Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Korte broek

Maandag 10 mei, Groningen

Sinds wij in maart 2019 naar Frankrijk vertrokken, moet er iets gebeurd zijn met Nederland. Wij wonen nu alweer acht maanden in Groningen en in die acht maanden is het ongelooflijk beroerd weer. Elke dag regen, elke dag gure wind. En iemand heeft het licht gedimd. Ik kan me niet voorstellen dat er vóór 2019 zo’n somber, smoezelig licht was. Het lijkt of iemand modder op het peertje heeft gesmeerd.

Het is oneerlijk om Nederland met Zuid-Frankrijk te vergelijken. Maar als je daar een tijdje hebt gewoond, doe je het toch. Ook daar kon het verrekte slechte weer zijn. We hadden daar te maken met zogenaamde episodes cevenolle. Voor zo’n episode werden we zelfs gewaarschuwd door de verzekering. In de dagen van zo’n episode viel de regen recht in bakken naar beneden. Het water van de daken viel als een watergordijn op straat. Straten veranderden in beken. De rivieren die door het dorp liepen vermenigvuldigden zich. Om het helemaal sinister te maken, stak er vaak een storm op. Op zulke dagen leek het of we in de tropen woonden in de moessontijd.

Een episode cevenolle duurde twee, drie dagen en dan brak de zon door en keken we weer tegen een strak blauwe hemel aan en konden we genieten van heldere licht. Twee, drie dagen is heel wat anders dan acht maanden somber weer.

Hier in Nederland worden we ook getart met het weer. Zo kondigden de weerman voor gisteren eindelijk zon en warmte aan. ’s Ochtends deden we de rolgordijnen omhoog: opnieuw is het morsig weer, het miezert, geen zon te bekennen. Tegen twaalf uur rijden we naar Kollum. Tijdens dat tochtje breekt de zon door en lijkt het na acht maanden zowaar of we weer in Saint-Hippolyte-du-Fort wonen. Eindelijk licht en warmte.

Wyb had al gezegd dat ik mijn korte broek moest meenemen. Anneke woont namelijk aan het water, als het even kan zitten we daar buiten. Nu kon het heel goed, er hing zelfs een broeierige warmte. Voor het eerst sinds meer dan een half jaar trok ik mijn korte broek aan. Ik ben een echte korte broek loper. We zitten aan het water en het is oprecht meer dan behaaglijk.

En dan begint het sarren weer. Zo tegen half vier betrekt de lucht. Er steekt een koude wind op, de eerste druppels vallen, we vluchten naar binnen. Waarom worden wij door dat klote weer zo geteisterd? Aan wat of wie hebben we dat te danken? Het zal vast de schuld van Rutte zijn of misschien een straf van een hoger wezen. In ieder geval wakkert al dat rotweer het verlangen naar Zuid-Frankrijk enorm aan. Daar liep ik altijd in korte broek. Het is ook niet gek dat Nederlanders verzuurde kankerpitten zijn.

Oogpunt 26

Journal

 

Het Nijmegengevoel

Zondag 9 mei, Groningen

Als Jan en Connie bij ons op bezoek zijn, krijg ik Het Nijmegengevoel van ze cadeau, een boek met als ondertitel, Een naoorlogse stadsgeschiedenis. Ik ben er blij mee, want ondanks dat ik al veertig jaar (veertig jaar!) niet meer in Nijmegen woon, beschouw ik me nog altijd als Nijmegenaar, ik heb er niet voor niets tot mijn 27ste gewoond.

Er was een tijd dat ik, als ik door een straat in het centrum liep, zeker twee bekenden tegenkwam. Zo rond mijn twintigste had ik nooit verwacht ooit Nijmegen te verlaten. Dat klinkt allemaal sentimenteler dan het is, want ik was verrekte blij toen Lies en ik naar Groningen verhuisden. Ik had helemaal genoeg van Nijmegen. Dat kwam vooral omdat we werden opgeslokt door sociale contacten. We hadden altijd bezoek, ik werd er gek van. Andere reden was dat ik het wel gezien had in Nijmegen, de stad kende geen geheimen meer voor me. Ik groeide als het ware uit de stad waar ik was geboren, had gestudeerd en gewerkt.

Ik verlangde ook nooit terug naar de stad. Het kwam niet in mij op om daar weer te gaan wonen. Ik vond het wel altijd fijn om er weer te zijn, mijn moeder te bezoeken, met mijn familie de paastocht te lopen. Een keer maakte ik soort sentimental journey door Nijmegen, liep ik door de buurten waar ik was opgegroeid, een vervreemdende ervaring. Alles was hetzelfde gebleven, behalve ikzelf.

Een paar weken geleden stonden we op een camping in Berg en Dal en bezochten onder andere Jan en Connie. Wyb en ik reden op de fiets door Nijmegen en voor het eerst kreeg ik het gevoel dat ik er wel weer wilde wonen. Ik schreef daar volgens mij iets over in Dossiermoddergat.
Als Jan en Connie bij ons komen krijg ik Het Nijmegengevoel overhandigd met de woorden: ‘Je zult er wel blij mee zijn, want je schrijft de laatste tijd zoveel over Nijmegen. Het is duidelijk dat je ernaar terugverlangt.’

Volgens mij is dat aantoonbaar niet juist, schreef ik maar één keer over Nijmegen. Maar Jan, als diepgewortelde Nijmegenaar, als bard die het definitieve Nijmegen gedicht heeft geschreven, wil graag dat een verloren zoon van de stad terugkeert in de moederschoot.

Ik ben Het Nijmegengevoel nu aan het lezen. Er staan beschouwende artikelen over de stad in. Verder worden er 44 mensen geïnterviewd over Nijmegen, waaronder Jan. Met het lezen besef ik dat ik inderdaad een echte Nijmegenaar ben. De verhalen die verteld worden, ik ken ze vrijwel allemaal.

Ik ken de verhalen niet alleen, ze zijn me verwant, ze horen bij me. In welke zin? Zo lees ik het verhaal over de plek waar nu de HEMA staat. Het gebouw dat er voor de oorlog stond is weggebombardeerd en wat er restte was een wond, zoals Nijmegen zoveel wonden na de oorlog kende. Ik ben opgegroeid met die wonden, in mijn jeugd liep ik door een zwaar geschonden stad.

Door een erfscheidingskwestie duurde het heel lang voordat de HEMA daar uiteindelijk gebouwd kon worden. In mijn jeugd heb ik het gat van de HEMA nog gezien. Daarna zag ik de HEMA gebouwd worden. Het gekke is: nog steeds als ik over de Grote Markt loop, denk ik aan de bouwput van de HEMA. In de Vroom & Dreesmann die er naast lag, leerde ik het genot van de horeca kennen. In de glanzende lunchroom van die winkel nam mijn oma mij altijd na het winkelen mee voor een ijsje.

Oogpunt 25

Journal

 

Kompas

Zaterdag 8 mei, Groningen

Ik lees momenteel een boek van Valeria Luiselli, de titel: Archief van Verloren Kinderen. Op de achterflap lees ik: Archief van Verloren Kinderen is een avonturenroman, een felrealistisch sprookje en een aanklacht ineen; een mustread voor iedereen die ok maar iets meer van deze tijd probeert te begrijpen.

Die laatste zin triggert mij. Want sinds anderhalf, twee jaar heb ik het idee dat ik onze tijd niet echt meer begrijp. Er is iets gebeurd waardoor ik met veel meer onzekerheid blogs schrijf dan vroeger. Ik denk dat het met Trump heeft te maken, die goochelden met leugens. Het heeft met figuren als Baudet te maken, die schijnt terug te verlangen naar bruine tijden. Het heeft met onze kwetsbare democratie te maken die ervoor zorgt dat alles wat met uitvoering heeft te maken fout gaat, vastloopt in bureaucratie. Het heeft met de doem te maken waarmee wij omgaan met onze aarde. Het heeft met onze culturele leven te maken waarin geen middelpunt vliedende kracht meer is. Of zoek ik het te veel buiten mijzelf? Heeft het gewoon met mijn ouder worden te maken? Mijn leven dat drastisch is veranderd: van druk, druk, druk naar rust. Waardoor het ook komt, er is onbestemdheid, het kompas is de richting kwijt.

In Archief voor Verloren Kinderen lees ik de volgende passage. Het gezin reist in een auto door Amerika. Het zoontje van tien vraagt aan zijn moeder: ‘Wat betekent het nou, mam, om dingen te documenteren?’
Dan volgt deze passage:

‘Documenteren betekent gewoon dat je het heden vastlegt voor het nageslacht.’
‘Hoe bedoel je, nageslacht?’
‘Ik bedoel – voor later.’
Ik weet alleen niet goed wat ‘voor later’ nu nog voor betekenis heeft. Er is iets veranderd in de wereld. Er is iets veranderd, niet zo heel lang geleden, en we weten het. We weten nog niet hoe we het moeten duiden, maar volgens mij voelen we het allemaal, in onze onderbuik of in onze neurale netwerken. We ervaren de tijd anders. Niemand heeft helemaal kunnen bevatten wat er speelt, of kunnen zeggen waarom. Misschien ervaren we gewoon een afwezigheid van toekomst, omdat het heden te overweldigend is geworden, en de toekomst daarmee onvoorstelbaar. En zonder toekomst lijkt tijd een accumulatie. Een accumulatie van maanden, dagen, natuurrampen, televisieseries, terroristische aanvallen, echtscheidingen, massamigratie, verjaardagen, foto’s, zonsopgangen. We zijn nog niet in staat de precieze manier te doorgronden waarop we de tijd nu ervaren. En misschien is de frustratie van de jongen, die niet weet wat hij moet fotograferen, of hoe hij die dingen die hij ziet moet kadreren en scherpstellen, terwijl we met z’n allen in de auto door dit merkwaardige, prachtige, donkere land rijden, eenvoudigweg een teken dat onze manieren om de wereld te documenteren niet langer volstaan. Als we een nieuwe manier zouden weten te vinden om de dingen vast te leggen, zouden we misschien langzaam iets gaan begrijpen van deze nieuwe manier waarop we ruimte en tijd ervaren.’

Ik ben niet de enige die worstelt met een nieuwe tijd. Valeria Luiselli formuleert het voor me, ik had de tekst kunnen schrijven.

Oogpunt 24

Journal

 

Monument

Vrijdag 7 mei, Groningen

Zevenentwintig jaar geleden stonden Kees en Annemiek met een tent op een boerencamping in Frankrijk, iets boven de Drôme. Hun dochter, Renuka, was één jaar oud. Als ze gingen wandelen, droegen ze haar op de rug en viel dan diep in slaap.
Misschien kwam het hierdoor dat ze ’s nachts slecht sliep. Op een nacht huilde ze de hele nacht door. Ik weet precies hoe je je dan als ouder voelt. Je voelt je ontzettend schuldig ten opzichte van al die mede kampeerders. Je denkt dat het huilen van je kind iedereen wakker houdt.

De volgende dag bieden Kees en Annemiek hun directe buren excuses aan voor het huilen.
‘Sorry, maar ze was zo verdrietig, we kregen haar niet stil,’ zoiets zullen ze gezegd hebben.
‘Och, hindert niet, we hebben er echt geen last van gehad. We zijn wel even wakker geweest maar toen dachten we, wat heerlijk dat wij ons geen zorgen hoeven te maken over dat verdriet,’ antwoordden hun buren.

De buurman vroeg waar hun dochter vandaan kwam. Dat vroeg hij omdat Renuka donker is, een andere kleur heeft dan haar ouders.
‘Sri Lanka,’ antwoordden ze.
‘Oh, wat leuk. Mijn neef heeft met zijn vrouw ook twee kinderen uit Sri Lanka geadopteerd,’ zei de buurman.
‘Hoe heten uw neef en zijn vrouw dan?’
‘Gerard en Lies, ze wonen in Leeuwarden.’ De buren van Kees en Annemiek waren namelijk Jan en Connie.
‘Wat grappig, ze zijn goede vrienden van ons. Wij wonen in Groningen, waar zij ook hebben gewoond. Zij hebben ons als eerste eigenlijk iets verteld over adoptie.’

Zo ontmoetten vier mensen, waar ik mij nauw mee verwant voel, elkaar bij toeval op een Franse camping in the middle of nowhere. Als beide vriendenparen thuis zijn, krijg ik het verhaal van twee kanten te horen. Het is altijd in mijn hoofd blijven hangen.

Vandaag zijn Jan en Connie bij ons op bezoek. Tijdens de lunch herinner ik ze aan het verhaal. Dat doe ik omdat wij sinds 1 november boven Kees en Annemiek wonen. Toch een mooi toeval dat zij na zevenentwintig jaar nu samen in één huis zitten.
Maar als ik het verhaal vertel, blijken Jan en Connie zich niets van het voorval te herinneren. Ik ben verbaasd, zou ik me dan vergissen? Als ik het me goed herinner, hebben Jan en Connie het mij ook ooit zelf verteld.

Om zekerheid te krijgen, ga ik naar beneden, naar Kees en Annemiek en vertel hen wat me is overkomen. Ik verifieer bij hen of het verhaal echt is gebeurd. Dat blijkt gelukkig het geval te zijn. Ik vraag of ze misschien even mee naar boven willen komen en hun oude campingburen willen ontmoeten.

Eenmaal boven frissen Kees en Annemiek het geheugen van Jan en Connie op. Die herinneren zich inderdaad allerlei details van de camping, zoals een oude boer die op Nikes liep, het lekkere koken van de campingeigenaresse. Maar de ontmoeting, die ik al zevenentwintig jaar zo frappant vind, daagt bij hen niet echt.
Geheugen, het is een wankel iets, soms herinneren anderen zich zaken waarin jij toch een hoofdrol speelde. Nog niet zo lang geleden overkwam mij hetzelfde. De geschiedenis is een gammel monument, schreef ik ooit eens.

Oogpunt 23

Journal

 

Oogpunt 22

Donderdag 6 mei, Groningen

Journal

 

Senryū

Woensdag 5 mei, Groningen

Toch nog even door over die haiku’s. Er is een ander soort Japans gedicht dat nauw met de haiku is verwant. Dat is de senryū. De senryū heeft dezelfde vorm als de haiku, alleen staan ze inhoudelijk diametraal tegenover elkaar.
In een haiku staat meestal een natuurbeleving centraal, een haiku is etherisch, een haiku is de dichtkunst van de zen. Het heeft iets ijls en verhevens. De schoonheid, het bijzondere staat centraal. Ik citeer J. van Tooren: ‘Haiku is zen-poëzie; ondanks haar lichte allure, kan soms door een plotselinge, bevrijdende ervaring van eenheid met het wezen der dingen -satori- worden opgeroepen.’

De senryiū is het inhoudelijke tegendeel van de haiku. De senryū-poëzie is de reactie van het Japanse volk op de haiku. Het is grappig, anarchistisch, volks, platvloers. Haiku is van de filosofen en de dichters, senryū is van de cabaretiers, de satirici, de cynici.
Voor wie senryū wil lezen is er de bundel De Waterwilgen, samengesteld en voorzien van een inleiding door J. van Tooren. Vermoedelijk is de bundel alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Op de achterflap lees ik: ‘In de senryū zien we de mens in zijn dagelijkse doen en laten; fijn gevoeld en scherp gezien, en meestal van de komische kant bekeken, hoewel soms ook bitter en navrant. Deze verzen ontstonden op vrolijke bijeenkomsten in theehuizen en herbergen.’

Enkele voorbeelden:

‘Sluit het huis goed af
voor het slapengaan!’ herhaalt hij,
en gaat inbreken.

 

Zijn dode gezicht;
nu voor het eerst gelijkt hij op
een menselijk wezen.

 

Aldoor maar schreiend
verzamelt ze de as en
zoekt de gouden tand.

 

De wind van de herfst
heb ik gehoord door het gat
in mijn financiën.

 

In mijn bescheiden dichterscarrière heb ik maar één keer een senryū geschreven. Die gaat zo:

De spin is verbluft.
Plotseling wiegt in zijn web
een Marlboro peuk.

Oogpunt 21

Journal

 

Kreupelhout

Dinsdag 4 mei, Groningen

Een haiku is een dichtvorm afkomstig uit Japan. Het is een gedicht van drie regels. De eerste regel heeft vijf lettergrepen, de tweede zeven, de derde weer vijf. Het onderwerp van een haiku is vaak een natuurbeleving. Ook het landelijke en huiselijke leven kan onderwerp zijn.

Een van de beroemdste haiku’s is geschreven door de Japanse haiku-meester Matsuo Basho, hij leefde van 1644 tot 1694. Het gaat zo:

Oh, oude vijver,
een kikker springt van de kant,
geluid van water.

 

Een andere haiku van Basho:

op een dorre tak
is een kraai nog blijven zitten
in de herfstavond

 

Een paar dagen geleden zat ik op de kade van het Lage der Aa toen er zomaar een haiku in mijn hoofd kwam, zie een paar blogs geleden. Wie meer haiku’s wil lezen, raad ik het boek van J. van Toooren aan. De titel: Haiku, Een jonge maan. Het is in 1983 uitgegeven en sinds die tijd heb ik het al. Ik hou van de haiku door zijn eenvoud, zijn sfeer, de lange traditie, de ingetogenheid, de liefde die er uitspreekt voor de natuur en de kleine, vaak ogenschijnlijk onbetekenende dingen die beschreven worden.

Afgelopen zondag kwam er ook weer een haiku in mij op. Niet gek, want we reden naar Slochteren door het uitgestrekte Groninger land waar een mens zich al snel klein voelt en behoefte heeft aan beschutting. Ik heb er wel mee geworsteld. De haiku die het eerst in mij opkwam ging zo:

Donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten,
ver weg een schuilplaats.

 

Ik vond het woord schuilplaats eigenlijk te hard. Al gaf het goed weer wat ik wilde zeggen. Maar ik vind het woord schuilplaats ook te expliciet. Vervolgens schreef ik het zo:

Donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten,
ver weg een bosje.

 

Maar bosje vond ik een slap woord. Het lag ook te ver af van wat ik eigenlijk wilde zeggen. Dit werd de definitieve versie:

donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten
ver weg kreupelhout

 

Het woord kreupelhout vind ik prachtig, is geheimzinnig en ik vind het een goed synoniem voor schuilplaats, minder concreet, geheimzinniger. Ook in kreupelhout kun je goed schuilen.

 

Oogpunt 20

Journal

 

Stoelendans

Maandag 3 mei, Groningen

Wyb en ik rijden naar Zuidhorn voor mijn eerste Covid vaccinatie. Doel is een oud zalencomplex in Zuidhorn, Balk geheten. De vader en moeder van Wyb hebben hier nog hun 25-jarige bruiloft gevierd. Op een enorme parkeerplaats staan twee verkeersregelaars de weinige auto’s op een keurige rij te delegeren. Wyb maakt een foto van me voor het zalencomplex. Historische momenten dienen nu eenmaal vastgelegd.

Een verkeersregelaar komt naar ons toe om te vragen of we zeker weten dat er verder niemand op de foto staat. Wyb en ik schieten in de lach. Ook hij moet toch zien dat er verder geen mens op de parkeerplaats is.
‘De GGD, hè,’ zegt hij vergoelijkend. ‘Die zijn erg streng.’
Vermoedelijk handelt hij keurig volgens protocol. Iemand maakt een foto: meteen checken of er niemand anders op staat, ook al is er overduidelijk verder niemand te zien.

De ene na de andere beveiliger wijst mij welke richting ik op moet lopen. Hier wordt niets aan het toeval overgelaten. Ik ben iets te vroeg, maar een meisje met de afkorting GGD op haar hesje zegt dat ze er blij mee is. Ik sta nog niet te wachten of een stoplicht voor een van de hokjes springt op groen. ‘U mag,’ laat ze me weten.

En zo zit ik dan eindelijk naast iemand die het Comirnaty-vaccin van BioNTech/Pfizer in mij gaat prikken. Ik zou volgens de eerste planning half maart aan de beurt zijn. Het is nu 2 mei. Ik heb er naar uitgekeken. Van de prik voel ik niets. Terwijl ik op televisie vrijwel elke dag wel een keer heb gezien hoe zo’n naald diep de bovenarm ingaat.

Als ik het hokje uitloop, staan er opnieuw een paar beveiligers klaar om mij een wachtruimte te wijzen waar ik nog vijftien minuten moeten zitten om te kijken of ik geen onverwachte allergische reactie krijg. Met een stuk of vijftien generatiegenoten zitten we op veilige afstand van elkaar te wachten op de allergische reactie die niet komt.
‘Als dadelijk iedereen er is, zet ik de muziek aan en begint de stoelendans,’ grapt een beveiliger. Vermoedelijk maakt hij het grapje een paar keer per dag.

Ik neem mijn generatiegenoten op. Wat zijn we oud geworden. In een paar mensen zit nog leven, de meesten hebben zichzelf zo te zien afgeschreven. Een substantieel deel heeft toch met lange haren gedroomd van peace and love en van een leven leiden als in de film Easy Rider. Daar zitten we dan midden zestig gepasseerd te wachten na de eerste stap op weg naar een veilig bestaan.

Eerder die ochtend is me duidelijk geworden dat we ons na die eerste prik niet veilig moeten wanen. Willem, een vriend van ons, in ons huis hangt menig schilderijtje van hem, ligt sinds een paar dagen op de ic in Zwolle. Na zijn eerste prik kreeg hij toch Covid. Inmiddels is hij op de ic in slaap gebracht. Hij is veel in onze gedachte.

Oogpunt 19

Journal

 

Schuilen

Zondag 2 mei, Groningen

 

Dit is een kleine hut, hoog in de bergen.
Wie hier wil wonen moet het ergste vergen.
Met touwen, pikhouweel en zuurstofmasker.
Wie dient te schuilen, kan zich hier verbergen.

 

 

 

Oogpunt 18

Journal

 

Het gemaaide gras

Zaterdag 1 mei, Groningen

De terrassen in Groningen zitten vol, ondanks dat het rotweer is. Nu terrassen het symbool van herwonnen vrijheid is, wil je er natuurlijk ook van genieten. Of je nou in T-shirt of met dikke jas op een terras zit, het maakt iets uit, maar het principe blijft hetzelfde. Aan een tafel zitten met een kop koffie of een biertje op een terras is iets heel anders dan thuis aan een tafel zitten met een kop koffie of een biertje. Op een terras heb je geen last van muren en bij je thuis lopen nooit zoveel mensen langs.

Na een bezoek aan de markt pakken Wyb en ik voor het eerst een terrasje. We zitten op de rand van de kade van het Kleine der A, wat het verlengde is van het Hoge der A. Ik vind het zulke prachtige namen. Als ik nog eens een uitgeverij beging, dan noem ik haar Uitgeverij Het Hoge der A.
We bestellen een thee voor Wyb en een koffie verkeerd voor mij.
‘Waarom krijgen we er geen koekje bij?’ zeg ik tegen Wyb als we de bestelling hebben ontvangen.
‘Weet je dat ik precies hetzelfde dacht,’ zegt Wyb.
Onze levens zijn zo versmolten dat we heel vaak op het hetzelfde moment hetzelfde denken. Ik vind dat een verworvenheid. Je zult maar een relatie hebben waarin je nooit hetzelfde denkt op hetzelfde moment.

‘U heeft de koekjes vergeten,’ zeg ik tegen de vriendelijke serveerster als ze weer langsloopt.
‘Oh, ik zal ze even voor u halen.’
Verderop is de gemeentelijke schoonmaakdienst bezig met het schoonmaken van het Lage der A. Een boot met een grijper haalt de ene na de andere verroeste fiets naar boven.
‘Sorry,’ zegt de vriendelijke serveerster als ze terug komt, ‘maar koekje hebben we in het kader van de Covid-maatregelen afgeschaft.’
Ik haal mijn schouders op. In het kader van veiligheid kun je de gekste dingen verzinnen.

We genieten van ons eerste terrasbezoek, zelfs als het begint te druppelen. Ik staar naar het water van het Lage der A, zie dat er best veel stroming in zit. Zomaar ineens zit er een haiku in mijn hoofd.

het gemaaide gras
drijft langzaam langs ons richting
de grote oceaan

Oogpunt 17

Journal

 

Oogpunt 16

Vrijdag 30 april, Groningen

Journal

 

Klussen

Donderdag 29 april, Groningen

De oplettende lezer zal het gisteren vast zijn opgevallen: jullie zaten in Zoutelande, maar hoe kan het dan dat het blog van gisteren in Berg en Dal is geschreven? Een vraag met een antwoord. Gisteren zijn we van Zoutelande naar Berg en Dal gereden omdat Wyb een belangrijk gesprek in Nijmegen had.

Wyb is per 1 november als ZZP’er begonnen en dat gaat crescendo. Van september tot maart wordt Wyb opnieuw zakelijk directeur bij Theatergroep Kwatta, dit a.i. (dus ad interim). Van 2004 tot en met 2008 was zij daar de vaste zakelijk directeur. Nu mag ze iemand vervangen die met zwangerschapverlof is. Dit gaat ze drie dagen in de week doen, daarnaast is ze adviseur programmering en marketing voor het theater in Winschoten, dit voor twee dagen in de week. En zo zijn haar dagen weer volop gevuld. Ik vrees dat het, zoals het altijd met dit soort opdrachten gaat, niet bij een 40-urige werkweek zal blijven.

Dat is niet de enige reden dat we met de camperbus in Berg en Dal neerstreken. Vanochtend hadden we een afspraak met Wilma en Ronald van Le Mazelet. Nee, niet in Frankrijk, dit keer in Arnhem. Ze zijn hier voor familiebezoek en om vele dozen wijn af te leveren. Het spreekt voor zich dat wij graag enige dozen wijn van onze voormalige huiswijn van Les Trois Comtes willen afnemen. Gelukkig hebben we een camperbus waar best de nodige dozen inpassen. Vanavond kunnen we proeven of 2020 voor wijn een beter jaar was dan voor ons.

Wijn is niet de enige reden waarom we met hen afspreken. Wilma heeft aan Wyb gevraagd of ze in juli in Frankrijk een tijdje mee wil werken op een buitengewoon fraaie trouwlocatie. Wilma is daar wedding planner en door ziekte hebben ze een personeelsprobleem. Of Wyb daar voor een maand gastvrouw wil zijn. Ze zorgt dan voor de ontvangst van gasten en de verzorging van ontbijt en lunch. Normaal gesproken is het een internationale trouwlocatie. Ook in Les Trois Comtes hadden we vaak gasten die hier voor een bruiloft waren. Dit jaar zullen er door Covid voornamelijk Franse bruiloften zijn. De locatie ligt zo’n vier kilometer van Saint-Hippolyte-du-Fort vandaan. Dus we gaan voor een maand weer even proeven aan ons voormalige Franse leven.

Zoals tegen alle baantjes die mij worden aangeboden, heb ik ook nu gezegd dat ik dat niet ga doen. Ik ga uiteraard graag met Wyb mee, wil best eens naar de bakker rijden of een kop koffie naar een gast brengen. Maar als fotograaf en blogger heb ik het te druk om mij een vakantiebaan te kunnen permitteren.

Voor mij is het vandaag een historische dag. Op deze 29ste april ga ik officieel met pensioen. Nee, nee, zeker niet als blogger.

Oogpunt 15

Journal

 

Zeeland

Woensdag 28 april, Berg en Dal

Een paar blogs geleden schreef ik dat ik in mijn jeugd elke jaar in Zoutelande kwam. Het blijkt dat ik toen een slecht observator was. Het Zoutelande van nu is een totaal ander Zoutelande dan toen. Toen zag ik voornamelijk toeristen en een zee waar ik me niet bij thuis voelde omdat ze zo verschilde met de biotoop waar ik vandaan kwam. Ik was in Zoutelande een kat in een vreemd pakhuis.

Ik heb in mijn jeugd totaal niet de hoge duinen gezien. Het zou me niet verbazen als Zoutelande de hoogste duinen van Nederland heeft. Hier en daar loopt het wandelpad over de toppen en dan heb je een magistraal uitzicht over de zee en het strand. Ik heb toen ook niet de grafische schoonheid van het strand gezien. Niet gek voor een negen-, tienjarige, maar nu vind ik die schoonheid het meest kenmerkende van het strand. En met grafisch bedoel ik de strakke rijen palen die om de honderd, honderdvijftig meter in strak gelid de aanval van de zee op het land staan af te slaan. Een ander grafisch element waar ik dol op ben zijn de strandhuisjes die in rechte lijn onder het duin staan. Sommige in wonderschone kleuren. Maar ook de witte maken indruk met hun strakke strengheid.

Nu zie ik dat het Zeeuwse kust mij veel meer aanstaat dan de Noord-Hollandse. Grote delen van de noordelijke kustlijn zijn verpest door poenerige en proleterige projecten. Oude huisjes en hotels zijn gesloopt. Daarvoor in de plaats zijn architectonische misbaksels neergezet die de schijn van sjiek moeten ophouden. Ze vertegenwoordigen het schoonheidsideaal van de projectontwikkelaar. In Zeeland wonen de mensen veelal in de oorspronkelijk huizen. De dorpen zijn nauwelijks aangetast door mensen zonder smaak. In Zeeland voel je nog het authentiek verband van de dorpen.

En nu, grote schande, moet ik bekennen dat ik nooit geweten heb dat Zoutelanden zo dichtbij Vlissingen ligt, en dat er dorpen als Domburg en WestKapelle in de buurt liggen. Ik wist dat Middelburg bij Zoutelande lag, maar dat Veere zo dichtbij is. Ik had het totaal ergens anders gesitueerd. Ik dacht dat zowel Vlissingen als Veere op Schouwwen-Duivenland lagen. Bij de behandeling van de topografie van de provincie Zeeland op de basisschool moet ik vast ziek zijn geweest.

Al dat slechte observeren in mijn jeugd en die lacune in mijn topografische kennis heb ik in ons vijfdaags verblijf in Zeeland goedgemaakt. Zeeland is enorm in mijn achting gestegen. Zo zelfs dat Wyb en ik ons heilig voornemen om er volgend jaar rond deze tijd terug te komen. In de zomer zal een invasie van toeristen plaatsvinden, in deze tijd is Zoutelande en Zeeland van een paar bevoorrechten die buiten de vakanties eropuit kunnen. Zij kunnen genieten van vrijwel lege stranden.

Oogpunt 14

Journal

 

Strand

Dinsdag 27 april, Zoutelande

Oogpunt 13

Journal

 

De Cirkel

Maandag 26 april, Zoutelande

Transparantie, het is een modewoord in Den Haag. Er mag geen achterkamertjes politiek worden bedreven. Het kabinet moet in openheid zijn besluiten nemen en informatie geven waardoor de tegenmacht zijn werk kan doen. Met dat laatste ben ik het eens, met de roep om transparantie veel minder.

Het is jammer dat politici weinig tijd hebben om te lezen. Want dan zouden ze misschien De Cirkel van David Eggers hebben gelezen. In deze tijden, waar politici de mond vol hebben over openheid en transparantie, is het eigenlijk verplichte kost. David Eggers beschrijft overtuigend waar transparantie toe kan leiden. Hij schept een dystopisch beeld. Stel je een samenleving voor waarin niemand meer een privé heeft, waarin iedereen altijd zichtbaar is en altijd verantwoording moet afleggen. Een samenleving waar iedereen van alles weet over iedereen. Maar dan ook echt alles weet. Eggers laat de vreselijke gevolgen zien van een dergelijk principe.

Mensen hebben leugens en leugentjes nodig. Mensen hebben behoefte aan roddels en achterklap. Mensen willen hun hart kunnen luchten over die verschrikkelijke Pieter Omtzigt. Natuurlijk is hij een kwelgeest voor degene die hij bestrijdt. Het spreekt voor zich dat ze hun probleem Omtzigt met elkaar bespreken. Overigens: leve Pieter Omtzigt.

Politici die bepleiten dat alles in openbaarheid moet gebeuren zijn naïeve politici. Ze hebben te veel in Kamerbankjes gezeten en te weinig in de modder gestaan. In elke organisatie, hoe open ook, gaan soms de deuren dicht en zijn er geheimen die niemand anders moet weten. Er zijn geheimen die absoluut geheim moeten blijven omdat anders de organisatie in gevaar komt, of omdat onderhandelingen en privacy dat vereisen.

Voor een heleboel zaken heeft het helemaal geen nut om ze met anderen te delen. Dat kan zelfs oneerlijk zijn. Iemand kan het idee krijgen dat hij er iets over te zeggen heeft, of invloed op heeft, terwijl dat helemaal niet het geval is. En dat leidt alleen maar tot frustratie. Er zijn duizend reden om niet open en transparant te zijn. Het sluiten van deuren is vaak erg nuttig. En natuurlijk heeft iedereen die wordt buitengesloten het recht om daar van te balen. Maar het sluiten van deuren en dat balen is onlosmakelijk verbonden met organisaties, zelfs in de politiek.

Oogpunt 12

Journal

 

Het terras

Zondag 25 april, Zoutelande

Ik sluit niet uit dat ik mijn leven heb vergooid, dat ik me met zaken heb beziggehouden die er eigenlijk niet toe doen. Dat ik, terugkijkend, aan het begin van mijn leven een andere richting had moeten kiezen. Ik vermoed dat ik een doodlopend pad heb gelopen en er pas na veertig jaar hard werken achter kom dat dat pad doodlopend is. Een tragisch gegeven. Gerard Tonen, hij heeft hard gewerkt, maar in feite voor niets geleefd. Fait accompli.

Ik kom erachter door die lockdowns. We zitten nu meer dan een jaar, met een kleine pauze, in die lockdowns. De mensen worden er gek van, hebben er geen zin meer in. Dat hebben ze al lang niet meer en weinigen hebben de ballen om zich nog een beetje te gedragen. Die millenials hebben er van begin af aan al genoeg van. Sinds de eerste dagen van de eerste lockdown vieren ze feest. Die Covid? Schijt, ons treft dat griepje niet. Dat ze dat griepje doorgeven aan ouderen en daarmee een dodelijke ziekte. Schijt. Ik hoop zo dat ik in mijn leven nog eens meemaak dat er een virus komt dat juist die millenials treft, dat de zaak wordt omgedraaid. Ik wil niet zeggen dat ik ga feesten, maar ik ga wel met een heleboel ouderen in een park zitten chillen. Afstand houden? Vergeet het. We gaan de hele dag op onze iPhones samen dicht tegen elkaar aan, wij waren verdomme van de Seksuele Revolutie mother fuckers, Ik Vertrek kijken, of Het Mooiste Meisje van de Klas.

Dit terzijde. Waar het me om gaat is die behoefte aan terrassen. Sinds die lockdowns heeft het terras een mythische proportie aangenomen. Pas als we weer op een terras mogen zitten, zijn we weer vrij en gelukkig. Een terras is het hoogste goed, blijkt na dit jaar.
Arme naïeve ik. Ik was mijn hele leven ervan overtuigd dat als er één ding niet gemist kon worden het kunst was, en met name de podiumkunsten. Mensen, ik heb me echt jarenlang een missionaris gevoeld. Ik maakte ook de uren van een missionaris, vol devotie heb ik mij overgegeven aan het theater. Er was maar éen ding waar het werkelijk om ging in mijn leven: kunst.

En wat gebeurt er nu de samenleving al meer dan een jaar op slot zit? Iedereen praat over terrassen, nog niemand heb ik horen smachten naar kunst, laat staan theater. Ja, de theaters zelf, maar die hebben een werkgelegenheidsbelang. De mensen in het land, de gewone Nederlander, om met Rutte te spreken, hebben al een jaar lang het woord theater niet in de mond genomen. Het interesseert ze geen klap dat ze niet naar het theater kunnen. Het terras, daar draait het om.

Mijn leven lang leefde ik in de veronderstelling dat het theater was wat het terras nu is. Dat we geen week, geen maand zonder kunst zouden kunnen. Ik heb er naar geleefd, ik heb me daarom kapot gewerkt, risico’s genomen om de kunst maar te dienen. Wat een foute veronderstelling van me. Mensen vinden maar één ding werkelijk belangrijk: het terras. Was ik maar horecaondernemer geworden, dan had mijn leven werkelijk nut gehad.

Oogpunt 11

Journal

 

Strandwandeling

Zaterdag 24 april, Zoutelande

Journal

 

Zoutelande

Vrijdag 23 april, Zoutelande

Met zo’n camper kom je nog eens ergens. Vanavond schrijft Dossiermoddergat uit Zoutelande. Voor mij niet zomaar een toeristenplaatsje aan de kust. Voor mij is de naam omgeven door nostalgie. Mijn oom Theo en tante Annie gingen met hun dochter Yvonne hier elk jaar op vakantie. Mijn vader had niet veel vrienden. Sterker, hij had maar één vriend, en dat was mijn oom Theo. Als mijn oom en tante daar in een bungalowtent stonden, was het een mooie aanleiding om een dag op en neer vanuit Nijmegen naar Zoutelande te reizen.

Goed mogelijk dat ik hier voor het eerst de zee zag. Wie in Nijmegen woont heeft weinig kans om zee te zien. Er gingen jaren voorbij dat ik geen zee zag. En ik had geen idee wat ik miste. Een jongetje uit Nijmegen komt onbewust in bepaalde opzichten veel tekort. De bossen, de heidevelden, de heuvels van Berg en Dal en de Waal vormden mijn biotoop. De zee was voor mij lang een exotisch fenomeen, ver weg, een fenomeen dat ik slechts een keer per jaar in Zoutelande zag.

Ik was vijftien of zestien toen ik met twee jeugdvrienden liftend door Nederland reisde. Niet lang daarvoor hadden wij de film Easy Rider gezien en de vrijheid die uit die film sprak, dat wilden wij ook. De wereld lag voor ons open. En wij wilden alles van die wereld proeven.

Thiel speelde als rechtgeaarde hippie één nummer op een bamboe dwarsfluit. Ik weet nog precies om welk nummer het ging: House of the Rising Sun, ik heb het zo vaak gehoord. Ik was stinkend jaloers dat hij dat kon en ik niet. Ik had een mondharmonica waar ik maar geen liedje uitkreeg. Toch namen wij die bamboe dwarsfluit en die mondharmonica overal mee naar toe. Een beetje hippie speelde ’s avonds bij een kampvuur op een instrument. Om mijn a-muzikaliteit een beetje te compenseren droeg ik overdag en ’s nachts een gebreid mutsje. Zag er best hippie-achtig uit.

Het eerste doel op onze liftreis werd Zoutelande. Want mijn jeugdvrienden, Thiel en Sjef, vonden mijn oom ook cool. Dat was tenminste een volwassen man waarmee wij konden praten. Bovendien was Sjef verliefd op mijn nichtje. Alle reden om eerst daarheen te gaan. We kregen een lift van Nijmegen naar Roosendaal in een vrachtauto. Het was onze eerste lift. De vrachtwagen denderde maar door zonder één keer te stoppen. Een probleem voor ons: wij moesten zo pissen. Wij zaten in de achterbak en konden geen contact krijgen met de chauffeur. Uiteindelijk hebben we uit nood in de achterbak staan pissen. Gelukkig maakte hij het dekzeil net op de goede plek open toen hij ons bevrijdde.

’s Avonds zaten we bij een kampvuur en Thiel floot House of the Rising Sun. Met mijn oom hadden we een goed gesprek. Het bezoek was precies wat wij ons er van hadden voorgesteld. Die nacht werd het noodweer. Bliksem en striemende regen teisterden de camping. De plassen stegen en zochten hun weg de tenten in. Met ontblote bovenlijven gingen we naar buiten en groeven om diverse tenten greppeltjes om het leed enigszins te verzachten. Zie nou wel dat het leven niet saai was, wij voelden ons helden.

De volgende dag bleek het toch niet zo’n succesvolle actie. We werden gewekt omdat iemand voor onze tent stond te schreeuwen. Het bleek de campingeigenaar te zijn. Hoe wij het in ons hoofd hadden gehaald om de hele camping om te spitten. We moesten binnen een uur de camping verlaten, anders zou hij ons eigenhandig verwijderen. Mijn oom deed op zijn kenmerkende charmerende wijze nog een goed woordje voor ons. Het mocht niet baten. Binnen een uur hadden wij onze spullen ingepakt en stonden we buiten de camping. Ons maakte het niet uit. De wereld was groot, overal lonkte het avontuur.

Ik weet zeker dat we vanavond op een andere camping staan. Hier zijn überhaupt geen tenten te bekennen. Zo gauw ik de naam Zoutelande hoor, zie ik mezelf met een gebreid mutsje aan een kampvuur zitten. Om met de dichter Jan Greshoff te spreken: Maar ’t kan verkeren.

Oogpunt 10

Groningen studentenstad 05

Journal

 

Galerie

Donderdag 22 april, Groningen

Vandaag werd ik gepolst of ik lid wil worden van een commissie podiumkunsten om aanvragen te beoordelen. Ik hoefde gelukkig geen moment na te denken of ik dat wel of niet ga doen. Terug in Nederland besloot ik dat ik nooit meer in een bestuur, raad van toezicht of commissie ga zitten. Hoe eervol ook, ik ga het niet doen. Ik vond dat ik meer dan genoeg op gebied van podiumkunsten heb gedaan. Zo’n beetje mijn hele leven heb ik andere mensen gefaciliteerd, heb ik ervoor gezorgd dat anderen hun kunstje konden doen. Ik heb dat in allerlei functies en hoedanigheden gedaan. Ik heb in besturen gezeten, ik ben directeur geweest van de meest uiteenlopende organisaties, ik heb in denktanks gezeten, in commissie, heb in diverse raden van toezicht gezeten en ook nog eens in de Raad voor Cultuur. Het is mooi geweest. Vanaf nu wil ik alleen maar dingen doen, die ik zelf leuk en nuttig vind. Nu het kan, vanaf volgende maand heb ik pensioen, ben ik zelf aan de beurt.

Eerlijk gezegd wilde ik vooral zelf dingen gaan maken. Veel foto’s, een paar boeken. Toch ben ik sinds enige tijd weer aan het organiseren. Niet op het gebied van podiumkunsten, wel op het gebied van fotografie. Samen met Marc ben ik aan het kijken of we een galerie voor fotografie in Groningen kunnen opzetten. Laat duidelijk zijn: wij doen dit niet uit commerciële overwegingen. Zoals alles waar mijn hart naar uit gaat, is ook hier geen droog brood mee te verdienen. Dat hoeft ook niet, want overheid en pensioenfondsen voorzien mij van financiële ondersteuning.

Marc ken ik vanaf 1985 of daaromtrent. Ik was hoofd marketing van de stadsschouwburg en De Oosterpoort in Groningen en Marc was dienstweigeraar en zocht een plek om vervangende dienst te doen. Bij zijn sollicitatie stootte hij een kop koffie over mij heen. Het pleit voor de sollicitatiecommissie, bestaande uit Pim (directeur) en ik dat we hem dat niet aanrekenden. We vermoedden talent en namen hem aan. Een goede keuze want hij bleef zich verder zijn hele leven nuttig maken voor de podiumkunsten. Al had ik daar in het allereerste begin nog wel twijfel over. De eerste dag dat hij bij ons ging werken, kwam hij niet, zoals afgesproken, om negen uur ’s ochtends opdraven, maar kwam hij pas tegen een uur of twee aanzetten. Benne (vormgever op de afdeling) en ik hadden afgesproken dat we niets zouden zeggen, we zouden doen alsof er niets aan de hand was, mocht hij komen opdagen. Aldus geschiedde. Marc heeft mij onlangs laten weten dat dit een perfecte les was. Hij heeft zich nog nooit zo rot gevoeld. Hij voelde zich door ons zwijgen ontzettend schuldig. Nadien was hij altijd prima op tijd, ondanks dat hij soms nogal een ruig leven leidde. Dit terzijde.

Net als ik dreef hij de afgelopen jaren af van het theater en begon hij zich steeds meer voor fotografie te interesseren. Terug in Groningen hebben we elkaar weer snel gevonden. Ben benieuwd of het gaat lukken. In Nederland heerst een enorme ruimtenood, niet alleen op het gebied van woningen, ook van galerieën. Het is zeker geen gelopen race. Wordt vervolgd.

Oogpunt 09

Journal

 

Zingen

Woensdag 21 april, Groningen

 

Gewoon, zoals de merel
op de punt van het dak.

Over de grootte van het land.
Over de moeders die komen en gaan.
Over de monden van de jongen.
Over de vluchten, hoogte, afstand.
Over pleisterplaatsen.
Over het plezier van het water.
Over de dingen die verdwenen.
Over het nest, de heggen en het dak.

En dan naar een andere punt vliegen,
gewoon zoals de merel.

Zingen.
Avond na avond.

Oogpunt 08

 

 

Journal

 

Field labs

Dinsdag 20 april, Groningen

Ik ben best een succesvol actievoerder. Die parkeergarage bij de Piersonstraat in Nijmegen is er door onze acties in 1981 mooi niet gekomen – vraag niet ten koste van wat. Vanmorgen onderteken ik een petitie tegen die field lab van radio 538 in Breda waar 10.000 mensen zouden komen (400 meter van het ziekenhuis) en wat gebeurt: drie uur na mijn ondertekening wordt het evenement afgeblazen. Zie nou wel dat actievoeren zin heeft.

Ik wil in Dossiermoddergat toch wel even het fenomeen field lab vastleggen. Laten we beginnen met de keuze van het woord field lab. Welke aansteller heeft die term verzonnen voor wat experimenten? Het is in ieder geval iemand die het slechtste voor heeft met de Nederlandse taal. Ik zou graag eens een hartig woordje met hem willen praten. We geven gewoon de schuld aan Hugo de Jonge, die krijgt toch de schuld van alles.

Voor wie het nog niet weet wat field labs zijn, de organisatie die ervoor verantwoordelijk is, formuleert het op haar site als volgt: ‘Het doel van Fieldlab Evenementen is om gevalideerde bouwstenen te ontwikkelen als bewijslast van de veilige en betrouwbare aanpak, in co-creatie met bedrijven, overheden, wetenschap, belangenorganisaties en publiek.’ Helder lijkt me. Ook de schrijver van deze tekst heeft het slechtste voor met de Nederlandse taal. Nog iemand met wie ik een hartig woordje moet spreken.

Bij die Field Lab bijeenkomsten zijn in totaal 232.000 mensen welkom. Hier betaalt onze overheid 925.000.000 voor. Dit wil zeggen dat er een subsidie van €4.000 per persoon plaatsvindt. Geld speelt voor dit demissionaire kabinet geen rol meer. Welk gek heeft hiertoe besloten? Vast weer die Hugo de Jonge.

Als alles een beetje meezit, is 1 juli iedereen ingeënt, aldus de Jonge. Dat wil zeggen dat we over tweeënhalve maand van die Covid zijn verlost, dat iedereen zich weer vrij kan bewegen, zoals in sommige andere landen al het geval is. Goed, Hugo de Jonge zei het, dus laten we er nog een maandje bijtellen. Dan is iedereen over drieënhalve maand zeker immuun voor het huidige Covid. Waarom zijn we dan met experimenten bezig om te kijken hoe we dadelijk weer veilig open kunnen? Nog even een paar maandjes wachten en we hadden een miljard euro op zak kunnen houden.

Over die waarom vraag. Natuurlijk zijn deze field labs helemaal geen experimenten om te kijken hoe we dadelijk weer veilig open kunnen. Deze field labs worden georganiseerd om belangenorganisaties enigszins tegemoet te komen. Het is een zoethoudertje. Wie een beetje lekker lobbyt krijgt altijd iets toegeworpen. En de overheid wil met die field labs laten zien dat ze heus over de toekomst nadenkt en dat ze de beroerdste niet is. Field lab is een ander woord voor window dressing. Hele dure window dressing.

 

Oogpunt 07

Journal

 

Oceanen en woestijnen

Zondag 18 april, Berg en Dal

En nu hebben we dus een camperbus. Geen camper. Niet zo’n groot wit ding. Dat vinden wij burgerlijk. Wij hebben namelijk dromen bij zo’n camperbus, voor ons is het vooral een ding om avonturen te beleven. Grote reizen te maken, aan de rand van oceanen staan, door woestijnen rijden. Al zal het van dat laatste vermoedelijk niet komen omdat ik bang ben voor woestijnen. Ik heb een grote angst om te verdwalen.

Wyb en ik zijn tussen half februari en half april nu al vier keer met de bus op stap geweest. Ik spreek nu nadrukkelijk van bus. Dit laat onverlet dat je, voordat je het weet, in de campercultuur zit. Nu ik dit schrijf zitten we op een keurige camping aan de Zevenheuvelenweg, de hel voor elke Vierdaagseloper. Als ik naar buiten kijk, zie ik een rij campers en caravans staan, alle wit. En voor al die witte dingen zitten keurige mensen op keurige campingstoelen aan keurige campertafeltjes. En laat ik eerlijk zijn, bij ons is het niet anders. Al is onze camperbus dus niet wit maar blauw. Ik heb geen idee hoe andere mensen daar tegenaan kijken. Ik vind het in ieder geval fijn dat onze camperbus niet wit is. Geeft toch het gevoel dat we net even anders zijn. Ik zie die mensen in die witte dingen nog niet aan de rand van oceanen staan en door woestijnen trekken.

Eerst hadden we een huisje aan de oceaan, nou ja, aan de Waddenzee. Nu een camperbus. Een tweede huis of een camperbus, wat is het verschil? Het verschil is het avontuur. We zijn vier keer weg geweest en elke keer hadden we een ander uitzicht, een ander landschap, andere ontmoetingen. Het uitzicht in ons tweede huisje was zeventien jaar hetzelfde: een groene dijk, soms met schapen.

Een ander enorm groot voordeel is dat je met een camperbus altijd andere buren hebt. Goede buren zijn zeldzaam. Als je een goede buur hebt, moet je hem koesteren. Net zo als vrienden, zelfs verre vrienden. Het gevaar van een huisje is dat je rotburen krijgt, buren die zeuren, of buren die je huiselijke aura gaan aantasten. Het liefst wil je dan je huisje oppakken en verplaatsen naar een plek waar leuke buren zijn. Met een huisje zonder wielen kan dat niet. Met een camperbus wel.

Ander verschil: een camperbus ontzorgt. Met een huisje denk je altijd: de tuin moet nog worden gedaan, de schuur moet vernieuwd, de buitenboel dient geverfd, de kozijnen zijn op, en veel meer van dit soort zorgdingen. Met een camperbus heb je geen last van schuren, kozijnen en buitenboel. Het mooie: elke dag kun je een andere tuin hebben zonder er in te hoeven werken.

Pak je bed op en wandel kun je met een huisje niet zeggen. Slecht weer, zo’n huisje blijft staan. Met zo’n camperbus begin je gewoon een zoektocht naar het mooie weer.

Lost and found 04

Journal

 

Roots

Vrijdag 16 april, Berg en Dal

Het lijkt wel of ik deze dagen een soort back to the roots arrangement heb geboekt. Gisteren begon het al met het terugkijken van Andere Tijden, dat woensdag geheel was gewijd aan het verzet rond de Piersonstraat in 1981. Ik zat aan het beeld gekluisterd om te kijken of ik nog in beeld was. Helaas. Er liepen zoveel mensen rond.

Wat mij als eerste opviel waren de buitengewoon slechte televisiebeelden. Het waren zulke beroerde kleuren en het beeld had zo’n slechte resolutie. De rellen kregen daardoor een soort ouderwets karakter, zoals ik in mijn jeugd terugkeek naar filmbeelden uit de jaren ’30 van de vorige eeuw. Al dat verzet, heel dat gevecht dat we gevoerd hebben, het leek extra passé door die primitieve televisiekwaliteit.

Het voelde sowieso ontzettend passé omdat ik in die tijd dacht dat we met iets erg belangrijks bezig waren. Het breed gedragen protest, er waren avonden dat er vijftien-, twintigduizend mensen op de been waren, zou een voorbode zijn waar wij, linkse voorhoede, zo op hoopte. Ook hier is een helaas op zijn plaats. Het was geen voorbode, het was veeleer het einde van de jaren zeventig waarin Nederland even een beetje rood kleurde. Nijmegen werd nog wel een Havana aan de Waal. Nederland maakte zich op voor het neoliberalisme. Nijmegen was een links eilandje omgeven door een neoliberale oceaan.

Alle lof trouwens voor de Nijmeegse politie. In beeld was een onvervalste houwdegen die de acties van de marechaussee had geleid. Hij was de aanvoerder van het leger-geweld en de militaire acties. De man blaakte van trots. Je merkte dat hij inmiddels aan al zijn familieleden heeft verteld dat hij zo graag die kraker van het dak had geschoten toen die een molotovcocktail naar een tank gooide. Juridisch, liet hij weten, had hij daartoe het recht gehad. Nadat de strijd voorbij was, liet de Nijmeegse politie weten dat ze nooit meer met die marechaussee wilde samenwerken en veroordeelde ze het overheidsgeweld. En wat er ook allemaal is gebeurd: die parkeergarage is er toch maar mooi niet gekomen.

Zo begon mijn arrangement met een documentaire. En vandaag dan de tocht naar mijn oude biotoop. Wyb en ik staan, als ik dit schrijf, op een camping in Berg en Dal aan de Zevenheuvelenweg. Het is denk ik een jaar geleden dat ik in Nijmegen was. Nog nooit ben ik zo lang niet in Nijmegen geweest.
Morgen wordt het arrangement vervolgd met een familiebezoek aan Jan en Connie. Zondag staat een wandeling naar de Duivelsberg op het programma. Wat een genot om weer in deze biotoop rond te lopen. Vandaag bedacht ik dat het een voorrecht was om als kind in Nijmegen op te groeien. Waar is de omgeving rond een stad gevarieerder dan hier?

Ten noorden van de stad stroomt de machtige Waal. Boven de Waal de Betuwe. Onder de Waal de Ooijpolder. Ten oosten van Nijmegen de Ubbergse Heuvelrug. Ten zuiden de Hatertse Vennen en de Limburgse bossen. Wat heb ik er in mijn jeugd van genoten. Deze dagen dus een sentimental journey.

Oogpunt 06

Journal

 

Excuses

Donderdag 15 april, Groningen

We zijn er een uur voordat de anderen komen. We willen nog even in ons huisje zitten. Afgelopen weekend hebben we het keurig opgeruimd en gepoetst. Het is zelden zo netjes geweest. Misschien dat het daarom niet als een echt afscheid voelt. Het echte afscheid was afgelopen weekend toen wij er voor het laatst twee nachten waren. Op die dagen voelden we het afscheid diep.

We halen de vouwfiets uit de schuur die we uit Frankrijk hebben meegenomen en hier hebben gestald. In de schuur vinden we nog een fietstas van Connie. Gisteren liet ze weten dat ze die afgelopen zomer had laten liggen. Na deze kleine handelingen is alles klaar voor de officiële overdracht. Het huisje staat er puik bij.

Dan rest ons nog één ding: afscheid van mijn moeder. We beklimmen de dijk, want daar, op de top van de dijk, hebben we haar uitgestrooid in de letters M I E P. Het was haar nadrukkelijke wens. Ik was tegen, want mijn moeder was helemaal geen vrouw van dijken, zee en gure stormen en striemende regen. Mijn moeder was een vrouw van de bossen en huizen met lekkere centrale verwarming in een huis dat vooral in Nijmegen moest staan.

Ik heb het haar nog uit het hoofd proberen te praten. ‘Maar je hebt toch niks met Friesland of Moddergat? Je bent er maar één keer geweest en toen lag je te slapen naast me in de auto.’
‘En toch wil ik in Moddergat worden uitgestrooid.’
‘Ma, het kan daar ongelooflijk hard stormen. In de winter is het daar zo koud. Ik wil het je niet aan doen.’
‘En toch wil ik in Moddergat worden uitgestrooid.’
‘Het is toch veel logischer dat ik je uitstrooi in de Hatertse Vennen of in de Ooijpolder. Daar heb je je hele leven geleefd. Friesland is niet jouw thuis.’
‘Gerard, ik wil in Moddergat op de dijk worden uitgestrooid. Ik ben daar toch duidelijk in.’
‘Dan heb je altijd uitzicht op zee, op een moddervlakte. Jij hoort bij de Waal of de Duivelsberg. Waarom wil je dan in Moddergat worden uitgestrooid?’
‘Omdat ik dan altijd dicht bij jullie ben. Jullie zijn daar vaak en als jullie daar zijn denken jullie aan mij. Dan blijf ik in jullie gedachte.’
Mijn argumenten waren op. Ze had helemaal gelijk. En zoals ze het zich had voorgesteld, zo is het ook gegaan. Ik kan de dijk niet beklimmen of ik moet aan haar denken.

Op de dijk bied ik haar mijn excuses aan. ‘Sorry, Ma, dat we hier nu weggaan. Een leven is lang en er kan van alles gebeuren. Soms verlaat je zelfs de plekken die je ooit het meest lief waren.’
Wyb en ik beloven haar dat we snel zullen terugkomen, dat we regelmatig zullen terugkomen. Ik raak het gras aan dat mede door haar as is gegroeid. Dat weten we, want een jaar na het uitstrooien van de as stonden de letters M I E P duidelijk in het gras te lezen. Waar de as had gelegen, was het gras hoger.

Ik weet eigenlijk wel zeker dat mijn moeder mijn excuses aanvaardt. Mijn moeder steunde mij in alles en had begrip voor alles wat ik deed. Mijn moeder was de enige mens op aarde bij wie ik geen kwaad kon doen. Ik zeg dat ik verschrikkelijk veel van haar heb gehouden.

We lopen terug naar het huisje. We zijn nog niet gearriveerd of de makelaar en de kopers van ons huisje arriveren voor de overdrachtsinspectie. Daarna rijden we achter elkaar aan naar de notaris in Dokkum en tekenen de aktes.
Huisje Moddergat is definitief niet meer van ons.

Oogpunt 05

Journal

 

Mono

Woensdag 14 april, Groningen

Ik ben een ongeschoold blogger. Ik weet überhaupt niet of er scholen zijn waar je kunt leren bloggen. Dat zal vast wel want onderwijsinstellingen verzinnen tegenwoordig de meest vreemd studierichtingen. Zo was ik ook ongeschoold theaterdirecteur. Toen ik begon had je er nog geen opleidingen voor, alle theaterdirecteuren waren autodidacten. Wyb behoorde bij de eersten die Kunst en Kunstbeleid studeerden. Zij heeft er wel voor doorgeleerd.

Dit alles wil niet zeggen dat ik geen diploma’s heb. Zo ben ik wel gediplomeerd leraar nederlands en geschiedenis. Het was vermoedelijk een enorme investering om mij zo ver te brengen. Daar is wat maatschappelijk geld mee verloren gegaan, ik heb het slechts drie maanden gedaan. Daarna lonkte de cultuur.
Wat velen niet weten, want daar heb ik al helemaal nooit iets meegedaan, is dat ik gediplomeerd reclamemaker ben. Anderhalf jaar lang reisde ik van Groningen naar Utrecht waar ik een opleiding bij Stichting Reclame & Marketing deed. De opleiding was volledig gericht op reclame. Mijn NIMA A diploma had ik al op zak.

Ik kijk graag naar reclames. Als ik een advertentie, spotje of affiche zie, kijk ik altijd even hoe ze in elkaar zitten, wat ze willen communiceren. Het zal een opleidingsdeformatie zijn. Dat deed ik zeker toen ik bovenstaand affiche zag. MONO. Mono? Ik heb meer met stereo. Groningen staat vol met deze affiches, misschien andere steden ook wel.

Wat wil dit affiche nou communiceren? Het merk Mono? Is het een merk? Wat zegt het affiche? Ongestoord onderweg. Ja, dat is volgens mij een algemeen streven: wie wil nou gestoord onderweg? Daar hoef je geen reclame voor te maken. Daaronder staat ‘Kom veilig thuis’. Ja, duh, alweer zo’n ding dat iedereen wil. Wie wil nou onveilig naar huis? Voor die boodschap hoef je ook geen campagne te voeren.

Wie is de afzender van dit affiche? Staat er niet op. Het komt zelden voor dat de zender van een boodschap niet wil weten wie hij is. Daarom maar eens gegoogeld op het woord mono. En dan vind ik: ‘De verkeersveiligheidscampagnes van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en zijn partners worden gevoerd onder de koepel ‘Kom veilig Thuis’. Via dit online platform kun je verschillende campagnewebsites bezoeken zoals MONO, BOB, Snelheid en Fietsverlichting.’

Mijn verwachting komt uit. Hier zit een organisatie achter die geld te veel heeft. En zoals te verwachten subsidiegeld. Wie zou geld uit eigen zak in zo’n campagne willen steken? Daar is geen particulier of onderneming voor te vinden. Alleen als het niet je eigen geld is, durf je zoiets te verzinnen.

Wat mij intrigeerde was het zinsdeel ‘en zijn partners’. Welke partners zouden dat zijn? Op de hele website was daar niets over te vinden. Ze zullen er misschien wel zijn, maar ze treden in ieder gaven niet graag op de voorgrond. Het is flauw om te zeggen: maar iemand heeft geld van jou en mij met bakken in de sloot gegooid.

Maar dat mono? Wat is nou dat Mono? Daarover lees ik: ‘Met een smartphone in je hand kan je niet veilig een auto besturen of fietsen. Je reageert dan een stuk trager op gevaarlijke situaties. Rij zonder afleiding, rij Mono.’ Mono, een reclamevondst waarvoor je eerst een paar open deuren moet intrappen om vervolgens een ongelooflijke omweg te maken.

Oogpunt 04

Journal

 

De ochtenden

Dinsdag 13 april, Groningen

Wyb en ik liggen vanochtend op bed. Om acht uur gaat de wekker. Ik druk hem uit. Met zo’n iPhone kun je twee keer de wekker zetten. Ik weet dat we over een half uur weer worden gewaarschuwd. We doezelen gewoon verder.
Als om half negen inderdaad het alarm opnieuw afgaat, druk ik het irritante geluid weer weg. Lui blijven we liggen.
‘Eigenlijk is dit ongekende luxe,’ zeg ik tegen Wyb. ‘Besef je dat wel.’
‘Zeker,’ zegt ze slaperig.
We blijven gewoon nog even liggen.

Twee jaar lang was dat in Frankrijk wel anders. Wyb en ik hadden een militaire operatie opgezet. Dat moest wel, anders zouden we het niet redden. We deden in die chambres d’hôtes namelijk alles zelf. Van strijken tot wc’s schoonmaken, van de administratie tot de marketing.
Om zeven uur ging de wekker. We stonden meteen naast ons bed. Tot half een ’s middags wisten we precies wat we van minuut tot minuut zouden doen. Ik had een kwartier om me te wassen. Daarna bracht ik het bestek en de borden naar de veranda voor het ontbijt. Vervolgens liep ik naar de bakker. Daarna fruit klaarmaken. Spullen klaarzetten voor het ontbijt. Gasten kwamen naar beneden. Eitjes maken. Serveren. Praatje maken met gasten. Gasten vertrekken. Gasten vragen advies. Even koffie drinken samen, vaak ook met gasten. Daarna kamers schoonmaken. Afwas doen. Dan eindelijk lunch. Even rust.

Vóór Frankrijk was het niet anders. Als theaterdirecteur was het geen uitzondering als ik ’s nachts, na een voorstelling, om 00.00 uur thuiskwam. Natuurlijk moet ik dan nog even zitten, even Barend & Van Dorp kijken, wat drank om te ontspannen. Ik ging zo tussen 01.00 uur en 02.00 naar bed. Rond zeven uur ging de wekker. De kinderen moesten naar school. Bovendien wilde ik altijd als een van de eerste op het werk zijn. Dat heette arbeidsethos. Vaak sliep ik vier, vijf uur per nacht. Dat was geen probleem. Ik had weinig slaap nodig.

Op zich heb ik nog steeds weinig slaap nodig. Maar ik kan het mij nu permitteren om lang te slapen. Ik kan zelfs langer op bed blijven liggen. Wat heerlijk. Er is geen enkele reden om voor half negen op te staan. Het is een ongekende luxe, waar ik graag gebruik van maak.
Werk is voor de dommen, dat vond ik ook al toen ik werkte. Dat wil zeggen: werk waar je zelf eigenlijk geen zin in hebt, waartoe je wordt gedwongen omdat je nou eenmaal geld moet verdienen. Als men mij een bescheiden basissalaris had gegeven, dan had ik nooit het werk gedaan wat ik in mijn leven heb gedaan. Maar ik zou ongelooflijk productiever zijn geweest.

 

De dag zal komen. En men zal zeggen
dat hij honderd gedichten naliet.
En ik zal de dagen tellen waarop
ik geen gedichten schreef.

Ik zal de nota’s tellen.
Ik zal de notulen verzamelen.
Ik zal de aantekeningen ordenen.
Ik zal de memo’s categoriseren.

De dag zal komen. En ik zal weten:
honderden gedichten bleven ongeschreven.
De spijt ligt zinloos verspreid
in mappen, ordners en aktetassen.

Oogpunt 03

Journal

 

Redactioneel

Maandag 12 april, Groningen

De redactie krijgt vandaag diverse verontruste mails. Jullie weg uit Moddergat, betekent het dat Dossiermoddergat gaat verdwijnen? Ik kan iedereen geruststellen. Niet in het minst. Op zich is het een grote verandering dat het Hoofdkwartier verdwijnt uit de plaats waar Het Dossier zijn naam aan heeft te danken en waar het ooit allemaal begon. Dat wil niet zeggen dat Dossiermoddergat geen Hoofdkwartier meer heeft. Wij hebben namelijk een immobiel hoofdkwartier verwisseld voor een mobiel. Dat heet vooruitgang. Dossiermoddergat gaat er op uit.

Het is nog wachten tot die verdomde lockdowns in Europa kunnen worden opgegeven, maar dan trekt Dossiermoddergat de wijde wereld in. En natuurlijk legt De Blogger dan alles weer in woord en beeld vast. En natuurlijk gaat zijn onmisbare sensitivityreader (voorheen De Censor), bij de lezer vooral bekend als Wyb, met hem mee. Wij trappelen als ongeduldige paarden om weg te galopperen.

Is het niet raar dat Het Dossier dan Dossiermoddergat blijft heten? In het geheel niet. De naam Moddergat is zoveel meer dan een geografische aanduiding. Moddergat is voor de redactie al lang een metafoor voor het gekrioel, of liever gezegd, het geklooi van mensen. Voor de redactie van Het Dossier is het duidelijk: met z’n allen produceren we een ondoorzichtige maatschappelijke drab, gelijk modder.

Zeker, wij mensen doen ons best. We proberen het beste ervan te maken. Jammer dat al onze pogingen gedoemd zijn te mislukken. De mens is nu eenmaal een wolf, voor elkaar en voor de aarde. In Dossiermoddergat doet de redactie met enig leedvermaak kond van al die vruchteloze pogingen om het nog iets te laten lijken. De levensvisie van de redactie blijft zoals altijd opmerkelijk simpel: De mens is modder en tot modder zal hij wederkeren.

Met ons Mobiele Hoofdkantoor gaan we het de aankomende jaren op de voet volgen: van Spanje tot Noorwegen, van Frankrijk tot Bulgarije, Dossiermoddergat krijgt een nog internationaler karakter. En het mooie is: door een maandelijkse fikse subsidie van de Nederlandse overheid en wat pensioenfondsen kan de redactie het zich permitteren fulltime voor Het Dossier te gaan werken. Dat belooft wat. Het goede nieuws voor de lezer: ook in de toekomst blijft Dossiermoddergat geheel en al gratis. Weg met betaalmuren.

Tot slot enige troostende woorden. Natuurlijk neemt Dossiermoddergat niet definitief afscheid van Moddergat. Wij blijven altijd trouw aan onze herkomst. Als al dat zwerven ons te veel wordt, parkeren we de camperbus gewoon naast de garnalenfabriek en zullen we van daaruit de dijk beklimmen. Natuurlijk willen wij af en toe weer de Noordpool kunnen aanschouwen en als wij ons omdraaien vanaf de dijk kunnen neerkijken op het moddergat dat Nederland heet. De redactie hoopt dat u het karakteristieke roepen van de overvliegende brandganzen in Moddergat blijft horen die, zojuist opgejaagd, een nieuwe rustplaats zoeken.

Oogpunt 02

Journal

 

Whisky

Zondag 11 april, Groningen

Twee weken geleden sliep Anne met een vriend een paar dagen in Moddergat. De eerste avond liet ze Charlie uit, haar Franse bulldog die ze gered heeft uit de handen van een dierenbeul. De volgende dag belde ze me op.
‘Geer, wat is het eng om ’s avonds laat je hond in Moddergat uit te laten.’

Ik weet precies wat ze bedoelt. Als je het huis uitstapt, is er nog niets aan de hand. Maar als je de dijkweg omhoog loopt, waarop vroeger de reddingsboten over de dijk werden getrokken, kom je langzaam in een donkere wereld terecht. Hoe hoger je gaat, hoe sinister de wereld. Het dorp ligt verlaten onder je. Over de dijk hoor je steeds harder het rollen van de golven. De wind begint steeds harder te blazen. Je lijkt de wereld uit te lopen. .

Eenmaal bovenop de dijk, nadat je het monument voorbij bent dat daar staat ter nagedachtenis van alle visser die omkwamen in de vliegende storm van 1883, ligt voor je een zwart gat. Ver weg draait de vuurtoren van Schiermonnikoog zijn rondjes. Op het wad knipperen wat lichtjes. Verder is alles donker. Je hebt het idee dat elk moment Poseidon uit de zee kan oprijzen en je meeneemt de diepte in. Ook goed mogelijk dat nu een UFO neerdaalt en je ontvoert naar een ver planetaire stelsel. Anne vertelde dat ze bang was omgedraaid en snel naar huis was gelopen. Ook ik sta daar nooit lang. Wie geconfronteerd wordt met de wildernis, voelt al snel de primitieve angst van de voorouders.

Wyb en ik liepen gisteren met een glas whisky de dijk op richting het zwarte gat. De wind was deze avond een storm. De haren van Dies waaiden alle kanten op. Zo nu en dan hagelde het. Dat nam niet weg dat wij voor de laatste keer nog op het bankje boven op de dijk wilden zitten. Genietend van die whisky. Het is de laatste nacht dat wij in Moddergat slapen. Vandaag sluiten wij zeventien jaar Moddergat af. Op onze eerste avond zaten we er met een glas champagne, wij hadden wat te vieren. Whisky past beter bij een afscheid.

Met moeite houden wij ons staande op de dijk. Zonder maan is het nog donkerder dan anders. En dan horen we beneden ons, aan de kant van het wad stemmen. Gelukkig zijn we met z’n tweeën, anders was ik snel teruggelopen. De stemmen komen dichterbij. Poseidon met hulptroepen?
Het hekje wordt geopend door een man en een vrouw die ook een hond uitlaten. Feest voor Dies. Het is voor de eerste keer dat ik zo ’s avonds op de dijk mensen tegenkom. Als we met z’n vieren naar beneden lopen, komen we nog twee mensen met twee honden tegen. Ongekend.

Het is wel een van de redenen waarom we afscheid van Moddergat nemen. Overdag is het tegenwoordig zo druk dat de auto’s dubbel geparkeerd staan. Zelfs ’s nachts ben je niet meer alleen op de dijk. Al wandelend drinken we onze whisky. Dit keer geen bankje. Waar kan een mens in alle eenzaamheid nog een beetje weemoedig zitten zijn?

Journal

 

Gewist

Zaterdag 10 april, Moddergat

 

 

Gewist

Wij hebben hier gewoond, niemand die het weet.
Wij spraken hier met mensen – alles vergeten.
Wij bewerkten de grond onder dat nieuwe huis.
De straat is breder, de bomen zijn kleiner.

Het standbeeld: verdwenen.
Het uitzicht: gewist.

Oogpunt 01

Journal

 

Shangri-La

Vrijdag 9 april, Moddergat

Vrijwel elke dag maak ik wel een foto. Soms één. Meestal meerdere. Als ik reis kunnen het er tientallen zijn. En dat zal best wel eens honderden per dag zijn geweest. Ik bewerk de foto’s zo snel mogelijk in Lightroom. De foto’s die in die periode het meest relevant zijn, zet ik op Dossiermoddergat.

Door het tempo waarin ik foto’s maak, vergeet ik ook wel eens foto’s. Voordat je het weet, ben je een maand verder in je leven en zijn er andere dingen waar je mee bezig bent.
Door die lockdown is de frequentie van fotograferen aanzienlijk afgenomen. Ik blader dan door mijn mappen in Lightroom heen en kom foto’s tegen waarvan ik soms het bestaan ben vergeten en soms denk ik bij een foto dat het zonde is dat ik hem nooit aan Dossiermoddergat heb toegevoegd.

Zie hier boven zo’n foto. Gemaakt in een groot klooster in het westen van China in de stad Shangri-La, oftewel Jiantang. Shangri-La is ook de naam van een arrondissement in China. De hoofdplaats van het arrondissement is Jiantang, een plaats dus die ook vaak Shangri-La wordt genoemd.

Zonde dat zoveel foto’s ergens verborgen zitten in mijn computer. Vandaar dat ik maar een nieuwe rubriek begin: Uit het archief.

Journal

 

Lost and found 3

Donderdag 8 april, Groningen

Journal

 

Ghost writer

Woensdag 7 april, Groningen

Laat ik eerlijk zijn, mijn prioriteit ligt momenteel niet bij Dossiermoddergat. De trouwe lezer heeft dat al lang opgemerkt. Ik ben met een project bezig dat nogal intensief is. Ik werk er dagelijks aan en als ik daarmee klaar ben, heb ik eigenlijk niet de puf om een blog te schrijven of met fotografie bezig te zijn.

Wat is er aan de hand? Toen ik terug kwam van Frankrijk, had ik het idee om een kleinschalig bedrijf te beginnen. De kern van dat bedrijfje: het schrijven van een biografie op bestelling. Daarvoor heb ik de domeinnaam www.uwleveneenverhaal.nl vastgelegd. Ik had het vermoeden dat er best mensen zijn die voor hun nageslacht, of om wat voor reden dan ook, hun levensverhaal willen vastleggen. Zo zullen er ook kinderen zijn die graag willen dat het levensverhaal van hun ouders wordt vastgelegd. Hoe vaak hoor je niet: ‘ik kan er wel een boek over schrijven’ of ‘ik ga het allemaal nog eens opschrijven.’

Opmerkelijk hoe weinig dat daadwerkelijk gebeurt. Ik begrijp wel waarom. Een boek schrijven is geen sinecure, een boek schrijven vereist zitvlees en vooral veel zweet en soms tranen. Nou heb ik toevallig wel enige ervaring met het schrijven van boeken. Dus ik dacht: tegen betaling wil ik dat boek wel voor anderen schrijven. Het leek me nuttig en ook nog eens leuk. .

Ik vertelde het idee tegen diverse mensen en daar werd eigenlijk altijd enthousiast en verrassend op gereageerd. Hoe vaak wordt een leven nou vastgelegd? Ja, er zijn wat beroemde lieden die een biografie krijgen, of hun memoires noteren. Maar wat weet je nou van je opa, of je overgrootvader? Er is misschien een vage herinnering, een bijzondere anekdote. Het lot van de meeste mensen is echter ten onder te gaan in de grote vergetelheid. Met mijn idee kun je je daaraan onttrekken.

Er was één iemand die wel erg enthousiast was. Hij had daarvoor ook een goede reden, waarover ik uit discretie overwegingen natuurlijk niets ga zeggen. Er was zelfs een dwingende reden, en hij gaf me meteen een opdracht om zijn levensverhaal te schrijven. Zodoende ben ik nu een soort ghost writer. In de ik-vorm schrijf ik nu het verhaal van deze meneer. Voor mezelf vond ik het wel een mooie pilot, is dit nou wel of niet een goed idee?

Nu ik bezig ben, kan ik zeggen dat het een leuk idee is. Ik duik de diepte van een ander leven in. Het is geen makkelijk idee. Want voor alle informatie voor dit boek ben ik afhankelijk van deze meneer. Normaal schrijf ik fictie en de inhoud daarvoor peur ik uit mijzelf. Mijn idee, merk ik, vereist erg veel research, die ik voornamelijk doe in de vorm van interviews.

Het is mij wel duidelijk dat dit geen verdienmodel is. De research, maar ook zeker het schrijven en de besprekingen met de meneer, kosten mij erg veel tijd. Veel meer tijd dan ik had verwacht. In deze biografie, die vermoedelijk maar door een paar mensen wordt gelezen, heb ik inmiddels ongelooflijk veel uren zitten. Het honorarium dat ik er voor vraag, staat in geen verhouding voor de inzet. Als ik een honorarium ga vragen dat daarmee wel in verhouding staat, kunnen mensen het niet meer betalen. Ik maak deze autobiografie met plezier af, maar mijn bedrijf zal zeker geen vervolg krijgen. Ik verheug me om me weer volop op mijn eigen projecten te kunnen richten. Dat al Dossiermoddergat ook zeker ten goede komen.

Journal

 

Nette mensen

Zondag 4 april, Dwingeloo

We staan dit weekend met de camperbus op een beladen plek. Vanuit onze camper hebben we direct uitzicht op ons oude huis in Dwingeloo. Via een omtrekkende beweging zijn we voor een weekend opnieuw buren van onze oude buren. Oude buren die we inmiddels best onze vrienden kunnen noemen. Voor hun hond, Franka, een berner sennen, zijn we zelfs beste vrienden.

Franka was nog geen half jaar toen we in Dwingeloo gingen wonen. Omdat het in de Bospub, waar zijn baasje en vrouwtje eigenaar van zijn, vaak erg druk is, kwam hij regelmatig bij ons langs om wat rust te hebben. En zo werden we steeds betere vrienden. We maakten met hem lange wandelingen, steeds meer beschouwde hij ons erf ook als zijn erf. Vaak lag hij op het eind van de weg, schuin voor de Bospub, op de uitkijk of wij thuis kwamen. Als we aan kwamen rijden, schommelde zijn dikke lijf blij onze kant uit.

En die vriendschap en blijheid is nooit meer verdwenen. Het is nu maanden geleden dat we Franka zagen. Als we op vrijdag richting Bospub lopen en hij ziet ons, rent hij, zo goed en zo kwaad als hij dat kan, jankend naar ons toe. Sinds vrijdag is Franka mijn schaduw geworden. Hij houdt voor onze camper de wacht. Als we ergens heengaan, loopt hij opgewonden achter ons aan. Er gaat niets boven een hondenvriendschap.

Maakt het ons verdrietig dat we hier nu op een camping staan en niet meer in dat pittoreske huisje wonen? We hebben daar zo’n goede tijd gehad. We hadden daar zulke goede buren. Eerlijk gezegd maakt het mij niet verdrietig. Ik ben er in Dwingeloo achtergekomen dat ik toch vooral een stadsmens ben, ik ben niet echt van het platteland. Ik zou er best kunnen wonen, maar ik prefereer de stad.

Ik kom er ook steeds meer achter dat ik het fijner vind om door een stad te wandelen dan door een bos. Een bos is toch tamelijk eenduidig: er staan heel veel bomen die er al heel lang staan. Een stad zit vol leven, altijd beweging, altijd verandering. Dat wil niet zeggen dat ik niet ontzettend graag in de natuur ben. Daar ben ik heel graag, maar om er nou totaal te moeten wonen? Nee. Na vijf jaar was ik wel uitgekeken op het weiland voor ons huis en die prachtige bostuin achter ons huis.

Van die bostuin is trouwens weinig meer over. Het huis is eindelijk weer bewoond en de bewoner is vermoedelijk een buitengewoon nette man. De prachtige Drentse schuur die enigszins vervallen was, wat wij zo mooi vonden, is afgebroken. Hetzelfde geldt voor de vervallen paardenschuur op het eind van de tuin. De tuin zelf is strak geknipt en geschoren. Zo jammer dat er nette mensen bestaan, ze maken alles eenvormig en saai.

Journal

 

Pasen

Zaterdag 3 april, Dwingeloo

Het kan bijna niet anders of God zal binnenkort Zijn Zoon voor de tweede keer in de geschiedenis naar de aarde sturen om aan het kruis te sterven. Ik heb gehoord dat ze alleen nog zoeken naar iemand die onbevlekt kan ontvangen. Wat ik ook heb vernomen is dat Jezus nu niet voor alle mensen zal sterven. Alle mensen schijnt God te hebben opgegeven. Sinds de laatste marketinginzichten gaat ook de hemel segmenteren. Vandaar dat Jezus dit keer alleen voor de lidmaten van de gristelijke kerken aan het kruis wordt genageld.

‘Jezus,’ zei God, ‘onze believers maken er een soepzooitje van, pak je spullen maar vast. Zo gauw we een Maria hebben gevonden, ga jij weer naar beneden.’
‘Moet dat nou?’ vroeg Jezus nukkig.
‘Natuurlijk, wij willen toch niet geassocieerd worden met die gelovigen van ons.’
Jezus mompelde dat hij er totaal geen zin in had. Dat kruis voelde zo onaangenaam en wat was er nou mis met die gelovigen? Het werden er sowieso steeds minder. Met een beetje geluk loste het probleem zichzelf op.
‘Hoe moet dat nou als ik ooit dood ga?’ zei God geïrriteerd. ‘Hoe kun jij mij nou opvolgen, het lijkt wel of je stront in je ogen heb.’

En God zette de dingen eens op een rijtje. ‘Neem de afgelopen weken. Mag ik even voor je opsommen? Onze gelovigen houden zich niet aan de Covid-regels, zonder gêne gaan ze met z’n zeshonderden in de kerk zitten, mijn kerk. Onze gelovigen trappen journalisten in elkaar die daar verslag van doen. Op scholen laten onze gelovigen kinderen onder dwang uit de kast komen. In Oost-Europa brengen de christelijke partijen de rechtsstaat om zeep en nekken ze de vrije journalistiek. En het wordt van kwaad tot erger. Laatst nog, die paus, is dat katholieke instituut weer tegen het inzegenen van homo’s die zich in de echt willen verbinden. Het is om te janken. Waarom zijn juist mijn grootste fans een stelletje intolerante aartsconservatieve etterballen?’

‘Ja, nu U het zegt,’ zei Jezus.
‘Lieve schat, je gaat nog één keer naar beneden, je laat je nog één keer voor onze aanhang aan het kruis jassen. Dan krijgen die gasten daar beneden nog één keer de kans om opnieuw te beginnen. Mochten ze het dan opnieuw verpesten, lossen we het op een andere manier op. Dan gooi ik er wel een zwart gat tegenaan.’

Aldus de informatie die Dossiermoddergat over deze kwestie ontving. De redactie verzoekt u dan ook uit te kijken naar een gezin op een ezel. Zo gauw we die zien, weten we dat er over 33 jaar weer iemand aan het kruis hangt. Wel spannend, kunnen we kijken of die gelovigen zich laten helpen.

‘En al die mensen die niet geloven, kan ik die niet redden?’ vraagt Jezus die een veel humanere inborst heeft dan zijn vader.
‘Die moeten zich maar op de een of andere manier bijverzekeren. Zo niet: de hel. Laten we het vooral transparant houden, zoals we dat altijd hebben gedaan.

Journal

 

Anne

Donderdag 1 april, Groningen

Goed, er is een lockdown, een avondklok, een advies om maar één bezoeker thuis te mogen ontvangen. En zo zijn er meer maatregelen en adviezen. Maar je kunt ook overdrijven, dit laatste heeft betrekking op mijzelf. Sinds we in december in lockdown gingen, heb ik nauwelijks nog mensen gezien, heb ik eigenlijk niet meer gereisd. Al die maatregelen zorgen ervoor dat ik sinds december fysiek introvert ben.

Anne (dochter) heb ik sinds kerstmis niet meer gezien. Esmee (dochter) heb ik in januari nog gezien. Afgelopen weekend wilden Wyb en ik naar Ameland om de familie te zien. Helaas was Joris ziek, met alle gevaren van dien. Natuurlijk gingen we niet. We moeten dat maar snel goedmaken.
Zo heb ik ook de grote behoefte Anne eindelijk weer eens te zien. We maken een afspraak op woensdag om met z’n drieën in Bloemendaal een strandwandeling te maken.

Op dinsdag wil ik met Anne afspreken hoe laat we elkaar gaan zien, en waar we elkaar gaan zien. Ik krijg haar niet te pakken. Dat is raar, want Anne is van de afspraken. Die wil altijd precies weten of een afspraak doorgaat en hoe laat. Daar komt bij dat ik Anne weliswaar al lange tijd niet heb gezien, maar dat we elkaar vrijwel dagelijks spreken. Soms zelfs meerdere keren per dag. En nu hoor ik niets van haar. Ik begin me zelfs ongerust te maken.

Ook de volgende dag, de dag van de afspraak, kan ik haar niet bereiken. Pas tegen half tien belt ze eindelijk op met de beginvraag waarom ik haar zo dringend wil spreken.
Ik: ‘We moeten toch afspreken waar we elkaar en hoe laat we elkaar gaan zien?’
Anne: ‘Hoezo? Gaan we elkaar dan zien?’
Ik: ‘Jezus, het is woensdag. We hebben vandaag afgesproken.’
Anne: ‘Om naar Bloemendaal te gaan?’
Ik: ‘Natuurlijk. Ben je het vergeten?’
Anne: ‘Geer, dat is volgende week.’
Ik: ‘Hoe kom je daar nou bij?’
Anne: ‘Ik heb het zelfs met whats app naar je bevestigd, kijk maar.’

Ik zoek het in whats app op. Verdomme. Ze heeft gelijk. Toen wij de afspraak maakten, schreef ze: ‘Woensdag 7 april kan ik.’
An laat weten dat ze ook helemaal niet kan omdat ze aan het werk is. En dat wist ze al op het moment dat wij de afspraak maakten.
Teleurstelling dus. Anne zien. Uitgebreide lunch aangeschaft. Daarna naar de broer van Wyb die in Bloemendaal met zijn kinderen op een kasteel past. Had een mooie dag samen kunnen zijn. Jammer

Wyb en ik besluiten toch te gaan. We hebben zin in de zee en in die lunch. Daarna bezoeken we Anne-Wytze nog in zijn kasteel. Helaas, nog steeds Anne niet gezien.

Journal

 

Bloemendaal

Woensdag 31 maart, Groningen

Journal

 

Bankje 2

Dinsdag 30 maart, Groningen

Schipborg.

Journal

 

Ulaanbaatar

Maandag 29 maart, Groningen

Ik heb me op Facebook weer eens laten strikken voor een soort kettingbrief. Dit keer vroeg iemand of ik tien dagen lang reisfoto’s wilde plaatsen. Omdat ik van reisfoto’s hou heb ik de nominatie aangenomen.
Ik zoek mijn foto’s op mijn harde schijf. Zo kom ik foto’s tegen die ik totaal ben vergeten. Ik heb eigenlijk geen reisfoto’s, merk ik nu, ik heb foto’s die in de rijke traditie van de straatfotografie zijn gemaakt: wandelen, zien, knippen. Ik heb ze gemaakt op onze reizen, dus goed beschouwd zijn het wel reisfoto’s.

In een map kom ik bovenstaande foto tegen. Een oninteressante foto. Maar het is wel een foto waardoor ik even moet glimlachen. Die kapotte lamp, dat heb ik dus gedaan. Het is een van de weinige keren dat ik vandalisme heb gepleegd, al was het ongewild vandalisme.

De foto is gemaakt in Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. Wyb en ik zijn met de trein onderweg van Moskou naar Beijing. We stappen uit in Ulaanbaatar na een reis door eindeloos heuvelland, geen mens te zien. Eens in het half uur zien we in alle eenzaamheid een yurt staan met paarden er omheen.

Ulaanbaatar is een arme stad. Tussen Oost-Europese flatjes staan yurts. Wat me het meest opvalt is dat geen enkele put in de straten nog een deksel heeft. Alles van waarde wordt gepikt, men moet op de een of andere manier in leven blijven. Ulaanbaatar is een desolate stad. Op het moment dat wij er zijn, viert het land zijn 800-jarig bestaan.

Uitgerekend nu wij hier zijn vindt het jaarlijkse Nadaam festival plaats, groter dan anders vanwege het jubileum. Het is een van de vele redenen waarom wij hier zijn uitgestapt.
Een dag later zien wij Mongolen uit alle windhoeken met elkaar worstelen en boogschieten. Een paar dagen later zijn we bij een paardenwedstrijd, zeshonderd jonge Mongoolse jongetjes tot twaalf jaar bepalen in een wedstrijd van dertig kilometer wie het snelste is. Wie wint krijgt de eeuwige roem en een Landrover.

Samen met een Nederlands echtpaar zoeken we bij aankomst in Ulaanbaatar een guesthouse op. Het guesthouse is even desolaat als de stad. Als we naar buiten gaan om een wandeling door de stad te maken, vinden we een bal om te volleyen. Wij volleyen op de oprit van het guesthouse. Dan sla ik de bal veel te hard en onbesuisd. Ik zie hem richting lantaarn vliegen. Daarna vallen de scherven op straat.

Op hetzelfde moment komt uit het niets een vrouw die me begint uit te schelden. Ze is woedend op me. Meteen daarna komt onze gastvrouw naar buiten rennen en vaart kijvend uit tegen de boze vrouw, die opmerkelijk snel afdruipt.
Onze gastvrouw vertaalt de woorden van de boze vrouw. ‘Ze is boos omdat je staatseigendom hebt vernield,’ legt ze uit. ‘Alles in dit land is kapot, behalve die lantaarnpaal en die heb jij nu kapot gemaakt. Je moet je er niets van aantrekken. Ik zag dat het een ongeluk was. Die vrouw is zoals altijd straalbezopen.’

Journal

 

Lost and found

Zondag 28 maart, Groningen

Journal

 

Winterkamperen

Zaterdag 27 maart, Borger

Winterkamperen, ik had er nog nooit van gehoord. Winter en kamperen zijn twee woorden die ik niet met elkaar zou combineren. Mijn hele leven heb ik gekampeerd. Ik vermoed dat ik een jaar van mijn leven, misschien wel meer, op campings heb doorgebracht. Het liefst op van die kleine, Staatsbosbeheer camping, kamperen bij de boer.

De afgelopen jaren is mijn liefde voor het kamperen danig geslonken. Het begon toen we op een vakantie naar Zweden en Noorwegen gingen: vier weken regen. Ik zo’n klamme tent liggen, ik had er helemaal genoeg van. ‘Maar we wisselden dat best wel af met huisjes,’ hoor ik Wyb nu zeggen. Daar heeft ze gelijk in. Maar die klamme tent is me voornamelijk bijgebleven.

Na die vakantie zei ik: ‘Kamperen, oké, maar, alleen als de zon schijnt.’ Ook daar kwam de klad in. Enerzijds omdat we met de rugzak op de rug de wereld overtrokken en wij voornamelijk in guesthouses sliepen. Anderzijds omdat, als we gingen kamperen, ik er steeds minder zin in had. Wij kampeerden altijd in de Rolls Royce onder de tenten, een De Waard. Een dijk van een tent. Als er weer eens een orkaan op Vlieland was, bleven deze tenten als enige staan. Die standvastigheid betekende wel dat ik in mijn bestaan duizenden haringen de grond in heb gejaagd, zelfs in bergachtige streken. Daar komt bij, dat gekruip door zand, het in de nacht naar een plee lopen. Genoeg.

Dat neemt niet weg dat het zwervend leven me blijft trekken, vandaar de aankoop van een camperbus. En als je zo’n ding heb, wil je hem natuurlijk ook uitproberen. Alle reden om hem dit weekend uit de stalling te halen en ons terug te trekken in de bossen van Borger.
Nooit meer door zand hoeven te kruipen! Voor poepen en piesen hebben we een wc aan boord! Kou? We zetten de verwarming gewoon op 3!

We namen voetstoots aan dat er genoeg plekken waren op de Staatsbosbeheercamping aldaar. Grote verrassing. De camping heeft nog voor twee nachten één plaats beschikbaar. Wat blijkt? De camping zit vol.
Als we aankomen spreek ik de boswachter en vraag hem hoe het kan dat de boel is uitverkocht.
‘Och, meneer, we hebben de hele winter vol gezeten. Winterkamperen is zo populair.’
Winterkamperen, voor het eerst dat ik het woord hoor.

Wie mocht denken dat het toch tamelijk grote terrein vol stond met decadente campers. Mis. Ongeveer de helft bestaat gewoon uit hardcore kampeerders in tenten. Voor wie hier niets van begrijpt, de temperatuur vannacht bedroeg drie graden boven Celsius. Gisteravond en ook vanmorgen viel er regelmatig een buitje.

Wyb en ik zaten lekker binnen, verwarming aan, naar de Netflix-serie Borgen te kijken, een serie die we tot nu toe niet hadden gezien. Schuin tegenover ons zat een jonge busher bij een kampvuur. even later zou hij gaan slapen in een ultra kekke hangmat in de vorm van een tent, opdat hij veilig was voor de Drentse slangen. Wyb, die hier romantische gedachte over heeft, vond het sportief. Winterkamperen oké, maar dan alleen in een verwarmde camper. Dan maar onsportief.

 

Op een van onze wandelingen door de eindeloze bossen van Borger kwamen we verse sporen tegen van een wolf. Niet vreemd. Als de wolf ergens kan wonen dan is het hier.

Journaal

 

Sukkelen

Donderdag 25 maart, Borger

Ik heb niet zoveel over Covid geschreven, er is zoveel over geschreven en gezegd. Er is zoveel over gezegd dat het me niet meer lukt om naar de talkshows te kijken. Dat komt omdat ik door al dat luisteren zelf een viroloog ben geworden. Jinek stelt een vraag, en ik heb het antwoord al. En dan gaat de viroloog die aan tafel zit mijn antwoord herhalen. Het zijn allemaal herhaling van zetten die al lang herhaald zijn. Het is een sneue bende. Elk facet van Covid is eindeloos besproken, voor en tegens en dan worden degenen die voor zijn weer tegen en andersom. l

Van begin af aan heb ik me voorgenomen Dossiermoddergat daar niet aan te verpesten. Hetzelfde met de verkiezingen. Na het lezen van twee kranten en luisteren naar het nieuws en de debatten hoef ik het gekwebbel van de gasten aan talkshowtafels niet meer te horen. Vooral, zo blijkt ook uit de cijfers, komt het voornamelijk neer op: journalisten interviewen journalisten en journalisten interviewen virologen.

Dat neemt niet weg dat ik Dossiermoddergat nu even als uitlaatklep ga gebruiken. Want over één ding wind ik me in toenemende mate op. Hoe kan het godverdomme dat ik nog steeds niet ben gevaccineerd? Volgens de eerste routekaart, die helemaal geen routekaart blijkt te zijn maar een verdwaalkaart, had ik half maart gevaccineerd moeten zijn. In de huidige routekaart gebeurt dat halverwege mei. En zo ettert dat vaccinatiedossier maar door. Blunder na blunder, labbekakkerigheid op labbekakkerigheid. En zo komt het dat we weer onderaan bungelen in het rijtje gevaccineerde landen.

Vorige week donderdag zei de EMA dat AstraZeneca toch weer gebruikt kon worden. Op vrijdag waren de eerste landen alweer aan het prikken. Ik geloof dat het Verenigde Koninkrijk alleen al op die ene dag 500.000 vaccins prikte. Nederland begon gisteren pas weer te prikken. Ik begin steeds beter te begrijp wat Balkenende, die mislukte premier, met VOC-mentalliteit en zesjes cultuur bedoelde. Nou ja, zesje, wat mij betreft is het een dikke onvoldoende.

De oorzaken zijn duidelijk. Maar ik vrees onoplosbaar. Nederland heeft zichzelf verstrikt in zijn eigen bureaucratie alles duurt daardoor een factor vijf langzamer. Daarnaast hebben we de gezondheidszorg opgeknipt, afgestoten, gedereguleerd, geprivatiseerd, waardoor een lappendeken van onmacht is ontstaan, gestut door ridicuul veiligheidsdenken. Het organiseren van de vaccinatie laten we over aan ambtenaren. Hun CAO laat het werken na vijf uur per definitie niet toe. Waarom de organisatie niet uitbesteed aan de evenementensector, wedden dat het goed zou komen? Daar vind je de sjouwers, de zwoegers en de pezers die we nodig hebben. Zet er een paar theaterproductieleiders bij en we halen dat Verenigde Koninkrijk zo nog in.

Wie organiseert het nu? Een ex-onderwijzer met schoenen waarop je nog geen tiende marathons kan lopen. Daar komt bij dat Hugo de Jonge de baas van niets is. Alles is in de uitverkoop gedaan. Wat niet in de uitverkoop is gedaan, is wegbezuinigd, kapot gemaakt, over de schutting gegooid, verslonst en verknoeid. En alsof er niets aan de hand is gaan we gewoon weer Rutte stemmen. Top gedaan, landgenoten, je zou ook eens meer krijgen dan je verdient. Lekker door sukkelen, dan breekt het lijntje niet. Slampampers.

Journal

 

Rustplaatsen

Woensdag 24 maart, Groningen

Tijdens lange wandelingen zijn grafheuvels ideale rustplaatsen.
Een handdruk verwijdert van onze prehistorische voorouders.

Journal

 

Sensitivityreader

Dinsdag 23 maart, Groningen

In Amerika is het een normaal fenomeen. Een beetje schrijver schijnt daar een sensitivityreader te hebben. De Amerikaanse agent van Amanda Gorman, je weet wel, die dichteres die zo prachtig het gedicht The Hill We Climb op de inauguratie van Joe Biden voorlas, heeft zelfs bedongen dat de Nederlandse vertaling door drie sensitivityreaders moet worden beoordeeld.

Belangrijke vraag die nu beantwoord moet worden: wat is een sensitivityreader? In de Volkskrant lees ik de volgende uitleg daarover: Sensitivityreaders, ook wel diversity readers of beta readers genoemd, zijn lezers die persoonlijke expertise hebben op een bepaald gebied en daardoor extra alert zijn op onjuistheden, vooroordelen, clichés en andere onwenselijke beeldvorming, vooral over personen uit gemarginaliseerde groepen. In het Nederlands zouden we zo’n persoon het beste een gevoeligheidslezer kunnen noemen.

Toen ik dat las, dacht ik: ik was mijn tijd ver vooruit. En ik vond dit woord wel een goede aanleiding om het na lange tijd weer eens over De Censor te hebben. Zoals de trouwe lezer van Dossiermoddergat weet, kwam De Censor, zijnde Wyb, vroeger vaak ter sprake. Vooral in het begin mocht ik veel niet publiceren. Ze vond het dan te privacygevoelig, of dat haar pose op een foto net niet flatteus genoeg was of dat ik weer eens doordraafde in mijn redenering. Ik vond het best handig om een Censor te hebben, ze was de noodrem op mijn blogjes.

Het fijne is dat De Censor en ik naar elkaar zijn toegegroeid zijn. Of beter gezegd: De Censor is naar mij toegegroeid. Ik leg nog wel eens iets aan haar voor met de vraag of een bepaalde tekst of foto eigenlijk wel kan. Ik heb dan mijn twijfels maar De Censor zegt steeds vaker dat ik het gewoon moet doen. ‘Och, wat heb je te verliezen,’ zegt ze dan. Of: ‘Het is goed dat het een keer gezegd wordt.’ Muziek in mijn oren.

Onze relatie is nu zo dat ze eigenlijk mijn Censor niet meer is. Sinds gisteren heb ik De Censor in functie opgewaardeerd en de functienaam aangepast. Op haar kantoor prijkt nu de naam Sensitivityreader. Ik bedoel: Wyb heeft nu de persoonlijke expertise om Dossiermoddergat tot in de vezels te begrijpen. Ze is daardoor extra alert op onjuistheden, vooroordelen, clichés en andere onwenselijke beeldvorming, vooral over mij als gemarginaliseerd schrijver.

En zo gaat Dossiermoddergat een nieuwe fase in, is het volledig voorbereid op de diversiteit en inclusie die in onze samenleving zo gewenst is. Nu nog subsidie aanvragen. Uw blog wacht een mooie toekomst.

Journal

 

Veteraan

Zondag 21 maart, Groningen

Ik mag mij inmiddels best een lockdown-veteraan noemen. In maart vorig jaar heb ik weken de totalitaire lockdown in Frankrijk doorstaan. Dat wil zeggen dat je niet naar buiten mocht. Je mocht alleen naar buiten om boodschappen te doen in een van de drie winkels die open waren: de supermarkt, de apotheker en de boekhandel. Ja, Rutte, daar in Frankrijk weten ze wel wat essentieel is. Als je naar buiten ging moest je eerst een formulier invullen waarom je naar buiten ging en hoe laat. En niet te vergeten waar je woonde, want je mocht niet verder dan een kilometer van je huis. De controles hierop waren streng.

Daarna heb ik in april nog een week mogen genieten van de de intelligente lockdown in Nederland. Nou ja, lockdown, het was een verwaterd model van een echte lockdown. In Nederland noemden ze het een intelligente lockdown, wij vonden het een lakse bende.
Nu zitten we sinds december opnieuw in een lockdown, althans, volgens de regering en covid wappies. Als je hier in in Groningen naar de stad gaat, merk je er niets van. Je zou kunnen zeggen dat het dagelijkse leven hervat is minus horeca en de culturele instellingen. Demonstranten eisen hun vrijheid terug, geen idee waar ze het over hebben. Je kunt gaan en staan waar je wilt. Soms moet je een mondkapje op. Nou? En?

Buiten deze drie lockdown hebben Wyb en ik ook nog een eigen lockdown ingevoerd. Wij zien nagenoeg niemand. Gelukkig wonen we in een huis met Kees en Annemiek waardoor we nog eens andere mensen zien. Wyb gaat twee keer per week naar Winschoten om te werken. Ik zit voornamelijk thuis op mijn kamer.

Dit weekend zou daar verandering in komen. Eindelijk zouden we weer eens naar Ameland gaan om het nageslacht te zien. Joris is vorige week acht jaar geworden en het werd tijd om een cadeau te brengen en de verjaardag te vieren. Zondag zouden we vanuit Moddergat een dagje op en neer gaan. We hebben ze vanaf december niet meer in levende lijve gezien, dus het werd tijd.

Op zaterdag belde Esmee dat Joris ziekteverschijnselen had en dat het beter was dat wij niet kwamen. Joris nog niet was getest. Daar was ik eerlijk gezegd best blij mee want dan hoefde ik niet de beslissing te nemen. Ik zelf had namelijk zaterdag wat last van keelpijn en tegenwoordig weet je nooit of je daar andere mensen ziek mee maakt. Dat zorgde ervoor dat we de familie opnieuw nog steeds niet hebben gezien.

Ik zal morgen Hugo de Jonge maar weer eens bellen wanneer ik eindelijk eens wordt ingeënt. Ik krijg er nu echt de schijt van, het moet nu maar eens afgelopen zijn met onze zelf-isolatie. Prikken, zou ik zeggen, als een gek gaan prikken. Als het kan, doe ik het zelf wel.

Harlingen.

Journal

 

De rand van Nederland

Zaterdag 20 maart, Moddergat

Wyb en ik rijden langs de noordelijkste rand van Nederland, van Moddergat naar Harlingen. Een gebied van uitgestrekte leegtes en onstuimige luchten. Vandaag maakt de grijze lucht het landschap nog eentoniger. Er zijn mensen die houden van dit lege landschap, er zijn mensen die er gillend van wegvluchten. Tegen zoveel niets is lang niet iedereen bestand. Wyb en ik houden van dit landschap met zijn lange lijnen en hier en daar een boerderij met wat bomen eromheen. Elk jaar rijden we er wel een keer doorheen.

We volgen een tijdje de fotoroute die Sense of Place op boerderijen heeft geplaatst. De titel van de route: Bildtstars en Eigenheimers. Enorme portretten van fotografe Linette Raven laten de aardappelboeren zien die hier leven en werken. Er zit ook nog een audioroute bij zodat je naar hun verhalen kunt luisteren. Wyb en ik zijn alleen geïnteresseerd in de foto’s. De portretten op de schuren geven een mooi vervreemdend beeld. Een boerderij krijgt zomaar een gezicht, letterlijk. Sommige boeren staan alleen op de foto, andere met hun gezin.
Het is eigenlijk hetzelfde idee dat we een keer tegenkwamen in het Franse dorp Saint-Laurent-le-Minier, waar inwoners foto’s van zichzelf op de deuren hadden gehangen. Alleen was het daar veel primitiever gedaan, sommigen hadden gewoon een fotokopie op de deur geplakt.
Sense of Place is een idee van Joop Mulder die, nadat hij klaar was met Oerol op Terschelling, nog niet klaar was met het uitvoeren van mooie ideeën. Met Sense of Place wilde hij met culturele landschapsprojecten de waarde van de natuur, het landschap en de cultuurhistorie van het Waddengebied zichtbaar maken.

We rijden over de Oudebildtdijk, met 12 kilometer een van de langste straten van Nederland. De dijk was een van de eerste waterkeringen om de vloed van de Waddenzee tegen te houden. De dijk dateert van 1505. Sindsdien plakte men het ene na het andere dijkhuisje tegen de dijk. Voor wie alleen onze keurige buitenwijken is gewend, is de de dijk een bezienswaardigheid. Vooral ook omdat veel huisjes bewoond worden door paradijsvogels en lieden die de Hollandse drukte zijn ontvlucht en daar aan de rand van Nederland een heel eigen leven leiden.

Het doel van onze trektocht door het Noorden is Harlingen. Een plaats die bijzonder betekenis voor ons heeft omdat wij daar onze liefde voor elkaar bekenden en elkaar voor de eerste keer kusten.
In het verleden hebben wij hier diverse keren naar huizen gekeken. Harlingen was wel een stadje waar ik de laatste jaren van mijn leven zou willen slijten. Ik zag me daar wel met een krakkemikkig lijf op een bankje aan de haven zitten, uitkijkend over het Wad en kijkend hoe boten in- en uitvaren. Ik zal het nu vermoedelijk moeten doen met een bankje in het Noorderplantsoen, kijkend naar al die jonge mensen die dan als hindes en gazelles langs mij heen aan het hardlopen zijn.

Journal

 

Luxeprobleem

Zaterdag 20 maart, Moddergat

In de Volkskrant constateert Merlijn Kerkhof in een column dat het wel heel stil is geworden rond de culturele sector. Wie verdedigt nog het belang van de kracht van kunst? Zitten de theaters en concertzalen niet in een benarde situatie door al die lockdowns? Ik heb goed nieuws: volstrekt niet. Met grote delen van de culturele sector gaat het zelfs prima.
De theaters, de concertzalen, gesubsidieerde gezelschappen en orkesten hebben geen enkel financieel belang om zich te roeren. Integendeel zelfs. Eindelijk kunnen ze hun financiën eens op orde brengen. Bij veel instellingen is het financieel gezien nog nooit zo goed gegaan. Ik zal proberen deze ogenschijnlijk onlogisch constatering in tijden van Covid uit te leggen.

Om het te begrijpen moet je eigenlijk de buitengewone rare positie van culturele instellingen in het economisch bestel kennen. Wat doet een normaal bedrijf dat meer omzet wil genereren? Het meest logische is dat het meer gaat produceren. Een theater dat meer gaat programmeren, of een toneelgezelschap dat meer voorstellingen gaat maken, genereert echter per definitie meer verlies. Vrijwel alles wat een theater, orkest of toneelgezelschap doet, kost geld. Het functioneren van een theater is volledig afhankelijk van subsidie, per saldo wordt nergens winst opgemaakt. Als dat wel het geval was, ontbrak de noodzaak van subsidie.

Als ik vroeger als theaterdirecteur of gezelschapsdirecteur moet bezuinigen, dan zorgde ik ervoor dat we minder gingen doen, dat leverde mij verreweg het meeste geld op. Een of twee voorstellingen minder produceren kon tonnen opleveren. Minder voorstellingen programmeren, een of twee dagen dichtgaan, het was de ideale manier om geld te verdienen. De subsidies liepen door, mijn uitgaven daalden.

En zie. De theaters zijn al maanden dicht. De subsidies lopen door, er zijn zelfs allerlei extra steunsubsidies gekomen, er zijn theaters en gezelschappen die nog nooit zoveel geld hebben overgehouden. Ze hebben wel inkomsten en alleen nog wat vaste lasten. Van de flexibele krachten, zoals de vele technici, acteurs en musici, is al lang afscheid genomen. Dat is nog eens een fikse besparing. Programmeren en produceren zorgt alleen maar voor extra variabele lasten.

Ik heb hier en daar eens voorzichtig geïnformeerd of mijn constatering kan kloppen en het wordt mij van diverse kanten bevestigd. Er zijn theaters en producerende instellingen die zich inmiddels zorgen beginnen te maken over het vele geld dat ze overhouden. Hoe kunnen ze dat in hun jaarrekeningen straks gaan verantwoorden? Of juist wegwerken opdat het niet terugvloeit naar de subsidiegever? Ongekend luxeprobleem.

Over de theaters en gezelschappen hoeven we ons geen zorgen te maken. Zij zijn meer dan goed bedeeld. De werkelijke slachtoffers in de culturele sector zijn nauwelijks bedeeld, dat is de zogenaamde flexibele schil, de zzp’ers en de kleine producenten die voor eigen rekening en risico werken. De managers van de instellingen hebben geen pijn van de covid-crisis, elke maand krijgen ze keurig hun salaris uitbetaald en ze kunnen bogen op een organisatie waarvan de financiën eindelijk eens op orde is. De acteurs, technici, musici, kostuum- en decorontwerpers en kleine entrepreneurs zitten al een jaar zonder werk en zijn inmiddels door hun spaarcenten heen.

Er zijn mij geen berichten bekend van managers die hun lease-auto’s inruilden en met het geld dat daarmee vrijkwam werk voor makers en technici creëerden.

Journal

 

Ma

Donderdag 18 maart, Groningen

Elke maand verschijnt de familie Chabot in het televisieprogramma De Vooravond om rond een thema interessante boeken te bespreken. Dat heb ik een beetje verkeerd gezegd: het is niet de hele familie. De moeder blijft thuis, Bart Chabot verschijnt er met zijn vier zonen, ook allen schrijver. Hun namen: Splinter, Storm, Sebastiaan en Maurits.

Zoals gezegd blijft de moeder van de zonen en de vrouw van Bart thuis. Dat wil niet zeggen dat ze afwezig is. Hun zonen noemen haar vaak en spreken dan over mama. ‘Mama, vindt….’ of ‘Mama, gelooft…’ Tot nu toe kwam mama, die trouwens Yolanda heet, altijd wel even ter sprake. Ik zie die familie graag, eindelijk eens enthousiaste lezers op televisie, inmiddels een uiterste zeldzaamheid.

Maar daar gaat het me niet om. Het gaat me om die benaming ‘mama’. Het woord doet me meteen aan mijn eigen moeder denken. Dat komt omdat ik mijn moeder altijd ‘ma’ noemde. ‘Hé, ma, ligt er nog wat kaas in de koelkast?’ ‘Ah, fijn ma dat je al thee hebt gezet.’ 
Nou wil het geval dat mijn moeder een enorme pest had aan de aanspreektitel ‘ma’. Dat neemt niet weg dat ik haar mijn hele leven zo heb genoemd. Het was er ingeslopen en ik kon niet anders. Ik zei altijd dat ze er trots op moest zijn. ‘Ma, dat is toch een prachtig woord, kort en krachtig, bovendien is het een eretitel.’ Ik heb haar nooit kunnen overtuigen. Mama, vond ze veel mooier en ze heeft een paar keer nadrukkelijk gevraagd of ik haar zo wilde noemen. Is mij nooit gelukt.

Waarom ze een hekel aan het woord ‘ma’ had, weet ik eigenlijk niet precies. Daar hadden we het dan weer niet over. Sinds ik echter luister naar de zonen van Chabot, heb ik een vermoeden. Dat mama klinkt zo liefdevol, zo zacht, je hoort in het woord zowel intimiteit als respect. Dat ma van mij klinkt veel harder, bijna onverschillig. Grote kans dat dit haar tegenstond. Ik heb wel geprobeerd om mama te zeggen, maar ik vond het kinderachtig klinken en niet nodig omdat ik altijd ma zei. Nu pas hoor ik de kwaliteit van mama.

Met terugwerkende kracht heb ik spijt van de vanzelfsprekendheid waarmee ik het woord ma gebruikte. Alsof het om mij ging als ik haar aansprak. Wat zou ze blij zijn geweest als ik haar mama had genoemd. Voor mij was het alleen een kwestie van wennen geweest. Je zegt twee maanden mama en je gebruikt het automatisch. Verdomme, die Chabotjes hebben me erop gewezen -natuurlijk had ik haar mama moeten noemen. Sorry, ma.

Journal

 

Zijlijn

Woensdag 17 maart, Groningen

Een paar weken geleden fulmineerde ik gechargeerd tegen al die zwevende kiezers. Waarom weet het Nederlandse volk zo slecht wat het wil? Liefst 10 miljoen mensen wisten nog niet waar ze hun stem op moesten uitbrengen. Voor mij erg raar, want ik wist precies waar mijn stem terecht moest komen.

Laat ik eerlijk zijn. Anderhalve week voor de verkiezingen begon ik zelf te zweven. Ik keek namelijk met erg veel plezier naar Sigrid Kaag. De rustige maar kordate toon waarmee ze debatteerde vond ik indrukwekkend. Met bewondering keek ik hoe ze niet bang was om tegenover een Rutte of een Wilders te moeten staan. De slogan waarmee ze campagne voerde, kreeg inderdaad een gezicht: nieuw leiderschap.

Ik zag het strategisch voordeel om op haar te stemmen. Wat zou het heerlijk als D’66 de tweede grootste partij van het land werd. Hadden we misschien een beetje minder last van de intrigant en schreeuwlelijk Wilders. Ze zou opeens ongekend sterk staan in de onderhandelingen en misschien een linkse partij kunnen binnenhalen in een toekomstige regering.

Zelfs toen we zojuist naar het stembureau liepen, was ik even in de verleiding om op haar te gaan stemmen. Heb ik toch niet gedaan. Het zou namelijk een beetje raar zijn om zelf niet het stembusadvies van Dossiermoddergat te volgen.
De doorslaggevende reden is dat ik me jaren geleden al heb voorgenomen om niet meer strategisch te stemmen. Er kan een strategie in het hoofd van de kiezer zitten. Dat wil niet zeggen dat de strategie door de hoofdrolspelers wordt nagevolgd. Ik nam mij voor alleen nog principieel te stemmen.

En jammer voor mevrouw Kaag: ik ben geen progressieve liberaal, zoals ze de signatuur van D’66 zelf formuleert. Al is het me sympathiek. Ik ben en blijf toch een socialist. Mevrouw Kaag gaat de enorme vermogenskloof in Nederland niet aanpakken, voor de multinationals is ze opmerkelijk tolerant. Ze mag dan zeer voor klimaatmaatregelen zijn, ik vermoed dat Groen Links er net iets harder tegenaan gaat. Haar pragmatisme is sympathiek en aanlokkelijk, maar een partij kan ook te pragmatisch zijn. Jesse Klaver heeft de onverzettelijkheid die ik waardeer.

Het is zeer aannemelijk dat D’66, altijd bereid tot compromissen, gaat regeren en Groen Links, die dat veel minder is, aan de zijlijn blijft staan. Ik kies dan met Klaver voor de zijlijn. Ook de afgelopen vier jaar heeft hij vanuit die zijlijn goed werk verricht en het nodige bereikt. Ik heb er alle vrede mee dat hij niet gaat meeregeren met de bestuurlijke rommelaars en marktdenkers van de VVD.

Zo ben ik, na een klein zweefpartijtje, toch geland op de plek waar ik oorspronkelijk terecht wilde gekomen. Gelukkig stemde Wyb wel D’66. Ik kan met die verdeling in ons huwelijk prima leven.

Journal

 

Stemadvies Dossiermoddergat

Woensdag 17 maart, Groningen

Journal

 

Debat

Dinsdag 16 maart, Groningen

Journal

 

Groningen studentenstad 4

Maandag 15 maart, Groningen

Journal

 

Jungle

Zondag 14 maart, Groningen

We vertrekken voor mijn doen vroeg om te gaan wandelen. Het liefst wandel ik in de middag. Eerst thuis nog wat werken, daarna heb ik pas recht op beweging. Wyb is een ochtendmens en wijst me op de regen die in de middag komt en de drukte in de bossen op een zondagmiddag. Ze heeft een wandeling in de buurt van Tynaarlo uitgezocht die we nog niet hebben gelopen.

De wandeling begint bij een parkeerterrein waar we eerder een wandeling hebben gemaakt, de wandeling gaat dwars over het Balloërveld. Ik hou niet van wandelingen die we eerder hebben gedaan. Iedereen loopt de richting in van de wandeling die we eerder deden. Wij steken de straat over en komen in onbekende streken. Zo druk als het is op het Balloërveld is, zo rustig is het hier.

Vanochtend keken we tegen een strak blauwe lucht aan. Nu verschijnen de eerste grote wolken. Hoog onder die wolken zeilen de buizerds om elkaar heen. Ze roepen scherp naar elkaar. In Dwingeloo in het voorjaar zag ik ze ook altijd, het zal onderdeel zijn van hun paringsritueel. Later in het jaar zitten ze eenzaam op takken en palen langs snelwegen naar onze voorbijrazende auto’s te kijken. Ik heb nooit begrepen waarom.

De paden zijn nat, de greppels staan onder water. Dat vindt Dies helemaal niet erg. Hij vindt het leuk om erover heen te springen. Er doorheen waden is een andere liefhebberij. Na drie kilometer lopen over modderige paadjes houdt een brede stroom water ons tegen. Waar een pad zou moeten lopen, stroomt nu water. Aan de overkant staan een man en vrouw. Zij zijn ook door het water tegengehouden
‘Dit is heel uitzonderlijk,’ roept de man naar ons. ‘We kunnen hier altijd gewoon doorlopen.’
‘Is dit de Drentsche Aa?’ vraag ik.
‘Nee, dit is het Gasterensche Diep, verderop komt hij uit in de Drentsche Aa.’
De man maakt foto’s van Dies. Dan draaien ze zich om.

Wyb en ik overleggen wat we moeten doen. We zijn nu rechtsaf geslagen, maar linksaf loopt ook een pad. Teruggaan vinden we zonde. Daarvoor hebben we tekort gewandeld. We besluiten linksaf te gaan. Na een halve kilometer komen we in een gebied met veel modder. In het midden loopt een klein stroompje. Achter de modder loopt weer een normaal pad. Met veel moeite vinden we onze weg door de modder.

Na even lopen opnieuw veel modder. Terugkeren? Achter deze moddervlakte ligt weer een begaanbaar pad. Vermoedelijk hebben we de grootste ellende achter de rug. Door stokken in de modder te leggen maken we een pad waar we overheen kunnen wankelen. We zijn beland in de originele Nederlandse jungle.

Deze geschiedenis herhaalt zich nog twee keer. Dan blijkt elk pad op te houden. Voor ons een twee meter ondiepe beek. Nog steeds het Gasterensche Diep? Vermoedelijk niet, want die was veel breder. Een zijstroompje van de Drentsche Aa? Hoe het ook zij, stroom op- en afwaarts is een zompig soort moeras, waar wij nu doorheen lopen. Nergens zien we een mogelijkheid om de beek over te steken.

Driehonderd meter achter de beek loopt het pad waar wij een uur geleden droog liepen. We nemen een rigoureus besluit. We besluiten in een ondiep gedeelte de beek over te steken. We springen van graspol naar graspol. Onze schoenen en een deel van onze benen verdwijnen onder water. In onze schoenen nog meer modder en water.

Zo fijn dat we in onze thermoskannetjes koffie hebben meegenomen. Eerst even wat troost. Wyb laat het water uit haar schoenen lopen, ik besluit ze aan te houden, ze zijn hoe dan ook door en door nat. Met zware, natte schoenen soppen we terug naar de auto. Meestal stinkt alleen Dies naar de modder, vandaag doen we lekker mee.

Voor het complete beeld: deze toch is niet geheel en al zonder vloeken verlopen. Wyb geniet mateloos van dit soort avonturen. Ik wat minder.

 

Journal

 

2x Het hoge Noorden

Zaterdag 13 maart, Groningen