wolf op Dossiermoddergat nog zo gewaarschuwd: kom niet naar Nederland. Niet omdat ik dat niet zou willen, ik ben gek op wolven, maar Nederland is gewoon een rotland voor wolven, zoals Nederland voor alles wat een beetje afwijkt een rotland is.

De Nederlander heeft de geestelijke ruimte niet om de wolf te ontvangen. Hij heeft een ingeteerde geest waar alle speelruimte uit is geperst. Oorzaak: structurele verwendheid. Van alles wat een beetje moeilijk en lastig is wordt een ongekend drama gemaakt. Nederland is de prinses op de erwt, elk bobbeltje wordt een berg.

Er zijn in Nederland drie wolvenparen, daarnaast is de aanwezigheid van elf wolven vastgesteld die door Nederland zwierven, maar mogelijk ook weer zijn verdwenen. Laten we zeggen dat er rond de elf wolven hun domicilie in Nederland hebben. Over die elf arme beesten praten liefst veertien organisaties in het Landelijk Overleg Wolf (LOW). En maar lullen en nota’s schrijven, het is onze manier om vermeende problemen te bezweren.

Maar gelukkig heeft Nederland al lang geleden het definitieve wapen gevonden om de wolf de nekslag te geven: de snelweg. In de loop van de jaren hebben we overal, van noord naar zuid en oost naar west, snelwegen aangelegd, wolven die deze hordes kunnen nemen, behoren tot de slimste van hun soort. Ik vraag me af welke wolf hier een natuurlijke dood gaat sterven, het kan niet anders of uiteindelijk zal elke wolf sterven op het asfalt. Een paar hebben daar al hun laatste adem uitgeblazen.

Ander probleempje waar de wolf mee te maken krijgt is aaien. Beesten zijn alleen leuk als je ze kunt aaien. Zelfs de wolf wordt onderworpen aan die aaidrang. Zo is er een wolf op de Veluwe die nauwelijks nog bang is voor mensen. Onbegrijpelijk, maar waar. De wolf komt gevaarlijk dicht bij mensen omdat hij is gevoerd. Vermoedelijk omdat mensen foto’s van hem wilden maken. En wat denk je? Deze wolf wordt een probleemwolf genoemd. Voor mensen ligt het probleem altijd bij de ander, geen mens is zelf het probleem.

Het Landelijk Overleg Wolf heeft daar nu een oplossing voor gevonden. Ze willen de probleemwolf, eigenlijk de aardigste wolf tussen zijn soortgenoten, met paintballen weer schuw maken. Lekker bont en blauw schieten en dan leert dat beest tenminste de ware aard van de mens kennen. Ik heb de wolf al eerder aangeraden: komt nooit dichtbij de mens. Om met Flaubert te spreken: ‘Er is geen mens die deugt’.

Natuurlijk doodt een wolf, dat is zijn rol in de natuur. Wolven doden in Nederland gemiddeld per jaar zo’n tweehonderd schapen, waarvoor de eigenaren tot 2023 financieel worden gecompenseerd. Daarna moeten ze maatregelen hebben genomen om de wolf te weren, zoals het aanschaffen van wolfwerende hekken of wolfwerende honden.
Vandaag lees ik in de krant dat Drentse boeren eisen dat de wolf uit Nederland verdwijnt. Och, och, och, rupsje nooit genoeg wil altijd in alles zijn zin krijgen en zijn eigenbelang is de maat der dingen.

Als ik moet kiezen tussen de Drentse boer en de wolf, nou dan wist ik het wel. Laat het Landelijk Overleg Wolf zich daar maar eens over buigen. Homo lupus ad lupum est, de mens is voor de wolf een wolf.

323

Journal

 

Kleur

Donderdag 10 november, Groningen

 

 

Aan de overkant, recht tegenover ons huis, is een huis van Vindicat. In het monumentale pand wonen tien studenten, allen dus lid van Vindicat. Wie lid wordt van de vereniging krijgt een kamer in een van haar huizen.

Wat is je eerste associatie als ik over Vindicat-leden schrijf? Ik vermoed iets in de trant van: dat zal daar wel een puinhoop zijn, die zullen wel stevig de beest uithangen. Dat was tenminste mijn eerste associatie toen ik hoorde dat Vindicat-leden onze overburen werden.

Eergisteren hadden we alle tien Vindicat-leden bij ons thuis op bezoek en ik kan zeggen dat de gordijnen nog hangen, er is niet met stoelen of vazen gegooid en er zelfs niemand dronken geworden. Bij ons in de huiskamer zaten tien keurige jongens, waarvan er negen bedrijfskunde studeren en een bouwkunde omdat hij projectontwikkelaar wil worden.

Zijn ze ook keurig? Vast niet altijd want een van hen liep met krukken. Drie weken geleden is hij in het huis stomdronken van de trap gedonderd. Een tijd lang heeft hij onder aan de trap gelegen, niemand die de val had gehoord. Hij kan zich er zelf niets van herinneren omdat zijn hoofd vermoedelijk een van de traptrede heeft geraakt. Uiteindelijk kwam hij weer bij bewustzijn en is hij naar zijn kamer gekropen. De volgende dag bleek dat hij zijn been op meerdere plekken had gebroken.

Sinds twaalf jaar bestaat de traditie dat onze overburen een keer per jaar bij ons op visite komen of dat wij bij hen op visite gaan. Het is een traditie die door Kees en Annemiek is gestart. Bij een zo’n bijeenkomst kwam zelfs eens een journalist van Trouw op bezoek om van deze bijzondere uitwisseling verslag te doen. Het resulteerde in een artikel met een grote foto, gemaakt in de keuken bij onze onderburen.

Tijdens de bijeenkomst eergisteren heb ik ze verteld dat ik ze wel erg braaf vind dit jaar. We hebben echt nooit meer overlast van ze. Het eerste jaar dat wij hier woonden was er nog wel eens kabaal als er een huisfeest werd gegeven. Nu Corona voorbij is trekken ze keurig naar de stad. Als ze ’s nachts laat thuis komen, laten ze ons gewoon slapen.

Met z’n tienen hebben ze een hond, Hein geheten, een groot uitgevallen labrador. Uit eigen observatie weet ik dat Hein niets te kort komt. Er is een streng schema wie Hein wanneer uitlaat. Wie verzaakt, moet hem een week lang extra uitlaten. Alleen hondenliefhebbers mogen in het huis wonen, wie niet voor Hein wil zorgen, komt er niet in.

Hein vindt het heerlijk om daar met de jongens te wonen. In de vakantie, als iedereen weg is, gaat hij naar een van de ouders. Hij schijnt zich dan kapot te vervelen. Als hij na de vakantie terug mag naar zijn tien bazen, is hij ongelooflijk blij. Eindelijk weer reuring en zuipende studenten om hem heen, dat is wat hij gewend is, waar hij van houdt.

Elk jaar komen er twee nieuwe studenten in huis wonen en twee oudere studenten zwaaien af. Dit al 65 jaar lang, volgend jaar wordt dat jubileum gevierd. Dan verenigen alle oud-bewoners zich voor een copieus diner, inclusief een goed glas alcohol. Elk jaar komen de twee nieuwe studenten zich braaf aan ons voorstellen. Dit jaar is er in dit witte bolwerk zelfs een gekleurde student komen wonen. Als ouders van gekleurde kinderen, ook Annemiek en Kees hebben twee geadopteerde kinderen, hebben we hem van harte welkom geheten. Eindelijk eens wat kleur in de buurt.

Journal d’images

 

Lekker liggen

Donderdag 10 november, Groningen

Lekker liggen in de betere boekhandel.

Journal

 

Oorlogsglas

Woensdag 9 november, Groningen

 

 

Als ik in mijn woonkamer sta, met mijn gezicht naar de voorkant van het huis, dan zit in het rechter onderraam een ander soort glas dan in de andere ramen. In dat raam zit wat in mijn jeugd oorlogsglas werd genoemd. Het is bobbelig glas, als je er doorheen kijkt is in de buitenwereld niets meer recht, alles gaat een beetje kreuken.

Ik hoor het de keurige Nederlander al zeggen: ‘Och, wat vervelend. Er moet maar snel nieuw glas in zodat je alles weer gewoon ziet.’ Hoe kan het toch dat de keurige Nederlander en ik altijd een andere mening hebben? Is het mijn afkeer van steriliteit en overdreven netheid? Ik ben namelijk gek op dat glas.

Als ik door dat raam kijk, moet ik meteen aan het huis van mijn oma op de Weurtseweg in Nijmegen denken. In mijn herinnering hadden in dat huis alle ramen oorlogsglas. Tot mijn vroegste herinneringen hoort het beeld dat ik samen met mijn oma voor die ramen zat. Zij heeft een boterham met jam voor me gemaakt, gesneden in kleine behapbare stukjes. We tellen de auto’s die langskomen, we tellen hoeveel witte en hoeveel een andere kleur hebben.
In die tijd vond ik dat oorlogsglas al fascinerend. Bij ons thuis was het glas strak, je zag er de wereld door zoals die was. Bij mijn oma werd het een vervormde wereld, een soort sprookjeswereld.

Nu ik dit blog schrijf, vraag ik mij opeens af of de term oorlogsglas wel bestaat. Het kan best dat het een begrip is dat alleen in onze familie bestond. Gelukkig zit ik achter mijn laptop, dus het woord oorlogsglas is snel gegoogeld. En ik lees: ‘Vroeger kon glas niet in een effen plaat getrokken worden, deze genaamd oorlogsglas of mondgeblazenglas. Daardoor ontstonden lichte onregelmatigheden die we nu zo karakteristiek vinden voor monumentale panden, woningen museums en kerken.’ Het woord bestaat dus inderdaad. Jammer dat onze familie niet de uitvinder van dit mooie woord is.

Ik zie het oorlogsglas in ons raam als een authentiek detail net als de versieringen op onze monumentale trap. Binnen afzienbare jaren zal oorlogsglas nog meer tot het verleden behoren. Ook ons raam wordt bedreigd. De offerte voor nieuwe ramen is al gemaakt. De verduurzaming vereist driedubbel glas. Dat oorlogsglas, wat toch al erg dun is, laat de kou van harte binnen. Vroeger moesten de bewoners nog maar eens extra kolen in de kachel gooien om het warm te krijgen.

Ik geef ons oorlogsglas nog drie jaar. Dat is namelijk de wachttijd voordat de boel vernieuwd kan worden. De operatie naar verduurzaming is op stoom. Voor ons oorlogsglas is het uitstel van executie. Ik moet niet vergeten er vaak doorheen te kijken.

PS. Eigenlijk zou je dat driedubbele glas ook oorlogsglas kunnen noemen. We voeren een oorlog tegen de opwarming van de aarde. En met het isoleren van het huis bevechten ook een beetje Poetin. Met deze verduurzaming reduceren we de opbrengst waarmee hij oorlog voert. Misschien is het een idee om hier en daar driedubbel glas te maken dat op dezelfde manier bobbelt als het originele oorlogsglas.

Journal

 

Lamme eend

Dinsdag 8 november, Groningen

 

 

Laten we vandaag ons hart vasthouden. Het kan zomaar zijn dat de wereld er morgen anders uitziet. Op het moment dat ik dit schrijf gaan miljoenen Amerikanen naar de stembus om voor nieuwe vertegenwoordigers in het Huis van Afgevaardigden te stemmen en een derde deel van de Senaat. Daarnaast zijn er verkiezingen voor gouverneurs en plaatselijke bestuurders. De kans is groot dat de Republikeinse partij in beide huizen een meerderheid krijgt, in ieder geval in een van de huizen. Als dat zo is, zit Joe Biden als lamme eend in het Witte Huis. Alles wat hij voorstelt zal worden weggestemd. Arm land.

Wie een goed beeld wil krijgen van deze bedreiging moet maar eens naar de driedelige serie God, Jesus, Trump! kijken die Thijs van den Brink maakte over de Republikeinse achterban. Ik schrok ervan. Je denkt toch altijd dat er in Amerika, ondanks veel gekkies en wappies, toch voornamelijk weldenkende mensen leven die uiteindelijk het beste met het land voor hebben. Vergeet het. Een substantieel deel van de Amerikanen is christelijk fundamentalistisch en identificeert zich fanatiek met de agenda, onverzoenlijkheid en leugens van Trump. Een diepe haat tegen alles wat Democratische Partij is, is hun drijfveer.

De overheid stopt gif in de groente, veel aanhangers hebben zich bewapend alsof elk moment de burgeroorlog kan uitbreken, compleet met wapens om pantserwagens en tanks op te blazen. Complottheorieën beheersen het denken van de mensen, bestormers van Het Capitool zijn vol trots dat ze erbij waren. Liefst 68% van de Republikeinse kiezers gelooft nog in de verkiezingsfraude die Trump zijn presidentschap zou hebben gekost. Het vertrouwen in de overheid is nul. Veel mensen hebben zich dan ook teruggetrokken in de bergen en zijn daar volkomen zelfvoorzienend, bewapend om de overheid te weerstaan.

Mochten de verwachtingen bewaarheid worden, dan is het leed niet te overzien. De escalatie van tegenstellingen zal een nieuwe fase ingaan. Er zal de aankomende twee jaar zeker niet geregeerd worden. De progressieve agenda van Biden zal voor een groot deel worden teruggedraaid. Voor de steun aan Oekraïne valt te vrezen. Niet alleen Biden zal lam zijn, maar ook de verhouding met Europa.
Het armzalig verdeelde Europa, dat zo opmerkelijk weinig betekent voor de Oekraïne, zal voor de keuze komen te staan of ze het gat dat de VS zal laten vallen overneemt. Ik denk niet dat de reus op lemen voeten tot een besluit zal komen, zoals het tot geen enkel groot besluit komt. De discussie zal verzanden in verdeeldheid, duikgedrag, eigenbelang en lafheid. Als inwoner van Europa moet je wel heel erg je best doen om pro-Europa te zijn.

322

Journal

 

Covid

Maandag 7 november, Groningen

 

 

Covid? Och ja, Covid. In mijn vorige blog schreef ik dat ik vooruit leef. Covid is daar een voorbeeld van, het is een woord uit een tijdperk dat inmiddels is gepasseerd. Het lijkt al lang geleden, ondanks dat Wyb en ik afgelopen juli Covid hebben gehad. Maar inmiddels leven we weer alsof er geen Covid bestaat: we kussen, omhelzen, geven volop handen. Ik heb me zelfs niet laten vaccineren, eerst omdat ik nog niet zo lang Covid heb gehad, nu omdat in mijn hoofd de noodzaak niet meer bestaat.

Zo was de situatie vóór dit weekend. Afgelopen vrijdag waren we op bezoek bij Mieke en Willem om Rues de France te brengen. En dat bezoek bracht me toch weer volledig terug in het Covid-tijdperk. Willem heeft namelijk Covid gehad, en hoe. Heel anders dan Wyb en ik die met hoge koorts in ons eigen bed lagen uit te zieken, heeft Willem op de IC gelegen. Hij heeft die Covid beker volledig moeten leegdrinken, en het bleek inderdaad een gifbeker te zijn.

Niet lang nadat hij van de IC kwam, gingen we bij hem op bezoek in het ziekenhuis. We schrokken erg. Willem is een beer van een vent, maar bij ons aan tafel in een rolstoel zat een man die zojuist knock-out was geslagen. Hij kon zijn armen niet optillen, kwam moeilijk uit zijn woorden en was doodop. De Willem die we afgelopen vrijdag zien is gelukkig stevig opgeknapt, maar zoals hij zelf zegt, is hij zeker niet de oude meer.

We weten niet precies meer waar Mieke en Willem wonen, we lopen door de straat waar het ergens moet zijn. We herkennen hun huis aan de tuin, het is een echte Willem-tuin. Willem is namelijk een begenadigd tuinman, maar hij heeft de kracht niet meer om in de tuin te werken. In ons huis hangen diverse door Willem gemaakte schilderijen. Wyb en ik zijn liefhebbers van zijn werk, maar sinds zijn gedwongen bezoek aan het ziekenhuis heeft hij geen kwast meer aangeraakt. ‘Misschien dat het er nog wel een van komt,’ zegt hij. Wij hopen het van harte.

Willem is niet de enige dit weekend die ons terugbrengt naar het Covid-tijdperk. Op zondag zijn we op een verjaardagsfeestje en ontmoeten we voor het eerst de schoonvader van het nichtje. Hij blijkt getogen in Hatert, dus dat schept meteen een band. Als we een tijdje aan het praten zijn, verontschuldigt hij zich dat hij zo aan het hijgen is.
En dan vertelt hij zijn Covid-verhaal. Hij heeft nog maar een kwart van zijn longinhoud. Hij heeft zojuist acht weken in het ziekenhuis gelegen om te revalideren. Het revalideren heeft wel geleid tot acceptatie maar niet bepaald tot fysieke vooruitgang. Zijn leven is totaal veranderd, hij kan waarschijnlijk nooit meer doen wat hij voor Covid kon. Covid gaat voor hem überhaupt niet voorbij, long-Covid heeft hem in de greep.

Shit. Een teken? Door dit weekend staat Covid weer bij me op de kaart. Ik heb misschien toch ietwat te naïef geleefd ten aanzien van het virus. Voordat je het weet, verlies je je kracht. Deze week toch maar een prik halen.

321

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

Bloesem

Gebloeid
geglansd
geschitterd
gestraald
gesprankeld

en nu jaagt de wind
de bloesem door de straat
hij jaagt de blaadjes in spiralen
door de lucht en legt ze,
even slechts,
verlept in de hoek van de straat

maar het is de tijd van de wind
en voor de wind is het nooit genoeg
hij waait de kleuren uit het blad
en jaagt de blaadjes verder
over de stoepen, door de goten,
in de putten van de straat

gebloeid
geglansd
geschitterd
gestraald
gesprankeld.

Journal

 

Delivery Service

Zaterdag 5 november, Groningen

 

Och, het verleden. Het wordt al snel opgeslagen in mijn kwab ‘Voorbij en afgedaan’. Ik moet bekennen dat ik meer vooruit kijk dan achteruit, al zal de regelmatige lezer van Dossiermoddergat dat niet meteen beamen. Naar ons gevoel leven Wyb en ik meer vooruit dan achteruit. Het heden is, hoe slecht, en hoe on-Taoïstisch, meer een te nemen hobbel dan iets om van te genieten. Het volgende project is belangrijker dan wat geweest is.

Gisteren ervoeren wij iets totaal anders. Het leuke van het uitbrengen van een fotoboek is dat je weer eens in contact komt met vrienden die je te veel hebt verwaarloosd. Op deze vrijdag hadden Wyb en ik een soort Meppeldag.
Voor Rues de France had ik opmerkelijk veel bestellingen uit Meppel. Omdat wij een eetafspraak met Tjaart en Suze hadden, besloten we er een Meppeldag van te maken, dat wil zeggen dat we deze dag een delivery service organiseerden voor alle mensen die het boek hebben besteld. Wij moesten toch in Meppel zijn, en daardoor konden we de bestellers mooi €11 verzendkosten besparen.

Het was lange tijd geleden dat we in Meppel waren. Als je ergens intensief hebt gewerkt, is het altijd lastig om terug te keren. Je wilt je opvolgers niet voor de voeten lopen, weg is weg en wij zijn allen slechts passanten. Deze dag besloten we dat soort gevoelens aan onze laars te lappen en besloten we ongegeneerd te genieten van Meppel.

Het eerste adres waar we Rues de France afleverden was het al raak. Niet alleen de geadresseerde troffen we daar, maar ook nog een paar andere lieden uit het rijke serviceclub leven van Meppel. Zij stelden ons meteen op de hoogte wie vanavond bij wie ging eten. Wij aten dus bij Tjaart en Suze, bij hun buren zaten nog wat oude bekende, hun buur is sowieso een oude bekende. Dat Meppel niet groot is, bleek vandaag. We hopten van adres tot adres en gaandeweg werden we op de hoogte gesteld van de actuele issues en roddels van het stadje.

Iedereen maakt zich druk over de toekomst van de Grote Kerk die midden op de markt staat nadat de geloofsgemeenschap haar handen ervan af heeft getrokken. Zij, je kent ze wel, heeft een verhouding met die. En puntje, puntje, puntje gaat scheiden van puntje, puntje, puntje. Tot ons genoegen herleefden oude tijden. We liepen zelfs langs Schouwburg Ogterop, die overigens geen schouwburg meer mag heten, een cruciale marketing fout, mag ik wel zeggen. Door het weglaten van dat woord denk je bij de naam Ogterop toch eerder aan een buurthuis dan een schouwburg.

We lopen er eerst langs, na wat dralen besluiten we toch naar binnen te gaan. Dies is dolenthousiast, hij herinnert zich dat hij hier in zijn jeugd veel kwam. Ook bij ons duikelden de herinneringen over elkaar.
Als we door de stad lopen beleeft Wyb al lopende een soort een staande receptie. Verrassing bij velen haar weer te zien, vaak gevolgd door de vriendelijke vraag wanneer ze weer terugkomt.

Moe en voldaan eindigen we onze tournee aan de eettafel van Tjaart en Suze. Wijn, spijs combinatie: uitstekend. Op het einde van de avond geef ik bij de buren, die dan ook klaar zijn met eten, een afsluitend optreden met Dies.

320

Journal d’images

 

Henk

Donderdag 3 november, Groningen

Henk is overleden. Om precies te zijn: Henk van der Veen. Hij was verkoper van straatkrant De Riepe en hij zat altijd in zijn rolstoel voor de Albert Heijn in de Oude Ebbingestraat. Ik weet zeker dat hij er de afgelopen twee jaar heeft gezeten, maar het zou me niet verbazen als hij daar al veel langer zat. Ik kan me van vroeger herinneren dat er ook iemand in een rolstoel zat. Ik weet alleen niet of dat Henk was. Vijfentwintig jaar straatverkoper, het zou kunnen.

Ik schrijf erover omdat ik ontroerd ben door de bloemenhommage voor de Albert Heijn. Ik dacht dat zo’n bloemenzee was voorbehouden aan prinsessen die verongelukken, journalisten die op straat worden doodgeschoten of vermoorde kinderen. Ik vind het mooi dat het nu ook voor Henk gebeurt. Het is duidelijk dat hij een vaste waarde was voor het winkelgebeuren en dat velen een band met hem hadden.

Laat ik eerlijk zijn, ik had zelf helemaal geen band met hem. Ik heb ook nooit De Riepe gekocht. Lang geleden heb ik wel eens een straatkrant gekocht, maar hij belandde al gauw in de prullenbak. Ik voel ook ongemak als ik langs iemand loop die zo’n krant ophoudt. Het punt is dat ik nooit contant geld op zak heb, maar als ik dat wel zou hebben, weet ik vrijwel zeker dat ik hem ook niet zou kopen. Ik geef zelden geld aan straatverkopers en bedelaars. Ik heb de verderfelijke Ruttiaanse gedachte dat er altijd wel ergens een betaald klusje is te doen als je gaat werken. Ik weet dat dit een foute gedachte is. Maar ik weet niet hoe ik hem uit mijn hoofd krijg. Het is trouwens de vraag of ik, als dat zou lukken, wel iets ga geven. Want ik weet dat ik op de Vismarkt alweer iemand tegenkom met De Riepe.

Op het moment dat ik de eerste foto maak, staat een dronken man onvast op zijn benen toe te kijken. ‘Wat een kouwe drukte,’ zegt hij enigszins bozig. ‘We gaan allemaal dood, hoor.’

Journal

 

Monkey business

Woensdag 2 november, Groningen

 

 

Ik waag mij nu aan een onderwerp waar ik eigenlijk niet over durf te schrijven. Reden: ik heb er de ballen verstand van. Maar het is wel een onderwerp dat mijn huidige manier van leven bepaalt, en waar ik in grote mate van afhankelijk ben. Ik bedoel: pensioen.

Ik vind dat het Nederlandse pensioenstelsel niet genoeg bewierookt kan worden. Het is toch fantastisch dat we met z’n allen een spaarsysteem hebben opgezet opdat ik op mijn 67ste een vrij man ben, kan doen en laten wat ik wil. Freedom at last!

Deze dagen vergadert politiek Den Haag weer over dat pensioenstelsel en ik moet zeggen dat mij dat verontrust. De hele boel gaat namelijk op de schop, en van die schop en die schepper heb ik niet bepaald een hoge pet op.

De essentie van de verandering is dat ons pensioen meer van beleggingen dan van rente afhankelijk wordt en dat het pensioen wordt geïndividualiseerd. Nu is er een grote pot geld dat al decennia lang op dezelfde manier wordt verdeeld. Dadelijk wordt die pot opgeknipt en krijgt iedereen die aan pensioen doet zijn eigen potje. Alleen dat al klinkt mij erg VVD-achtig in de oren. Met z’n allen voor ons eige. Wie verdeelt de pot? Hoe wordt er gerekend? Kan zo’n grote operatie wel goed gaan? Het wordt de grootste financiële operatie ooit. Vragen, vragen, vragen.

De afgelopen jaren was het beroerde dat de rente nihil was en de aandelen alsmaar stegen. De regels die rond de pensioenpot zijn afgesproken zorgden ervoor dat de pensioenen niet geïndexeerd konden worden. Volgens velen had dat wel gekund, maar de regels weerhielden dat omdat die regels een eigen leven zijn gaan leiden zoals regels altijd een eigen leven gaan leiden.

Daarom besloten vakbeweging, werkgevers en overheid tot een stelselwijziging. De pensioenen worden minder afhankelijk van de rentestand maar gaan mee bewegen met de aandelenkoersen. En daar zit mijn grote angst. Aandelen? Dat is monkey business. Zie een experiment dat ooit werd uitgevoerd. Wie is een betere belegger: de mens of een chimpansee? Wat bleek, de chimpansee won het van de professionele belegger. Waarom? Omdat beleggen gokken is. Mannen die beleggen hullen zich in keurige pakken om autoriteit uit te stralen, maar als het puntje bij het paaltje komt, is het gewoon zwarte maandag, is er een krach voordat iemand dat ook maar had vermoed.

Nu wil het toeval dat het lange tijd prima ging met die aandelen. Ik weet inmiddels dat mensen daar aan wennen, het is al jaren zo, dus het zal altijd wel zo blijven. Probeer mensen maar eens duidelijke te maken dat de hypotheekrente ooit op 11% stond.
Met die aandelen is het natuurlijk niet anders. Ik heb in mijn leven spectaculaire duikelingen meegemaakt. Nu staan de aandelen zo rond 650 punten, maar ik heb toch echt meegemaakt dat de boel ver onder de 300 punten duikelde. En wat gebeurt er dan met onze pensioenen? Pensioenen afhankelijk maken van aandelen is gokken met de bestaanszekerheid van mensen. Waarom een degelijk stelsel totaal op de kop zetten terwijl met wijzigingen van regels de nadelen die aan dat systeem kleven mogelijk zijn op te lossen.

319

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

De wet der dingen

Lief kind, draag nooit de kleren
die je moeder draagt. Draag nooit
haar tas en zeker niet haar bril.

Blijf lopen zoals je nu loopt. En
dat huppelen, vergeet nooit
het huppelen en de manier waarop

je naar de koeien kijkt. Blijf
alsjeblieft van het vliegtuig houden
en het verlangen naar het paard.

Vergeef je moeder. Ze kan er niets
aan doen. Die jas, die tas, die bril.
Het is het klimmen van de jaren.
De jaren vervagen de dingen dood.

Journal

 

De meisjes

Maandag 31 oktober, Groningen

 

 

Gelukkig laat Wyb Dies in de ochtend uit. Ik hou van de ochtend, maar niet om met een hond door het park te lopen. Je komt dan altijd dezelfde mensen tegen, meestal staan ze in een groepje met elkaar te praten, de honden spelend om hen heen. Ik hou niet van groepjes ’s morgenvroeg. Ik heb mijn eigen ochtendritueel. Koffie, brood, de kranten. Rustig de wereld laten binnenkomen.

Omdat Wyb veel werkt, laat ik Dies meestal ’s middags uit. Dan wandel ik een uur à anderhalf uur met hem. Ik ga naar het Stadspark, een soort stadsbos aan de westelijke kant van Groningen, of ik loop met hem een rondje over het voormalig terrein van de waterleidingen. Een prachtig gebied vind ik, verwaarloosd, verwilderd, je komt er geen kip tegen.

Ook ’s avonds laat ik hem uit, zo tussen elf uur en twaalf uur, ik moet toegeven dat het steeds later wordt. Dat doe ik met groot plezier, ik kom dan in aanraking met een andere wereld. We wandelen dan een klein rondje, maar wel een interessant rondje. Dies en ik lopen naar een klein driehoekig parkje. Let op het verkleinwoord want het mag de naam park nauwelijks dragen. Er staan twee bankjes, waarop altijd wel mensen zitten, verder bestaat het uit lage struiken waar Dies het lekker vindt om op te poepen.

Eigenlijk elke avond spreek ik daar mensen, totaal onbekenden. Vaak studenten die daar dronken even uitrusten of wachten op vrienden waarmee ze de stad ingaan. Verder zitten er veel mensen die figuurlijk de weg kwijt zijn, eenzaam zijn, verward, psychotisch.

Door Dies kom ik vaak met ze aan de praat. Dies maakt geen onderscheid tussen mensen, voor hem is iedereen een potentiële vriend. Kwispelend begroet hij ze. De man die hij eergisteren begroette zat in zichzelf gedoken op de bank. Hij was ver weg, praatte in zichzelf. Hij stopte ermee toen Dies voor hem stond.
‘Mooie hond, meneer.’
‘Mooi en lief,’ zeg ik dan.
‘Ik zou ook wel een hond willen hebben.’
‘Nou, dan neem je toch een hond.
‘Het zit er gewoon even niet in. Hoe heet hij?’
‘Dies.’ En dan vertel ik het verhaal hoe we hem voor het eerst als puppy van één dag oud in Die in Frankrijk zagen in de armen van een zwerver. Dat Wyb en ik in een paar seconden besloten aan de man te vragen of we hem konden kopen. Maar dat hij geen geld wilde hebben. En dat we hem acht weken later zijn gaan ophalen, 1300 kilometer heen, 1300 kilometer terug.
‘Je kunt zo zien dat het een goede hond is.’
‘Zeker, en het is een circushond.’
‘Dat meent u niet.’
En dan doe ik midden in de nacht de kunstjes. Dies die door mijn benen loopt, op commando op zijn buik gaat liggen, zijn staart pakt en mooi op gaat zitten.’
‘Verdomd, een echte circushond.’
‘Maar ik ga nu naar huis, hoor. Ik ga slapen.’
‘Nou, ik vond het ontzettend fijn met u te praten.’

Als ik naar huis loop komt uit een huis een naakte jongen rennen. Alsof zijn leven er vanaf hangt glipt hij een huis in een paar huizen verderop. Vermoedelijk een studentenstunt.

Een paar huizen voor ons huis staat vaak een groepje studentes te roken. Wyb en ik noemen hen de meisjes. Als ik tegen Dies zeg: ‘Kijk, daar daar staan de meisjes.’, dan rent hij uitgelaten naar hen toe. Elke keer kan hij op een warm welkom rekenen. Met moeite krijg ik hem dan mee. Veel liever zou hij bij de meisjes blijven, daar wordt hij tenminste verwend.

319

Journal

 

Meerwaarde

Zaterdag 29 oktober, Groningen

 

 

Het is aan het begin van de zomer.
‘Ik snap niet dat hier geen krekels zitten,’ zeg ik tegen Wyb.
‘Hoezo geen krekels?’
‘Nou, vroeger hoorde je hier voortdurend krekels.’
‘Schat, dit is ernstig. Je hoort hier voortdurend krekels, overal zijn krekels. Je moet echt een gehoortest gaan doen.’
Het is mezelf ook opgevallen, ik moet steeds vaker vragen wat iemand zegt. Ik hoor het net niet goed. De mensen praten soms zo dof. Ik realiseer me dat het aan mijn oren ligt.

Als Wyb zich afvraagt welk vogeltje zo aan het kwetteren is, hoor ik helemaal geen gekwetter. Zelfs de bomen hoor ik niet meer ritselen. Terug in Nederland besluit ik maar eens naar Specsavers te gaan.
In een hokje krijg ik een koptelefoon op en moeten piepjes uitwijzen hoe het met mijn gehoor is gesteld. De conclusie weet ik natuurlijk wel: het verval zet zich verder voort, mijn gehoor is bij lange niet meer wat het is geweest. Statistieken met rode en blauwe lijnen laten zien waar mijn probleem ligt.

‘Ik denk wel dat wij voor u een meerwaarde kunnen betekenen,’ zegt de audicien, niet te verwarren met een audioloog. Een audicien verkoopt gehoortoestellen en een audioloog weet alles van gehoor. De audicien laat mij wat apparaten zien, van die grote knotsen die achter je oor hangen tot modellen die je in je oor stopt en nauwelijks ziet.

Hij heeft een mooie aanbieding. De zorgverzekeraar betaalt 75% van het apparaat, ik heb er geen omkijken naar, hij regelt dat met de zorgverzekeraar en de overige 25% krijg ik als korting van Specsavers. Hocus, pocus, pilatus, pas, alles dus gratis en voor niks. Zo’n aanbieding laat ik natuurlijk niet liggen.

Twee weken later zit ik opnieuw met de audicien in zijn hokje en instrueert hij me hoe ik met mijn nieuwe hulpmiddel moet omgaan. Ik krijg het zelfs geheel vrijblijvend eerst drie weken op proef. Als ik naar buiten loop, merk ik meteen dat vrachtwagens veel meer lawaai maken dan ik dacht. Mensen die in groepjes door de winkelstraat lopen, praten opmerkelijk hard.

‘En?’ vraag Wyb als ik thuis kom.
‘Ik zal ze zo in doen, dan kun je ze zien.’
‘Doe dat nou even, ik ben zo benieuwd.’
‘Nee hoor, ik heb ze al in.’
‘Doe niet zo flauw, doe ze nou in.’
‘Ik heb ze al in. Echt.’
‘Niet waar, ik zie helemaal niets.’
Dan laat ik haar een miniem half maantje achter mijn oor zien en een ultra dun draadje dat mijn oor inloopt.
‘Je kunt het echt niet zien,’ zegt Wyb.
Mooi, dat betekent dat ik mijn handicap dus kan maskeren.

Daarna gaan we Dies uitlaten in het bos van Noord-Laren, kan ik testen of ik de vogels weer hoor. En verdomd, ik hoor de vogels weer en met mijn lopen door de herfstbladeren maak ik wel verrekte veel lawaai.

318

Journal

 

Verwarring

Donderdag 27 oktober, Groningen

 

 

Laat ik toegeven dat het verwarrende tijden voor me zijn. Ik kom nog uit de tijd dat er zoiets als verzuiling bestond. Je wist waar je in het maatschappelijk leven stond. Je was of sociaal-democraat, of christelijk, of liberaal of communist. Er waren principes, uitgangspunten en daar werd politiek naar bedreven. Gewoon lekker duidelijk. Samenwerking zorgde voor compromissen, maar die waren best te verdedigen.

Kom daar nou eens om. Politieke partijen zijn verdienmodellen geworden. De leugen regeert. Het electoraat is beland op een bruiloftsfeest, ze zwieren van links naar rechts en raken steeds meer dolgedraaid. Een aantal bruiloftsgasten kent geen grenzen meer en liegt en bedriegt en heeft maar één doel: de boel verstieren. Het schelden is niet van de lucht, sarren en zuigen lijkt een kwaliteit geworden. Als het feestje van het bruiloftspaar, door hen ook wel kartel genoemd, maar in het honderd loopt.

Vroeger werd er zo vaak over waarden en normen gesproken dat je er misselijk van werd. Maar god, wat verlang er ik weer naar. De mensen zijn nu footloose, stuurloos, ze glijden alle kanten op. Een mevrouw die een makkelijke babbel heeft en vlees promoot, krijgt na vier jaar praten in parlement en aan talkshowtafels zomaar het vertrouwen van een groot deel van het electoraat. Niets gepresteerd, alleen babbel, babbel met een mond vol vlees, maar ze is zo lekker gewoon, en daarom geven we haar gewoon het landsbestuur in handen, met het gemak alsof we een rondje in de kroeg geven.

Laten we in ieder geval god op onze blote knieën danken dat we een democratie hebben met meerdere partijen. Arme landen die er maar twee hebben, zie Amerika, zie Groot-Brittannië. Bij ons in Nederland polariseert de boel gefragmenteerd. In tweepartijen landen polariseert het land in tweeën. Amerika bestaat inmiddels uit twee landen, een soort Forumland, het land van de republikeinse partij, waar de leugen waarheid is en het land van de democratische partij waar men probeert te redden wat er te redden is en waar waarheid nog enigszins waarheid is.

Over waarheid gesproken. Ik vrees dat dit de maand van de waarheid wordt. In Amerika vinden de zogenaamde midterm-verkiezingen plaats, de verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden en de Senaat. Met een beetje pech katapulteren deze verkiezingen ons weer in het Trump-tijdperk.
In Nederland kankert het gezwel FvD en zijn megafoon Ongehoord Nederland gewoon door. Nooit kreeg een omroep een treffender naam. Ongehoord, inderdaad ongehoord.
Elon Musk neemt Twitter over waardoor de drek weer volop zal stromen door het menselijk riool. In ons waterland weet we dat een riool een zuiveringsinstallatie nodig heeft. Maar voor het afval van onze geest hebben we geen zuiveringsinstallatie, daar stroomt de drek direct de mensenzee in. Beetje dom, vrees ik. Het zal wel weer iets worden als: met de kennis van nu… Dat alles natuurlijk nadat het gezwel zijn verwoestende werk heeft gedaan.

317

Journal d’images

 

Lantaarnpaal

Woensdag 26 oktober, Groningen

Een lantaarnpaal is een lantaarnpaal, denkt men. Maar wie er oog voor heeft, weet dat een lantaarnpaal meer is dan een lantaarnpaal. Een lantaarnpaal is ook een medium. Vooral in steden zie je dat een paal een medium is, nietig, maar vaak met grote boodschappen. De lantaarnpaal is het medium voor degene die geen geld heeft, maar toch iets tegen de medemens wil zeggen. Veel palen zijn volgeplakt met stickers, en soms zelfs tekeningen.

Ik ben altijd benieuwd wie van dit medium gebruikmaakt. Als je het gaat gebruiken, weet je dat dit medium onderaan de ladder staat van de rangschikking der media. Ik denk dat social media momenteel de top vormen, de lantaarnpaal is the bottom of the class. Neemt niet weg dat je er plezier van kunt hebben als je oplet tenminste.

Zo werd ik vandaag verrast door een sticker van De Tegenpartij. De sticker is niet verschoten of verregend, wat wil zeggen dat hij er nog niet zo lang op zit. Wat vreemd is, want De Tegenpartij ligt al veel te lang achter ons. Al die kids die tegenwoordig met bierkratten door onze wijk sjouwen, hebben vermoedelijk geen idee wat dat was De Tegenpartij, velen zullen niet eens weten wie Van Kooten en De Bie zijn.

Ik was blij verrast toen ik de sticker zag hangen: Van Kooten en De Brie, ze zijn dus nog niet vergeten. Er is zelfs iemand die het nodig vindt de sticker opnieuw te drukken en op lantaarnpalen te hangen. Het is een historische sticker, je mag het gerust de aankondiging noemen van de opkomst van het populisme. Als ik het me goed herinner, was er eerst De Tegenpartij en daarna Fortuyn, de PVV en de FVD. En elke keer wordt het een beetje erger.

De Tegenpartij was satire op hoog niveau. Desalniettemin was voor Van Kooten en De Bie een van de redenen om te stoppen met de ‘vrije jongens’ Jacobse en Van Es dat zij bang waren dat het werkelijkheid zou worden. De leuze van De Tegenpartij was: ‘De Tegenpartij, de partij voor alle Nederlanders die niet meer tegen Nederland kenne’. Deze leus is inmiddels in essentie het bestaansrecht van al die hedendaagse ellendige populisten. Het scheelt niet veel of een meerderheid Nederlanders kenne niet meer tegen Nederland.

Ik ben zo benieuwd waarom iemand deze sticker heeft geplakt. Nostalgie? Lid van een fanclub? De huidige populisten te kakken zetten? Ik was blij dat ik hem zag. Hij bracht me terug bij de zondagavonden dat we steevast thuis bleven om naar Van Kooten en De Bie te kijken.

Journal

 

Muhammad Ali

Dinsdag 25 oktober, Groningen

 

 

 

Muhammad Ali

Ik wil leven zoals
Muhammad Ali bokste

lichtvoetig aanvallen
met open vizier

zo nu en dan een uppercut
en dan weer een linkse directe

onvervaard voorwaarts en
en moedig zijwaarts

als het moet verdedigen
soepel en wendbaar ontwijken

en altijd vederlicht dansen.

316

Journal

 

Rues de France

Zaterdag 22 oktober, Groningen

 

Het is zover! Mijn fotoboek Rues des Frances is verschenen. Onvervalste straatfotografie. In het boek zitten liefst 218 straatfoto’s, in zwart-wit en kleur, die ik de afgelopen jaren in Frankrijk maakte. Het boek kost €30. Verzendkosten zijn €11, het is namelijk ruim 2 kilo boek. Je kunt Rues de France via mij bestellen. Een mailtje naar gerardtonen@gmail.com of een DM en ik stuur het naar je toe. Bellen kan ook: 06 10949806.
Voor een eerste indruk en meer informatie: www.uitgeverijprinsen.nl. Er is ook nog een bibliofiele uitgave, maar die is aanzienlijk prijziger.

Voorkant boek.

Achterkant boek.

Journal

 

Sleepnet

Vrijdag 21 oktober, Groningen

 

Esmee is een liefhebster van spelletjes. Elke week heeft ze met vriendinnen een spelletjesavond en soms verzinnen ze zelf nieuwe. Esmee heeft een lucide geest. Dat bleek vroeger als kind al, zo klein als ze was kon ze zomaar een conference afsteken. Met verwondering en bewondering hoorde ik haar dan aan. Geen idee waar ze het vandaan haalde.

Jammer genoeg zien we elkaar niet al te vaak. We zien elkaar regelmatig, maar alles bij elkaar opgeteld maar een paar keer per jaar. Dat komt ervan als je dochter op Ameland gaat wonen. Dan stap je niet zomaar even voor een kwartiertje of half uurtje bij elkaar naar binnen. Een bezoekje wordt een reis.
Gelukkig is er de telefoon. Met Anne bel ik vrijwel dagelijks en soms zelfs meerdere keren per dag. Esmee heb ik elke week twee tot drie keer aan de lijn. Of eigenlijk moet ik zeggen: in beeld. Esmee is de enige met wie ik FaceTime. Vermoedelijk is dat zo gekomen omdat ik op die manier de kleinkinderen nog een beetje zie opgroeien.

Een telefoongesprek met Esmee kan heel kort zijn, of heel lang. We nemen altijd op dezelfde manier op. Als ik haar bel hoor ik: ‘Di Papa!’ Als zij mij belt hoort ze: ‘Mees!’
Kan goed zijn dat een telefoongesprek zo verloopt:
‘Di Papa!’
‘Mees. Hoe gaat het?’
‘Ik ben heel druk, hoor.’
‘Oké. Alles goed?’
‘Ja.’
‘Fijn. Hang ik op, hoor. Doei.’
‘Doei, ik bel je vanavond wel.’
Een belofte die lang niet altijd wordt nagekomen. Ik heb er alle begrip voor. Een fulltime werkende vrouw met gezin heeft het nu eenmaal druk.

Het gesprek gisteren verliep anders. Ze vertelt me over iemand die haar wil benadelen en dat ze een huurmoord overweegt. Ik zeg dat ik dat wel wil doen en vraag hoeveel ze me kan bieden als ik het uitvoer. ‘Tweeduizend euro.’ Ik zeg dat ik daar mijn stoel niet voor uitkom.

Van het een komt het ander. Ik vertel haar over een idee voor een thriller waar ik al lang mee rondloop. Dat hoef je tegen Esmee maar één keer te zeggen en meteen begint ze mee te denken over het plot, de manier waarop wapens kunnen worden verstopt, geraffineerde manieren om mensen te vermoorden. Er komen wrede scenario’s langs. Tijdens het gesprek realiseer ik mij dat bij de AIVD nu alle lampen op rood springen en dat ze meteen een sleepnet over mijn buurt en contacten leggen.

Op een gegeven moment, zo verzinnen wij, komen de hoofdpersonen in de penitentiaire inrichting in Vught terecht. De vraag is hoe ik ze moeten laten ontsnappen. Ik zeg dat ik het mogelijke scenario van Taghi wel spectaculair vond. Je ontvoert Rutte of Amalia en laat ze dan ruilen voor jouw vrijheid. Zo iets moet in mijn thriller ook gebeuren. Esmee belooft me erover na te denken.
Elk moment verwacht ik dat de politie voor mijn deur staat. Het kan niet anders of Esmee en ik zijn na dit gesprek jarenlang verdachte personen. Ik zal vandaag maar een briefje naar de AIVD sturen dat het we aan het fantaseren waren over een thriller. Hopelijk geloven ze dat.

Over dat sleepnet gesproken. Ooit was er een referendum over dat sleepnet. Nederland stemde uitgesproken: we willen geen geheime diensten die gegevens van ons eindeloos kunnen binnenhalen en bewaren. Het referendum ligt ver achter ons en zonder veel ophef, laat staan een referendum, krijgen de geheime diensten alsnog hun zin. De Toezichthouder die was toegezegd en hun werk goed deed, is inmiddels uit protest opgestapt. Er zijn vele geitenpaadjes voor wie ze wil bewandelen.

315

Journal

 

Zakkerigheid

Donderdag 20 oktober, Groningen

 

2,3 miljoen mensen hebben bij de laatste verkiezingen op Mark Rutte gestemd. Dat betekent dat 11 miljoen mensen niet op hem hebben gestemd. Ik neem aan dat die 2,3 miljoen het zeker niet eens zijn met dit blog. Maar ik kan er niets aan doen, Rutte leidt het land nu 12 jaar en het karakteristieke woord dat voor die periode bij me opkomt is zakkerigheid.

Het woord zakkerigheid kwam in mij op bij het zien van zijn verhoor in het kader van de aardbevingsproblemen in Groningen. Ik heb slechts fragmenten van het verhoor gezien. Het lukte me niet om er helemaal naar te kijken. Ik kon het niet geloven: daar zat onze premier en wat we zagen was zakkerigheid. Hij kon zich opnieuw weinig herinneren, al gebruikte hij dat woord heel zorgvuldig niet. Het werd al snel duidelijk dat hij eigenlijk niets had gedaan aan deze kwestie, het werk en de verantwoordelijkheid had hij overgelaten aan de vakministers. Niks chefsache. Het bleek zelfs dat hij pas heel laat door kreeg dat de aardbevingskwestie een groot probleem was. Vele Groningers zaten toen al in kapotte en gevaarlijke huizen de volgende aardbeving af te wachten. Naar het hele bureaucratische circus rond de afhandeling kijkt hij als een konijn in de koplampen van een auto. Ik kreeg niet het idee dat hij had bedacht dat je ook de regie in handen kunt nemen.

Ik weet überhaupt niet of Rutte de principes van regie kent. Hij wordt daarin natuurlijk ook gehinderd door het liberale basisprincipe van de laissez-faire. In vrije vertaling: laat maar waaien en dan komt alles vanzelf op zijn pootjes terecht. En op die manier zorgen die 2,3 miljoen kiezers er al twaalf jaar voor dat Nederland systematisch is uitverkocht. De ziekenzorg, de energievoorzieningen, de huizenmarkt, de uitvoeringsinstanties, de waterwerken, alles is vermarkt of uit handen gegeven aan incompetente overheidslagen als gemeentes.

In al die jaren Rutte wordt hij steeds onzichtbaarder. Het lijkt erop dat hij met een zeer langzame door Hans Klok geregisseerde verdwijntruc bezig is. Neem alle grote kwesties, het falen van de Belastingdienst, de crisis rond de opvang van asielzoekers, de stikstofkwestie, de aardbevingsproblematiek, we zien hem niet. Al zijn voorgangers hadden op deze dossiers het voortouw genomen. Rutte niet. Hij heeft de opvatting van een slappe manager die vindt dat hij er vooral is voor het proces. Lekker makkelijk. Zakkerigheid dus.

Hé, 2,3 miljoen Rutte-gelovigen, wordt het niet eens tijd dat jullie tot inkeer komen?

314

Het huis van het weekdier

 

 

 

Het blote oog

En als ik in de scheerspiegel,
zeven maal zeven keer vergroot,
in mijn ogen kijk, dan zie ik
in zeeën van waterig blauw
twee zwarte gaten, onpeilbaar
diep. Niemand heeft enig idee
welke wezens daar leven,
en hoe en waarom en wanneer.

Nog nooit is het iemand gelukt
om in deze diepte af te dalen
en rond te dwalen en opnames
te maken van al wat daar
kruipt, schuift, krioelt.

Journal

 

People, Places, Signs & Things

Woensdag 19 oktober, Groningen

 

Het is een spannende week voor me. Als het goed is komt deze week mijn eerste fotoboek van de drukker, Rues de France. Ik kan het boek al in mijn handen houden, want ik heb een compleet gedrukt exemplaar, een proefdruk. Het is de bedoeling dat de boeken worden gedrukt met dezelfde kwaliteit als de proefdruk, maar je weet het natuurlijk nooit.

Ik heb een hoofd dat nooit stopt, al mijn hele leven. Als ik door een stad loop, ook al heb ik geen camera bij me, ben ik die stad voortdurend aan het scannen op foto’s die ik had kunnen maken. Het is een soort oefening in kijken, een fototraining zonder camera. Het voordeel van fotograferen is volgens mij dat je geconcentreerder, intenser kijkt. Maar dat soort kijken kun je natuurlijk ook doen als je geen camera bij je hebt.

Ik popel trouwens om een nieuw fotoboek te maken. Zo gauw Rues de France is verschenen en ik weer rust heb, begin ik aan een ander boek. Gisteren viel me een nieuwe titel voor het boek in de schoot. Ik las de inleiding die Julian Barnes schreef bij een bloemlezing vertaalde verhalen van John Cheever.

Hij schrijft: ‘Cheever hoopte, in de laatste woorden van het laatste verhaal van zijn verzameling People, Places and Things That Will Not Appear in My Next Novel “een wereld te loven die om ons heen ligt uitgespreid als een verbijsterende, overweldigende droom”.
In dit fragment komen een aantal dingen samen. Het laatste deel zou de missie kunnen zijn voor mijn fotografie: een wereld te loven die om ons heen ligt uitgespreid als een verbijsterende, overweldigde droom, al zou ik daar ook nog ergens het woord tragisch tussen willen frommelen.

Maar het meest troffen me de woorden People, Places and Things. In mijn notities had ik als potentiële titel voor het nieuwe fotoboek Signs & Things genoteerd. Maar na lezing van de inleiding van Julian Barnes heb ik de nieuwe titel: People, Places, Signs & Things. Ik overweeg zelfs dat al mijn fotografie voortaan onder deze titel gaat verschijnen. Zo kan er een People, Places, Signs & Things 1 zijn, maar ook een People, Places, Signs & Things 2.

Het hoofd is een rusteloos ding

313

Journal

 

Verlengen

Maandag 17 oktober, Groningen

 

Geen idee waarom de gemiddelde leeftijd van een mens 80 jaar is. Ik vind dat een frustrerend gegeven, zo’n periode is gewoon te kort.
Ver voor podcasts een hype werden, hadden Patrick Neederkorn en ik een idee om een soort platform voor podcasts te beginnen. We hadden ook al een naam en legde de domeinnaam vast: Nederlandse Podcast Organisatie. Door ons afgekort als NPOO.

We stelden lijstje op met ideeën voor podcasts en oriënteerden ons op de techniek die daarbij komt kijken. Een zo’n idee was het interviewen van Onbekende Nederlanders. Patrick heeft een theaterprogramma met Oscar Kocken dat Zomaar Gasten heet. Zij interviewen dan Onbekende Nederlanders op festivals en in theaters.

In hun theatertent hebben ze plaats voor zo’n dertig personen. Bij binnenkomst geven mensen hun naam af. Tijdens het programma wordt een bezoeker uitgenodigd voor een interview, dit alles volkomen ad random. Patrick of Oscar interviewt de gast, de ander zit achter de laptop en zoekt, tijdens het gesprek, filmpjes en foto’s die op het gesprek van toepassing zijn en die worden achter de geïnterviewde geprojecteerd. Een beetje dus à la VPRO’s Zomergasten.

Ik heb het diverse keren bijgewoond en nooit was het resultaat teleurstellend. Het blijkt dat Onbekende Nederlanders minstens zo interessant zijn als Bekende Nederlanders. Ieder mens draagt verhalen bij zich. En wie dat niet doet, is ook weer bijzonder. Als we die podcasts hadden gemaakt, hadden we zeker kunnen meeliften op de huidige podcasts hype. Veel podcasts hebben inmiddels duizelingwekkend veel luisteraars.

Maar helaas. Zoals zo vaak bleef het idee een idee. We verdiepten ons erin en stelden dus lijstjes met ideeën op. En daar bleef het bij.
Waarom? Omdat Patrick druk bezig was om naam te maken in het theater als cabaretier en ik foto’s wilde maken en schrijven en reizen en boeken lezen. We liepen weer eens tegen dat verrekte feit aan dat we te veel wilden. Ons idee stierf in schoonheid.

En zo gaat het met meer dingen. Ooit volgde ik een cursus om films te monteren. Maar ik maakte nooit een film. In mijn la liggen een paar nooit afgemaakte boeken, gewoon omdat ik te druk met andere dingen was. Er was een periode dat ik met vrienden eens in de zoveel tijd bij elkaar kwam omdat we ideeën voor startups verzonnen. We overwogen om ontslag te nemen en ons daar helemaal op te richten. Helaas. Alle drie waren we te druk met andere dingen, en waren we te laf om zomaar schepen achter ons te verbranden.

In plaats van oorlog met elkaar te voeren, wapens en nog meer wapens te produceren, stel ik voor dat we al die energie en het geld dat we daar insteken gaan gebruiken voor de research om te kijken hoe we ons leven kunnen verlengen. Allemaal een tien of twintig jaar erbij zou ons enorm uit de brand helpen. En dat natuurlijk in blakende gezondheid, dit allemaal opdat we nog wat ideeën kunnen realiseren.

312

Journal

 

Sauna-opgieter

Zaterdag 15 oktober, Groningen

 

Mijn dochter werkt bij RTL Boulevard. Dat heeft voor mij nogal wat consequenties. Zo weet ik best veel van BN’ers af. Niet dat het mijn eerste interesse heeft, eigenlijk helemaal niet. Maar als je zoon monteur is, krijg je als vader vast veel over auto’s mee, denk ik.

Jarenlang liftte Anne mee op mijn Apple account, een erfenis uit haar studententijd. Het gevolg was dat zo’n beetje alle telefoonnummers van bekend Nederland in mijn adressenlijst stonden. Als ik bijvoorbeeld zocht naar het telefoonnummer van Vincent Rietveld van De Warme Winkel kon het zomaar gebeuren dat het nummer van Dries Roelvink voorbij kwam. Zo stond Jan Beuving dicht bij Patty Brard. Inmiddels heeft Anne al lang een eigen Apple account en ik denk dat haar telefoonlijst een van de meest uitgebreide van Nederland is.

De algoritme van Facebook heeft inmiddels ook door dat er een lijntje ligt van mij naar het juicy deel van Nederland. Steeds vaker krijg ik berichten over de Meilandjes en André Hazes in mijn tijdlijn. Komt misschien ook wel omdat Wyb en ik regelmatig naar Boulevard kijken. Niet alleen omdat Anne daar werkt en wij willen zien wat ze nu weer van een onderwerp heeft gemaakt, maar ook omdat tijdens het kijken het eten zo heerlijk weg hapt. Ja, mensen, rond zeven uur zappen wij natuurlijk door naar Khalid & Sophie, geheel conform onze bubbel.

De afgelopen zomer hebben Wyb en ik alle afleveringen gezien van B&B Vol liefde. Een televisieprogramma met mensen die in het buitenland een B&B hebben en op zoek zijn naar de liefde. Per kandidaat meldden zich drie of vier potentiële kandidaten.
Vanochtend heb ik Anne aan de lijn en zeg ik tegen haar: ‘Goh, die Ruud woont tegenwoordig ook in Oostenrijk.’
Ze weet dan precies wat ik bedoel. Ruud was een van de liefdeskandidaten van Astrid, een tamelijk hysterische uitbaatster van een B&B in Oostenrijk. Uiteindelijk koos ze na veel woede-uitbarstingen en tranen voor Harm-Jan. Maar die Ruud zag ze volgens mij ook wel stiekem een beetje zitten.

Anne voorziet mij meteen van de nodige informatie. ‘Ja, daar heb ik een item over gemaakt. Ruud woont nu twintig kilometer van Harm-Jan en Astrid vandaan. Ze hebben al een eerste afspraak gehad.’
‘En wat doet die Ruud daar dan?’ Mijn nieuwsgierigheid kent geen grenzen.
‘Hij is daar sauna-opgieter.’
‘Sauna-opgieter? Is dat een beroep?’
Wyb, die naast mij zit en meeluistert, weet er meer van. Ze kan me vertellen dat er best veel bij komt kijken. Als sauna-opgieter ben je een soort sfeermaker, het heeft met geuren en kleuren te maken. Een sauna-opgieter is een soort barista van de sauna, het opgieten is tot kunst verheven.’
‘Er zijn zelfs wereldkampioenschappen in,’ weet Anne.
Het moet niet gekker worden. ‘En krijg je daar geld voor?’
‘Het verdient niet veel hoor. Een sauna-opgieter verdient zo’n achttienhonderd euro.’
Het is zo handig om een dochter te hebben die bij Boulevard werkt. Zo hoor je nog eens wat.

Woensdag gaat ze naar de premièr van de documentaire over André Hazes. Ik verheug me er nu al op.

311

Journal

 

Customer journey

Vrijdag 14 oktober, Groningen

 

Resultaten behaald in het verleden geven geen garanties voor de toekomst. Dat geldt zowel voor de financiële sector als de culturele.

Zelf heb ik het idee dat ik het theater langzaam ben uitgegleden, ik deed minder en minder. Totdat ik besloot niets meer te doen. Met het mijzelf uitfaden, verminderde ook mijn belangstelling voor theater. Elke week drie, vier keer in het theater, ik deed het met groeiende tegenzin. Na een avond theater dacht ik steeds vaker: alweer een avond naar de knoppen. Ik vrees dat ik in mijn leven een overdosis heb gehad.

Na het cold turkey afkicken door ons vertrek naar Frankrijk is de behoefte aan theater vrijwel verdwenen. Er is ook zoveel moois om van te genieten, boeken, films, series, documentaires, musea. Ik merk nu dat een mens prima zonder theater kan. Vaak als Wyb een avond dienst heeft, en vraagt of ik meega, blijf ik liever thuis.

Dat dit uiteraard gevolgen heeft voor je positie merkte ik gisteravond. Wyb stelde voor om naar de nieuwe voorstelling van Club Guy & Roni, Fortune. te gaan in de Groninger schouwburg. In het toch wat grauwe theateraanbod zijn de dansvoorstellingen van Club Guy & Roni dynamische inspiratiepunten, dus daar was ik wel voor te porren.

‘Hoe duur zijn de kaarten?’ vroeg ik.
‘Eerste rang €27,50.’
‘Schat, dan zijn we €55 voor nog geen anderhalf uur theater kwijt. Dat is toch te gek voor woorden.’ Ik hoor het mijzelf terug. Als theatermarketeer heb ik altijd gezegd dat de factor prijs in de marketingmix het minst belangrijkste is. Nu ik de kaarten zelf moet betalen, zijn ze voor mij de doorslaggevende factor. Wyb is het trouwens helemaal met mij eens.
Voor de derde rang blijken de kaarten €17,50 te zijn. Ook nog aan de prijs, maar enigszins acceptabel, omdat ik toch al nooit naar het theater ga moet ik het er maar eens voor over hebben.

Het avondje theater is confronterend. Jarenlang was de Groninger schouwburg míj́n theater. Comfortabel in de loge zittend heb ik van heel wat voorstellingen mogen genieten. Over de prijs heb ik mij mijn leven lang niet druk hoeven te maken, in elk theater in Nederland kon ik gratis naar binnen.
Nu sta ik in een kleine foyer te wachten tot we naar binnen mogen. Bij de deur staat welgeteld één iemand de kaarten te controleren, waardoor we in een soort rij in crisistijd naar binnen schuifelen.
‘Waarom zetten ze maar één meisje neer, wat een klote service,’ mopper ik
‘Wij maken nu een customer journey,’ zegt Wyb. ‘Daar kunnen we veel van leren.’
‘Nieuwe marketingterm?’
Wyb knikt.

Gelukkig worden we eerst naar het podium geleid. De dansers dagen de bezoekers uit met ze te dansen. Natuurlijk druk ik mijn snor. Naar dans kijken: prima; zelf dansen: uitgesloten.
Het decor is prachtig. Op een gegeven moment wordt het publiek weer het podium afgeleid, de zaal in. Onze plaats is op het tweede balkon, maar met onze ervaring hadden we natuurlijk bij het digitaal bestellen gezien dat er op de begane grond nog genoeg vrije stoelen waren. En zo zitten we toch eerste rang en ben ik zo iemand waar ik vroeger zo’n hekel aan had: derde rang betalen, eerste rang gaan zitten. Nou ja, eerste rang, met veel manoeuvreren moet ik om mijn voorbuurman heen kijken om wat op het podium te zien. Als we de zaal uitgaan kijk ik even naar boven, naar de loge, wat een fijne plek is dat toch.

De voorstelling is top.

310

Het huis van het weekdier

 

 

 

Boem. Paukenslag.

Het vuur brandt.
Met een glas pino grigio
in de hand liggen we
te kijken naar de oneindigheid.

Blazars. Bolhopen. Supernova’s.
Witte dwergen. Protoplanetaire
nevels. Zwarte gaten. Quasars.
Aardscheerders en ander kruim.

Het blote oog is gewoon te bloot,
zeg ik. Weet je, goed beschouwd,
is het eigenlijk gewoon wachten
op de voltreffer. Boem. Paukenslag.

Alle begrippen vallen.

Journal

 

Beknopte biografie

Woensdag 12 oktober, Groningen

 

 

 

Beknopte biografie

Liggen
trappelen
draaien
kruipen
staan
vallen
staan
stappen
trippelen
huppelen
struinen
slenteren
rennen
hollen
draven
marcheren
flaneren
schrijden
ijsberen
wandelen
kuieren
hinken
schuifelen
stiefelen
sloffen
struikelen
liggen.

309

Journal

 

Gutmensch

Dinsdag 11 oktober, Groningen

 

‘De situatie voor alleenstaande kinderen in het azc in Ter Apel is de afgelopen maanden verslechterd. Tientallen kinderen verblijven dagenlang in een wachtruimte en slapen op stenen vloeren of een stoeltje,’ schrijft de NOS naar aanleiding van een bezoek van kinderombudsman Margrite Kalverboer.

Tijdens haar bezoek verbleven in Ter Apel 300 alleenstaande kinderen, terwijl er plek is voor 55. Ze concludeert: er is onvoldoende eten, onvoldoende sanitaire middelen, er zijn geen douches, ze hebben een laken ter beschikking ‘en iets wat voor een deken moet doorgaan’.

Alle media besteedden aandacht aan haar bevindingen. Maar heeft iemand die bevindingen gelezen of gezien? Er waren nauwelijks reacties op dit voor ons land toch beschamende bericht. Hoe kan het dat ik witheet van dit soort berichten word en dat de overgrote meerderheid van mijn landgenoten het accepteert alsof het de gewoonste zaak van de wereld is? Ik kan me de tijd herinneren dat we een gidsland waren en een voorbeeld voor de wereld waren. Waar is dat toen breed gedragen gevoel gebleven dat hij we ons super verantwoordelijk voor de medemens voelden? Wanneer werden we van gutmenschen egocentrische kankerpitten?

De staatsecretaris voor asielzaken doet wanhopige pogingen om gemeentes te overreden meer asielzoekers op te vangen. Er kwamen vage beloftes. Het resultaat: in plaats van meer opvang-plekken zijn het er zelfs minder geworden. Het is zoveelste bewijs dat je aan gemeentes niets hebt, dat het op veel beleidsterreinen een incompetente bestuurslaag is. Geen idee waarom het aan het begin van deze eeuw mode werd om te denken dat gemeentes dichtbij de mensen staan en dat je daarom veel beleid beter naar gemeentes kunt overhevelen.

Gemeentes zijn incompetent om een aantal redenen. Eerste plaats omdat veel gemeentes te klein zijn om goed kader aan zich te binden. De regelgeving en de uitvoering zijn ingewikkeld, de ambtenaren kunnen dat niet bijbenen, dat is zowel een kwantiteits- als een kwaliteitsprobleem. Op de tweede plaats zijn gemeentelijke politieke partijen steeds meer belangenorganisaties geworden. Het oog is gericht op het eigen belang, voor het algemeen belang, en zeker het staatsbelang, zijn ze blind. Ze zijn gericht op de protectie van hun eigen gemeente, voornaamste achterliggende gedachten: mijn huis mag niet minder waard worden.

Daarnaast leidt het delegeren van landelijk beleid steeds meer tot rechtsongelijkheid. Er zijn sociale gemeentes en asociale gemeentes. Sommige gemeentes geven de armsten onder ons een extra ondersteuning, andere interpreteren de regels juist benepen. Heb je een probleem dat met jeugdzorg heeft te maken? De ene gemeente heeft de boel op orde, de ander totaal niet. En last but not least: er zijn burgemeesters met ballen en er zijn burgemeester die schijtlaarzen zijn, en dat scheelt een slok op een borrel.

Om terug te komen op het asielbeleid. Er zijn gemeentes die hun stinkende best doen om zoveel mogelijk te doen voor de opvang van asielzoekers, daarnaast zijn er gemeentes die zich drukken of helemaal niets doen, waarmee ze zich buiten de samenleving plaatsen. Gemeentelijke belangen? De pot op. Terug naar het algemeen belang, het grote bestuurlijk denken. Laten we eindelijk eens afstappen van het idee dat gemeentes het kunnen en willen oplossen. Een substantieel deel van de gemeentes kan/wil eigenlijk helemaal niks.

308

Journal

 

Speculeren

Zondag 9 oktober, Groningen

 

Op het gevaar af gezien te worden als zo’n verdwaasde complotdenker, wil ik toch even wat speculeren. In het café, waar ik de laatste tijd best vaak kom, De Sigaar, heb ik een gesprek met een kennis. Hij begint over het opblazen van de pijpleidingen Nord stream 1 en 2 door de Russen. Uit zijn woorden blijkt dat hij er van overtuigd is dat de Russen, zoals gebruikelijk, de rol van slechterik op zich hebben genomen.

Ik twijfel of ik hem van mijn twijfels op de hoogte zal brengen. Als het om dit soort James Bond-achtige acties gaat is het toch altijd speculeren. Ik besluit hem toch maar eens van repliek te dienen, kijk of mijn redenering overeind blijft.
‘Ik weet niet of de Russen dat wel hebben gedaan,’ zeg ik.
‘Oh.’
‘Waarom zouden ze? Welk belang hebben ze erbij? Ze hebben al zeggenschap over de knop om de boel stil te leggen, waar ze ook al gebruik van maken. Waarom zouden ze de boel ook nog willen opblazen? Een pijpleiding opblazen waarin ze nota bene zelf het grootste financiële belang in hebben. Met die Nord stream kunnen ze nog een beetje spelen met Europa. Soms wel gas, soms geen gas. Mooie mogelijkheid om te treiteren. Waarom zouden ze die mogelijkheid opblazen?’
‘Dus jij denkt dat de Amerikanen dat hebben gedaan?’

‘Dat zou kunnen. Is niet uit te sluiten. Zoals niets is uit te sluiten. Maar ik denk dat de Oekraïne erachter zit.’
‘Leg dat maar eens uit.’
‘Als ik Zelensky was, was ik op dit idee gekomen. Briljante zet. Met een paar klappen trek je Europa nog meer de oorlog in. Natuurlijk krijgt Rusland de schuld, het is zo’n agressieve daad naar Europa toe, dat kan alleen Rusland doen, denk je. De sympathie en steun van Europa naar de Oekraïne zal hierdoor alleen maar toenemen. Nog belangrijker: hij ontneemt Rusland definitief de mogelijkheid om op deze manier nog gas te verkopen, de geldbron waarmee Rusland de oorlog financiert.’

Ga ik mijn kennis overtuigen? Ik wil helemaal niemand overtuigen. Ik wil alleen maar speculeren. Wat ik zo opmerkelijk vind dat het na de aanslagen zo stil blijft. De verontwaardiging is na twee dagen al gaan liggen. De verontwaardiging naar Rusland vind ik opmerkelijk lauw. Vooral omdat ik het zelf een ongelooflijke agressieve daad vind.’
‘Het schijnt zeer gecompliceerd te zijn om zo’n actie uit te voeren. Zie je de Oekraïne daartoe in staat? Misschien hebben ze wel hulp van Amerika gekregen, of van Israël,’ mijn kennis begint met mij mee te denken.

Zo speculeren we nog een tijdje door. Wat overigens geen enkele zin heeft. Of mijn speculatie klopt zullen we vermoedelijk nooit weten, of pas over dertig jaar.
Na het vallen van de torens van World Trade Centre in New York heeft de CIA een aantal sessies georganiseerd met de beste thrillerschrijvers van het land om te kijken welke onwaarschijnlijke scenario’s er nog meer zijn om aanslagen te plegen. Daar kwamen een aantal verrassend goede ideeën uit, ideeën om als CIA rekening mee te houden. Zo jammer dat ik niet was uitgenodigd voor die sessies.

‘Oh ja, als er ooit weer eens gas van Rusland naar Europa stroomt, dan zal er lang geen gebruik gemaakt kunnen worden van die Nord stream buizen. Het gas zal dan door de buizen moeten stromen die over Oekraïens land lopen. Regeren is vooruitzien.’

Journal

 

Vief

Zaterdag  8 oktober, Groningen

 

‘En hoe oud bent u?’ vraag de fysiotherapeut waar ik ben voor een blessure aan mijn arm. Mijn hond eist zijn tol. Door al dat frisbeeën heb ik een ontstoken bovenarm.
‘Zevenenzestig.’
‘Zevenenzestig, gepensioneerd?’
Ik knik.
‘En nog steeds lekker vief.’
Lekker vief. Ik ben nu dus in de levensfase beland dat iemand lekker vief is. Een compliment? Een opsteker? Voor mij klinkt het als het begin van het einde: lekker vief. Ik proef de woorden en ze smaken niet lekker.

Ik heb Paul aan de lijn, mijn Arnhemse vriend, die even oud is als ik. We hebben het over van alles en nog wat. We bezingen de zegeningen van het gepensioneerd zijn. ‘Maar als ik om me heen kijk zijn er toch heel wat mensen met mankementen op onze leeftijd.’
Hij heeft zeker gelijk. Maar met dat lekker vief en veel mankementen op onze leeftijd, trekt hij me in een wereld waar ik denk nog niet thuis te horen. Ik heb nog steeds het naïeve gevoel dat het mooiste en belangrijkste deel van mijn leven nog moet komen. Niks lekker vief: volop leven, verdomme.

Nou ja, neemt niet weg dat ik gisteren twee afspraken had die verdacht veel lijken op het gelijk van Paul. Eerste afspraak was bij de podoloog, die mij mijn vierde paar steunzolen aanmat. Tweede afspraak had ik bij de audicien. Het gefluit van kleine vogels ligt inmiddels buiten het bereik van mijn gehoor, ook de vele krekels in de Dordogne moet ik helaas missen.
‘Wat zei je?’ hoor ik mijzelf steeds vaker zeggen.
‘Word jij doof ofzo?’
‘Volgens mij wordt het tijd voor een gehoorapparaat,’ lieten zowel Wyb als mijn dochters mij weten.

En zo zat ik een maand geleden naar allerlei piepjes te luisteren. Conclusie: diepgaandere testen zijn nodig. Mijn gehoor is inderdaad niet meer wat het ooit was.
Gisteren zijn alle testen afgerond en laat de audicien mij weten dat hij met een gehoorapparaat ‘zeker een meerwaarde kan creëren voor mijn gehoor.’ Over een paar weken krijg ik een supersonisch exemplaar drie weken op proef. Ik kan er niet alleen beter door horen, maar ook mee bellen en muziek afluisteren. Ik verheug me erop.

Terug van de audicien laat ik Dies uit. Een hond pakt de bal van Dies af en wil hem niet meer teruggeven. Zijn vrouwtje doet haar uiterste best het ding terug te krijgen. Uiteindelijk lukt het haar en ze gooit de bal naar me toe. Ik mis en de bal rolt weg. Haar hond er weer achteraan, evenals ik. Ik zet mijn voet op de bal zodat haar hond hem niet kan pakken. Dan schiet het in mijn lies. Nieuwe spierblessure. Hinkend loop ik naar huis.

Binnenkort maar eens naar de oogarts. Toen ik voor De Harmonie medisch werd gekeurd zei de bedrijfsarts dat ik de ogen van een havik had. Inmiddels zijn die haviksogen vertroebeld en vliegen er allerlei haartjes, kringeltjes en vage vlekken voor mijn ogen.

307

Het huis van het weekdier

 

 

 

_

Het pad links?
Het pad rechts?
Laat staan een woord.

De specht roffelt.
Ver weg de ganzen.
Het kompas draait

en draait. Nergens
bewoonde wereld.
Taal noch teken.

Is er vanavond een slaapplaats?
Vuur, eten? Vissen naar geluid.
Sporen? Stammen, takken, bladeren.

Elke nacht een leger schikken.
Beschutting tegen weer en wind.
Soms passeert een schaduw.
Wij duiken in het donker.

Journal

 

Muizen

Donderdag 6 oktober, Groningen

 

Afgelopen maandag schreef ik een blog met de titel muisje. Ik schreef over een nieuwe bloemlezing van kinderpoëzie waarin een gedicht van mij is opgenomen. Het is een lief gedichtje, het begint zelfs met de regels: ‘Och, kijk, wat lief’.

Het is een mooi, onschuldig, naïef gedichtje. Dat gedichtje staat in schril contrast waar ik de afgelopen tien dagen daarvoor druk mee bezig ben geweest. Wij kwamen aan in ons Franse huis in Cadouin en ruimden de spullen op die we hadden meebracht. Wyb doet de kast open en schrikt terug: een muis! Blijken we opeens muizen te hebben. Deze zomer hebben we drie maanden in het huis gewoond en hebben geen muis gezien. Toen we weggingen sloten we het huis hermetisch af. En dan nu opeens een muis.

‘Muizen komen overal in,’ zegt Anneke, de moeder van Wyb, die mee is. Ze kan het weten want ze woont op een oude boerderij. Altijd doemen er in haar huis wel ergens muizen op.
‘Ik vermoed dat hij door de schoorsteen is gekomen,’ zeg ik, ‘die is gewoon open.’
‘Muizen zijn prima klimmers,’ weet Anneke die ook IVN-gids is, ‘en zeker als het wat kouder wordt zoeken ze beschutting.’
Maar ik wil geen muizen.

Ik stel voor om een muizenval te kopen. Maar daar wil Wyb niets van weten: ‘We gaan dat lieve muisje niet doodmaken.’
‘Maar voordat je het weet, heb je een huis vol muizen,’ gelukkig dat Anneke er is.
Dan herinner ik me dat we in Dwingeloo ook wel eens muizen hadden en dat we van die vallen kochten waar je kaas in kunt leggen, de muis loopt erin en kan er vervolgens niet meer uit. Hij blijft gewoon in die val leven waardoor je hem buiten kunt uitzetten.
Het blijkt dat we dan een deal hebben. Ik de val, Wyb een levende muis.

‘Kijk, daar loopt hij,’ zegt Wyb ’s avonds. De muis schiet achter de koelkast vandaan en kruipt tussen het hout in de open haard.
Op hetzelfde moment zegt Anneke: ‘Er zijn twee muizen, hoor. Kijk maar, daar loopt er ook een bij de bank.’
Shit, twee muizen die we moeten vangen, hopelijk zijn er niet meer.

In de quincaillerie, de Franse variant van de winkel van Sinkel, in Beaumont, kopen we twee valletjes. Ik kan me niet voorstellen dat er een muis inpast. Thuis zet ik het ene valletje achter de koelkast, de ander onder het aanrecht. Vol verwachting klopt ons hart. Maar na twee dagen, nog geen muis gevangen.

Totdat Dies opeens waakzaam om zich heen kijkt en naar de koelkast loopt. En jawel, daar beweegt een ongelooflijk lief muisje, het zou het muisje uit mijn gedicht kunnen zijn, in die hele kleine muizenval. Een dag later: bam, de tweede muis. Ons huis is vrij van muizen.

De volgende dag komt aan die een illusie een einde. Opnieuw loopt een muis door de kamer. We moeten nu kordaat handelen want over twee dagen gaan we terug naar Nederland en ik wil geen muizen in het huis achterlaten. Ik weet Wyb er te van overtuigen dat er nu een echte val moet komen. Kaas op een plankje, muis eet, bats, klapt een guillotine naar beneden.

Aldus geschiedt. Een dag voordat we weggaan horen we de guillotine naar beneden klappen. In de klassieke muizenval spartelt een muis. Ik ren naar buiten met hem, misschien kan ik hem nog levend uit het moordwapen bevrijden. Buiten hangt het muisje al slap in de val.

Ik besef dat ik het voor het eerst in mijn leven een dier heb gedood. Ik bevrijd het gave lijfje uit de val. Slap ligt het op een stenen muurtje. Met een duwtje geef ik het terug aan de natuur.

Het huis van het weekdier

 

 

 

Initialen

We kerven
onze intitialen
in de beuken

en lang nadat
weer en wind
en schors
onze namen
hebben gewist

branden de beuken
in het vuur van
het verre nageslacht.

Journal

 

Verliefdheid

Dinsdag 4 oktober, Groningen

 

In NRC staat een interview met de schrijfster Emy Koopman, ik heb nooit iets van haar gelezen. Ze wordt geïnterviewd over wat het leven de moeite waard maakt. Belangrijk onderwerp in het interview is verliefdheid. De kop van het interview luidt dan ook: ‘Verliefdheid is destructief en creatief.’ Ik weet er alles van.

Ik ben niet gauw verliefd, er was een hele periode in mijn leven dat ik beweerde nooit verliefd te zijn. Totdat ik Wyb ontmoette. Door het interview denk ik terug aan die tijd. Koopman beschrijft verliefdheid als een vorm van zelfverlies. Ik herken dat. Mijn verliefdheid was totaal, alles wat ooit belangrijk voor me was reduceerde tot onbelangrijk. Mijn geest verkeerde in voortdurende euforie. De schoonheid van Wyb, ik kreeg er niet genoeg van. Tijdens vergaderingen kon ik mijn ogen niet van haar afhouden. Zelfs zegt ze daar niets van gemerkt te hebben. Goed, want ik deed het zo onopgemerkt mogelijk.

Het gevoel dat ik had wordt het best verwoord door een gedicht van Herman Gorter, Zie je ik hou van jou. Hieronder is het te lezen. In die tijd moest ik regelmatig naar Amsterdam en tijdens de tocht over de Afsluitdijk zette ik in de auto keihard Orfeo en Eurice van Gluck aan, mijn geluk was dan totaal en ik had maar één ding in mijn hoofd: Wyb.

Ik ga me nu volstrekt belachelijk maken, maar mijn verliefdheid moet beschreven. Tijdens de zomervakantie had ik zo’n enorme behoefte om haar te zien dat ik haar telefoon op haar werk belde en luisterde naar het antwoordapparaat dat ze had ingesproken. Even was ze heel dichtbij. Wybrich, haar naam danste in mijn hoofd.

Ik had nooit gedacht dat mijn verliefdheid omgezet zou worden in daden. Mocht dat wel het geval zijn, dan wist ik dat ik alles wat ik had, en dat was best veel, opzij zou zetten voor mijn liefde voor haar.
Gelukkig brak er op een gegeven moment toch het moment aan dat we elkaar de liefde konden verklaren. Met dank aan de pier in Harlingen die erg lang is, te lang voor verliefden om elkaar niet de liefde te bekennen.

‘Ik hou van jou,’ zei ik tegen Wyb. Erg grote woorden voor mensen die elkaar voor de eerste keer kusten, maar ik wist dat het waar was. Tegelijkertijd wist ik dat ik op die dag alles weggooide wat ik had: ik had geen baan meer, geen huwelijk, ik zou veel vrienden verliezen, mijn reputatie was naar de knoppen. Aldus de destructieve kant van verliefdheid waar Emy Koopman over sprak. Maar het maakte me niets uit. Wyb en ik hadden elkaar, en dat was verreweg het belangrijkste.

Drie maanden later woonden we in een kaal appartement, het enige meubel was een matras. Wybrich en ik hadden alles achtergelaten. Er was zeker verdriet in die tijd, maar bovenal was er het gelukkige gevoel dat we bij elkaar waren. Ramses Shaffy zingt:
‘De wereld heeft mij failliet verklaard
Ik heb me nog nooit zo goed en licht gevoeld als nu
Ik heb me nog nooit zo schoon en bevrijd gevoeld als nu’
En zo was het.

 

Zie je ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht –
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen –
Maar ik kan het toch niet zeggen.

Herman Gorter

 

 

306

Journal d’images

 

Muisje

Maandag 3 oktober, Groningen

Terug in Groningen ligt op het stapeltje binnengekomen post een doos die verraadt dat er een boek inzit. Ik heb niets in bestelling. Wie stuurt mij nu een boek toe? Als ik het uitpak blijkt het een bloemlezing te zijn van kinderpoëzie. De titel luidt: Heel de wereld wordt wakker. Ondertitel: Het beste van de moderne kinderpoëzie in 333 gedichten. Een van die gedichten blijkt van mij te zijn.
Ik voel mij al jaren geen kinderboekenschrijver meer. Het is een periode die ik al lang achter me heb gelaten. Al staat in onze woonkamer nog altijd een kastje met ‘mijn oeuvre’. Af en toe kijk ik er met tevredenheid naar, maar ik pak er nooit een boek uit. Dat durf ik niet meer omdat de laatste keer dat ik dat deed bleek hoe snel boeken gedateerd raken. De kinderen die ik beschreef zijn kinderen die niets te maken hebben met de kinderen die nu leven. Mijn kinderen hebben geen computers, mobiele telefoons, spelen geen games. Mijn kinderen spelen buiten, graven holen en bouwen hutten. Ze zitten nooit op de achterbank van hun ouders om naar vioolles of hockey te worden gebracht. In vijfentwintig jaar tijd is de kinderwereld op de kop gezet.
De samensteller van de bundel is Jaap Robben. Hij heeft uitgerekend een gedichtje van mij opgenomen dat Gerrit Komrij ook al in zijn bloemlezing kinderpoëzie opnam. De titel van het gedicht: Muisje, het stond ooit in de enige kinderpoëziebundel die ik uitgaf, Oh, was ik maar een aap.

Journal d’images

 

Revolution

Zaterdag 1 oktober, Cadouin

De hele zomer zag ik deze foto voor me. Als we naar Le Bugue reden, en dat was wel een paar keer per week, zag ik die ex-winkel met Revolution daarboven. De foto die ik wilde maken was voor mij de perfecte metafoor voor de teloorgang van de idealistische revolutie die ik zelf eens zo vurig aanhing en die nu over de hele wereld is verdwenen. Ik schrijf: de foto die ik wilde maken. Want ik maakte hem niet. Waarom niet? Laksigheid, te druk, er gewoon niet aan denken voordat ik naar Le Buisson-de-Cadouin reed, waar ik de foto moest maken, en daardoor mijn fototoestel vergat.
Het was de laatste dag van ons driemaandelijks verblijf hier. We gingen naar Coux, volledige naam Coux-et-Bigaroque, het plaatsje waar een cave is waar wij graag komen. Een Ierse man, met een prachtig accent, bestiert daar een wijnhandel. Zijn adviezen waren tot nu toe schoten in de roos. Als je naar Coux rijdt, kun je door Le Buisson-de-Cadouin rijden.
En wat ik altijd heb gezegd: als je een foto ziet, moet je hem maken. Het is me zo vaak gebeurd dat ik dacht: och, die foto maak ik nog wel een keer. Die keer kwam nooit, weer een gemiste foto. Op die laatste dag nam ik mij heilig voor de foto te maken. In Buisson aarzelde ik nog wel even. Als we in oktober terugkwamen, stond er vast nog wel Revolution. Gelukkig gaf ik niet toe aan de aarzeling en ik maakte bovenstaande foto. Gelukkig maar, want terug in september was Revolution van de gevel gehaald en vervangen door Pizza Mélyce’s, de rolluiken waren eindelijk omhoog.
Bij het bewerken van de foto vroeg ik mij af waarom ik deze foto zo mooi vind. Alles is miezerig aan de foto. De trap leidt nergens naar toe, de pijl wijst naar niets, het winkeltje dat ooit Revolution heette is failliet, het rolluik is dicht, de verf bladdert, de naam Revolution is verschoten, niemand die uit het raam kijkt en je mag niet eens harder dan 30 rijden. Wie noemt zijn winkel nou Revolution? Of was het geen winkel? Heeft iemand gewoon een lichtbak met Revolution opgehangen?

Aan al mijn oude vrienden die zich vroeger revolutionair noemden, de foto is te koop voor €40, formaat 30×40 cm, gedrukt op het mooiste fotopapier. Hebben ze tenminste nog enige herinnering aan hun jeugdige overmoed.

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

Avec le temps

Vroeger werden kleren
mij te klein.

Nu word ik te klein
voor mijn kleren.

Journal

 

VHEMT

Vrijdag 30 september, Cadouin

 

Gisteren schreef ik: ‘De wereld is de kluts kwijt.’ Wat natuurlijk onzin is, niet de wereld is de kluts kwijt, de mens is de kluts kwijt. De zoveelste oorlog escaleert. Elke dag sterven 40.000 kinderen door honger en oorlog. Een gloednieuwe premier in Engeland draait het land financieel de nek om. De natuur wordt in razend tempo, zonder terughoudendheid, vernietigd.

Vanmiddag ben ik even bij mijn Nicht in Issigeac. We hebben het over de oorlog in de Oekraïne, de leugenachtigheid van Poetin, enzovoort. Dan zegt ze: ‘Weet je, ik word lid van de Beweging ter Vrijwillig Uitsterven van de Mensheid.’
‘Hè,bestaat die dan?’ vraag ik.
‘Zeker. Ze pleiten ervoor dat niemand nog kinderen neemt. Dan is de wereld over honderd jaar van ons af en kan de planeet weer een mooie planeet worden zonder dat verwoestende soort.’
Ik kan me er meteen veel bij voorstellen: wat een briljant idee! Natuurlijk dit is de oplossing om van de menselijke plaag af te komen. We zijn toch een failed animal specie. Dan hoeven we geen gif te strooien, vallen te zetten, of tot afschieten over te gaan. We spreken met z’n allen af dat we afzien van nageslacht en alles lost zich vanzelf op.

Eenmaal thuis zoek ik meteen de site op en zie ik dat het een wereldwijde beweging is en dat de moederbeweging een Engelse naam heeft: The Voluntary Human Extincion Movement, afgekort de VHEMT.
Ik lees op de site: ‘VHEMT (uitgesproken als vee-haa-ee-em-tee) is een beweging, niet een organisatie. Het is een beweging die voortgebracht wordt door mensen die geven om het leven op de planeet Aarde. We zijn niet gewoon een stel misantropen en anti-sociaal, of Malthusiaanse buitenbeetjes, die er een ziekelijk genoegen in scheppen als er een humanitaire ramp plaatsvindt. Niets is minder waar. Vrijwillige uitsterving van de mensheid is het humane alternatief voor humanitaire rampen.
Wij blijven niet doorzeuren over hoe het menselijk ras zich heeft tentoongesteld als een hebzuchtige, amorele parasiet op de ooit gezonde oppervlakte van deze planeet. Dat type negativiteit biedt geen oplossing voor de onverbiddelijke verschrikkingen die menselijke activiteit veroorzaakt.
Echter, de Beweging biedt een bemoedigend alternatief ten aanzien van de verharde uitbuiting en grootschalige vernietiging van de Aardes ecologie.
Zoals VHEMT Vrijwilligers weten, het hoopgevende alternatief voor de uitsterving van miljoenen dier- en plantsoorten is de vrijwillige uitsterving van de diersoort: Homo sapiens… ons.
Telkens als iemand besluit niet nog weer een mens toe te voegen aan de uitgroeiende miljarden, die al zij aan zij lopen op deze verwoeste planeet, schijnt er een straal van hoop door de mistroostigheid.’

Ik kijk hoe ik lid kan worden van de VHEMT. Na enig zoeken realiseer ik me dat het een beweging is en geen organisatie. In feite ben ik al mijn hele leven vrijwilliger van de beweging. Door zelf geen kinderen op de wereld te hebben gezet, heb ik mijn steentje bijgedragen. Wat ben ik eigenlijk, tegen wil en dank, goed bezig geweest voor de VHEMT.

Wat moet het trouwens heerlijk zijn over honderd jaar voor de laatste mensen die op de aarde rondlopen: alle ruimte, geen staten meer die elkaar binnenvallen, een schone aarde en weten dat jij de geschiedenis mag afsluiten en de deur dichtdoen.
Voor wie is geïnteresseerd in de beweging: https://www.vhemt.org/nindex.htm

306

Journal

 

Eymet

Donderdag 29 september, Cadouin

We rijden met Anne door de Dordogne. We doorkruisen de wijnstreek van de Bergerac. Het weer verandert om de paar minuten. Zo schijnt uitbundig de zon, zo verblinden dikke regendruppels het zicht op de weg. Donkere wolken wisselen af met blauwe luchten. Een ding is duidelijk: de zomer is voorbij. vermoedelijk hebben we vorige week met de familie voor het laatst op de veranda in de avondzon gezeten.
We bezoeken Château de la Jaubertie. Buiten de Dordogne stort de Britse economie in, worden onderzeese pijpleidingen opgeblazen en woekert de inflatie in heel Europa door. De wereld is de kluts kwijt. Wij kopen nog een paar dozen wijn in voor de toekomst. Als Anne op bezoek is, weet je dat wijn een belangrijk onderwerp is.
Tussen de middag zoeken we het plaatsje Eymet op voor de lunch. Eymet blijkt in feeststemming, door het hele stadje hangen kleurige slingers. Het doet ons meteen denken aan de Colombiaanse stad Cartagena waar in menige straat eenzelfde soort slingers hangen. Eenmaal op het centrale plein zien we dat er zelfs een Peruaans restaurant is. Het gebeurt niet vaak dat je in de Dordogne iets van de wereldkeuken tegenkomt. We besluiten in Zuid-Amerikaanse sfeer te blijven en er te lunchen.
De boze wereld lijkt ver weg. Volgende week zijn we weer in Nederland en zitten we er opnieuw middenin. Wie deze blogjes te braaf vindt, geef ik helemaal gelijk. Maar laat de hoofdredactie van Dossiermoddergat ook eens genieten. Volgende week krijgt u weer keiharde blogs, genadeloze analyses, stompen in de maag en vechten we ons weer een weg door de grote mensenwereld.

Journal

 

Mariabeeldje

Dinsdag 27 september, Cadouin

Aan het eind van de middag zie ik het pas: er staat een Mariabeeldje in een van de twee nisjes in onze huiskamer. Dat wij in het bezit zijn van een Mariabeeldje is voor mij geen verrassing. Sinds de begrafenis van Jan lag het in onze auto in het dashboard. Het heeft inmiddels heel wat kilometers afgelegd.
Jan had een enorme verzameling Mariabeeldjes. Wie bij Jan en Connie boven naar de wc ging, moest zijn behoefte onder het oog van de Heilige Maagd doen. Van alle kanten keek ze op je neer. Ook op de kamer van Jan: overal Mariabeeldjes. Connie was er niet zo van gecharmeerd, wat moest ze doen met al die beeldjes? Als aandenken aan Jan lag er op de dag van zijn begrafenis een enorme berg beeldjes klaar, wie zo’n aandenken wilde hebben, kon een beeldje meenemen.
Ik zelf deed geen greep in de stapel. Ik hou als atheïst niet van Mariabeeldjes. Wyb nam er wel een mee, volgens mij vond ze het wel curieus om als vrouw met gereformeerde achtergrond een heiligen beeld je te hebben. Misschien vond ze het ook wel een mooi aandenken aan Jan. Zelf heb ik andere, voor mij meer waardevolle aandenkens aan Jan. Een Mariabeeldje heb ik daar niet voor nodig.
Misschien nam Wyb het beeldje ook wel mee voor dit unieke moment dat ik in mijn huis een katholiek relict zou ontdekken.
‘Hoe komt dat beeldje daar?’ vroeg ik wat naïef, alsof een regiment van mensen dat beeldje daar had kunnen neerzetten. Er waren maar twee mensen in ons huis naast mijzelf, Wyb en haar moeder.
‘Ik,’ zegt Wyb, ‘ik was benieuwd wanneer je het zou zien.’
Ik weet meteen dat het beeldje daar op die plek ook een plaagstootje is. Zoals Bartje geen bruune bonen wilde eten, zo wil ik geen katholieke symbolen in mijn huis. Ik dreig er even mee het onmiddellijk weg te halen.
Maar ik kan het ook niet over mijn hart verkrijgen. Het is en blijft toch een beeldje dat Jan mooi vond. En och, het nisje lijkt ervoor gemaakt, het pas precies. Ik besluit het maar te laten staan tot we iets beters voor dat nisje vinden. Bovendien heeft het wel iets absurds, ik die een beeldje van de Heilige Maagd in de kamer heeft, gekker kan het niet worden.

Journal

 

Aanslag

Zondag 25 september, Cadouin

 

Voordat we naar Frankrijk gaan moet ik nog even naar de kapper, bedacht ik. Ik heb al eerder over mijn haar geschreven. Met de teloorgang van mijn haar is mijn aftakeling begonnen. Eens kon ik mij, qua haar, meten met Johannes Sebastiaan Bach of Jan Vayne. En nu? Een vogelverschrikker met haar van stro. Als mijn haar tegenwoordig langer wordt, lijk ik een soort stekelvarken met slappe stekels. Waar is de tijd gebleven dat ik met originele pijpenkrullen rondliep?

Ik wilde mijn lot niet overlaten aan een Franse kapper die ik niet kende, dus ging ik naar mijn Groninger kapper waar ik inmiddels zo’n vijf, zes keer ben geweest. Mijn kapper is een beroepsouwehoer die werkelijk geen seconde zijn mond houdt. Niks aan de hand want ik luister graag naar hem. Hij nodigde mij uit om plaats te nemen en slaat de kappersslabber om mij heen.
‘Graag in model knippen en niet te kort,’ zeg ik.
Maar wat zie ik? Hij heeft de tondeuse al in de linkerkant van mijn haar gezet. Korter kan het niet.
‘Wat doe je nu? Ik zei niet te kort.’
‘Dit gaat je heel goed staan.’
‘Maar ik wil het niet.’
‘Er is geen weg meer terug. Heb nou maar vertrouwen.’
‘Ik vermoed dat jij het aan de stok krijgt met mijn vrouw.’

Als ik uiteindelijk in de spiegel kijk, zie ik dat de man een aanslag op mijn identiteit heeft gepleegd. Ik ging in de stoel zitten als een man van de wereld met een licht artistieke inslag en ik kom eruit, zoals mijn zwager het formuleert, een man met een CDA gezicht, jaren ’50 gereformeerd. Sinds mijn babytijd heb ik niet zo’n kort haar gehad. Ik zie nu pas dat mijn oren dezelfde vorm hebben als de oren van de duivel. En verdomd, ik begin steeds meer op mijn ex beste vriend JT te lijken, het moet niet gekker worden.

Het is goed dat we de volgende dag naar Frankrijk afreizen. Over tien dagen is het, mag ik hopen, weer wat aangegroeid. Jezus, wat heb ik een langwerpig hoofd, mijn kin is een paar centimeter langer geworden, mijn neus dikker, mijn voorhoofd wordt langer en langer. Ik transformeer in… Geen idee. Het is eng om mee te maken. Dat opgeknipte haar wat tegenwoordig zo in de mode is, associeer ik altijd met het kapsel waar fascisten zo gek op zijn.

Chagrijnig neem ik afscheid van de kapper. Ik weet dat het afscheid voorgoed is. Het is de laatste keer dat hij mij als klant ziet. Mijn andere zwager zegt dat ik naar spruitjes ruik. Wyb zegt dat ik steeds meer op Komrij begin te lijken. Alleen mijn schoonmoeder zegt dat ik nu veel jonger lijk. Geen idee waarom mensen altijd flauwe grappen over schoonmoeders maken.
‘Oh, nou weet ik op wie je lijkt,’ zegt Wyb.
‘Op wie dan?’
‘De burgemeester van Leeuwarden, hoe heet die ook weer?’
‘Buma,’ zeg ik.

Journal d’images

 

Anthonius

Zaterdag 24 september, Cadouin

We bezoeken Château de Campagne in, hoe kan het anders, het plaatsje Campagne in de Dordogne. We lopen de kapel in die aan de ingang is te vinden. Een mooie, lichte ruimte met aan de wand beelden van heiligen. Ik maak een foto van bovenstaand beeld van de heilige Antoine.
‘Wie is dat?’ vraagt Wyb die een gereformeerde achtergrond heeft en daarom niets weet van die wonderlijke heiligen levens.
‘Dat is de Heilige Anthonius van Padua,’ zeg ik tegen haar. ‘Hij wordt door katholieken aangeroepen als ze iets kwijt zijn.’ En ik vervolg: ‘Heilig Anthonius, beste vrind, zorg dat ik mijn sleutels weer vind.’
Dat is precies de reden waarom ik een foto van hem nam. Anthonius doet me meteen denken aan mijn oma. Ik zie haar nog door het huis prevelen: ‘Heilige Anthonius, beste vrind,…’ Anthonius was werkelijk haar beste vriend.

Even later vind ik Wyb terug in een majestueuze plataan. De tuin om Château de Campagne is wonderschoon, er staan zelfs drie sequoia’s. Het zou de mensen passen om zich veel nederiger te gedragen dan ze nu doen.

Journal d’images

 

Bolwerken

Vrijdag 23 september, Cadouin

En daar ligt dan het gezelschap waar ik deze week hele dagen mee doorbreng. Ze bolwerken het niet meer. Te moe, tijd om te rusten.

Journal

 

Aankomsttijd

Donderdag 22 september, Cadouin

 

 

Ik meldde vaak met enige trots dat wij weer eens van Frankrijk naar Nederland reden, of andersom, in één streep. Al enige tijd hebben wij het afgezworen om twee dagen te doen over 1200 kilometer. Dat betekent dat je twee dagen in de reismodus zit. Wyb en ik vormen een ijzersterk duo als het gaan om van Nederland naar Frankrijk te rijden, of andersom. Twee uur rijden, na twee uur wisselen van positie. Over die 1200 kilometer doen we meestal 12 uur, soms 13 uur.

Gisteren verliep alles anders. Waarom? Het kan zijn dat het gezellig was. Anneke reed met ons mee naar Frankrijk en het gesprek was geanimeerd. Het kan ook zijn omdat ik lag te slapen en er een wegomleiding was waardoor we niet opletten. Het komt er op neer dat we een tijdje na Orléans op onze navigatie zagen dat de auto een andere route reed dan gedacht.

Inmiddels wakker constateerde ik dat het niet erg was omdat Google aangaf dat onze nieuwe route zelfs sneller was dan de onze gebruikelijke route. Even later bleek dat we over een nieuwe weg reden die voor een deel nog in aanbouw was. Gevolg: wegwerkzaamheden. Na een wegwerkzaamheid volgde al snel de volgende wegwerkzaamheid. Geërgerd zag ik onze aankomsttijd oplopen.

Het werd helemaal erg toen we bij Angoulème van de snelweg reden. Al op de afrit stond een lange rij auto’s. Vervolgens kropen we, voetje voor voetje, naar de poortjes van de péage. Na de poortjes een survival van de fittest, of liever, een survival van de brutaalste, wie kan zijn auto voor de andere auto’s wurmen. Onze aankomsttijd van zeven uur liep op naar negen uur. Niks in 12 uur van Groningen naar Cadouin.

Uiteindelijk bleek dat we over onze tocht 15 uur hadden gereden. In plaats van in het daglicht kwamen we aan in de donkere nacht. Met onze iPhones zochten we de hoofdkraan van de waterleiding op en liepen vervolgens naar de voordeur. Licht! Thuis!

Voortaan de tocht toch maar in twee dagen doen? Niks ervan. Het is gewoon een kwestie van beter opletten. Nooit meer slapen, als je naast de bestuurder zit. Nooit meer slapen, mooie titel voor een boek.

PS Wij zijn tot zondag 2 oktober in Cadouin. We hebben veel bezoek, dus veel gezelligheid. Dat zal vast een aanslag zijn op Dossiermoddergat. Het onregelmatig verschijnen van een blog wordt in deze periode nog onregelmatiger. De lezer zal het ermee moeten doen.

305

Journal

 

Kluizenaar

Dinsdag 20 september, Groningen

 

Menig keer heb ik in Dossiermoddergat laten weten dat ik graag kluizenaar wil worden. Om een langzame overgang te creëren leek het me een prima idee om taxichauffeur op Ameland te worden. Het leek me heerlijk, een huisje in de duinen waar geen wandelpad langs loopt, af en toe tevoorschijn komen om bij aankomst van een boot mensen naar hun hotel of camping te rijden. En dan weer terug naar mijn huisje in de duinen.

Dat kluizenaarschap kan ik binnenkort mogelijk realiseren. Het huis in de duinen is een huisje in de uitgestrekte bossen van de Dordogne geworden. Taxichauffeur hoef ik niet eens meer te worden, mijn pensioenfondsen en de Nederlandse staat maken elke maand keurig een bedrag over. Ik hoef mijzelf niet eens meer te plagen met een baantje.

Het addertje onder het gras zit natuurlijk in het woordje ‘we’. Kijk, ik wil best kluizenaar worden, maar niet zonder Wyb. Bestaat dat, kluizenaars met een vrouw? Of ben je dan per definitie geen kluizenaar meer? Het zal me eerlijk gezegd een zorg zijn, een afgelegen huis met Wyb en daar in alle rust ons leven leven lijkt me meer dan prima.

Een vriend vroeg afgelopen weekend aan me: ‘Leuk dat geflirt met kluizenaar zijn, maar kun jij dat überhaupt wel?’ Goede vraag. Neem aankomende dagen. Morgen gaan we voor tien dagen naar Cadouin, Anneke, de moeder van Wyb rijdt met ons mee. Ze blijft tot maandag, dan nemen de zus van Wyb en haar man, op weg van Barcelona naar Nederland, haar mee terug. Die maandagavond blijven ze bij ons slapen om de volgende dag terug te gaan. We slapen dan met ons zessen in Cadouin want ’s middags komt Anne vanuit Rotterdam gevlogen. Anne blijft dan tot vrijdag bij ons. Ik bedoel maar, hoezo kluizenaar? En zie de foto’s hier boven, familielol, afgelopen zondag genomen. Wat ben ik voor een kluizenaar die zo aan sociale contacten hecht?

‘Moet je kijken hoe leuk je het vindt als we bezoek krijgen,’ zei Wyb vorige week nog tegen me toen ik klaagde dat we de laatste tijd zoveel mensen zagen.
‘Dat is waar, bezoek tilt me op,’ gaf ik zomaar spontaan toe. Wyb wijst me er altijd weer op hoeveel plezier ik heb als ik in gezelschap ben. En ik gaf het vorige week dus zelf toe: ik ben een kluizenaar van niets.

Dat neemt niet weg dat ik soms een enorme behoefte voel om me terug te trekken en alleen te zijn. Nou ja, alleen, Wyb moet er wel bij zijn, anders vind ik er niks aan. Geen idee hoe dat kan, die terugtrek behoefte. Misschien komt het wel omdat ik enig kind ben, de eerste vijf jaar van mijn leven woonden we op een zolderverdieping op de Broerdijk in Nijmegen. In die vijf jaar zag ik vrijwel alleen mijn vader en moeder. Het was een gelukkige, onbekommerde tijd.

Op mijn vierde bracht mijn moeder mij naar de kleuterschool. Toen ze weg was, zat ik opeens met een heleboel mensen in een klas. Ik voelde mij diep ongelukkig. Ik hoefde niet lang na te denken. Zo gauw de kleuterjuf niet keek, liep ik het gebouw uit, terug naar mijn moeder. Stond ik opeens weer voor de deur. Na die actie besloot ze me nog maar een jaar thuis te houden. Dat vond ze wel zo gezellig. Huis, tuin en keuken psychologie, het zou me niet verbazen als mijn verlangen naar het kluizenaarschap zo is ontstaan.

 

304

Journal

 

Automatische piloot

Maandag 19 september, Groningen

 

 

Het gaat niet goed met het theater in Nederland. Sinds de lockdowns lijkt een deel van het publiek niet terug te komen. Mensen in het vak zijn naarstig op zoek naar oorzaken? Moet men weer wennen aan zalen waar veel mensen zitten? Is voor veel mensen door de lockdowns de gewoonte doorbroken om naar het theater te gaan? Of is het theater, zeker in deze tijden van inflatie en dure energiekosten, gewoon te duur? Of hebben streamingsdiensten als Netflix tijdens de pandemie een deel van het publiek van het theater afgepakt?

Eerlijk? Ik denk dat er meer aan de hand is. Het wegblijven van het publiek heeft een veel fundamentelere oorzaak. Ik vermoed dat het ligt aan de kwaliteit van het theater. Die kwaliteit is op een aantal manieren aangetast. Het gevolg is dat het publiek het wel gelooft, het risico om voor een slechte of minder goede voorstelling te gaan betalen is te groot. En dan heb ik het specifiek over voorstellingen die plaatsvinden in de traditionele theaters, het avondje-uit.

Het is toch opmerkelijk hoe vaak ik tijdens de pandemie hoorde: ‘Het theater, weet je, ik mis het eigenlijk helemaal niet.’ Sowieso was theater nauwelijks een onderwerp van gesprek. Pas na enig lobbywerk kwam de problematiek van het theater in het zicht van de bestuurders. In de begin van de pandemie leek het theater vergeten. Maar dit terzijde.

De kwaliteit van het theater is denk ik op de volgende manieren uitgehold. De afgelopen dertig jaar heeft in de traditionele theaters nauwelijks innovatie plaatsgevonden. En dan bedoel ik dat zowel artistiek inhoudelijk als qua dienstverlening. Nergens zag ik nieuwe concepten of ideeën. Wie de seizoensbrochures van nu vergelijkt met dertig jaar geleden ziet nog steeds dezelfde programmaring, de opzet is een resterende breuk, zelfs de namen zijn veelal hetzelfde. Voor de zoveelste keer… laat ik geen namen noemen. Het maakt zelfs op mij, als liefhebber, een sleetse indruk.

Maar het belangrijkste is misschien wel de kwaliteit van de afzonderlijke producties. Te veel producties zijn te makkelijk en te snel gemaakt. Er was te weinig geld om langer te repeteren, terwijl dat absoluut noodzakelijk was. De productie ziet er te goedkoop of oubollig uit, ook hier is het gebrek aan geld de oorzaak.
En dan altijd weer datzelfde concept: je bewerkt een boek, of je pakt een actueel thema, je zet er wat BN’ers of bekende acteurs in en succes lijkt verzekerd. Als het af is, weet niemand wat de noodzaak was om die voorstelling te maken. De bedrijfseconomische continuïteit van de producent was uiteindelijk de belangrijkste drijfveer.

Daarnaast er is er natuurlijk, wat de gesubsidieerde producenten betreft, de productiedwang. Op jaarbasis moeten er nu eenmaal een x-aantal voorstellingen worden gemaakt. Wat zullen we dit seizoen nu eens gaan maken? Die en die heeft nog wel een mooi idee en hatseflats daar stort het gezelschap zich weer in een nieuw avontuurtje. Was het echt nodig om die voorstelling te maken? Nee, maar de productiecriteria voor de subsidie is gehaald.

Het wegblijven van het publiek in de reguliere theaters staat in schrille tegenstelling tot de belangstelling voor festivals en locatievoorstellingen. Het heilig vuur van makers lijkt daar nog te branden, niet voor niets dat het publiek dat vuur herkent en daar met plezier in grote getale heengaat.
Het wordt volgens mij hoog tijd dat de traditionele theaters en producenten het lef hebben om naar de kern van hun activiteit te kijken: de kwaliteit van de producties die ze maken. Misschien helemaal niet zo vervelend dat het publiek wegblijft. Ik hoop dat het uiteindelijk een impuls is om zichzelf opnieuw uit te vinden.

Eén suggestie: minder produceren, maar wel veel beter, zou al een zegen zijn. Laten we de automatische piloot uitschakelen.

Journal d’images

 

Familielol

Maandag 19 september, Groningen

Familielol in het Groninger Forum.

303

Journal d’images

 

Billen

Vrijdag 16 september, Groningen

Afzender: Groninger Studenten Schaatsvereniging.

Het huis van het weekdier

 

 

 

Ik ben een rivier in de winter, treed
altijd buiten mijn uiterwaarden,
een leven lang watersnood.

In mijn land geen waterbeheersing,
altijd braken dijken, verdronken
koeien, paarden op eilanden.

Altijd het water tot mijn lippen,
roep om hulp, reddingsboeien,
noodvoedsel, alarmpijlen.

Nu perk ik het in. Noodzaak van
dijken, waterwegen, gemalen,
uitzicht op rustig vaarwater.

Eindelijk een zeilboot hebben,
mij verschuilen in de rietkragen,
het rustig klotsen van de golfjes,
het overzeilen van een kiekendief.

Journal

 

Slaap

Donderdag 15 september, Groningen

 

Slapen is zonde van de tijd, heb ik jarenlang geroepen. Een mens slaapt 1/3 deel van zijn leven. Dat wil zeggen dat ik meer dan 22 jaar van mijn leven heb verslapen, dat ik maar 45 jaar bewust heb geleefd. Ik heb dat altijd een aanslag op mijn levensvreugde gevonden.

Ik heb het slapen zoveel mogelijk beperkt. Ik trainde mijzelf om ergens tussen een uur en twee ’s nachts naar bed te gaan en zeven uur weer op te staan. Dan sliep ik zo’n beetje vijf, zes uur per nacht, een acceptabele verspilling vond ik. Met dat ritme versliep ik 20 tot 25% van mijn leven, een mooie aanval op het gemiddelde van 33%.

Misschien omdat ik relatief zo weinig sliep, heb ik nooit problemen met slapen gehad. Kan ook komen omdat ik hard werkte en daardoor ’s nachts gewoon was gevloerd. In ieder geval sliep ik altijd als een roos, hoe spannend het leven ook was. Ik ging liggen en sliep.

Even voor de duidelijkheid: ik had echt geen hekel aan het slapen zelf. Ik vond het heerlijk om even weg te zijn uit de realiteit, er even niet te zijn of in een andere, droomwereld te vertoeven. Ik sliep diep en was ver weg. Ik vond alleen dat het niet te lang mocht duren. Ik leef nou eenmaal liever wakend dan slapend.

Sinds ik niet meer werk, is mijn slaapritme op de kop gezet. Ik ga nu inderdaad eerder slapen, een gewoonte die erin is geslopen, misschien wel een foutje. Ik ga nu rond twaalf uur naar bed en dan slaap ik vier uur en word dan tussen drie en vier uur wakker. Ik kan dan zomaar anderhalf, twee uur wakker liggen. Tegen zes uur val ik weer in slaap, een heerlijke slaap, vind ik zelf, ik ben dan heel ver weg. Acht uur laat de wekker weten dat ik moet opstaan. Eigenlijk is dat jammer, want ik zou dan best door kunnen slapen. Maar in mijn brein zitten altijd nog restanten van mijn werkethiek. Een mens moet dingen doen, niet slapen.

Tot dinsdag maakte ik me over dit nieuwe patroon zorgen. Ik wilde gewoon lekker achter elkaar door slapen, al heeft die slaappauze geen gevolgen voor mijn frisheid overdag. Totdat ik dinsdag in de Volkskrant las dat mijn slaappatroon een restant is uit oude tijden. Vroeger was het slapen in twee fasen juist de norm.

Voor het elektrisch licht gingen mensen na zonsondergang naar bed. Ze sliepen dan vijf uur om na middernacht wakker te worden, vervolgens waren ze dan enkele uren wakker om daarna aan een tweede slaap te beginnen.

Wakker liggen had toen nog geen negatieve connotatie. Integendeel. De Volkskrant schrijft: ‘De nachtelijke uren golden als me time, een van verplichtingen ontdane tijd, vrij te gebruiken voor zaken waar je overdag niet aan toekwam: fantaseren, drinken, praten, wandelen.’ Er waren wetenschappers die adviseerden juist die uren voor seks te gebruiken, mensen zouden er dan meer plezier aan beleven.

Een nuttig artikel dus. Voor mij reden om voortaan niet meer onrustig wakker te liggen en te wachten op de slaap. Ik ga gewoon doen wat ze vroeger deden, fantaseren, drinken, praten, seks. Wandelen blijf ik overdag doen.

 

302

Het huis van het weekdier

 

 

 

On est

On est.
Men is.
Goed dat iemand dat op een boom schrijft.
Het is zo makkelijk te vergeten
dat we er zijn, het lijkt zo vanzelfsprekend.

Even licht tussen twee duisternissen.
Je verwacht toch veel meer verwondering.

Het licht.
Men is.
On est.

Waar komen opeens die auto’s vandaan
en al die anderen? Tafels en stoelen?
Er zijn zelfs trouwjurken. Mensen
die van elkaar houden en mensen die zingen.
Woorden tussen het donker in.

Er zijn mensen die kunnen lopen
en mensen die kunnen buikspreken.
Er zijn mensen die zich opblazen omdat ze geloven
dat ze de beste zijn en dan America First roepen.
Verwondering, verwondering.

On est.
Men is.
Dank voor degene die dit
op een dikke boom in Saint-Hippollyte-du-Fort schreef.
Ik was het bijna vergeten.

Journal d’images

 

Franka

Dinsdag 13 september, Groningen

Eergisteren waren we sinds lange tijd weer eens in Dwingeloo. In de vakantie kregen we een telefoontje van Jasper en Aniek, onze oude buren, dat Franka was overleden. Voor wie niet weet wie Franka is. Franka was een hond, een berner sennen, en een van onze beste vriendinnen.

Toen we in Dwingeloo kwamen wonen was Franka vier, vijf maanden oud en de hond dus van onze buren, de eigenaren van de Bospub. Al snel was Franka hele dagen bij ons. Ze vond het rond het restaurant vaak te druk en bij ons vond ze haar rust. In de vijf jaar dat wij er woonden, beschouwde Franka de Bospub en onze tuin als één erf.
Als wij weg waren lag ze vaak op het eind van het bospad op ons te wachten. Als ze ons met de auto aan zag komen, schommelde ze blij naar ons toe. In de loop van die jaren werd ze dikker en dikker. In de Bospub kwam ze niets te kort, gasten staken haar graag iets toe.

Een paar jaar geleden ging het erg slecht met haar. De buren en wij waren er van overtuigd dat ze het niet lang meer zou maken, de dierenarts was dat met ons eens. Wij namen uitgebreid afscheid van haar. Ze ging met iedereen op de foto zodat we een herinnering aan haar zouden hebben. Gelukkig knapte ze op. Ons verdriet was voor niets geweest.

De liefde voor ons was ongekend. Vorig jaar stonden we met onze camperbus op de camping naast de Bospub. Het hele weekend lag Franka trouw voor onze deur. Waar wij ook gingen, Franka liep met ons mee, blij dat we eindelijk weer eens bij haar in de buurt waren.

Vlak voordat we dit jaar naar Frankrijk gingen, waren we nog even in Dwingeloo. We zagen dat het niet goed met haar ging. Ze kwam met moeite omhoog, voor het eerst ging ze niet meer met ons wandelen. Omdat we wisten dat we haar lang niet meer zouden zien, namen we intens afscheid van haar, we hadden het sterke vermoeden dat we haar voor de laatste keer zagen. Helaas kregen we daar gelijk in.

Franka ligt begraven in het bos, vlak voor de het huis van Jasper en Aniek. De kinderen hebben een mooie grafsteen voor haar gemaakt. We hebben haar zondag met liefde herdacht.

 

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

De duiven in de platanen koeren:
het is genoeg, het is genoeg.

Maar de bakker stookt zijn oven.
De slager slacht het varken.

Op het terras staan de stoelen alweer klaar
en het gemeentehuis opent zijn deuren.

Het is genoeg, het is genoeg.
Ze kunnen koeren wat ze willen.

Journal

 

Lulkoek

Maandag 12 september, Groningen

 

 

Anne, mijn dochter die in Amsterdan woont, heeft met haar blog een verdienmodel ontwikkeld waar ik als hoofdredacteur van Dossiermoddergat jaloers op ben. Gaandeweg heeft ze zich ontwikkeld tot een soort foodie influencer. Het gevolg is dat ze een paar keer per week door restaurants wordt uitgenodigd om te komen proefeten. Hotels vragen of ze hun bedden wil komen uitproberen. Het is dus een soort ruilhandel. Zij mag lekker komen eten, als tegenprestaties besteedt Anne aandacht aan het restaurant. Door al dat lekkere eten is ze prima op de hoogte van alle culinaire ontwikkelingen in de hoofdstad, wat voor een vader een genot is. Groot voordeel: al die etentjes zijn besparingen op haar eigen uitgaven.

Als sneue blogger van Dossiermoddergat zou ik dat ook wel willen. Maar ik heb geen specifieke. doelgroep waar ik me op richt, ook geen specifiek onderwerp. Mijn blogs schieten van persoonlijke ontboezemingen, via wat observaties tot politieke pamfletten, daar tussendoor wat fotootjes. Wie zit daar nou op te wachten? De onderwerpen die ik aankaart spreken hoogstens wat ouwe lullen aan, een doelgroep die voor de reclame totaal oninteressant is omdat hun smaak en voorkeuren sowieso zijn uitgekristalliseerd. Dossiermoddergat is een waardeloos product, commercieel gezien.

Dit weekend gloorde opeens hoop. Van mijn oud-collega Leo Pot kreeg ik het volgende briefje: Beste Gerard, zoals beloofd hierbij in ruil voor al het plezier dat ik beleef aan het lezen van jouw blogs een exemplaar van Lulkoek. Ik hoop dat je de inhoud ervan kunt waarderen! Hartelijks, Leo Pot.

Leo heeft een boek geschreven met de titel Lulkoek, een boek naar mijn hart. De ondertitel luidt: Hoe 50 waarheden van anderen zorgvuldig om zeep worden geholpen. Lulkoek is de bijl aan de wortel van de homo phantasticus, Leo maakt korte metten met alle verzinsels die de mens in de loop van de geschiedenis bij elkaar heeft gefantaseerd. Astrologie? Lulkoek. De aarde plat? Lulkoek. Graancirkels mensenwerk? Lulkoek. Waren aliens onder ons? Lulkoek. Praten met de doden? Lulkoek. Leven na de dood? Lulkoek. Oh, wat heerlijk om dit allemaal op te schrijven en zo gaat Leo vijftig onderwerpen door. Een genot om te lezen.

Leo geeft wat mij betreft het goede voorbeeld. Hij leest mijn blog en als tegenprestatie stuurt hij een product van eigen geest naar mij. Is er dan toch hoop voor een commerciëlere opzet van Dossiermoddergat? Deze ruilhandel vind ik erg prettig, maar ik kan natuurlijk ook advertorials gaan bloggen. Ik kan best gaan bloggen over onderwerpen waar mensen mij voor betalen.

Maar iets in mij zegt toch dat ik daar niet aan moet beginnen. Ik ben daar gewoon niet voor gemaakt. En Dossiermoddergat ook niet. Shit, berooid blijf ik weer achter.

Disclaimer. Mijn schrijven over Lulkoek is absoluut geen advertorial. Ik besteed aandacht aan zijn boek omdat ik het waardevol en grappig vind. Het boek zou verplichte kost op scholen moeten zijn. Dat voorkomt denk ik de zoveelste lading verdwaasde lieden. Onze monarchie is de kroon op onze tradities? Lulkoek. Boost je immuunsysteem en word gezonder? Lulkoek. Van beleggen moet je verstand hebben? Lulkoek.
Ik kan gewoon niet ophouden.

301

Journal

 

Homo Phantasticus

Zondag 11 september, Groningen

 

 

‘Er is geen mens die deugt,’ schreef de filosoof Arthur Schopenhauer. En ik zou daar aan willen toevoegen: ‘en hij is bovendien een dwaas.’ Het bewijs wordt geleverd door de hysterie rond de dood van de queen. Een oud besje overlijdt, wij zagen het al jaren aankomen, maar een groot deel van de wereld is ernstig geschokt: het zal nooit meer worden als tevoren’. O ja? Kan iemand mij vertellen wat de queen nou precies heeft gedaan buiten zwijgen? Noem één grote daad van haar?

De Volkskrant kopte zelfs ‘Elizabeth the Great’. Hallo, waar zit dat Great dan in? Onder haar koninginneschap is het Britse rijk verbrokkeld en weggevaagd als een zandkasteel in een branding. Grote kans dat, als ze een paar jaar langer had geleefd, ze ook Schotland en Noord-Ierland verloren had zien gaan. Ik weet dat ze daar niets aan kon doen, het verdwijnen van het kolonialisme, het was de loop van de geschiedenis.

Hoe kan het toch dat mensen altijd behoefte hebben aan machten die boven hen zijn gesteld? Ook al zijn het zelfverzonnen machten. Komt het door hun eigen leegte die moet gevuld? Is het de angst om alleen in de wereld te staan?
In plaats van homo sapiens zou de soortnaam van de mens eigenlijk moet luiden homo phantasticus. Zo vond Elizabeth dat ze een verbond met god had gesloten, dat zij tot haar dood het Britse rijk zou dienen. Verbond met god? Dat was dan wel een eenzijdig verbond. Van god heeft ze tot haar dood niets vernomen, daar durf ik mijn handen voor in het vuur te steken, en ook daarna zal ze niets van hem horen.

Wie zwijgt kan tot grote proporties groeien. Elizabeth blonk uit in zwijgen. De Amerikaanse schrijver J.D. Salinger deed na het schrijven van vier boeken hetzelfde en zowel Elizabeth als hij werden mythes. Omdat mensen geen vat krijgen op zwijgende mensen, fantaseren we ze tot mythe. Een mythe met een fel gekleurd hoedje op en dito mantelpakje aan. Aan de arm een handtasje geklemd.

Voor Buckingham Palace huilende mensen, een zee van bloemen. ‘Ik hield meer van haar dan van mijn grootouders,’ zei de een. De man van in de vijftig vreesde voor de toekomst, hij zou aan zoveel weer moeten wennen, hij wist niet of het hem zou lukken. ‘O ja, waaraan dan?’ ‘Dadelijk zullen we niet meer haar beeltenis op onze munt zien.’ Zo creëert ieder zijn eigen drama.

Dat die Engelsen ermee bezig zijn, oké. Maar zelfs in ons eigen armtierige landje zonder cultuur of empathie is het Elizabeth wat de klok slaat. Er staan hier in Groningen reclameborden waarop de queen wordt herdacht. De mens bedondert zichzelf om het leven wat fleur te geven. Middeleeuwse instituten, goddelijke verzinsels, een groot deel van ons mensen houden ze met liefde in stand. Homo phantasticus.

Valt hieraan te ontsnappen? Helaas, zie de mens. Voor wie, evenals ik, een tamelijke afkeer heeft van koningen, goden en dom gefantaseer kan ik als raad een zin van Friedrich Nietzsche meegeven: ‘Vlucht, mijn vriend, in de eenzaamheid.’

 

300

Journal

 

Baasjes

Zaterdag 10 september, Groningen

 

 

Baasjes. Bazen. Ik heb er in mijn leven heel wat ontmoet. Een baasje kenmerkt zich door zelfverzekerdheid. Er is weinig tot niets dat een baasje aan het twijfelen maakt. Een baasje is erg tevreden met zichzelf. Hij is ervan overtuigd dat hij veel, heel veel, tot misschien wel alles weet. In ieder geval heeft hij alles in de hand. Bovenal vindt een baasje zichzelf ongelooflijk belangrijk en weet hij zeker dat hij onvervangbaar is. Als de baas verdwijnt, is het leed niet te overzien.

Een baasje wenst zo min mogelijk tegenspraak, hij heeft genoeg aan zijn eigen spraak. De baas draagt het liefst een pak. Om met Jan Greshoff te spreken: ‘Zo onmiskenbaar ziet men aan hun kleren, dat zij rechtvaardig zijn, terwijl de plicht die edele lijnen groefde in hun gezicht.’ Een baas boetseert zichzelf. Hij wordt OSM, Ons Soort Mensen, diepe stem, zorgvuldig formuleren, geen onvertogen woorden, ingetogen bewegingen. Een baasje heeft zich volledig in de hand. Hij weet dat beheersing een belangrijke eigenschap is en dat je nooit het achterste van je tong moet laten zien. Het achterste van de tong kan je zwak maken, het is de achilleshiel van het baasje. En onberispelijkheid, ook niet te onderschatten.

Een baasje begeeft zich graag in kringen van serviceclubs, zoals de Rotary. Daar ontmoet het baasje namelijk andere baasjes. Zij begrijpen elkaar en zijn nooit te beroerd om elkaar een handje te helpen. Erg handig voor baasjes om voorrang te krijgen bij een specialist en natuurlijk staat daar, vent, een wederdienst tegenover. Noblesse oblige. Vriendschappelijke klap om de schouder.

En bij zo’n Rotary kan het baasje laten zien dat hij best sociaal is en maatschappelijke geëngageerd. Dat hij zich soms ten dienste stelt van de gemeenschap, is hij zelf erg tevreden over. Gezien zijn functie voelt hij zich daartoe ook wel verplicht. Een baasje weet hoe de hazen lopen en je kunt daar de medemens enorm mee helpen. Cheers! Hij houdt er soms een mooie toespraak. Veel omhaal, natuurlijk. Dat heet eruditie. Daarna applaus. Baasjes bevestigen andere baasjes.

Een baasje wordt uiteindelijk de perfecte boomer. Eenmaal baasje af, blijft hij in innerlijk en uiterlijk uiteraard altijd nog een baas. Vroeger, vroeger. De boomer weet alles van vroeger. Vooral omdat het baasje toen nog een echte baas was. Zijn stem klinkt steeds gewichtiger. Een baas spreek je niet tegen, een boomer helemaal niet, want een boomer weet alles, en dat alles ook nog eens beter. Vroeger, in zijn tijd, luister nou eens goed, was überhaupt alles beter. De mensen hadden nog respect voor elkaar, er was nog een sociaal verband. Tegenwoordig. Och, was hij nog maar actief. Hij zou het wel weten. Daar is hij van overtuigd. Chin chin, Amices. Courage!

299

Journal d’images

 

Future

Vrijdag 9 september, Groningen

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

 

De ambachtsman

Mijn dagtaak is het afbikken
van aangekoekte tijd.
Het is een oud ambacht,
overgeleverd van vader op zoon,
alhoewel mijn vader het ambacht
helaas niet beheerste.
Mijn vader was een roker, hij
verzamelde sigarettenkokers en geld.

Elke dag verwijder ik de tijd uit
mijn ogen en mijn mond. Zorgvuldig
peuteren, pulken, draaien en wroeten.
De ogen moeten open. De dingen
moeten blinken. Poetsen, polijsten.
Eigenlijk geen idee waarom. Het heeft
met een eeuwenlange traditie te maken,
familietrots -een regionaal product.

Schelpen, schimmels, roest en andere
overbodige gedachten dienen op
hardhandige maar vakkundige wijze
te worden verwijderd. De ambachtsman
is alleen tevreden als de blik schoon is,
de woorden vers en de geluiden doorzichtig.
Vooral gedachten vergen zorg, de tijd breekt
hen keer op keer op brute wijze kapot.

De werkplaats is een koninkrijk voor
de ambachtsman. Dat is bekend. Hij streelt
zijn instrumentarium, zet het in de olie,
poetst het zelfs als het niet nodig is. Liefde
is een probaat middel tegen tijd. Oud principe.
Het gereedschap hangt keurig op volgorde van
belangrijkheid en grootte -blindelings te pakken.
Dit zijn dingen om nooit te vergeten, mijn zoon.

298

Journal

 

Frikandel

Woensdag 7 september, Groningen

 

 

Er bekruipt mij een unheimisch gevoel. In Nederland wonen ging altijd gepaard met een gevoel van zekerheid, hier zijn de zaken tenminste goed geregeld. Maar dat gevoel begint me te verlaten. Welk onderwerp je ook neemt, overal lijkt de rot in te zitten. Het lijkt wel alsof iemand gif in onze samenleving heeft gespoten en dat de boel aan het rotten is.

Ik maak me vooral zorgen over de inflatie. Ik geef toe dat eigenbelang daarbij zeker een rol speelt. Met een gerust hart ging ik mijn levensfase als ouwe lul in. Met de combinatie van AOW, pensioen en wat spaargeld leek een zorgeloze periode aangebroken. Niet lang nadat ik besloot te stoppen met werken, begonnen de inflatiecijfers op te lopen, met als voorlopig dieptepunt een inflatiecijfer van 12%. Tsja, met zo’n percentage kun je je niet zeker voelen.

In vroegere tijden konden we op Nederlands niveau het een en ander bijsturen. Tegenwoordig zijn we afhankelijk van het monetaire beleid van Europa, dat de afgelopen jaren als een gek de inflatie bewust heeft aangewakkerd. Nou, ze hebben hun zin gekregen. Probleempje daarbij is dat je inflatie onder andere bestrijdt met renteverhogingen. Renteverhogingen zijn echter een bedreiging voor de zwakkere landen in de EU, die dan voor onoplosbare schulden komen te staan. Het is zo’n beetje kiezen tussen het redden van mijn pensioen en een nieuwe Euro-crisis.

Werkelijk alles is nu in crisis: klimaat, stikstof, asielbeleid, energierekening, complotdenkers, boeren. Het is onvoorstelbaar, maar zelfs voor de frikandel dreigt een crisis. Binnenkort schijnt deze winstmaker van de horeca niet meer leverbaar. Een van de oorzaken: te duur vlees.

Ik geef hierbij toe dat het eten van een frikandel een guilty pleasure van mij is. Vroeger at ik ze in tamelijk grote mate, naargelang ik verstandiger ging eten werd het minder, nu is het een zeldzame delicatesse. Heel soms, en dan bedoel ik, echt heel soms (ik schat 2x per jaar), halen Wyb en ik iets bij de snackbar. In die zeldzame gevallen permitteer ik me nog wel eens een frikandel. Dat levert altijd een zuinige blik van Wyb op die daar niets van begrijpt, maar ja, oude gewoontes zijn moeilijk te doorbreken.

Degenen die dit met verontwaardiging lezen, kan ik geruststellen met de mededeling dat Wyb en ik nauwelijks nog vlees eten. Zeker sinds die boerenterreur gun ik die boeren niets meer. Mijn vleesgebruik is al weken nihil en zelfs voor de koffie zijn hier de eerste pakken havermoutmelk binnengebracht. We zullen ze krijgen die boeren.

Met deze consumptietransitie doe ik iets voor het klimaat, de stikstofrreductie en hopelijk dus die boeren een tik op hun vingers geven. Nou weet ik wel dat het verbeteren van de wereld niet bij jezelf begint. Maar ja, idealisme moet toch altijd gepaard gaan met een gezonde dosis naïviteit.

Nu nog kijken hoe ik de inflatie te lijf ga, dat is vast een stuk lastiger.

297

Journal

 

Winnetou

Maandag 5 september, Groningen

 

 

Uitgeverij Meulenhoff heeft laten weten dat het stopt met het uitgeven van de boeken van Karl May over Winnetou en Old Shatterhand. De Duitse Uitgever Ravensburger van Karl May had hier al eerder toe besloten. Binnenkort dus geen Winnetou meer. Volgens Ravensburger worden door de boeken mensen gekwetst. De uitgeverij verklaart: ‘We zijn tot de conclusie gekomen dat de onderdrukking van de inheemse bevolking geromantiseerd wordt en met veel clichés wordt omgeven.’

Bij het lezen van deze verklaring realiseer ik mij dat ik met verderfelijke literatuur, sorry, lectuur, ben opgegroeid. Winnetou was een jeugdheld van me, ik heb zijn boeken verslonden. Hetzelfde geldt voor de boeken van Puk en Muk. Ook die zullen niet van smetten vrij zijn. Puk en Muk in Afrika en Puk en Muk in China zullen vast bol hebben gestaan van de clichés en racistische opmerkingen. Tenminste, dat vrees ik. Ik heb de boeken nooit herlezen.

Op het gevaar af gecanceld te worden door mijn woke broeder en zusters (slijm, slijm) vind ik het nogal wat om boeken te veroordelen tot de censuur op grond van één kwaliteit: het wel of niet politiek correct zijn.
De boeken van Karl May en Frans Fransen, de schrijver van Puk en Muk, hebben namelijk zoveel andere kwaliteiten waar blijkbaar achteloos aan voorbij wordt gegaan. Ik verdedig die kwaliteiten omdat ik veel aan de boeken te danken heb. Ze hebben mij namelijk al vroeg in mijn leven geleerd hoe sterk de kracht van verbeelding is, hoe ongelooflijk fijn het is om te lezen, hoe waardevol het is om meegevoerd te worden in fantasie.

Ik heb ontzettend veel tijd doorgebracht met Winnetou. Met hem en Old Shatterhand heb ik zo’n beetje heel Amerika doorkruist. Ik heb met hen door bossen gedwaald, wilde paardenritten over prairies meegemaakt, mensen bevrijd, gevochten tegen vele slechteriken. Want gelukkig stonden Winnetou en Old Shatterhand altijd aan de Goede Kant van de mensheid. Het Goede overwon altijd Het Kwaad. Impliciet brachten de twee mij zo nog wat onderscheidingsvermogen bij.

Eigenlijk heb ik door al deze verderfelijke lectuur de wereld leren kennen. Met Puk en Muk reisde ik zo’n beetje de hele wereld over en zelfs naar de maan. De verbeelding kent geen grenzen, kwam ik achter, wat voor mij een fantastische ontdekking was. Tot de schoolmeesters en de frikken opstonden en met hun rode potloodjes en hun politieke correctheid een streep door de boeken zetten.

Tienduizenden kinderen, honderdduizenden denk ik zelfs, zijn opgegroeid met het sympathieke Apache-opperhoofd en zijn zilverbuks en niet te vergeten zijn slimme paard Iltshi. Zijn al die kinderen in politiek opzicht beïnvloed door deze verderfelijke lectuur? Zijn het rechtse, racistische figuren geworden met een minachting voor indianen? Ik weet zeker dat Winnetou bij velen de belangstelling voor de indianencultuur juist heeft gestimuleerd, in plaats van minachting voor indianen zorgden de boeken voor sympathie.

Maar ja, ze waren wel geromantiseerd en met clichés omgeven: weg ermee. Ik snap dat inzichten veranderen, maar om het leesplezier van eerdere generaties te veroordelen tot de prullenbak vind ik doorgeslagen correctheid. De wereld is heerlijk simpel voor wie zwart-wit denkt.

Boomer! Boomer! Boomer!

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

We zoeken de laatste rustplaats op.
De merels zingen in wuivende bomen.
Daar doorheen het schuifelen van
voetstappen, het vullen van een gieter.

De rij vormt een cirkel rond een kuil.
Hij schommelt in touwen naar
het donker. Hier en daar denkt iemand
terug in de tijd. De tijd, och, die tijd.

Woorden trekken stilte en een lach. Zo
was hij. Dan gaan de mensen uit elkaar.
Nooit komen ze meer samen. Een rustplaats
verbreekt een verzameling. Dat heet verdriet.

296

Journal d’images

 

Vogelhut

Zondag 5 september, Groningen

 

Eindelijk weer eens met telescoop en verrekijker op stap. Een sentimental journey. Langs het Reitdiep naar het Lauwersmeer. Kluten, steltkluten, kemphanen, grote stern, brandganzen, kolganzen, grutto’s, tureluurs, bruine kiekendief. Daarna na de haven van Lauwersoog op het dak van ’t Ailand zitten en uitkijken over het wad. Dan door naar Moddergat. Er liep een vreemde man het tuinpad op naar ons voormalige huisje. Dat blijft wennen.

Journal

 

Zelfcensuur

Zaterdag 3 september, Groningen

 

 

Ik heb in mijn leven best lef gehad, durf ik te beweren. Ik heb stappen genomen waarbij ik mijn hart vasthield: als dat maar goed gaat. Het geluk was vaak met mij. Opmerkelijk vaak ging het goed, al was het op het nippertje.
Wie veel risico neemt, en dat risico loopt goed af, is geneigd om nog meer risico te nemen. Ik vermoed dat dit bij mij ook het geval was. Manmoedig overschreed ik grenzen onder het motto: een mens moet durven.

Laat ik eerlijk zijn, vandaag loop ik tegen een grens aan die ik niet ga nemen. Al krijg ik er meteen een laf gevoel bij. Een paar weken geleden was ik op de markt van Monpazier, een plaatsje vlakbij Cadouin. Natuurlijk had ik mijn fototoestel bij me. Ik stond te wachten voor een winkel waar Wyb met ons logeetje souvenirs uitzocht.

Terwijl ik sta te wachten komt een keurig gezin met een stuk of wat kinderen voor de winkel staan. De moeder is buitengewoon streng. De kinderen hebben ballonnen in hun hand. ‘Houd alsjeblieft die ballonnen tegen je aan dat andere mensen er geen last van hebben.’ ‘Ga elkaar nou niet slaan met de ballonnen.’ ‘Pas op voor dat metalen staafje dat je elkaar niet in de ogen prikt.’ Zo gaat ze maar door.

De kinderen kijken elkaar aan en ik zie ze denken: wat zit ze weer te zeuren. Als ze even niet kijkt, petst een jongen zijn zusje met zijn ballon tegen het hoofd. De moeder heeft niets door. Ze lachen haar achter haar rug uit.
De vader en moeder verdwijnen met de kleinste naar binnen. Met belangstelling blijf ik kijken. Ik sta voor de etalage, probeer me zo onzichtbaar mogelijk te maken en wacht af hoe dit zich zal ontwikkelen.

Ik moet nog even iets vertellen over die ballonnen. Even daarvoor heb ik er al een opgemerkt. Een man zit op een stenen bank op zijn vrouw te wachten. In zijn hand een ballon in de vorm van een penis. Tenminste, het lijkt een geribbelde piemel met daarop een stevige eikel. De man zwaait gedachteloos  met de piemel op en neer.

Ik ben niet de enige die deze associatie heeft, blijkt al snel. De vader en moeder van het gezin zijn nog niet binnen of hun keurige zoontje, elf, twaalf jaar oud, houdt de ballon als een piemel voor zijn kruis en maakt wat obscene bewegingen. Ik kan dit beeld perfect fotograferen, snel en onopgemerkt, zoals ik steeds meer een onzichtbare fotograaf word.

Eenmaal thuis blijkt de foto prima gelukt. De jongen doet wat ik vroeger vermoedelijk ook heb gedaan. De seksualiteit moet nu eenmaal worden ontdekt en er zijn diverse spelletjes voor die door velen van ons gespeeld zijn, al zullen we het daar nooit over hebben.

Ik vind het een prachtige foto. Met plezier zou ik hem op Dossiermoddergat willen plaatsen. Maar dat ga ik niet doen. Dit is geen tijd waar je kinderen kunt fotograferen met seksuele verwijzing. De keurige vader en moeder, zich van niets bewust wat zich buiten afspeelt, zouden woedend zijn en mij aanklagen. Deze prachtige foto blijft in mijn map Index librorum prohibitorum zitten. De map is genoemd naar de lijst die het Vaticaan hanteerde voor katholieken verboden boeken. Ik moet mij erbij neerleggen dat we in een preutse en benepen tijd leven. Gewoon een gevalletje dus van onvervalste zelfcensuur.

Journal d’images

 

Summertime…

Vrijdag 2 september, Groningen