Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Ezel

Donderdag 21 maart, Saint-Hippolyte-du-Fort

Toch opmerkelijk hoe fysieke afstand tot geestelijke afstand leidt. Verkiezingen in Nederland en ik kijk er met de ogen van een buitenstaander naar. Komt ook omdat Wyb onze stembiljetten naar de prullenmand heeft verwezen in de veronderstellingstelling dat we toch in het buitenland zitten en niet kunnen stemmen. Het betekent dat ik voor het eerst in mijn leven geen stem uitbreng. Laat duidelijk zijn: de overwinning van Groen Links zou nog groter zijn geweest.
Met enig ongeloof zie ik dat Baudet een overwinning boekt. Mijn tijdlijn staat vandaag bol van verontwaardiging. Een oude kennis van me zet een post op Facebook: je moet maar eens kijken wat Baudet in het Frans betekent. Ezel. Een beetje een flauwe post, maar ik begrijp de frustratie.
In mijn bubbel lijkt het alsof Nederland totaal gaat veranderen en de retoriek van Baudet draagt daar toe bij. Ik raad iedereen aan goed de overwinningsspeech van Baudet te lezen. Dan lees je toch de woorden van iemand die zichzelf over het paard heeft getild en vervolgens op hol slaat. Citaatje: ‘We zijn naar het front geroepen.’ En meer van dit soort onzin. Nog een citaat: ‘Maar in al dat ongeloof, in dat immense vacuüm, dat culturele en spirituele vacuüm, is tegelijkertijd haast ongemerkt een grandioze ketterij binnengedrongen. Een nieuwe immanente religie, een politieke theologie. De leden van het kartel, ze geloven in niets. Maar vereren tegelijk een afgod, genaamd transitie.’ Kun jij hier chocola van maken? Het is de totale onzin van een nepintellectueel, een poseur, verdwaald in zijn eigen interessantheid. Baudetje, je hebt maar 14,4% van de stemmen gekregen. En die heb je gekregen omdat het politieke landschap totaal versplinterd is. 14,4%, het stelt niks voor. 85,6% heeft niet op Baudet gestemd. Mijn bubbel doet alsof een revolutie heeft plaatsgevonden.
Ik weet nog dat ik Baudet voor de eerste keer op televisie zag. Ik had dezelfde ervaring als toen ik voor de eerste keer de Hoop Scheffer op televisie zag. Ik dacht dat ik naar een typetje van Kooten & de Bie keek, een parodie, een schertsfiguur, een windvaan. Maar verdomme, een deel van de Nederlandse kiezers ging nog in ze geloven ook.
Deze verkiezingen maken één ding duidelijk: een deel van Nederland is knettergek. Het zijn provinciale verkiezingen en in slechts één provincie heeft Baudet een verkiezingsprogramma. In alle ander provincies weten de kiezers totaal niet waar Baudet voor staat. Niet Baudet is de ezel, de kiezer is de ezel. De kiezer gaat af op hypes en denkt via de onderbuik. Als deze verkiezingen iets duidelijk maakt, is dat de domheid overheerst. Ze maken tevens duidelijk dat democratie gevaarlijk is, onverantwoorde kiezers leiden tot onverantwoorde politiek. De kiezer heeft niets door, is zelfs tevreden, de onderbuik is bevredigd.

Gevonden

Donderdag 21 maart, Saint-Hippolyte-du-Fort

Mediawereld

Woensdag 20 maart, Saint-Hippolyte-du-Fort

Een mens leert soms dingen die hij al lang weet. Cryptische zin. Ik zal het uitleggen. Al een paar jaar luisteren we in de auto naar onze Apple albumverzameling. Het is zo eenvoudig, je maakt een bluetooth verbinding met de autoradio en al je lievelingsnummers dreunen door de auto. Ik vind het een enorme uitvinding.
Een vriend van mij is een verzamelaar pur sang. Twintig jaar geleden al had hij zo’n grote platenverzameling dat hij tot zijn dood al die platen niet meer kon afluisteren. Voor hem geen enkele reden om te stoppen met verzamelen. En zo hoort het ook. Het feit dat er in zijn huis meer plaat en boek dan muur was te zien, was evenmin een reden om te stoppen. Was een platenverzameling vroeger misschien een ruimtelijke belasting, tegenwoordig stop ik die hele platenverzameling van hem in mijn broekzak. Sterker, ik stop zo’n beetje de hele muziekgeschiedenis in mijn broekzak. Door Spotify is er nauwelijks een nummer te vinden dat niet direct tot mijn beschikking staat. Een genot voor iemand die veel reist.

Pas toen wij op weg naar Frankrijk waren, zegt Wyb: ‘Zouden we ook NPO1 kunnen ontvangen?’ Door die vraag gaat bij mij pas het lichtje branden. Natuurlijk kan dat, als je Spotify op je autoradio kunt toveren, kan dat bij NPO1 zeker. Ik pruts was met apps en ja hoor, midden in Frankrijk, onbereikbaar voor de Nederlandse zendmasten, klinkt de vertrouwde stem van het NPO Nieuws.
Een beetje dom dat we daar nu pas aan denken. Ik ben er wel verrekte blij mee want Wyb heeft een voorkeur voor Franse radiozenders met van die slechte niksmuziek. Noem een Franse plaat en Wyb weet wie het uitvoert. Goed beschouwd is Wyb mijn Shazam. Een paar noten en Wyb weet waar ik naar luister.

Wyb kan meer. Gisteren schreef ik al dat we in het hele huis de beschikking over wifi hadden. Orange legde daarvoor de basis maar toen de monteur weg was, bleek dat we door de dikke granietmuren van het huis slechts in een deel wifi hadden. Er volgde een bliksemactie, we reden naar Alès en kochten daar een routerversterker (geen idee of dat ook zo heet). Omdat er op dit gebied meestal van alles fout gaat, had ik geen enkel vertrouwen in de werking. Gelukkig heeft Wyb het geduld om met dit soort systemen te puzzelen en verdomd, vanavond kan ik ook naar De Wereld Draait Door en het Journaal in onze huiskamer kijken.

Het alles heeft wel tot gevolg dat we hier midden in Frankrijk volop de Hilversumse mediawereld kunnen volgen, per radio en per televisie. Wat een genot. Op deze manier hebben we het beste van twee werelden. Het goede leven van Frankrijk, het nieuws van Nederland. Dit zal vast een negatieve invloed hebben op mijn integratie hier.

Pavlov

Dinsdag 19 maart, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik heb last van het effect van Pavlov. Pavlov was een Russische fysioloog die constateerde dat honden begonnen te kwijlen zodra ze door hadden dat ze op korte termijn te eten kregen. Hij ontdekte de klassieke conditionering, belangrijk voor zowel beest als mens. Voorbeeldje. Kinderen huilen niet als ze voor de eerste keer een tandarts met een boor zien. Maar na een behandeling beginnen ze al te huilen als ze alleen al de tandarts zien. Met andere woorden: men ziet iets wat men kent en reageert daar bij voorbaat op zoals bij eerdere ervaringen.
Ik ben in mijn leven talloze keren in Frankrijk op vakantie geweest. In Frankrijk staan Nederlanders er om bekend dat ze Frankrijk beter kennen dan de Fransen zelf. In mijn geval klopt dat wel. Ik heb zo’n beetje alle departementen gezien. Hierdoor ben ik stevig geconditioneerd: Frankrijk is voor mij vakantie. Gevolg: nu ik in Frankrijk ben, heb ik voortdurend idee dat ik vakantie heb. Wat absoluut niet het geval is. Maar ja, neem de zon, een bezoekje zondag aan een brocante, mooie wijnen, lekker eten, een landschap dat ik alleen ken van vakanties, dat alles draagt er niet toe bij dat je er van overtuigd wordt dat je hard moet werken.

En dat moet wel. Emigreren gaat niet zomaar, er moet wat worden geregeld, merk ik. Een paar voorbeeldjes: de auto moet Frans worden gemaakt, de zorgverzekering omgezet, er dienen vergunningen aangevraagd, een heel huis moet op orde worden gemaakt, bankzaken dienen geregeld en zo zou ik nog even door kunnen gaan. In feite geen enkele reden om een vakantiegevoel te hebben. Integendeel. En toch wil het idee maar niet uit mijn hoofd dat ik vakantie heb. Pavlov dus.

Als we buiten in de zon zitten te ontbijten, is het moeilijk niet een derde kop koffie in te schenken. Die luxe kunnen we ons niet permitteren. Er moet worden gewerkt, afspraken gemaakt, dingen geregeld. Ons appartement, daar ben ik nu al achter, zal meer kantoor dan woonruimte zijn. Vandaag hebben we alle benodigde vergunningen geregeld en hebben we, wat een feest, goed werkende wifi. Het to do lijstje is nog lang, maar we kunnen steeds meer wegstrepen. Nog even en de gasten kunnen komen.

Naast die ambivalentie tussen vakantie en werk zijn Wyb en ik er steeds meer van bewust dat we de aankomende tijd intensief met elkaar zullen samenwerken. Zo ben ik wat verbaal communiceren betreft nog volledig afhankelijk van Wyb. Ik heb geen idee hoe al die mensen in het televisieprogramma Ik Vertrek het rooien zonder de taal te spreken. Zonder Wyb zou ik meteen de TGV naar Amsterdam nemen. Frankrijk is best een taai land wat instituties betreft. Daar kun je alleen verbaal doorheen baggeren. Ik ben hier een hulpeloos stamelend kind. Zonder Wyb zou ik door mijn gebrekkige Frans verdwalen in regels en dingen die fout lopen.

Gevonden

Dinsdag 19 maart, Sauve

Goden

Maandag 18 maart, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik weet niet wat de goden bezielden. Het kan zijn dat ze boos waren omdat we het land gingen verlaten. Voor ons huis stond een trailer die we moesten pakken. Vanaf het moment dat we met de eerste verhuisdoos naar buiten liepen, begon het gemeen te miezeren. Zo’n regen die niks lijkt, maar waardoor je toch hartstikke nat wordt, waardoor er van die straaltjes water via je kraag op je rug lopen.
‘Laten we even wachten, het zal zo wel droog worden,’ zei Wyb nog.
Niks daarvan. Steeds als het even droog was en wij met een doos naar buiten liepen, sloegen de goden weer toe. Van woensdag tot ons vertrek op vrijdag was het raak. Nat, nat, nat.
Ik weet niet wat de goden ons precies wilden vertellen. Waren ze verdrietig dat we vertrokken? Of waren ze juist boos? In ieder geval was het voor ons een prima stimulans om te gaan. Waarom zouden we in godsnaam in een land met dat takkenweer blijven wonen?
De goden in Frankrijk waren eenduidig in hun stemming. In alles lieten ze ons weten dat we meer dan welkom waren. Strak blauwe lucht, een heerlijk zonnetje, 22 graden. Letterlijk een warme ontvangst.

Ik moet niet te stoer doen. Met weemoed verliet ik de Bosrand. Weg mijn uitzicht, weg mijn veilige bestaan in de Drentse natuur, weg fijne buren. Oude, sentimentele man, moest zelfs een traan laten. Ik kan overal wonen, heb ik altijd gezegd. En ik denk dat het waar is, maar dat wil niet zeggen dat ik me niet hecht. Aan elke plek waar ik woonde, en dat zijn er vele, hangen herinneringen. Een enkele keer  is de combinatie plek met mij niet optimaal, meestal echter wel en zou ik er altijd kunnen blijven wonen.
Den Bosch en ik, gouden duo. Arnhem en ik, prima combinatie. Lhee en ik, wij waren voor elkaar gemaakt. Waarom ga je dan elke keer weer weg, vraagt de nuchtere Nederlander zich af. Dat is altijd door een combinatie van factoren, de basis zal mijn onrustige ziel zijn. Ik vind het leven te kort om op een plek te blijven wonen. Door op diverse plekken te wonen, heb je de illusie dat je verschillende levens hebt.

En de combinatie Saint-Hippolyte-du-Fort en ik? Buiten die zonnige ontvangst zijn de eerste tekenen prima. Vermoedelijk omdat we er al een paar keer zijn geweest, voelt het huis en het stadje vertrouwt. We hebben vandaag afscheid genomen van Erik en Ed onze verhuizers. En vieren bescheiden de verjaardag van Wyb. Die bescheidenheid heeft alles met vermoeidheid te maken. De meeste van onze spullen moesten naar ons appartement dat drie hoog in de nok van Les Trois Comtes ligt. Mijn stappenteller geeft aan dat ik gisteren 110 verdiepingen heb gelopen en dat met zware bepakking. Voor de jarige die nu op de bank ligt te slapen geldt hetzelfde. En ja, laten we eerlijk zijn, als je 50 bent geworden, gaan de jaren tellen.
Sinds afgelopen dinsdag hebben we helemaal niet meer over theater gesproken. Ons nieuwe leven is een feit.

Gevonden

Maandag 18 maart, Saint-Hippolyte-du-Fort

Radar

Donderdag 14 maart, Lhee

Ik verdwijn even van de radar. Verhuizen is een vijand van bloggen. Het schema ziet er als volgt uit. Vandaag verder inpakken. Morgen de verhuiswagens laden en proberen Beaune te halen waar we een hotel hebben gereserveerd, we zijn dan over de helft heen. Zaterdag verder rijden naar Saint-Hippolyte-du-Fort waar we dezelfde dag aankomen. Vervolgens kan het Grote Uitpakken beginnen.

Wifi hier in Lhee koppelen we morgenvroeg af. Daarna het afscheid van het huis waar we met zoveel plezier hebben gewoond. Afscheid van de buren en het uitzicht. In de loop van de volgende week hoop ik weer eens een blogje te kunnen schrijven, maar voor nu gaan de zaken voor het meisje.

Gevonden

Donderdag 14 maart, Utrecht/Lhee

Verhuishuis

Dinsdag 12 maart, Lhee

Een thuis zijn is het hoogste wat een huis kan bereiken. Vijf jaar lang was ons huis aan de Bosrand zo’n huis. Achter ons huis de uitgestrekte bossen, voor ons de landerijen, ver weg achter die landerijen het dorp Dwingeloo. Voor ons het landweggetje dat naar de bewoonde wereld leidt.

Het huis is nu al geen thuis meer. Het huis is nu een verhuishuis, een huis in aftakeling. Dozen stapelen zich tegen muren die steeds kaler worden. De rust is uit het huis. Voor de openslaande deuren, waar ik altijd voor stond te dromen en naar de tuin staarde die in die vijf jaar niet is veranderd, staan binnen dozen. Buiten staat de paardentrailer waar we morgen de dozen in gaan opbergen. De trailer zal ons met een Peugeot bus naar Frankrijk brengen.

Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voordat we in Frankrijk kunnen zeggen: ‘Mooi, we zijn gesetteld. Het huis is nu een thuis.’ Voordat we al die dozen weer hebben uitgepakt, zijn we weken verder vrees ik. De meeste dozen moeten we drie verdiepingen hoger brengen via een koninklijke wenteltrap. Een trap die gelukkig makkelijk loopt.
Eenmaal boven is het uitzicht wezenlijk anders dan het uitzicht aan de Bosrand. We hebben zo’n beetje het hoogste huis van Saint-Hippolyte-du-Fort en kijken vanuit ons appartement over het dorp uit. Meteen tegen het dorp aan liggen de heuvels van de Cevennen. Ik verheug me erop mijn vogelkijker te installeren en de heuvels dichterbij te halen.

Ondanks dat we het huis wreed aftakelen, valt deze verhuizing me makkelijker dan andere verhuizingen. Bij de verhuizing van Den Bosch naar Meppel hebben we ons zo’n beetje van de helft van onze bezittingen ontdaan. Daar plukken we nu de vruchten van. Komt bij dat we in de afgelopen weken opnieuw een stevige selectie hebben gemaakt en alweer veel bij het grofvuil ligt.

Een grote hulp bij onze verhuizing is het Nederlandse weer. De paden in het bos achter ons huis zijn veranderd in modderpoelen. Het uitzicht over de velden ademt alleen somberheid. Donkere luchten leveren druiligere buien af. Wenkend perspectief: als we zaterdag in Hippolyte aankomen is het 22 graden, zegt de weersverwachting. De lezer van Dossiermoddergat is natuurlijk altijd welkom in Saint-Hippolyte-du-Fort. Voor wie daar meer over wil weten: www.lestroiscomtes.nl.

Gevonden

Dinsdag 12 maart, Lhee

Mildheid

Maandag 11 maart, Lhee

Mildheid. Ik weet niet hoe het komt maar ik heb het woord de afgelopen tijd zo vaak gebruikt. Voordat ik het me realiseer ligt het woord in mijn mond. Ik denk dat het een symptoom van ouder worden is. Vroeger was ik verdomme nooit mild en nu druipt de mildheid uit mijn denken. Jammer. Het is veel leuker om niet mild te zijn. Maar ja, op een gegeven moment verandert dat en zie je dat mildheid toch het verstandigst is. Is het leuk om verstandig te zijn? Meestal niet. Neemt niet weg dat verstandig zijn het meest verstandigst is.

Jarenlang, vrijwel een leven lang, noemde ik Jacques mijn beste en oudste vriend. Helaas maken jaren alles vaal, zelfs vriendschappen. Toen ik ooit ging scheiden, ook alweer jaren geleden, maakte Jacques als eerste reactie een scherpe analyse. Ik zou de helft van mijn vrienden verliezen, ik zou de helft van mijn bezittingen verliezen en meer van dat soort zaken. Ik zou reduceren tot een half mens. Dat hij zelf tot de helft ging behoren van de vrienden die ik verloor had ik nooit gedacht. Maar zelfs het meest onvoorstelbare gebeurt, weet elke schrijver van fictie.

Jacques, die ik ooit leerde kende als Sjaak, was verreweg mijn oudste vriend. We leerden elkaar kennen op de eerste dag van de middelbare school en ontdekten samen het leven. Hoogtepunten en dieptepunten het maakte niet uit, wij ontdekten het samen. Inmiddels kennen we elkaar vijftig jaar. Een belachelijk lange periode, vinden we zelfs. Al kende onze vriendschap dus een kleine pauze.

Vandaag is op instigatie van Jacques het contact hersteld en kan ik Jacques weer mijn oudste vriend noemen. In Deventer bracht mildheid ons tot elkaar. We lopen niet te hard van stapel. We besloten in ieder geval elkaar weer op onze verjaardagen te bellen, een goed begin, vind ik.
Mooi ook dat een paar dagen voor mijn vertrek naar Frankrijk onze vriendschap enigszins wordt rechtgezet. Je verleden moet je koesteren, iedereen heeft maar één verleden en daar moet je niet slordig mee omspringen. Tenminste, dat vind ik een goed uitgangspunt. Alleen merk ik dat zelfs een verleden vaal kan worden. Vroeger was ik gek op mijn verleden en dat is een stuk minder geworden. Het verleden werd steeds minder belangrijk, ook al baalde ik daarvan. Met mildheid probeer ik het nu weer wat op te frissen, hopelijk werk het.

Gevonden

Maandag 11 maart, Deventer/Lhee

Sun

Zaterdag 9 maart, Lhee

Zaterdagavond dan echt onze laatste voorstelling, Kin. Een Engelse acrobatiek gezelschap uit de nouveau cirque school. Ik moest vroeger niets van acrobatiek hebben, ik vond het saai en voorspelbaar. Maar het is ongelooflijk hoe old school circus zichzelf uit zijn haren uit het moeras heeft getrokken. Circusacts hebben zichzelf opnieuw uitgevonden door theater te worden, hun acrobatiek te vermengen met dans, performances en muziek. Ook deze voorstelling is weer verrassend en mooi. Ze kunnen zo in de grote voorbeelden Cirque Plume en Cirque Soleil gaan werken.

Wyb en ik realiseren ons dat dit echt de laatste voorstelling is. Geen idee wanneer we weer in het theater zitten. Ik sluit vier decennia intensief theaterbezoek af. Einde verhaal. Ik heb geen idee of ik het ga missen. In die vier decennia ging ik er vaak met tegenzin heen. Maar ik heb ook genoten, neem vanavond. Of ik zelf naar deze voorstelling zou gaan als hij niet in Ogterop stond? Ik denk het niet. We zullen het gaan zien.

Ik ben vanavond vooral gevoelig voor de muziek. Het een na laatste nummer is een openbaring voor me. Voordeel van muziek in het theater is dat het vaak keihard wordt afgespeeld. Ik ken het nummer niet, heb geen idee wie er zingt. Ik ben niet de enige die door het nummer wordt geraakt.
Na de voorstelling gaat Wyb naar de geluidstechnicus om te vragen van wie het nummer is. Het blijkt van Kathleen Emery te zijn. Nooit van gehoord. Als ik haar google blijkt dat ze maar één nummer onder die naam heeft uitgebracht op het label Jazzman. Haar opname dateert uit 1970. Ik hoor de woorden door de zaal knallen:

Sometimes I feel like a motherless child
Sometimes I feel like a motherless child
Sometimes I feel like a motherless child
A long way from home
A long way from home

Het laatste nummer van de voorstelling mag er ook zijn, het is nota bene Let the sun shine uit Hair. Mooi symbolisch einde. Wij naar de sun. Maar meer nog is de cirkel rond. Onder andere met deze muziek, de muziek van mijn jeugd, begon mijn interesse in het theater. Ik neem er nu ook afscheid mee. Let the sun shine.

Sometimes I feel like I’m almost gone
Yes, sometimes I feel like I’m almost gone
Sometimes I feel like I’m almost gone
Way up in the heavenly land
Way up in the heavenly land
(True believer)
Way up in the heavenly land
A long way from home
(Sometimes I feel like a motherless child)

Gevonden

Zaterdag 9 maart, Lhee

Bloemen

Vrijdag 8 maart, Lhee

De dagen rijgen zich aaneen en die dagen zijn weer een aaneen rijging van afscheid. Ik ben nog nooit zo intens bezig geweest met afscheid nemen. Of dingen voor de laatste keer doen. Zo gingen we vanavond naar een voorstelling van Orkater, ‘237 redenen om door te gaan’. Voordat de voorstelling begon aten we met Pien en Ed. We hebben hen in Meppel als trouwe bezoekers van Ogterop leren kennen en zijn inmiddels vrienden geworden. Opnieuw was dit een laatste avondmaal. Althans, in Nederland. Want we hebben goede hoop dat we Pien en Ed al in april in Frankrijk mogen ontvangen.

Het is een bijzondere avond omdat Wyb voor de laatste keer bloemen opbrengt na een voorstelling. Dat is bijzonder omdat Wyb en ik, alles bij elkaar genomen, de afgelopen dertig jaar elke week wel twee tot drie keer bloemen na een voorstelling hebben opgebracht om de theatermakers mede namens het publiek te bedanken en onze waardering uit te spreken.
Bloemen opbrengen is niet altijd even leuk, vooral omdat je vaak het einde van een voorstelling mist. Zo mist Wyb vanavond een grap van Leopold Witte. In een verhaal dat hij vertelt reisde hij van Spanje naar Nederland. Voor deze gelegenheid zegt hij: ‘Onderweg ga ik nog even langs de Cevennen om op bezoek te gaan bij een bevriend stel dat daar onlangs een chambres d’hôtes is begonnen.’ Het publiek, dat afgelopen weken in de plaatselijke pers is doodgegooid met ons verhaal, pakt de grap meteen op.

Vandaag dus voorlopig de laatste bossen bloemen die Wyb opbrengt, misschien wel voorgoed. Niemand die weet, wij ook niet, of dat ooit nog eens gaat gebeuren. Geert Lagerveen is op de hoogte van het bijzondere moment. Hij omhelst Wyb en nodigt de zaal uit om voor haar te applaudisseren. Zo zijn er elke dag momenten van afscheid.

De dag begon met een voor mij emotioneel afscheid. We rijden naar Leeuwarden om Henriette en Bertus nog een keer te zien. Bij Bertus, nog niet zo lang geleden gestopt met zijn huisartsenpraktijk, is onlangs dementie geconstateerd. Samen hebben we een half leven van herinnering opgebouwd. Ooit overwogen we samen een huis in Frankrijk te kopen. We hadden zelfs een mooie watermolen op het oog met een meertje. Het zal er niet van komen.

Moet constateren dat Dossiermoddergat door die enorme afscheidstournee steeds meer van kroniek een dagboek wordt.

Gevonden

Vrijdag 8 maart, Amsterdam/Lhee

Gade

Donderdag 7 maart, Lhee

Zoals bekend zit het bloggen bij ons in de familie. Mijn oom is een fanatiek blogger, zie www.roelofs.eu en mijn dochter is een semi-professioneel blogger, zie www.yourdailylife.nl. Mijn oom kaartte eergisteren een interessante kwestie aan. Hij schreef het volgende op zijn blog onder de kop ‘De Wybrich’, hierbij is het goed om te weten dat Gade staat voor Connie de echtgenote van mijn oom, mijn tante dus:

‘Door haar naam te gebruiken maakt Neef nauwelijks een scheiding tussen zijn echtgenote in het daagse leven en de Wyb uit zijn blogs. Dat is verschil tussen mijn en zijn blogs. Gade lijkt voor veel mensen een bekend figuur maar ik kan u verklappen dat zij niet de echtgenote van mij is. Zij is de echtgenote van de ik  uit mijn blogs. Die ik en ik zelf schuren dicht tegen elkaar aan, maar door het subtiele onderscheid tussen die twee heb ik toch de vrijheid om de blog-ik woorden in de mond te leggen die niet de mijne zijn en zo is Gade niet precies de zelfde als de vrouw met wie ik mijn leven deel. Zij lijkt er wel op, maar zij is het niet en zo mag ik Gade laten zeggen wat ik wil en dat is niet altijd het zelfde als wat de vrouw van de blogschrijver zegt of denkt. Toegegeven, het is een ragfijn onderscheid, maar juist dat flinterdunne verschil tussen blogpersonage en levend persoon geeft mij andere mogelijkheden dan puur het bijhouden van een dagboek, dat letterlijk beschrijft wat gebeurt. Nu is het, in ieder geval voor mij toch meer een kroniek met commentaar.’

Bij het lezen dacht ik: dat moet ik toch even rechtzetten. Mijn oom gaat er vanuit dat de Wyb in mijn blogs Wybrich is. Dat is toch echt een vergissing. Mijn Wyb is net zoveel Wybrich als zijn Gade Connie is. Zowel Gade als Wyb lijken erg veel op Connie en Wybrich maar zijn het niet. Een blog is een suggestie van de werkelijkheid, of anders geformuleerd: een manipulatie uit dingen die zich wel of niet in mijn realiteit hebben voorgedaan. Met mijn Wyb permitteer ik mij net zoveel vrijheid als mijn oom met zijn Gade. What’s in a name?

Vraag is waarom ik dan wel voor de naam Wyb kies en niet voor de naam ‘Mopsje’ of ‘Schat’ ofzo . Eigenlijk is het onderdeel van mijn manipulatie, ik maak het voor de lezer spannender (denk ik) door hem te suggereren dat hij dicht op mijn realiteit zit. In feite neem ik hem daarmee ook in de maling. De lezer van Dossiermoddergat heeft het idee dat hij mijn leven en denken volgt en dat is slechts zeer ten dele waar. Elke ochtend weer pik ik wat elementen uit mijn leven en rangschik ik die naar eigen goeddunken. Mocht iemand, evenals mijn oom, het idee hebben dat ik een dagboek schrijf, dan is dat een volstrekt fout idee. Dan zou Dossiermoddergat een buitengewoon slappe afspiegeling van mijn dagen zijn.

Andere vraag is dan waarom ik elke dag zo’n stukje schrijf. Om dat te beschrijven gebruikt mijn oom een bruikbaar woord, namelijk het woord kroniek. Van begin af aan heb ik de hoop dat Dossiermoddergat, vandaar ook de naam, een dossier vormt, een kroniek van zijn tijd, en dat gezien vanuit het perspectief van mijzelf. Ik hoop dat degene die over vijftig jaar Dossiermoddergat leest een indruk krijgt van de eerste decennia van dit millennium. Voor minder doe ik het niet. En ik zet mijn Wyb, en mijzelf, daar graag voor in.

Gevonden

Donderdag 7 maart, Lhee

Lunch

Woensdag 6 maart, Lhee

Een ding is zeker: verhuizen is slecht voor de creativiteit. Ik heb nog een toneelstuk liggen dat bijna af is. Sinds begin januari niets meer aan gedaan. De fotografie, af en toe schiet ik eens een plaatje. De onrust is te groot, er moet te veel worden geregeld en ook het afscheid neemt veel tijd.

Als je nagaat dat ik nu voor de vierentwintigste keer ga verhuizen en dat elke verhuizing toch gemiddeld ongeveer anderhalve maand gedoe oplevert en je normale leven tamelijk stil legt, dan betekent dit dat ik 36 maanden, dus liefst drie jaar, van mijn leven heb verprutst met bewegen van a naar b. Misschien klopt die anderhalve maand niet, dat hoop ik maar. In ieder geval vijzelt Frankrijk het gemiddelde aardig op.

Vandaag naar Amsterdam afgereisd om te fotograferen en te lunchen met Anne. Van fotograferen kwam niets omdat het met Anne te gezellig was. Voor dat lunchen hebben we al heel wat op en neer geappt waar we nou het beste konden lunchen.
Ik vermoedde dat Anne als Amsterdamse foodblogger zo wel een adres uit haar mouw kon schudden. Zelfs toen de trein bijna Amsterdam inreed, hadden we nog geen adres. Een paar suggesties van mij vindt Anne niks. Ik noem lunchgelegenheden die faam hadden in het vorige millennium. Anne weet uiteindelijk een prima adresje.

Het adresje blijkt uiteindelijk erg tegen te vallen. De meneer die ons ontvangt, gunt ons ternauwernood een blik. De porties die we krijgen staan in geen verhouding tot de prijs. We besluiten nog maar een kaasplankje te nemen om enigszins bevredigd het pand te verlaten.
Tijdens het bestellen van het kaasplankje laat de serveerster, de enige in het etablissement die niet arrogant kijkt, onverholen weten dat we het plankje toch echt niet moeten nemen. Er ligt maar een klein stukje kaas op en de rest zijn vijgen en brood. Ook de wijn die Anne erbij wilt bestellen vindt ze naar verhouding veel te duur. Kijk, dat noem ik nog eens service, personeel dat je waarschuwt voor het eigen product. Zo zou de hele wereld in elkaar moeten zitten.

Inmiddels is mij een prima lunchgelegenheid in het hoofd geschoten in een van de zijstraten van de Spiegelgracht. Mopperend op ons vorige adres rijden we door een druilerig Amsterdam. Ons nieuwe adres is Anne onbekend, ze vraagt hoe ik in godsnaam aan zo’n leuk adres in Amsterdam kom. Tsja, veel zwerven. Hier gebruiken we een tweede lunch, die uitstekend bevredigt.
Ons gesprek duurt lang, zo lang dat er van fotograferen eigenlijk niets komt. Op weg naar het station neem ik nog een paar foto’s, foto’s met belangrijke boodschappen.

Gevonden

Woensdag 6 maart, Amsterdam/Lhee

Prijs

Dinsdag 5 maart, Lhee

Wyb en ik hebben zo’n beetje dezelfde carrière gehad in de podiumkunsten. Ik geloof dat wij zo’n beetje de enigen in de sector zijn waarvan man en vrouw zowel theaters als gezelschappen hebben geleid.
Wyb was zakelijk leider bij Kwatta. Ik was zakelijk leider bij Het Zuidelijk Toneel en interim bij Dogtroep, De Warme Winkel en Theater Rotterdam. Wyb was theaterdirecteur in Zevenaar en Meppel. Ik was theaterdirecteur in Leeuwarden en Apeldoorn. Om met Opel te spreken: wir leben darstellende Künste.

Het afscheid van Wyb gisteren doet me natuurlijk sterk herinneren aan mijn eigen afscheiden. Het is mooi, en handig, dat we elkaars leven hebben geleid, dat we zo’n beetje dezelfde ervaringen hebben. Op de eerste plaats kun je elkaar een beetje begrijpen, op de tweede plaats kun je elkaar een beetje helpen. Is wel prettig.
Aan de andere kant, wir haben so viele darstellende Künste gelebt, dat het ook wel mooi is geweest. Een keer wat anders dan naar de zoveelste voorstelling gaan vind ik een wenkend vooruitzicht.

Sinds gisteren zit me echter één ding dwars. We hebben dus alles zo’n beetje hetzelfde meegemaakt, maar Wyb steekt mij met één ding nu de loef af. Naar mij is verdomme nog nooit een prijs vernoemd.
Wyb heeft sinds gisteren haar eigen prijs: de Wybrich. De Gemeente Meppel heeft een prijs in het leven geroepen voor jong talent en die hebben ze de Wybrich genoemd. Dat genoegen heb ik nog nooit mogen smaken en ik ben er stinkend jaloers op.
Wie de prijs krijgt, ontvangt onder andere een beeldje van een jonge steltloper. Niet voor niets natuurlijk, mede geïnspireerd omdat Wyb zo gek op het wad is en een vogelaar. Op zijn kruin draagt het vogeltje een kroon in de vorm van de W van Wybrich.
Even was er de opwinding dat het vogeltje het afscheidscadeau voor Wybrich was. Helaas bleek na een paar zinnen dat de Wybrich in Meppel blijft en een wisseltrofee is. Neemt niet weg dat Wyb en ik toch even met de kunstenaar gaan bellen of wij nog zo’n mooie vogel voor ons heeft. En het feit dat er een prijs naar je is genoemd, is natuurlijk ook een prachtig cadeau.

Een kleine kanttekening bij deze sympathieke prijs. Hoe kan het toch dat politieke bestuurders altijd enorm royaal zijn naar jong talent? Over oud talent hoor je ze opmerkelijk weinig, terwijl het gros best wat ondersteuning kan gebruiken. Komt bij: hoeveel jong talent wil je stimuleren? Op jong talent in de kunsten heeft nooit een numero fixus gezeten. Jammer, want dat leidt best tot wat leed. Niemand maakt zich ooit druk over al die in de knop gebroken dromen.

Ik overweeg nu van mijn nalatenschap een prijs in het leven te roepen voor de beste blogger van dat jaar. Het beeldje zal bestaan uit een in brons gegoten slechtvalk.  

Gevonden

Dinsdag 6 maart, Lhee

Afscheid

Maandag 4 maart, Lhee

Gisteren schreef ik over het begrip nuchter. Het blog leidde me naar nieuwe inzichten over mensen die zich nuchter noemen, maar was niet relevant voor wat ik deze dagen meemaak. De afgelopen weken, en zeker deze dagen, moet ik eigenlijk blogs schrijven die allemaal de titel ‘Afscheid’ hebben. We hebben tal van afspraken met mensen om elkaar nog één keer te zien. Mijn geestelijke, en waarschijnlijk ook mijn fysieke toestand, is doordrenkt van afscheid. Als ik niet oppas gaat het in mijn botten zitten.

Zondagavond hadden we een afscheidsetentje met de medewerkers van Ogterop in het plaatsje Muggenbeet. Mooie naam. De naam Dossiermuggenbeet zou kunnen. In een oud Hollands restaurant, 100% authentiek, beleefden we een soort laatste avondmaal. We bespraken het verleden met anekdotes, we bespiegelden de toekomst, zowel die van Ogterop als van Les Trois Comtes.
Het verdriet over het elkaar verliezen is de tol van de liefde, zei vandaag iemand tegen mij. Afscheid nemen voelt ook dit keer toch weer aan als een zoet iets. Vooral de grens zitten tussen ergens weg gaan en ergens nieuw naar toe gaan, heb ik altijd prettig gevonden. Die grens brengt weemoed en herinnering met zich mee en tegelijkertijd nieuwe levenslust en verlangen.

Daar komt bij, als je op een leuke manier weggaat, ik heb ook wel anders meegemaakt, dat afscheid nemen ook feestelijk is. Dat feestelijke was er volop vandaag. Wyb nam officieel afscheid. Voor mij als liefhebber van speeches was het een klein paradijsje. Er waren er liefst acht, sommige speeches waren meer performance dan speech, maar alle sprekers richtten het woord tot Wyb. De wierook hing volop in de lucht. Er waren tranen, maar vooral een feestelijk terugkijken op acht succesvolle jaren.

Zowel Mevrouw Ogterop, de founder van Ogterop, speechte als een van de opvolgers van Wyb, namelijk de directeur van 2043. 2043? Hoe kan dat nou, zal de lezer zich afvragen. Toevallig is ze al bekend, het is Bente en ze woont schuin tegenover ons op de Bosrand in Lhee en is nu nog 10 jaar. Daar tussendoor waren er mooie woorden van zowel de burgemeester als een buurman. De laatste plunderde volop Dossiermoddergat, vele ontboezemingen lagen opeens op straat. Eigen schuld natuurlijk, moet je maar niet bloggen.

Het pièce de résistance was de speech van Wyb. Met name haar laatste woorden wil ik de lezers van Dossiermoddergat niet onthouden. Ze maakt daarin gebruik van een gedicht dat ons levenmotto is en al diverse keren eerder genoemd in Het Dossier. Ze luidden als volgt:

‘En nu is het tijd om mijn laatste woorden uit te spreken in deze functie en dat wil ik graag doen met een gedicht van Toon Tellegen. Het gedicht luidt De andere ridders.

 

De andere ridders

De ene ridder is van geen belang,
het meisje is vermolmd
en muf,

maar dan de andere ridders!
Zij zijn nog onderweg, rijden nog kriskras door het land.
Zij volgen de zwanen nog naar het zuiden
en de wildste geruchten naar het noorden
van een dal dat doodloopt op een berg.
Zij klampen nog reizigers aan, ontdekken nog moerassen
en nieuwe zijrivieren.
Zij wankelen nog, vallen nog, raken nog uitgeput
en laten hun zenuwen nog slopen,
durven hun ziel nog te verkopen.
Zij weten wat verdwalen is en wat de ware aard
van aarzelen is.

O de andere ridders!
Zij gingen even fier op weg.
Zij zullen nooit ontwaken.

Dames en heren, ik wens u veel zoeken toe, veel ontdekkingen van moerassen en zijrivieren, ik wens u veel uitputting toe, veel wankelen, verdwalen en aarzelen. Ik hoop dat u fier op weg gaat en nooit zult ontwaken.
Ik wil hierbij graag een toast uitbrengen op de andere ridders! Op de verbeelding en de verhalen die ons pas werkelijk mens maken.
Ik vond het een eer om jullie directeur te mogen zijn.

Salut, Santé et bonne route!’

Gevonden

Maandag 4 maart, Lissabon/Lhee

Nuchter

Zondag 3 maart, Lhee

Ik hoorde vandaag iemand zeggen: ‘Ik als nuchtere Nederlander…’ Ik heb ontzettend de pest aan het woord nuchter. Ik vind het zo’n lelijk woord. Dat ‘uch’ in het midden, het is een harde, onverzoenlijke klank. Alsof iemand verkouden is als in de Donald Duck: uch, uch, uch.

Ik weet ook wel waardoor de aversie tegen het woord nuchter is ontstaan. Komt omdat mijn vader eens in de zoveel weken verklaarde dat hij de dingen zakelijk en nuchter bekeek. Het begrip nuchter schijnt te appelleren aan een soort Nederlandse kwaliteit. Iets zonder poespas doen, je de kop niet gek laten maken, van afstand naar iets kijken.

Het valt me op dat mensen die zichzelf nuchter vinden altijd moeten laten weten dat ze nuchter zijn. Wat dat betreft lijken ze op mensen die op het gymnasium hebben gezeten, die laten ook altijd binnen het uur weten dat ze het gymnasium hebben gedaan.

Ik zelf wantrouw mensen die zeggen dat ze nuchter zijn. Het is meestal een compensatie voor wat ze juist niet zijn. Ik vind nuchtere mensen gevoelsarm zonder enige drive. Het zijn vaak ook bange mensen omdat ze dingen niet durven te benaderen en vast te pakken.

Dat nuchtere past natuurlijk perfect bij onze volksaard, de wat hoekige gereformeerdheid. We zijn van nature een streng en passieloos volkje. Jezelf inhouden vinden we belangrijker dan jezelf uitspreken. Je zou eens uit de ban springen, je kop boven het maaiveld steken. Daar hebben we in dit vlakke land de pest aan.
Empathie, meeleven met de ander. Of je ergens in verliezen, het is ons vreemd. We zeggen liever dat we nuchter zijn, hoeven we ons niet druk te maken. Nuchterheid zou ook wel eens een vorm van luiheid kunnen zijn, van geestelijke armoe.

Het is gelukkig wel een woord dat ik steeds minder hoor. Vroeger, maar dat kwam misschien ook door mijn vader, ronkte het woord door onze samenleving. Ik weet niet of het woord nog up-to-date is. We kunnen tegenwoordig massaal rouwen, we laten ons gek maken door Bekende Nederlanders, we hebben inmiddels leren dwepen en boos worden. Onze nuchterheid is aan erosie onderhevig, denk ik. Nuchterheid is toch een woord dat meer bij de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw past dan in dit millennium waarin de wereld ons overspoelt en de gereformeerdheid op zijn retour is.

Gevonden

Zondag 3 maart, Lauwersoog/Lhee

Slaap

Zaterdag 2 maart, Lhee

Slapen, lastig dingetje. Ik heb het altijd als verspilde tijd beschouwd. Na je dood heb je genoeg tijd om te rusten, eerst maar eens ten volle genieten van wakker zijn. Gelukkig hoefde ik nooit veel te slapen. Tussen een en twee naar bed, rond zeven uur, half acht weer op.
Gelukkig heb ik nooit last gehad van slaapproblemen. Ik ging liggen en sliep. Ook in moeilijke tijden als het om mij heen stormde of ik danste op de rand van de vulkaan sliep ik als een roos.

Sinds een jaar is dat anders. Geen idee hoe het komt. Mijn slaap is aangetast. Zo tegen vier uur word ik wakker en lig dan eindeloos te malen. Sinds ik weet dat we naar Frankrijk gaan is het verergerd. Ik kan zomaar tot half zeven wakker liggen om alsnog in een hazenslaapje te vallen. Gebeurt ook dat ik helemaal niet meer slaap.

‘Gewoon blijven liggen,’ zei mijn moeder altijd als ik eens een keer niet kon slapen, ‘dan rust je toch.’ Dat zal wel, maar ik kan mijn hoofd niet stil zetten. De ene gedachte jaagt achter de ander aan. En ondertussen bedenk ik steeds dat ik moet slapen. Ik probeer mijn gedachte af te richten, ze op de plaats rust te krijgen. Helaas lukt dat niet, ze zijn gewoon te weerspannig.

Natuurlijk ligt naast mijn bed een notitieblokje. Als mij ’s nachts iets dwars gaat liggen, schrijf ik het meteen op. Volgens alle goede adviezen krijg ik dan rust omdat ik het noteer, niet vergeet en de volgende dag kan oppakken. Tevergeefs. Elk probleem blijft een probleem, elke gedachte blijft zeuren.

Het schijnt dat als je ouder wordt, je minder hoeft te slapen. Vond ik altijd een prettig vooruitzicht. Maar ik hoop niet dat ze daar slapeloosheid mee bedoelen. Ik wil best weinig slapen, wil dan wel uitgerust zijn en de slaap  die ik nodig heb daadwerkelijk  slapend doorbrengen.

Uitslapen lukt me al helemaal niet meer. Als de wekker gaat en Wyb fris naast het bed springt, zou ik best nog even door willen slapen, de slaap inhalen die ik ’s nachts moest ontberen. Hoe ik het ook probeer, de slaap wil niets met mij te maken hebben. ’s Nachts niet en ’s ochtend ook niet.

Gevonden

Zaterdag 2 maart, New York/Lhee

Duwtje

Vrijdag 1 maart, Lhee

Ik ga nu voor de vierentwintigste keer in mijn leven verhuizen, dus ik weet heus wel wat verhuizen is. Deze keer is het mijn meesterproef: verhuizen naar Frankrijk, dat is toch wat anders dan de spullen inpakken en naar Den Bosch of Heerlen overbrengen. Voor Frankrijk moet er aardig wat worden geregeld.
Neem alleen al de bankzaken. Als je naar Frankrijk verhuist, betekent het ook dat je een beetje wordt teruggeworpen in de tijd. Ik zelf bankier bij de Triodos bank. Ik heb nog nooit iemand van de Triodos gezien, alles gaat digitaal en vlekkeloos. Ook het aanmelden bij die bank is zonder fysieke tussenkomst van een mens gebeurd. In Frankrijk ligt dat net ff anders. De digitale slag is in Frankrijk nauwelijks gemaakt. Wij hadden een afspraak met een bankmedewerker in Ganges. Voordat de medewerker echt tijd voor ons had verstreek er zo’n half uur. Het was geen verloren tijd want daardoor kon ik het bankwezen van Frankrijk wat beter bestuderen.
Ik constateerde dat een bank in Frankrijk tevens de functie van dorpspomp heeft. Wij wachten in de centrale ontvangsthal en terwijl wij daar zitten komt de ene na de andere mens geld uit de muur halen. Iedereen blijkt hier iedereen te kennen, na het pinnen blijft iedereen gezellig voor een praatje staan. Wat zou een Frans dorp zonder bank zijn.

Mijn Nicht uit Frankrijk heeft ons al gewaarschuwd dat het aanvragen van een bankrekening geen sinecure is. Dus we hebben een tas vol paperassen bij ons. Wij zijn gewapend met ons hele dossier. We vullen samen met de bankmedewerkster een stapel papieren in, een deel van ons dossier wordt gekopieerd. We zetten handtekeningen. Toch gaan wij zonder bankrekening weg. In onze stapel papieren ontbreekt namelijk één ding: het bewijs dat wij nu nog op de Bosrand 19 wonen. Dat kunnen we bewijzen door een energierekening te laten zien of onze belastingpapieren die naar dat adres zijn gestuurd.
Waarom hebben ze dat nodig zal de lezer zich afvragen. Dat komt, zo heb ik mij laten vertellen, dat Frankrijk geen bevolkingsregister kent. Alleen geboorte en overlijden worden geregistreerd, daar tussendoor ziet men maar. Hierdoor kan iemand alleen bewijzen dat hij ergens woont door die rekeningen.
Na anderhalf uur verlaten we de bank zonder resultaat. Voor de dinsdag daarop hebben we een bel afspraak gemaakt met een andere medewerker, naar hem moeten we dan nog de nodige bewijsstukken van ons huidige adres sturen. Beetje zinloos want als we in Frankrijk wonen is dat ons adres niet meer.

Een paar uur later regelen we in Montpellier ons internet, telefoon, Wyb heeft een nieuwe iPhone nodig. En wat blijkt, er is toch vooruitgang in Frankrijk. De provider, Orange, heeft ook een bank opgericht. Een beetje model Triodos bank, alles online te regelen, weg bureaucratische ballast. In een kwartier hebben we een bankaccount. En, niet onbelangrijk, kosten zero. Dat is mooi want de gemiddelde bankklant in Frankrijk is op jaarbasis honderden euro’s aan kosten kwijt. Elke bankhandeling schijnt in rekening te worden gebracht. Nederland, tel uw zegeningen. Orange is blijkbaar van plan dit archaïsch systeem te kraken. Wyb en ik werken er graag aan mee. Vooruitgang moet soms een duwtje in de rug krijgen.

Gevonden

Vrijdag 1 maart, Amsterdam/Lhee

Dystopie

Donderdag 28 februari, Lhee

Ik moet bekennen dat ik een jaar geleden nog nooit van het woord dystopie had gehoord. Een beetje dom van me want ik heb toch echt de volgende boeken gelezen: 1984 van Orwell, Brave New World van Huxley en Fahrenheit 451van Bradbury. Allemaal boeken die een dystopische samenleving beschrijven. Mijn Word corrector blijkt het woord trouwens ook niet te kennen.
Het zou me niet verbazen als dystopie het woord van dit decennium wordt. Let maar op, het woord duikt tegenwoordig overal op en ik begrijp dat goed. Het is onvermijdelijk, de tijd vraagt erom.

Voor wie niet weet het dystopie betekent. Van Dale schrijft: ‘anti-utopie, toekomststaat van verwerpelijk karakter.’
In fictie is dystopie vaak gebruikt. Wikipedia geeft aan wat een paar populaire dystopische onderwerpen zijn en dan weet je ook wel waarom je niet om het woord heen kunt:
– een maatschappij onder een totalitaire staat waarbij geen individuele vrijheid of persoonlijke levenssfeer wordt toegestaan
– een samenleving die gecontroleerd wordt door robots of computers
– verhalen over de ondergang van wereldse koninkrijken
– een maatschappij waarin alles en iedereen identiek is en waar kunstuitingen en emoties verboden zijn
– een maatschappij waar mensen slechts dienen als voedsel of als orgaandonoren
– een wereld waar de mensheid (bijna) is uitgestorven na een kernoorlog, ziekte of andere ramp

De meeste hier boven genoemde punten hangen in de lucht. We hebben een Amerikaanse president voor wie waarheid niets betekent. China is druk bezig met het invoeren van het sociaal krediet, mensen worden 24/7 met camera’s gevolgd en wie zich niet aan de wet houdt krijgt  strafpunten met alle gevolgen van dien. We zijn in staat de wereld x maal te vernietigen en zo zou ik nog door kunnen gaan met voorbeelden. Er hangt onheil in de lucht, zal ik maar zeggen.

Goed dat het woord dystopie uit het woordenboek is gekropen en weer tot leven gewekt. Het kan niet anders of we moeten over het begrip nadenken. Wat voor een samenleving willen we? Wat is belangrijk, wat niet? Zijn we gelukkig met de huidige maatschappelijke ontwikkelingen? Zelf heb ik het idee dat we in de afgelopen decennia stappen achteruit hebben gezet. Optimisme maakt  plaats voor pessimisme. Vijftig jaar geleden hadden we het voornamelijk over utopieën. Nu dus anti-utopieën. De toekomst kleurt donker. Als bloggertje heb je natuurlijk geen vat op de zaken. Het enige wat je kunt doen is wijzen op het woord. Dystopie.

Gevonden

Donderdag 28 februari, Afsluitdijk/Lhee

Kroeg

Woensdag 27 februari, Lhee

Ik hou niet van cafés waar mensen ’s avonds gezellig gaan drinken. Ik had een vriend die elke avond naar de kroeg ging, hij had er zelfs een eigen tafeltje waar zijn naam opstond. Een leuk gebaar van de kroegbaas. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat mijn vriend er goed voor heeft betaald. Een groot deel van zijn salaris spendeerde hij daar. Als ik hem wilde bereiken, belde ik het café.
In cafés hangt gezelligheid die ik niet herken. Sterker, als ik een kroeg in stap, krijg ik altijd een unheimisch gevoel, heb meteen de neiging om rechtsomkeer te maken. Mensen die aan barren hangen snap ik gewoon niet. Hun plezier ontgaat me. Het gebaar waarmee ze de glazen nog eens laten vullen, hun vrolijkheid, het roept weerstand bij me op.

Maar misschien is het niet helemaal waar. Ook ik spendeer veel avonden in de horeca, bedacht ik gisteravond. De horeca waar ik me in begeef ligt altijd in theaters. Vooral in de theaters waar Wyb of ik werkten heb ik heel wat avonden in theatercafés doorgebracht. Na de voorstelling is het geheid napraten.
Dat napraten vindt plaats met de mensen die vaak bij de voorstellingen zijn, die je door het theater hebt leren kennen. Daarnaast zijn er de artiesten, de acteurs, de cabaretiers. Velen ken ik vanaf het begin van hun carrière. Met best veel mensen heb ik ook gewerkt. En als je elkaar elk jaar een paar keer ziet, krijg je toch een band. Die band moeten we niet overdrijven. Ik heb theaterdirecteuren gekend die er vast van overtuigd waren dat de artiesten werkelijke vrienden waren. Maar als die directeuren uiteindelijk werden begraven, waren er opmerkelijk weinig van die werkelijke vrienden aanwezig.

Gisteravond was er een voorstelling rond Spaanse poëzie, de titel: Duende. Eric Vloeimans op trompet, Eric Vaarzon Morel op gitaar, Gijs Scholten van Asschat las de gedichten.
Wyb kent Eric Vloeimans uit haar jazzverleden, in de jaren daarna programmeerde ze hem elk jaar zeker één keer.Ik ken Gijs omdat hij bij Het Zuidelijk Toneel heeft gespeeld en ik hem altijd wel heb gevolgd. Samen met Matthijs Rümke heeft hij de spraakmakende Richard III gemaakt op muziek van Tom Waits. Eric Vaarzon Morel hebben we niet zo’n band mee, Wyb kent hem van de talrijke keren dat ze hem als directeur ontving. Na zo’n voorstelling is er dan best veel te bepraten. Iedereen blijft even hangen, drinkt twee biertjes want de terugweg is nog lang, en rond half twaalf nemen we afscheid. Gijs speelt 1 juli met Toneelgroep Amsterdam, sorry, ik bedoel Internationaal Theater Amsterdam, De Kersentuin op een festival in Montpellier. We spreken daar af.
Genoeg name dropping. Ik vertel het omdat het een belangrijk onderdeel van mijn leven was. Was. Over twee weken is alles anders. Grote vraag: ga ik dit missen? Heel vaak dacht ik terwijl ik aan het social talken was: wanneer kan ik nou naar huis? Er waren ook heel wat keren dat het echt gezellig was. We zullen zien. Eerst maar eens 1 juli naar Montpellier.

Gevonden

Woensdag 27 februari, Amsterdam/Lhee

Hondje

Dinsdag 26 februari, Lhee

Ergens in 2004 of 2005 liepen Wyb en ik de Kunstuitleen in Arnhem binnen. We zagen een tegeltje waar een hondje op stond en we waren meteen verkocht. Het tegeltje was gemaakt door beeldend kunstenaar Leon Tebbe. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar wat maakt het uit. Het tegeltje kostte €60,42, rare prijs, het staat nog steeds achterop het tegeltje. Het hangt sindsdien in ons huis en we genieten er ontzettend van. Onder dit blog zie je een foto van het tegeltje.

Het wonderlijke is dat het hondje op de tegel Dies is. Dies kan precies op dezelfde manier zitten en kijken, de overeenkomst is frappant. Leon Tebbe wist natuurlijk niet dat wij ooit Dies zouden krijgen. Wisten we zelf ook niet. Toch kan het een omen zijn, een teken, dat Dies en wij voor elkaar zijn voorbestemd. Probleem is alleen dat ik niet metafysisch ben ingesteld, dus dat omen is onzin. Het is gewoon dom toeval dat Wyb en ik al in 2004 of 2005 een tegeltje kochten waar Dies op stond.
Het is mij nog niet gelukt om een foto van Dies te maken waarop hij zit zoals het hondje op de tegel. Ik weet zeker dat dat wel gaat gebeuren. Tot nu toe is Dies te jong om die foto te maken. Elke keer als ik mijn fototoestel pak om het vast te leggen, wordt hij nieuwsgierig wat een fototoestel precies voor een apparaat is. Dies is gek op apparaten. Ik denk dat Dies een nieuwe stap is in de evolutie van de specie hond. Hij is de eerste hond die zich interesseert voor techniek.

De afgelopen jaren hebben Wyb en ik ons niet gewaagd in kunstuitlenen of galeries. Dat komt door het gebrek aan muren. Ons huis in Lhee kan de kunst die we hebben niet bergen, laat staan dat we nieuwe kunnen kopen. Als Wyb en ik een galerie inlopen, kan het zomaar zijn dat we verliefd worden op een kunstwerk.
Ooit, lang geleden, liepen we als pas verliefd stel door Arnhem, we kenden elkaar een paar weken. Op hetzelfde moment zagen we een schilderij in een galerie hangen en, ondanks ons ongewisse staat van samenzijn, kochten we het. Daarna gebeurde hetzelfde diverse keren.

Er is weinig stoffelijk bezit dat me echt enthousiast maakt. Tot dat weinige hoort een mooi kunstwerk. En die kunst hoeft helemaal niet van gerenommeerde kunstenaars afkomstig te zijn. Ik heb een vriend die kickt op grote namen en dure werken. Ik totaal niet.
Zo ben ik een groot fan van Willem Kooijman. De lezer van dit blog heeft vermoedelijk nog nooit van hem gehoord. Wyb en ik hebben twee werken van hem. Het ene schilderij stelt een slapende kat voor. Het andere twee mannen die aan het jeu de boulen zijn. Een hondje loopt er vrolijk met een stok in zijn bek omheen. Het schilderij hang nu al een paar jaar in ons huis. En we zijn er zo verrekte blij mee.

Europeaan

Zondag 24 februari, Lhee

Ik zou zo graag in Europa willen geloven, maar het wordt me zo verrekte moeilijk gemaakt. Europa is zo’n ontzettend politiek construct, vooral gericht op handel, op het vrije verkeer van mensen en goederen voor economische doeleinden. En het subsidiëren van boeren en rotondes. Europa doet niets voor het hart. We hebben een Europa zonder menselijke factor. Zo jammer. En daar komt bij dat het construct zo impotent is, zo ongelooflijk besluiteloos door zijn verdeeldheid. Geen idee hoe ze ooit de Europeanen mee willen krijgen.

Als ik kijk naar het gehannes met het vluchtelingendrama in Griekenland, de mensonterende toestanden daar. Mijn Europa zou dat als een gemeenschappelijk probleem ervaren, meteen denken aan het oplossen en verdelen van de menselijke ellende. Maar alle leden van de ‘gemeenschap’ zwijgen, kijken de andere kant op. Mijn Europa zou doortastend en niet laf zijn.

Vorige week deed Trump een beroep op Europa om IS gevangenen in het land op te nemen waarvan ze staatsburger zijn en daar te berechten. Europa reageerde met verontwaardiging, wat dacht die Trump wel. En Europa verklaarde dat ze dat zeker niet gingen doen. Weer keek Europa weg.
Het was voor de eerste keer dat ik het met Trump eens was. Natuurlijk moeten ze opgenomen en berecht worden in het land waar ze vandaan komen. De Koerden kunnen ze daar niet gevangen houden, het zou onzin zijn om alleen Amerika hiervoor te laten opdraaien. Bovendien is Amerika een hysterisch land dat met dit soort problemen niet kan omgaan. Voordat je het weet heb je een nieuw Guantanamo Bay.
Laissez faire, zei Europa. Laat maar lopen, we zien wel. Met het gevaar dat die religieuze gekken vrij worden gelaten, gaan dwalen en ondergronds gaan. Ellende gegarandeerd.

En dan hebben we nog van die Europese leden waarvan je denkt: donder alsjeblieft op. Ik denk aan Hongarije en Polen, waar manipulators en xenofoben de macht hebben. Wie wil nou zulke vrienden hebben? Het beroerde is dat we aan elkaar geklonken zijn met verdragen, dat we elkaar niet de waarheid kunnen zeggen, laat staan sancties opleggen. Vrijblijvendheid troef dus. Een grote slappe bende.

Ik ben Europeaan. Maar het politiek construct geeft me nauwelijks basis om het me politiek en cultureel ook echt te voelen. Het is toch raar dat me het echte geloof in Europa wordt onthouden, dat technocraten en neo-liberalen me verhinderen om daar enthousiast over te zijn. Ik voel me in principe zelfs meer Europeaan dan Nederlander, alleen zo jammer dat de politiek mij in het verkeerde Europa laat wonen.

Gevonden

Montpellier

Lief

Zaterdag 23 februari, Lhee

Wyb is thuis aan het werk. Ze is in deze tijd op haar werk aan het werk en thuis aan het werk. Veel dient afgerond, afscheid nemen brengt veel gedoe met zich mee. Ook leuk gedoe, ze wordt overstelpt met kaartjes van mensen die ze niet eens kent.
Er belt een impresariaat voor definitieve prijsafspraken voor het volgend seizoen. Ook als Wyb dadelijk weg is, blijft ze nog een theaterseizoen aanwezig in Meppel met haar programmering voor het seizoen 2019/2020. ‘Ik ben hier met mijn Lief aan het werk,’ hoor ik haar achteloos zeggen.

Ik vind het altijd leuk als Wyb mij Lief noemt. Ik hou ervan om Lief te zijn. Ik word er altijd een beetje blij van, elke keer realiseer ik me weer hoe fijn het is als iemand je Lief noemt. Ik zelf gebruik het ook veel. Als ik een mailtje naar Wyb stuur, staat er meestal Lief boven. Lief is een goede benaming voor mensen die van elkaar houden.

We zeggen ook wel Schat of Schatje tegen elkaar. Maar die woorden kunnen allerlei betekenissen hebben, waaronder een dwingende, zelfs een veroordelende. ‘Schat, hoe vaak heb ik je nou wel niet gevraagd om die troep van de wastafel te halen.’ Met Schat bedoel je dan eigenlijk het tegendeel van schat. Door elkaar Schat te noemen, kun je makkelijk harde dingen tegen elkaar zeggen. ‘Schatje, luister nou eens.’ ‘Schat, daar heb ik nou helemaal geen zin in.’ En dat soort dingen.

Zo noem ik Wyb in dit blog altijd Wyb. Ik heb daar eigenlijk veel kwaad mee aangericht. Ik vind Wybrich namelijk een prachtige naam, het is een naam uit een sage, de verre Middelleeuwen. Wybrich, de naam zingt en vibreert.
Het hangt aan me, het verpesten van namen. Zo heette Lies vroeger Annelies. Iedereen noemde haar Annelies. Totdat ik haar Lies begon te noemen en nu noemt iedereen haar Lies, ze noemt zelfs zichzelf Lies. Lies klinkt krachtig, net zo als Wyb. Maar als ik het terug kon draaien, koos ik toch voor Annelies en Wybrich.
Tegenover anderen noem ik Wybrich trouwens altijd Wybrich. Maar dat helpt niet, want ze lezen of dit blog of ze horen mij voortdurend Wyb noemen en denken dat Wyb de echte naam van Wybrich is.

Dat alles neemt niet weg dat Wyb mijn Lief is. Bij de naam Lief moet ik ook altijd denken aan dat gedicht van Herman Gorter.

Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht —
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen —
Maar ik kan het toch niet zeggen.

Gevonden

Zaterdag 23 februari, Kollum/Lhee

Heenkomen

Vrijdag 22 februari, Lhee

 

Heenkomen

Hij liep achteloos langs,
leek in gedachten verzonken.
Zijn ogen waren niet waar ze
waren, zijn oren zonder geluid.

Wij hadden het niet door.
Wij leunden lui tegen elkaar.
Wij aten zoals er altijd
gegeten had moeten worden.

Wij sliepen zoals er altijd
geslapen had moeten worden.
De wereld kwetterde onder ons
voorbij. Het leek één lome dag.

En zonder dat we het zagen,
haalde hij uit. Hij schudde het nest,
verscheurde ons huis, wij zeilden
op de grond. Gebroken. Vol vragen.

Wij vonden ons tussen keien.
Wij waren elkaar uit het zicht
verloren. De een zei links,
de ander verder naar beneden.

Iemand zei: ontheemd. We hebben
ons verloren. We worden gejaagd.
Het is gedaan met rust, de roestplekken,
einde van het schurken, jouw huid.

En hij liep gewoon maar achteloos
door en door. Destructie was
zijn spelen. Jij zei: wij zijn speelballen.
Laten we ons heenkomen zoeken.

Gevonden

Vrijdag 22 februari, Hindeloopen/Lhee

Reizigers

Donderdag 21 februari, Lhee

Belangrijke vraag: wat is de reden dat we in Frankrijk gaan wonen? Hoe kan het dat je dat zomaar doet?
Volgens Pim tarten we hiermee de wet van Schopenhauer. De wet van Schopenhauer ziet er als volgt uit: de mens denkt dat hij vrij is, maar de mens is helemaal niet vrij. Elke dag gaat hij om half negen trouw naar zijn werk en om vijf uur gaat hij braaf terug naar zijn huis. Vreemd, want hij kan op weg naar zijn werk ook besluiten naar Berlijn of Londen af te reizen. Maar niemand die dat doet. De mens is een gevangene van zichzelf, van zijn gewoonte, zijn angsten, zijn zelf aangegane verplichtingen.
En dat is maar goed ook, zou ik willen zeggen, want anders zou het een flinke chaos worden.

Waarom gaan wij wel in tegen onze gewoontes, angsten (want die zijn er zeker) en zelf aangegane verplichtingen. Ik denk dat het voor een belangrijk deel karakterologisch is. Zowel Wyb als ik zijn nogal onrustig, ongedurig van nature. Als we een tijdje met iets bezig zijn, willen we graag weer eens wat anders gaan doen. Tot nu toe heb ik het na zeven, acht jaar bij een baan wel gezien, dan heb ik behoefte aan verandering en ik zie dat dit bij Wyb niet anders is. Ik vrees dat we elkaar daarin versterken.
Daar komt bij dat Wyb een reizigster is. Ik wilde eerst schrijven: daar komt bij dat wij reizigers zijn, maar dat vond ik toch te veel eer voor mijzelf. Het ligt in principe niet in mijn aard om te reizen. Pas door Wyb ben ik de smaak van het reizen gaan proeven en die smaak leidt tot genot. Ik zie ons vertrek naar Saint-Hippolyte-du-Fort eigenlijk als een reis. In plaats van een drieweekse trip in de zomervakantie gaan wij voor een paar jaar een reis naar Frankrijk maken, onderdeel van die reis is dat we een chambres d’hotes gaan runnen.

Er zijn ook beste wel andere, externe redenen om te vertrekken. Ik zit nu veertig jaar in het theatervak, Wyb vijfentwintig jaar, ik moet zeggen dat ik na al die jaren, al die voorstellingen, al die avonden in het theater zitten, al die subsidieaanvragen, het tevreden houden van subsidiegevers, representatief doen en personele problemen oplossen graag eens iets anders wil doen.
Wyb formuleerde onze move onder andere als: minder hoofd, meer handen. Vond ik wel een goede. Even een paar jaar een andere oriëntatie in werk en omgeving, totaal andere lucht inademen, het lijkt mij heilzaam, zie er naar uit.

Gevonden

Donderdag 21 februari, Cevennen/Lhee

Voetstappen

Woensdag 20 februari, Lhee

Ik loop door Nijmegen. Ik zet voetstappen in straten waar al honderden voetstappen van me liggen. Als ik mijn ogen dicht doe, kan ik blindelings door Nijmegen lopen. Keizer Karelplein, Bisschop Hamerstraat, Van Welderenstraat, Van Broeckhuysenstraat. En toch is alles anders. Vroeger kwam ik hier bekenden tegen, tegenwoordig ben ik een vreemde in Nijmegen. Niemand die mij kent, ik ken niemand. Het lijkt alsof de neutronenbom is gevallen. Alle bekende wezens overleden, het decor staat nog overeind.

Alles in Nijmegen is herinnering. In de Van Welderenstraat werkte Lies in een koffiecafeetje, ik heb daar wat zitten smachten. Even verderop zit een nachtclub. Lies en ik zijn er één keer met een groep vrienden geweest en we zagen hoe een goede bekende omgeven was met hoeren. Hij was zo ver heen dat hij ons niet herkende. Op de hoek zat een zaak die de mooiste pennen verkocht. Ik heb altijd een mooie vulpen willen hebben, jammer genoeg was mijn handschrift zo’n pen niet waard.

Ik wandel even tussen twee vergaderingen door een rondje door Nijmegen, even een luchtje scheppen. Het is ook een soort afscheid. Hoe lang zal het duren voordat ik weer in Nijmegen kom? Dan loop ik terug naar De Vereeniging voor mijn tweede vergadering, de laatste Raad van Toezicht vergadering bij de stadsschouwburg en De Vereeniging.
We hebben een bijeenkomst met de ondernemingsraad. We doen een voorstelrondje en het blijkt dat ik de enige ben die de opening van de schouwburg heeft meegemaakt. Ik was zeven jaar toen de opening plaatsvond. De koningin opende de schouwburg en verscheen voor die gelegenheid op het dak. Het Keizer Karelplein stond vol met mensen om een glimp van haar op te vangen. Ik zal toen nog geen republikein zijn geweest.

We vergaderen in De Vereeniging. In het jaar dat ik lid was van de RvT is er veel gebeurd. Niet dat het op mijn conto kan worden geschreven. Er is een uitstekende directeur die rode cijfers in zwarte heeft omgetoverd. Daarbij enigszins geholpen door de RvT die samen met Eva, de directeur, meer subsidie heeft kunnen regelen. Was ook erg nodig, zelfs de continuïteit was in gevaar. De eerste vergadering die ik meemaakte was er grote ongerustheid, nu is er een soort van opluchting, trots.

Afgelopen jaar is ook een grote verbouwing begonnen. Er wordt een heel achterhuis bijgebouwd, laadperron, kleedkamers, artiestenfoyer. We krijgen van Eva een rondleiding en voor het eerst sinds jaren zie ik het toneel weer van De Vereeniging. In de zaal van De Vereeniging deed ik mijn eerste podiumkunst ervaring op. Ik zal vijf, zes jaar zijn geweest. Mijn vader speelde bij de Postharmonie. Het orkest gaf een uitvoering in De Vereeniging en mijn vader had een belangrijke piccolo solo. Een paar jaar later betrad ik als ballenjongen van NEC als het podium met de clubvlag om de eerste promotie van NEC naar de eredivisie te vieren. Later zag ik er Joe Jackson, Ian Dury en nog wat popartiesten. Wolf Biermann. Zou die nog leven?

Na de vergadering ga ik bij Jan en Connie eten. Jan is gelukkig weer aardig opgeknapt. Er is tenminste nog één iemand die mij van mijn geboorte af kent.

Gevonden

Woensdag 20 februari, Amsterdam/Lhee

Avec le temps

Dinsdag 19 februari, Saint-Hippolyte-du-Fort

Wyb, Saint-Hippolyte-du-Fort, 2019

Wyb, Saint-Hippolyte-du-Fort, 2044

De Blogger, selfie, Saint-Hippolyte-du-Fort, 2044

Apparaten

Maandag 18 februari, Lhee

De onhandigheid is mij met de paplepel ingegoten. Als er in mijn ouderlijk huis iets moest worden gemaakt of kapot ging, dan kwam over mijn vader en moeder een soort paniek. Dus niet gek dat ik dat van hen heb overgenomen. Daar komt bij dat ik op apparaten, of alles wat mechanisch, elektrisch of digitaal is, een fatale uitwerking heb en andersom. We leven in de eeuw van de techniek, ik met al mijn babbels en woorden heb geen rol gespeeld in de afgelopen 64 jaar. Wie er toe deed waren de tech-jongens. Zij veranderden de wereld en gaven dit tijdsgewricht gezicht. Ik strompel daar met moeite door heen.

Neem de afgelopen week. Het was lijden. Vlak voordat wij naar Frankrijk afreisden, ging de afwasmachine kapot. Ik bel meteen de witgoedmonteur die het ding ook heeft geleverd. Tot nu toe is hij niet verschenen en was ik met de hand af, waar ik overigens geen hekel aan heb, ooit ben ik mijn carrière begonnen in de keuken van een bistro.
Op weg naar Frankrijk begaf mijn email het. Mijn iPhone en laptop gaven om de twee seconden aan dat de server niet kon worden gecontroleerd of zoiets. Het betekende dat ik het hele weekend tot vervelens toe deze mededeling moest wegdrukken en ik geen mail kon ontvangen. Pas na veel overleg met een webmaster heb ik het probleem kunnen oplossen.

In Saint-Hippolyte-du-Fort aangekomen bleek de kachel het niet te doen. Wyb en ik maakten een ijskoude nacht door. De volgende dag loste de huismeester met één druk op de knop het probleem op. Ik had die knop dus niet kunnen vinden. Wyb overigens ook niet.
Eenmaal weer thuis en ik de was in de wasmachine stop, weigert de wasmachine verder dienst. Natuurlijk druk ik weer wanhopig op allerlei knoppen. Het enige gevolg is dat alle lichtjes van het apparaat alarm gaan knipperen. En dat drie weken voordat wij vertrekken. Wij hebben een wasmachine in Frankrijk en in Moddergat staan. De derde, hier in Lhee, die we het hardste nodig hebben, begeeft het.

En zo modder ik aan, omgeven door en afhankelijk van allerlei apparaten ben ik volkomen machteloos als ze, om mij totaal onbekende redenen, besluiten ermee te stoppen. Ik bewonder degene die handig is, zonder hem leefde ik opnieuw in een soort stenen tijdperk. Zoals ik het Frans niet machtig ben, zo is mij ook de taal der techniek vreemd.
Ik weet precies hoe de hemel eruit ziet: alle apparaten daar doen het altijd. Waartoe zijn wij op aarde? Om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn, vertelde de catechismus mij. In het hier zal het mij nooit helemaal lukken, er is altijd wel een apparaat in mijn omgeving dat dienst weigert. Mijn hoop is gevestigd op het hiernamaals.

Gevonden

Maandag 18 februari, Montpellier/Lhee

WybWyb

Zondag 17 februari, Saint-Hippolyte-du-Fort

Je hebt de TomTom, een handige navigator die je via de meest efficiënte weg van A naar B brengt. Daarnaast heb je WybWyb die niets moet hebben van efficiënte wegen en juist houdt van pittoreske routes waar je de oorspronkelijkheid van het land maximaal ervaart en zeker geen McDonalds tegenkomt.
Zo dirigeerde de WybWyb ons ooit met een vrij grote auto een authentiek Italiaans plaatsje in. Werkelijk prachtig. Alleen: de straten werden steeds smaller. Tegen het advies van de WybWyb in suggereerde ik terug te keren, de steegjes werden wel heel nauw. De WybWyb wist van geen wijken, na de volgende bocht zou het vast breder worden en zou het dorpje nog mooier worden.
Maar er was geen volgende bocht. De auto zat vast. Aan weerskanten had ik nog één centimeter over. Ik kon niet meer voor of achter uit. Gelukkig kwamen er een paar dorpelingen die vaker mensen hadden geholpen die van een soort WybWyb gebruikmaakte. Met zorgvuldig op en neer rijden, centimeter na centimeter, veel aanwijzingen en het inklappen van de zijspiegels, wist ik me na anderhalf uur uit de benaderde positie te bevrijden.

Dit weekend hadden we in Montpellier een kleine, rode Daihatsu gehuurd. De man van de huurauto’s sprak perfect Drents, zijn neef, zo vertelde hij, nam een pompstation in Havelte over. Drie maanden geleden was hij nog in Hoogeveen geweest. Wij tekende na controle alle papieren dat er op onze auto geen krasjes zaten en accepteerden een eigen risico van €1.200.
De dag daarop besloten we de Cevennen te verkennen. Je moet tenslotte de streek kennen waar je gaat wonen. Het Dwingelderveld is mooi en groot. De Cevennen is het Dwingelderveld in het zoveelste kwadraat en dan met bergen en vele malen ruiger. Bossen vol kastanjebomen, diepe gorges, hoge cols. In zo’n landschap staat al snel de WybWyb aan. Hoe kleiner de weggetjes, hoe enthousiaster de WybWyb adviseert. En de weggetjes werden smal en steeds smaller. Wij dachten toch echt op de D798 te zijn. We hadden geen idee dat D wegen ook onverhard konden zijn. De TomTom had ons al lang in de steek gelaten, zelfs de WybWyb vertoonde twijfels. Aan weerskanten staken scherpe rotsen uit, ongeveer even scherp als de rotsen waar we over heen reden. Soms moesten we stilstaan om uiterst voorzichtig langs boomstronken en rotsblokken te manoeuvreren. Het dal waarin we rijden wordt steeds dieper. Geen teken van leven, laat staan bewoning te bekennen. De TomTom laat ons in de steek, Google, Apple, zelf de WybWyb vindt het welletjes. Onze kleine Daihatsu is veranderd in een vinnig terreinwagentjes dat vast beraden is ons uit onze wanhoop te halen, hij trotseert beekjes, stenen, takken. Het wagentje is zelfs niet bang voor de ravijnen die links en rechts naast ons opdoemen. In één keer hebben wij de aard van de Cevennen leren kennen. Wat dat betreft: de WybWyb maakt waar wat ze belooft. Elke meter zie ik onze €1.200 eigen risico uit de zak vliegen.

Het duurde anderhalf uur om uit het Italiaanse dorpje te komen. Het duurt drie uur om weer een verharde weg te vinden. Iedereen die gek op avontuur is, raad ik aan de WybWyb te gebruiken, een absolute aanrader. Ik gebruik voortaan gewoon weer de TomTom. Onvoorstelbaar dat we dat eigen risico toch in de zak kunnen houden.

Gevonden

Zondag 17 februari, Cevennen

Business

Donderdag 14 februari, Schiphol

Even met andere zaken bezig.

Liegen

Dinsdag 13 februari, Lhee

Eigenlijk zijn er geen betrouwbare informatiedragers. Ik kan van iedereen van wie ik een foto maak een mede-dader van de killing fields maken. Ik combineer twee foto’s en er worden twee tijdperken met elkaar gemengd die in de verte verste niets met elkaar te maken hebben. Extra reden om zorgvuldig met informatie en ‘waarheid’ om te gaan. Ik hou dan ook niet van photoshop. Ik zou de meest grappige en kitscherige foto’s kunnen maken, maar ik doe het niet. Ik hou mij liever aan de rauwe werkelijkheid. Toegegeven, zelfs die laat ik niet ongemoeid, ik maak de boel graag wat lichter of donkerder of scherper. Meer niet, de donkere kamer getrouw in Lightroom. Maar zelfs foto’s die volstrekt niet zijn gemanipuleerd of bewerkt kunnen liegen.

Afgelopen zaterdag schreven zowel Jan als ik een blog met als titel Afscheid. Wij namen afscheid van elkaar en wisten niet of we elkaar nog, gezien de broze gezondheid van Jan, zouden zien. Ik was eerlijk gezegd ook wel erg geschrokken van zijn fysieke staat. Er zat nauwelijks anderhalve maand tussen de laatste keer en deze keer dat we elkaar zagen en het was overduidelijk dat het niet goed met hem ging.
We namen afscheid, door ons beiden in blogs beschreven. Wyb en ik liepen het tuinpad af. Ik keek achterom en zag Jan en Connie in de voordeur staan om ons uit te zwaaien. Ze hadden beiden bijna dezelfde kleur trui aan. In de tuin stond een struik met bolletjes die ook ongeveer dezelfde kleur hadden. Daar komt bij het emotionele moment. En ik besloot alsnog een paar foto’s te maken. Als je elkaar misschien niet meer ziet, moet je elkaar maar zoveel mogelijk op foto vastleggen. Daar komt bij dat Jan en ik met een fotoproject bezig waren. Met foto’s en tekst zouden we een soort biografie van Jan maken. Goed mogelijk dat we het niet kunnen voltooien. Maar deze foto’s hebben we dan tenminste.
Thuis zette ik de foto’s op mijn computer en wat blijkt: Jan ziet er helemaal niet ziek uit. Jan en Connie zien er uit als een stel dat op het punt staat een wereldreis te maken voor pensionados. Beiden stralen, gek op elkaar, zin in die wereldreis.

Er zijn twee mensen met wie ik Wordfeud, met Jan en met mijn Nicht uit Frankrijk. Per dag leggen we ieder ongeveer twee keer een woord. Soms doe ik het met grote tegenzin. Komt het Wordfeuden mij de neus uit. Maar ja, dat Wordfeuden is ook een mooi contact met de familie. Tradities moet je koesteren, er zijn er toch al zo weinig.
Na mijn afscheid van Jan legt hij geen woord meer. Zijn blog verschijnt niet op zondag en ook niet op maandag. Een keer niet verschijnen kan, twee keer niet verschijnen is ongewoon. Ik begin mij ongerust te maken.
Dinsdag zie ik dat Connie mij toevoegt aan een Whatsapp groep met de titel Update Jan. Ik weet genoeg, bel haar en krijg te horen dat Jan in het ziekenhuis ligt. Het gaat nu redelijk met hem, maar hij is zeker niet voor niets opgenomen. De foto’s hieronder liegen nog meer vind ik met terugwerkende kracht. Niet over de liefde tussen Jan en Connie, maar wel over de gezondheidstoestand van Jan.

 

 

Gevonden

Dinsdag 12 februari, Nijmegen/Lhee

#metoo

Maandag 11 februari, Lhee

Ooit zei iemand mij eens dat er twee mensen zijn waar iemand die een functie bekleedde altijd op moppert: zijn voorganger en zijn opvolger. Dat eerste klopt geloof ik wel. Dat tweede niet. Dat komt omdat ik me nog nooit om opvolgers heb bekommerd. Als ik weg ben, ben ik weg en wat er met de organisatie gebeurt die ik achterlaat en waar ik met veel plezier en inzet heb gewerkt: het zal wel. Ik heb er geen invloed meer op, wil mijn opvolger niet voor de voeten lopen en laat letterlijk de boel achter me.
Vandaag ben ik bij het afscheid van mijn opvolger bij de stadsschouwburg in Leeuwarden, De Harmonie geheten. Arthur heeft het na mij liefst 17 jaar gedaan, wat wil zeggen dat ik dus al 17 jaar weg ben. Hij krijgt een groots afscheid, met veel mooie speeches en optredens. Menigeen kan jaloers zijn op zo’n afscheid.

Rijst bij de lezer natuurlijk de vraag hoe mijn afscheid was van De Harmonie. Daar is moeilijk antwoord op te geven. Ik ben namelijk twee keer directeur van het bedrijf geweest en heb twee keer op totaal verschillende wijze afscheid genomen. De eerste keer kwam aardig overeen met het afscheid van Arthur: een volle zaal, hoogwaardigheidsbekleders die lovende dingen zeiden, emotionele speeches en verrassende optredens.

Dit afscheid stond in schrille tegenstelling tot mijn laatste afscheid. Mijn laatste afscheid was een mythisch afscheid en was oorzaak van een onvervalste #metoo. Als directeur had ik mijn grote liefde gevonden. Niks mis mee, maar die liefde was toevallig een medewerker van me, iemand met wie ik in hiërarchische verhouding stond. Een doodzonde natuurlijk.
De eerste keer dat ik Wyb kuste, voor degene die van details houdt, was op 21 december, Harlingen was in een koude mist gehuld, wij liepen samen op de pier van Harlingen die als een lange arm op het wad ligt. Tijdens onze wandeling, en lang daarvoor, nam onze liefde onmetelijke proporties aan. Je had die pier en wij, verder was er niets.
Lang, heel lang hebben wij ons ingehouden. Maar die pier was te lang, de mist te mooi en terug van die pier kusten wij elkaar voor de eerste keer. En ik wist: vanaf nu is alles anders. Privé, zakelijk. De wereld op zijn kop.

Toen wij, in grote liefde en zielsgelukkig, in het treintje van Harlingen naar Leeuwarden zaten, zei ik tegen Wyb: ‘Vanaf nu ben ik geen directeur meer van De Harmonie.’ Niemand die het nog wist, maar ik wel. Drie maanden later maakten wij bekend wat wij al langer wisten en stak de storm op die ik verwachtte. Niet dat het in mijn buurt hard waaide. In het oog van de orkaan is het windstil.
Om ons heen ontstond van het ene op het andere moment een ijzingwekkende stilte. Wyb werd verbannen naar een kantoortje op een advocatenkantoor. Ik zat alleen in mijn directiekamer, keek doelloos uit het raam. Gelukkig hadden we onze aftocht geregeld. Bitter noodzakelijk anders had men mij kunnen opsluiten in een gekkenhuis. Een paar weken later kon ik ergens anders beginnen, ver weg in een grote stad waar men nieuwe levens kan beginnen.

Aan mijn laatste dag in De Harmonie heb ik geen herinnering. Vermoedelijk vakkundig verdrongen. Ik denk dat ik samen met Johanna, mijn trouwe assistente, ik ben haar eeuwige dank verschuldigd, mijn boel in dozen heb gepakt. Ik zal afscheid van haar hebben genomen en zonder verder iemand of iets goedendag te zeggen, niemand had daar behoefte aan, het pand hebben verlaten. In nog oudere tijden zou men mij buiten hebben opgewacht, met pek en veren hebben ingesmeerd en hardhandig de stad uitgerold.
Dit alles zit altijd prominent in mijn hoofd als ik naar De Harmonie ga, zeker als ik naar het afscheid van mijn opvolger ga.

18 jaar na dato durf ik er pas over te schrijven. En dat komt vooral omdat dit verhaal eindigt zoals zoveel verhalen: En ze leefden nog lang en gelukkig.

 

Gevonden

Maandag 11 februari, Dwingeloo

Boom

Zondag 10 februari, Lhee

Als we van Nijmegen terugkomen, besluiten we eerst langs het Rozendaalse Veld te gaan om Dies uit te laten. Het Rozendaalse Veld is een soort paradijs voor honden, een groot heidegebied waar ze vrijelijk los mogen lopen en een heleboel andere honden tegenkomen. Vroeger was dit gebied, onderdeel van de Veluwe, zo’n beetje onze achtertuin. Een paar keer per week lieten we hier Dickens uit die het mede een heerlijk gebied vond omdat we diverse plassen tegenkwamen.
Dickens was een blonde labrador, een hondenras waarvan je zou verwachten dat het van zwemmen hield. Dat was bij Dickens totaal niet het geval. Als het water dieper dan zijn borst kwam, maakte hij dat hij weg kwam. Dat wil niet zeggen dat Dickens niet van water hield. Hij was er gek op. Maar dan moest het wel de vorm van een plas hebben aangenomen.
Hij vond niets heerlijker dan in plassen liggen rollen. Aangezien de plassen van het Rozendaalse Veld door de zandgrond nogal modderig zijn, hadden we regelmatig een zwarte labrador in plaats van een blonde. Dickens was nauwer verwant aan het varken dan de hond.
We zijn voor het eerst sinds jaren op het Rozendaalse Veld. Het vervult ons met weemoed. Toch onvoorstelbaar hoe periodes in je leven komen en gaan. Ze zijn voorbij voordat je het weet. We hebben vijf jaar met veel plezier in Arnhem gewoond, een stad die het meer van haar omgeving moet hebben dan van haar centrum. Je kunt niet alles hebben.

We lopen het gebruikelijke rondje op het Rozendaalse Veld. We wijzen elkaar de plassen aan waarin Dickens lag te rollen. Zijn rondje bestond er vooral uit om van de ene naar de andere plas te rennen. Op een gegeven moment verlaat ons rondje het heideveld en duiken we het bos in. We zijn benieuwd hoe het met de majestueuze boom gaat. Hij is een van de vele koningen van het bos, een eik die er al eeuwen staat, die gewoon gestaag groeit, zich niets aantrekt van het gewoel der mensheid. Zijn dikke takken strekken zich imposant uit, hij eist steeds meer ruimte, kleine boompjes krijgen bij hem geen enkele kans. Vroeger bleven we altijd even bewonderend bij de boom staan.
Ik schrijf dit in de tegenwoordige tijd. Bij de majestueuze boom aangekomen, blijkt dat ik in de verleden tijd had moeten schrijven. Onze boom is rigoureus geveld. De helft van de boom is afgebroken, vermoedelijk getroffen door een onweer. De machtige takken liggen op de grond te vergaan, overgeleverd aan mossen en insecten. De majestueuze boom kunnen we niet langer meer majestueus noemen. Alweer een vriend uit het verleden geveld. We nemen een paar foto’s ter afscheid.

Gevonden

Zondag 10 februari, Lhee

Afscheid

Zaterdag 9 februari, Nijmegen

Ik moet de lezer van Dossiermoddergat misschien toch even waarschuwen en mijzelf verexcuseren. Ik had echt het heilig voornemen om elke dag trouw een blogje te schrijven. Maar het lukt me niet. Onze toekomstplannen eisen te veel tijd. 15 maart dient er geëmigreerd te worden en dat levert het nodige werk op. Er moet een bedrijf in Frankrijk worden opgericht. Inmiddels komen er reserveringen binnen. Er moeten afspraken worden gemaakt met bedrijven die Les Trois Comtes gaan verkopen. De boel moet in alle opzichten worden georganiseerd.
En dat niet alleen. Er moet ook afscheid worden genomen. Nou ja, afscheid. Het vliegveld van Montpellier ligt 45 minuten van Saint-Hippolyte-du-Fort. Dat ligt dus dichterbij dan Schiphol van Dwingeloo. Er zijn dagelijks drie retourvluchten en het is 1 uur en 45 minuten vliegen. Binnen 4,5 uur kan ik op de Dam in Amsterdam staan. Wat is afstand nog tegenwoordig.
Maar ik moet toegeven, het voelt toch anders. Emigreren is een groot woord. Een nieuw vak gaan beoefenen is ook niet niks. Het voelt als een eind van een lange periode, het begin van een nieuwe waarvan we moeten afwachten hoe lang die precies gaat duren.

Vandaag zijn we op onze afscheidstournee in Nijmegen, bij Jan en Connie. Opeens voelt emigreren rauw aan, want het gaat helemaal niet goed met Jan. We zagen Jan nog op zijn verjaardag eind december. Voor het eerst vierde hij dat ingetogen met alleen zijn naaste familie. Dat is helemaal niets voor hem. Ik ken niemand die zijn verjaardag zo consequent en met plezier vierde als Jan. Misschien was het een voorbode, een voorteken. Sinds zijn verjaardag is zijn gezondheid versneld achteruit gegaan.
Wyb en ik ontmoeten Jan en Connie in het cafeetje bij hen in de straat op de hoek. Ze sluiten net een bijeenkomst af van hun zaterdagochtendclub. Elke zaterdag ontmoet een wisselend gezelschap elkaar in de plaatselijke boekhandel. Omdat Jan daar niet meer kan komen, vinden de ontmoetingen tegenwoordig in het cafeetje plaats.
‘En hebben jullie goede gesprekken gehad?’ vraag ik Connie.
‘We hebben gesproken over de Dood &  de Dingen,’ waarmee ze refereert aan de titel van een gedichtenbundel van Jan. En daarmee zegt ze veel.

Als we van het cafeetje naar hun huis lopen, veertig meter, zie ik hoe slecht Jan loopt. Voetje voor voetje schuifelen we naar de overkant. Aan de keukentafel krijgen we een precieze update van de gezondheid van Jan en die is niet hoopgevend. Zijn nierfunctie nadert de kritische waarde. Goed mogelijk dat hij dadelijk aan de nierdialyse moet. Maar het is de vraag of zijn broze door medicijnen aangetaste lichaam dat wel aan kan. Jan zegt dat de patiënten folder dan eufemistisch spreekt over een conservatief scenario.

Na een heerlijke lunch en kout die alle kanten op fladdert, zoals gebruikelijk, nemen we afscheid van elkaar. Ik zeg dat ik eind mei mogelijk graag bij hen wil logeren omdat ik dan nog een laatste verplichting in Nijmegen heb.
Jan schrijft later in zijn blog van die dag met als titel Afscheid: ‘Als neef vertrekt vraagt hij of hij in mei een paar dagen vanuit Frankrijk kan komen logeren. Ik hoop ons allebei aan deze afspraak te kunnen houden.’

 

 

 

Gevonden

Zaterdag 9 februari, Lhee

Donker

Vrijdag 8 februari, Lhee

 

Donkere kamer

Wie dan ook. Waar dan ook. Bij inzoomen
valt alles uiteen in korrelig gruis. Mens
en lucht zijn gebouwd uit onzichtbare punten,
een speling van het licht. Het beeld ontstaat
door samenloop van vlekken.

In een donkere kamer sleutel ik aan
werkelijkheid waar ik het niet mee eens ben.
De dag moet zonniger. Jij mag niet verouderen.
Met een penseel dwing ik je huid glad.

Ik schep jou naar mijn beeld, dat nooit
wordt wat ik uiteindelijk vastleg. Ik herplaats
punten, vervang vlekken.  En keer op keer
weet ik weer dat werkelijk niets maakbaar is.

Wie dan ook. Waar dan ook.

Gevonden

Vrijdag 8 februari, Lauwersoog/Lhee

Dies

Donderdag 7 februari, Lhee

Paul

Dinsdag 5 februari, Lhee

‘Ga je vanavond mee naar de voorstelling?’ vraagt Wyb.
‘Wat is er?’
‘Paul de Leeuw.’
‘Oh, nee. Ik denk het niet.’
Ik ben nogal uitgekeken op Paul de Leeuw. Als ik hem op televisie zie, zap ik meteen door. Hij is zichzelf zo aan het herhalen. Hij is zo nadrukkelijk leuk aan het doen dat het niet meer leuk is. De frisheid van een paar decennia geleden is totaal verdwenen, altijd diezelfde maniertjes.

‘Kom je vanavond thuis eten?’ vraag ik even later aan Wyb.
‘Alleen als jij vanavond mee naar Meppel gaat.’
‘Naar Paul de Leeuw?’
‘Ja.’
‘Oké dan.’
Ik heb er wat voor over om niet alleen te eten. Bovendien realiseer ik me dat ik het aankomende jaar, in tegenstelling tot de veertig jaar hiervoor, niet naar het theater zal gaan. Toch nog maar even gaan nu het nog kan.

Alles wat ik hiervoor zei over Paul de Leeuw is niet waar. Want tot mijn verrassing blijk ik enorm te genieten van zijn show. Toch goed om zo nu en dan even uit je zelf gecreëerde bubbel te stappen. Alle oordelen die ik over hem had gevormd door die flauwe televisieprogramma die hij presenteerde blijken niet te kloppen.
Ik zie een cabaretier die een soort onbenoemde cabaretier des vaderlands is. Het is alsof ik bij een leuke oom op bezoek ben. In de zaal zitten de meest uiteenlopende neefjes en nichtjes van hem, allen een totaal andere achtergrond, en ze zitten allemaal van hun oom te genieten. Ik ken niemand met zo’n divers publiek. Zijn liedjes zijn mooi, zijn verhalen zijn sympathiek, soms scherp, verrassend. Alles gebracht met een natuurlijke nonchalance waardoor hij een mooie intieme sfeer creëert. Volgende keer, als die keer tenminste komt, ga ik zeker weer.

Goed dat ik ben meegegaan want Patrick Neederkorn blijkt speciaal naar Meppel gekomen om afscheid van ons te nemen. Het duurt nog vijf weken voordat we uit Nederland vertrekken en ik voorzie dat het vijf weken afscheid nemen wordt. Wie we ook spreken, het gaat altijd over ons naderend vertrek. Op zo’n avond realiseer ik me hoeveel we achterlaten. De gewoonte van naar het theater gaan, veel zien, heel veel zien, het op de voet volgen van het theater. Alle mensen die we in die wereld kennen. Het is om weemoedig van te worden. Maar goed, er zijn ook een heleboel redenen om te kiezen voor de beslissing die we hebben genomen. Ook dat zal vast nog ter sprake komen.

Gevonden

Dinsdag 5 februari, Den Haag/Lhee

Koffertje

Maandag 4 februari, Lhee

Over veel van mijn blogs ligt in deze periode een zweem van sentiment en nostalgie. Heeft alles te maken met het feit dat ik weer met een archeologisch project bezig ben, het graven in mijn eigen verleden, gedwongen door de aankomende verhuizing. Spullen die jaren onaangeroerd lagen, of spullen die jaren onder andere spullen vergeten lagen te verouderen, gaan nu weer door mijn handen. Ik roer door het verleden, het verleden beroert mij.

Zo kwam onder een stapel oude tassen, Wyb is een verzamelaar van tassen, dit koffertje tevoorschijn. Het koffertje staat voor een van mijn levens. Met dit curieuze ding heb ik letterlijk heel Nederland doorgereisd. Soms voelde ik mij een handelsreiziger in jeugdliteratuur. Ik weet zeker dat ik tot de top hoor van mensen die de meeste bibliotheken van binnen heeft gezien. En niet alleen bibliotheken, ook scholen. Per jaar reisde ik wel een stuk of twintig keer af om groepen kinderen te vermaken met jeugdliteratuur. Ik las voor, ging in gesprek, deed spelletjes, zette ze aan tot zelf schrijven, vormde koren waarin we scholen opschrikten met schreeuwgedichten.

Dit koffertje was mijn reisgezel. In het koffertje zaten de boeken en gedichten die ik voorlas. En niet te vergeten de boekenleggers waar ik op het einde van zo’n les mijn handtekening op moest zetten. Er waren momenten dat kinderen vochten om mijn handtekening. Ik vond dat altijd erg grappig. Benieuwd hoeveel van die handtekeningen niet in de prullenmand zijn verdwenen. In al die jaren heb ik echt wel duizenden kinderen enthousiast proberen te maken voor lezen en zelf schrijven. Ben zo benieuwd of het bij één iemand enig resultaat heeft opgeleverd.

Belangrijke vraag bij al die sessies: ‘Meneer, wat heeft u een raar koffertje. Hoe komt u daar aan?’ En dan vertelde ik dat het koffertje uit India kwam. Dat kinderen in India geen geld hebben om een schooltas of rugzak te kopen en dat alle kinderen daarom dit koffertje krijgen.
Volgende vraag: ‘En heeft u dat gekregen?’ Ik vertelde ze dan dat ik ooit op een school in India was en aan de kinderen daar vertelde dat ik een kinderboekenschrijver uit Nederland was. De Indiase kinderen wilden weten hoe de scholen er in Nederland eruit zagen. Ik vertelde ze dan over de rijkdom van de Nederlandse scholen, dat alle kinderen bijvoorbeeld een verschillende schooltas hadden. Dat dit misschien leuk leek, maar dat ze daardoor niet zo’n mooi ijzeren koffertje hadden. De kinderen in India vroegen of ik hun ijzeren koffertjes inderdaad veel mooier vond dan die schooltassen in Nederland. Veel mooier, zei ik. Waarop een van de Indiase kinderen mij zijn schoolkoffertje gaf, het koffertje dat nu hier in Nederland in de klas ligt.

Het verhaal was niet waar. Maar als fictieschrijver heb je vooral de plicht mooie verhalen te vertellen. De waarheid is dat Wyb het koffertje ooit meenam uit India omdat ze het zo mooi vond. Dat het de schooltas was van veel Indiase kinderen is absoluut waar. Maar of dat nu nog zo is, vraag ik me af. Ook in India zie ik inmiddels veel kinderen met een rugzak op naar school gaan. Zeker is dat het koffertje jarenlang mijn onafscheidelijke reisgezel was. Natuurlijk gaat het mee naar Frankrijk, het is voor mij een monumentje van een afgesloten leven.

Gevonden

Maandag 4 februari, Lhee

Geluk

Zondag 3 februari, Lhee

Onze opslag in Meppel is leeg. Vijf jaar lang betaalden we elke maand een huurbedrag voor bezit dat we niet hebben gemist. Van meer dan de helft van de opslag hebben we definitief afscheid genomen. Zo stonden er in de opslag ongelooflijk veel boeken van de kinderboekenschrijver Gerard Tonen die hij uit ramsjpartijen had opgekocht in de tevergeefse hoop dat hij ze ooit nog eens door zou kunnen verpatsen. Uiteindelijk hebben we ze naar de bibliotheek gebracht en grote kans dat alle kinderen uit Drenthe aankomende maand een boek van voornoemde auteur rijker worden.

Een verhuizing betekent ook delven in het verleden. Lang niet alles uit de opslag gaat weg. Bij elke verhuizing vindt het ritueel plaats dat je dozen doorloopt waarin je anders nooit kijkt. Want wie weet kun je toch nog iets weggooien. En bij elke verhuizing gooi je wat dingen weg, maar de dozen vol herinneringen blijven.

Vandaag was het typisch zo’n zondag om dergelijke dozen door te lopen. Je weet het van tevoren: het wordt een dag vol weemoed en sentiment. Kijk naar onderstaande foto’s, voor niemand hebben ze betekenis, maar bij het bekijken opent zich voor mij het verleden, met alle zoete herinneringen vandien. Twee van de foto’s app ik naar Lies en schrijf erbij: geluk was toen nog heel gewoon. We studeerden, we hielden van elkaar, er lag een prachtig leven voor ons, daar waren we van overtuigd. We waren nog vogels die vrolijk in de vrije natuur rondvlogen -we zouden nooit worden gevangen.

Bij het zien van de foto’s komen de oude herinneringen terug. Onze studententijd, ons huis op de Westkanaaldijk met uitzicht op het Maas- en Waalkanaal en de Hatertse Vennen, onder ons de verkenners, het huis dat zo koud was dat regelmatig de dekens bevroren waren door onze adem. En altijd bezoek. We hielden een gastenboekje bij en er staan echt honderden mensen in. In mijn herinnering zijn we uit Nijmegen gevlucht door het onaflaatbare bezoek dat we hadden.

De foto’s zijn gemaakt in Luik. Het zal in 1974 of 1975 zijn geweest. We waren er met een vriend die ook een fanatiek fotograaf was. Die man met al dat haar is geen jonge Russische anarchist uit het begin van twintigste eeuw, het is ook niet een aap die opmerkelijk veel menselijke trekken heeft. Die man met dat haar ben ik. Ongeknipt naar de laatste mode, gebaseerd op revolutionair denken, sterke hippie invloeden en een beetje artistiek doen. Ja, lach maar. Das war einmal. Geluk was toen nog heel gewoon. Zelfs met zo’n outfit.

Gevonden

Zondag 3 februari, Luik/Nijmegen/Lhee

Schetsboekjes 2

Zaterdag 2 februari, Lhee

En natuurlijk hebben we nog zo’n kunstenaar waarvan de meneer van Hollands Promotion uitroept dat hij ‘economie’ is, een kunstenaar die velen in hun hart hebben gesloten: Vincent van Gogh. Op het Museumplein zijn Rembrandt en Vincent buren geworden. Ze hebben bovendien veel gemeen: enorme gedrevenheid, gecompliceerd leven, totale fixatie op hun werk.
Ik denk dat Vincent van Gogh de eerste kunstenaar is die ik leerde kennen. Mijn moeder was namelijk gek op hem, ze vond zijn werk fantastisch. En ik moet bekennen, ik ook. Al heel jong kreeg ik boeken over zijn werk en leven. Er is een periode dat ik zijn werk gewoon te vaak gezien had en ik hem wel heel erg een koekjestrommelkunstenaar vond. Gelukkig is die periode voorbij en kan ik weer volop genieten van zijn werk.
Velen vinden Rembrandt Nederlands grootste kunstenaar, ik kies toch voor Van Gogh, als ik zou moeten kiezen. Gelukkig hoef dat niet.

Twee dagen geleden schreef ik in een blog over schetsboekjes. De directeur van het Van Gogh Museum liet bij Jinek een paar prachtige facsimile-uitgave van de schetsboekjes van Van Gogh zien. Ze zijn zo goed nagemaakt dat het bijna lijkt alsof je Van Gogh zelf in je hand houdt. Ik begon meteen te watertanden en schreef: ‘Ik zou die boekjes graag willen hebben, toch eens informeren wat ze kosten.’

Uiteindelijk hoefde ik dat niet te doen. Van Leo Pot kreeg ik de volgende mail: ‘Ha gerard,
Enthousiast gemaakt door jouw blog dacht ik: “zo’n schetsboekje ga ik kopen!” Helaas valt de prijs een beetje tegen: € 5.950,- Als alle duizend verkocht worden is dat een omzet van bijna 6 miljoen. Daar kun je wel wat boekjes voor laten drukken… Groetjes, Leo.”

€5.950,-, alsjeblieft. Ik heb zelf ook nog even gekeken, geloofde hem nauwelijks. Maar het klopt. Je krijgt er voor dat geld ook nog een stijlvol, maar pronkerig bewaarmeubel bij. Zo’n meubel dat ik echt niet in mijn huis wil hebben. Ik zou zeggen: ‘Doet u mij alleen maar die schetsboekjes, dat meubel mag u houden. Wat scheelt dat in de prijs?’ Het zal weinig schelen want er is natuurlijk geen enkele verhouding tussen de verkoopprijs en de kostprijs. We hebben hier te maken met marketing, fondswerving, merchandising. De industrie rond volkskunstenaar Vincent van Gogh wordt mede bekostigd door dit soort geile uitgaven die een beroep doen op het hogere consumentensegment.

Als ooit de wederopstanding plaatsvindt, worden zowel Vincent als Rembrandt totaal gek als ze zien wat ze hebben veroorzaakt. Met ongeloof en verbijstering, en ik vrees zelfs met afkeer, zullen ze zien wat er met hun werk is gedaan. Ik vrees ook dat de meneer van Holland Promotion best voor zijn leven mag vrezen. De beide heren waren fanatieke mannetjes. Rembrandt zal zeker een percentage van de totale historische opbrengst willen hebben. Ik vermoed dat Vincent meteen weer een einde aan zijn wederopstanding maakt.

 

 

Gevonden

Zaterdag 2 februari, New York/Lhee

Ogen

Vrijdag 1 februari, Lhee

Afgelopen week werd het Rembrandt jaar geopend door Prinses Beatrix in het Mauritshuis. Bij die gelegenheid hoorde ik iemand van Holland Promotion roepen dat Rembrandt ‘geld’ is, ‘economie’. Rembrandt vertegenwoordigt een onschatbare waarde voor de BV Nederland. De weinige keren dat je politieke en bestuurlijke elite enthousiast ziet zijn over kunst is als het over Rembrandt gaat. Rembrandt is inmiddels gesettelde VVD-kunst. De VVD omarmt kunst alleen als er goed geld mee te verdienen valt. Het is ook CDA-kunst geworden. Veel bijbelse taferelen, keurige figuratieve kunst en Rembrandt symboliseert de nationale trots. Niet voor niets wil dit kabinet alle jongeren naar het Rijksmuseum hebben.

Het staat in flagrante tegenstelling tot wie Rembrandt eigenlijk was. Rembrandt was een recalcitrante, nukkige, onmaatschappelijk kunstenaar. Op jonge leeftijd floreerde hij, werd aanvankelijk stevig omarmd door de Amsterdamse elite. Maar daarna trok hij zich weinig aan van de christelijke huwelijksmoraal en de artistieke mode. Rembrandt schilderde steeds eigenzinniger, steeds persoonlijker. Was de mode glad schilderen, Rembrandt was een soort pre-impressionist. In zijn werk introduceerde hij misschien wel voor het eerst in de geschiedenis de vrijheid, de werkelijke artistieke, humanistische ziel. Niet langer was god het middelpunt van de kunst, bij Rembrandt werd hij zelf, het individu het middelpunt van de kunst. Niet voor niets schilderde hij tientallen zelfportretten.

Rembrandt raakte tamelijk aan lager wal. De Amsterdamse elite keerde hem de rug toe en hij ging failliet. Hij moest zijn prachtige atelier aan de Jodenbreestraat verlaten. Hij trad in dienst van het bedrijf van zijn zoon opdat hij niet totaal werd leeggeplukt. Zijn werk werd zo eigenzinnig dat zijn tijdgenoten hem nauwelijks nog begrepen. In zijn schilderijen, maar vooral in zijn tekeningen, werd hij steeds autonomer.
En laat dat nou de reden zijn waarom we Rembrandt de grootste van zijn tijd vinden, een monument in de kunstgeschiedenis. Juist zijn onaangepastheid, zijn onmaatschappelijkheid, zijn schijt aan conventies zorgde ervoor dat hij een menselijk stem werd in zee van opdrachtkunst en godsdienstconventies.

Rembrandt is ingelijfd door keurig Nederland. Nippend aan hun glaasjes vierde het bij de opening van het Rembrandtjaar dat Rembrandt een merk is, een geldmachine. Houzee voor de BV, juichend als er weer een stukje nieuwe Rembrandt wordt ontdekt, vermenigvuldiging van de goudmijn.
Ik vier elk jaar Rembrandt door langs zijn zelfportretten te lopen en hem in zijn droeve ogen te kijken.
Jammer dat al die keurige burgermannen en -vrouwen niet beseffen dat keurigheid en in de pas lopen nog nooit een Rembrandt heeft voortgebracht.

Gevonden

Vrijdag 1 februari, Nes/Lhee

Schetsboekjes

Donderdag 31 januari, Lhee

Vaak begint mijn televisieavondje pas om half twaalf of twaalf uur. Zo ook vandaag. Dit keer na een toneelstuk van Tsjechov dat 2,5 duurde, Het Duel. Voor de liefhebber mooi gespeeld, helder vormgegeven. Degene die nooit naar toneel gaat, denkt: wat is dit voor een trage zooi, waar zijn al die woorden voor nodig en waarom een toneelstuk maken over een duel, leven we nog steeds in de negentiende eeuw?
Gelukkig is er na zo’n avond Jinek. De directeur van het Van Goghmuseum is te gast. Hij laat de schetsboekjes van Vincent van Gogh zien die perfect zijn nagemaakt. De originelen zijn in een kluis gestopt, te broos om nog in te zien. De schetsboekjes zijn nagemaakt in een oplage van 1000, zelfs de versleten elastiekjes onderscheid je niet van echt. Ik zou die boekjes graag willen hebben, toch eens informeren wat ze kosten.
Ooit kocht ik de complete cassette van de brieven van Van Gogh, vier kloeke delen, cassette en de afzonderlijke boeken in fel zonnebloemgeel. Het eerste deel heb ik half gelezen. Het verder lezen werd vermoedelijk verstoord door drukke werkzaamheden. De cassette staat prominent in mijn boekenkast en roept voortdurend: verder lezen, verder lezen. Als ik echt oud ben en de dagen moe ga ik er echt aan beginnen.

Over cassettes gesproken. Bij mijn afscheid in Leeuwarden kreeg ik het verzameld werk van Nescio in ook al een prachtige cassette, oer-Hollands bruin. Ik heb al eerder verhaald over onze opslag in Meppel. Een groot deel van onze spullen stonden daar vijf jaar opgeslagen. Niets heb ik er van gemist. De cassette van Nescio was het enige waar ik wel eens aan dacht. Ik had er spijt van dat ik het in een van de vele dozen had opgeborgen. Het werk van Nescio en J.D. Salinger is het enige dat ik nog wel eens herlees. Vorige week kwam de cassette tevoorschijn. Hij staat nu naast die van Van Gogh te pronken. Ook al lees je er niet in, het is een prachtig bezit. Het feit dat je het onder handbereik hebt, dat je zomaar naar de kast kunt lopen en ter hand nemen, is toch ook heel wat waard. Morgen zal ik weer eens goed voor Nescio gaan zitten.

Gevonden

Donderdag 31 januari, Amsterdam/Lhee

Kommetje

Woensdag 30 januari, Lhee

 

Ik heb de jaren dichtgesmeerd.
Nergens een kier of scheur te bekennen.

Ik isoleerde mijn bestaan van woord
en beeld, schreef nota’s, jaarverslagen.

Een management-letter tot slot. Toch
sijpelde zo nu en dan iets uit de muur.

Bloed kruipt gelukkig door beton
en stalen wanden. Rode tekens

dat ik toch bestond. Spaarzaam.
Druppels, een paar per jaar, ik bewaar ze

in een kommetje in de oude kast.
De sleutel heb ik in mijn zak, kleinood

dat ik koester. Altijd maar weer hopen

Gevonden

Woensdag 30 januari, Moddergat/Lhee

Kat

Dinsdag 29 januari, Lhee

Vanuit het slaapkamerraam zie ik midden in het weiland naast ons huis de witte kat zitten. Even voel ik het verdriet om Gijs. Jarenlang zat op diezelfde plek Gijs, onze halve Noorse boskat die half oktober stierf van ouderdom en nijd. Hij was in en in boos omdat we Dies in huis hadden gehaald, een hond, het dierensoort dat hij zo haatte. Alle weilanden om ons huis, de weilanden naast en voor ons huis, behoorden tot het landgoed van Gijs. Superieur heerste hij erover, geen kat die het waagde de weilanden te betreden.

De witte kat die nu zijn plaats heeft ingenomen, heb ik in de jaren van Gijs slechts éénmaal gezien. Ook toen zat hij in hetzelfde weiland. Ook toen stond ik voor het slaapkamerraam. De witte kat zat zoals katten graag in weilanden zitten: roerloos, klaar om een muis te grazen te nemen. Op dat moment zie ik Gijs het weiland insluipen.
Met grote vaardigheid tijgert hij naar de witte kat die niets in de gaten heeft. Hij besluipt de witte kat tot enkele centimeters, pas dan krijgt de witte kat hem in de gaten. De witte kat heeft blijkbaar eerder met de kracht van Gijs te maken gehad. Van angst springt hij een meter omhoog en zet het dan keihard op een lopen. In zijn rennen zit de doodsangst. Gijs doet geen enkele moeite hem achterna te lopen. De orde is hersteld. Dit is het weiland van Gijs en van niemand anders.

Sinds de dood van Gijs heeft de witte kat zijn plaats overgenomen. Hij heeft er zomaar drie uitgestrekte weilanden bijgekregen. Het beeld van Gijs op de weilanden is zo vertrouwd dat ik soms denk hem weer te zien lopen. Soms verschijnt hij ook zomaar voor onze tuindeuren om te vragen of hij naar binnen mag. Vorige week verscheen de witte kat voor de tuindeuren. Toen hij enige beweging zag, vluchtte hij weg.

Het graf van Gijs is inmiddels vrijwel uitgewist. De bloemen die we er op hadden gezet zijn verwelkt en door de herfststormen weggewaaid. De twee houtblokken die we er eerbiedig op hadden gelegd liggen een paar meter verderop. En ook Wyb en ik worden dadelijk een eind verplaatst, Gijs zal achterblijven. Maar hij ligt toch mooi in zijn eeuwige jachtvelden, het land waar hij superieur over heerste en het mooiste leven leidde dat een kat zich kan wensen. De witte kat zal hem zeker herinneren.

Gevonden

Dinsdag 29 januari, Drôme/Lhee

Alfa

Maandag 28 januari, Lhee

‘Mensen zijn over het paard getilde dieren.’ De uitspraak is afkomstig van Theunis Piersma, een trekvogelecoloog, en stond boven een interview met hem. Het interview is onderdeel van een serie die journalist Fokke Obbema in de Volkskrant schrijft over de zin van het leven. Hij besloot de serie te schrijven nadat hij een bijna dood ervaring had.

Het is een kop die mij meteen treft. Ik ben inderdaad van mening dat de mens een dier is, een dier begiftigd met meer denkvermogen dan andere dieren. Ik zeg bewust denkvermogen en geen verstand. Ook andere dieren hebben verstand, maar zij hebben een denkvermogen dat in overeenstemming is met hun kunnen.
Mensen hebben een denkvermogen dat is doorgeschoten en in geen verhouding staat met zijn omgeving. We dromen nu al over woongemeenschappen op Mars en kolonies op de maan. Prima, ondertussen zijn we bezig met het systematisch kapot maken van onze eigen planeet, en dit met diepe minachting voor alles wat groeit en bloeit op de aarde.
Ooit op de stranden van Azië gezeten, gezwommen in het water daar? Er ontwikkelt zich daar een plastic ecologie die zijn weerga niet kent. Zelfs in een van de meest beschaafde landen van de wereld, Nederland, lukt het ons niet om de meest eenvoudige klimaatdoelstellingen te halen.

De mens is niet alleen een over het paard getild dier, het is ook een in en in slecht dier. Ik raad iedereen aan de documentaire Get Me Roger Stone op Netflix te zien. Roger Stone is een van de belangrijkste adviseurs van Trump.  Wie ooit heeft gedacht dat Trump gewoon dom of onhandig is en daardoor zoveel liegt, heeft het helemaal fout. Zijn verdraaien van de waarheid, zijn goochelen met feiten, is bewust onderdeel van het destabiliseren van de Amerikaanse samenleving. Dit allemaal om rabiate conservatieve politiek te laten heersen. De mens speelt met de mens zoals de kat met de muis speelt als hij hem heeft gejaagd en in zijn macht heeft.

De mens is met zichzelf op de loop. Zijn superioriteitsgevoel is alle grenzen voorbij. Er zijn twee eigenschappen die voor het overleven van de soort en het vreedzaam samenwonen  met elkaar van belang zijn: redelijkheid en mildheid. Het zijn uitgerekend de eigenschappen waar steeds meer met minachting naar wordt gekeken. De moderne machthebber, de zogenaamde sterke man, de Trumps en de Erdogans, moeten er niets van hebben. Natuurlijk niet. Redelijkheid en mildheid ondermijnen alfa gedrag, het over het paard getilde dier.

Gevonden

Maandag 28 januari, Moddergat/Lhee

Gehandicapt

Zondag 27 januari, Moddergat

‘En hoe is je Frans?’ Dit is een van de meest gestelde vragen aan me de laatste tijd. Ik kan niet anders antwoorden dat mijn Frans beroerd is. Op school had ik er ontzettend de pest aan. Lastige taal, vooral voor iemand die toch al weinig taalgevoel heeft. Al mijn taalgevoel is, vrees ik, in het Nederlands gaan zitten, voor andere talen bleef weinig over.

Dat neemt niet weg dat ik me nu weer over studieboeken buig. Ik stamp woordjes en vervoegingen in mijn hersens. Probeer zinnen te maken, maar besef meer en meer dat ik over een paar maanden een gehandicapte ben, een taalgehandicapte. Om mij heen zal een taal worden gesproken waarvan ik slechts woordjes herken en simpele zinnen kan stamelen. Ben benieuwd of dat aan me gaat vreten. Gelukkig hebben we ook nogal wat gasten uit Amerika, Nieuw-Zeeland en Engeland, kan ik eindelijk aan mijn trekken komen.

Dat mijn Frans zo slecht is, heb ik geheel en al aan mijzelf te danken. Ik verstoorde liever de Franse lessen dan dat ik mijn best deed. De spijt kwam veel later, mijn Franse lerares heeft daar niets van gemerkt. Ik denk dat ze al lang is overleden, anders maak ik op vierenzestig-jarige leeftijd alsnog mijn excuses.
Misschien is er nog een kleine reden waarom mijn Frans zo slecht is. Komt misschien ook wel door Lies en Wyb, zonder hen de schuld te geven. Lies sprak prima Frans, Wyb spreekt het vloeiend. Ik heb al een paar keer meegemaakt  dat Fransen met verbazing merkten dat Wyb geen Française was. Mijn luiheid werd door zoveel luxe niet doorbroken. Op vakanties leunde ik volledig op hun Frans. Ik was een soort toerist die achter de gids aanliep, de gids regelde alles, vormde zelfs mijn stem. Aan mijn freewheelen moet nu een einde komen. Als ik enigszins een volwaardig inwoner van Frankrijk wil zijn, moet ik toch de taal spreken. Opnieuw ervaar waarom ik in de klas liever klooide dan leerde.

Gerede kans dat het te laat is. Van mijn vierentwintigste tot mijn vierenzestigste heb ik nooit meer iets geleerd. Ik heb heel veel geleerd, maar dat was allemaal in de praktijk, op de university of the street, of vrijwillig omdat een onderwerp mij ontzettend interesseerde. Nu moet ik weer verplicht (van mezelf) leren en ik vraag me af hoe de conditie van mijn hersenen zijn. Ik leer woordjes, repeteer ze, repeteer ze nog eens. Dan ken ik de woordjes. Mooi. Maar als ik ze na een week weer naloop, blijkt het merendeel uit mijn hersens verdwenen. Wie weet, blijf ik wel mijn hele leven daar in Frankrijk gehandicapt.

Gevonden

Zondag 27 januari, Die/Moddergat

Tonen

Zaterdag 26 januari, Moddergat

Toen Lies en ik in 1974 trouwden was het nog vrij logisch dat Lies de naam Tonen ging dragen. Al denk ik wel dat de eerste vrouwen ook in die tijd hun meisjesnaam aanhielden. In ieder geval kan ik me niet herinneren dat het tussen Lies en mij een onderwerp was. Ik vond het wel leuk want als enig kind had ik, buiten mijn ouders, nooit andere Tonens om mij heen.

Wyb en ik trouwden in 2007. De mening over het aannemen van de mans naam door de vrouw was inmiddels totaal veranderd. Ik ken nu weinig vrouwen die ook de naam van de man gebruiken. Voor Wyb gold hetzelfde. Het was niet meer dan logisch dat ze zich Wybrich Kaastra ging noemen. Bovendien vind ik de oude Friese naam Wybrich perfect bij de diep Friese naam Kaastra passen. Wybrich Tonen klinkt echt een stuk minder.

Al schrijnde er wel iets, moet ik zeggen. Wyb gebruikte in haar eerste huwelijk wel de naam van haar man. Begrijpelijk want hij was gezegend met een mooie, chique naam, een naam die ik graag had gedragen, een naam die rook naar adel en vele voorvaderen.
Tonen, ik weet het niet. Ik vind het een harde naam, die je eigenlijk alleen kortaf kunt uitspreken. Het is ook geen bijzondere naam want het Nijmeegse telefoonboek staat vol met mensen die Tonen heten, of varianten daarop, zoals Toonen, Thonen, Thoonen en Thoone. Ik ben er altijd van uitgegaan dat het een ordinaire naam is, door vele gedragen. Pas toen ik in het noorden ging wonen, bleek dat niet iedereen zo heette. In Groningen woonde één andere Tonen. In Leeuwarden was ik de enige Tonen.
In ieder geval beschuldigde ik Wyb na ons huwelijk menig keer van snobisme. Wel de familienaam aanhouden van iemand die een chique, prachtige naam heeft, maar niet van een man die een eerlijke proletarische naam heeft. Het werd een running gag die ik, als het zo uitkwam, graag naar voren bracht.

‘Hé, Gerard, heb ik wat gemist?’ roept Bas, een van de technici van Ogterop in de gangen van het theater.
Ik heb geen idee wat hij bedoelt.
‘Ik zag op jullie site in Frankrijk dat Wybrich opeens ook Tonen heet,’ verduidelijkt hij.
Goed gezien van hem. Om duidelijk te maken dat de chambres d’hôtes door een echtpaar wordt gerund, hebben we besloten ons te presenteren als Wybrich en Gerard Tonen.
‘Een overwinninkje, Bas,’ zeg ik tegen hem. ‘Ik was er altijd al tegen dat ze haar meisjesnaam gebruikte. Nu heb ik tegen haar gezegd dat ik best mee wil naar Frankrijk, onder voorwaarde dat ze mijn naam aanneemt. Eindelijk gewonnen.’

Wybrich en Gerard Tonen.

Oriëntatievermogen

Vrijdag 25 januari, Lhee

Als ik ooit blind word, moet ik zeker hier in Dwingeloo gaan wonen, in het huis waar we nu wonen. In het bos achter ons huis vind ik blindelings elk paadje, elke heuvel. Als je blind bent is dat handig, nu is het ietwat saai. Vooral sinds we Dies hebben, voel ik me soms een woudloper, we doorkruizen intensief de bossen rond ons huis.

Omdat een mens wel eens wat anders wil, neem ik soms de auto, rij drie minuten en sta dan in een heel ander gedeelte van het bos. Zowel voor Dies als mij leuk, altijd die gebaande paden. Dit keer reed ik naar het bos waar zomers de padvinders hun kampen opslaan. Ook dit bos ken ik goed, dacht ik.

Een mens is een gewoontedier. Als je door zo’n bos loopt heb je verdomme de neiging altijd weer dezelfde paadjes te lopen. Met dat besef besloot ik een paadje in te slaan waar ik nog nooit had gelopen. Een wonderschoon paadje moet gezegd, vooral in deze tijd. Het heeft alles weg van een sprookjesbos. De sneeuw geeft het bos een geheimzinnige aanblik. De bodem is bedekt met bosbestruikjes. De sneeuw heeft er feeëriek sneeuw over heen gepoederd.

Dies is ook gek op bossen die hij niet kent. In ons eigen bos loopt hij nog wel eens een eindje van me vandaan. Hier houdt hij me voortdurend in de gaten, een border collie let goed op zijn kudde. Zijn neus speurt onderzoekend door de dikke laag sneeuw.

Het paadje dat ik insloeg moet toch echt naar een van de grotere paden lopen die het bos doorsnijden. Ik volg nu al een hele tijd het paadje en naar mijn gevoel hadden we al lang bij die weg moeten zijn. Of vergis ik mij en buigt het pad zo langzaam af dat ik het zelf niet in de gaten heb?
Het geluid in een bos met een sneeuw is heel anders dan het geluid in een bos zonder sneeuw. Alles is gedempt, het lijkt alsof ik door een geïsoleerde ruimte loop. Wat als ik hier nu een hartinfarct krijg, dat is wel een gedachte die in zo’n groot, eenzaam bos door me heen kan gaan.

Ik sla een ander pad in dat toch zeker naar het grote pad moet lopen. Ik loop weer een kwartier zonder te weten waar ik ben. Ik ben totaal verdwaald. Stel dat dit sprookjesbos een val is. De pracht van het bos heeft me een andere wereld ingelokt. Ik kijk op mijn telefoon: geen ontvangst. Als die hartinfarct komt, kan ik het echt vergeten. Ik krijg het ook steeds kouder. Wandelen met een hond is leuk, maar het moet in de winterse vrieskou niet te lang duren. Nooit geweten dat er zoveel bosbesstruiken in een bos kunnen groeien.

Opeens zie ik een golden retriever op een heuveltje staan. Zou de hond ook verdwaald zijn? Of is het de poortwachter die mij begeleid naar een dieper deel van deze wereld? De hond blijft roerloos staan.
Dies loopt blij naar de hond toe, eindelijk iets te spelen in dit eentonige bos. De hond wijst Dies chagrijnig af, de hond is duidelijk geen hondenvriend. Op dat moment doemt ook zijn vrouwtje op en zie ik dat ze van het grote pad komt dat ik zo lang zocht. Geen idee waarom mijn oriëntatievermogen mij zo in de steek liet. Al weet ik dat ik niet de enige ben die daar last van heeft. Ook in ons bos kom ik regelmatig mensen tegen die zijn verdwaald.

Het is nog een eind lopen naar de auto. Zelfs Dies is blij als hij op de achterbank kan springen. Een wandeling kan ook te lang duren.

Gevonden

Vrijdag 25 januari, Lhee

Vervlochten

Donderdag 24 januari, Lhee

Ik lunch met Pieter bij de Rietschans. Uitzicht op het Paterswoldsemeer. Twee mannen van in de zestig, op het einde van hun carrière. Pieter heeft al afscheid genomen van de krant als hoofdredacteur. Ik maak al langer terugtrekkende beweging uit het theater. We doen steeds meer wat we echt leuk vinden. Genoegzaam constateren we dat het heerlijk is om niet meer te moeten, niet meer met een carrière bezig te zijn, precies zoals het twee mannen in de zestig betaamt. Daar zitten we dan. Ik kan het me niet voorstellen.

Pieter schrijft de biografie van Hans Wiegel die volgend jaar zal verschijnen. Hij heeft nog een jaar om eraan te werken, de deadline heeft hij op 1 januari gesteld. Het boek is al aangekondigd.
Ik maak een scherpe bocht richting Frankrijk, weg uit het leven dat ik zo goed ken, weg van de vanzelfsprekende zekerheden.
We praten elkaar bij over van alles en nog wat, zoals we dat al een half leven doen.

‘Hebben de heren al iets uitgezocht?’
We hebben nog niet eens op de kaart gekeken. Er is te veel te vertellen.
Even later komt de serveerster terug.
‘En? Hebben de heren een keuze kunnen maken?’
‘Zeker,’ zeg ik. ‘Wij zijn twee jongens uit volk, dus….’
‘Twee uitsmijters neem ik aan.’

Pieter en ik kennen elkaar nu precies 28 jaar. We zagen elkaar voor het eerst op een nieuwjaarsdiner. Lies en ik waren uitgenodigd door drie onbekende mannen voor een diner. Elk jaar nodigden ze twee mensen met partners uit die in Leeuwarden aan een nieuwe spraakmakende baan waren begonnen. Ik had de uitnodiging proberen af te wimpelen, maar dat was me niet gelukt.
Zo zat ik op 30 december 1990 voor het eerst tegenover Pieter. Dat weet ik zo precies omdat de drie mannen ons eerst uitnodigden voor 29 december. Omdat ik op die dag jarig was dacht ik eronder uit te kunnen komen. ‘Nou, dat verzetten we het toch naar 30 december.’ En zo werden we ontvangen in een getransformeerde slaapkamer in een rijtjeshuis, ambiance en eten drie sterren waardig. Zo goed dat je je af en toe laat verrassen.

Het leven van Pieter en mij vervlocht.
We werden buren.
We hadden beiden jonge kinderen die bevriend werden. Ons huis werd ook het huis van zijn kinderen en andersom.
Elke week squashten we tenminste één keer.
We trokken samen op in de Leeuwarder gemeenschap.
We hielden de wereld in de gaten en bespraken die samen.
We kregen andere banen.
We verhuisden, trokken weg uit Leeuwarden
We scheidden.
We zagen elkaar steeds minder. Ook wel eens een jaar niet. Maar we wisten van elkaar dat we ergens druk waren. Soms schampten onze levens elkaar weer even. Zo nu en dan spraken we af.

Decors veranderden. Spelers veranderden. Onze posities veranderden. We werden ouder. En dan zitten we in de Rietschans aan een uitsmijter. We vertellen elkaar over de huidige stand van zaken, nieuwe plannen. Twee levens schuiven voorbij. Hebben we het over ons? Ja, we hebben het over ons. Ik kan het me niet voorstellen.

 

 

Gevonden

Donderdag 24 januari, Flevopolder/Lhee

Reïncarnatie

Woensdag 23 januari, Lhee

Ik ben een paar maanden tamelijk doof geweest. Bij wijze van spreken dan. Niet dat mijn oren doof waren. Mijn oren zijn weliswaar niet meer wat ze zijn geweest, Wyb hoort frequenties die ik niet meer kan horen, maar een gehoorapparaat heb ik zeker niet nodig. Over Wyb gesproken, zij hoort dan weer het geluid van de uil niet die elke avond zit te roepen. Eindeloos roept hij… Ja, naar wat eigenlijk? Het is in ieder geval een obsessieve uil. Wanneer ik ook buiten kom, altijd hoor ik hem roepen. Kan best zijn dat hij eenzaam is. Je zult in dat grote bos maar eens een andere uil moeten vinden.

Ik was doof omdat de apparatuur waarmee ik luister het niet deed. Het luidsprekertje van mijn iPhone deed het steeds slechter. Een crime want vooral in treinen, en als ik door steden liep, kon ik nauwelijks horen wat degene die me belde zei. Keer op keer moest ik vragen of hij zijn zinnen wilde herhalen. In het begin vreesde ik dat het aan mij lag, maar als Wyb een keer mijn telefoon opnam, had ze gelukkig dezelfde klacht.
Het gekke was dat ik er thuis er minder last van had. Vermoedelijk omdat het daar rustig is. Daardoor was het een twijfelgeval of ik een nieuwe iPhone moest kopen. De afgelopen week was het zo erg dat ik geen keuze meer had: er moest een nieuwe komen.

Vandaar dat ik vandaag naar de Apple Store in Amsterdam ging om een nieuwe aan te schaffen. Het type dat ik wilde, had ik maanden geleden al uitgekozen. Het high end nieuwe model wilde ik niet omdat ik geen €1.200 voor een iPhone ga betalen, zijn ze nu helemaal gek geworden. Apple wordt er gelukkig zo door gestraft dat ze een winstwaarschuwing moesten uitdoen. Het loopt niet meer zo lekker met die iPhone’s. Ja, vind je het gek.

Maar het modelletje daaronder, de iPhone xr, was voor mij een prima keuze, vooral omdat er een uitstekende camera op zit. Het voordeel van zo’n telefoon is dat je ook altijd  een camera bij je hebt. Het werd een lang bezoek aan de Store. Eigen schuld, dikke bult, want mijn foto’s had ik niet in de cloud gezet. Het overzetten van de foto’s naar de cloud duurde liefst anderhalf uur. Daarna kon het overzetten van de inhoud van mijn huidige telefoon naar de nieuwe beginnen.

Op het einde moest ik afscheid nemen van mijn oude toestel, ik kreeg er zowaar nog een mooi bedragje voor. Het ging me wel aan het hart. Zo’n iPhone en ik zijn namelijk onafscheidelijk. Waar ik ben is hij. En andersom. Ik draag hem letterlijk op mijn hart. Ik slaap zelfs met hem. Hij is een onlosmakelijk deel van mijn leven: hij is mijn geheugen, mijn communicatiekanaal, mijn hersens, mijn wekker, mijn krant, mijn spelletjesmachine, mijn radio, mijn wegwijzer, mijn boekenkast, mijn televisiegids, mijn fototoestel, mijn winkel, mijn wegwijzer, mijn televisie, mijn bureau. Ik wil maar zeggen, afscheid nemen van je oude iPhone is ook een emotioneel proces. Maar wat een geluk. Eén druk op de knop en mijn oude iPhone transformeert in een gloednieuwe. Reïncarnatie bestaat dankzij Steve Jobs.

Gevonden

Woensdag 23 januari, Amsterdam/Lhee

Behang

Maandag 21 januari, Lhee

Wie Dossiermoddergat een beetje volgt, weet dat mijn oog regelmatig op street art valt, dat ik graag de schoonheid van straatkunst fotografeer. Het levert vaak grillige en absurdistische beelden op. Het is, en dat vind ik het fascinerende, tamelijk ongestuurde schoonheid.
Mijn belangstelling voor street art wil niet zeggen dat ik alle street art mooi vind. Zo las ik vandaag in de Volkskrant dat Collectief Boa Mistura, een kunstenaarscollectief uit Madrid, een complex van de sociale woningbouw in Heerlen onder handen gaat nemen. Ze zijn daartoe uitgenodigd door de Stichting Street Art Heerlen.

Ik heb dus helemaal niets met geïnstitutionaliseerde straatkunst. Zo is de hoofdstad van Albanië, Tirana, onder gekalkt met straatkunst om de lelijkheid te verbloemen. Albanië heeft er zelfs een soort vermaardheid door gekregen. Ik voel niet de minste aandrang om naar Albanië af te reizen, evenmin als ik aandrang voel om dadelijk naar Heerlen te gaan om dat complex te bekijken.
Nog niet zo lang geleden was ik in Heerlen en zag ik al dat de Stichting Street Art Heerlen erg actief is. Op heel veel gebouwen is inmiddels street art verschenen om de lelijkheid van gebouwen en de stad te verbergen. Street art als schaamlap, ik heb er niets mee. Ik heb geen enkele foto gemaakt, die grote lelijke werken, meestal op de zijkant van flats, zeggen me niets. Het is decoratiekunst, gemaakt om te imponeren in een wanhopige poging om wat lelijk is mooier te maken.

Je zou kunnen zeggen dat ik juist hou van straatkunst die de dingen lelijker maakt. Ik bedoel street art die gemaakt is om poëzie te maken, of juist gemaakt is uit onvrede, protest. Street art waar ik mijn fototoestel voor tevoorschijn haal moet militant zijn, stiekem gemaakt, op plekken waar het in contrast staat met de plek, waar het irriteert.

In het artikel over Boa Mistura lees ik: ‘Wat hen onderscheidt, zegt Pablo, is dat het individu van de kunstenaar er bij hen niet toe doet. Even verderop: ‘Het gaat ons erom iets achter te laten waar de buurt trots op is.’
In feite is Boa Mistura een soort behangersbedrijf. Ze willen dingen maken die iedereen mooi vindt, waar iedereen tevreden over is. Per definitie oninteressant vind ik. In mijn opvatting is echte street art per definitie geen behang. Street art moet recalcitrant zijn, kanttekening zetten bij keurigheid en zelfgenoegzaamheid. Street art moet steken, provoceren of, andere richting, poëzie zijn. Als ik dat tegenkom haal ik mijn fototoestel tevoorschijn.

Ik stel voor dat Stichting Street Art Heerlen zich opheft, dat geklieder met kleuren in een stad verdoezelt de ware aard van een stad en is daarmee in feite een oneerlijke bezigheid.

Gevonden

Maandag 21 januari, New York/Lhee

Senf

Zaterdag 19 januari, Lhee

Afgelopen week is Jacques Senf overleden. Voor mensen in de theaterwereld een begrip, voor mensen daar buiten veel minder. Ik heb een klein marktonderzoekje gehouden. Als je het woord theater zegt en vervolgens aan iemand vraagt welke naam dan het eerst in je opkomt, zegt 60% Joop van den Ende. De andere 40% noemt acteurs, regisseurs en gezelschappen. Eigenlijk is dat niet terecht. Jacques Senf heeft die 60% veel meer verdiend.
Decennia lang vormde Jacques Senf, impresario, producent, medefinancier en verkoper van theater, de ruggengraat voor de Nederlandse theaters. Met zijn producties was hij voor verreweg de meeste theaters de belangrijkste verschaffer van content. Zonder hem was de programmering bij veel theaters een stuk armoediger geweest. Er waren theaters bij die nauwelijks programmering over hadden gehouden.

Jacques Senf noemde zichzelf een marktkoopman en dat getuigde van veel zelfkennis. Jacques was een keiharde werker die overal was, veel zag en overal een scherpe mening over had. Zijn mening deed er toe, want als hij een artiest omarmde dan wist je dat Jacques zich er 150% voor inzette. En hij was niet te beroerd om ’s avonds van Maasland naar Groningen en terug te rijden om bij een try-out aanwezig te zijn en een artiest of productie nog even van wat nuttige adviezen te voorzien. Ondanks deze inzet, de onbeteugelde passie, was zijn belangrijkste doel, een goede marktkoopman indachtig: zoveel mogelijk verkopen.
De theaters waren er maar wat blij mee want Jacques was niet alleen een fanatiek en overtuigend verkoper, de producties waar hij voor stond hadden, ook al zaten ze in allerlei genres en smaakvariaties, sommige voorstellingen waren echt vreselijk, kwaliteit. Zo bracht hij de Chippendales naar Nederland, afschuwelijk, maar het waren wel de echte Chippendales. Later kwam nog een stoet van epigonen van hen voorbij. Senf verkocht zelden bocht. Katten in zakken hoefde je bij Jacques niet echt bang voor te zijn. Hij onderscheidde zich daarin van veel andere impresario’s.

Jacques was geen conventioneel marktkoopman. Je hoefde niet naar de markt, de koopman kwam naar jou toe. Een bezoek van Jacques Senf was altijd een belevenis, een langdurige belevenis. Als hij zei dat hij ’s middags langskwam, blokkeerde ik de hele middag en de avond. Zelden dat hij op tijd kwam, maar dat hinderde niet want de verloren tijd werd ruimschoots gecompenseerd. Als Jacques zich installeerde dan werden eerst de collega’s doorgenomen, vervolgens het theaterlandschap, gevolgd door wat anekdotes uit het verleden. Daarna werd het tijd om het aanbod door te nemen en de producties die je voorkeur hadden met potlood in de programmering te zetten. Want Jacques kwam nooit één keer in het seizoen langs. Eerst was er een bezoek voor het potlood, daarna om de programmering definitief te maken, in het voorjaar kwam hij nog een keer voor de prijsafspraken.
Als we de producties in potlood in de programmering hadden gezet, was het niet klaar. Deze fase van de afspraak was altijd een beetje heikel. Jacques kwam namelijk nooit alleen. Hij werd altijd vergezeld door een chauffeur, altijd een jonge jongen die er nooit beroerd uit zag en voor hetzelfde geld fotomodel had kunnen zijn. De chauffeur was ook nooit alleen chauffeur, hij was vaak ook een soort secretaris. Hij hield de boekingen bij en moest de parkeermeter bijvullen, wat vaak vergeten werd waardoor hij zelden zonder bekeuring bij me vandaan ging.
De chauffeur diende ook als bliksemafleider. Jacques leed aan suiker en was, een eufemisme, opvliegend van aard. Fout. Zeer opvliegend van aard. Jacques was een soort tijdbom, grote kans dat er bij een bezoek van Jacques een ontploffing plaatsvond. Iemand zei iets fout, schreef iets fout op, was het niet helemaal met hem eens en vervolgens werd hij boos. Fout. Heel boos. Vaak was de chauffeur de pispaal. Maar ook menig theaterdirecteur is uitgescholden voor een blik doperwten of werd er de oorzaak van genoemd dat de theaterwereld naar de knoppen ging.
Als dit ritueel was afgerond hield Jacques vaak nog een paar dingen tegen het licht. Wie moest hij nou voor die en die rol nemen? Wat vond ik van dit en dat idee? Welke kant moest het nou op met Impresariaat Jacques Senf? Onderwijl aten we taartjes want ondanks zijn suiker kon hij het snoepen niet laten. Natuurlijk mocht Barrie, zijn vrouw, daar niets van weten.

Jacques Senf was ook een wijs man. Jacques wist wat goed en slecht was en stak dat niet onder stoelen of banken. Net zoals Confucius kunnen we een aantal wijsheden aan hem toeschrijven. Ik heb er ooit een boekje van willen maken, een soort bijbeltje van Senf, maar als zoveel ideeën is ook daar niets van gekomen. Een paar uitspraken heb ik wel onthouden. Zoals: ‘Het eerste kaartje verkopen kunnen we allemaal, maar het laatste kaartje, daar gaat het om.’ Andere uitspraak: ‘Doelpunten na de wedstrijd tellen niet.’ Denk daar maar eens over na, een grote wijsheid.
Maar de allergrootste wijsheid is de volgende: ‘De eerste fout is de grootste fout.’ Aan deze uitspraak van Jacques heb ik zoveel gehad. Ik hoorde hem midden jaren tachtig en tot nu toe gebruik ik hem jaarlijks een paar keer.
Een uitspraak die ik ook niet gek vond, lag direct tegen zijn marktkoopmanschap aan. ‘Ik kan het vergeven dat iemand per ongeluk een dure Chinese vaas kapot stoot, maar een ongebruikte paperclip weggooien is onvergeeflijk.’

Begin jaren negentig vroeg Jacques of ik met hem meeging naar Zürich. Daar trad een jonge, Nederlandse bandoneonspeler op tijdens een festival, ene Carel Kraayenhof. Carel had advies van hem nodig. Jacques wilde ook kijken of hij iets voor zijn stal was. Samen vlogen we erheen. Even snel naar ons hotel, spullen wegleggen, daarna meteen door naar het theater.
Het concert begon en tot mijn ontsteltenis begon Jacques na vijf minuten naast mij te knikkebollen. Niet verwonderlijk want ik wist van zijn hectisch leven. Pas bij het slotapplaus werd hij wakker waardoor hij nog wel de toegift kon beluisteren. Ik ontdekte toen dat Jacques inderdaad een bijzonder talent had. Ondanks zijn geruime afwezigheid gaf hij een tamelijk perfecte analyse van het concert en het talent van Carel.

Wie trouwens dacht dat Jacques na het boeken, het vertellen van de anekdotes en het doornemen van het theaterlandschap naar huis ging, heeft het mis. Hij ging er vaak vanuit dat we daarna nog even wat gingen drinken, bij voorkeur in een onvervalst volkse kroeg. Zo gebeurde het een keer dat Jacques in zo’n kroeg terugkwam van een toilet-stop en ons met duidelijk plezier liet weten dat hem op de wc een pistool was aangeboden. Dit voorval werd de jaren daarna ons meest gememoreerde feit. We gingen nog wel eens naar die kroeg terug maar een pistool werd hem nooit meer aangeboden.

Laten we eerlijk zijn, Jacques Senf was ook omstreden. Hij domineerde het theateraanbod, was een machtig man. Het verhaal ging dat hij nauwkeurig bijhield met wie hij nog een appeltje had te schillen. En dat appeltje bestond uit het je onthouden van een paar prachtige voorstellingen. Kan een broodje aap verhaal zijn geweest, ik heb er nooit iets van gemerkt.
Je had directeuren die met hem dweepten en mensen die hem wantrouwden, die vonden dat hij te veel macht had en hem een drammer vonden. Ik behoorde tot de middenpartij. Ik hou eigenlijk niet zo van mensen die een beetje een ongelijkmatig karakter hebben. En als iemand niet gelijkmatig was, dan was het Jacques Senf. Zo was hij aardig, zo was hij boos. Ik vond dat niet echt aangenaam. De chauffeurs die hij meenam heb ik niet benijd.
Aan de andere kant was Jacques een van de meest attente mensen die ik heb gekend. Oud-directeuren vergat hij nooit, ik begreep dat hij zo’n beetje de hoofdsponsor was van hun jaarlijkse reünie. Zelfs als een directeur overleed, hield hij vaak nog contact met de weduwe. Voor mij was Jacques een man met grote tegenstellingen. Hard, maar ook zacht en empathisch. Buitengewoon aardig, maar eveneens opvliegend en boos. Zakelijk, maar loyaal. Zo wilde hij een paar van mijn kinderboeken hebben. Vond ik natuurlijk wel leuk. Later vertelde hij me dat hij ze niet had gelezen, volgens eigen zeggen hield hij niet van lezen, maar hij had ze wel in een nisje op de wc bij hem thuis gezet. Vond ik best een mooi idee.

Ik heb ook gezien hoe Jacques langzaam uit de tijd groeide. Ik heb een paar keer meegemaakt dat hij naar jonge makers kwam kijken. Het waren prachtige voorstellingen, hartstikke goed. In de gesprekken na hun voorstellingen merkte ik dat zijn kompas voor kwaliteit minder werd. Ik hoorde zijn opvattingen die ik steeds ouderwetser vond. Zijn wijsheden werden niet meer beïnvloed door nieuwe ontwikkelingen. Dat was jammer en ik begreep al te goed dat hij het bedrijf op een gegeven moment overdeed aan zijn jonge opvolgers, bijna zonen die in zijn bedrijf waren opgegroeid.
Iedereen heeft zijn levenscyclus. Men start, men is succesvol (of niet), men groeit uit zijn tijd. Dat neemt niet weg dat Jacques Senf heel lang zeer succesvol is geweest, dat hij pregnant decennia lang het profiel van veel theaters bepaalde. Pet af voor iemand die altijd zichzelf is gebleven: een marktkoopman met het hart op de goede plaats, ondanks zichzelf.

Gevonden

Zaterdag 19 januari, Rotterdam/Lhee

Afsluitdijk

Donderdag 17 januari, Lhee

Wyb en ik rijden over de Afsluitdijk. Er was een tijd dat we zeker wekelijks over de Afsluitdijk reden. Van Leeuwarden naar Amsterdam en terug. Door al die verhuizingen is mijn leven afgebakend in periodes. Als je van Leeuwarden naar Arnhem verhuist is dat een scherpe afbakening, de periodes onderscheiden zich hard. Dat is anders dan dat je in een stad van de ene naar de andere woning verhuist. Na Leeuwarden reed ik nooit meer over de Afsluitdijk. De Afsluitdijk is voor mij direct verbonden met Periode Leeuwarden. En nu we er overheen rijden, overvalt me een weemoedig gevoel.

Ik kan zo genieten van de Afsluitdijk. De lucht, de uitgestrekte watervlakte, de harde lijnen van de dijk, ze vormen altijd visueel spektakel. Het is een onverbiddelijk landschap. Er waren artiesten die ’s nachts niet over de Afsluitdijk terug durfde. De leegte vonden ze te overweldigend. Vandaag baadt de dijk in zonlicht en neemt daardoor een uitzonderingspositie in in Nederland. Achter ons een druilerig Drenthe en Friesland, voor ons een nat en winderig Noord-Holland.

We rijden naar een nieuwe periode. Opnieuw een harde afbakening. We rijden naar Hoorn voor een middag les van onze voorgangers en stichters van Les Trois Comtes. Ze wijden ons in in de geheimen van het huis en de exploitatie van een chambres d’hôtes. Mochten we al te romantische ideeën daarover hebben gehad, wat denk ik niet waar is, dan worden die deze middag de grond in gebombardeerd. Ons wordt duidelijk gemaakt dat het een vak is waarin hard moet worden gewerkt. Dat neemt niet weg dat het gesprek ons nog enthousiaster maakt om in Saint-Hippolyte-du-Fort te beginnen.

Op de terugweg is de Afsluitdijk volledig van karakter veranderd. Het is er stormachtig en halverwege rijden we zelfs in de eerste sneeuwbui van deze winter. In Hippolyte heeft vandaag volop de zon geschenen, heb ik op mijn weerapp gezien.
Ondertussen rammelen we van de honger, aandachtig luisteren maakt moe en hongerig. Zo beland ik in Joure voor het eerst in..? Tien jaar? Bij een MacDonalds. Het eten is er nog steeds zo beroerd als tien jaar geleden. Onbegrijpelijk dat er zoveel mensen met kinderen zitten te eten. Maar goed, de leegte in onze magen is gevuld.

In Ruinen bevrijden we Dies uit de hondenopvang. Met een code openen we zijn hok. Zou mooi zijn als ze in Frankrijk ook zoiets hadden.

Gevonden

Donderdag 17 januari, Rotterdam/Lhee