Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Senf

Zaterdag 19 januari, Lhee

Afgelopen week is Jacques Senf overleden. Voor mensen in de theaterwereld een begrip, voor mensen daar buiten veel minder. Ik heb een klein marktonderzoekje gehouden. Als je het woord theater zegt en vervolgens aan iemand vraagt welke naam dan het eerst in je opkomt, zegt 60% Joop van den Ende. De andere 40% noemt acteurs, regisseurs en gezelschappen. Eigenlijk is dat niet terecht. Jacques Senf heeft die 60% veel meer verdiend.
Decennia lang vormde Jacques Senf, impresario, producent, medefinancier en verkoper van theater, de ruggengraat voor de Nederlandse theaters. Met zijn producties was hij voor verreweg de meeste theaters de belangrijkste verschaffer van content. Zonder hem was de programmering bij veel theaters een stuk armoediger geweest. Er waren theaters bij die nauwelijks programmering over hadden gehouden.

Jacques Senf noemde zichzelf een marktkoopman en dat getuigde van veel zelfkennis. Jacques was een keiharde werker die overal was, veel zag en overal een scherpe mening over had. Zijn mening deed er toe, want als hij een artiest omarmde dan wist je dat Jacques zich er 150% voor inzette. En hij was niet te beroerd om ’s avonds van Maasland naar Groningen en terug te rijden om bij een try-out aanwezig te zijn en een artiest of productie nog even van wat nuttige adviezen te voorzien. Ondanks deze inzet, de onbeteugelde passie, was zijn belangrijkste doel, een goede marktkoopman indachtig: zoveel mogelijk verkopen.
De theaters waren er maar wat blij mee want Jacques was niet alleen een fanatiek en overtuigend verkoper, de producties waar hij voor stond hadden, ook al zaten ze in allerlei genres en smaakvariaties, sommige voorstellingen waren echt vreselijk, kwaliteit. Zo bracht hij de Chippendales naar Nederland, afschuwelijk, maar het waren wel de echte Chippendales. Later kwam nog een stoet van epigonen van hen voorbij. Senf verkocht zelden bocht. Katten in zakken hoefde je bij Jacques niet echt bang voor te zijn. Hij onderscheidde zich daarin van veel andere impresario’s.

Jacques was geen conventioneel marktkoopman. Je hoefde niet naar de markt, de koopman kwam naar jou toe. Een bezoek van Jacques Senf was altijd een belevenis, een langdurige belevenis. Als hij zei dat hij ’s middags langskwam, blokkeerde ik de hele middag en de avond. Zelden dat hij op tijd kwam, maar dat hinderde niet want de verloren tijd werd ruimschoots gecompenseerd. Als Jacques zich installeerde dan werden eerst de collega’s doorgenomen, vervolgens het theaterlandschap, gevolgd door wat anekdotes uit het verleden. Daarna werd het tijd om het aanbod door te nemen en de producties die je voorkeur hadden met potlood in de programmering te zetten. Want Jacques kwam nooit één keer in het seizoen langs. Eerst was er een bezoek voor het potlood, daarna om de programmering definitief te maken, in het voorjaar kwam hij nog een keer voor de prijsafspraken.
Als we de producties in potlood in de programmering hadden gezet, was het niet klaar. Deze fase van de afspraak was altijd een beetje heikel. Jacques kwam namelijk nooit alleen. Hij werd altijd vergezeld door een chauffeur, altijd een jonge jongen die er nooit beroerd uit zag en voor hetzelfde geld fotomodel had kunnen zijn. De chauffeur was ook nooit alleen chauffeur, hij was vaak ook een soort secretaris. Hij hield de boekingen bij en moest de parkeermeter bijvullen, wat vaak vergeten werd waardoor hij zelden zonder bekeuring bij me vandaan ging.
De chauffeur diende ook als bliksemafleider. Jacques leed aan suiker en was, een eufemisme, opvliegend van aard. Fout. Zeer opvliegend van aard. Jacques was een soort tijdbom, grote kans dat er bij een bezoek van Jacques een ontploffing plaatsvond. Iemand zei iets fout, schreef iets fout op, was het niet helemaal met hem eens en vervolgens werd hij boos. Fout. Heel boos. Vaak was de chauffeur de pispaal. Maar ook menig theaterdirecteur is uitgescholden voor een blik doperwten of werd er de oorzaak van genoemd dat de theaterwereld naar de knoppen ging.
Als dit ritueel was afgerond hield Jacques vaak nog een paar dingen tegen het licht. Wie moest hij nou voor die en die rol nemen? Wat vond ik van dit en dat idee? Welke kant moest het nou op met Impresariaat Jacques Senf? Onderwijl aten we taartjes want ondanks zijn suiker kon hij het snoepen niet laten. Natuurlijk mocht Barrie, zijn vrouw, daar niets van weten.

Jacques Senf was ook een wijs man. Jacques wist wat goed en slecht was en stak dat niet onder stoelen of banken. Net zoals Confucius kunnen we een aantal wijsheden aan hem toeschrijven. Ik heb er ooit een boekje van willen maken, een soort bijbeltje van Senf, maar als zoveel ideeën is ook daar niets van gekomen. Een paar uitspraken heb ik wel onthouden. Zoals: ‘Het eerste kaartje verkopen kunnen we allemaal, maar het laatste kaartje, daar gaat het om.’ Andere uitspraak: ‘Doelpunten na de wedstrijd tellen niet.’ Denk daar maar eens over na, een grote wijsheid.
Maar de allergrootste wijsheid is de volgende: ‘De eerste fout is de grootste fout.’ Aan deze uitspraak van Jacques heb ik zoveel gehad. Ik hoorde hem midden jaren tachtig en tot nu toe gebruik ik hem jaarlijks een paar keer.
Een uitspraak die ik ook niet gek vond, lag direct tegen zijn marktkoopmanschap aan. ‘Ik kan het vergeven dat iemand per ongeluk een dure Chinese vaas kapot stoot, maar een ongebruikte paperclip weggooien is onvergeeflijk.’

Begin jaren negentig vroeg Jacques of ik met hem meeging naar Zürich. Daar trad een jonge, Nederlandse bandoneonspeler op tijdens een festival, ene Carel Kraayenhof. Carel had advies van hem nodig. Jacques wilde ook kijken of hij iets voor zijn stal was. Samen vlogen we erheen. Even snel naar ons hotel, spullen wegleggen, daarna meteen door naar het theater.
Het concert begon en tot mijn ontsteltenis begon Jacques na vijf minuten naast mij te knikkebollen. Niet verwonderlijk want ik wist van zijn hectisch leven. Pas bij het slotapplaus werd hij wakker waardoor hij nog wel de toegift kon beluisteren. Ik ontdekte toen dat Jacques inderdaad een bijzonder talent had. Ondanks zijn geruime afwezigheid gaf hij een tamelijk perfecte analyse van het concert en het talent van Carel.

Wie trouwens dacht dat Jacques na het boeken, het vertellen van de anekdotes en het doornemen van het theaterlandschap naar huis ging, heeft het mis. Hij ging er vaak vanuit dat we daarna nog even wat gingen drinken, bij voorkeur in een onvervalst volkse kroeg. Zo gebeurde het een keer dat Jacques in zo’n kroeg terugkwam van een toilet-stop en ons met duidelijk plezier liet weten dat hem op de wc een pistool was aangeboden. Dit voorval werd de jaren daarna ons meest gememoreerde feit. We gingen nog wel eens naar die kroeg terug maar een pistool werd hem nooit meer aangeboden.

Laten we eerlijk zijn, Jacques Senf was ook omstreden. Hij domineerde het theateraanbod, was een machtig man. Het verhaal ging dat hij nauwkeurig bijhield met wie hij nog een appeltje had te schillen. En dat appeltje bestond uit het je onthouden van een paar prachtige voorstellingen. Kan een broodje aap verhaal zijn geweest, ik heb er nooit iets van gemerkt.
Je had directeuren die met hem dweepten en mensen die hem wantrouwden, die vonden dat hij te veel macht had en hem een drammer vonden. Ik behoorde tot de middenpartij. Ik hou eigenlijk niet zo van mensen die een beetje een ongelijkmatig karakter hebben. En als iemand niet gelijkmatig was, dan was het Jacques Senf. Zo was hij aardig, zo was hij boos. Ik vond dat niet echt aangenaam. De chauffeurs die hij meenam heb ik niet benijd.
Aan de andere kant was Jacques een van de meest attente mensen die ik heb gekend. Oud-directeuren vergat hij nooit, ik begreep dat hij zo’n beetje de hoofdsponsor was van hun jaarlijkse reünie. Zelfs als een directeur overleed, hield hij vaak nog contact met de weduwe. Voor mij was Jacques een man met grote tegenstellingen. Hard, maar ook zacht en empathisch. Buitengewoon aardig, maar eveneens opvliegend en boos. Zakelijk, maar loyaal. Zo wilde hij een paar van mijn kinderboeken hebben. Vond ik natuurlijk wel leuk. Later vertelde hij me dat hij ze niet had gelezen, volgens eigen zeggen hield hij niet van lezen, maar hij had ze wel in een nisje op de wc bij hem thuis gezet. Vond ik best een mooi idee.

Ik heb ook gezien hoe Jacques langzaam uit de tijd groeide. Ik heb een paar keer meegemaakt dat hij naar jonge makers kwam kijken. Het waren prachtige voorstellingen, hartstikke goed. In de gesprekken na hun voorstellingen merkte ik dat zijn kompas voor kwaliteit minder werd. Ik hoorde zijn opvattingen die ik steeds ouderwetser vond. Zijn wijsheden werden niet meer beïnvloed door nieuwe ontwikkelingen. Dat was jammer en ik begreep al te goed dat hij het bedrijf op een gegeven moment overdeed aan zijn jonge opvolgers, bijna zonen die in zijn bedrijf waren opgegroeid.
Iedereen heeft zijn levenscyclus. Men start, men is succesvol (of niet), men groeit uit zijn tijd. Dat neemt niet weg dat Jacques Senf heel lang zeer succesvol is geweest, dat hij pregnant decennia lang het profiel van veel theaters bepaalde. Pet af voor iemand die altijd zichzelf is gebleven: een marktkoopman met het hart op de goede plaats, ondanks zichzelf.

Gevonden

Zaterdag 19 januari, Rotterdam/Lhee

Afsluitdijk

Donderdag 17 januari, Lhee

Wyb en ik rijden over de Afsluitdijk. Er was een tijd dat we zeker wekelijks over de Afsluitdijk reden. Van Leeuwarden naar Amsterdam en terug. Door al die verhuizingen is mijn leven afgebakend in periodes. Als je van Leeuwarden naar Arnhem verhuist is dat een scherpe afbakening, de periodes onderscheiden zich hard. Dat is anders dan dat je in een stad van de ene naar de andere woning verhuist. Na Leeuwarden reed ik nooit meer over de Afsluitdijk. De Afsluitdijk is voor mij direct verbonden met Periode Leeuwarden. En nu we er overheen rijden, overvalt me een weemoedig gevoel.

Ik kan zo genieten van de Afsluitdijk. De lucht, de uitgestrekte watervlakte, de harde lijnen van de dijk, ze vormen altijd visueel spektakel. Het is een onverbiddelijk landschap. Er waren artiesten die ’s nachts niet over de Afsluitdijk terug durfde. De leegte vonden ze te overweldigend. Vandaag baadt de dijk in zonlicht en neemt daardoor een uitzonderingspositie in in Nederland. Achter ons een druilerig Drenthe en Friesland, voor ons een nat en winderig Noord-Holland.

We rijden naar een nieuwe periode. Opnieuw een harde afbakening. We rijden naar Hoorn voor een middag les van onze voorgangers en stichters van Les Trois Comtes. Ze wijden ons in in de geheimen van het huis en de exploitatie van een chambres d’hôtes. Mochten we al te romantische ideeën daarover hebben gehad, wat denk ik niet waar is, dan worden die deze middag de grond in gebombardeerd. Ons wordt duidelijk gemaakt dat het een vak is waarin hard moet worden gewerkt. Dat neemt niet weg dat het gesprek ons nog enthousiaster maakt om in Saint-Hippolyte-du-Fort te beginnen.

Op de terugweg is de Afsluitdijk volledig van karakter veranderd. Het is er stormachtig en halverwege rijden we zelfs in de eerste sneeuwbui van deze winter. In Hippolyte heeft vandaag volop de zon geschenen, heb ik op mijn weerapp gezien.
Ondertussen rammelen we van de honger, aandachtig luisteren maakt moe en hongerig. Zo beland ik in Joure voor het eerst in..? Tien jaar? Bij een MacDonalds. Het eten is er nog steeds zo beroerd als tien jaar geleden. Onbegrijpelijk dat er zoveel mensen met kinderen zitten te eten. Maar goed, de leegte in onze magen is gevuld.

In Ruinen bevrijden we Dies uit de hondenopvang. Met een code openen we zijn hok. Zou mooi zijn als ze in Frankrijk ook zoiets hadden.

Gevonden

Donderdag 17 januari, Rotterdam/Lhee

Kiekendief

Woensdag 16 januari, Lhee

Ik ben een rivier in de winter, treedt
altijd buiten mijn uiterwaarden,
een leven lang watersnood.

In mijn land geen waterbeheersing,
altijd braken dijken, verdronken
koeien, paarden op eilanden.

Altijd het water tot de lippen,
roep om hulp, reddingsboeien,
noodvoedsel, alarmpijlen.

Nu perk ik het in. Noodzaak van
dijken, waterwegen, gemalen,
uitzicht op rustig vaarwater.

Eindelijk een zeilboot hebben,
mij verschuilen in de rietkragen,
het rustig klotsen van golfjes,
het overzeilen van de kiekendief.

Gevonden

Woensdag 16 januari, Moddergat/Lhee

Speelbal

Dinsdag 15 januari, Lhee

Ik heb eens gelezen dat mensen maar op zo’n 10% van de aarde kunnen leven. We kunnen niet in de zee wonen, we kunnen niet op te grote hoogte leven, veel streken zijn gewoon te koud of te onherbergzaam. Blijft er 10% over waar mensen zich kunnen vestigen, op de rest van de aarde is de mens niet gebouwd.
Realiseer je daarbij dat we rondvliegen in een oneindig heelal waar we al helemaal niet kunnen leven en je beseft dat slechts een nietig stukje voor ons beschikbaar is, een klein, onbetekenend stukje leefbare ruimte waar net genoeg lucht is, waar de temperatuur precies goed is. Er zullen in dat oneindige heelal niet zoveel stukjes zijn die dezelfde condities hebben. In ieder geval zijn ze voor ons onbereikbaar.

Ik schrijf het omdat het eigenlijk in schrille tegenstelling staat tot het superioriteitsgevoel van de mens. Op de een of andere manier vinden wij ons toch het middelpunt van de aarde, misschien wel het heelal, speciaal door een god gecreëerd. Zo zijn we in staat om elkaar tientallen keren te vernietigen, wat dan de hoogste staat van techniek is die we hebben bereikt. Nou? En? Als we onszelf opblazen, wie zal ermee zitten? Het antwoord is simpel: niemand.

Goed beschouwd zijn we een speelbal van de natuur. We weten niet eens wat er precies tien kilometer onder onze voeten gebeurt. Zo schuift de magnetische noordpool sinds de 19 eeuw van Noord-Canada naar Siberië. Dat gebeurde tot voor kort langzaam maar gestaag. Sinds 2000 is daar verandering in gekomen, de pool verschuift sindsdien van 15 kilometer per jaar naar 55 kilometer. Voor het vliegverkeer is dit een cruciaal gegeven voor het bepalen van de koers. Elk jaar moet het opnieuw nauwkeurig worden bepaald omdat een vliegtuig anders in Pyongyang landt in plaats van Tokio. Dit alles aldus de Volkskrant.

Als ik zo’n bericht in de krant lees, heb ik er ook wel fantasieën bij. Stel dat het hele binnenste van de aarde aan de kook raakt en op rare manieren gaat draaien, net zo als een bal. Misschien krijgt de aarde opeens een enorme versnelling of draaien of kantelen we. Noord wordt zuid, zuid wordt noord of misschien wel west en wij, nietige wezens, moeten ons vasthouden aan alles wat vastzit omdat we door de snelheid opeens wegvliegen of vallen. De natuur zal ons leren dat wij mensen volstrekt ten onrechte een nogal hoge dunk van onszelf hebben. Eén inslag van een stevige meteoriet en we volgen het lot van de dinosaurussen, om nog maar eens iets te noemen. Onbegrijpelijk eigenlijk dat we niet met meer liefde met dat stukje omgaan. Je zou toch zeggen, zo kwetsbaar, zo absoluut nietig, handle with care.

 

 

Gevonden

Dinsdag 15 januari, Lissabon/Lhee

Volksmond

Maandag 14 januari, Lhee

Vandaag had ik een akkefietje. Mooi woord, akkefietje. Je proeft aan het woord dat er een hobbel is, een venijnig dingetje, een oneffenheidje in de communicatie. Aan het begin van dit jaar kreeg ik een brief van de dierenarts. De dierenarts bood een gratis puppycheck aan. Nou is het simpel om een check op Dies los te laten. Aan alles zie je dat hij kerngezond is. De levendigheid en het enthousiasme stralen je van verre tegemoet. Met zo’n hond kan weinig mis zijn. Maar ja, het kan nuttig zijn om de dierenarts even te laten kijken. De eerste keer dat ze Dies zag, vroeg ze zich af hij wel testikels had. Er verschijnt inmiddels iets wat er op lijkt, maar overtuigend is het niet.

Ik belde de dierenartspraktijk dat ik inderdaad graag gebruik van de gratis puppycheck wilde maken. En dan kon hij meteen een spuit tegen hondsdolheid krijgen, dat ontbrak er nog aan, stelde ik voor. We spraken een tijd af.
Dies houdt van avontuur, hij lijkt zijn baas wel, dus met gretigheid stapte hij bij de dierenarts naar binnen. We werden zoals altijd allervriendelijkst ontvangen. De dierenarts constateerde dat zijn ballen eraan kwamen, dat er wat dat betreft niets mis is met hem. Ze bekeek zijn gebit. Prima in orde. Knipte zijn nagels. Een hond die meestal in het bos loopt, slijt zijn nagels niet, constateerden wij. Dies kreeg ondertussen wat hondensnoepjes, die vond het al lang best. En Dies en ik namen afscheid van de dierenarts.

Bij de balie liet de dierenartsassistent mij weten dat ik €63,60 moest betalen: €27.50 voor het consult en €36,10 voor de spuit.
’€27,50 is voor de puppycheck?’
‘Dat klopt.’
‘Maar die was toch gratis. Daar heb ik een uitnodiging voor ontvangen.’
‘Dat klopt, maar de puppycheck wordt door de dierenartsassistent gedaan en u bent bij de dierenarts geweest.’
‘Maar ik had de afspraak gemaakt voor de puppycheck. Ik heb geen idee bij wie ik terecht zou komen. Ik had best bij de dierenartsassistent willen komen.’
‘Maar u wilde ook een spuit tegen hondsdolheid.’
‘Ja, het leek mij slim om dat te combineren.’
‘Maar ja, dat kan de dierenartsassistent niet doen.’
‘Ik heb uw uitnodiging gelezen en daar staat dat onderscheid niet in.’
‘Volgens mij wel.’
De mevrouw achter de balie zoekt de brief op.
‘Er staat duidelijk in dat de puppycheck door de paraveterinarist wordt gedaan.’
‘De wat?’
‘De paraveterinarist.’
Ik heb geen idee wat een paraveterinarist is, ik heb vermoedelijk voetstoots aangenomen dat dit de dierenarts was. Ik heb volledig over dat woord heen heb gelezen. Ik kreeg de uitnodiging en vond het niet meer dan logisch dat Dies en ik dan werden geholpen door de dierenarts.
‘Maar dan had u mij daar toch op moeten attenderen. Ik kwam voor de puppycheck.’
Het is duidelijk dat de assistent geen beslissingsbevoegdheid heeft. De dierenarts wordt erbij gehaald en de discussie herhaalt zich.
‘In de volksmond is algemeen bekend wat een paraveterinarist is,’ hoor ik de dierenarts zeggen.
De volksmond, de volksmond? Als er iemand bij het volk hoort ben ik en ik heb het woord nog nooit gehoord. Dit laatste heb ik alleen gedacht, niet gezegd.
Ik houd voet bij stuk. Ik kwam voor een gratis puppycheck. Ik had een uitnodiging. Dan had men mij erop moeten attenderen dat ik afweek van de uitnodiging.
Uiteindelijk reken ik €36,10 af.

 

Gevonden

Maandag 14 januari, New York/Lhee

Storage box

Zaterdag 12 januari, Lhee

Voor het eerst sinds vijf jaar komen we in onze storage box in Meppel. Vijf jaar lang heeft daar een paar kuub spullen van ons gestaan. Dozen, veel dozen. Twee boekenrekken, een houten en een ijzeren. En een bed, een twijfelaar. Vijf jaar lang hebben we er niet naar omgekeken en, opmerkelijk, niets gemist. Alleen het verzameld werk van Nesio lag er, wist ik, en dat had ik in die vijf jaar wel willen inzien. Voor de rest niets gemist.

We openen de deur van de box en kijken tegen een muur van troep aan. We moeten zorgvuldig graven anders dondert de hele boel naar voren. Tot mijn verrassing bestaat de berg voor een belangrijk deel uit mijn eigen boeken. Ooit kocht ik van een uitgever voor een paar tientjes een restpartij op. Een man kan heel wat boeken krijgen voor een paar tientjes blijkt vandaag. Honderden Bloedbroeders hebben daar al die jaren liggen wachten.

Als we de dozen doorlopen blijkt dat het ontzettend moeilijk is om dingen weg te gooien. Het overgrote deel van de dozen gaat toch weer mee. Ik kom boeken tegen waarvan ik het bestaan vergeten was, sommige maken me blij ze weer te zien, andere gaan van de box in de vuilniszak. Maar de grote opruiming valt toch kleiner uit dan ik had verwacht.
In de berg opslag zitten ook dozen vol herinneringen. Vijf jaar niet gemist, maar als het puntje bij het paaltje komt, gaan ze toch weer mee. Je jeugd gooi je niet zomaar weg.

Met sommige dozen heb ik medelijden. Sommige neem ik nu voor de vierentwintigste keer mee. Twee of drie dozen hebben al heel Nederland gezien: Nijmegen, Groningen, Leeuwarden, Arnhem, Heerlen, Den Bosch, Meppel. En nu neem ik ze ook nog eens meer naar het diepe zuiden van Frankrijk. Je zult maar in de doos herinnering zitten van mij, heb je het best zwaar.

’s Avonds eten we bij Hans en Jolinda. Vorig jaar stond Frank Boeijen in Ogterop. Uiteraard ben ik dan een van de bezoekers. Al veertig jaar maak ik vrijwel elk jaar een concert van hem mee. Na afloop stonden we in de kleedkamer te praten. Op een gegeven moment komt een lange man binnen, een oude bekende van Frank bleek. Frank noemt zijn naam en dan pas zie ik dat het ook een oude bekende van mij is.
In de tijd van De Lindenberg hadden we een tijd intensief met elkaar te maken. Ik noem zijn naam. Ik had hem niet herkend, hij mij niet. Hij blijkt met zijn partner in de buurt van Meppel te wonen. Daarna zien we elkaar nog een paar keer in Ogterop en nodigen ze ons uit om een keer te komen eten. Vandaag was het dan zover en kwam ik voor het eerst in het plaatsje Hasselt. Het blijkt een verrassing te zijn, het had ontworpen kunnen zijn door Anton Pieck.
Het is wel grappig. Ik ontmoette Hans toen ik in het theater ging werken en ik ontmoet hem weer nu ik het theater verlaat. Zo schept het leven zijn eigen mythische verhaal.

Gevonden

Zaterdag 12 januari, New York/Lhee

Polderen

Vrijdag 11 januari, Lhee

Het was vandaag een bijzondere dag. De praatcultuur in dit land werd ontmaskerd. De polder liep even helemaal onder. Het afgelopen jaar hebben ontzettend veel mensen aan zogenaamde klimaattafels eindeloos zitten praten. Praten, praten, praten. Het hield  niet op. De polderjongens en -meisjes moesten met afgeronde ideeën komen hoe de klimaatdoelstellingen gehaald konden worden. Compromis stapelde zich op compromis en er werd nog eens gepraat, en nog eens gepraat.
Bij niet elke tafel leverde dat een gemeenschappelijke resultaat op. Aan de tafel waar de industrie zat, werd het bonje. Niet gek, want als iemand er genadig vanaf kwam dan was het de industrie. Als een van de grootste vervuilers hoeven ze eigenlijk niets te betalen alleen maar te beloven. Zo zie je maar weer dat een goede lobby en mensen op de goede plek hebben altijd helpt. Niet voor niets liepen de milieuorganisaties weg.
Een ander ding dat pijnlijk duidelijk werd is dat, wat in vaktermen ‘de gewone man’ heet voor de energietransitie opdraait. Voorspelling: over tien jaar zal blijken dat de industrie zijn belofte niet is nagekomen, de vliegtuigindustrie helemaal buiten schot is gebleven en die ‘gewone man’ op hoge kosten is gejaagd.

Alles wat ik tot nu toe vertelde is niet bijzonder. Dat is zoals het altijd gaat. Jij en ik worden niet in een geblindeerd busje bij het Torentje afgezet voor een onderonsje met de premier. Wat pijnlijk is dat gisteren bleek dat buiten al dat gepraat hard wordt gewerkt. De burger in dit land steekt ondertussen de handen uit de mouwen en legt velden en daken vol zonnepanelen aan. In de samenleving is een enorme versnelling gaande. Inmiddels leveren al die kleine initiatieven van coöperaties, boeren en huizeneigenaren zes keer zoveel energie als onze enige kerncentrale.
Helaas. Wat blijkt. Dit proces, waardoor werkelijk energietransitie plaatsvindt, moet stoppen. Er wordt zoveel zonne- en windenergie aangeleverd dat het elektriciteitsnet het niet meer kan verwerken, de capaciteit is gewoon te klein. Ik wist niet wat ik hoorde. Al die bestuurders en decision makers die daar aan die tafels zaten te babbelen hadden volgens mij toch echt moeten weten dat de keten net zo sterk is als zijn zwakste schakel. En laat die zwakste schakel nou juist de basis vormen van de hele infrastructuur. Dan heb je als bestuurder en decision maker toch echt zitten slapen.
Ik zou zeggen: hup, weg van die tafels, kopjes koffie in de afwasmachine, jasje van het blauwe pak uit, mouwen oprollen en nou eindelijk eens echt aan het werk. Stel je voor dat we een premier met visie hadden. Wat zou het leven dan makkelijker zijn. Hoefden we niet zoveel te praten en dan had vermoedelijk wel iemand voorzien dat we een elektriciteitsnet hebben dat moet worden aangepast.

 

 

Gevonden

Vrijdag 11 januari, Lhee

Bewegen

Donderdag 10 januari, Lhee

Half maart ga ik voor de vierentwintigste keer in mijn leven verhuizen. Dit wordt bovendien de verhuizing met de langste afstand tussen het oude en het nieuwe huis. Voordat je van Lhee in Saint-Hippolyte-du-Fort bent, moet je dertienhonderd kilometer afleggen. Geen kattenpis.
Het wordt geen grote verhuizing. Eergisteren was Erik hier die ons voor de zoveelste keer gaat verhuizen. Hij bekeek met zijn kennersblik onze bezittingen en concludeerde dat het best in een bestelbusje en een paardenaanhanger paste. Beide zaken bezit Erik.

Als je vierentwintig keer bent verhuisd weet je dat je niet te veel bezittingen moet hebben. Wat heeft een mens ook nodig? Mede door ons huisje in Moddergat weet ik dat een mens weinig nodig heeft. Als ik het inventariseer:
een tafel
een eettafelstoel (als men alleen is), twee eettafelstoelen als men met z’n tweeën is en vier eettafelstoelen als men wel eens bezoek ontvangt
een bank
een luie stoel om in te lezen
een laptop
een televisie (niet echt noodzakelijk, maar een mens mag zich een uitspatting veroorloven)
wat bestek
drie pannen (twee als men wat minder uitgebreider kookt)
een koekenpan
een nagelschaartje
En dat is het eigenlijk wel. De rest is niet echt noodzakelijk.

Ik heb best in grote huizen gewoond. Zo’n huis waarvan je je afvraagt welke bestemming je bepaalde kamers eigenlijk moet geven. Uiteindelijk komen ze natuurlijk vol. De mens verzamelt wat troep in zijn leven. De Action en de veilinghuizen staan er vol mee. Door die ervaring heb ik geleerd dat grote huizen de meest zinloze uitvinding van de mens is.
Halverwege mijn leven heb ik besloten dat ik mijn geld niet in bezit steek maar in bewegen. Ik weet niet of het een beter is dan het andere, maar ik heb er meer plezier in. En bij verhuizingen is het een zegening. Bewegingen draag je gewoon mee in je kop en nemen geen ruimte in in bestelbusjes.

Sinds tien jaar probeer ik naar bovenstaande noties te leven. Heel makkelijk is dat niet. Probeer bijvoorbeeld maar eens van je boeken af te komen. Ze hebben geen enkele economische waarde, al heb ik er heel wat geld in gestoken. Zonder spijt daarvan te hebben, hoor. Maar ik respecteer mijn boeken te veel om ze zomaar in een container te gooien. De geestelijke waarde is namelijk enorm. Het zoeken naar de juiste liefhebber is geen sinecure. Ontbezitten is best een klus. Door deze verhuizing geef ik er verder vorm aan. Het scheelt niet veel of al onze bezittingen passen inderdaad in Huisje Moddergat.

Gevonden

Donderdag 10 januari, New York/Lhee

Wat

Woensdag 9 januari, Lhee

 

Met het wad is altijd wat
dan is het weer eb en dan weer vloed
het is ook nooit eens goed.

Gevonden

Woensdag 9 januari, Moddergat/Lhee

Life Changing 2

Dinsdag 8 januari, Lhee

Het lijkt bijna regel. Iemand blijkt een moordenaar te zijn en vervolgens verklaren zijn buren dat hij wel de laatste is van wie ze het verwachtten. In het dagelijkse leven was de moordenaar altijd een keurige, aardige en voorkomende meneer. Een betere buurman was nauwelijks denkbaar.
Ook keurige mensen hebben diepe kelders. Ook onder de orde en de netheid broeit het. Wie blijft gespeend van zondige gedachten? Achter de regelmaat schuilt altijd chaos. Eigenlijk is heel weinig wat het lijkt.

Met dit blog is het niet anders. Ik schreef afgelopen dagen over een nieuwjaarsconcert, het lengen van de dagen en over groeiende boekstapels. Ondertussen speelde er in mijn hoofd iets heel anders, iets nog veel groters. Wyb en ik waren vol van een nieuw plan. Of eigenlijk was het geen plan meer. 31 december tekenden we een intentieverklaring dat we vanaf april een chambres d’hôtes gaan beheren aan de voet van de Cevennes. Mijn hoofd vol van dit project en ik kon er niet over schrijven. Eerst dienden de medewerkers van Ogterop op de hoogte gesteld. Ook De Blogger is niet te vertrouwen, hij schrijft over het een, maar hart en hoofd zijn vol van iets heel anders.
En natuurlijk geldt dat ook voor andere zaken. Verdriet, zondige gedachtes, de blogger veinst dat hij het niet heeft omdat hij de onderwerpen zorgvuldig links laat liggen. Eigenlijk is dat het lot van de lezer van dit blog. Dossiermoddergat suggereert een inkijk in het leven van alledag, ondertussen wordt hij op een dwaalspoor gebracht.

Maar laat ik nu volledige openheid van zaken geven. Ons chambres d’hôtes ligt in het plaatsje Saint-Hippolyte-du-Fort. Wyb is op 13 maart voor het laatst aanwezig in Ogterop. Op 15 maart rijdt een vrachtwagentje richting het zuiden en vanaf dan wordt Dossiermoddergat geschreven in de Franse dependance die 45 minuten rijden af ligt van Montpellier en 45 minuten rijden van Nîmes. Als de redactie er zin in heeft, ligt ze binnen een uur rijden op een strand aan de Middellandse Zee.

De goede lezers van dit blog, en die bestaan weet ik, hadden al iets kunnen vermoeden nadat ik een blog had geschreven met de titel Life Changing. Nou, deze move van ons mag toch wel life changing worden genoemd. Of het een goede change is? Niemand die het weet. Dat is de eigenschap van avontuur: je gaat iets aan waarvan de afloop onbekend is. Als je de afloop wel weet, is het geen avontuur meer. Wij hopen natuurlijk dat we in Hippolyte volop zullen bloeien. Dat kans dat we na een jaar weer op hangende pootjes aan de Nederlandse grens aankloppen is best aanwezig. Al die mogelijkheden vormen, denk ik, de charme van het project Hippolyte. In ieder geval heeft Dossiermoddergat de aankomende tijd genoeg stof om over te schrijven.

to be continued

Gevonden

Dinsdag 8 janauri, Lhee

Spierballen

Zondag 6 januari, Lhee

Vandaag naar een nieuwjaarsconcert geweest van het Noord Nederlands Orkest. Ik heb in mijn leven al heel wat nieuwjaarsconcerten meegemaakt. Niet omdat ik er zo gek op ben. Ik was eigenlijk altijd aanwezig vanwege representatieve verplichtingen. Als ik die verplichtingen niet had, was ik er zeker niet voor mijzelf heengegaan. 
Ik hou eigenlijk niet van representatieve verplichtingen. Ik zie dat sommige mensen er gek op zijn, dat ze het heerlijk vinden om in smoking of pak zich even goed aan de ander te laten zien. Social talk, ik zie sommige mensen genieten. Ik heb er eigenlijk niets mee. Ik baal ervan als ik een pak aan moet, social talk vind ik cliché praat. Als iemand op een receptie tegen je begint te talken, weet je eigenlijk al hoe het gesprek verloopt. Mensen blijven beleefd tegen elkaar praten omdat er anders zo’n vervelende stilte valt.
Wyb zegt altijd dat ze er niets van merkt dat ik een hekel heb aan zulke bijeenkomsten. Kan kloppen. In de loop van de jaren ben ik er best goed in geworden. Ik sta mijn mannetje. Maar het is een mannetje met tegenzin. Kan best zijn dat al die andere mannetjes daar ook met tegenzin staan. Dat zou wat wezen zeg, dat we met z’n allen iets in standhouden wat eigenlijk iedereen zou willen afschaffen.

Er is nog een andere reden waarom ik niets met nieuwjaarsconcerten heb. Ik hou niet echt van symfonische muziek. Er zijn best stukken bij die ik prachtig vind, maar over het algemeen vind ik het spierballenmuziek. Een symfonisch orkest is gewoon te groot. Instrumenten vechten om voorrang, alles lijkt er op gericht om indruk te maken, om kracht uit te stralen. Let maar eens op hoeveel stukken wel niet ontaarden in een bombastisch hoogtepunt.
Over het algemeen kan ik zeggen dat ik van eenvoud hou. Ik hou zoveel meer van kamermuziek dan van een symfonieorkest. Zoals ik ook veel meer hou van de American Recordings van Johnny Cash dan van Pink Floyd of Queen. Een man op zijn gitaar, een versleten stem, dat is zoveel mooier dan exalteerde arrangementen. Eigenlijk hou ik ook meer van het korte verhaal dan van de roman. Meer van zwart-wit dan kleur. Eenvoud, dat is op zo’n nieuwjaarsconcert zo ver te zoeken, niet in de muziek en ook niet in de gasten.

Gevonden

Zondag 6 januari, Zeeland/Lhee

Donkerte

Zaterdag 5 januari, Lhee

Hoe ouder je wordt, hoe minder slaap je nodig hebt, schijnt. Dit is een van de weinig verheugende bijverschijnselen van ouder worden. Slapen is voor mij toch een vorm van morsen van tijd. Goed beschouwd ben je, in het licht van de eeuwigheid, maar een paar dagen op deze wereld. Dan vind ik het zonde om je ogen dicht te doen en niets ziend en onwetend op een bed te gaan liggen.
Al sinds een paar jaar merk ik het genot van het ouder worden, lukt het me niet om uit te slapen. Zo rond zes uur, half zeven ben ik wakker. Niet dat ik opsta, een van de fijne dingen van een bed is dat je er heerlijk wakker in kunt blijven liggen en wat kunt mijmeren. Onder de dekens is het behaaglijk warm, buiten de dekens is de kou en de donkerte. De gedachten gaan hun kronkelende wegen, mijmeren, peinzen, tussen die drabberige staat is er opeens een helder idee, lost zich een probleem op dat je in eerdere dagen in je hersens hebt geplant. Veel goede ideeën van me zijn geboren in deze sluimerende staat van de geest.

Maar daar wil ik het niet over hebben. Ik wil eigenlijk even klagen over het nieuwe jaar. Zo is 21 december voor mij een magische datum. Niet alleen omdat ik Wyb op die dag voor het eerst kuste en mijn liefde verklaarde -of was het anderom?-, ook omdat het een keerpunt is. De maanden daarvoor is de dag langzaam gekrompen, groeit de donkerte, krimpt het licht. Wanneer we 21 december hebben aangetikt gaat het proces de andere kant op. Tenminste, dat zou moeten. Ik weet niet of het de lezer opvalt, maar na afgelopen 21 december groeit er helemaal niets. Het lijkt wel, of is het mijn gevoel?, dat de dagen helemaal niet lengen. Als ik ’s ochtends na mijn dagelijkse mijmeruurtje het rolgordijn opendoe, zie ik buiten nog geen sprankje licht. Ik kijk tegen een modderige en sombere donkerte aan. De dag is nog even ver weg als in de dagen voor 21 december.

Het kan best zijn dat de aarde en de zon ons een lesje willen leren. Ik zou het wel weten als ik de aarde was, ik zou die mensheid eens stevig op zijn donder geven. Er heeft nog nooit een diersoort geleefd die zo misbruik van haar heeft gemaakt. Ik hoop dat deze boosheid niet al te lang duurt. Het wordt hoog tijd voor meer licht en de warmte die daar bij hoort.

Gevonden

Vrijdag 5 januari, New York/Lhee

Sloddervossen

Vrijdag 4 januari, Lhee

Gisteren kwam in mijn blog de schrijver F.B. Hotz even ter sprake. Hotz is een Nederlandse schrijver van voornamelijk korte verhalen. Het zijn prachtige verhalen die hij schreef in de laatste decennia van de vorige eeuw. Is er nog iemand die F.B. Hotz kent? Zijn naam en verhalen zijn weggezonken in de drab van onze herinnering. Op cultureel gebied zijn Nederlanders sloddervossen, het lijkt wel alsof onze belangrijkste eigenschap het wegmaken van kunstenaars is. Behalve als ze toeristisch interessant zijn, pas dan hijsen we een kunstenaar op het ereschild. Wij zijn geldwolven. Als Hotz een Amerikaanse schrijver was geweest, werd hij nu keer op keer herdrukt en zou zijn werk nog volop in leven zijn.

Hetzelfde geldt voor Louis Paul Boon die ook in de tweede helft van de vorige eeuw leefde en misschien wel de grootste Nederlandstalige schrijver was. Het bereik van zijn stem oversteeg de minor poet stem van Hotz. Boon was een universeel schrijver, een volksschrijver pur sang, die alle registers van de menselijke stem beheerste. Is er nog iemand die Louis Paul Boon leest?
Toevallig kwam ik vandaag een gedicht van hem tegen. Ik wist eigenlijk niet eens dat hij ook poëzie had geschreven. Het is weer een mooi volksgedicht dat in deze tijd nooit geschreven zou kunnen zijn. De politieke correctheid en de preutsheid dringt steeds meer in onze poriën door. Het gedicht heeft de taal van de jaren zeventig van de vorige eeuw, maar het is wel de taal van de menselijkheid.  

 

Vandaag bij je graf lieve paps

Vandaag bij je graf lieve paps
wou ik je zeggen hoe mooi
de meisjes worden en hoe kort
hun rokjes zijn en hoe dik hun
tieten worden

je zag dat zo graag lieve paps
je keek het aan met je goedige ogen
de rustige glimlach van de oude man

je sprak zo graag lieve paps
over een koppel ferme tieten en toeten
en je had ze ook graag nog eens
beetgenomen ouwe sloeber lieve paps

dat wou ik je zeggen bij je graf
hoe mooi ze deze zomer waren
hoe liefdevol ik keek met jouw ogen
naar hun rokjes zo kort
naar hun spannende spijkerbroeken

je mocht het niet aankijken
van mams ik weet het
je wendde de goedige blik af
je bruine zachte ogen
van een te brave hond

vandaag vertel ik het dan
met wat weemoedige glimlach
 aan je graf

 

Louis Paul Boon

 

Gevonden

Vrijdag 4 januari, New York/Lhee

Opruiming

Donderdag 3 januari, Lhee

Wij hebben nu vijftien jaar ons huisje in Moddergat. Moddergat? De meeste mensen hebben er nog nooit van gehoord. Maar als iemand de naam van het dorpje hoort, vergeet hij het nooit meer. Tot mijn verrassing is Moddergat in die tijd een paar keer op het nieuws verschenen. Zit ik nietsvermoedend Journaal te kijken, verschijnt opeens Moddergat. Gisteren was dat ook weer het geval.
270 containers overboord van een containerschip op de Noordzee, een enorme troep op de stranden van de Waddeneilanden. In mijn naïviteit dacht ik dat die zooi beperkt was gebleven tot de eilanden. Op het nieuws duiken er echter beelden van Moddergat op. Ook mijn geliefde dorp is getroffen door piepschuim, resten stoelen, gif, plastic en onzin speelgoed. Ik zie de dijk, het garnalenfabriekje en een heleboel mensen ontzettend hard werken om de troep weg te werken. Groot respect.
Deze hele ramp illustreert zo duidelijk met wat voor een troep wij over de wereld zeulen. De planning van dat zeulen wordt nu gedicteerd door de kostprijs. Wie het goedkoopste iets kan maken, mag het maken. Zou toch mooi zijn als we in de overweging of we wel of niet met troep over de wereld gaan sjouwen meenemen wat de ecologische kosten oftewel schade is en wat het precieze maatschappelijke nut. Maar dat zal zeker niet gebeuren. Dan maken we geld verdienen lastiger en dat is een groot taboe. Liever persen we de wereld verder uit.

In ons huis ook opruiming. Er is een of ander mechanisme in ons huis waardoor boeken zich op wonderbaarlijke wijze vermenigvuldigen. Ik zou er gelovig van worden. Een stapeltje wordt een stapel. Een rijtje boeken wordt een rij. Gevolg: de boel slibt dicht.
Voor de zoveelste keer heb ik een strenge selectie gemaakt. Er ligt nu een hoge stapel boeken tegen een muur waar ik vanaf moet. Tweedehandsboeken hebben geen economische waarde meer, heb ik gemerkt. Gelukkig zijn er wel mensen die ze graag willen hebben. Zo gaat Vincent, die op bezoek was, met een bijna niet te tillen stapel huiswaarts. Waaronder de biografie van F.B. Hotz, een van mijn lievelingsschrijvers. Ik heb het boek al jaren in huis en ik weet dat ik het nooit ga lezen. Het is zo dik. En ik weet dat het leven van Hotz erg saai was. Ongelezen gaat het mee met Vincent.
Wie zin heeft in een stapel, schroom niet, kom langs. En dan te bedenken dat we in Meppel nog een storage box vol dozen met boeken hebben liggen.

 

 

Gevonden

Donderdag 3 januari, New York/Lhee

Champagne

Woensdag 2 januari, Lhee

Wij hebben dit jaar geen Oud en Nieuw gevierd. Toen de klok op 00.00 sprong, lagen we te slapen. Volgens mij voor het eerst dat ik niet bewust een nieuw jaar vierde. Ik zelf geef de schuld aan de rode wijn. Door rode wijn word ik altijd zo slaperig. Gin-Tonic (mijn lijfdrank) zorgt er juist voor dat ik fris blijf, het verkwikt me. Whisky geeft ook een oppepper. Van cognac word ik dromerig. Het meest neutrale drankje voor me is port. Overdag drinken is sowieso erg slecht voor me, dan kak ik een paar uur later helemaal in. Behalve als ik port drink, dat is eigenlijk het enige drankje waardoor ik overdag overeind kan blijven. Witte wijn heeft een onvoorspelbare uitwerking. Soms heeft het hetzelfde effect op me als rode, andere keren, afhankelijk van welke witte wijn, merk ik er nauwelijks iets van.

Op de laatste dag in 2018 bezochten we een domain in de Cevennen van een Engelse professor gespecialiseerd in DNA-strengen en het splitsen van cellen. Hij heeft niet alleen veel geld verdiend, maar ook veel geërfd. Van al dat geld heeft hij een oude jeugddroom gerealiseerd: boer worden. Tenminste, dat doet hij erbij. Ondanks zijn hoge leeftijd blijft zijn hoofdactiviteit de wetenschap. Een paar keer per maand vliegt hij van Oxford naar de Cevennen en doet hij wat hij ooit wilde worden. Hij moet een gelukkig man zijn.
Het domain wordt beheerd door een Nederlander. Hij doet het meeste werkt, zorgt ervoor dat op het bedrijf elke dag de dingen gebeuren die moeten gebeuren. Als een soort tovenaar meet en mengt hij de wijnen om de unieke smaak van het domain te krijgen. Mooi werk, lijkt me.

We kregen een uitgebreide rondleiding en van praten en luisteren komt proeven. Toevallig zijn de smaken van het domain helemaal mijn smaken. We kopen vier doosjes. Twee van onze lievelingswijn en twee van andere soorten die ze maken. Eenmaal terug in Hippolyte openen we meteen een fles om het oude jaar uit te drinken.
Grote kans dat die fles ervoor zorgde dat we rond half twaalf al geen besef meer hadden van tijd, in een diepe slaap waren gegleden en geen idee hadden van de overgang van oud naar nieuw. Jammer, want ik had graag op het nieuwe jaar willen drinken. Ik verheug me erop, nieuwe avonturen, nieuwe verhalen.

Dit alles had wel tot gevolg dat vandaag in de koelkast nog een mooie fles champagne stond. Ondertussen had die fles een reis ondernomen van Hippolyte naar Lhee. Om alsnog het nieuwe jaar te vieren, in feite begint elke dag een nieuw jaar, hebben we hem vanavond opengemaakt. Als het nieuwe jaar net zo smaakt als de champagne komt het helemaal goed.

Gevonden

Woensdag 2 januari, Lissabon/Lhee

Hesjes

Dinsdag 1 janauri, 2019

Zo ben je als blogger op de radar, zo ben je ervan af. Een blogger is volledig afhankelijk van wifi en dat ontbeerde ik de afgelopen dagen. Wyb en ik waren voor een paar dagen afgereisd naar Saint-Hyppolyte-Du-Fort, een plaatsje aan de voet van de Cevennen, op bezoek bij vrienden die daar een prachtig oud huis hebben, 300 jaar oud en ooit gebouwd door een van de rijke zijdehandelaren die in die tijd in die streek woonden.
Ik geloof niet dat er in het plaatsje nu nog rijke mensen wonen. Het plaatsje hoort bij de Gard en ligt dus aan de Cevennen, beide streken horen bij de armste van Frankrijk. Wat toch een beetje raar is want 45 minuten rijden en je bent in Montpellier, in diezelfde tijd ben je ook in Nîme en tel er tien minuten bij en je ligt aan de Middellandse Zee. Toch steden die tot de rijkste van Frankrijk behoren. En daarbij heb je de Cevennen, een gebied waar ik erg van hou. Het is een van de ruigste gebieden van Frankrijk, met grillige heuvels, diepe gorges en een intrigerende droge hoogvlakte, dit alles domein van hippies en andere onaangepaste geesten.

Aan de ene kant de rijkdom van de steden, aan de andere kant de armoede van het platteland. Het lijkt het politieke klimaat in de wereld te bepalen. Je ziet het in Amerika, Trump is er het uitvloeisel van, je ziet het in landen als Hongarije en Polen.
Op onze tocht naar Frankrijk was het opeens dichtbij. In tegenstelling tot de terugweg hebben wij de heenweg niet in één ruk gereden. Omdat we laat uit Dwingeloo vertrokken, maakten we een tussenstop in Lyon. We sliepen in een hotel dat we pas na enig dwalen op een industrieterrein vonden. Geen leuke plek voor Dies want om het hotel blaften gevaarlijk de honden die ’s nachts de fabrieken bewaken.
De volgende ochtend reden we weg en op weg naar de snelweg zagen we een stoet van ongeveer honderd gele hesjes lopen. Hun gezichten in sjaals gewikkeld of verstopt in bivakmutsen. Ze liepen naar een rotonde waar wij langs moesten. Op die rotonde stonden nog eens zo’n honderd mensen met gele hesjes die de eerste barricades opwierpen. Wyb en ik waren vermoedelijk de laatsten die er langs konden. Geluk. Want Hyppolyte lokte.
Ook in de Gard stonden bij elk plaatsje wel gele hesjes op rotondes. Op zo’n rotonde stonden tenten en protestborden die schreeuwden dat Marcon zo snel mogelijk moest oprotten. Maar het protest was hier vriendelijk. Als een geel hesjes een paar folders had uitgedeeld ging hij snel terug naar het kampvuur en de barbecues die op de rotondes brandden.

In Hyppolyte belandden Wyb en ik nog in een demonstratie. Nou ja, demonstratietje. We kwamen een straat uit en op hetzelfde moment kwam een demonstratie van gele hesjes de straat uit die er haaks op stond. Ik moest even aan die film van Charlie Chaplin denken die niets wetend opeens met een vlag voor een demonstratie loopt en de boel lijkt aan te voeren. Was bij ons anders. Zo’n dertig mensen slenterden enigszins ongeïnteresseerd over de straat, voor en achter hen begeleid door de politie. Even moesten we meelopen om snel de eerste zijstraat in te kunnen schieten.
Het huidige protest doet me denken aan de Occupy beweging van een paar jaar geleden. Het protest bleef lang aan, maar het overgrote deel van mensheid is met andere dingen bezig en vindt die gele hesjes op die rotondes alleen maar gedoe. Op een rotonde in Ganges stonden allerlei schapen gesmeed uit ijzer. Iemand had ze met verf gele hesje aangemeten. Geen idee of het door een voor- of tegenstander van de gele hesjes beweging was gedaan.

Gevonden

Dinsdag 1 januari, Amsterdam/Lhee

Straat

Dinsdag 25 december, Moddergat

De lezer van Het Dossier ziet altijd veel foto’s. Ik realiseerde me vandaag dat ik eigenlijk nooit over die foto’s schrijf. Zo heb ik volgens mij nooit geschreven over mijn liefde voor straatfotografie. Die liefde is eigenlijk al heel oud. In mijn puberteit, toen ik veel fotografeerde, leerde in het werk van Henri Cartier-Bresson kennen. Ongeveer tegelijkertijd bezochten Lies en ik de fotobiënnale in Venetië. Mijn liefde voor fotografie, maar speciaal voor straatfotografie is in die tijd geboren. In een of andere verhuisdoos zitten mijn eerste probeersels op dat terrein.

De liefde voor fotografie bleef. Als er ergens een fototentoonstelling was, ging ik zeker kijken. Door drukke werkzaamheden, andere fixaties, raakte de fotografie ondergesneeuwd. Tien jaar geleden kocht ik voor Dossiermoddergat een instant camera zodat ik ook foto’s op het blog kon zetten. Sinds die tijd is fotografie steeds belangrijker geworden in Dossiermoddergat maar ook voor mijzelf. De ene camera werd ingeruild voor een betere, en nog een betere, enzovoort. De foto’s namen steeds meer de tekst over. Afgelopen jaar stonden er zelfs alleen maar foto’s in Het Dossier onder de titel Beeldblog.

De situatie is nu zo dat ik altijd een camera bij me heb. Mijn liefde voor straatfotografie is tot volle bloei gekomen. Het liefst dwaal ik met camera door een of andere stad, voel me een soort strandjutter van beelden. Schrijven is leuk, maar woorden zijn verraderlijke dingen. Niet gezegd dat het beeld niet even verraderlijk kan zijn. Zeker met Photoshop en allerlei andere instrumenten is de totale manipulatie mogelijk. Maar daar doe ik niet aan. Een camera, ik kijk, schiet, en thuis ontwikkel ik de foto met het fotoprogramma Lightroom.

Wie zich verdiept in straatfotografie ziet dat het een humane kunstvorm is, dat dicht bij het leven, bij de straat staat. Overal op de wereld lopen mensen met camera’s door steden en dorpen en proberen het leven zo treffend mogelijk, zo poëtisch mogelijk in beeld te brengen. Wie een indruk van straatfotografie wil krijgen, moet maar eens kijken op de volgende facebook groepen: Street level photography, Streethunter.net of APF Magazine Street Photography, De musea hangen vol met conceptuele fotografie. Meestal zeer abstract, experimenteel, highbrow. Ik hou daar niet van. Ik hou juist van het realisme, de rauwheid van de straatfotografie, het poëtisch moment van het dagelijkse leven.

Gevonden

Dinsdag 25 december, Amsterdam/Moddergat

Wad

Maandag 24 december, Moddergat

Voor ons huisje in Moddergat ligt de Waddendijk. Daarachter ligt meteen het wad. Als we over de dijk vijftig meter naar rechts lopen, is er een groot buitendijks gebied dat zeker tien kilometers doorloopt tot Lauwersoog. Het is het gebied van de grauwe ganzen, de rotganzen en de brandganzen, bij gevaar vliegt een wolk schreeuwende ganzen op.
Vlak bij ons huis lopen in dat buitendijks gebied twee pieren het wad op. Een pier steekt er zo’n anderhalve kilometer in, de andere pier maakt een knik naar rechts en is iets hoger. Zelf hou ik het meest van de lange, rechte pier. Als je hier op loopt, word je één met het wad.

Het landschap staat diametraal op het landschap in Lhee, waar bomen en heidevelden alles overheersend zijn. Vergeleken met het wad is het Dwingelderveld een armoedig vogelgebied. Sinds ik er woon, verbaas ik me hoe weinig vogels er zijn. En dat geldt ook voor andere diersoorten. Alleen de ree is een bewoner die zich veel laat zien. Vooral als we na een voorstelling laat naar huis rijden.

Elke keer als ik over de dijk loop, geniet ik van het waddenlandschap dat altijd weer anders is. De wolken formeren bergen, het water vormt hun spiegel. Tenzij het waait, dan worden de wolken opgejaagde beesten en zoekt het water onrustig zijn weg in eb en vloed. Altijd begeleid door het geluid van vogels. Vroeger nog veel meer dan nu. De mens eist zijn tol.

Als ik moest kiezen tussen beide landschappen dan koos ik zeker voor dat van Moddergat. Van het landschap van Lhee heb ik soms wel eens genoeg. Al die bomen, al dat druipen als het heeft geregend, nergens uitzicht, behalve op de hei, een bos verstopt de wereld.
Hoe anders is het waddenlandschap: altijd uitzicht, altijd ruimte, altijd beweging en spektakel. Hoeveel fijner is het om naar water te turen vanaf de dijk dan op een bankje in een bos te zitten. Elke zes uur verandert het landschap totaal. Het wad is eigenlijk een illusionist. Je denkt dat het een zee is, zes uur later is het een modderige vlakte vol leven, oesterbanken, mosselbanken, in de modder de kokkels en de pieren.

Gevonden

Maandag 24 december, Moddergat

Zilt

Zondag 23 december, Moddergat

‘Hoor je de stilte?’ vraag ik aan Wyb als we in Moddergat de auto zijn uitgestapt.
‘De zilte stilte,’ zegt ze.
Wyb kan zich soms zomaar ontpoppen als dichteres.
‘De zilte van de stilte,’ probeer ik haar te overtreffen. Tevergeefs, de zilte stilte is genoeg.
Zilt is een mooi woord, een mild woord.

Het is lang geleden dat we voor meer dagen in Moddergat waren. Dat komt omdat we nu op het platteland wonen. Eerst woonden we in de stad en hadden we Moddergat als vluchtplek. Is niet meer nodig nu we op het platteland wonen. Dat neemt niet weg dat Moddergat nog steeds het hoofdkwartier is van Dossiermoddergat en de constante in ons bestaan. We hebben ons huisje nu veertien jaar. Tien jaar geleden vestigde zich hier Dossiermoddergat. In december 2008, schreef ik mijn eerste blog onder de vlag van Dossiermoddergat. Geen idee meer waar het over ging, in ieder geval was het de start van een welvarend bedrijf, er zijn inmiddels heel wat blogs geschreven. Nog 12,5 jaar en we vieren een jubileum. Dat gaan we groots doen.

In Moddergat is best iets veranderd, maar gelukkig niet te veel. Tot dit jaar hadden we als achterburen een kudde tamelijk verwilderde koeien. Stieren en koeien liepen met hun kalfjes in mooi en slecht weer door de weilanden achter ons huis. Zo nu en dan besloten ze ons kleine tuintje in te lopen. Weg hek of afrastering. Dirk, de boer van wie ze waren, is dit jaar overleden. Op een dag is de kudde afgevoerd en daarmee verdween de laatste boerenactiviteit uit Moddergat. Een van onze buren heeft het stuk land direct achter ons huis gekocht. Op het weiland spelen nu hun kinderen.

Verder is er niet zoveel veranderd in Moddergat, wat een van de charmes van het dorpje is. Het is de rafelrand van Nederland en dat zal zo wel blijven. Hier en daar is een huisje opgeknapt, op de dijk lopen wat meer toeristen omdat een paar dorpen verderop een recreatiepark is gebouwd. Gelukkig wil het niet echt vlotten met het toerisme in Noord-Friesland. Opdat dat altijd zo moge blijven.

Wat bleef is de dijk en het uitzicht op de wereld. Onder aan onze voeten het wad. Links op het wad Ameland, waar inmiddels ons nageslacht is geboren en woont, rechts Schiermonnikoog, recht voor ons het zicht op de Noordpool. Het geweld van de natuur is hier nooit ver weg. Niet voor niets is hier in de tweede helft van de negentiende eeuw de hele mannelijke bevolking van Moddergat in een vliegende storm met hun vissersschepen vergaan. Wie op de dijk staat als het stormt, weet dat absolute veiligheid een illusie is.

 

Gevonden

Zondag 23 december, Hindeloopen/Moddergat

Tietenkont

Zaterdag 22 december, Nijmegen

Het geheugen is een moeras. Boven is het nog een beetje levendig en licht. Hoe dieper je komt hoe donkerder, hoe meer ingeklonken, hoe meer verrotting. Op de vaak peilloze bodem van het moeras is het een grote amorfe, stinkende massa.

Gisteren was Jan jarig. In het verleden vierden hij zijn verjaardag uitbundig, was het een komen en gaan van mensen. Met als beloning voor iedereen boerenkool met worst. Voor het eerst was het een rustig feestje. Zijn kinderen, Jochem en Judith, en aanhang waren uitgenodigd en ik mocht als zijn lijffotograaf aanwezig zijn. Jochem en Judith zijn mijn volle neef en nicht. Omdat Jan een nakomelingetje is, mijn moeder en hij verschillen liefst 19 jaar, is het leeftijdsverschil tussen Jochem en Judith en mij nogal groot.

Het leuke van familie is dat ze het moeras tot leven brengen. Door de verhalen die in ieders hoofd zijn blijven hangen por je in de amorfe massa en komt de ene na de andere luchtbel boven. Een feest als het moeras weer tot leven komt.
Zo verhaalden Jochem en Judith over een oppaspartijtje. Jan en Els gingen op vakantie en Lies en ik pasten op de kinderen. Ik zelf ben die oppassessie eigenlijk volledig vergeten. Jochem en Judith wisten nog precies uit welk boek van Joke van Leeuwen ik ze voorlas en dat we met z’n allen heel hard ‘Wij eisen ijs’ in de auto hadden geroepen. Vermoedelijk maakte het oppaspartijtje zoveel indruk omdat ze van ons dingen mochten die normaal verboden waren. Zo wisten ze nog precies te vertellen dat ze van ons achter de bank mochten spelen. Van Jan en Els had dat nooit gemogen. Arme kinderen.

De belangrijkste luchtbel die uit het moeras tevoorschijn kwam, was een oude erenaam die ik lang heb gedragen. Tot aan hun puberteit hebben de kinderen mij namelijk Tietenkont genoemd. Judith vertelde dat ik in haar hoofd nog altijd Tietenkont heet. Als ze aan me denkt, moet ze zich altijd realiseren dat ik eigenlijk Gerard heet.
Hoe kom je nou in godsnaam Tietenkont te heten? Het heeft ermee te maken dat ik Jochem vroeger altijd hoog optilde en dan het liedje Tieten kont, tieten kont, tieten kont, kont, kont, zong op de melodie van Johann Strauss’ Radetzky Mars. Dit maakte zoveel indruk op de kleine Jochem dat ik voor hem, en later ook voor Judith, Tietenkont ging heten. Ik herinnerde mij het vaag. Als ze er niet over waren begonnen, had ik er nooit meer aan gedacht. Ik weet nog wel dat ik het een eretitel vond en dat ik het jammer vond dat ze mij voor de eerste keer Gerard noemden.

Voor wie zijn klassieken kent, ik kende de tekst en de melodie natuurlijk uit Turks Fruit van Jan Wolkers. De vader van Olga zong het als hij in zijn leunstoel zat, dezelfde leunstoel waaronder hij zijn snot plakte, waardoor er een maanlandschap van snot was ontstaan.

 

 

 

Gevonden

Zaterdag 22 december, Amsterdam/Lhee

Influencer

vrijdag 21 december, Lhee

Als je tegenwoordig aan een kind vraagt wat het wil worden dan heb je grote kans dat het zegt vlogger of influencer. Brandweer- en politiemannen komen in kinderdromen steeds minder voor. Ergens in het midden van eerste decennium van het nieuwe millennium is het begonnen. Steve Jobs presenteerde in Sillicon Valley de iPhone en de iPad en het publiek dat erbij was ging op de stoelen staan van enthousiasme, minutenlang applaus. Goed gezien van dat publiek. Ze waren bij de presentatie van een revolutie.

Voor mijn generatie veranderde er veel. We kregen een apparaat dat zelden van onze zijde wijkt, als we de deur uitgaan en het ding vergeten dan rijden we terug. Voor de wereld van het kind veranderde het meest. Steve Jobs trok ze de wereld van het beeldscherm in. Mijn kinderboeken waren in één klap gedateerd.
Op de lange ritten naar vakantiebestemmingen staart geen kind meer verveeld uit het raam. Er wordt nauwelijks nog samen gezongen om de tijd te doden. Kinderen hebben een iPad voor hun neus en zien op scherm de ene na de andere Disney voorbij komen. Als ze daar genoeg van hebben gaan de oortjes in en zijn er vlogs en clips.
Thuis is het niet anders. Ieder zijn eigen iPad, kinderen swipen al als ze twee zijn en weten feilloos de channels voor kinderen te vinden. Nooit veranderde de kinderwereld zo rigoureus. Ik ben zo benieuwd of dat een ander soort mensen gaat opleveren. Misschien zijn ze sneller, minder geconcentreerd, nerveuzer of misschien wel veel slimmer, komt er een nieuw soort mens dat wel kan multitasken en minder beperkt is dan de mens die voor de introductie van de iPhone leefde.

Het boek zal niet verdwijnen, maar is ongelooflijk op zijn retour. Toen ik in de bibliotheek van Amsterdam werkte, was het aantal uitleningen al gedaald van 150.000.000 naar 75.000.000, gehalveerd dus. De huidige cijfers ken ik niet, maar geen enkele reden om te denken dat het tij is gekeerd. Integendeel.
Jip en Janneke zijn vervangen door vloggers. Mijn kleindochter (8 jaar) somt feilloos de vloggers op waar ze naar kijkt, namen waar ik nog nooit heb gehoord maar waar duizenden, honderdduizenden kinderen naar kijken. In mijn land leven diverse werelden naast elkaar. Malu leeft in een andere wereld dan ik. De grenzen zijn onzichtbaar, maar onoverkomelijk. Voor sommige zaken heb je geen fysieke muur nodig.
Gisteren hoorde ik een meisje van negen op de vraag wat ze wil worden antwoorden: ‘Influencer’. Influencer van wat? Van welke wereld? Zeker niet van mijn wereld. Wel mooi dat ze dit woord nog gebruiken. Het impliceert dat de wereld een beetje maakbaar is, dat je iemand kunt beïnvloeden.

Hoeveel geld is er wel niet naar kunsteducatie gegaan? Met zware subsidies, georganiseerd door grote instellingen met zwaar gekwalificeerde mensen, werden programma’s opgezet om kinderen met de podiumkunsten kennis te laten maken. Het zouden de bezoekers van de toekomst zijn. Hoeveel nieuwe bezoekers heeft dit influencen opgeleverd? Hun kinderen surfen over de wereld, zelf laten ze zich vermaken door de uiterst spannende films van Netflix en de opwinding van de festivals. Kijken of de influencers van de toekomst succesvoller zijn.

 

Gevonden

Vrijdag 21 december, Amsterdam/Lhee

Business

Donderdag 20 december, Lhee

Ik heb al vaker op dit blog geschreven dat alles waar ik van hou is gemarginaliseerd. Ik hou van dingen die economisch gezien vrijwel nutteloos zijn en waarin slechts een zeer beperkt aantal mensen in is geïnteresseerd. Om een paar voorbeelden te noemen. Toneel, wie kijkt er nog naar? Lezen, wie gaat er nog rustig zitten om een boek open te slaan? Verlaten landschappen, zoals het bos achter ons huis, wie gaat er nog de natuur in? Een krant lezen, wie is er nog op geabonneerd? Verreweg het meest nutteloze waar ik van hou is poëzie. Wie leest er nog poëzie? Als van een bundel 500 exemplaren worden verkocht, heet het al een ongekend succes. Niets is zo nutteloos en gemarginaliseerd als de poëzie.

Tenminste, dat dacht ik altijd. Vandaag krijg ik een link van Leo Pot toegestuurd van een artikel dat op LinkedIn verscheen. En wat blijkt uit dat artikel: poëzie is een buitengewoon nuttige bezigheid en is de weg naar succes. De kop van het artikel: ‘Reading fiction helps your career, but reading poetry helps more’.
Het is inmiddels een geaccepteerde opvatting, er schijnt onderzoek naar gedaan te zijn, dat het lezen van fictie een mens empathisch maakt. Door lezen word je een mens die zich beter in andere mensen kan inleven. Mooi meegenomen dus als je van lezen houdt.
Poëzie maakt ook empathisch schijnt, maar daar is nog iets bijzonders mee aan de hand. Ik lees: ‘Poetry, however, is the practice of simplifying complex topics.’ En verderop: ‘Most people can make a good business decision if they have all the relevant data in front of them. But the most successful executives are excellent at making decisions with incomplete information. The less information you need to make a decision, the higher you can rise.’
Om nog even door te gaan: ‘Morgan says these creative capabilities help executives keep their organizations entrepreneurial, find imaginative solutions, and navigate moments when they cannot rely on data to make good decisions.
The world is full of examples of executives who read poetry. Steve Jobs collected the works of William Blake. Sidney Harman, founder of Harman Industries, always tried to hire poets into management, arguing, “Poets are our original systems thinkers. They look at our most complex environments and they reduce the complexity to something they begin to understand.’
Grote kans dus dat je een succesvol zakenman wordt als je poëzie leest. Niet gek, ik heb er alleen weinig van gemerkt. Ik had natuurlijk nooit zo lang in dat theater moeten blijven hangen. Mijn basis was prima, ik had een stevige portie poëzie achter de kiezen, ik had gewoon in business moeten gaan.

Vraag is natuurlijk wie dit schrijft. Het is niemand minder dan Penelope Trunk, influencer. En zij heeft het weer van Clare Morgan, auteur van het boek ‘What Poetry Brings to Business’. Van beide dames heb ik nooit eerder gehoord. Wie het hele artikel van de influencer wil lezen: click hier.

Gevonden

Donderdag 20 december, Lissabon/Lhee

Wacht

Woensdag 19 december, Lhee

Al maanden wacht ik op iets
dat gaat gebeuren. Een kogel
door de kerk, de komst van…

Mijn mond gaat zelden nog open.
Mijn ogen hoeven niets meer te zien.
Geen idee waarom ik oren heb.

Nog nooit zo traag boeken gelezen.
Laat staan iets schrijven. Letters
kleven aan elkaar. Niets beweegt los.

Ik bungel wat in een hangmat.
Stap onder een koude douche.
En bungel weer heen en weer.

Geen idee waar de kogel vandaan moet
komen. Is het links? Is het rechts? Of koop
ik zelf dat pistool? Niemand belt aan.

Ondertussen bungel ik in mijn hangmat.
Boven mij drijven de wolken en worden
de bladeren alsmaar groener en groener.

De jongen hebben al lang hun nest
verlaten. De eerste vogels trekken weg en
ik bungel, heen en weer. Wacht. Wacht.

Gevonden

Woensdag 19 december, Den Haag/Lhee

Pinokkio

Dinsdag 18 december, Lhee

Ergens vlak na mijn dertigste is het gebeurd. Van een leptosome jongen, altijd mager, sommigen vonden zelfs te mager, werd ik een man met een buik. Het was ongeveer in de tijd dat ik, fervent tegenstander van het ding, stropdassen ging dragen. Ik acht het niet uitgesloten dat je van stropdassen een buik krijgt.
Mijn gewicht, dat altijd ergens in de zeventig kilo zweefde, schoot door naar 84 kilo en bleef daar standvastig hangen. Wat ik in de jaren daarna ook deed, veel eten, veel drinken, of juist niet, 84 bleef 84 inclusief buik dus. Voor wie denkt dat ik ooit met die buik heb gezeten, nooit dus. Ik accepteerde het aangroeisel zonder problemen, alsof het een been of een arm was.
De enigen die regelmatig een opmerking over mijn buik maakten waren mijn kinderen. Zo nu en dan, als het hen uitkwam, werd de buik onderwerp van spot. Ondertussen ontwikkelde ik de theorie dat mijn buik niet het resultaat van vet of bier was maar een vergroeiing van mijn darmen die de neiging hadden vooruit te willen. De theorie dat mijn buikmassa vooral spiermassa was, bleek eerder niet houdbaar.

Een van de meest geliefde onderwerpen bij bloggers, vooral vrouwelijke bloggers, is het schrijven over diëten en afslanken. Daar ga ik me nu bij aansluiten. We hadden vrienden op bezoek. Ik schrok nogal van mijn vriend want hij was enorm afgevallen, ik vroeg me zelfs af of hij een enge ziekte onder de leden had. Ik vroeg wat er aan de hand was en hij begon een lofzang op het Pioppi dieet. Essentie van het dieet dat zijn oorsprong vindt in het Italiaanse plaatsje Pioppi: je mag volop eten, wat voor mij nogal essentieel is, alleen geen granen, het dieet is een oorlogsverklaring aan het koolhydraat. Dus geen pasta, aardappelen en zo wat meer. Vet daarentegen is prima, je mag net zoveel vlees en vis eten als je wilt. Voor brood is een koolhydraat arme variant waardoor je ook gewoon brood kunt eten. Sporten is niet nodig.

Het klonk als een erg sympathiek dieet. Laat ik het ook eens proberen, kijken wat er gebeurt, dacht ik. Sindsdien houden Wyb en ik ons enigszins aan het Pioppi dieet, door ons omgedoopt tot Pinokkio dieet. En kijk, voor het eerst sinds vijfendertig jaar wijst de weegschaal geen 84 meer aan. De wijzer staat nu op 80. Geen prestatie want het kost me geen enkele moeite het dieet te volgen.
Niet dat het enig effect heeft trouwens. Niemand heeft tot nu toe tegen me gezegd: goh, Gerard, wat ben je afgevallen, of, heb je een enge ziekte onder de leden. En mijn buik wijst nog steeds fier vooruit. Al zegt Wyb dat ze het best wel ziet dat ik aan het afvallen ben. Sympathiek van haar, maar volgens mij zegt ze het vooral om me te stimuleren met dat Pinokkio dieet door te gaan.
Nu ga ik nooit meer schrijven over diëten of afslanken, beloofd is beloofd.

Gevonden

Dinsdag 18 december, Lhee

Vaasje

Maandag 17 december, Lhee

 

– Ja, met Klaas.
– Ah Klaas.
– Ik heb een briljant idee.
– Vertel.
– Wat dacht je ervan als we Nederland eens vergelijken met een vaasje.
– Een vaasje?
– Gewoon een vaasje.
– Hoezo een vaasje?
– Een vaasje is een breekbaar ding, een vaasje waar we met z’n allen voorzichtig  mee moeten zijn.
– O ja. En wat voor een vaasje?
– Hoezo wat voor een vaasje?
– Een klein vaasje, een groot vaasje? Een bloemenvaasje?
– Wat doet het er toe. Gewoon een mooi vaasje, het vaasje waar we allemaal van houden.
– Oké. En wat doen we dan met dat vaasje?
– Daar schrijven we een advertentie over, een oproep dat we met z’n allen zuinig moeten zijn met dat vaasje. Bij wijze van spreken dan.
– Maar waarom een vaasje?
– Wat anders dan een vaasje?
– Een kop koffie, of een kristallen object. Maar een vaasje. Ja, een vaasje is ook maar een vaasje.
– Een kopje koffie is te ordinair, een kristallen object te elitair. Een vaasje hebben we allemaal.
– En wat is de kleur van dat vaasje?
– Mark, wat doet het ertoe? Het vaasje is een metafoor, een metafoor voor wat we met z’n allen koesteren.
– Oh, bedoel je zo’n vaasje. Ik begreep het al niet. En dat vaasje wil je in een advertentie zetten?
– Precies. Een soort boodschap, goed voor de campagne denk ik, dat we voorzichtig met het land moeten omgaan.
– Mark! Mark! Mark!
– Ja mama?
– Wie heb je aan de telefoon?
– Klaas, hij heeft een goed idee met een vaasje.
– Het is toch niet weer een proefballonnetje, hè?
– Nee, dit is een echt idee. Een idee voor een advertentie met een vaasje.
– Doe hem maar de groeten van me.
– Zal ik doen Mama.
– Ha Klaas, hier ben ik weer. M’n moeder vroeg even wie ik aan de lijn had, toen heb ik verteld van het vaasje. Ze vond het een prima idee.
– Ga jij dan zo’n advertentie schrijven?
– Ik… nou.. weet je… Ik zelf heb niet zoveel met vaasjes. Het is jouw idee, snap je? Als jij het nou schrijft, dan zet ik wel mijn naam eronder. Jij ben Politicus van het Jaar geworden, dus dan kan jij wel iets over een vaasje schrijven.
– Oké, dan ga ik wel iets met dat vaasje doen.
– Ja, ik ben heel benieuwd wat voor vaasje het wordt. Maar in principe vind ik het een heel mooi idee. Zo’n vaasje… Hoe zeg je dat? Mooie metafoor en zo. Daar leent zo’n vaasje zich wel voor. Hoe meer ik erover denk, hoe mooier het vaasje wordt. Ik zie het helemaal voor me zo’n vaasje. Goed gevonden, Klaas. O ja, nog één dingetje, moet het geen vaas zijn in plaats van vaasje.
– Absoluut niet Mark. Een vaas klinkt te robuust. Het moet echt een vaasje zijn. Een vaasje is klein, breekbaar. Een vaasje klinkt liefdevoller.
– O ja. Nou, enfin, succes met schrijven.
– Ik stuur je het concept wel toe. Doe de groeten aan je moeder, hè?
– Zal ik zeker doen.  

Gevonden

Maandag 17 december, New York/Lhee

The entire city is an office.

Koken

Zondag 16 december, Lhee

Mijn dochter afficheert zich steeds meer als principieel niet zelfkoker. Ze vergaart daar zelfs landelijke bekendheid mee. Zo zat ze vorige week in een paneldiscussie met Thijs van den Brink op Radio 1. Albert Heijn besluit zijn winkels om te bouwen, onderdeel daarvan is dat je er veel meer uitstekende kant-en-klaar maaltijden kunt kopen. Wat het panel daarvan vond.
Het standpunt van Anne was duidelijk: wat een fantastische ontwikkeling en ze liet weten dat ze er zeker vaak gebruik van gaat maken. De andere leden van het panel, fanatieke thuiskoks, vonden het belachelijk. Zelf koken bracht zoveel rust en gezelligheid. Maar Anne hield dapper stand. Koken was veel werk, ze kon het niet en waarom zou je gaan koken als er zoveel leukere dingen zijn waar je je tijd aan kunt besteden.
Een paar maanden geleden figureerde Anne als principieel niet zelfkoker al in een artikel van NRC Handelsblad. Hierin deed ze de gouden uitspraak: ‘Het leven is te kort om slechte wijnen te drinken.’ En zo is het. ‘Maar houd je dan niet van lekker eten?’ vroeg een mevrouw van het panel die het zelf verrukkelijk vond om te koken. Daar kon Anne meer dan bevestigend op antwoorden. Want Anne heeft makkelijk praten. Als Amsterdamse foodblogger eet ze zeker vier, vijf dagen in de week in de beste restaurants van Amsterdam. Ja, zo word je vanzelf wel principieel niet koker. Wat niet helemaal waar is want Anne heeft altijd de pest aan koken gehad. En bovenal: ze kan het echt niet. Vijf, zes keer per jaar kookt ze zelf. Onlangs nog voor vrienden. Maar tijdens het diner lieten haar vrienden al weten dat ze de volgende keer toch maar weer pizza’s moest bestellen.

Ik begrijp Anne goed. Tot voor kort huldigde ik hetzelfde standpunt. Koken is een crime, koken doe je omdat het moet, koken is moeilijk. Ik had dit standpunt omdat ik gewoon een slechte opvoeding heb gehad. In mijn jeugd heb ik nooit een pan aangeraakt, groente kreeg ik kant en klaar op mijn bord, een fornuis heb ik nooit hoeven aansteken. Koken was voor vrouwen. Bloody shame, ik geef het toe in deze politiek correcte tijden. Later was het niet anders. Ik bouwde en vulde theaters, Lies kookte. In mijn studententijd waren de rollen even omgedraaid, Lies werkte, ik studeerde en moest koken, maar van de zeven dagen in de week aten we er drie kant-en-klare Duyvis braadpandiners.

Mijn opvoeding is eigenlijk pas begonnen toen ik Wyb leerde kennen. Wyb vindt het heerlijk om te koken en kijkt menig kookprogramma. Daar komt bij dat Wyb nu theaters vult en ik veel thuis ben. En verdomd. Van principieel niet zelfkoker, ben ik het steeds leuker gaan vinden. Ik dacht altijd dat koken ongelooflijke moeilijk was, alleen daarom al bewonderde ik mijn moeder en Lies volop. Als je kon koken behoorde je tot een hogere orde. Wat blijkt: koken is helemaal niet zo moeilijk. Je volgt een recept, ff goed lezen, en verdomd, er ligt zomaar een heerlijke maaltijd op je bord. Een mens is nooit te oud om te leren. Het zou me niet verbazen als het met Anne en dat koken ook nog eens goed komt. Als je mij kunt bekeren, dan is dat bij Anne vast ook het geval.

Gevonden

Zondag 16 december, New York/Lhee

Mop

Zaterdag 15 december, Lhee

Als iemand een mop vertelt, voel ik me altijd ietwat ongemakkelijk. Ik zie dat degene zijn best doet om de mop zo goed mogelijk te vertellen. Maar het is de vraag of ik de mop leuk vind, ik hou eigenlijk helemaal niet van moppen. Hoe red ik me eruit als ik de mop inderdaad niet leuk vind? Dan moet ik veinzen dat ik hem leukvind, of gewoon zeggen dat ik er niets aan vind. Beide gevallen zijn pijnlijk. Heb je ook nog de kans dat ik de mop niet begrijp, is me ook een paar keer gebeurd. Het valt me trouwens op dat ik steeds minder moppen hoor, het lijkt een aflopend verschijnsel. Zul je zien dat binnenkort een of andere actiegroep deze vorm van volkscultuur op de lijst van het Unesco werelderfgoed wilt hebben. Sinds vanavond weet ik dat ik mijn mening over de mop moet bijstellen, dat er zelfs op dit gebied een Olympische klasse is.

Het theater is een vrouwelijke aangelegenheid. Vrouwen kiezen meestal naar welke voorstelling man en vrouw gaan, bovendien gaan er meer vrouwen dan mannen naar het theater. Daarom gebeurt er vanavond iets uitzonderlijks: het theater vult zich met mannen, mannen die zelden in het theater komen. Als iedereen zit lijkt de grote zaal van Ogterop meer op een voetbaltribune dan een theater. Sommige mannen houden hun jassen aan. Voor mij zit een man met bont om zijn capuchon, wanneer zie je dat nou in het theater.
Al deze mannen, en een enkele vrouw, komen voor Ton Kas. Ik heb hem nooit eerder in het theater gezien, ooit zag ik hem in DWDD waar hij de ene na de andere mop vertelde en waardoor ik zowaar moest lachen.

Eigenlijk doet hij vanavond niets anders. Hij staat alleen op het toneel, een flesje bier in de hand, en vertelt met een onvervalst Amsterdams accent de ene naar de andere grap. Nog nooit heb ik zoveel grapdichtheid in het theater gezien. Keer op keer is er een bulderende lach, ik ben even bang dat er scheuren door in de muren komen. Hij rijgt de grappen in een doorlopend verhaal aan elkaar en ik, moppenhater, bulder mee.
Zijn grappen zijn zeker niet voor tere zielen en voor de politiek correcte medemens. Het is bij hem grof, grover, grofst. Mijn proletarische achtergrond haalt zijn hart op. Ik ken deze humor van lang geleden uit mijn jeugd. Het is de humor van de voetbaltribune, van mensen die tegen een stootje kunnen.

‘Een verademing in dit #metoo tijdperk,’ zeg ik tegen Wyb als het afgelopen is en ik moe ben van het lachen. Even later zegt ze dit tegen Ton Kas die terecht terugkaatst dat de grappen meer over mannen dan over vrouwen zeggen. Zeker. Want iedereen in de zaal weet dat de grofheid van zijn grappen ook een tragische kant heeft, het zijn de grappen van de onmacht, de frustratie, de mislukking, de tongue in cheek. Deze voorstelling is zeker niet geschikt voor de doorsnee theaterliefhebber, dit is doelgroep ruwe bolster. En ik verbaas me dat deze doelgroep zo goed Ton Kas heeft gevonden in een gebouw dat meestal is gevuld met artistieke kwaliteit en de intellectuele humor van het cabaret.

 

 

Gevonden

Zaterdag 15 december, New York/Lhee

Radiotochtje

Vrijdag 14 december, Lhee

Vandaag maak ik met Anne een strandwandeling in Bloemendaal. Ik haal haar eerst in Amsterdam op en dan rijden we samen naar Bloemendaal. De weg van Amsterdam naar Bloemendaal is een soort hindernisbaan, een weg bezaaid met stoplichten die volstrekt niet op elkaar zijn afgestemd. Stoplicht, optrekken, tweehonderdmeter rijden, weer een stoplicht en dat gaat zomaar door. Is er wel eens uitgerekend wat het effect van slecht op elkaar afgestemde stoplichten is op de opwarming van de aarde en de verspilling van fossiele brandstof?
Mijn navigatie geeft aan dat het van Amsterdam naar Bloemendaal een kleine twintig kilometer is. We doen er bijna een uur over. Het kabinet heeft zich voorgenomen het aantal verkeersdoden te reduceren tot 0. Op deze manier zal dat vast lukken, al ben ik bang dat de stijging van het aantal hartinfarcten in verband met ergernis en te lang in een auto zitten het aantal verkeersdoden zal doen verbleken.

Ik vind het altijd een genot om van Dwingeloo naar Amsterdam te rijden. Voor mij is een dagje autorijden vooral een dagje radio. Voor mij kan er op zo’n dag niet genoeg gepraat worden op de radio. Naar die dj’s op die zogenaamde popzenders kan ik niet luisteren. Die gasten verdienen exorbitant veel door zo slap mogelijk te lullen, het zijn specialisten in het uitbraken van meligheid, nietszeggendheid en debiele verhaaltjes. Wat zullen die jongens en meisjes zich beroerd voelen na zo’n dag onzin uitkramen.

Mijn zender is Radio 1. Of liever was. Een of andere netcoördinator heeft een paar jaar geleden besloten dat ook op deze nieuwszender muziek moet worden gedraaid. En welke muziek is nou geschikt voor mensen die eigenlijk afstemmen op nieuws en informatie? Daar zijn ze nog niet over uit. Zinnige gesprekken en discussies worden verstoord door muziek waar helemaal niemand van houdt, behalve mensen met een hele slechte smaak. Als ik de netcoördinator nog eens tegenkom die mijn radiotochtjes zo heeft verpest, weet ik niet wat ik hem aan doe. Wie in Hilversum selecteert eigenlijk al die mensen met slechte smaak? Het zullen vast een paar mensenhaters zijn die besloten hebben de luisteraars eens goed te grazen te nemen. Wat zou ik blij zijn met een muziekvrije zender. Gelukkig dat er podcasts zijn.

Eenmaal in Bloemendaal aangekomen is het vooral koud. Dies trekt zich er niets van aan en loopt stoer het zeewater in. Het lukt me nauwelijks om foto’s te maken, mijn vingers vriezen vast aan het toestel. Anne en ik zoeken snel de warmte van een strandtent op om van een uitsmijter te genieten.

Op de terugweg zet ik Radio 1 uit. Ik hoor nu voor de elfde keer dat de Stint, dat vervoersmiddel waarmee kinderen van school naar de BSO worden gesleept, altijd al onveilig is geweest. Tot diep 2019 zal hij zijn verboden omdat eerst de veiligheid moet worden gegarandeerd.
Het is me duidelijk dat er in Hilversum flink wordt bezuinigd op nieuws. Met een paar nieuwsberichten vullen ze een hele dag. Radio 1 is de zender van de herhaling. Ik snap nu ook waarom ze zoveel muziek draaien, lekker makkelijk zendtijd vullen en het kost geen drol.

Beeldblog

Vrijdag 14 december, Bloemendaal

Zalig

Donderdag 13 december, Lhee

Ik geef het meteen toe: ik ben verre van attent. Ik ben zelfs verwijtbaar onattent. Zo neem ik nooit eens een bos bloemen voor Wyb mee, nooit verras ik haar eens met een bijzondere fles wijn. Niet omdat ik niet zou willen, ik denk er niet eens aan. Elke keer weer neem ik mij voor een bos of fles mee te nemen. Elke keer komt er weer niets van. Wyb noemt dat onromantisch en ze weet best dat ze me daarmee raakt. Terecht natuurlijk.
En het is erger. Verjaardagen van anderen? Denk ik nooit aan. Misschien omdat ik helemaal niet van verjaardagen hou, op de eerste plaats die van mijzelf. Maar dat wil niet zeggen dat anderen er ook niet van houden. Sowieso ben ik slecht in het koesteren van vriendschappen. Niet omdat mijn vrienden mij niet lief zijn, als ik ze zie vind ik dat fantastisch. Maar om bij ze op bezoek te gaan of eens te bellen? Ondanks goede voornemens komt het er niet van.

Nou moet ik zeggen dat ik nooit had gedacht dat het onderhouden van contact met de allernaasten, kinderen, kleinkinderen, familie, zoveel tijd in beslag nam. Alle tijd die ik overheb, gaat op aan het bezoeken van Ameland, Amsterdam en Kollum. Ik denk dat ik wat dat betreft niet verwijtbaar bezig ben. Zo maakten Anne en ik gisteren nog een wandeling over het strand van Bloemendaal. De wandeling was niet lang omdat de noordelijke wind guur het strand en ons striemde.

Ik kom op dat attent zijn omdat ik gisteren zomaar een kerstkaart in de bus vond van Jochem en Suzan, mijn neef en zijn vrouw. Een langharige teckel -is het hun eigen langharige teckel Guus?- met vleugels vliegt door een blauwe lucht met gele sterren. Met de kaart wensen Jochem en Suzan ons zalige dagen.
Hebben wij vorige jaar überhaupt één kerstkaart gehad? Ik geloof het niet. Terecht, want wij versturen nooit kerstkaarten en wie niet zo attent is om iets terug te sturen wordt van het lijstje geschrapt. Begrijp ik best.

Nu ik deze kerstkaart krijg, ben ik oprecht blij. Gewoon omdat het heel aardig is en ook omdat ik opeens besef hoe zeldzaam kerstkaarten worden. Hoe leuk is het dan om er een te ontvangen: ‘Lieve Wyb & Gerard, heb fijne feestdagen en een fantastisch 2019!’ Wat goed. Ik vind het bovendien wel grappig dat uitgerekend mijn neef tot de afzenders behoort. Mijn neef is namelijk de enige popartiest in onze familie. Menige avond staat hij als een hardcore rock ‘nd roller met intimiderende kleding en blik het publiek plat te spelen. Zijn fans hebben geen idee dat hij met kerst kaarten verstuurt waarop hij zijn naasten zalige dagen wenst.

Met die kaart leren Jochem en Suzan mij onbedoeld een lesje. De kaart zegt ook tegen mij: ‘Wat ben je toch een lul dat jij nooit eens attent bent. Moet je kijken hoe fijn het is om zo’n kaart te ontvangen.’ Maar ook nu zal het Ik weer dominanter zijn dan de wijze les. Bij voorbaat geloof ik niet dat ik vanaf nu wel attent zal zijn. Het zit gewoon niet in me. Excuses aan iedereen die dat ondervindt.

Gevonden

Donderdag 13 december, New York/Lhee

Meester

Woensdag 12 december, Lhee

Ik wil niet zeuren, maar ik vind dat Raden van Toezicht van theaters verplicht zouden moeten worden om De Ambachtsman van Richard Sennett te lezen. Sinds de meeste theaters van stichtingen zijn overgestapt op het Raad van Toezicht model is er iets veranderd. De bestuursleden in de oude stichtingsbesturen werden bevolkt door mensen die een grote binding hadden met de stad, de cultuur, met het maatschappelijk en politieke speelveld. Tegenwoordig zie je dat de oud-politici, de diehard-cultuurliefhebbers, mensen die anderszins maatschappelijk actief waren, zijn vervangen door makelaars, bankmanagers en andere lieden uit het bedrijfsleven. Het is de stille tocht van de VVD door de instituties. Achterliggende gedachte: als we maar mensen uit het bedrijfsleven in de besturen van de theaters zetten, dan worden die instellingen efficiënter bestuurd.

Het vervelende daarbij is dat het type VVD’er de afgelopen decennia is veranderd. Het Oude Geld met culturele bagage is vervangen door de HEAO’er met zero culturele bagage. De makelaars, de bank-employees en andere excell-sheet ridders doen hun werk. Bij de keuze van een nieuwe theaterdirecteur wordt er vaak iemand van buiten genomen, het liefst uit het bedrijfsleven. Soort zoekt soort. Zo worden HRM-managers opeens theaterdirecteur, evenals organisatiedeskundigen, hoteliers, communicatie-adviseurs en dierentuindirecteuren.
Is daar iets mis mee? Ja zeker. Deze mensen hebben mogelijk verstand van managen, maar weten niets van theater. Dat kunnen ze wel krijgen, maar te vaak zorgen ze ervoor dat theaters routinematige, bloedeloze instellingen worden. Goed managen is bij het leiding geven aan een theater van groot belang, maar is maar een deel van het verhaal. Uiteindelijk gaat het erom een theater een ziel te geven, te laten vliegen.

Terug naar Richard Sennett. Het boek van Sennett zorgt voor een herwaardering van het begrip ambacht. Ik ben er van overtuigd dat theaterdirecteur een vak is, een ambacht. Een vak dat je moet leren. En als zoveel ambachten, leer je het vak voornamelijk door de praktijk. Een theater heeft zijn eigen gewoontes en wetten. Die begrijp je pas door er daadwerkelijk mee te werken. Niet voor niets dat vroeger de meeste theaterdirecteuren uit het theater zelf voortkwamen. Gebeurt tegenwoordig niet meer omdat de meeste Raden van Toezicht denken dat wat uit het bedrijfsleven komt lekkerder is. Een grote vergissing. Voor het vak heb je namelijk vakkennis nodig is. Wie programmeert zal kennis moeten hebben van het aanbod, de bedrijfsvoering die, anders dan bij een makelaardij, nooit winstgevend is te krijgen. Nee, wethouder, makelaar, CEO en CFO, geloof me nou maar, zet het uit jullie hoofden: een theater is nooit winstgevend te krijgen. Joop van den Ende dan? Joop maakt op wat hij bij de tv heeft verdiend, Joop is zijn eigen subsidiënt. En alles wat Halbe Zijlstra daar anders over zei, was net zo’n leugen als zijn verhaal over die datsja. 

Ik hou dus een pleidooi voor theaterdirecteuren die het vak van binnenuit hebben geleerd. Voor het oude model, zeg maar: leerling, gezel, meester. Ik bedoel dus de Nel Oskammen, de Leo Potten, de Frans Lommersen, de Roel Oostra’s, om nog maar eens een oude meester te noemen.

Dit blog verschijnt ook als column in het decembernummer van het theaterblad Scènes

Gevonden

Donderdag 13 december, New York/Lhee

Draaien

Dinsdag 11 december, Lhee

Op een rotonde in Tilburg staat een doorzonwoning. Elke 53 minuten draait het huis een rondje om de rotonde. Er woont niemand in het huis, het huis staat daar leeg te zijn.
Jarenlang heb ik niet ver van het draaiend huis gewerkt, vaak reed ik er langs en genoot ik van het omstreden kunstwerk. Zo lang het er staat, is het onderwerp van discussie. Velen vinden het een belachelijk kunstwerk, het dient geen enkel nut. Het was vooral voor de populisten in de gemeenteraad en daar buiten een lekker onderwerp waar ze hun pijlen op konden richten.

Zoveel mensen tegen en ik genoot er juist van. Hoe kan dat? Waarom vond ik het kunstwerk van John Körmeling juist mooi? Ik stelde me deze vragen omdat het draaiend huis opnieuw onderwerp van politiek gekrakeel is geworden. Het huis stond een tijd stil en was nodig toe aan reparatie en een onderhoudsbeurt. Kosten €45.000. De populisten haalden hun hart op. Als inwoner van Dwingeloo tekende ik een petitie dat het huis weer moest gaan draaien. Een oude liefde laat je niet in de steek.

Waarom vind ik dat draaiende huis nou zo mooi? Op de allereerste plaats door het vervreemdend effect. Alles in deze maatschappij lijkt volkomen gaaf en afgerond, alles is geregeld, alles heeft nut en is uitgekiend, niets wijkt af van het efficiënte. En dan staat daar opeens een doorzonwoning, symbool van Hollands kneuterigheid en welvaart, op een rotonde zinloze rondjes te draaien. Dat tegenwicht maakt mij vrolijk. Er zijn nog mensen, de kunstenaar, de bestuurders die zich voor het kunstwerk hard maakten, die buiten de lijnen durven te denken.

Het huis appelleert ook aan mijn diepgevoelde existentiële overtuiging dat in feite niets enig nut heeft. Dit huis is er een mooi symbool van. In dit pamperend land (waar ik helemaal niet tegen ben) is men vaak overtuigd dat alles is geregeld, dat alles beheersbaar is. Maar helaas: ashes to ashes, dust to dust. De mens stelt niets voor, voor ons leegte, na ons leegte. Voor mij was het lege, zinloos draaiende huis daar het symbool van.

Voor mij was er ook een esthetisch element waarom ik het mooi vond. Al die auto’s die de rotonde namen met hoge snelheid. Gehaast, doelgericht. Druk, druk, druk. En dan het huis dat op zijn eigen uiterst trage tempo zijn rondjes op de rotonde draait. Het kan me ontroeren, ik zie er schoonheid in.

En laten we het niet te zwaar maken, het is natuurlijk ook humor. Een huis dat om een rotonde draait is ook gewoon lachen, een vrolijke absurditeit.

Gelukkig heeft het gemeentebestuur ervoor gekozen het huis weer op te knappen en te laten draaien. Hulde! Er zijn nog mensen die lef hebben, die tegen de stroom, de wil van het grote publiek inroeien -de voorwaarde voor dynamiek en vooruitgang. Er is nog hoop.

Gevonden

Dinsdag 11 december, Amsterdam/Lhee

Life changing

Maandag 10 december, Lhee

‘Om vreugdevolle redenen verschijnt er tot dinsdag 11 december geen blog,’ stond een paar dagen boven Dossiermoddergat. Jan blogde al enigszins ongerust en nieuwsgierig waar Neef nou in godsnaam was. Laat ik eerlijk zijn: ik spijbelde.
Wyb en ik zaten een paar dagen in een huisje in de Ardennen. En de Ardennen was zoals ik het nooit anders heb meegemaakt, laag hangende donkere lucht, regen en als het regenen stopt het druppelen van het regenwater van de takken en de bomen. Als ik ’s nachts Dies uitliet: donkere stilte.
Ik had die zin met ‘om vreugdevolle redenen’ boven Dossiermoddergat gezet omdat ik ervan overtuigd was dat het met dat internet in de Ardennen wel niets zou worden. Voor de zekerheid dus. Maar eerlijk is eerlijk, we hadden prima internet, zelfs nog sneller dan thuis.  Omdat de zin al op Dossiermoddergat stond, bedacht ik dat ik ook wel een paar dagen kon spijbelen.

Laat ik nog eerlijker zijn. Dit lange weekend was al een paar weken gepland. Wat niet gepland was dat Wyb en ik met een groot project bezig zijn. Op weg naar de Ardennen gingen we langs mensen die met dat grote project annex zijn en bespraken we de mogelijkheden en omstandigheden. De lezer heeft natuurlijk al lang door dat het grote project vooralsnog geheim moet blijven. Ik kan de lezer echter verzekeren dat het voor ons life changing is, de lezer houdt dus nog iets te goed.
In plaats van een weekend helemaal niets doen, werd het een soort studieweekend. We bestudeerden artikelen en cijfers en surften over het internet op zoek naar meer informatie. We hielden de pro’s en contra’s tegen het licht en bedachten hoe we het moesten aanpakken en wat dat voor de rest van onze leven betekende. Het zijn spannende tijden. Alle reden om dit blog te blijven volgen, zo kent ook Dossiermoddergat zijn eigen cliffhangers.

Gisteren wandelden we via een spoorbrug over de Ourthe naar een dorp aan de overkant. Het dorp heette Sy. Mooie naam, vind ik, bijna een mythische naam, doet me aan de Styx denken maar dan nog mooier. Daar troffen we in een dorpscafé een paar Nederlander die elkaar niet kenden. Wat bleek, ze kwamen allemaal uit de buurt van Nijmegen. Toeval dus. Zo kon ik met een vrouw over Bemmel praten en met een ander over Lent. Iedereen in dat café had besloten om Nederland te verlaten en ergens anders een leven op te bouwen. Ze waren daar wisselend enthousiast over.

 

 

 

Gevonden

Maandag 10 december, Verlaine