Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Apenvlooien

Zaterdag 6 juni, Saint-Hippolyte-du-Fort

Eerst waren er een paar dagen vrienden, erg gezellig. Daarna waren er weer gasten. Niet veel, ze druppelen binnen. Eén kamer per dag, daarna komt de volgende, alsof ze het hebben afgesproken. Er is een meneer die 12 weken lang elke week twee dagen bij ons te gast zal zijn. Dat is veelbelovend. Ik merk wel dat de schrik erin zit. Dadelijk komt er een tweede golf en dan zitten we weer in een huis zonder gasten, zonder inkomen.

De vrienden en de gasten zorgen ervoor dat we weer in een andere wereld leven. De afgelopen maanden ben ik opgeleid tot viroloog en crisisduider. Ik las alles wat los en vast zat over de crisis. Mijn televisieconsumptie liet zich ook niet onbetuigd. Jammer dat er geen corona kennisquiz was, ik had zeker gewonnen. Ik corrigeerde op de bank gezeten vaak deskundigen aan de talkshow tafels die soms zaten te bluffen. Door mijn corona manie kon ik ze vaak corrigeren. Zonde dat niemand mij hoorde. Jammer ook dat Beau of Op1 mij niet uitnodigde. Ik wist op alle vragen antwoord.

En dan nu opeens mensen die je afleiden van lezen en kijken. Het werd ook tijd. Mijn belangstelling werd ongezond. Toch voelt het onbevredigend als ik mijn twee kranten per dag niet kan lezen, mijn social media niet uitgebreid kan checken en verdomme ook nog eens mijn televisieprogramma’s moet missen die mij altijd zo goed informeren.

Inmiddels weet ik dat ik dat leven, in die geïsoleerde bubbel, niet meer kan volhouden. Mijn kennis zal op achterstand geraken. Er dient met mensen gegeten te worden, de bedden moeten worden opgemaakt, de wc’s schoongemaakt. Het wordt weer zoals het leven eigenijk behoort te zijn. Het betekent wel dat ik niet meer op de huid van de tijd zal leven, maar goed, daarvoor waren we ook niet naar Frankrijk gegaan. In Frankrijk zouden we de tijd juist de tijd laten.

De bovenstaande tekst is meteen een waarschuwing voor de hardcore lezer van Dossiermoddergat. Ik weet dat ik de lezer de afgelopen tijd heb verwend. Bijna elke dag een blog, zoals in de dagen van weleer, het kon niet op. Kon ik me vooral permitteren door die geïsoleerde bubbel waar we in zaten. Grote kans dat de lezer het de aankomende maanden moet doen met dagen geen blogs, het accent zal verschuiven van tekst naar foto’s. Nou ja, we zien wel. Maar één ding weet de lezer: Dossiermoddergat zal nooit verdwijnen. Ook al is het een tijdje stil, er komen dagen dat er weer volop wordt geschreven.

Belangrijk onderwerp is natuurlijk het apenvlooien van de heren rechtse politici in de appjes van Femke en Ferd. Nog nooit werd er zo goed geclose readed. Nederland op z’n smalst. Ik vond het een prachtig gezicht al die mensen op de Dam.Wanneer zie je nog dat mensen voor een belangrijk issue de straat opgaan? Ik heb genoten van het gekijf van Wilders, vooral omdat hij niet anders meer kan. Over welk onderwerp de man het ook gaat, altijd kijven. Zoals sommige kinderen een permanent zeurtoontje hebben, zo heeft hij een permanent kijftoontje.

Journal

 

Portraits de Saint-Laurent-le-Minier 2

Vrijdag 5 juni, Saint-Hippolyte-du-Fort

Een van onze lievelingswandelingen is het pad dat van de watervallen van Saint-Laurent-le-Minier loopt naar het gelijknamige dorp. We zetten de auto op het parkeerterrein bij de watervallen en lopen dan over een hoge brug naar de andere kant van de oever. Als je op de brug staat zie je een huis, een landhuis, van klassieke schoonheid. Als je er naar kijkt, kun je niet anders dan dromen hoe het is om daar te mogen wonen.

Over de brug slaan we rechts af naar beneden. We lopen dan langs de hoge muren van het landhuis. Of eigenlijk is dat fout gezegd. Het landhuis staat heel hoog op een heuvel en de muren waar ik over spreek zijn de muren die de heuvel stutten. Je voelt je per definitie klein als je er langsloopt. Aan de linkerhand loopt dan een snelstromend riviertje op weg naar l’Herault om zich daar te storten in de snel stromende rivier.

Wanneer we een rustige weg oversteken lopen we over een paadje waar een liefhebber allerlei kruiden en planten heeft geplant en er keurig de namen bijgeschreven. Tussen het groen staan filosofische aforisme. Op een bankje zit de plaatselijke dronkaard. Ik hou mijn fototoestel klaar om hem te vangen. Maar op het moment supreme blijkt mijn toestel niet aan te staan. Weer een prachtige foto gemist en voel me een waardeloze fotograaf.

Toch word ik op het einde van het paadje, als we in het dorp zijn, beloond met een fotoproject. Op veel deuren en panelen hangen foto’s van de bewoners. De foto’s zijn er primitief opgeplakt en ik neem aan dat de foto hoort bij de bewoner van het huis. Een foto in een foto, het pas precies in het project dat ik voor ogen heb. Ik noem de serie Portraits de Saint-Laurent-le-Minier.

Journal

 

Portraits de Saint-Laurent-le-Minier

Donderdag 4 juni, Saint-Hippolyte-du-Fort

 

Journal

 

Mama

Dinsdag 2 juni, Saint-Hippolyte-du-Fort

Je drukt met je knie hard op de nek van iemand die op de grond ligt. Het is overduidelijk dat degene die op de grond ligt in nood is. Hij roept een paar keer om zijn moeder. Mama! Mama, de meest ontwapende en fundamentele hulpkreet die er is. Mama, terwijl de man die daar op de grond ligt stoer en sterk oogt, roept hij toch de meest lieve hulpkreet die er is, de meest wanhopige ook. Met het roepen van mama grijp je terug op je jeugd toen je nog zeker wist dat het aanroepen van mama effect had.

De man die met zijn knie op zijn nek zit trekt zich niets aan van de hulpkreet. De man op de grond geeft aan dat hij in grote nood is: ‘I can’t breathe.’ Hij roept het zestien keer, ‘I can’t breathe.’ De man met zijn knie op zijn nek geeft geen reactie. Onverstoorbaar kijkt hij stoer en superieur voor zich uit. Om hem heen roepen mensen dat hij moet stoppen, dat de man op de grond dreigt te sterven.

Er is geen enkele kans om te ontsnappen voor de man op de grond. De knie drukt moordend hard op zijn nek, de rest van zijn lichaam wordt in bedwang gehouden door drie andere mannen. Ook zij drukken zwaar op hem. De omstanders roepen in paniek, ze zien dat het fataal afloopt. De man op de grond doet trouwens geen enkele poging om los te komen want hij weet dat de overmacht te groot is, dat het dan erger wordt.

‘Mama!’ ‘I can’t breathe!’ Het zijn zijn laatste woorden. Hij raakt buiten bewustzijn. Ademnood. Hij heeft geen lucht meer. Zijn lichaam ligt levenloos onder de knie. Even later is hij dood. De knie blijft onverstoord op zijn nek drukken. Het gezicht van de man met de knie toont geen spoor van spanning of mededogen. Hij heeft zich iets voorgenomen en dat maakt hij af.

Hoe kan het dat je als mens zonder een spoor van emotie willens en wetens iemand dooddrukt. Het was toch een kleine moeite even de knie minder hard te laten drukken, de man die je overmeestert even lucht te geven. Het roepen van de omstander doet je niets. De spanning van de situatie en het lijden van de man in nood laat je onaangedaan. In cool blood. Wat voor een opvoeding heeft de man met de knie gehad? Waarom heeft deze man geen ethisch besef? Waarom ontbreekt elk gevoel in zijn handelen? Wat is er met deze man gebeurt opdat hij in koele bloede met zijn knie het leven van een ander mens kan beroven.

Homo homini lupus. De mens is voor de mens een wolf. Wij zijn in staat zonder een greintje mededogen, zonder een spoor van emotie iemand te doden. Niet alleen iemand, we zijn in staat omwille van een politiek idee, zoals het zuiveren van een land, een heel ras te doden, of leden van een ander geloof massaal te executeren.

De hoop in dit verhaal is dat na de moord een golf van protest opsteekt. Dat overal in het land en de wereld mensen ziedend van verontwaardiging zijn. Natuurlijk wil je na het zien van zo’n gebeurtenis de boel in de fik steken. Dat heet machteloze woede. De een kan zich nog inhouden, de ander natuurlijk niet.

Journal

 

Verzwolgen

Maandag 1 juni, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik zat in de eerste klas van de lagere school. Juffrouw Meeuwsen deed haar best mij te leren lezen. Op een gegeven moment zei ik tegen mijn moeder dat ik kon lezen en ik las stuntelend een zin uit een Leren Lezen Boekje. ‘Has, je kunt lezen, wat goed! Kom, dat gaan we meteen aan Tante Mies laten zien.’ We stapten op de fiets naar Tante Mies die een paar straten verder op de St. Jacobslaan in een oude boerderij woonde.

‘Gerardje kan lezen,’ zei mijn moeder meteen bij binnenkomst. ‘Is het echt waar? Laat horen.’ En zo las ik mijn eerste woorden al meteen voor een groot publiek want bij Tante Mies was het een zoete inval. Er was altijd drukte in het chaotisch gezin. Ome Geert trok zich daar niets van aan. Die lag altijd op de bank, een fles bier naast hem of aan de mond.

In de tuin van Tante Mies stond een perenboom, iets voor de volière waar de kanaries van Ome Geert in rondvlogen, naast het bier zijn enige hobby. Aan de perenboom was ooit een kruisbeeld gespijkerd. De boom groeide en groeide en had het kruisbeeld als het ware opgegeten. Het kruisbeeld was inmiddels diep in de stam gegroeid. Meer en meer had de boom Jezus Christus verzwolgen. In de jaren dat ik bij Tante Mies kwam zag je alleen nog zijn gezicht en zijn uitgestrekte bovenarmen. Zijn onderlijf zat al diep onder de stam.

Van wat ik hier schets is niets meer over. Tante Mies is dood. Ome Geert overleed lang daarvoor. Of hun kinderen nog leven, ik zou het niet weten. De perenboom is omgezaagd. De volière verwijderd. De boerderij gesloopt. De locatie van dat levendige, liefdevolle gezin waar ik mijn eerste woorden las, ligt nu onder het asfalt van het parkeerterrein van een Albert Heijn.

Jezus Christus die verzwolgen wordt is altijd bij me gebleven. Niemand zag hoe de boom zijn werk deed. De boom deed, met behulp van de tijd, zo tergend langzaam zijn werk. Maar wel onontkoombaar. Pas met tussenpozen van jaren zag je het naderde einde van Jezus Christus. Hij is niet de enige die slachtoffer van een boom wordt. Hier boven op de foto’s nog een paar voorbeelden, een jeu de boules bal en een busbordje, gevangen en opgeslokt door bomen.

Journal

 

Dromen

Zondag 31 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Street art in Montpellier

We zijn weer aan het werk. Vannacht zes gasten, vanavond twee gasten, morgen idem dito. Wat ik hoopte gebeurt. Mensen uit Nîmes en Montpellier hebben na al die weken zin om eruit te gaan. Het zijn allemaal last minute boekingen, maar er zijn boekingen. Ook de reserveringen druppelen weer binnen. Wie weet is het seizoen toch niet volledig verloren. Voor het eerst sinds maanden verdienen we weer iets, niet onbelangrijk.

Wat doe je met je service in tijden van corona? Vind ik een lastige. Nu we weer mensen bij het ontbijt hebben, mensen die iets willen drinken, is afstand houden moeilijker dan ik dacht. Je schuift niet van grote afstand een kop koffie toe. Je loopt ook niet voortdurend met een plaat plexiglas voor je hoofd.
Onze gasten gaan er buitengewoon relax mee om. Zij zitten nergens mee, zoals in heel Frankrijk iedereen steeds minder ergens mee zit. De mondkapjes verdampen in het openbare leven. Afgelopen vrijdag op de markt droeg alleen een enkeling nog een kapje. De marktkooplui blijven de mondkapjes en hun gezichtsschermen gebruiken, misschien omdat het een voorschrift is.

Cees Nooteboom schrijft in het NRC van zaterdag: ‘Wie denkt dat de wereld ooit nog hetzelfde wordt als vroeger vergist zich. Want ook als het er straks misschien weer een beetje zo uit ziet als vroeger, er is iets gebeurd dat niet meer vergeten kan worden, al was het maar omdat het in lange stiltes is opgeslagen in allerlei hoofden waar het lang kan blijven rondwaren, zoals alle dromen en nachtmerries.’

Het doet me denken aan de tekst van Bram Vermeulen uit het lied De Steen: ‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde/Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten/Ik leverde het bewijs van mijn bestaan.

Alhoewel Bram mij erg lief is, geloof ik van beide teksten geen snars. Het is een mooie gedachte dat iets niet vergeten wordt. Nooteboom schrijft: ‘waar het lang kan blijven rondwaren, zoals alle dromen en nachtmerries.’ Mooi gezegd, maar onzin, de meeste dromen en nachtmerries worden vergeten. Het is literair gespeel met woorden. Mocht het virus ooit uit onze samenleving verdwijnen door een vaccin of immuniteit, dan keert alles weer tot het oude terug. Ik merk het nu al. De acute dreiging is verdwenen, in Les Trois Comtes is het bijna weer zoals het vorig jaar was. Wyb draagt nog plastic handschoenen. Omdat ze mij niet passen serveer ik alweer met blote handen.

Ik heb in mijn leven een paar crises meegemaakt. Eerst was er Joop den Uyl tijdens de oliecrisis. Het zou nooit meer worden als vroeger. Daarna explodeerde de automarkt. Dan hadden we in 2008 ook nog die financiële crisis. Alles zou anders worden. Er is niets veranderd. De banken doen nog hetzelfde als voor 2008, regelgeving is er nagenoeg niet gekomen.

Het is zo lief dat mensen denken dat er na zo’n crisis iets verandert, dat mensen tot inzicht komen. Afgelopen week was Rutger Bregman weer in een talkshow om over het succes van zijn boek De meeste mensen deugen te praten. Een ieder die aan de tafel zat leek het te geloven.

Het was het tweede onderwerp aan die praattafel. Daarvoor was het onderwerp de rellen in de Verenigde Staten na de moord van een politieman op George Floyd. Maar dat onderwerp leek iedereen meteen vergeten. Men wilde zo graag geloven dat de meeste mensen inderdaad deugen. Helaas. Hoe Rutger ook praatte, het onderwerp daarvoor wilde maar niet uit mijn hoofd verdwijnen. Momenteel is de ‘leider’ van de vrije wereld het levende bewijs dat de meeste mensen niet deugen. Het is op de wereld vergeven van de slechte mensen. Dus het is wel logisch dat iemand die het tegendeel beweert veel aandacht krijgt.

Journal

 

Lans

Zaterdag 30 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Het toerisme ligt onder vuur. Op de eerste plaats natuurlijk door het virus. Het is onverbiddelijk en drijft iedereen terug naar de thuisbasis, zelfs naar binnenblijven. Maar daarvoor was er al toenemende kritiek op het toerisme. Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer is daar de literaire vrucht van. De uitwassen in Venetië, Amsterdam en Parijs waren de aanjagers van die kritiek. Het toerisme als sprinkhanenplaag. Het toerisme vreet de lokale cultuur kaal en dat, contradictie, terwijl de toerist op zoek is naar authenticiteit.

En dan is er natuurlijk de enorme diaspora van Nederlanders per vliegtuig. Ik heb er zelf naar hartelust aan meegedaan. Ik weet nog dat ik in Hanoi was en daar veel Nederlandse gezinnen tegenkwam die, vaak nog met kleine kinderen, naar Azië waren gevlogen. De kinderen waren vaak strontvervelend. Wat moet je als je drie of vier jarige ook in Hanoi? Ik vroeg me af waarom die mensen niet gewoon naar Frankrijk waren gegaan. Niets mooier voor kinderen dan een camping bij een riviertje en dammen bouwen, vriendjes in overvloed.

Het afgelopen jaar settelde zich ook in mijn hoofd het begrip vliegschaamte. Ik blijk genoeg kuddedier dat het begrip vat op mij kreeg. Toch boekten wij in januari nog een reis naar India voor €400 retour. Konden we dit wel maken? We besloten dat het onze laatste grote reis werd. Natuurlijk weten wij dat Nederland prachtig is, en Europa al helemaal. Je hoeft helemaal niet met een vliegtuig naar het andere uiteinde van de wereld te reizen om te genieten. Ik bespeurde bij ons zelfs enige opluchting dat de reis naar India niet doorging door mijn ziekte.

Maar al dat toerisme is er natuurlijk niet voor niets. En het is er zeker niet massaal zo voor niets. Laat ik een lans breken voor het toerisme. Ik vind eigenlijk niets leuker dan door Hanoi of New York te zwerven. Het geeft me een gevoel van enorme vrijheid. Het maakt me los van alle banden en conventies, even voel je je een wereldreiziger die een verbinding aangaat met een andere cultuur. Ja, jammer dat ik niet de enige ben. Toch laat het onverlet dat het een enorm gelukkige tijd voor me oplevert als ik toerist ben. En vermoedelijk ook voor al die miljoenen andere reizigers.

Het is toch heerlijk dat je een paar weken weg bent uit de knellende banden van je werk, de ongelukkig makende routine van het dagelijks bestaan. Dat al dat gereis een grote vervuilende bezigheid is, ik weet het. Maar dat neemt niet weg dat het toerisme appelleert aan een grote behoefte, de behoefte om je even te bevrijden door een andere omgeving op te zoeken. De anonimiteit die dat oplevert, heerlijk! Al die prachtige foto’s die je kunt maken. Het toerisme krijgt er van langs, maar ik denk dat de onderliggende drijfveer van het toerisme uiteindelijk de grote kracht is. Of je je nou laat bakken in de Spaanse zon of ontberingen gaat leiden in IJsland, de behoefte aan vrijheid en andere lucht zal zeker bijven. Alleen nog even dat probleempje van die vervuilende vliegtuigen oplossen.

Journal

 

Barmhartigheid

Vrijdag 29 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Mijn afspraak met de specialist was voor onbepaalde tijd uitgesteld in verband met Covid-19. Een paar weken geleden besloten we te bellen hoe het met de afspraak zat, of er al perspectief was. Meteen kregen we een afspraak. Stel dat ik niet had gebeld. Gisteren was het zover.

Mijn specialist is gevestigd in het Academisch Ziekenhuis van Nîmes, het opvangcentrum voor de patiënten van Corona. Niet dat de regio hier een brandhaard was, totaal niet. Maar patiënten uit de getroffen gebieden werden met speciaal daarvoor verbouwde treinen naar Nîmes gebracht. Zodoende waren Wyb en ik gisteren erg dicht bij de ziekte. Dichterbij zijn we nooit geweest.

De specialist bekijkt mijn wond en besluit dat het er goed uitziet. Zelf heb ik mijn wond nooit gezien. Wyb wel, die inspecteert of verzorgt hem, eerst vaak, nu zo af en toe. Het resultaat van het gesprek is dat het elastiek op 10 juli kan worden verwijderd.

In mijn achterste heeft de specialist namelijk met elastiek een soort borduurwerkje gemaakt van mijn fistel tot mijn darmen. Hoe dat borduurwerkje er precies uitziet weet ik niet. Het elastiek gaat een voor ons leken wonderlijke weg. Gelukkig schijn het gewerkt te hebben. Als alles goed gaat ben ik 10 juli, na een hersteloperatie, van alles verlost. Een wonder, als het geschiedt. Dan ben ik in totaal 9,5 maand met ellende en ongemak onder de pannen geweest.

Goed nieuws in de ochtend dat ik al op 10 juli geopereerd kan worden, eerst stelde hij een operatie in augustus voor. Na veel zuchten van onze kant werd het juli. Goed nieuws in de middag. De premier van Frankrijk, Édouard Philippe, maakt bekend dat op 15 juni voor Europese landen de grenzen weer opengaan. Dat betekent dat veel reserveringen uiteindelijk toch door kunnen gaan. Wyb en ik maken een rondedansje.

In de afgelopen weken hebben we de donkerste scenario’s laten passeren. De schade tot nu toe is groot. Maar stel dat er dit jaar helemaal geen gasten kunnen komen. Hoe groot zal dan de schade zijn? Door het bericht van Philippe, die in Frankrijk veel populairder is dan Macron, zo wordt hij getipt als de nieuwe president, kunnen we schade mogelijk nog enigszins beperken.

Vanochtend opnieuw goed nieuws. Wyb zit bij de kapper. Ik kom van de bakker. Voor onze deur staat de post met een aangetekende brief. Ik ren naar hem toe en teken. Het blijkt een brief van de verzekeringsmaatschappij te zijn waar wij een aantal verzekeringen hebben ondergebracht.

Bij de brief zit een cheque van €1.500, vanwege de geleden schade, een gebaar van het bedrijf. We staan versteld: we hebben er niet om gevraagd, voor de verzekeringen die we hebben is er geen specifieke schade. Zomaar een cadeautje, serieus geld. Dit is zeker geen roofdierkapitalisme, waarover je tegenwoordig zoveel hoort, dit is het kapitalisme van de barmhartigheid. Voor de eerste keer dat ik er kennis mee maak.

Journal

 

Spiegeltjes

Woensdag 27 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Gisteren hebben Wyb en ik weer even de toerist gespeeld. Eerst naar Montpellier om wat kleren te kopen. Al maanden leven wij een sober bestaan, kopen we alleen het hoognodige. Helaas slijten zelfs daar de kleren van. Na de nodige inkoop doorgereisd naar de Middellandse Zee kust. We bezoeken plaatsjes als Bouzigues en Mèze. Ze liggen aan een groot binnenmeer, Etang de Thau, dat door een smalle landengte van de Middellandse Zee is gescheiden. De plaatsjes zijn het centrum van de oesterkweek. Overal gesloten restaurants die oesters aanbieden.

De plaatsjes liggen er verlaten bij. Wij zijn weer de enige toeristen. Meer en meer realiseer ik me dat horecagelegenheden ziel geven aan een stad. Op de kade is alleen een ijscokraampje open. Verder restaurants en cafés met luiken voor de ingang. Bij de dorpen grote desolate parkeerplaatsen, ze vormen voor mij inmiddels het symbool van deze tijd. Misschien zijn het ook onheilspellende voortekens van wat komen gaat. Al die leegte, het ontbreken van mensen, het maakt een dystopische indruk op me.

Macron gaf de auto-industrie gisteren 8 miljard euro. Hebben die miljarden enig nut? Er is een enorme overcapaciteit op de automarkt. Renault en Citroën lopen hopeloos achter op de ontwikkelingen. Nog nooit is een elektrische auto uit hun fabrieken gerold. In 2022 moeten het er honderdduizenden zijn. Ik help het Macron hopen. De week daarvoor gaf hij 7 miljard aan Air France/KLM. Iedereen aan het infuus. Inmiddels bedraagt de totale schuld van Frankrijk 2400 miljard euro.

Een miljard meer of minder maakt niet meer uit. Er worden over de hele wereld miljarden uitgedeeld zoals vroeger spiegeltjes in Afrika. De Europese Commissie wil 750 miljard voor een herstelfonds. Dat komt bij de 10.000 miljard euro overheidsschuld die de landen in de eurozone al gezamenlijk hebben. De totale schuld van de Verenigde Staten bedraagt $8.699 biljoen dollar.

Er is een belangrijke stroming binnen de goegemeente van economen voor wie schuld niets meer uitmaakt. De schuldenlast heeft geen enkele verhouding meer met de reële economie of de reële financiën van een land. Waar dit eindigt? Hoe dit moet worden opgelost? Geen econoom die er een idee van heeft. Een totale kwijting? De schulden eeuwigdurend maken? Het zijn allemaal scenario’s die langskomen. Maar het kan zomaar zijn dat we getuigen zijn van het blazen van de grootste zeepbel ever. Zo groot dat bij een ontploffing van de bel wij verzuipen in het zeepwater.

Journal

 

Punten

Maandag 25 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Voor het eerst sinds maanden hadden we afgelopen weekend weer gasten. Ik zag er enigszins tegenop, maanden heb je zo’n huis alleen en dan komen er zomaar onbekenden bij je in wonen. Het viel natuurlijk uiteindelijk, ik wist het wel, erg mee. Sterker: het was weer ongewijzigd leuk. Een echtpaar dat in dorpje vlakbij Montpellier woont. Ze hebben drie jonge kinderen, waarvan de oudste drie is. Ze wilden even ontsnappen.

Op de dag dat ze weggaan zetten ze een beoordeling op booking.com, zoals zoveel gasten doen. De beoordeling mag er zijn. Hygiëne 10. Locatie 10. Personeel 10. Comfort 10. Faciliteiten 10. Prijs-kwaliteitsverhouding 10. Daaronder nog een buitengewoon aardige tekst over ons gastheerschap en het koken van Wyb.

We krijgen de review binnen als we op weg zijn voor een lange wandeling in de buurt van Lasalle en zijn er erg blij mee. Wyb zet het die dag nog op Facebook. Een kennis van ons schrijft er later onder: ‘De beste van de klas. Ga zo door!’ Haar opmerking verwoordt mijn ongemakkelijkheid met het fenomeen reviews. Voor het eerst in veertig jaar wordt ik weer beoordeeld met punten. Op school had ik al een hekel aan punten, maar goed ik ben dan ook een kind van de jaren zeventig met een afschuw van competitie, daar deden wij niet aan mee. De wereld zou veranderen zong Bob Dylan in die tijd. Hoe verandert zijn de tijden. Totaal de andere richting uit dan wij toen dachten.

Nou moet ik zeggen dat ik, sinds ik het werk hier doe, nog nooit zo’n hoge punten heb gehaald. Vorig jaar haalden Wyb en ik gemiddeld een 9,5. Als de reviews van onze voorgangers niet hadden meegeteld was de score zelfs nog hoger geweest. Moest ik vroeger dus niets van punten weten, tegenwoordig ben ik er blij mee. Niet alleen omdat het waardering uitdrukt, maar ook omdat het commercieel belangrijk is. Hoe hoger de score van een chambres d’hôtes hoe hoger je in de ranking komt. Als je googelt op onze omgeving is de kans groot dat wij bovenaan staan. Dat is weer belangrijk omdat veel gasten afgaan op die score, veel mensen zoeken per definitie op accommodaties die boven de negen scoren.

En zo komt het dat zelfs ik, oude linkse strijder, gevangen ben in een puntensysteem. Hebben ze me op de oude dag toch nog te pakken. Want zo voelt dat systeem ook wel. Het is toch een ratrace. Je moet elke keer weer je stinkende best doen omdat anders de rating in gevaar komt. Nou ben ik altijd wel geweest van stinkend mijn best doen, maar om dat nu voor Booking te doen vind ik toch iets vernederd hebben.
Aan de andere kant werkt het systeem wel. Wij doen ons best en vinden het leuk als we hoog scoren, de gasten weten waar het goed verblijven is. En laten we vooral niet vergeten dat Booking er wel bij vaart. De aandeelhouders hebben de afgelopen er pervers van geprofiteerd, dat neemt niet weg, nu de markt is ingestort, dat de belastingbetaler de rotzooi van het bedrijf mag opruimen.

Enfin. Wij hebben de eerste beoordeling binnen en gelukkig zit die in de lijn van vorig jaar. Benieuwd hoe we dit uitgedunde jaar gaan eindigen.

Journal

 

Shul

Zondag 24 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik lees op het ogenblik De oude wegen van de Engelse schrijver Robert Macfarlane. Voor wie van wandelen, geschiedenis en Matthijs Deen houdt een prachtig boek. In De oude wegen lees ik de volgende passage:

‘In niet-westerse culturen zijn de ideeën dat het neerkomen van de voet gelijkstaat aan kennis en dat wandelen een soort denken is wijdverbreid en dienen ze vaak als metafoor voor het geheugen – de geschiedenis als een gebied waar je achterwaarts in loopt. Keith Bassa schrijft dat Apaches uit Cibecue het verleden voorstellen als een pad of spoor (‘intin) dat voorouders gebaand hebben, maar dat grotendeels onzichtbaar is voor wie nog leeft en indirect opnieuw moet worden benaderd via geheugensteuntjes in de vorm van bepaalde nagedachtenissen. Die nagedachtenissen -waaronder plaatsnamen, verhalen, liedjes en relieken- worden door de Apaches wel biké goz’áá genoemd, ‘voetafdrukken’, ‘sporen’. Voor het Klinchon-volk uit Noordwest-Canada zijn wandelen en weten nauwelijks te onderscheiden bezigheden. Hun woord voor ‘kennis’ en dat voor ‘voetafdruk’ zijn inwisselbaar. Een tekst uit het Tibetaanse Boeddhisme van ongeveer 600 geleden gebruikt het woord shul voor ‘een teken dat achterblijft nadat datgene wat het heeft gemaakt, voorbij is gegaan’: voetafdrukken zijn shul, een pad is shul, en dergelijke afdrukken leiden je in omgekeerde richting naar een besef van voorbije gebeurtenissen.’

Eigenlijk is Dossiermoddergat ook biké goz’áá, een spoor. Als Het Dossier ooit vol is, ga ik een nieuw blog beginnen onder de titel Shul, eigenlijk is een blog ook een afdruk dat je in omgekeerde richting naar een besef van voorbije gebeurtenissen leidt.

Voor de hardcore users van Dossiermoddergat: heb ik De Toverberg van Thomas Mann dan al uit? Nee. Ik ben nu op pagina 350. Ik ga het boek zeker uit lezen, maar het is niet een boek dat je in één ruk lekker uitleest, daarvoor is de brede rivier die het boek is te breed en de stroom te traag. Voor de afwisseling schieten er andere boeken doorheen zoals De oude wegen en soms een kort verhaal van John Cheever of Bruce Chatwin. Op die manier blijf De Toverberg behapbaar.

Journal

 

Gasten

Zaterdag 23 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Een paar blogs geleden schreef ik het al. Het zou goed kunnen dat we binnenkort gasten krijgen, mensen die wonen binnen een straal van 100 kilometer van Saint-Hippolyt-du-Fort. Vandaag is het zover, een man en een vrouw, nog vrij jong, zijn na het confinement onze eerste gasten. Belangrijke vraag: hoe ontvang je die mensen? Met mondkapje? Met handschoenen aan? In Nederland zouden dat geen vragen zijn, hier wel. Hier beschermen mensen zich grondiger dan in Nederland. We besluiten het bij binnenkomst te vragen. Stellen ze er prijs op dat wij bijvoorbeeld een mondkapje dragen? Nee, volstrekt niet.

Ik ben zowaar wat nerveus voordat de gasten komen. Komt vermoedelijk omdat ik het volledig ontwend ben. Een gast ontvangen, hoe deden we dat ook weer? De laatste keer dat ik mensen welkom heette, was eind september. Wyb deed het daarna nog diverse keren in oktober en november, maar in die tijd lag ik al uitgeschakeld in bed een katheter in mijn piemel, operatiewonden bij mijn mijn kont. Zo. Plastischer kan ik het niet uitdrukken. Terwijl de gasten door ons huis liepen, lag ik naar het plafond te kijken. Nog steeds verbaasd wat me was overkomen.

Het heeft dus acht maanden geduurd voordat ik weer, als in het oude normaal, klaar kan staan. Want na mijn gezondheidsperikelen kwam die verrekte corona.
Ho. Stop, Wat ik zojuist zei is niet helemaal waar. Eind februari kregen we nog twee gasten en toen was ik weer redelijk op de been. Die gasten hoestten zich de longen uit hun lijf, ze konden nauwelijks een zin af maken. Ze bleven zes dagen en waren zes dagen gammel, hadden geen smaak en konden niets ruiken. Voordat ze hier kwamen hadden ze een paar vliegreizen achter de rug. Twee weken geleden belden ze op om te zeggen dat ze waarschijnlijk toch corona hadden. Ik heb er toen wel aan gedacht, maar corona was hier toen nog een onbekend verschijnsel. Grote kans dat corona dus wel bij ons op visite is geweest.

Onze twee gasten vandaag zijn een uitvloeisel van een hernieuwd Frankrijk. Een paar dagen geleden berichtte ik nog dat Fransen blijkbaar niet naar buiten durven te komen, dat het zo opmerkelijk rustig bleef nadat mensen toch weer ongestraft naar buiten mochten. Ik weet niet op welk geheim teken ze hebben zitten wachten, maar gisteren zat niemand meer binnen. Het was een drukte van jewelste, de auto’s slopen in lange rijen door het dorp. Ze hebben er weer zin in, die Fransen. Ander verschijnsel: ik zie steeds minder mondkapjes op straat. Het bericht dat corona in de buitenlucht nauwelijks besmettingen oplevert is hier misschien ook wel doorgedrongen.

Journal

 

Hermelijnkoorts

Vrijdag 22 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

– Alexia, geef jij de fazant even door?
– Alstublieft.
– Hoe was het vandaag op school Amalia?
– Ik had een uitmuntend voor mijn spreekbeurt over Nederlands staatsrecht.
– Wat fantastisch. Lekker die fazant.

– Mama is vandaag in een ziekenhuis wezen kijken.
– Alweer.
– Natuurlijk, ze hebben steun nodig deze helden.
– Volgens mij heb je nu wel alle ziekenhuizen van Nederland gezien?
– Als ik geen koningin was geworden was ik verpleegster geworden. Ik heb er zo’n bewondering voor, het is zo hard werken.

– Ariane, wat ben je stil? Is er iets?
– Nee, hoor.
– Wil je nog een stukje fazant?
– Nee, want dan zou ik het wel pakken.
– Nou, nou, nou, niet zo brutaal jij. Zo kennen we je helemaal niet. Wat is er, schat?
– Waarom ga je nou huilen, lieverd?

– Zeg nou alsjeblieft wat er is. Hier heb je een zakdoekje.

– Een heleboel kinderen willen niet meer met me omgaan. Deborah ook niet.
– Och jee. Waarom niet.
– Ze zegt dat we asociaal zijn. Dat wij leven op hun zak.
– Hoe komen ze daar nu bij.
– Dat alle meubels in ons huis eigenlijk van hun zijn. Wij hebben niks hoeven te betalen en zij alles.
– Wat een onzin. Die hebben we verdient omdat papa en mama koning en koningin zijn.
– Maar paps krijgt al vijf miljoen euro voor dit soort dingen. En nu hebben we die hele inrichting ook nog eens voor niks gekregen. Ze willen niets meer met me te maken hebben.
– Wat gemeen. Ik zal morgen eens met de directeur gaan praten.
– Nee, nee, niet doen. Dat zouden ze belachelijk vinden.
– De hele inrichting hebben we van Mark Rutte gekregen, hoor. Die zei, ‘och majesteit, die inrichting gaat in één moeite door’.
– Jean-Paul zegt dat dat hermelijnkoorts heet.
– Hermelijnkoorts?
– Ja, als ze met papa of jou te maken hebben dan vinden ze alles goed, dan vinden ze alles prachtig.
– Ja, dat is mij ook opgevallen. Vooral die Kysia Hekster, die leidt helemaal aan hermelijnkoorts. Als ze iets over ons zegt begint ze helemaal te kirren. Alles vindt ze prachtig en mooi.
– Alexia, bemoei je er niet mee.
– Wil je echt geen stukje fazant meer.
– Ik eet geen vlees meer.
– Nou, dat is weer wat nieuws.
– Deborah zegt dat papa een moordenaar is. Dat hij alle dieren afschiet en dat hij geld voor die bossen krijgt waar hij geen recht op heeft.
– Zo, die durft. Nou, ik ben gewoon gek op jagen omdat ik als jonge jongen al met opa Bernhard ging jagen.
– Maar daar kun je toch mee stoppen? En praat me niet over opa Bernhard. Daar heb ik via Deborah ook verhalen over gehoord. Die had gewoon de gevangenis in gemoeten, die man was corrupt heeft ze me uitgelegd met dat Lockheed geld.
– Het lijkt ons heel goed dat je niet meer met die Deborah omgaat.
– Natuurlijk wel. Toevallig is Deborah mijn BF. Voor altijd. Als jullie dat maar weten. Als ze het tenminste goed wil maken. Kun je niet gewoon stoppen met dat gejaag? En nee, ik wil geen fazant meer. Nooit meer.

Journal

 

Zwembad

Donderdag 21 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Pasos, Rock and Roll Star en onze zwembadman.

De afgelopen dagen wekten we het zwembad uit zijn winterslaap. Buiten de zomer is het zwembad bedekt met een groen zeil, een soort lijkwade. De tuin is in rouw. De tuin en ons zwembad horen bij elkaar. Eerst verwijderden wij de lijkwade. Daaronder kwam dood water te voorschijn, overblijfsel van een vrolijk vorig jaar. Maar dan vullen we het bij met vers water, gooien er de benodigde chemicaliën in, we coifferen het zwembad, stofzuigen het, Pasos, onze zwembadman, komt langs voor de finishing touch en dan fonkelt het zwembad weer in het zonlicht zoals het nu doet. Het is 30 graden bij ons, de ideale temperatuur voor een zwembad om zich op te warmen.

Wyb verheugt zich op de eerste duik. Ik zal er voorlopig geen gebruik van maken. De dokter heeft er verder niets over gezegd maar zwemmen met een fistel, een gat extra in je kont, lijkt me niet raadzaam. Nou ben ik sowieso geen zwemmer. Iedereen om mij heen is een waterrat, Wyb, de kinderen, de kleinkinderen, geeft ze een zwembad en ze vermaken zich. Je wordt altijd zo nat van een zwembad, vind ik. Komt bij dat ik een slechte zwemmer ben.

Om mij heen heeft iedereen wel vijf zwemdiploma’s, ik ben een autodidact. Ik heb zwemmen geleerd in het zwembad van jongensinternaat Jonckerbosch aan de Hatertseweg, vlakbij het stadion van NEC. Mijn moeder had weer eens iets geregeld, ze was goed in het regelen van dingen. Twee zomers lang mochten wij gratis zwemmen in het zwembad waar verder nauwelijks mensen zwommen. Een ongekend privilege, mijn moeder kon goed opschieten met een van de broeders van het internaat.

We hebben er volop gebruik van gemaakt en Jan heeft me in dat zwembad zwemmen geleerd. Zwemmen is misschien een groot woord. Ik hou me dertig meter boven water met de schoolslag en de vlinderslag. Daarna ben ik uitgeput want mijn techniek, zoals zovelen al hebben geconstateerd, is erg beroerd. Ik worstel en blijf boven en dat is het belangrijkste.

Dat zwemmen op Jonckerbosch leverde mij iets veel mooiers op dan zwemmen. Ik kreeg contact met een broeder die een vos verzorgde. De vos zat achter het zwembad in een grote kooi. Door mijn interesse in de vos mocht ik meer en meer zelf de vos verzorgen. De broeder en ik deelde onze liefde voor de vos. Het klinkt dubbelzinnig, is het niet.

Ik zal negen, tien jaar zijn geweest, een leeftijd waarop je een jongetje eigenlijk niet onbevangen kunt laten optrekken met een broeder. Maar het moet gezegd, de broeder heeft me met geen vinger aangeraakt. Dat was anders met onze pastoor, pastoor Frik. Die trok me als hij even de kans kreeg op schoot en begon me dan te kietelen. Ik vond toen al dat pastoors van jongetjes moesten afblijven. Mijn moeder kreeg het op een gegeven moment in de smiezen en zorgde ervoor dat pastoor Frik nooit alleen met mij was. Ik denk dat ze me voor de zoveelste keer voor erger kwaad heeft behoed.

Journal

 

Luiken

Woensdag 20 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik ben geen Fransman en zal het niet worden. Wyb wel, zij is al een halve Française, ze is hier veel meer een vis in het water dan ik. Ze beweegt zich met grote vanzelfsprekendheid door deze samenleving en praat volop met deze en gene. Ik ben hier een analfabeet en in grote mate doofstom.
In één opzicht ben ik Franser dan Wyb, in alle andere opzichten niet. Net als de Fransen ben ik een binnenzitter. Wyb is daarin een typische Nederlander, als het even mooi weer is, en dat is het hier snel, zit ze buiten. Ik hou van de zon maar dan wel gezien vanuit de schaduw. En als het echt heet wordt lonkt de koelte van het huis.

Wat dat betreft hoor ik hier echt thuis. Een Fransman zit nooit, of vrijwel nooit, buiten. ’s Winters en in voor- en najaar vindt hij het te koud en ’s zomers vindt hij het te warm. Het gevolg is dus dat de Fransen nooit genieten van hun enorme tuinen. Wat dit onderwerp betreft zijn Wyb en ik goede observators. Wij wandelen wat af en lopen veel langs Franse tuinen. Overal zien we tuinmeubels staan maar die hebben hier geen zwaar leven. Zelden tot nooit zit er een Fransman op.

Ik begrijp dat goed. Buiten zitten maakt loom en leidt tot ongeconcentreerdheid. Jarenlang hield ik kantoor in café’s en restaurants. Als het mooi weer was wilden mijn gesprekspartners altijd buiten op het terras zitten. ‘Het is zo’n lekker weer, laten we ervan genieten.’ Ik stak daar altijd een stokje voor. Op een terras kom je niet tot grote prestaties. Terrassen zijn er om te keuvelen, te ouwehoeren en te soezen. Zaken doe je aan een tafel, goede ideeën ontstaan meer in beslotenheid en donkerte dan in het licht van de zon.

De Fransen hebben sowieso de neiging zich op te sluiten. Ik kan daar een goed oordeel over vellen. Komt allemaal door Dies. Wanneer ik hem ook uitlaat, vroeg of laat in de avond, de Fransman heeft zijn luiken gesloten. Als je in Nederland de hond uitlaat, wandel je langs kijkdozen. Iedereen de gordijnen open en licht aan. Daarom is het zo fijn om in Nederland ’s avonds de hond uit te laten. Zonder dat je het wilt ben je een voyeur.

In Frankrijk lukt je dat niet. Achter de gesloten luiken, geen sprankje licht komt er doorheen, hoor je soms wat stemmen. Hier en daar is iemand nog wakker, verder heb ik het vermoeden dat iedereen hier om negen uur op bed ligt. Half tien is laat voor de Fransman. Wat dat betreft is het een super saai land. Er is niemand meer op straat, er zit niemand meer gezellig te doen in huis, de tuinen zijn zoals altijd verlaten, ik hoop dat alleen in de slaapkamers nog enig leven is.

Ik heb sterk het vermoeden dat Fransen ontzettend blij zijn met hun lockdown. Vinden ze volgens mij heerlijk. Niks hoeven, lekker lui zijn, even in een cocon, niks zonlicht, luiken dicht en gewoon slapen.

Journal

 

Covid-19: ‘Jullie muteren te langzaam’

Dinsdag 19 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Breaking! Dossiermoddergat is de verrassende eer te beurt gevallen om het virus Covid-19 te mogen interviewen. Ik word hiervoor opgehaald door een geblindeerde auto. Voor het instappen krijg ik ook nog een blinddoek om. Na een half uur rijden mag ik de blinddoek afdoen in een schaars verlichte kamer. Covid-19 zit in een hoek van wat op een dure hotelkamer lijkt.

Waarom heeft u juist Dossiermoddergat uitgekozen voor dit interview?
Ik lees Dossiermoddergat elke dag, het valt me altijd op hoe eerlijk je bent. Een steuntje in je rug kun je volgens mij wel gebruiken.

Erg aardig van u. Vooral omdat wij u eigenlijk helemaal niet als een aardig iemand kennen.
Oh nee? Ik doe mijn werk en gelukkig ben ik als startup succesvol. Ik doe waar ik voor in het leven ben geroepen: mij vermenigvuldigen.

U zorgt voor veel zieken, doden en andere malaise.
Voor jullie vervelend. Ik noem dat succes. Hoe meer zieken en doden hoe beter het met mij gaat. De natuur, meneer. En nou moet de mensheid daar niet over klagen, kijk hoe jullie je vermenigvuldigen en wat voor zieken, doden en andere malaise dat bij andere soorten teweeg brengt. Eigenlijk zijn jullie en ik uit hetzelfde hout gesneden.

Ze zeggen dat u in een laboratorium bent geconstrueerd en vervolgens uit dat laboratorium bent ontsnapt.
Wie zeggen dat?

Nou, Trump bijvoorbeeld?
O, als die iets zegt weet je zeker dat het niet klopt.
Ik vind de suggestie ook een belediging. Wij virussen zijn specialisten in het zelf muteren. Neem mij, Covid-19, zet een vleermuis en een gordeldier bij elkaar en je hebt mij.

Vreest u een nieuw vaccin?
Een vaccin noemen wij virussen een tijdelijke barrière. Even puzzelen en we gaan om het vaccin heen. Ik verzeker u: wij vinden altijd weer een uitweg.

Waarom heeft u het zo op oudere, zwakke mensen gemunt?
Bent u ons daar niet dankbaar voor? Wat zijn jullie natuurlijke vijanden? Heeft u allemaal de das omgedaan. Dus moeten wij het doen. Iemand moet de boel een beetje opschonen. Graag gedaan, hoor. Maar dankbaarheid kennen jullie niet. Weet je wat het probleem met jullie is? Jullie muteren te langzaam.

Hoe ziet u de toekomst?
Zoveel mogelijk mensen infecteren natuurlijk. Ik heb er zin in, het gaat zo lekker. Jullie moeten maar heel veel carnaval vieren. Al die lockdowns zijn wel lastig voor mij. Die houden mijn business een beetje op.
Ik ga nu een einde aan het interview maken. Je begrijpt dat ik meer te doen heb.

Journal

 

Aangezicht

Maandag 18 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik wil het hebben over ons aangezicht, of gewoon over ons gezicht. Opeens raakte ik in de knoop over de woorden aangezicht en gezicht. Is er een verschil in betekenis tussen het woord aangezicht en het woord gezicht? Moet wel, want anders zouden er niet twee verschillende woorden zijn. Het woord aangezicht kwam het eerst op toen ik aan dit blogje begon. In tweede instantie drong het woord gezicht zich op. Voor het eerst in jaren haal ik de Dikke van Dale uit de kast. Ik had hem zo lang niet meer gepakt dat ik me afvroeg of ik hem mee naar Frankrijk had genomen.

Van Dale levert mij niet de oplossing. Bij aangezicht staat gezicht en andersom, geen woord over het verschil. Zelf denk ik dat aangezicht toch de beste titel is voor dit blogje (ik lijk Mark Rutte wel, altijd die verkleinwoorden). Gezicht is een veel ruimer begrip, denk ik. Aangezicht heeft te maken met zien van ons gezicht, hoe wij er tegenaan kijken. Daarom past het beter bij de volgende tekst.

Ik wilde het hebben over ons aangezicht omdat wij zaterdag over de markt in Uzès liepen. Zeker 70 à 80 procent van de mensen liep daar met een mondmasker waardoor je meteen zag dat er in onze samenleving iets ernstigs aan de hand is. De mensen worden er totaal anders door, met het virus verandert ons aangezicht. We zijn opeens bezig met een saaie maskerade, een saai soort carnaval. Met zo’n masker bescherm je je niet alleen, je verstopt je ook. Met zo’n kapje valt er niets meer van een gezicht af te lezen. Nog niet zo lang geleden maakten we wetten om gezichtsbedekking in de openbare ruimte te verbieden, nu wordt het verplicht. Het kan verkeren.

Ik ben benieuwd of het beeld van een markt vol mensen met mondkapjes ook in Nederland te zien zal zijn. Ik denk het niet. Mark Rutte en de RIVM hebben het eventuele enthousiasme voor het mondkapje aardig de kop ingedrukt door voortdurend te benadrukken dat het schijnveiligheid is. In het openbaar vervoer, waar mondkapjes zowaar verplicht worden, mogen we zelfs geen mondkapjes gebruiken die ons met zekerheid beschermen. We mogen daar alleen inferieure mondkapjes dragen. Dat dan weer wel.

Ik geloof eerlijk gezegd wel in het nut van het mondkapje. Al was het alleen maar om het psychologische effect. Als je over zo’n markt loopt, word je je heel erg bewust van het feit dat de mensheid een probleem heeft. Door het zien van die mondkapjes word je vanzelf voorzichtiger. Volgens het RIVM helpen de mondkapje slechts voor 10%, dus zouden ze nauwelijks nut hebben. Nou heb ik een salarisverhoging van 10% toch altijd substantieel gevonden.

In Frankrijk geen enkele terughoudendheid ten opzichten van het mondkapje. Ze worden zelfs door gemeentes op grote schaal uitgedeeld. Toch opmerkelijk dat hier nauwelijks een gebrek aan mondkapjes is, zoals het toch ook opmerkelijk is dat je niemand hier over de 1,5 meter afstand hoort. Politiek en wetenschappers hameren hier op 1 meter afstand. Hebben wij zomaar 50 centimeter winst en merk je dat 50 centimeter best veel is in tijden van corona. Als strenge en brave Nederlanders houden wij toch die 1,5 meter aan want 1 meter afstand van elkaar voelt wel heel erg als het oude normaal, en dat was toch gevaarlijk.

Journal

 

Pont du Gard

Zondag 17 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

We hebben vrijheid van bewegen in een straal van honderd kilometer en daar maken Wyb en ik volop gebruik van. Maar binnen die straal zijn wij de enigen. Hierdoor begeven we ons in een surrealistische wereld. We hangen zo’n beetje de toerist uit, we bezochten eergisteren Nant en vandaag Lussan, een van de mooist geconserveerde middeleeuwse plaatsjes van Frankrijk. Rien Poortvliet zou zijn vingers er bij af hebben gelikt.

Het wonderlijke is, waar we ook heen gaan, we zijn de enigen. Het lijkt zelfs of wij de enigen zijn die in het plaatsje aanwezig zijn. Geen mens laat zich buiten zien, laat staan een toerist. De horeca is nog steeds gesloten waardoor we nergens iets kunnen drinken of eten. Frankrijk is nog een gesloten wereld en wij lopen er als een soort zombies doorheen, het lijkt of wij de enige overlevenden zijn van een verschrikkelijke ramp.

Voordat we naar Lussan gingen, wilden we eerst naar Pont du Gard, een van de belangrijkste historische monumenten van Zuid-Frankrijk. Over de rivier de Gard hebben de Romeinen een brug gebouwd van twee verdiepingen en de brug is eigenlijk nog volledig intact. Per jaar reizen duizenden mensen naar de Gard om dit kunstwerk te zien, waaronder veel van onze gasten.
Wij zelf hebben de brug nog nooit gezien. We hadden er simpel weg geen tijd voor. Gelukkig hebben we nu zeeën van tijd die gevuld kunnen worden. Eindelijk kunnen wij ook de Pont du Gard gaan zien.

Als we aan komen rijden is het duidelijk dat we bij een toeristische attractie aankomen. Grote borden verwijzen naar enorme parkeerplaatsen. Veeg teken: de parkeerplaatsen zijn leeg. We rijden door tot aan de poort en dan lezen we dat de Pont du Gard verboden gebied is. Oorzaak: corona. Kunnen we de brug zien, mogen we de brug niet zien.
Ik ben altijd wel genegen om mij bij dit soort acts of god neer te leggen. Wyb minder. Ze bestudeert de kaart en komt tot de conclusie dat je er volgens haar ook heen kunt wandelen. Een eindje terug loopt een wandelpad. We rijden onze auto naar een plek waar een andere auto staat. Inderdaad is er op de boom een teken van een wandelpad. Maar of dat naar de Pont du Gard leidt?

Even later lopen we door olijfboomgaarden. Een genot vind ik altijd omdat het licht van de olijfbomen zo mooi is. Er hangt zo’n serene sfeer, de sfeer van een eeuwenoud landschap. Restanten van oude muren maken het beeld compleet. ‘Zo stelde ik mij altijd het paradijs voor,’ zegt Wyb.
Na twee kilometer lopen staan we voor de Pont du Gard. Waar normaal honderden mensen door elkaar heen krioelen, hebben wij nu helemaal voor ons alleen. De rivier de Gard stroomt majestueus onder de brug door. De brug is zo groot en hoog, een bouwwerk dat triomfeert over de tijd.

Wij zoeken een picknickplaats op de tamelijk steile oever van de rivier met uitzicht op de brug. Aan de overkant ligt een verliefd paar in zwemkleding half naakt te genieten van de zon. Zij en wij, verder niemand. Dies doet wat hij altijd doet, stokken uit de rivier halen. We weten inmiddels dat wij de enige toeristen in Frankrijk zijn. Frankrijk voor ons alleen, daarom nemen we zelf eten en drinken mee om ons in leven te houden. Ondertussen bewonderen we de brug en nemen onze pet af voor de Romeinen.

Journal

 

Terras

Zaterdag  16 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Terras in coronatijd

Journal

 

Nant

Vrijdag 15 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Het is een dag vol weersverschillen. We zien 22 graden op de thermometer van de auto staan en 11 graden. We zitten in de zon te picknicken en rijden over mistige, koude bergtoppen.

Rampen komen over ons. Een staatssecretaris van toerisme heeft gezinspeeld op de mogelijkheid dat er deze zomer geen buitenlandse toeristen naar Frankrijk zullen komen. Gezinspeeld, nog geen besluit, toch krijgen we door zijn uitspraak weer annuleringen binnen. De Fransen zullen de toeristenindustrie dit jaar moeten redden zegt de staatssecretaris. Nou, dan moeten die Fransen dit jaar wel heel veel op vakantie. Wij blijven stille hoop houden dat vanaf half juni of begin juli de grenzen opengaan. De Franse regering neemt over twee weken een definitieve beslissing.

We zouden in een hoekje kunnen gaan zitten janken. Zonder dat naar elkaar uit te spreken hebben we besloten dat niet te doen. We beschouwen deze verplicht werkloze maanden gewoon als een vakantie, weliswaar de duurste die we ooit hebben gehad maar we gaan er gewoon van genieten. De eerste vijf weken hebben we in opsluiting moeten doorbrengen. Nu mogen we er weer op uit en we hebben besloten daar volop gebruik van te maken.

We zijn nog nooit in het zuid-westen van de Cevennen geweest. Daarom pakken we onze picknickmand in en gaan op weg. In de Cevennen is het nooit druk, maar nu is het uitgestorven. Er is niemand op de weg. In de dorpen loopt niemand op straat. De Fransen zijn duidelijk nog niet uit de gewoonte van het strenge confinement geschoten. Via kronkelende wegen en adembenemende vergezichten zoeken we onze weg.

Op een gegeven moment zie ik op een richtingaanwijzer de naam Nant erop.
‘Hé, zijn we daar niet eens op vakantie geweest?’ vraag ik me hardop af. ‘Nant, zegt me helemaal niets,’ zegt Wyb. ‘Ik vind dit trouwens wel een saai stuk van de Cevennen. Het lijkt de Ardennen wel, veel te veel naaldbomen, te lage heuvels.’

‘Stop eens,’ zegt Wyb als we door het zoveelste verlaten dorpje rijden. Dit dorpje draagt de prachtige naam Saint-Jean-du-Bruel. ‘Hier ben ik ooit eens naar de bakker geweest. Kijk, die bakker. We zijn hier inderdaad eerder geweest.’
Als we een parkeerterreintje oprijden herken ik de middeleeuwse overkapping waaronder wij ooit eens koffie dronken op een overvol terras.
‘Dan hebben we hier toch ergens eerder gekampeerd.’
Nant is nog maar zeven kilometer en we besluiten er heen te rijden om te kijken of we er inderdaad eerder zijn geweest.

Als we vier kilometer hebben gereden zie ik de camping waar wij dertien, veertien jaar geleden met ons tentje hebben gestaan. Met verbazing zetten we de auto aan de kant. We kennen het zuid-westen van de Cevennen dus wel. Over deze weg hebben zeker eerder gereden.
Nant doet het verleden herleven. We wijzen de terrassen aan waar we op hebben gezeten. Het restaurantje waar we met een oud-studiegenootje van Wyb hebben zitten eten. We kwamen haar bij toeval tegen. We herkennen het weggetje dat terug naar de camping leidde.

We besluiten bij de hoge 14e eeuwse brug aan het water te gaan picknicken. Als we over de brug lopen proberen we Dies duidelijk te maken dat zijn voorganger Dickens ook over deze brug heeft gelopen, dat het voor ons een plechtig moment is, dat we even terug zijn in het verleden. Dies is niet onder de indruk. Hij hoort het water en dat betekent zwemmen. Honden hebben geen respect voor het verleden.

Journal

 

Lola

Woensdag 13 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Voodoo Trump pop compleet met spijkers

Lola Lola, mijn kleine Lola
waarom kom je me geen nieuwtjes brengen? Waarom kom je niet de woorden plukken die ik voor je bewaar? Het zou eenvoudig zijn om een klein gebaar te maken, waar ik zo op hoop. Mijn brievenbus staat nog altijd op de zelfde plaats. kusjes

Een bewust individu, wakker en alert, is gevaarlijker voor de regering dan 10.000 slaperige en berooide mensen.
Gandhi

Het dorp waar wij wonen, Saint-Hippolyte-du-Fort, is niet het meest romantische dorp in deze streek. Het heeft een streekfunctie en is een echt werkdorp met veel voorzieningen. Het is een dorp zoals je je een Frans dorp voorstelt. Verder is het het dorp met de mooiste plaatsnaam waar ik ooit heb gewoond. Saint-Hippolyte-du-Fort, het is dansen over woorden.

Om ons dorp heen liggen dorpen die decor van een film lijken. Het zijn dorpen waar veel hippies en kunstenaars wonen en dan heb ik het over dorpen als Lasalle en Sauve. Er hangt nog de sfeer van jaren ’60. Verder in de Cevennen is het eigenlijk niet anders. Veel mensen uit die jaren hebben zich uit de ratrace van de consumptiemaatschappij teruggetrokken en zijn er biodynamisch gaan boeren of werken in alle rust aan hun kunst. Er zijn hier nogal wat mensen die een dikke middelvinger hebben opgestoken en in alle rust zijn gaan leven.

Vanmiddag, tussen twee regenbuien door, waren we in Sauve. Een wandeling door ons lievelingsdorp lijkt soms een museale wandeling. Aan gevels hangen installaties en teksten. Omdat de horeca nog dicht is, is het dorp een deel van zijn karakter kwijt. Sowieso is het een vreemde gewaarwording om nergens, maar dan ook echt nergens in Frankrijk een toerist tegen te komen. Ik ben de enige die hier met een fototoestel rondloopt. Ik heb nog nooit zo vaak het woordje bizar in teksten gelezen als in deze tijd. Terecht natuurlijk. Het zijn bizarre tijden.

Journal

 

Zwart zaad

Dinsdag 12 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Er was een tijd, best een lange tijd, dat er onbeschoft veel geld bij ons binnenkwam. Zowel Wyb als ik verdienden helemaal niet slecht. Daarnaast waren er allerlei nevenactiviteiten zoals het schrijven van kinderboeken en de bezoeken aan scholen en bibliotheken die ook bijdroegen aan het gevoel rijk te zijn.

Nou ja, rijk. We verdienden veel. Politici en economen benadrukken graag dat Nederland een genivelleerd land is vergeleken met andere landen, dat er nauwelijks inkomensverschillen zijn. Even een waarschuwing. Als ze dat zeggen hebben ze het over inkomens. Want vermogens schijnen in de economie niet mee te tellen als het om nivellering gaat. En als we het over vermogens hebben is Nederland liederlijk gedenivelleerd. Maar goed, hier wilde ik het eigenlijk niet over hebben.

Bij ons kwam zoveel binnen dat we nauwelijks thuis aten. Er waren jaren dat we een modaal maandinkomen uitgaven aan de horeca. Een restaurant in het Spijkerkwartier werd onze huiskamer. Het is zo heerlijk om hard te werken en dan niet te hoeven koken. Het is belachelijk decadent, maar gelukkig heb ik die luxe mogen proeven. Het kon in die gouden jaren niet op.

Het kan wel op. Dat ervaren Wyb en ik nu. We hebben al tweeënhalve maand geen gasten gehad. Het virus nekt ons. Niet wat gezondheid betreft, wel financieel, want geen gasten betekent geen inkomsten. Onze maandelijkse verdiensten waar ik hiervoor over snoefde zijn inmiddels opgedroogd tot nul, nada, niets. Uit eten? We durven er niet eens aan te denken. Afgelopen zaterdag hebben we voor het eerst twee pizza’s gehaald en dat vonden we ongekend luxe.

We zijn niet de enige in de wereld bij wie geen geld meer binnenkomt terwijl de vast lasten doorlopen. Al maakt dat het persoonlijk gegeven niet minder erg. Zwart zaad is zwart zaad. Maar goed, vandaag kregen we eindelijk de tegemoetkoming op onze bankrekening gestort die de Franse regering ons had beloofd.

Wij hebben als ondernemersvorm hier de macro-entreprise. Honderdduizenden Fransen hebben ook een macro-entreprise, misschien wel miljoenen, het is de meest simpele ondernemingsvorm met minimale belastingdruk dus daar lust de Fransman wel pap van, wij ook. In ieder geval krijgen al die honderdduizenden een tegemoetkoming van de Franse overheid om in ieder geval brood te kunnen kopen. Het is vijftienhonderd euro in de maand. Bij lange na niet genoeg om zelfs onze vaste lasten te dekken, maar we zijn nog nooit zo blij geweest dat er weer eens geld op onze rekening werd gestort. Met dank aan Macron.

Journal

 

Normaal

Maandag 11 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Eindelijk weer eens boodschappen doen in een ander dorp

Je hebt datgene wat al mijn hele leven normaal was. Je hebt een confinement, in goed Nederlands een lockdown. En je hebt het nieuwe normaal, een samenleving na de coronacrisis, een samenleving die uit de lockdown is. Hoe dat nieuwe normaal er precies uit gaat zien weten we nog niet. We houden in ieder geval afstand van elkaar. In Nederland is dat 1,5 meter, in Frankrijk 1 meter. Verder heb ik een somber beeld van dat nieuwe normaal. Het wordt er niet gezelliger op. Het zou wel eens een tijd van armoe en werkloosheid kunnen worden, een tijd van een ingezakte samenleving. Ik verheug me helemaal niet op dat nieuwe normaal.

Het valt me wel op hoe normaal iets kan worden wat in feite abnormaal is. Vandaag is een historische dag in Frankrijk. De afgelopen maanden had ik het gevoel dat ik in Frankrijk in een totalitaire staat leefde. De overheid had streng omschreven wat wel of niet mocht. Voortdurend waren er controles. Er mocht veel meer niet dan wel. Vandaag werd dat totalitaire systeem enigszins opgeheven. Voor het eerst mogen Wyb en ik samen in de auto buiten de gemeentegrens rijden binnen een straal van honderd kilometer.

We rijden vandaag voor het eerst naar Ganges, een plaatsje ongeveer 12 kilometer van Saint-Hippolyte. Toen alles nog echt normaal was, deden we dat zeker een keer in de week. Er is namelijk een veel grotere supermarkt dan in ons dorp. Vandaag voelt het heel speciaal om op de weg daarheen te rijden. Het voelt zelfs een beetje illegaal, het gevoel dat ik iets verkeerd doet blijft onbewust zeuren. Misschien wel het bewijs dat ik best een brave man ben. Het simpele ritje geeft een enorm gevoel van vrijheid. We kunnen weer afstanden afleggen, door een groot deel van Zuid-Frankrijk zwerven.

Wyb en ik hadden deze dag graag willen vieren met een grote wandeling door de bergen. Helaas regent het vrijwel de hele dag. Slecht planning van de weergoden. Al wekenlang loop ik hier in een korte broek zomer te vieren. Het is een paar dagen slecht geweest, maar toen zaten wij in een zonnig Nederland. We zijn die weergoden steeds te slim afgeweest, maar vandaag hebben ze ons stevig te pakken. Ze veroordelen ons in feite tot nog een dag lockdown.

In de middag is het even droog. Dies springt achter in de auto en we rijden voor de tweede keer vandaag het dorp uit. We parkeren op Col de Base en maken een wandeling door de ruige heuvels. Pas op de laatste honderd meters zegt de regen dat we naar huis moeten. We hebben in ieder geval geproefd aan de vrijheid om te bewegen. Nu het mooie weer nog terug. Dan is het alweer een stuk normaler.