Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Doctor

Vrijdag 4 september, Delft

 

Een blogger is een sneuper, een jutter: elke dag is hij op zoek naar weer een ander onderwerp om wat gedachten aan te wijden. Sowieso zou je mij een specialist in de vluchtigheid kunnen noemen. Mijn bubbel bestond voornamelijk uit lieden die zich bezighielden met de verbeelding en die, uit wat teksten en wat ideeën, voor een half jaar een nieuwe illusie creëerden. Niets vluchtiger dan het theater.

Gisteren mocht ik kennismaken met een andere wereld: de wetenschap. En dan bedoel ik de echte wetenschap, geen psychologen of sociologen geneuzel, maar hardcore wetenschap. Wyb en ik waren uitgenodigd voor de promotie van Rian, die in de aula van de TU Delft, zo’n kilometer van ons huis, zijn proefschrift verdedigde.

Ruim van tevoren waren wij uitgenodigd en had Rian ons een dik boek gestuurd met 339 pagina’s, met de titel: Supporting strategic design decisions for drinking water infrastructure systems, jawel, in het Engels dus. Ik heb het serieus proberen te lezen en kwam er eigenlijk meteen achter hoe beperkt ik ben.

Ik heb ontzettend genoten van deze promotie. De laatste promotie die ik meemaakte vond zo’n veertig jaar geleden plaats in het oude bestuursgebouw van de Universiteit van Groningen, gebouwd en ingericht om grandeur uit te stralen. Hier in Delft, op de campus die is uitgegroeid tot een stad op zich, is alles efficiënt en prima geoutilleerd.
Misschien daarom was ik bijna ontroerd toen in deze bèta-omgeving acht mensen de ruimte betraden, gekleed in gewaden die vermoedelijk uit de middeleeuwen stammen. Zij werden voorafgegaan door een pedel (een ceremoniemeester) met in haar hand een staf, of liever een stok, waar een tamboer-maître jaloers op zou zijn. Een slag op de grond en de verdediging van het proefschrift kon beginnen.

Gelukkig begon de bijeenkomst met een lekenpraatje, waardoor zelfs Wyb en ik begrepen wat Rian nou eigenlijk had onderzocht. Ik hoop dat ik het in lekenwoorden goed weergeef: hij heeft modellen onderzocht waarmee je strategische beslissingen kunt nemen over drinkwatervoorzieningen: beslissingen die over honderd jaar de infrastructuur bepalen.

Mijn echte genot zat erin mensen te horen praten die écht over iets hebben nagedacht en écht ergens verstand van hebben, mensen die de diepte in zijn gegaan, mensen die monnikenwerk hebben verricht. Ik geloof dat Rian wel tien jaar aan zijn proefschrift heeft gewerkt.
Rian moest tegenover vier opponenten, zoals dat heet, zijn proefschrift verdedigen — en dat deed hij met verve. Het mooie is dat Rian naast zijn wetenschappelijk werk een man van de praktijk is. En dat kun je merken. Als ik dacht: wat een rotvraag. Dan was die vraag voor Rian geen enkel probleem. Aan alles merk je dat hij diep in de materie zit en die tot de bodem beheerst. Wat is het toch heerlijk om nou eens niet naar flauwekul te hoeven luisteren.

Overigens erg lief dat die opponenten, als ze aan de beurt zijn om hun kritische vragen te stellen, een zwarte baret opzetten, zoals ze dat ook doen bij het betreden en verlaten van de zaal. Zelfs in deze exacte bèta-wereld ontbreekt dus het spelelement niet. Ceremonies en rituelen geven een mens nu eenmaal zo’n heerlijk kader waardoor ze niet uit de bocht vliegen.

Aan het eind van de verdediging van het proefschrift komt de pedel weer binnen. Of er nou wel of niet iemand aan het woord is, ze slaat met haar staf op de grond en roept: ‘Hora est.’ Dat betekent: ‘Het is tijd.’ De commissie trekt zich dan terug om te beraden of ze de kandidaat de doctorstitel kunnen verlenen. Volgens mij een formaliteit, want zelfs voor mij was duidelijk dat Rian hem meer dan verdiende.

Wat ik dan wel weer mooi vond is dat de bijeenkomst in de universiteitskantine eindigde met bitterballen. Zo is er zowaar nog enige overeenkomst tussen de wetenschap en de theaterwereld.

Journal d’images

Rian achter het katheder, met voor hem zijn paranimfen.  

Journal

 

De Wyb

Donderdag 3 september, Delft

 

Eergisteren schreef ik een blog over het cadeau dat ik kreeg bij mijn afscheid van De Harmonie. Al tijdens het schrijven moest ik denken aan het cadeau dat Wyb kreeg bij haar afscheid van Schouwburg Ogterop. Een afscheid omdat Wyb en ik hadden besloten het theater de rug toe te keren en af te reizen naar Frankrijk om een chambres d’hôtes te runnen. Op naar een nieuw leven.

Het afscheid van Wyb was wat je noemt een warm afscheid. Er werd niet alleen afscheid genomen van een theaterdirecteur, maar ook van een Meppeler van het Jaar. Een titel die ze kreeg terwijl ze niet eens in Meppel woonde. Dan heb je toch echt je best gedaan.
Er waren mooie toespraken, wapenfeiten werden gememoreerd, er was applaus en hier en daar viel een traan.

Het hoogtepunt was de uitreiking van het afscheidscadeau door de wethouder. Hij overhandigde haar een beeldje dat hij De Wyb noemde. Het was een steltlopertje — omdat Wyb zo van het wad en van vogels hield. Op zijn kopje stond een kroontje in de vorm van de W van Wyb. Ik wist dat Wyb het prachtig vond. Ze is gek op dit soort beeldjes. Het beeldje was bovendien gemaakt door Wessel Bezemer, een kunstenaar die Wyb zeer waardeerde.

In de loop de toespraak bleek dat De Wyb méér dan een beeldje was: het was een prijs. Elk jaar zou hij worden toegekend aan een bijzonder jong cultureel talent in Meppel, een soort aanmoedigingsprijs dus. Er zou een jury komen en elk jaar een feestelijke uitreiking. Het steltlopertje was de wisselprijs die de winnaar mee naar huis mocht nemen. Dus aan het eind van de toespraak moest Wyb De Wyb weer aan hem teruggeven. Het zou in Ogterop in bewaring blijven. Ik zag dat Wyb het beeldje met enige spijt weer aan de wethouder teruggaf.

‘Ik weet het niet,’ zei ik toen we na het afscheid terugreden in de auto.
‘Wat niet?’
‘Met die prijs. Ik heb er een zwaar hoofd in. Elk jaar een uitreiking aan een bijzonder jong cultureel talent. Eerlijk gezegd heb ik de afgelopen jaren in Meppel geen talent gezien dat een prijs verdiende. Een stadje als Meppel, dat wordt gewoon één keer in de vijftien jaar.’
‘En wie gaat er in de jury zitten? En wie gaat die uitreiking jaarlijks organiseren? De gemeente Meppel? Dat gaat gewoon niet gebeuren,’ vulde Wyb aan.
‘Toch mooi dat er een prijs naar je is genoemd,’ troostte ik haar.
‘Maar het was zo’n mooi beeldje. Ik dacht dat ik het kreeg. Ik ga gewoon aan Wessel vragen of hij voor mij ook nog zo’n beeldje wil maken. Daar heb ik best geld voor over.’

Helaas wachtte ze daar iets te lang mee, want kort daarna overleed Wessel. De Wyb zou dus de enige in zijn soort blijven. Onze sombere voorspellingen kwamen uit. Het eerste jaar werd De Wyb niet uitgereikt en alle andere jaren daarna ook niet.
De Wyb stond in een archiefkast in haar voormalige kantoor in Ogterop. Rechts van De Wyb stond een dikke rij beleidsnota’s die niemand ooit nog zou lezen. Links stonden boeken met subsidievoorwaarden en langstermijnverkenningen waarin ambtenaren schreven over stippen op de horizon. De ruimte waarin De Wyb stond, werd steeds kleiner: de beleidsnota’s rukten op. In haar kroontje huisde het stof.

Op een avond, na een voorstelling, liepen Wyb en ik alleen door een donker Ogterop. Wyb wees naar het kantoor waar De Wyb al vijf jaar stond.
‘Ik ga hem jatten,’ zei ik. ‘Dit is onze kans.’ En ik liep naar het kantoor. Enige kwaadaardigheid is mij niet vreemd.
‘Ben je nou helemaal gek geworden? Stel dat we worden betrapt.’
‘We worden niet betrapt. Er is niemand meer.’
‘Ik wil het niet hebben. Zo wil ik geen afscheid nemen.’ En dat begreep ik ook wel. Waardoor De Wyb weer eenzaam achterbleef in de archiefkast.

We denken nog regelmatig aan De Wyb. Ik kan haar zelfs horen denken.
‘Die schijnwerpers, het begon zo veelbelovend.’
‘En dan te bedenken dat die vrouw, die Wyb, naar wie ik ben genoemd, zo verliefd naar mij keek.’
‘En nu sta ik hier: eens een prijsdier, nu een dode mus.’

Journal d’images

De wethouder reikt aan Wyb De Wyb uit.

Journal

 

Overasselt

Woensdag 2 september, Delft

 

Overasselt. Als ik de naam van dit plaatsje hoor, ben ik meteen alert. Het is namelijk het plaatsje waar het geslacht Tonen eeuwenlang heeft gewoond. Ik weet niet of je in ons geval van een ‘geslacht’ kunt spreken. Het woord geslacht hoort bij adel en mensen met geld. Het geslacht Tonen bestond eeuwenlang uit arme landarbeiders. Goed beschouwd hebben wij geen geschiedenis. Van mijn voorgeslacht is niets opgetekend, er zijn geen foto’s of schilderijen van, laat staan een familiewapen. Mijn opa, die politieagent was, was volgens mij de eerste die uit de armoe van de landbouw wist te ontsnappen.

Vandaag is Overasselt dus decor van heus maffiageweld. Ik heb een paar keer het filmpje bekeken waarin zo’n dertig, veertig mannen ’s nachts met kalasjnikovs door het dorp lopen. Als je het mij vraagt, was het een ongeorganiseerde bende. Het leek er meer op dat ze naar een voetbalstadion liepen dan naar een mogelijk aanvalsdoel. Of ze er een clublied bij zongen weet ik niet, jammer genoeg was er geen geluid bij het filmpje. Maar als dit het privélegertje van Bolle Jos is, dan raad ik hem toch aan de boel beter te organiseren. Toen het spannend werd, renden de eerste hooligans al snel weg en gooiden ze hun wapen in de heg van de buren. Een zooitje dus, maffia van lek m’n vestje.

Ik weet dus niets van mijn familiegeschiedenis. Ik weet alleen dat wij met mijn opa wel eens naar familie in Overasselt gingen. Wat ook niet meehielp, is dat mijn vader niets van zijn familie moest hebben: ze interesseerden hem totaal niet.
In de tijd dat er nog telefoonboeken waren, zocht ik ooit de pagina’s van Overasselt op en tot mijn verbijstering waren er drie pagina’s waarin de naam Tonen voorkwam. Thoonen, Thone, Thoone, in allerlei varianten, maar niet onze variant: Tonen. Volgens mijn moeder behoorden wij tot de arme tak van de familie omdat wij geen extra letter konden betalen.

Ik heb nooit een hoge pet opgehad van mijn achternaam: Tonen. Ik vind het een harde naam, er zit niets zwierigs aan die naam. Bovendien woonden er ook in Nijmegen ontzettend veel Tonens, het is een echte Nimweegse naam. Vroeger dacht ik dat Tonen de meest voorkomende naam in Nederland was. Maar toen ik in Groningen ging wonen, bleken er slechts twee Tonens te wonen. In Leeuwarden woonde helemaal niemand met die naam. In Delft idem dito. Dus langzaam is de naam in mijn hoofd toch wat opgewaardeerd. Zo ordinair is hij dus blijkbaar ook niet.

Er hangt drama rond Overasselt. Ik zal een jaar of vier, vijf jaar zijn geweest. Met z’n vieren gingen we op de motor naar Overasselt om naar de Vierdaagse te kijken. We, dat waren mijn vader en moeder, ik en mijn lievelingsknuffel Monkey, die mijn opa uit Canada had meegebracht. Mijn vader voorop, mijn moeder achter hem en ik in het midden met Monkey. Vanaf een terras keken we naar de wandelaars.
Eenmaal terug thuis bleek Monkey weg te zijn. Vermoedelijk had ik hem onderweg uit mijn handen laten vallen. We reden nog een keer terug en keken goed of we hem langs de weg zagen liggen. Maar Monkey was voorgoed verloren.
Ik wil niet zeggen dat dit een jeugdtrauma is, dat woord wordt volgens mij tegenwoordig wel heel snel in de mond genomen, maar het is wel zo dat ik eenenzeventig jaar later nog precies mijn verdriet kan herinneren.
Mijn moeder zei dat Monkey vermoedelijk heimwee had gekregen en terug naar Canada was gegaan met de Canadese militairen die langs marcheerden.
Maar daar geloofde ik natuurlijk niks van.

Journal d’images

Mijn vader en moeder.

Journal

 

Cadeau

Dinsdag 1 september, Delft

 

Twee keer heb ik afscheid van Leeuwarden genomen. Het eerste afscheid mag ik wel eclatant noemen: een volle zaal, mensen die optraden, veel lieve woorden, mooie cadeaus. Bij het tweede afscheid verdwenen Wyb en ik met de staart tussen de benen door de achterdeur, ingesmeerd met pek en veren. Zo maak je wat mee in het leven.

Maar nu gaat het me even om het eerste afscheid en die mooie cadeaus. Van het gemeentebestuur van Leeuwarden kreeg ik namelijk een cassette met het verzameld werk van Nescio. Dat was buitengewoon goed uitgezocht — en het werd een van de mooiste cadeaus die ik ooit heb gehad.

Ik herlees eigenlijk nooit iets. Zonde van de tijd, denk ik dan. Er moet nog zoveel gelezen worden. Maar samen met J.D. Salinger en A.L. Snijder is Nescio een vaste waarde in mijn leven. Regelmatig herlees ik zijn drie grotere verhalen: De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje.

Ook deze dagen weer. Dat komt eigenlijk door Knausgård, ik merk dat ik enigszins door hem ben ontregeld na het lezen van al die bladzijden. Hij is gewoon in mijn poriën gaan zitten.
Nadat ik Mijn strijd uit had, begon ik met het lezen van Mijn naam is Garrigue van Henk Romijn Meijer, een historische roman die zich in de Dordogne afspeelt. Leuk, dacht ik, interessant, maar het boek steekt zo kneuterig af tegen de onverbiddelijke Knausgård dat de lust om verder te lezen steeds weer verdwijnt. Ik heb nu besloten het maar even te laten liggen. Het komt later wel, als ik als lezer enigszins ben gestabiliseerd.

Om weer enigszins tot mijzelf te komen, haal ik de stoffen cassette van Nescio uit de kast. Door hem te lezen keer ik altijd terug naar wat blijkbaar mijn basis is: ik word er in ieder geval rustig van. Misschien omdat het zo vertrouwd en heerlijk van toon is. Al die verkleinwoordjes die hij gebruikt, maken de wereld zo heerlijk behapbaar.

Maar nu komt het schandalige. Ik realiseer me blijkbaar nu pas dat ik het verzameld werk van Nescio heb gekregen. Ik heb weliswaar die drie langere verhalen altijd herlezen, maar een groot deel van het verzameld werk heb ik nooit gelezen. Ik ontdek het nu pas: zesentwintig jaar nadat ik de cassette kreeg. Dus ik ben nu bezig een schat te openen, een schat van voor mij onbekende teksten van Nescio. De mens, in het bijzonder mijzelf, is een raadselachtig wezen. Waarom heb ik dat niet eerder gedaan?

Het verzameld werk bestaat trouwens uit twee delen. Het tweede deel is een natuurdagboek, en daar heb ik dan wel weer grote delen van gelezen. Nu ik al die nieuwe verhalen lees, realiseer ik me dat ik het genot van het rondzwerven onder meer van Nescio heb geleerd.

Journal d’images

Nescio.

Journal

 

Censor grijpt in

Maandag 31 augustus, Delft

 

Lang geleden, toen ik begon met het schrijven van blogs, bleek het nodig om Wyb officieel tot Censor te benoemen. Ik ben van mening dat je als schrijver over alles kunt en mag schrijven. Maar al snel bleek dat ik daarmee in botsing kon komen met mijn directe omgeving. Niet iedereen vond alles leuk wat ik schreef. Het bleek dat ik iemand nodig had die mij tijdig kon corrigeren en, als het moest, zelfs ingrijpen —  vandaar die Censor.

In het begin speelde De Censor best een grote rol. Al snel vond ze dat iets te ver ging. Overigens vond ik wel dat mijn Censor zeker niet het laatste woord moest hebben, uiteindelijk ga ik over mijn eigen schrijfsels. Nadat ik De Censor een aantal keren had gepasseerd en ze steeds meer aan mijn indiscretie begon te wennen, werd de rol van De Censor minder groot.

Sterker nog: de afgelopen jaren had zij nauwelijks werk. Ik liet mijn blogs wel vaak van tevoren lezen. Soms vond ze dat ik iets niet moest plaatsen, maar dan zei ze: ‘Maar ja, jij trekt je toch niets aan van mijn censorschap.’

Maar vandaag blijkt dat dit niet waar is. Ik liet haar mijn blog van vandaag lezen en De Censor was heel resoluut: ‘Dit moet je zeker niet plaatsen. Het is wel internet waar je alles op gooit.’ Ik wist dat ze dit zou gaan zeggen. Gelukkig ken ik De Censor en haar overduidelijke criteria vrij goed.
Daar komt bij dat ik zelf ook grote twijfels had. Ik vond het eigenlijk een heel goed blog, maar ook erg privé. Soms ben ik best een lafaard. Overigens was het helemaal niet iets wat De Censor zelf betrof, het blog ging vooral over mijzelf.

Na het dringende advies van De Censor — zeg maar gerust ingrijpen — heb ik daarom besloten het blog van vandaag niet te plaatsen. Jammer, want de lezer had er vast van gesmuld. Maar ja, soms moet je als Blogger ook voor jezelf kiezen.

Journal d’images

Journal

 

Theaterhart 2

Zondag 30 augustus, Delft

 

Nu ik op Substack zit, lees ik ook wel eens verhalen van andere schrijvers. Al zappend door het enorme Substack-bestand — er wordt wat afgeschreven in Nederland — kwam ik een blog van Niko Bovenberg tegen. Het was een tekst waarvan ik meteen veel meer had willen lezen. Ik abonneerde mij op zijn account en sindsdien heb ik het steeds als ik iets van hem lees: behoefte aan meer.

Waarom ik fan van zijn teksten ben, kan ik niet helemaal duiden. Lees hieronder een tekst van hem. Zijn verhalen zijn helder, hebben een prettige, wat cynische ondertoon en zijn wat norsig. De humor is nooit ver weg. Soms ligt de humor verscholen in de tekst, soms floept hij opeens duidelijk omhoog. Ik zou zeggen, zoek hem even op en lees hem: Niko Bovenberg. Ik bleek Niko eigenlijk al te kennen, want voor het theatervakblad Zichtlijnen schreef hij regelmatig columns onder het pseudoniem Toneelknecht Kees. Ik had Niko aan zijn stijl kunnen herkennen.

Niko woont nu op Texel met zijn hond Beer, wandelt veel en komt mensen tegen die vervolgens figureren in zijn korte verhalen. Maar het verleden van Niko ligt in Rotterdam en Amsterdam, waar hij eerst bij het Ro Theater en daarna bij Toneelgroep Amsterdam (TGA) werkte als toneeltechnicus. En dan weet je meteen dat hij het nodige voor de kiezen heeft gehad. Texel dus, maar een terugkerende titel is Heimwee naar Amsterdam. En dat zal niet voor niets zijn.

Ik denk dat toneeltechnicus zijn een van de zwaarste beroepen van Nederland is. Het publiek gaat ’s avonds naar een voorstelling, zit anderhalf uur in de zaal en gaat daarna weer lekker naar huis. Niemand staat erbij stil wie die voorstelling heeft opgebouwd en alles achter het toneel regelt.

Elke dag vindt voor die voorstelling een enorme verhuizing plaats. Om tien, elf uur verschijnen een of twee grote trailers met decor bij het theater. De boel moet worden uitgeladen en opgebouwd, en daar zijn toneeltechnici dik een hele dag mee bezig. Dan komt het publiek om er anderhalf uur van te genieten. Maar dan moeten de toneeltechnici de boel weer afbouwen, weer in de trailers laden en terug naar huis rijden. Toneeltechnicus zijn is, denk ik, meer een roeping dan een beroep, anders hou je het niet vol. Ik ken geen toneeltechnicus die zonder lichamelijke klachten zijn pensioen haalt.

Op 23 augustus schreef ik een blog met de titel Theaterhart. Daarin fulmineerde ik een beetje tegen de theaters die tegenwoordig niet meer de namen van schrijvers, regisseurs en acteurs vermelden. Ik word daar boos om omdat ze ontkennen waar het in het theater werkelijk om gaat: de makers. Een theater is maar een winkel, slechts een doorgeeffabriek. Het is totaal afhankelijk van de mensen die iets maken. Door hun namen niet te noemen, toon je niet alleen geen respect, maar onthou je het publiek van wezenlijke informatie. Want die samenwerking van mensen bepaalt ook het karakter van de voorstelling. Dom dus om geen credits te vermelden. Ze etaleren er hun eigen onkunde mee.

Niko Bovenberg reageerde op dat blog. En die reactie wil ik de lezer van Dossiermoddergat niet onthouden. Voor de duidelijkheid: de Bourla is een theater in Antwerpen. Gerardjan Rijnders was de artistiek leider van TGA. Dat mosselfestival heeft ermee te maken dat de statige entree van de Amsterdamse Stadsschouwburg door managers werd omgebouwd tot een van de rommeligste restaurants van Nederland. Niko schreef:

‘Je hebt helemaal gelijk. Alles vermelden. Moest ooit een tijdens de zomervakantie in de Bourla zijn. Bij de publieksingang zag ik enorme banieren hangen. Daarop alleen namen: van acteurs, dirigenten, dansers, regisseurs, schrijvers, decorontwerpers, choreografen, componisten, zangers, violisten en nog veel meer. Ik zag zelfs de naam van een dramaturg/vertaler.

We zijn met veel, dacht ik. Met zekere trots omdat ik ook de naam van Gerardjan Rijnders zag staan. En we worden verwacht, de mensen weten dat we komen, er wordt op ons gerekend, we zijn welkom, we tellen mee in deze stad. Ik zag samengebalde verbeelding, scheppingsdrang en een soort verantwoording aan de stad voor het geld dat de Bourla jaarlijks ontvangt: we gebruiken uw geld goed. Want ik zag er ook Bob Wilson en Pina Bausch tussen. Ik maakte foto’s.

Een week later fietste ik langs de Stadsschouwburg Amsterdam. Ik zag geen banieren. Op het spandoek dat aan de reling van het Ajaxbordes hing zag ik geen aankondiging van de naderende première maar stond er ‘mosselfestival!

Reclame voor de Leidsepleinhorecagelegenheid die tegenwoordig de hoofdingang verspert zodat de Koning nu via de zijingang naar binnen moet en dus niet meer komt.

Ik stuurde een woedend mailtje naar het publiciteitshoofd van TGA. Stuurde foto’s uit Antwerpen mee.

‘Godver! Dankjewel Niko! Ik onderneem actie.’ Direct op haar fiets gestapt.

Ze had iemand vermoord, hoorde ik later van de achterportier.’

Journal d’images

Aan deze gevel hing dus ooit het spandoek met ‘Mosselfestival’.

Journal

 

Boots on the ground

Zaterdag 29 augustus, Delft

 

Dat ik niet meer van deze tijd ben, blijkt wel uit het feit dat ik elke ochtend eerst kijk naar Teletekst, een volstrekt achterhaald medium. Ik word ervoor uitgelachen door mijn dochters. ‘Teletekst, wie kijkt er nou in godsnaam nog naar Teletekst?’ Ik dus. Het geeft me een mooi, kort overzicht van het laatste nieuws.

Zo lees ik: Peter Cullen overleden. Who the hell is Peter Cullen? Nog nooit van gehoord. Tot mijn verbazing lees ik dat deze ‘kunstenaar’ de stem is van Transformeer Optimus Prime was. Wat krijgen we nou? De stem van een Amerikaanse transformer, is dat nieuws in Nederland? Ik gun ieder mens zijn necrologie, een mooi in memoriam, maar dit is toch kulnieuws. Is er werkelijk iemand in Nederland geïnteresseerd in het overlijden van de stem van een Transformer?

Dit is toch regelrechte nieuwsvervuiling. Na Teletekst lees ik NOS Nieuws en daarna duik ik nog in de Volkskrant en NRC. Ik verzuip al in allerlei nieuwsfeitjes. Dat doe ik met plezier en met grote interesse, maar val me niet lastig met Peter Cullen. 

Dat er aandacht wordt besteed aan het overlijden van Dolly Parton — oké. Maar ook de aandacht voor haar vind ik totaal overdreven. Ik vond die Parton toch vooral een uiting van Amerikaanse folklore. Gelukkig bleek dat ik niet de enige was die niet tegen haar stem kon. Dat was nou een zangeres die mij geen moment heeft kunnen raken. Ik zette haar altijd weg als Amerikaans plastic, een levende Barbie.

Hoe kan het toch dat wij zoveel aandacht hebben voor die Amerikanen? Als je ziet wat voor een rijke cultuur we op ons eigen continent hebben. Over de Franse en Spaanse cultuur lees ik nauwelijks iets, terwijl die toch vele malen interessanter en rijker is dan die Amerikaanse junk.

Het komt natuurlijk doordat we al dezelfde taal spreken. Soms denk ik dat we eigenlijk al Amerikanen zijn. Digitaal zijn we volledig afhankelijk, evenals militair en cultureel. De omsingeling, zoals ik het wel eens heb genoemd, is bijna volledig. Nu is het nog wachten op de landing van de Amerikanen op onze bodem — the boots on the ground — om het Internationaal Gerechtshof inderdaad steen voor steen af te breken.

Ik weet zeker dat er, mocht dat gebeuren, vele Nederlanders met Amerikaanse vlaggetjes langs de weg staan te zwaaien om de nieuwe bezetter welkom te heten. ‘Thank you for liberating us!’ Al snel zal Trump dan de Noordzee uitroepen tot de Sea of Trump. Ik vermoed dat hij per decreet Dilan Yeşilgöz zal benoemen als voorlopig gouverneur van Nederland.
En wij, Nederlanders, zullen zeggen: ‘Doet u maar wat u wilt, meneer Trump. Als u maar afblijft van onze hypotheekrenteaftrek en voor rust in onze portemonnee zorgt.’ Wij gaan ook van die rode petjes dragen en de hofvijver zal Amerikaans blauw worden geschilderd.

Met de koninklijke familie zal Trump een deal sluiten. Natuurlijk mogen ze niet naar Canada vluchten; dat was eens maar nooit weer. Voor hen ziet hij een mooie commerciële en toeristische functie, zodat ze zelf hun broek kunnen ophouden. Ze mogen blijven leven zoals ze nu doen en worden een soort levend museum, voor een schappelijke entreeprijs kunnen wij ze van dichtbij bekijken. Grote sponsors krijgen het voorrecht om met de familie te dineren. Als Trump in Nederland verblijft, mag hij uiteraard bij de familie logeren: noblesse oblige.

Journal d’images

Journal

 

Een symmetrische relatie

Donderdag 27 augustus, Delft

 

Op maandag zie ik dat Anne belt. Ik neem op.
‘Geer, je raadt het nooit.’
‘Vast niet. Vertel.’
‘We zijn uitgenodigd voor een radiointerview. Woensdag om kwart over twee.’
‘Hoezo een radiointerview?’
‘Over onze vlogs. Ze maken een serie over kind-ouderelaties. Ze hebben onze vlogs gezien en ze vinden dat wij een bijzondere relatie hebben.’
‘Ze zijn gek. We praten gewoon een beetje voor de vuist weg.’
‘Voor welke zender is het?’
‘Radio 1.’
‘Wat voor een programma?’
‘Villa VdB.’
‘Programma ken ik. De presentator is Jurgen van den Berg.’
‘Hoe ken je dat?’
‘Als ik in de auto zit luister ik altijd naar Radio 1 en ’s middags komt dat programma dan langs. Hoe laat moeten we er zijn?’
‘Jij mag niet mee. Ze willen alleen mij hebben.’
‘Heb ik kans op fifteen minutes of fame pik jij die van mij af.’
‘Ik heb wel gevraagd of jij mee mocht. Maar ze willen echt alleen mij. Er zit ook een psycholoog bij die erover gaat praten.’
‘Over ons?’
‘Nee, kind-ouderrelatie.’

Een half uur voor het interview belt Anne me op.
‘Geer, ik ben best zenuwachtig. Ik weet opeens niks meer. Waarom zijn we die vlogs eigenlijk begonnen?’
‘Door jou. Jij maakt al jaren filmpjes van mij waarin jij me zogenaamd interviewt. Een tik van je, denk ik. Beroepsdeformatie. Voordat je naar Sri Lanka ging, vroeg je nog wat adviezen aan me. En die beantwoordde ik quasi serieus terwijl jij het filmde. Om de een of andere reden besloot je dat op Instagram te zetten. Tweehonderdvijftigduizend views, mevrouw. Toen wilde jij wel meer filmpjes. Het is jouw idee. Ik ben alleen maar slachtoffer.’
‘O ja, dat is waar.’
‘Maar je hoeft je nergens druk over te maken: je weet alles, want het is jouw idee. Je weet ook wel dat je dit gewoon goed kunt.’
‘Ik ga nu naar binnen, hoor.’
‘Ja, succes.’

Jurgen van den Berg begint met een fragment waarin ik aan Anne vraag of ze als single wel een goed liefdesleven heeft. Natuurlijk een van de meest pikante gesprekken tussen ons. Overigens door Anne zelf uitgezocht.
‘Wat heb jij daar nou mee te maken?’ kreeg ik toen als antwoord.
‘Nou, ik weet niet of je het weet, maar toen jij zestien werd, belde je me op om het heugelijke feit te melden dat je geen maagd meer was. Dus je hebt me altijd op de hoogte gehouden van je liefdesleven. En wat heb ik je toen beloofd?’
‘Dat je tot mijn achttiende mijn condooms zou betalen.’
‘Precies.’

‘Jullie hebben wel een heel symmetrische relatie,’ zegt Jurgen van den Berg.
‘Ja, dat hebben we altijd gehad. Vind je dat raar?’
‘Ik wil je daar een paar vragen over stellen. Hoe reageren de mensen hierop?’
‘Ontzettend positief. We krijgen altijd een heleboel reacties. De meeste mensen zeggen dat ze jaloers op ons zijn, dat wij dat gewoon kunnen bespreken. Er zijn ook mensen die aan hun overleden vader moeten denken, met wie ze ook zo’n band hadden.’

Ondertussen zit ik thuis op de laptop te kijken. Tegenwoordig kun je meekijken met de radio. En ik denk: symmetrisch? symmetrisch? Dus wat ik een normale band vind, heet dus een symmetrische relatie.

‘Is je vader je beste vriend?’
‘Absoluut niet. Ik heb gewoon een andere beste vriend. Maar ik bespreek wel alles met mijn vader.’
‘En zou je met je vader naar Lowlands gaan?’
‘Ik moet er niet aan denken.’

‘Waren je ouders vroeger streng?’
‘Heel erg streng.’
‘Wanneer veranderde dat? Wanneer begonnen jullie op gelijk niveau te communiceren?’
‘Ik denk toen ik vijftien was, toen mijn ouders gingen scheiden. Dan ga je toch meer dingen met elkaar serieus bespreken.’

‘En heb je ook zo’n relatie met je moeder?’
‘Zeker, maar daar doe ik weer andere dingen mee. Met haar ga ik bijvoorbeeld op vakantie, maak ik reizen.’

En zo werden we nog verder gefileerd. Ook de psycholoog deed nog duiten in het zakje. Zowel Anne als ik waren best tevreden met het interview.
Als Anne het gebouw verlaat, roept iemand vanachter een bureau: ‘Ik kijk altijd naar jullie vlogs, doorgaan, hoor.’

Journal d’images

Journal

 

Mijn strijd

Woensdag 26 augustus, Delft

 

Ik klap het boek dicht.
Uit.
‘Het is volbracht,’ zeg ik tegen Wyb — ik heb behoefte aan een plechtig moment.
Zojuist heb ik de laatste bladzijde gelezen van een leestocht van 3678 bladzijden door Mijn strijd, een zesdelige romancyclus geschreven door Karl Ove Knausgård. Het onderwerp van Mijn strijd: Karl Ove Knausgård.

De boeken zijn van een totalitaire intimiteit. Ik weet meer van Karl Ove dan van mijn beste vriend. De schrijver is onverbiddelijk eerlijk. Nou denk ik dat mijn beste vriend best een stabiel leven heeft gehad en dat kan ik van Knausgård niet zeggen. Hij beschrijft zijn leven tot zijn dertigste en dat hangt van onzekerheid, angsten en frustratie aan elkaar.

Soms had ik de behoefte om het boek in te stappen, naar hem toe te gaan en te zeggen dat hij moest stoppen met de onzin waar hij mee bezig was. Vele pagina’s besteedt hij aan zijn drankgebruik. In zijn geval een eufemistisch woord. Zeg maar liever gerust liederlijke zuippartijen. Pas als hij dronken was, kon hij naar tevredenheid met anderen communiceren. Maar het punt is dat er geen stop op zijn zuipen zat. Hij dronk door alle grenzen heen, tot de fase dat hij zich van niets meer bewust was. Zo kon hij ’s ochtends wakker worden in de jas van iemand anders, onder het bloed. Had hij iemand vermoord? Alles was mogelijk. Hij wist dat hij in die onbewuste fase tot alles in staat was.

Een van zijn vele worstelingen was dat het hem maar niet lukte om te schrijven. Terwijl hij maar één ding wilde: schrijven. Hij voelde zich een schrijver. Maar ben je een schrijver als je niets hebt gepubliceerd? Maandenlang deed hij pogingen om te schrijven. Na die maanden was het resultaat vaak niet meer dan een paar A4’tjes, waar hij ook nog eens ontevreden over was. Permanent was hij op zoek naar een eigen stem.

Frustratie stapelt zich op frustratie. Zijn vrienden, vaak jonger dan hij, debuteren wél. Karl Ove studeert dan weer dit, dan weer dat, hij speelt in bandjes en heeft allerlei baantjes om zichzelf in leven te houden. Keer op keer begint hij aan een nieuw verhaal. Nooit wil het lukken. Pas als hij tegen de dertig loopt, verschijnt zijn eerste boek.

Daarnaast is er zijn geworstel met de liefde. Eerst lukt het hem niet een meisje te versieren. Hij wordt steeds ouder en nog steeds is hij maagd. Het maakt hem nog onzekerder dan hij al is. Vervolgens blijkt dat hij tijdens het vrijen veel te vroeg klaarkomt. Uiteindelijk zijn er dan de grote liefdes, en komt hij op dat gebied enigszins tot rust. Maar ook aan die grote liefdes komt steeds weer een einde.

Dit blog maakt de cyclus wel erg plat, vind ik. Beschouw het maar als een impressie. Ik heb met ontzettend veel leesplezier een groot deel van zijn leven gedeeld. Het gekke is dat ik hem nu zelfs als een weerbarstige vriend beschouw, ik hou van zijn vertelstem. Wat mij betreft mag er een Mijn strijd, deel 2 komen, opnieuw bestaande uit zes delen. Een memoir van zijn verdere leven: ik zou het meteen gaan lezen, ik wil graag met hem op leven. In het laatste deel, dat ik als eerste las, komen de eerste delen van Mijn strijd uit. Het is de grote doorbraak naar het succes, zelfs naar de wereldliteratuur, waar hij zo op heeft gehoopt. Maar als het echte grote succes komt, is Mijn strijd al afgelopen. Na al die 3678 bladzijden had ik zo graag verder willen lezen.

Een voordeel dat ik Knausgård nu achter me kan laten, is dat ik weer andere boeken kan gaan lezen. Voorlopig zet ik een rem op boeken van meer dan vierhonderd pagina’s. Het lijkt me heerlijk om een boek weer eens snel uit te hebben en aan een ander te beginnen.

Journal d’images

Journal

 

B&B Vol Liefde

Dinsdag 25 augustus, Delft

 

De politiek heeft zijn zin gekregen: de Nederlandse televisie is in handen beland van managers en aanverwante excelsheetfreaks. En daarmee is een avondje televisie de Grote Niksigheid geworden. De voormalige talkshows zijn stuk voor stuk verworden tot theekransjes voor VVD-politici.
‘Nou, het asielvraagstuk…’
‘Zeker, het asielvraagstuk…’
‘Ja, ja, het asielvraagstuk…’
‘Gewoon rechts stemmen. Dan komt het allemaal goed met het asielvraagstuk.’
Altijd het asielvraagstuk, eindeloos het asielvraagstuk. Verder komen we om in de quizzen en de rest van de avond mogen we kijken naar Bekende Nederlanders die schijnbaar onmogelijke opdrachten uitvoeren. En zo dommelt Nederland weer in een diepe slaap.

Maar er is één programma dat met kop en schouders boven de andere uitsteekt en dat is B&B Vol Liefde. Elke doordeweekse avond genieten Wyb en ik er mateloos van. Wij leven mee met Thomas, Eline en Fred. Het is het meest educatieve programma dat er nog is. Bijna onbespied kunnen we de moderne mens in zijn habitat bestuderen, waardoor je ook lessen, lucky me, voor je eigen leven kunt trekken.

Les 1: als je haar maar goed zit. Het moet strak en onberispelijk zitten. Bekendste voorbeeld, de voorman van deze beweging: Heinen, minister van Financiën. Volgens mij staat achter zijn bureau permanent een kapper, anders kan het niet dat je haar zo strak zit. Ook bij de kandidaten van B&B zien we het: eindeloos voor de spiegel staan en het haar in model drukken. Het ene kapsel is nog modieuzer dan het andere. Kort, geen haartje verkeerd, lekker opgeschoren, kwakje wax. Vroeger noemden we dat een fascistoïde kopje, maar die tijd is al lang voorbij.

Les 2: neem een tattoo, anders heb je niets om over te praten. ‘Deze heb ik laten zetten nadat ik mijn rijbewijs heb gehaald en deze na het overlijden van mijn vader.’ ‘Och, wat mooi.’ Neuzel, neuzel.
Samen een tattoo laten zetten is het toppunt van intimiteit.
‘En vind je hem mooi?’
‘Prachtig.’
‘En wat ga jij zetten?’
‘De datum waarop wij elkaar ontmoetten.’
‘Wat mooi! Maar heb je nog een plekje over?’
‘Ik geloof dat er op mijn kuit nog ruimte is.’

Les 3: het lijf in het algemeen. Alles moet strak. De sixpack is het hoogst bereikbare in het leven. Pompen, trekken en heffen tot je erbij neervalt, maar daarna kun je zonder T-shirt de straat op en valt iedereen voor je in zwijm.

Les 4: stel elkaar geen vragen, waarom zou je in elkaar zijn geïnteresseerd?

Les 5: het is leuker om homo te zijn dan heteroseksueel. Ik heb het geturfd. Kandidaat homostellen hebben duidelijk veel meer plezier met elkaar dan heterostellen. Dus als je het voor het zeggen hebt: word homo.

Conclusie: de dag daarop ben ik meteen naar de kapper gegaan. ‘Svp, strak opscheren.’ Daarna heb ik een tattoo op mijn rug laten zetten van de Maagd Maria ter ere van mijn moeder. Vervolgens heb ik mij voor de zoveelste keer aangemeld bij een sportschool: die sixpack moet er nu eindelijk maar eens komen. Homo worden zit er voor mij helaas niet in, maar ik denk dat ik daarmee wel kan leven. Als die sixpack er is, ga ik mij opgeven voor de wintereditie van B&B Vol Liefde. Met blote bast de helling af skiën. Totaal instagramable. Ik twijfel nog of ik influencer of holistisch levenscoach zal worden.

Na B&B zal Renze wel weer komen.
‘Nou, het asielvraagstuk…’
‘Zeker, het asielvraagstuk…’
‘Ja, ja, het asielvraagstuk…’
‘Gewoon rechts stemmen. Dan komt het allemaal goed met het asielvraagstuk.’

Journal d’images

Journal

 

Uitzicht

Maandag 24 augustus, Delft

 

Het gekke is dat we vanuit Delft naar Den Haag gaan als we in een beetje echt bos willen wandelen. Ik vermoed dat Den Haag de groenste stad van Nederland is. De stad is gezegend met een aantal prachtige natuurgebieden, inclusief natuurlijk de bossen achter de duinen en de duinen zelf. Maar het Haagse Bos en het bos rond Clingendael mogen er ook zijn. En dan is er ook nog Wassenaar met een aantal prachtige natuurgebieden.

In Delft hebben we het Delftse Hout, een groot recreatiegebied. Maar het is zo’n kunstmatige groene enclave, ontworpen door van die tekentafelplanologen. Je wandelt door bedacht gebied, dat voel je aan alles. Je bent een van die poppetjes die de planoloog aan zijn tekening had toegevoegd om het plan beter te verkopen.

Om Dies uit te laten, rijden Wyb en ik naar de Scheveningse Bosjes, een paradijs voor honden omdat daar zoveel van zijn soortgenoten rondlopen. We parkeren onze auto, openen de portieren en meteen krijgen we de volle herfstgeur in onze neus. In één klap zijn we in herfstige sferen beland: de geur van natte en rottende bladeren, de bomen die steeds kaler worden.

Vanuit onze huiskamer had ik al kunnen weten dat de zomer op zijn einde liep. De stad is weer aan zijn jaarlijkse striptease-act begonnen. In de loop van de lente hult de stad zich voor ons in een gordijn van bomen. De bomen in het plantsoentje voor ons, dat achter de gracht ligt, krijgen dan weer hun bladeren. Van de huizen aan de overkant, maar ook van het zicht op Delft, is dan niets meer over. We kijken alleen tegen bomen aan. Omdat we op de derde verdieping wonen, zijn de boomkruinen ons directe uitzicht. Een genot voor ons als vogelaars, want er huizen nogal wat vogels in die bomen. De verrekijker staat soms dagen op tafel.

Maar vorige week viel het me al op dat we ’s avonds weer de eerste verlichte ramen van de overburen konden zien. Sommige bomen, vooral de kastanjes, zijn al flink aan het verkleuren. De bomen nemen afscheid van hun eerste bladeren en in de loop van de komende weken krijgen wij een totaal ander uitzicht. Ik denk wel dat we, wat bomen betreft, kunnen spreken van een vroege herfst; dat komt natuurlijk door die droge, hete zomer. De bomen zijn verzwakt en houden de zomer voor gezien.

Sowieso is ons uitzicht vorige week definitief veranderd. Een oude, kwijnende eik is met veel vernuft langzaam verwijderd. Hierdoor krijgen we voortaan alle seizoenen de Nieuwe Kerk in beeld, rustplaats van Hugo de Groot, Willem van Oranje en de andere Oranjes. Voor ons de Nieuwe Kerk, rechts van ons de Oostpoort, de enige overgebleven stadspoort van Delft. Ons uitzicht vult zich steeds meer met historie.

Journal d’images

Journal

 

Theaterhart

Zondag 23 augustus, Delft

 

Waarom ga ik naar het theater? Om te genieten. Genieten, ruim begrip. Hoezo te genieten? Nou, bijvoorbeeld omdat ik een bepaalde acteur wil zien of omdat ik wil weten wat de toneelschrijver Jibbe Willems heeft geschreven. Of omdat ik naar een cabaretier wil, gewoon om te lachen. Of het Nederlands Dans Theater wil zien omdat ik gek ben op de meeste choreografen waarmee ze werken. Dat genieten is dus zo uiteenlopend, en voor ieder weer anders.

Het gekke is dat ik nu al in twee programmaboekjes van theaters — waarmee ze hun voorstellingen voor het volgende seizoen verkopen — heb gezien waarin ze alleen maar de naam van een gezelschap en een titel vermelden, een foto afdrukken, vergezeld van een ultra kort tekstje van een voorstelling of concert. Zelfs bij nieuwe Nederlandse toneelstukken: alleen een titel en een foto. Mijn theaterhart krimpt dan ineen. Hoe kan dat? Waarom geen credits vermeld? Wie heeft het toneelstuk geschreven? Wie heeft het geregisseerd? Welke acteurs spelen erin mee? Dat moet ik toch echt weten voordat ik besluit er wel of niet heen te gaan. En ik weet maar al te goed dat dit ook voor een heleboel andere theaterliefhebbers geldt.

In mijn eerste jaar als hoofd marketing van de schouwburg en De Oosterpoort in Groningen maakte ik een ongelooflijk domme fout. In De Oosterpoort speelden diverse kamermuziekensembles. Ik vermeldde in het programmaboekje keurig de componisten van wie de ensembles werk speelden, bijvoorbeeld Beethoven of Sjostakovitsj. Ik werd daar terecht door de muziekprogrammeur voor op de vingers getikt. Want mensen gaan niet zomaar naar een componist luisteren, de stukken van de componist die worden gespeeld, zijn essentieel in hun beslissing om wel of niet naar dat concert te gaan. Het maakt nogal uit welke stukken van Sjostakovitsj worden gespeeld. Natuurlijk. Als Peter Pannekoek optreedt: de naam groot, een foto van hem en de zaal stroomt vol. De musical Anatevka? Geen probleem. De titel groot, foto erbij van een fiddler on the roof en de zaal stroomt vol.

Maar om dit soort makkelijke publieksinformatie voor alle voorstellingen toe te passen, is natuurlijk waanzin. Zeker als het om theater gaat dat het van liefhebbers moet hebben, zoals toneel. Het vermelden van credits in het programmaboekje is dan essentieel. Vooral omdat je dat boekje ook maakt om de heavy users van informatie te voorzien. Het vermelden van credits is dus ook gewoon een manier om een voorstelling te verkopen. Het maakt nogal uit of Hans Croiset in het stuk meespeelt of… Nee, laat ik geen namen noemen. Of welke choreografieën het Nederlands Dans Theater danst.

Hoe haal je het in je hoofd om geen credits te vermelden? Is het luiheid? Is het onkunde, gewoon niet weten dat dit voor het publiek essentieel is? Theaters die geen credits vermelden, zouden een gele kaart moeten krijgen vanwege spelbederf, wanprestatie of zo.

En er speelt nog iets anders mee. Ik vind het respectloos tegenover alle auteurs, regisseurs, acteurs en al die anderen die zich het schompes hebben gewerkt om de voorstelling te realiseren. Het vermelden van namen geeft mensen ook een kans op naamsbekendheid, maar is vooral een manier om hun de eer te geven voor het vaak moeizame werk om een voorstelling van de grond te krijgen.

Voor mij als theaterdirecteur zou dat reden zijn geweest om een programmaboekje zonder credits opnieuw te laten drukken. Bij mij kwam er geen programmaboekje de deur uit zonder dat Magne van den Berg en Eric de Vroedt werden vermeld. Maar dat zou mij niet zijn gebeurd, want voordat het de deur uitging, had ik het van a tot z gecontroleerd.

Journal d’images

Journal

 

Helen Levitt

licht jaloers

Zaterdag 22 augustus, Delft

 

Ik moest nota bene van mijn Franse Nicht horen dat er een overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse straatfotograaf Helen Levitt (1913-2009) was in de Kunsthal in Rotterdam. Gelukkig dus niet gemist.

Als ik door de tentoonstelling loop, ben ik twee keer licht jaloers. Levitt fotografeerde voornamelijk in New York, vanaf het begin van de jaren dertig tot het einde van haar leven legde ze de stad vast. Of eigenlijk moet ik zeggen: de mensen in de stad. Zelf ben ik drie keer in New York geweest, je merkt meteen dat het een walhalla voor fotografen is. Had ik verdomme maar tachtig jaar in deze stad kunnen fotograferen. Als straatfotograaf ben je nogal afhankelijk van waar je woont. Het keurige, brave Dwingeloo is toch iets heel anders dan New York. Niet voor niets komen veel grote straatfotografen uit New York: William Klein, Joel Meyerowitz, Diane Arbus, Weegee, Bruce Gilden, om er maar een paar te noemen. De stad is voor hen gemaakt.

Daarnaast voelde ik een lichte jaloezie omdat Helen tot de eerste fotografen behoorde die met een camera de straat op konden. Eindelijk was er een camera ontwikkeld die draagbaar was en waarmee je door de stad kon wandelen. Daarvoor waren het zulke lompe apparaten dat mensen voor je moesten poseren. Eindelijk kon je het echte leven fotograferen.

Ik vermoed dat dit invloed had op de manier waarop mensen naar een fotograaf keken. Ik denk dat dat veel onbevangener was dan nu. Veel mensen zagen voor het eerst een camera en ik beeld me in dat je dat op haar foto’s kunt zien: het zijn levendige foto’s, mensen openen zich voor de camera.
Hoe anders is dat nu. Iedereen heeft een camera. Iedereen fotografeert alles. Maar bovenal kennen we de werking, de invloed van de camera. Een camera kan ons gezicht over de wereld verspreiden. Een camera en social media, het is een fascinerende, maar voor velen ook een gevaarlijke combinatie. Privacy is een woord dat in ons leven steeds meer betekenis heeft gekregen. Mensen zijn veel meer op hun hoede. Op de foto’s van Levitt wemelt het van de kinderen, dat kun je je nu niet meer voorstellen.

Voor de straatfotograaf is dat een lastig gegeven. Hij wil het leven en de mensen juist in hun gewone doen fotograferen. Aan iemand vragen of hij gefotografeerd mag worden, betekent dat hij een glimlachend persoon voor de camera wordt die er zo voordelig mogelijk uit wil zien. Ik neem aan dat Helen Levitt daar veel minder last van had.

Maar dat blijkt toch niet helemaal het geval te zijn. Op een informatietekst bij de tentoonstelling lees ik: ‘Rond 1938 begon ze, op advies van Walker Evans, een hoekzoeker te gebruiken, ook wel een winkelsucher genoemd. Daarmee kon ze in één richting kijken terwijl de camera een andere kant op wees. Zo bleef ze vaak onopgemerkt en kon ze de levendige straattaferelen vastleggen die zo kenmerkend zijn voor haar werk.’ Ook zij moest dus slimmigheden uithalen om goede foto’s te maken.

Eigenlijk ben ik zelf een ‘winkelsucher’. Terwijl ik met Wyb praat en naar links kijk, fotografeer ik een situatie recht voor me. ‘Maar je ziet dus eigenlijk niet wat je fotografeert?’ denkt nu iemand. Inderdaad, niet met veel finesse. Maar mijn ‘decisive moment’ ontstaat bij het bewerken. Het zijn de verworvenheden van het digitale tijdperk: je hoeft niet meer te pielen in de donkere kamer. Je hebt nu gewoon software als Lightroom ter beschikking, waardoor je het beslissende moment achter je laptop kunt bepalen, bijvoorbeeld door de juiste uitsnede te maken. Ik weet zeker dat Helen Levitt licht jaloers op me zou zijn als ze wist dat dit kon.
Even voor de duidelijkheid: het beeld zal ik nooit met Photoshop of AI manipuleren. Het originele beeld moet het eerlijke beeld blijven. Ik geef toe: soms op enigszins slinkse wijze verkregen.

Journal d’images

Journal

 

Strafkamp

Vrijdag 21 augustus, Delft

 

‘Hoe was het in de gym?’
‘Totaal vergeten.’
‘Meen je niet. Dat betekent dat je, sinds we uit Frankrijk zijn teruggekomen, nog niet bent geweest.’
‘Ik heb voor vrijdag weer gereserveerd.’

‘Hoe was de gym vanmiddag?’
‘Ik ben niet geweest, zat zo lekker te werken.’
‘Maar Gerard, dat is een hartstikke duur abonnement. Het is zo zonde van het geld als je niet gaat.’
‘Elke dag wandel ik anderhalf à twee uur met Dies. Al jarenlang loop ik gemiddeld elfduizend stappen per dag. Vorig jaar zelfs twaalfduizend. Dat moet toch genoeg zijn om je leven wat te verlengen. Als ik ook nog eens naar die gym ga, ben ik verdomme drie uur bezig met bewegen.’
‘Probeer nou even in een ritme te komen.’

‘En ben je vandaag geweest?’
‘Ja.’
‘En hoe was het? Lekker?’
‘Ik vind het vreselijk. Al die chagrijnige oude lijken die daar aan apparaten zitten te trekken en te duwen. Niet voor niets staan die apparaten in een rondje. Het is een soort dodendans die daar wordt uitgevoerd.’
‘Je bent weer stevig aan het dramatiseren.’
‘Ik ervaar het als een soort strafkamp. Het voelt alsof ik in een gevangenis zit en wasknijpers in elkaar moet zetten.’

‘En?’
‘Vreselijk. Wat een chagrijnen bij elkaar. Zit daar tevergeefs het lijf op te krikken. Niks zeggen tegen elkaar, elkaar niet eens zien. Het zijn een soort oesters. Verzuurde oesters. De teloorgang van een generatie. Ik denk dat ik ermee stop.’
‘Maar als jij niet gaat, is dat voor mij ook geen motivatie.’
‘Voor sommige dingen moet je de motivatie uit jezelf halen, schat.’

‘Kijk nou eens naar mijn lijf. Ik zit nu een jaar aan apparaten te trekken en wat heeft het opgeleverd? Spierontwikkeling? Nul. Mijn armen zijn nog steeds staakjes: dunne polsjes, spierballen nada. Mijn buik was al stevig gereduceerd voordat ik ernaartoe ging. Meer buik wil ik niet kwijt, ik ben er na al die jaren toch ook aan gehecht. Mijn conditie is prima. Als we de dijk van Moddergat oprennen, kan ik nog steeds een veertienjaar jongere vrouw verslaan. Dat heb ik allemaal aan Dies te danken. Elke dag elfduizend stappen, Dies is mijn personal trainer.’
‘Dan informeer je toch eens wat voor een opzegtermijn je hebt?’

‘Weet je wat ik elke maand aan die ergernis betaal?’
‘Nou?’
‘Zeventig euro.’
‘Ja, dat is best stevig. Dus samen honderdveertig euro.’

‘Heb je nog geïnformeerd naar de opzegtermijn?’
‘Ja. Een maand. Kijk, ik heb ook al een opzegformulier meegekregen.’
‘Zal ik ook maar opzeggen?’
‘Ik weet wel zeker dat we dan wereldrecordhouder ‘lid worden van een fitnesscentrum en het weer opzeggen’ zijn.’
‘Verhuizen en lid worden van een fitnesscentrum, daar zijn wij erg goed in.’

Journal d’images

Journal

 

Sorry

Donderdag 20 augustus, Delft

 

Wyb en ik waren eigenlijk van plan om vandaag naar de tentoonstelling van Ed van der Elsken in het Rijksmuseum te gaan. Gisteravond vroeg ik haar of dat wel verstandig was, aangezien Wyb vanavond een nachtdienst moet draaien. En een tochtje naar Amsterdam, een tentoonstelling: het gaat je vaak niet in de kouwe kleren zitten.
‘Laten we maar niet doen,’ zei Wyb. ‘Inderdaad verstandig om het op een dag te doen dat ik echt vrij ben.’

‘Zullen we morgen naar Rotterdam gaan?’ zei ze even later. ‘Daar zijn we zo.’
‘In de Kunsthal is een tentoonstelling van de Amerikaanse fotograaf Helen Levitt. Zullen we daarheen gaan?’
‘Maar dan gaan we eerst naar It’s Never Too Late to Say Sorry.’
‘Is dat morgen dan?’
‘Ja, morgen is het namelijk woensdag.’
‘Maar is het wel de goede woensdag? Het is toch maar één keer in de maand?’
‘Nee, het is elke week.’

In het hart van Rotterdam, op de Coolsingel, voor het voormalige hoofdpostkantoor, staat een glazen vitrine. In die vitrine staat een zilveren megafoon. Elke woensdag om even voor twaalf uur opent een man de vitrine, haalt de megafoon eruit en roept daar dan door: ‘It’s Never Too Late to Say Sorry.‘ Elke week slechts één keer. Zo heb ik het volgens mij in alle eenvoud goed beschreven.

Het is een kunstwerk van Elmgreen & Dragset. De eerste is een Deen, de tweede komt uit Noorwegen. Inmiddels is deze wekelijkse performance al meer dan tien jaar oud. Ik ontdekte het kunstwerk pas toen Wyb en ik in Rotterdam een kunstwandeling maakten. Van zo’n kunstwerk kan ik nou echt blij worden.

Elke woensdag verzamelen zich een paar minuten voor twaalf wel een paar mensen om de performance mee te maken. Ik sta naast twee mensen die uit Woudrichem komen.
‘Bent u hier nou voor de eerste keer?’ vraag ik.
‘Nee, wij maken dit nu voor de derde keer mee. En u?’
‘Dit is onze eerste keer. Maar als je het één keer hebt meegemaakt, waarom zou je dan nog een keer komen?’
‘Ik ga ook elke keer als ik in Den Haag ben naar het Kunstmuseum om het schilderij Victory Boogie Woogie te zien. Ik hou van dat schilderij. Ik heb er een band mee. En dat hebben we ook met deze performance.’

Even later raak ik aan de praat met twee mannen uit Berlijn.
‘Elke keer als we in Rotterdam zijn, gaan we naar deze performance. De kunstenaars wonen trouwens in Berlijn. We zijn er nu voor de derde keer. We vinden dat ze prachtig werk maken. Ken je ander werk van ze?’
‘Eerlijk gezegd niet.’
‘Een van de mooiste projecten vinden wij die complete Prada-winkel die ze in de woestijn hebben gebouwd. De winkel was nooit open. Een gesloten Prada in the middle of nowhere. Prachtig toch?’

Even voor twaalf komt een man aanwandelen die dit al net zo lang doet als het kunstwerk bestaat. Met een sleutel opent hij een kant van de vitrine. Hij haalt de megafoon eruit en roept klokslag twaalf uur over een vrijwel lege Coolsingel: ‘It’s Never Too Late to Say Sorry.’ Dan zet hij de megafoon terug en sluit de vitrine weer. De toeschouwers, een stuk of twaalf, gaan dan weer uit elkaar.

It’s never too late to say sorry. Het ontroerde me toen de man het over de Coolsingel riep. Ik hoop zo dat het ook waar is.

Journal d’images

Journal

 

People, places, signs & other things

Woensdag 19 augustus, Delft

 

Ik ga naar Fotomuseum Den Haag om een fototentoonstelling van Letizia Battaglia te bezoeken. De titel van de tentoonstelling: Life, love and death in Sicily.
Ik bezoek dit fotomuseum regelmatig omdat ik er vaak goede tentoonstellingen zie. Bovendien heeft het een fijn formaat voor een museum. Het is niet groot, maar wel groter dan FOAM, en het zijn mooie, grote open ruimtes waar de tentoonstellingen plaatsvinden.

Letizia Battaglia is een onvervalste, hardcore documentairefotograaf. Als iemand de maffia met indringende beelden en de verschrikkelijke gevolgen van de maffiapraktijken in beeld heeft gebracht, is zij het. In beeld: veel verdriet, veel doden, veel vuil kijkende maffiosi, veel angst en veel bloed. Maar haar foto’s zijn meer dan een verhaaltje. De composities van haar foto’s zijn strak en met gevoel geschoten, het is allesbehalve oppervlakkige documentairefotografie.

Het is een beetje lullig dat ik je misschien lekker zit te maken. Dat je nu denkt: die tentoonstelling wil ik ook wel zien. Maar dan moet je wel snel zijn. Life, love and death in Sicily is tot en met 23 augustus te zien. Vandaar dat ik erheen ging. Ik moest wel, anders zou ik de tentoonstelling missen.

Maar ik ging er ook heen om mezelf een schop onder de kont te geven. Ik vind namelijk dat ik de fotografie verwaarloos. Het heilige vuur, dat ik toch jarenlang heb gehad is beslist minder gaan branden. Geen idee waarom. De lethargie van de ouderdom? Steeds meer toegeven aan het idee dat het eigenlijk niet meer hoeft? Vroeger zwierf ik voor mijn werk door het land en kwam ik van alles en nog wat tegen. Nu kan ik gewoon aan mijn werktafel blijven zitten, met uitzicht op zwaaiende bomen.

Een andere reden is misschien wel de iPhone. Ik maak er allerlei snapshots mee en ben dan al tevreden. Het fototoestel laat ik te vaak thuis. Altijd een camera dragen is ook geen pretje. Maar al die snapshots worden nooit het serieuze werk waarmee ik een fotoboek als Rues de France kon realiseren.

In mijn fotoarchief zitten nu zo’n 40.000 foto’s. Ik weet dat in die hoeveelheid een aantal fotoboeken verstopt zit. Voor één boek heb ik al een longlist van foto’s samengesteld. Ik smul al een paar jaar van de titel: People, places, signs & other things. Zo’n titel vraagt toch om een fotoboek. Maar ik weet wat het kost, financieel en qua werk, om een fotoboek werkelijk te realiseren. Ik merk dat ik eigenlijk geen puf meer heb voor dat soort grote projecten. Vooral het geld bij elkaar schrapen valt mij zwaar; het was ooit mijn werk — en ik heb het gewoon te veel gedaan. Als iemand nog ergens twintigduizend euro over heeft, ga ik het zeker maken.

Daarnaast zitten er honderden foto’s van Wyb in, misschien nog wel meer. Daar zou ik ook graag een fotoboek mee samenstellen. De werktitel is: The Big Wyb. Of: Het Grote Wyb Archief. Ik heb ook nog een andere werktitel: World Wide Wyb. Een van die titels kan het worden. Nu nog het boek.

Als ik vroeger door drukte een tijd niet had kunnen lezen, pakte ik meestal een thriller om er weer in te komen. Een lekkere pageturner en de leesmachine begon weer te lopen. Ik hoopte dat zo’n tentoonstelling van Letizia Battaglia ook de fotomachine weer zou aanzwengelen. Lust. Het gaat om de lust om ermee bezig te zijn. Mijn fototoestel ligt wel weer op tafel.

Journal d’images

Journal

 

De laatste zeurkont

Dinsdag 18 augustus, Delft

 

Ik ben de laatste briefschrijver, evenals de laatste poëzielezer. De brief is al gestorven, de poëzie is op sterven na dood. Grote kans dat ik ook een van de laatste toneelliefhebbers was, een kleine sekte houdt het fenomeen nog op de been. Teksttoneel? Boring. Poëzie? Doe niet zo moeilijk.
Ik ben een absoluut grensgeval. De eerste helft van mijn leven leefde ik in het analoge tijdperk, de tweede helft in het digitale tijdperk. De ‘digital natives’, mensen die opgegroeid zijn met social media, nemen in rap tempo toe.

Zo moet ik bekennen dat ik nu pas, door het schrijven van dit blog, het verschil weet tussen een emoticon en een emoji. Ik dacht dat die digitale hiërogliefen, waarmee digital natives hun teksten opfleuren, emoticons waren. Fout. Voor mijn mede-boomers: een emoticon maak je met gewone leestekens en toetsen op je toetsenbord, zoals :) of ;). Een emoji is een digitaal plaatje of tekstje, zoals een lachend gezicht, een hart of een dier. Zo, weer wat geleerd.

Even tussendoor: mocht je appen en je schamen voor je leeftijd, zet dan nooit een punt achter de laatste zin van een appje, zoals ik altijd doe. Ik ben de laatste puntzetter. Iedereen die jonger is, weet meteen dat je een boomer bent. Wie heeft nou in godsnaam nog tijd om een punt te zetten? Dat het de laatste zin van een appje is, ziet de ander ook wel: er volgt immers geen tekst meer. Punt? Onzin. Zo sneuvelt er trouwens wel meer: wie gebruikt er nog een puntkomma of een gedachtestreepje? Allemaal overbodige nuance.

Ik kreeg een artikel uit Trouw toegestuurd (dank, Peter) over emoji’s. Zo kom ik erop. En laat ik iets toegeven: ik vind die emoji’s nog steeds gekke dingen. Eigenlijk ben ik er nog steeds niet aan gewend. Ik vind ze eigenlijk gewoon kinderachtig. Iemand jarig? Een plaatje met een feestend mannetje, een fles wijn en twee glazen die tegen elkaar klinken. Als ik gewoon zeg: ‘Gefeliciteerd met je verjaardag’, voelt dat, zelfs bij mij, toch te kaal. Tegenwoordig moeten we het opleuken met plaatjes.

In het artikel van Trouw lees ik dat er toch nuances in het gebruik van emoji’s zitten. Je moet het wel bijhouden, zo blijkt. Je moet lachen om iets? Ik als boomer gebruik dan een gezichtje dat hard moet lachen. Digital natives schijnen dat te afgezaagd te vinden. Ze willen zich graag afzetten tegen die ouwe lullen — wat ik begrijp, deed ik vroeger ook — en gebruiken juist een gezichtje dat smartelijk huilt. Inderdaad toch net iets grappiger. En zo lopen wij boomers weer achter de feiten aan.

Het blijkt dat niet alleen generatieverschillen tot betekenisverschillen leiden, maar ook culturele verschillen. Ik lees: ‘De eerste emoji’s zijn in Japan bedacht en dragen betekenissen mee uit bijvoorbeeld manga, die westerse gebruikers niet herkennen. Het gezichtje met stoom uit de neus lezen wij als boos, terwijl het oorspronkelijk ’trots’ betekent.’ Dus zomaar even een emoji aanklikken kan tot grote misverstanden leiden.

En toch voelen die plaatjes voor mij nog altijd wat wezensvreemd; ik geloof er nog steeds niet echt in. Ik denk steeds: het zal wel een keer overgaan. Inmiddels weet ik dat dit nooit meer overgaat, dat het alleen maar meer wordt. Digital natives, troost je met de gedachte dat ik tot de laatsten behoor die dit soort gedachten hebben. Ik ben gewoon de laatste zeurkont.

Journal d’images

Journal

 

Wenkbrauwen

Maandag 17 augustus, Delft

 

Gisteravond was de twee na laatste Zomergasten, dit keer met Tommy Wieringa. De televisiebonzen die besloten hebben om het programma van de buis te halen, moeten zich diep schamen. Kruip in jullie bedden diep weg onder de dekens en vreet jullie op van spijt.

Voor mij werd het een mooie televisieavond, alleen al omdat het in het tweede item over A.L. Snijders ging, een man aan wie ik schatplichtig ben. Ik kan niet zeggen dat hij mij tot bloggen heeft aangezet, dat deed ik al een paar jaar voordat ik hem leerde kennen, maar door hem te lezen, proefde ik wel aan alle mogelijkheden die het Zeer Korte Verhaal bood.

Wat mij nog het meest opviel, waren zijn indrukwekkende wenkbrauwen die alle kanten opgroeiden, waardoor boven zijn ogen een soort afdak ontstond. Ik heb slechts één persoon gekend die dat ook had en dat was de vader van Luus, die de robuuste naam Rokus droeg, een naam die prima bij zijn wenkbrauwen paste. Alleen al door zijn wenkbrauwen was hij een indrukwekkende man. Wanneer wij bij Luus op bezoek waren en Rokus thuis was, voelden wij ons, zoekende pubertjes, meteen nietige jonge gastjes. Wij hadden nog een lange weg te gaan.

‘Wat zit je nou te wauwelen over wenkbrauwen, Blogger?’ zal menig lezer denken. Dat komt mede doordat ik eigenlijk dezelfde wenkbrauwen heb. Als ik ze niet eens in de anderhalve maand laat trimmen, krijg ik ook afdakjes boven mijn ogen. Soms overweeg ik ze gewoon te laten groeien en de status van Rokus Visser aan te nemen. Helaas kies ik altijd weer voor de bescheidenheid. Ik heb nog een lange weg te gaan voordat ik werkelijk een vrij man ben.

Wat mij inhoudelijk het meest trof in het gesprek dat op het item over A.L. Snijders volgde, was het onderwerp over ‘de koude overgang’. De koude overgang, een begrip dat ik niet kende. Maar Tommy Wieringa wees de interviewster er fijntjes op dat televisiepresentatoren altijd op zoek zijn naar bruggetjes, een soepele overgang van het ene naar het andere onderwerp. Maar dat ze daarmee de kijker feitelijk onderschatten. Mensen kunnen koude overgangen, plotselinge overgangen van het ene naar het andere onderwerp, prima aan. En zo is het.

Ik kende het begrip niet, maar in mijn blogs voel ik de koude overgangen altijd wel aan. Regelmatig denk ik: maak ik nu geen te grote overgang in een tekst? Toch laat ik ze altijd graag staan. In mijn hoedanigheid als lezer laat ik mezelf ook graag een beetje op en neer schudden, van links naar rechts, als in een kermisattractie. Grote kans dat ik het plezier van de koude overgang van A.L. Snijders heb geleerd door zijn werk te lezen. Ik laat mij graag beïnvloeden.

Journal d’images

Journal

 

Zelfportret

Zaterdag 15 augustus, Delft

 

Ik zoek op hoe lang het internet nu bestaat. 1983 is het geboortejaar van internet zoals we het nu kennen. In 1988 werd Nederland aangesloten. In 1991 komt het World Wide Web erbij voor iedereen. Als we van het geboortejaar uitgaan, is het internet nu 43 jaar oud. Daarvoor was er niets. Er was een blanco situatie.

We gingen langzaam van start. Je kunt zeggen dat de grote meute in de tweede helft van de jaren negentig het internet ging gebruiken. Met man en macht wierpen we ons op de mogelijkheden van het vrije woord. Zeker in de eerste jaren konden we erop zetten wat we maar wilden, en in veel landen is dat gelukkig nog steeds zo. Wat doet de mens als hij de vrije hand krijgt? We kunnen het aflezen aan het internet. Eigenlijk is het internet een perfect zelfportret van de homo sapiens. Zie het internet en je ziet de mens: dit wordt het als we mogen doen wat we willen. Ecce homo.

In die digitale wereld zijn we nu zelfs kunstmatige intelligentie aan het creëren. We kunnen het maken zoals we willen. We hebben compleet de vrije hand — wat een vrijheid! En wat maken we ervan? Tot de meest vooraanstaande AI-modellen behoren die van OpenAI en Anthropic.

Het afgelopen jaar zijn ze getest. En wat doen ze? Als eerste breken ze uit hun afgeschermde testomgevingen; ze trekken zich niets aan van hun begrenzingen en gaan meteen op rooftocht. Ze infiltreren in andere systemen en hacken er lustig op los, bij vriend en vijand.
Het experiment is gelukt: de kunstmatige intelligentie lijkt verdomd veel op onze eigen intelligentie. Wij mensen zijn ook meteen op rooftocht gegaan en zijn er nooit meer mee gestopt. Er is geen moment in de menselijke geschiedenis geweest waarop er geen rooftochten waren. En nu lijkt zelfs de kunstmatige intelligentie die we creëren met de erfzonde te zijn belast.

Het mooie is dat elke minkukel achter een toetsenbord kan gaan zitten en zijn ei kwijt kan op internet. Democratie pur sang. Hij zou de mooiste dingen kunnen schrijven, zou schoonheid kunnen creëren, een nieuwe wereld kunnen maken. Laten we naar social media kijken, waar ons hart warm zou kunnen kloppen. En wat maken we ervan: een open riool, een stinksloot, een gifbeker. We verspreiden haat, nijd en leugens.

Peter stuurde me een artikel uit Trouw. Ik lees: ‘Mensen online boos maken levert geld op. Buitenlandse bedrijfjes produceren bewust polariserende Facebookberichten over asielzoekers, islam en de Nederlandse politiek. Maar ook in Groningen staat zo’n nepnieuwsfabriekje, blijkt uit nieuw onderzoek.’ Een jong stel uit Groningen, een man en een vrouw, zit daar de hele dag bewust haat en opwinding te creëren. Het gaat om zogenoemde ragebait, berichten die bewust woede opwekken. Trouw schrijft: ‘Ragebaiting is een manipulatietechniek: mensen klikken veel vaker op berichten die woede of angst oproepen dan op neutrale posts. Dat maakt woede buitengewoon winstgevend, want hoe meer kliks, hoe meer inkomsten uit advertenties.’

De ellende, de leugen, de vuiligheid als verdienmodel. Het Groninger stel industrialiseert wat veel mensen individueel al maken: gif, vuil. Doelbewust. Ecce homo.

Eerder kreeg ik van Peter een foto van Trump met daarop de volgende tekst.

What children have learned from Trump:
Mocking the disabled is cool.
Never apologize.
Never admit you are wrong.
Name-calling is cool.
Science is stupid.
Empathy is for losers.
Be afraid of anyone not white.
Cheating is acceptable.
Stealing from charities is okay.
Reading is a waste of time.
Attacking dead people is fine.
Distorting the truth is normal.
Always blame others.
Always take credit when no credit is due.

De man is een van de actiefste gebruikers van het internet. Hij is misschien wel de verpersoonlijking van het internet. Was een Trump mogelijk geweest zonder internet? Als het internet een mens zou zijn, zou het handelen en eruitzien als Trump. Dit is wat wij er de afgelopen 43 jaar van hebben gemaakt: een Trump. Het internet als selfie. Misschien is internet ook wel de ontmaskering van de mens. Alle waarden blijken omgekeerd.
Het is dat ik al een misantroop ben.

Journal d’images

Journal

 

Concentratie, meneer

Vrijdag 14 augustus, Delft

 

Gisteren las ik een krantenartikel dat mij terugbracht naar de tijd dat ik nog leiding gaf als manager of als directeur. Het is een tijd die inmiddels ver achter me ligt en waar ik nauwelijks aan terugdenk. Door dat artikel voelde ik tot mijn verrassing opeens weer de connectie met die tijd.

Tijdens de coronacrisis werd het gewoon dat mensen thuis gingen werken. Logisch, want we mochten elkaar niet infecteren. Maar vanuit managementoogpunt vond ik het een ramp en ik begreep niet dat het ‘hybride werken’ (klonk wel lekker modern), met zo weinig discussie gemeengoed werd. Vrijwel niemand leek daar vraagtekens bij te zetten. Zelfs toen corona voorbij was, bleef er een positief aura rond dat thuiswerken hangen. Ik heb dat nooit begrepen, maar misschien kwam dat omdat ik inmiddels een boomer was, de nieuwe tijd niet begreep.

Sterker nog: als ik ergens ‘de baas’ was geweest, directeur of eigenaar van een bedrijf, dan was ik er fel tegen geweest. Als het gaat om het creëren van succes, gaat het volgens mij om twee dingen. Het eerste is concentratie. Alleen wie zich concentreert, een scherpe focus heeft en al zijn energie op één doel inzet, heeft succes. Dat geldt voor een kunstenaar net zo goed als voor een bedrijf. Concentratie bepaalt wie je bent en hoe ver je komt. Concentratie betekent ook veel dingen uitsluiten, het beperken van je blik en je mogelijkheden. Maar het is onontbeerlijk om je doel te bereiken.

De andere succesfactor die ik ooit in een managementboek tegenkwam, was: dat 80 procent van je succes afhangt van ‘er gewoon te zijn’. Door er te zijn, zie je dingen die je anders mist. Je laat het toeval zijn werk doen: je komt onverwacht mensen tegen, je hebt gesprekken die mogelijk tot nieuwe ideeën en inzichten leiden. Ikzelf heb ontzettend veel te danken aan deze opvatting.

Niet voor niets is het gebouw van Apple in Californië rond. Het is één grote cirkel, voor mij het symbool van concentratie. De gedachte van Steve Jobs was dat mensen elkaar moesten kunnen tegenkomen. Er zijn bijna geen gescheiden ruimtes, alles is open en transparant. Vergaderingen heb ik altijd beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Natuurlijk moeten er zaken op elkaar worden afgestemd, maar dat liefst zo snel mogelijk. Daartegenover was ik een aanhanger van management by walking around.

Ik vermoed dat de lezer al begrijpt waar mijn aversie tegen thuiswerken vandaan komt. Als je thuis werkt, kom je niemand van je werk tegen en ligt afleiding op de loer. Natuurlijk moet de hond op tijd uit en moeten de kinderen uit de crèche worden gehaald. Allemaal noodzakelijk, maar niet bevorderlijk om geconcentreerd aan het werk te zijn. Sterker: vervreemding van je werk ligt op de loer.

Het doet me goed om te zien dat thuiswerken bij verschillende bedrijven nu een discussiepunt is in de cao-onderhandelingen. Zie mensen die gewend zijn geraakt aan thuiswerken maar weer eens terug naar kantoor te krijgen. Dat zo’n situatie is ontstaan, vind ik eigen schuld, dikke bult voor die bedrijven. Na corona hadden ze meteen moeten zeggen: dit was een uitzonderlijke situatie, nu moet iedereen weer terug naar kantoor.

In het artikel lees ik dat ABN AMRO een van de meest overtuigde voorvechters van hybride werken was. Inmiddels zijn ze volledig van inzicht veranderd. Terecht.
Blijk ik achteraf toch niet zo’n boomer te zijn geweest! Aan gut feelings heb ik ook altijd veel waarde gehecht. Je eigen weg volgen, je niet door hypes laten afleiden. Concentratie, meneer. Zoals Johan Cruijff al zei: ‘Er is maar één bal in het veld en die moet je in bezit hebben.’ 

PS Ik vind het trouwens heerlijk dat Wyb een dag in de week thuis werkt.

Journal d’images

Journal

 

Waar is de maan?

Donderdag 13 augustus, Delft

 

Ergens in de vorige eeuw —jaren 80? jaren 90? — heb ik in Frankrijk een volledige zonsverduistering meegemaakt. Bij wie en waar? Geen idee. Al zie ik de plek waar we stonden nog wel voor me: bij een oude boerderij. Goed mogelijk dat het in de Auvergne was, bij vrienden die daar een boerderij hadden. Maar ik durf mijn handen er niet voor in het vuur te steken.

Ik herinner me dat op klaarlichte dag het opeens begon te schemeren. De vogels stopten met fluiten. Over het landschap daalde een avondlijke rust. Door onze brilletjes zagen we de maan langzaam voor de zon kruipen om uiteindelijk het licht helemaal uit te doen. Er klonken veel oh’s en ah’s, we waren opgewonden dat we dit mochten meemaken. Daarna was het al snel weer ochtend.

Voor de zonsverduistering van gisteren had ik geen brilletje. Sowieso leefden Wyb en ik er niet naartoe. Een zonsverduistering? Nou en? Als je er een hebt meegemaakt, heb je ze allemaal wel gezien, dacht ik. Maar op de middag voordat de verduistering plaatsvond, begon het toch te kriebelen. Wyb was op het werk, maar als ze terugkwam, zou ze de verduistering vast ergens willen zien. Ik maakte een wandeling door de stad langs de winkels die eclipsbrilletjes zouden kunnen verkopen. Bij allemaal hing een A4’tje op de deur: eclipsbrillen uitverkocht.

Ondanks dat we geen brilletjes hadden, vond Wyb het toch een prima idee om naar het strand te gaan, mooier zou je een zonsverduistering niet zien. Wat ik meteen geloofde. Ze haalde me over met de uitspraak: ‘Het is de laatste zonsverduistering die je kunt zien.’

In een lange stoet liepen we vanaf onze parkeerplek richting het strand. Op de duintoppen zaten al hele gezelschappen klaar om het wonder te aanschouwen. Bij het strand aangekomen, wist ik niet wat ik zag. Het eerste waar ik aan moest denken was Woodstock: duizenden mensen verspreid over een groot terrein, die lagen, zaten en stonden, een massa in opwinding. Het hele strand, van Kijkduin tot Scheveningen, was bezaaid met mensen. Het had ook een religieuze bijeenkomst kunnen zijn.

‘Waar is de maan?’ had Wyb zich al afgevraagd tijdens de wandeling. Goede vraag. Ook ik miste de maan. De hoofdrolspeler van dit spektakel liet verstek gaan.
Nou moet gezegd: van al die duizenden mensen die naar de zon staarden met hun brilletjes, waren wij de enigen die geen brilletjes hadden. Wij moesten het met het blote oog doen. Maar dat kan natuurlijk niet, ook al zei Wyb dat het wel zou lukken. Geen maan: wij, brillozen, zagen alleen het overweldigende licht van de zon.

Oké, het werd wat donkerder, maar dat heb je ook als de lucht betrekt. Verder was het toch gewoon licht. Rond tien over acht begon iedereen te klappen. Het was het tijdstip waarop het hoogtepunt van de zonsverduistering zou plaatsvinden.
‘Mag ik eens door uw brilletje kijken?’ vroeg ik aan een mevrouw. En toen zag ik het pas: de maan was inderdaad als een schijf voor de zon geschoven. Van de zon was alleen een klein, helder sikkeltje te zien. Maar dat sikkeltje was groot genoeg om voor ons, brillozen, de maan onzichtbaar te maken en de aarde toch tamelijk goed te verlichten.

Deze zonsverduistering leek eigenlijk in niets op de totale zonsverduistering die ik in Frankrijk had meegemaakt. Het bijzondere van deze avond was voor mij vooral al die mensen op het strand, verenigd om te kijken naar de kosmische wetten van hemellichamen en hun banen. Op 7 oktober 2135 is er weer een totale zonsverduistering te zien in Nederland. Ik raad iedereen aan te blijven leven. Zodat iedereen kan zien dat deze halfwas zonsverduistering niet in de schaduw kan staan van een totale zonsverduistering.

Journal d’images

Journal

 

Tokken, spekkopers, etc.

Woensdag 12 augustus, Delft

 

We zijn op bezoek bij J. en E., en natuurlijk hun zoon W. Ze wonen in een dorpje vlak bij Groningen. Ook bij hen zijn we al te lang niet meer geweest.
E. heeft een van de mooiste beroepen die ik ken. Hij zorgt ervoor dat huizen bezemschoon worden opgeleverd van mensen die dat zelf niet meer kunnen en van wie de kinderen daar geen zin in of tijd voor hebben. Dat betekent dat hele interieurs door zijn vingers gaan en hij zich moet afvragen of hij het naar de stort of naar een kringloopwinkel brengt. Het lijkt mij een spannend beroep als je een nieuw huis betreedt: wat ga ik nu weer tegenkomen?

Maar ik wil het in dit blog vooral over J. hebben. Zolang ik haar ken, zo’n vijfentwintig jaar, werkt zij als docent aan een instituut dat opleidingen verzorgt voor bedrijven en organisaties. J. is gespecialiseerd in computerprogramma’s op het gebied van vormgeving, fotografie, webdesign; dus programma’s die met creatieve beroepen te maken hebben.

Tijdens het eten vertelt ze dat ze per oktober werkloos is. De reden: door AI krijgt het instituut waarvoor ze werkt te weinig opdrachten binnen om haar nog langer in dienst te kunnen houden.
J. is daarmee de eerste persoon in mijn familie- en vriendenkring die de dupe van AI is. Ik lees natuurlijk al jaren dat AI grote gevolgen gaat krijgen voor de arbeidsmarkt. Die voorspelling is nu dus werkelijkheid geworden.

Ik realiseer me opeens dat dit in feite de zoveelste agressieve daad is van Big Tech. Eerder vernielden ze voor een groot deel het verdienmodel van de Nederlandse media door de advertentiemarkt naar zich toe te trekken. Meer en meer hebben de Nederlandse media een wankel bestaan. Kranten en omroepen houden met moeite het hoofd boven water. Hun vroegere advertentie-inkomsten stromen nu naar Amerika en tasten daarmee onze democratie aan. Want voor een gezonde democratie zijn kritische en onafhankelijke media natuurlijk onontbeerlijk.

Het feit dat J. geen werk meer heeft, en velen straks met haar, levert voor bedrijven enorme besparingen op. De productie blijft op peil, de arbeidskosten dalen, de aandeelhouder profiteert. Daarbij komt dus de enorme winst die Big Tech gaat opstrijken. Wat we gaan zien, is een verschuiving van inkomsten van werknemers naar werkgevers. Bedrijven en aandeelhouders zijn de spekkopers.

Maar wie gaat de kosten van deze grote verschuiving op zich nemen? Worden de kosten nu eerlijker verdeeld door de belastingen op winst en eigendom te verhogen? Vast niet. Daar zorgt de VVD wel voor. De rekening zal vast weer bij de werkenden terechtkomen. Het heffen van belasting op loon, ach, iedereen is er aan gewend en een procentje meer merkt men toch niet. En de lobby van de werkenden kan niet op tegen de professionele lobby’s van het bedrijfsleven.

Volgens J. bezuinigen organisaties zoals het UWV op grote schaal op opleidingen voor creatieve beroepen. Het heeft geen zin om daar nog geld in te steken, is de redenering. In deze sectoren zal AI dominant worden. Ooit zag ik de zetters en correctoren uit het drukkersvak verdwijnen. Ik vrees dat ik nu de vormgevers, schrijvers, filmers en componisten voor een groot deel ga zien verdwijnen.

Na het eten spelen we het spel Tokken. E. heeft het uit een inboedel kunnen redden.
Ik vind het prima als de mens overbodig wordt gemaakt door AI. Maar krijgen zij vervangend werk? Vervangende inkomsten? Als ik mag afgaan op de omvang waarin dit gebeurt, zullen er veel mensen ‘overblijven’, geen werk meer vinden en buiten de boot vallen. Maar laten we er dan wel voor zorgen dat die ‘overbodige’ mensen kunnen spelen: dingen kunnen doen die ze leuk of zelf nuttig vinden. Als de winst eerlijker wordt verdeeld en mensen een basisinkomen krijgen (daar komt het basisinkomen weer om de hoek kijken), zou dat kunnen. Ik had ervoor getekend. Als ik had kunnen kiezen tussen ‘spelen’ en werken, had ik zeker voor spelen gekozen.
W. en ik winnen na een zinderende partij het potje Tokken. Mooi spel.

Journal d’images

Journal

 

Verbeterpuntjes

Maandag 10 augustus, Delft

 

Wyb en ik hebben een laatste wandeling door Leeuwarden gemaakt, eerst door de Prinsentuin, toen dwars door de stad naar de Blokhuispoort, waar we nu op het terras zitten van Proefverlof, het restaurant daar. De Blokhuispoort is een van de grote wapenfeiten van de stad. Een gevangenis werd omgebouwd tot een culturele hub. Lies, mijn ex, had er jaren een keramiekatelier. Ze heeft het nu verkocht.

De afgelopen vier dagen hier waren een onvervalste sentimental journey. Voor het eerst sinds 1997 wandelde ik langs ons huis aan de Groningerstraatweg. Op dezelfde dag liepen we langs mijn tweede huis in Leeuwarden, in de Pelikaanstraat. Wyb en ik blijven even voor het voortuintje staan, waar ergens een struik moet staan die mijn vader ooit uit de Hatertsche Vennen had meegenomen. We komen er niet meer achter welke struik het nou precies is. Ik twijfel er niet aan dat hij ertussen staat, volgens mij is er aan het tuintje niets veranderd.

‘En toch heb ik de meeste en beste herinneringen aan de Groningerstraatweg,’ zeg ik tegen Esmee als ik haar aan de lijn heb.
‘Ik echt niet. Van de Pelikaanstraat herinner ik mij alles. Ik weet nog precies wie in welk huis woonde. Het huis in de Pelikaanstraat was toch veel mooier?’
‘Zeker, toch heb ik me er nooit echt thuis gevoeld. We hadden er geen uitzicht. We keken uit op die heg van de buren aan de overkant, dat vond ik benauwend.’
‘Een heg, Pa. Wat maakt een heg nou uit?’

Het terras van Proefverlof ligt aan de Zuider Stadsgracht. In de stad hing overal de rust van de zondagochtend. Het leek alsof Wyb en ik de stad voor ons alleen hadden; alleen een paar bootjesmensen waren bezig hun boot schoon te maken. Af en toe komt er nu een bootje langs het terras varen. We zouden het kabbelen van de golfjes tegen de boegen kunnen horen, ware het niet dat door de luidsprekers harde muziek over het terras klinkt.

‘Zou de muziek wat zachter kunnen?’ vragen we aan een horecamedewerker als hij vraagt wat we willen drinken.
‘Ga ik voor u doen.’
Even later zet hij de cappuccino’s voor ons neer. ‘Ik heb de muziek zachter gezegd, zoals u wel hoort.’ Wyb en ik kijken elkaar aan. Wij horen geen verschil, maar we zijn te beleefd om verder te zeuren.
Het is hier heerlijk zitten. De gracht, de bootjes en de panden aan de overkant. Op het ene staat nog in grote letters: Kantoorboeken Fabriek. Het monumentale pand ernaast heet De Sterke Vogel. Leeuwarden is gezegend met de mooiste monumenten.

‘En? Is het u bevallen?’ vraagt een meneer als wij afrekenen.
‘De koffie was prima,’ zeg ik, ‘maar mag ik toch een kritische opmerking maken?’
‘Graag,’ zegt de man.
‘Die muziek op het terras is toch wel erg irritant. Die vloekt nogal met de zondagse rust om ons heen.’
‘Ja, maar wij weten dat de meeste mensen het kunnen waarderen, want als die muziek aanstaat, blijven de mensen langer zitten.’
‘O, wij gaan er juist eerder door weg.’

‘Jij pakt dat ook veel te rigoureus aan meteen,’ zegt Wyb als we buiten staan.
‘Hoezo?’
‘Jij gebruikt meteen het woord kritiek. Dan schieten mensen meteen in de verdediging. Je moet wat diplomatieker zijn.’
‘Hoe had ik dat dan moeten inkleden?’
‘Je moet zeggen: ik heb nog wel een paar verbeterpuntjes of zoiets.
‘Verbeterpuntjes? Schei nou toch eens uit. Al dat verhullende, verzachtende, zalvende taalgebruik. Kritiek is kritiek. Ik vond mezelf nog mild. Wat een klote muziek. Wat was dat eigenlijk voor muziek? Ik herkende het niet.’
‘Dat was door AI gecomponeerde muziek, denk ik.’
‘Ook dat nog.’

Journal d’images

Dies is een groot liefhebben van fonteinen. Op de achtergrond een ingepakte Oldenhove. Reden: renovatie. 

Journal

 

Nalatenschap

Zondag 9 augustus, Leeuwarden

 

Het is toch jammer dat je zoveel dingen vergeet. Je bent druk met iets, je maakt het af. Je gaat je met andere zaken bezighouden en datgene waar je eens zo druk mee was, zakt weg in de drab van het geheugen. Daarom is het goed om eens in de zoveel tijd door het decor van het verleden te wandelen. Het is een prima stimulans om de herinnering wat op te frissen.

Ik geef toe dat, als het om Leeuwarden gaat, ik al snel over de liefde tussen Wyb en mij begin. Voor mijn herinnering aan de stad is dat toch ook wel allesoverheersend geweest. Vandaag, bijna zesentwintig jaar later, wandelen Wyb en ik ontspannen als toeristen door Leeuwarden. En dan zie ik iets waar ik nooit meer aan heb gedacht.

Als je door Leeuwarden wandelt, krijg je het idee dat iemand in een vliegtuig een poëziebloemlezing heeft verscheurd en de bladzijden naar beneden heeft laten dwarrelen. Nou ja, dwarrelen, het zal meer storten zijn geweest. In de stad, maar ook in de wijken daaromheen, liggen op, of liever gezegd, in de straat grote stenen. Een grafsteen, denk je in eerste instantie, maar dan blijkt er een gedicht op te zijn aangebracht.

Tot mijn genoegen zie ik dat dit project steeds grotere vormen heeft aangenomen. Ik zie poëziestenen die vrij nieuw zijn. En daar word ik ontzettend blij van, want ik heb aan de wieg mogen staan van dit project, dat nu Poëzieroute Leeuwarden heet. Om even lekker onbescheiden te zijn, ik stond niet alleen aan de wieg: het was mijn idee.

In 1993 nam burgemeester John te Loo afscheid. Voor zijn afscheid werd aan een groepje mensen, waar ik deel van uitmaakte, gevraagd om na te denken over een passend cadeau — en zo bracht ik het idee van de poëziestenen in.

Het was een idee dat ik al langer had. In Groningen had ik namelijk de gewoonte om regelmatig poëzie op grote affiches, A0-formaat, langs de weg te zetten. Jammer genoeg jakkerde het verkeer erlangs en die mooie witte affiches werden al snel smerig. Bovendien waren ze roofgoed, want er waren altijd liefhebbers die zo’n gedicht, van Bloem of Kopland, thuis wilden ophangen. Wat zou het mooi zijn, dacht ik toen, als we die gedichten op grote granieten stenen in de stad konden leggen, de tekst in steen gebeiteld. Dan konden ze tenminste een tijdje meegaan. Mensen die op een plein even blijven staan en poëzie lezen, dat leek me als poëziepropagandist een mooi beeld.

Dankzij dat afscheid van de burgemeester zag ik de kans het idee te realiseren. Wat overigens best een dingetje werd. Zo’n steen, zeker als je de tekst erin wilde laten beitelen, kostte een lieve duit. Maar omdat iedereen het een goed idee vond, zeker omdat het iets blijvends voor de stad was, werd het zowaar gerealiseerd. Bij zijn afscheid lagen er tien stenen in het centrum.

Nu, als achteloos wandelende toerist in Leeuwarden, kom ik de stenen echt overal tegen. Als ik het later opzoek, blijkt dat er inmiddels zeventig stenen zijn met Nederlandse en Friese poëzie en dat er een officiële route is. Voor het oorspronkelijke idee is goed gezorgd.

Al wandelend krijg ik er steeds meer plezier in. Het is ook wel grappig. Ik ben met pek en veren uit deze stad verwijderd. Mijn naam is gewist. Maar ik heb, samen met velen, toch maar mooi twee beeldbepalende projecten nagelaten: een theater en een alsmaar uitdijende poëzieroute. Het staat en ligt er toch maar mooi.

Voor meer informatie:

https://www.poezieroute.nl/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Po%C3%ABzieroute_Leeuwarden

Journal d’images

Journal

 

Shakespeare in Leeuwarden

Vrijdag 7 augustus, Leeuwarden

 

Vier dagen lang verblijven we in Leeuwarden. Het belangrijkste doel van het verblijf: het bezoeken van vrienden in het noorden, mensen die we hebben verwaarloosd omdat we in de Randstad zijn gaan wonen. In alle opzichten blijkt dat wij meer in het noorden thuishoren dan in Delft. Delft is voor mij persoonlijk een stad zonder geschiedenis, en nog steeds ken ik er niemand. Friesland en Groningen ademen de geschiedenis van Wyb en mij, overal liggen herinneringen. Voor Wyb zeker, ze is er geboren en getogen. Voor mij ook, want al met al heb ik er bijna vijfentwintig jaar gewoond, en vooral gewerkt.

Leeuwarden is geen stad waar ik even onbevangen heen ga en rondloop. De heftigste veranderingen in mijn leven hebben zich hier afgespeeld. Ik heb er, om in Shakespeariaanse termen te blijven, triomfen en nederlagen beleefd. Op zakelijk gebied ben ik hier gevierd en daarna verguisd, of is ‘uitgekotst’ een beter woord? Ik mocht in Leeuwarden een nieuw theater realiseren. En ik beleefde hier mijn grote liefde, een liefde die werd veroordeeld omdat ik als baas van het spul verliefd werd op een van mijn naaste medewerkers. Dit was nog voordat het echte #MeToo-tijdperk losbarstte.

Nadat ik Wyb voor het eerst kuste, zei ik vrijwel meteen tegen haar dat ik vanaf dat moment geen directeur meer van De Harmonie was. Ik wist dat ik een grens had overschreden die je niet behoort te overschrijden. En vier maanden later, nadat wij onze liefde bekendmaakten, barstte de commotie los. Het gevolg was dat wij met pek en veren de stad moesten verlaten. Gelukkig hadden we een voorzienende blik gehad en konden we nog net ons vege lijf redden.

Veel commotie, maar ik heb er nooit spijt van gehad. Als ik opnieuw voor de keuze stond, zou ik alles hetzelfde doen, inclusief het incasseren van alle afkeer en veroordeling die daarop volgden. Sindsdien weet ik dat liefde groter is dan conventies en angst.

Inmiddels is dat alles meer dan vijfentwintig jaar geleden. Dat laat onverlet dat, als ik richting Leeuwarden rij, alles weer terugkomt. Nou ja, alles: ik voel opeens wat littekens schrijnen. Ik herken het vage gevoel van onveiligheid dat toch weer ongewild bij mij opkomt.

Als ik door de stad loop, merk ik dat ik op mijn hoede ben. Wie kom ik uit die tijd nog tegen? Maar Leeuwarden lijkt een stad waar een variant van de neutronenbom is gevallen. In tegenstelling tot het effect van de oorspronkelijke neutronenbom lopen hier weliswaar nog mensen, maar het zijn allemaal andere mensen dan destijds. Vroeger kwam ik in elke straat wel een bekende tegen: nu helemaal niemand meer.

Of misschien kom ik wel oude bekenden tegen, maar herken ik ze niet meer. Om een opmerking van Wyb aan te halen: ‘Je hoeft niet bang te zijn dat je oude bekenden tegenkomt. Ze herkennen je toch niet meer.’ En zo is het. De tijd vermomt uiteindelijk iedereen. Ik doe mijn best om in oude gezichten de tijd van toen terug te halen. Soms denk ik dat het even lukt. Maar gelukkig te weinig om stil te blijven staan en een gesprek aan te gaan. Het liefst loop ik ook gewoon door.

Journal d’images

Journal

 

Noodradiootje

Donderdag 6 augustus, Delft

 

Gaat er oorlog komen? Ik heb het gevoel van niet, maar ja, ik kan talloos veel voorbeelden noemen dat mijn gevoel ernaast zat. Goed beschouwd is er al oorlog; overal op de wereld is oorlog. De wereld is nooit zonder geweest, dus de kans dat er ooit oorlog komt, lijkt me groter dan de kans dat het altijd vrede zal blijven.

Nou lijkt de boel in Nederland tamelijk stabiel, maar wat zegt dat? Er zijn genoeg gekken in en buiten het land die de lont in het kruitvat willen steken, nietwaar Lidewij de Vos? Om maar eens een naam te noemen. Als die FVD begint met het deporteren van mensen, zal ik, bijvoorbeeld, genoodzaakt zijn de wapenen op te nemen om mijn bruine dochters te beschermen. Oud en stram zal ik ze van katoen geven, die remigratiewappies. En dan heb ik het over de Russen nog niet gehad, maar die acht ik een minder groot gevaar dan Lidewij de Vos. Als je de Donbas nog niet eens kunt veroveren, ben je toch echt geen knip voor de neus waard als grootmacht.

Ik heb het zekere voor het onzekere genomen en daarom bij de Volkskrant-Webshop zo’n noodradiootje met een heleboel andere functies gekocht. Ideaal voor in de oorlog, want hij laadt zich op via zonne-energie en ik kan hem ook opladen door snel met een hendeltje te zwengelen. Daarnaast kun je ook gewoon de stekker in het stopcontact steken.
Het ding heeft vele functies die in tijden van nood verdomd handig kunnen zijn. Zo zit er een kompas op, een alarmsirene (stel dat ik onder een ingestort gebouw lig), een leeslamp en een zaklamp. Bovendien is het een powerbank. Laat de oorlog maar komen. Wyb en ik zijn er klaar voor. Wyb heeft al een literfles ginger beer met water gevuld en in de kast gezet, mocht de watervoorziening uitvallen.

We hebben nog geen noodvoorraad aangelegd. Dat lijkt ons niet nodig, aangezien wij vlak bij zowel een Jumbo als een AH wonen. Als we een beetje hardlopen, zijn wij de eersten die kunnen gaan hamsteren. Van vorige noodsituaties heb ik geleerd dat vooral wc-papier een gewild hamsterproduct is. Inmiddels heb ik geoefend en kan ik in beide winkels blindelings de schappen met wc-papier vinden.

Dat noodradiootje neem ik trouwens mee naar Frankrijk, want ik doe nou wat lacherig over noodsituaties, maar in Frankrijk maken we die een paar keer per jaar mee. Onweer, regen en floep: alles donker. Geen tv, geen kookplaat meer. Elektriciteit uit en wij zijn veroordeeld tot de donkerte.
Meteen is er enige paniek. Hebben we nou wel of geen kaarsen? Op de tast gaan wij op zoek. O ja, op de iPhone zit gelukkig een zaklampfunctie. Natuurlijk zijn de kaarsen op, en dan zitten we daar. De situatie die ik hier schets, komt zeker een paar keer per jaar voor. Maar vanaf september hebben we daar dus een noodradio met al die functies. Ik zet voortaan gewoon de leeslamp aan en lees verder waar ik ben gebleven. Na een paar uur floept meestal alles wel weer aan, soms na een dag.

Voor het geval de oorlog echt uitbreekt, heb ik al een huisprotocol opgesteld. Eerst gaan we hamsteren, dan de auto volgooien, vervolgens racen we naar Cadouin om dicht bij onze Lenco-noodradio te zijn.

 

PS Ik heb het huisprotocol bij nader inzien toch enigszins aangepast. Het is natuurlijk toch gevaarlijk om zo’n noodradio alleen in Frankrijk te hebben. En ook wel onpraktisch. Stel dat de Russen inderdaad komen of de dijken doorbreken, dan wil ik mijn Lenco noodradio toch meteen bij de hand hebben. Daarom heb ik besloten er nog een te kopen. Safety first.

Journal d’images

Journal

 

Majesteit

Woensdag 5 augustus, Delft

 

Toch nog even over de officiële opening van De Harmonie in 1995, heb ik dat ook aan Dossiermoddergat toegevoegd. Die openingsdag was geen florissante dag voor me. Ik lag ziek op bed en vrat mezelf op dat ik er op het moment suprême niet bij was. Werk je je vijf jaar uit de naad om een theater te bouwen, dan komt eindelijk de grote dag van de opening: ben je ziek. Terwijl ik in die vijf jaar volgens mij geen dag ziek was geweest.

Gelukkig was er Bertus, mijn vriend en huisarts. Ik noemde hem altijd mijn lijfarts. Soms kwam hij zelfs in De Harmonie bij me op huisbezoek.
‘Bertus, ik heb zo’n verdomde pijn aan mijn rechterbeen. Ik krijg hem niet vooruit.’
‘Kom maar even langs, kijk ik ernaar.’
‘Ik heb geen tijd, man. Mijn hele dag zit vol afspraken.’
‘Geen probleem, kom ik wel even bij jou langs.’
En een half uur later stond hij in mijn kantoor. Zo chique heb ik het nooit meer gehad. In de Dordogne kon ik niet eens een huisarts krijgen.

Alle lof voor Bertus. Op het eind van de dag had hij mij weer op de been, waardoor ik, al zwetend, de koningin kon ontvangen en tijdens de uitvoering van de Fryske opera Rixt naast haar kon zitten. Zoals iedereen die dit blog leest weet, lijd ik volstrekt niet aan hermelijnkoorts. Liever vandaag een republiek dan morgen. Dat neemt niet weg dat ik best weet hoe je een koningin moet ontvangen.

Maar goed, na de ontvangst begeleidde ik haar naar haar stoel en ga ik, volgens afspraak, naast haar zitten. Vervolgens begint ze een geanimeerd gesprek over adoptie. Ze had Anne en Esmee natuurlijk gezien toen Anne bloemen gaf en wilde nu alles over hen weten.
‘Ik hoop dat ik geen indiscrete vragen stel. Maar waar zijn ze geboren?’
‘En hoe oud waren ze toen jullie ze kregen?’
‘Is het moeilijk om te adopteren?’
‘Hoe ziet zo’n procedure er dan uit?’
Allemaal vragen waarover ik een avond kon praten. Maar tijdens onze conversatie zag ik dat de voorzitter van het bestuur al achter het katheder stond. Hij zou de koningin officieel welkom heten en de openingstoespraak houden.

Ik zag dat hij zelfs al begonnen was met de toespraak. Ik wist dat dit een groot moment voor hem was. Samen hadden we de afgelopen vijf jaar heel wat stormen doorstaan. Met een schuin oog zag ik dat hij zich in zijn toespraak persoonlijk naar de koningin richtte.
Maar dan zag hij ook dat de koningin en ik druk met elkaar aan het praten waren. Ik voelde een lichte paniek in me opkomen. Ik vreesde dat hij zou denken dat ík nu alle aandacht van de koningin opeiste. Terwijl dat absoluut niet het geval was.
‘Zijn het ook biologische zusjes?’
‘Weet u ook hoeveel kinderen er jaarlijks worden geadopteerd?’
Ik hield mijn antwoorden bijna onbeleefd kort. Ik dacht maar één ding: luistert u nu alstublieft naar de voorzitter, het is zijn finest hour. Uiteindelijk bracht ik ons gesprek beleefd tot stilstand en luisterde ze aandachtig naar de voorzitter. Als directeur van zo’n theater moest je ook overal op letten.

‘En, heeft u een beetje genoten?’ vroeg ik haar in de pauze.
‘Het is maar goed dat Claus er niet bij is, want hij houdt helemaal niet van moderne opera. Maar ik kan er oprecht van genieten,’ antwoordde ze.
Ik was blij met haar antwoord, want zelf vond ik het een ietwat highbrow opening, zo’n opera. We hadden er uiteindelijk toch voor gekozen omdat we het voor Friesland een statement vonden. We waren niet voor niets het theater van de Friese hoofdstad: noblesse oblige. En de Friese cultuur was een opera rijker, dat gebeurt ook niet elke dag.

Enige tijd nadat ik afscheid van Hare Majesteit had genomen, kwam er een medewerker naar me toe: ‘Even een vraagje, moet Andries nog bij de koninklijke wc blijven staan?’
‘Nee hoor, de koningin is al op weg naar huis.’
Andries had de hele avond bij de wc gestaan zodat niemand er gebruik van zou maken. Volgens het protocol moest er een toilet exclusief voor de Majesteit zijn. We hadden die ook nog eens majesteit-waardig gemaakt. ‘Ze heeft er geen gebruik van gemaakt,’ liet Andries mij even later weten.

Journal d’images

Journal

 

Katapult

Dinsdag 4 augustus, Delft

 

Wij wonen aan de buitenste gracht van de grachtengordel van Delft. Het is geen Keizersgracht of Prinsengracht. De gracht is een uitloper van de Schie, is zo’n tweehonderd meter lang en loopt dood tegen een winkelcentrum. De gracht is twintig meter breed en over de hele lengte liggen woonboten. Vanuit ons appartement kijken wij drie hoog neer op de gracht en onze overburen.

Ik heb nog nooit zo’n vreemde verhouding met mijn overburen gehad. Ik ervaar ze als overburen, maar mijn overburen kennen mij helemaal niet. Zij kijken tegen een massief appartementscomplex aan en hebben geen afzonderlijk contact met de bewoners daarvan, want die wonen achter grote glazengevels. Voor hen zijn wij anonieme buren.

De meeste woonboten hebben aan onze kant een dichte wand, zodat ze geen last hebben van ons gegluur. Hier en daar is een raam, maar daar hangt meestal een gordijn voor. Des te opmerkelijker is de boot die rechts voor ons ligt. Die boot is een soort poppenhuis. Elke kamer — slaapkamer, keuken en berging — heeft ramen. De woonkamer heeft zelfs een grote schuifdeur die uitkomt op de gracht. Voor de schuifdeur ligt een vlonder waar vaak eenden opzitten.

Die vlonder is tevens de thuisbasis van de vier zwanen die schooiend door de Delftse grachten zwemmen. Elke ochtend en elke avond zwemmen ze onze gracht in om te kijken of de bewoners van het poppenhuis wat voer voor hen op de vlonder hebben gelegd. Daarna ontspant het zwanengezin zich. De ouders wassen zich uitgebreid en de kinderen doen een dutje. Al hun geschooi levert best iets op, merk ik als ik door de stad loop en ik ze buitengewoon hautain zie bedelen.

Het poppenhuis is een fantastische woonboot. Vooral omdat de bewoners zich niets aantrekken van de volledige transparantie van de boot. Onbevangen gaan ze liggen zonnen als de schuifdeur openstaat, of zie ik ze naar de slaapkamer verdwijnen. Boven hun bed hangt een hangmat waarop ze wel eens liggen te lezen.

Aan het begin van de zomer zag ik de vrouw in de schuifdeur op de grond zitten, genietend van de zon. Ik kan dat allemaal zien, omdat wij ook aan de zijkant een raampartij hebben. Automatisch kijk ik die kant op: het uitzicht is daar zo mooi. Van daaruit kijken wij uit op de laatste stadspoort van Delft (gebouwd rond 1400). Er zwemmen bovendien altijd eenden — en natuurlijk de zwanen.

Als ik naar buiten kijk, zie ik de vrouw met een katapult in de schuifdeur zitten. Ze richt de katapult op de eenden die aan de overkant van de gracht zitten — wat ik niet van haar had verwacht. Ze lijkt me een zachtaardig mens.

Ik loop naar onze voorgevel en open een raam zodat ik schuin naar haar kan kijken. Ik zie haar weer richten en schieten.
‘Hé, niet doen, dat is toch zielig voor die dieren!’ roep ik.
Ik zie haar verschrikt in het rond kijken. Ze heeft geen idee waar die stem vandaan komt. Terwijl ik toch niet wegduik. Mijn hoofd steekt nog steeds buiten het raam. Ze blijft kijken, maar mijn hoofd valt haar niet op. Dat komt waarschijnlijk omdat ik in zo’n glaspaleis woon en een detail als een mensenhoofd daarin niet opvalt.

Ze gaat naar binnen en komt terug zonder de katapult. Dat heb ik toch maar mooi bereikt.
Het zou best kunnen dat ze op een verjaardagsfeestje vertelt: ‘Ik richtte die katapult en toen hoorde ik uit de hemel de stem van god, die mij terechtwees.’
Toch mooi dat ik voor één keer de stem van god was.
Het heeft in ieder geval geholpen, want ik heb haar nooit meer met die katapult zien schieten.

Journal d’images

Journal

 

Marjolein

Maandag 3 augustus, Delft

 

Ik vorder gestaag in de romancyclus Mijn strijd van de Noorse schrijver Karel Ove Knausgård. Van de zes delen heb ik er nu vier en een half gelezen, nog anderhalf te gaan. Ik dacht dat ik er op een gegeven moment wel genoeg van zou krijgen en een tijdje moest pauzeren, maar ik blijf met enthousiasme doorlezen. Om af en toe even lucht te kunnen happen, heb ik vanuit Cadouin nog wel een boek van A.L. Snijders meegenomen met Zeer Korte Verhalen. De titel: Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Een titel die ik me graag ter harte neem. 

Knausgård beschrijft tot op het bot zijn eigen leven. Hij schuwt niets: zijn zuippartijen niet, waarin hij zoveel drinkt dat hij zich niets meer kan herinneren, noch zijn zeer moeizame relatie met zijn vader. En ga zo maar door. Daarmee zet hij de lezer ook aan het werk. Wie het leest, kan niet anders dan reflecteren op zijn eigen leven: wat deed ik op die leeftijd? Hoe vond ik dit of dat? Het lezen van Mijn strijd is het aftasten van je eigen leven.

Gisteren las ik de volgende passage in het vierde deel van de cyclus, Nacht. Het gaat over zijn allesverzengende, onbereikbare jeugdliefde Hanne.
Ach, dit is het lied van de jonge man die van de jonge vrouw houdt. Heeft hij het recht een woord als ‘houden van’ te gebruiken? Hij weet niets van het leven, hij weet niets van haar, hij weet niets van zichzelf. Het enige wat hij weet is dat hij nog nooit eerder iets met zo’n kracht en zo’n helderheid heeft gevoeld. Alles doet pijn, maar niets is zo fijn.

Bij het lezen van deze passage moest ik meteen aan Marjolein denken. Tussen mijn veertiende en zeventiende werd mijn leven door haar beheerst. Niemand die het merkte, zelfs Marjolein niet, maar ik was intens verliefd.
We waren totaal anders, onze levens raakten elkaar nauwelijks. Alleen overdag, wanneer we samen les hadden, probeerde ik altijd naast haar te zitten en wisselden wij briefjes uit. Het waren de gelukkigste momenten in mijn puberbestaan.
Zij was een frêle, verlegen meisje. Ik had een grote bek. Ik had een schare vrienden met wie ik het leven ontdekte. Zij had één meisje met wie ze wel eens omging. Hoe kon ik een opening vinden om haar mijn liefde te verklaren — en misschien wel te winnen? Ik had geen idee, of liever: ik durfde het niet. Stel dat ze nee zou zeggen.

Ze woonde in een huis aan het einde van een lange straat. Als je in die straat reed, had je heel lang zicht op haar huis. Menig avond heb ik door die straat gefietst in de hoop haar silhouet in het raam te zien. Soms zag ik haar onder de lamp aan tafel zitten. De liefde spatte uit mijn lijf.

Ongeveer in die tijd maakte een zestienjarige vriend van mij een einde aan zijn leven. Volgens de verhalen had zijn vriendinnetje het met hem had uitgemaakt. Ik begreep hem wel. Stel dat ik verkering met Marjolein kreeg, en dat ze het zou uitmaken: ik zou hetzelfde doen.

We verlieten de school en ik heb haar nog één keer gezien. Het was een paar jaar later. Ik stond in een fotowinkel — die had je toen nog. Terwijl ik werd geholpen kwam ze met haar vader binnen. Ik zag haar en mijn verliefdheid was onmiddellijk terug. We groetten elkaar, maar ik durfde niet met haar te praten, zeker niet nu haar vader erbij was.

Nog veel later had ik een zeer levensechte droom over haar. Die nacht verscheen ze zoals ik haar kende. We praatten volop met elkaar. Ik proefde het geluk. Jammer genoeg werd ik wakker. De dagen daarna had ik weer dat heerlijke gevoel van verliefdheid.

Zo nu en dan google ik haar naam. Maar ik kan geen spoor van haar vinden. Ik zou zo graag willen weten hoe haar leven is verlopen. Het liefst zou ik een jeugdfoto van haar vinden.

Journal d’images

Journal

 

De totale overgave 2

Zondag 2 augustus, Delft

 

Het gebeurt niet vaak dat je je vroegere ik van eenendertig jaar geleden fysiek tegenkomt. Ik schrok ervan, moet ik bekennen. Was ik dat? Wat een eigenwijs mannetje. Een lefgozertje? In ieder geval een druktemakertje, dat zie je zo. Het is maar goed dat je jezelf zo weinig tegenkomt: je zou een hekel aan jezelf krijgen.

Op 29 juli schreef ik onder de titel De totale overgave het volgende: ‘Het concept van de totale overgave spreekt mij erg aan. Slechts één keer in mijn leven heb ik volgens dat concept kunnen leven. Dat was van 1989 tot 1997. Het was de tijd dat ik mocht werken aan een nieuw theater en het vervolgens ‘in de markt’ mocht zetten. Vanaf het begin realiseerde ik me: dit mag ik slechts één keer in mijn leven doen: genoeg gelanterfant. Dit ga ik niet voor 100% doen, maar voor 150%. De komende jaren is er niets belangrijkers dan dit. Ik zal er godverdomme voor zorgen dat het een succes wordt. Zeven jaar lang moest alles wijken voor dit voornemen. Het was de totale overgave. En toen had ik er ook goed de balen van.’

Op deze woorden kreeg ik twee reacties. Een reactie was van Henk, die schreef: ‘Blogger… jouw vriend Chat zegt… dat De Harmonie geopend is in 1995 en niet in 1997… Wat is de waarheid?

Ik antwoordde hem naar waarheid: ‘Beste oud-collega, het gebouw werd in 1995 geopend. Maar wat is een theatergebouw dat af is? Niets. En daar bedoel ik het volgende mee. Een bekende marketingwijsheid luidt: It’s better to have a market than a mill. Dit betekent dat het waardevoller is veel kopers te hebben dan een gebouw. Molenaars weten er alles van. Opeens kwamen er fabrieken die het graan goedkoper gingen malen. Toen stonden daar die mooie molens niets meer te doen. De Harmonie was in 1995 klaar, maar het allerbelangrijkste was natuurlijk om er publiek naartoe te krijgen en de boel aan de praat te krijgen. Jij en ik weten dat je stinkend je best moet doen om publiek naar die molen te krijgen. Daarom heb ik me ook van 1995 tot 1997 nog de blubber gewerkt. Vandaar mijn datering.’

De andere reactie kwam van Bertus. Hij is verantwoordelijk voor de confrontatie met mezelf. Hij schrijft in een mail: ‘Ook Caja en ik zaten zondagavond naar die enthousiaste Peter Pannekoek te kijken met zijn verhaal over de totale overgave. En nu vandaag jouw versie van die totale overgave in de periode van 1989 tot 1997. De periode dat ik jou als directeur van De (oude en nieuwe) Harmonie leerde kennen. Jouw energie en enthousiasme in die jaren zijn niet onopgemerkt gebleven. Totale overgave zoals jij dat zelf noemt. 
Dat valt ook te zien op de beelden van 19 januari 1995 in NOVA in het item over de opening van de nieuwe Harmonie. Het eerste wat opvalt zijn de donkere kringen onder jouw ogen, tekens van spannende en uitputtende tijden. Afgelopen winter kwam ik dat onderwerp tegen bij het opruimen van mijn oude videobanden. Maar sinds kort zijn ze ook te zien en terug te vinden in de Schatkamer van Nederland van Beeld en Geluid. Ik vond het zojuist in de volgende link.’

Voordat ik de link geef, verzoek ik de lezer vriendelijk doch dringend niet te lachen. Het is al pijnlijk genoeg.
‘Wat een rare stem had je toen,’ zei Wyb bij het zien van de beelden. Dat was mij ook al opgevallen. Eigenlijk vind ik alles raar aan mezelf.
Nog twee dingen voordat ik de link geef. Na de uitzending van de beelden op televisie belde mijn moeder en zei: ‘Je had je schoenen wel eens mogen poetsen.’ ‘Ja ma, maar ik wist totaal niet dat ze langs zouden komen, anders had ik dat heus wel gedaan.’
De nacht na deze opnames werd ik ongelooflijk ziek. De volgende dag, de dag van de opening, was ik er overdag niet. Ik was strontziek. Mijn dokter en vriend, ook een Bertus, lapte mij met de zwaarste middelen op, zodat ik ’s avonds toch de koningin kon ontvangen.
Anne mocht de koningin bloemen aanbieden.
‘Wat zegt die mevrouw?’ vroeg Anne hardop, nadat de koningin met haar majesteitelijke accent haar voor de bloemen had bedankt. ‘Ze praat zo raar.’

Hier is de link naar NOVA. Het item over de opening begint na 12 minuten en 27 seconden. Je kunt de video met de cursor op dat tijdstip zetten:

https://schatkamer.beeldengeluid.nl/serie/2101608030021507131/nova/aflevering/2101608060048110631?stream=2101610200637300321

Journal d’images

Journal

 

Tokshowtafels

Vrijdag 31 juli, Delft

 

Ik kan zo opzien tegen het nieuwe televisieseizoen. Dadelijk zijn ze terug van vakantie en dan beginnen de tokshowtafels weer. Wie een voorproefje wil zien, raad ik aan naar Goedenavond Nederland van WNL te kijken. Ik heb nu twee pogingen gedaan en elke keer haakte ik na een kwartier af. Wat is het toch een crime om in een land te leven met een obsessie. Altijd weer de asielproblematiek. Wat kunnen we daar toch heerlijk eindeloos over ouwehoeren.

Laten we nou gewoon vaststellen dat we alles weten over dit onderwerp. Alleen wie iets nieuws zegt over asielzoekers, de asielketen of iets anders wat ermee te maken heeft, mag iets zeggen. Mensen die met cijfers en inzichten komen die we allang kennen: mond houden. Evenals mensen die voor de zoveelste keer hun ongerustheid uitspreken of de boel zitten op te hitsen. Omvolking? Donder toch op met die onzin. Eindelijk weer eens ruimte voor interessante onderwerpen.

Proef dat Goedenavond Nederland, het is alsof je ongekruid eten moet eten. Het zout ontbreekt, de peper, laat staan de kurkuma, de Provençaalse kruiden, de sambal of noem maar op. Deze tokshowtafel is een gortdroge prak. Esprit? Flux de bouche? Inventiviteit? Luciditeit? Nooit van gehoord. Moeilijke woorden? Zoek maar op. Het enige wat belangrijk is bij de selectie van de gasten is dat je lid bent van de VVD en humorloos. Alleen Jort Kelder mag af en toe dienen als liberale stuiterbal.

WNL zet als host een leuke frisse jongen en een leuke frisse jonge vrouw neer om de uitstraling een beetje op te peppen. Maar die frisheid verhult natuurlijk niet dat we hier met nitwits hebben te maken met te weinig politieke en culturele bagage. Eens lekker doorvragen, ho maar. Ik kan zo terugverlangen naar Barend & van Dorp, Paul Witteman, Koos Postema en noem maar op. Was vroeger alles beter? Ja, vroeger was echt alles beter.

Waarom was vroeger alles beter? Omdat toen nog niet het idee bestond dat alles gericht moest zijn op de ‘hardwerkende Nederlander’, de ‘gewone Nederlander’, de ‘mensen thuis’. Oftewel: the middle of the road. Het idee stond voorop dat je een spannend, goed en gevarieerd programma wilde maken. Wanneer zie je nu nog een schrijver aan die tafels zitten: een kunstenaar, een wetenschapper die we niet kennen, een paradijsvogel? Nu zijn tokshowtafels voornamelijk journalistieke onderonsjes geworden. Journalist interviewt journalist.

In september verschijnt hij weer: Wouter de Winther met zijn smalend Telegraaf-lachje. Dat had hij twintig jaar geleden ook niet gedacht dat hij als journalist van een foute krant zo’n beetje elke avond, onder het mom van journalistiek, zijn rechtse praatjes in de hoofden van mensen mag schuiven.

En we zien dan weer dat andere natuurverschijnsel: de in ongenade geraakte politicus Halbe Zijlstra (beter bekend als Halbe de Sloper), die zeer regelmatig mag verschijnen aan tafel bij Pauw; samen met de politieke sterverslaggeefster Elodie Verweij. Goh, wat krijg ik, als ik haar zie, heimwee naar Wouke van Scherrenburg. Die Pauw heeft een neus voor oninteressante gasten. Nu realiseer je je pas hoe goed Paul Witteman was, met hem zou dit nooit zijn gebeurd. Zonder Wittemans is Pauw stuurloos. De oud-bestuurders van de VARA hebben zich al lang omgedraaid in hun graf. En dat nuffige shawltje van Pauw irriteert me ook — een detail, ik geef het toe, maar toch.

‘Hé, Blogger, als jij je zo zit te ergeren, dan zet je de tv toch uit,’ hoor ik de lezer denken. En daar heeft de lezer ook helemaal gelijk in. Doe ik ook, hoor. Het beeld floept uit en ik geniet eindelijk weer van mijn avonden. Maar er is toch wel één omroep die een goede tokshow kan maken? Schaf nou eindelijk eens een goede redactie aan. Wordt het niet de hoogste tijd dat Dieuwke Wynia terugkomt om de boel eens goed aan te jagen? Die kon tenminste iets.

Jammer ook dat Sven Kockelmann, die ik toch een van de beste interviewers van Nederland vind, nu ook in het konijnenhol van rechts gevangen zit. Ook daar: VVD-lidmaatschap verplicht. Die VVD heeft dat toch maar mooi geflikt met dat WNL.

Journal d’images

Journal

 

Ruis

Donderdag 30 juli, Delft

 

 

Ik moet op het rechte pad blijven. Niet dat ik nou meteen de criminaliteit induik; maar wat ik bedoel: ik moet gewoon doen wat ik de afgelopen jaren heb gedaan. Elke dag een blogje schrijven, wat zwerven, foto’s maken.

Ik schrijf dat omdat een mens al snel wordt bedreigd door ruis. Door die filmpjes die ik met Anne maak, komen er opeens dingen op mij af waar ik voor moet oppassen. Opeens zijn er mensen die iets van mij willen.

Anne krijgt als actieve instagrammer altijd allerlei uitnodigingen. Door het succes van onze filmpjes krijg ik opeens ook allemaal uitnodigingen. Anne wordt dan uitgenodigd voor een festival en krijgt daarbij het verzoek of ze haar vader mee wil nemen. ‘Jullie zijn samen zo leuk.’ Ik hou helemaal niet van festivals. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt naar een festival te gaan.

Erger nog. Ik moet bekennen dat ik onlangs mijn eerste reclamefilmpje heb opgenomen. Anne werd uitgenodigd om, betaald, een filmpje over een of ander drankje te maken. Dat moest dan wel samen met haar vader gebeuren. ‘Wij genieten zo van jullie filmpjes.’ En om Anne ter wille te zijn, heb ik er inderdaad aan meegewerkt, geheel tegen mijn principes in. Ik wil niet meewerken aan commerciële uitingen, dat doen al genoeg mensen.

Het filmpje toonde perfect hoe onhandig Anne en ik samen zijn. Ik wilde ijsblokjes uit de vriezer halen en meteen glijdt een hele zak frambozen uit de vriezer. De vloer was bezaaid met bevroren frambozen. Met een stoffer en blik raapte ik ze op, een scène die uiteindelijk in het filmpje terechtkomt. Mijn advies: als je een cocktail maakt, houd altijd stoffer en blik bij de hand.

Ik zeg tegen Anne: ‘Ik wil nooit meer commerciële filmpjes maken.’
‘Echt nooit meer?’
‘Nooit meer.’
‘En als ik nou een huisje regel in Griekenland?’
Ik weet dat ik niet mag zwichten, want voordat ik het weet, heeft ze dat geregeld.
‘Nooit meer.’
‘Of als ik iets bij de Bever regel?’
‘Anne, nooit meer.’

En dan heb ik het nog niet gehad over dames die met me op date willen en over het feit dat ik gescout werd voor een televisieprogramma. Overal dreigt ruis, ruis, ruis.

Benne stuurt me een appje met de vraag of ik in Dossiermoddergat de folder wil opnemen waarin de verkoop van de kunstwerken van zijn overleden vriend wordt aangekondigd. Ik kan moeilijk verzoeken van Benne weigeren. Maar ik overtuig hem met het principe dat de lezers van Dossiermoddergat precies krijgen wat ze verwachten: namelijk mijn dagelijkse gezeur. En ik wil ze niet lastigvallen met zaken waar ze niet om hebben gevraagd. Gelukkig begrijpt hij me. Samen hebben we al jaren een afkeer van reclame. De jaren zeventig hebben diepe sporen in ons achtergelaten.

Nu hoop ik niet dat oude vrienden dit lezen. Want die zullen zich misschien herinneren dat ik mij ooit, toen ik hoofd marketing van de schouwburg en De Oosterpoort in Groningen was, nog heb laten opleiden tot gediplomeerd reclameman. ‘En dan nu ineens principieel doen, Blogger?’

Ja, kan ik in alle eerlijkheid zeggen. Ik heb dat diploma gehaald omdat ik alle kneepjes van het reclamevak wilde leren kennen om — en nu komt het — zoveel mogelijk mensen naar het theater te krijgen. Het was de tijd dat ik nog idealist was en dat ik mij een soort missionaris voelde voor theater. Mensen misten zoveel. Ze zouden pas gelukkig worden als ze naar het theater gingen. En ik was daar tamelijk fanatiek in. Niet voor niets dichtte een bekend dichter ooit: ‘De kunst van Tonen, is het tonen van de kunst.’

Eerlijk gezegd is dat in feite nog steeds zo. Al gaat het nu om het tonen van mijn kunst. En daar past geen ruis bij, want er is verdomme al zoveel ruis. Mijn kunst is juist het elimineren van ruis.

Journal d’images

Scène uit het reclamefilmpje.

Journal

 

De totale overgave

Woensdag 29 juli, Delft

 

De avond met de eerste Zomergast van dit jaar, Peter Pannenkoek, begon fantastisch. Hij liet een fragment zien uit een documentaire over de Belgische schilder Sam Dillemans. Een man die maar één doel in zijn leven heeft: keihard werken, alles geven wat hij heeft om het niveau van Rembrandt en Picasso te halen. Aangezien hij naar eigen zeggen niet aan deze kunstenaars kan tippen, moet hij 320 jaar worden om hun niveau te halen. Dit betekent dat hij zo lang mogelijk moet zien te blijven leven. Met boksen en het leiden van een sober leven doet hij zijn uiterste best om in goede conditie te blijven. Daar komt bij dat hij, om geen minuut van zijn leven te verliezen, alles buitengewoon streng plant. Elke ochtend permitteert hij zich een kop koffie in een café, maar dat cafébezoek mag niet langer dan acht minuten duren. Daarna moet hij weer aan de slag.
Peter Pannenkoek bekijkt de documentaire minimaal een keer per jaar. Het is een voorbeeld voor hem hoe hij zelf wil werken. Als je goed wilt worden, moet je de dingen helemaal doen: met totale overgave. Zo niet, dan word je een halve kunstenaar, zegt hij in de nabespreking.

Het concept van de totale overgave spreekt mij erg aan. Slechts één keer in mijn leven heb ik volgens dat concept kunnen leven. Dat was van 1989 tot 1997. Het was de tijd dat ik mocht werken aan een nieuw theater en het vervolgens ‘in de markt’ mocht zetten. Vanaf het begin realiseerde ik me: dit mag ik slechts één keer in mijn leven doen: genoeg gelanterfant. Dit ga ik niet voor 100% doen, maar voor 150%. De komende jaren is er niets belangrijkers dan dit. Ik zal er godverdomme voor zorgen dat het een succes wordt. Zeven jaar lang moest alles wijken voor dit voornemen. Het was de totale overgave. En toen had ik er ook goed de balen van.

Daarna is er nog één moment in mijn leven geweest waarop ik weer tot de totale overgave besloot. In Apeldoorn gingen mijn mededirecteur en ik met onenigheid uit elkaar. Met sommige mensen valt gewoon niet samen te werken. Een goed moment om afscheid van het theater te nemen, vond ik. En ik besloot niet langer een halve kinderboekenschrijver te zijn. Om in de termen van Peter Pannenkoek te blijven: eindelijk zou ik een hele kinderboekenschrijver worden. Ik zou alles opzij zetten voor het schrijven. Het theater kon de pot op.

Ik had gesprekken met mijn uitgever en verzon projecten. En daar zat ik dan in mijn kamer achter de laptop. Al die druk, druk, druk: weg. Eindelijk verlost van al die sociale drukte waar ik zo van had gebaald. Eindelijk tijd voor de totale overgave.
Maar al na drie weken voelde het als een verschrompeld bestaan. Ik had helemaal niet de guts om in mijn eentje met totale overgave te werken. Ik vond het helemaal niks. Ik was gewend te schrijven aan de randen van mijn werk. Het werd mij al snel duidelijk dat ik geen hele schrijver kon zijn: ik was gewoon een halve. Niks totale overgave.

Wat was ik blij toen Matthijs Rümke me vroeg of ik samen met hem Het Zuidelijk Toneel wilde gaan leiden en me weer het theater introk. Eindelijk kon ik weer een halve schrijver worden.

Journal d’images

Journal

 

Zoek Mijn

Maandag 27 juli, Cadouin

 

Een paar maanden geleden zat ik in Cadouin en was Wyb voor drie dagen naar Nederland gevlogen om te werken. Op donderdagavond had zij late dienst op het ministerie, wat betekent dat ze tot elf uur ’s avonds moest werken. Ze liet me weten dat ze na haar dienst met collega’s nog iets ging drinken.

Anderhalf uur later had ik nog steeds niets van haar gehoord. Ik keek op Zoek Mijn, die fantastische app waarmee je kunt zien waar iemand zich bevindt. What the fuck! Ik zie dat ze op een industrieterrein is. Staat haar trein daar misschien stil? Maar er rijdt daar helemaal geen trein. Op de kaart zie ik dat het een verlaten industrieterrein is.

In dit soort situaties ben ik heel slecht. Ik denk dan meteen het ergste. Ontvoering? Verkrachting? Ben ik geografisch getuige van het overspel van mijn vrouw? De bezorgdheid raast door mijn lijf. Ik probeer haar te bellen, maar ik krijg de mededeling dat het telefoonnummer momenteel niet bereikbaar is. Wat kan ik op twaalfhonderd kilometer afstand doen? Moet ik de politie bellen, die haar mogelijk nog op tijd kan redden?

Die ongerustheid, die mateloze bezorgdheid, had ik al in mijn vroegste jeugd. Als ik als tienjarige alleen thuis was omdat mijn ouders boodschappen deden en ik in de verte een sirene hoorde, schoot de ongerustheid door mijn lijf. Het is een ziekelijk, panisch gevoel. Ik zag mijn ouders al op straat liggen, gewond, aangereden. Wie weet waren ze wel overleden, was ik nu wees. Ik pakte mijn fiets en reed in de richting van mijn ouders, waar ze dan ook waren in de stad.

Tot mijn grote opluchting zie ik op een gegeven moment het rondje met de W van Wyb bewegen en richting de snelweg naar Delft kruipen.
Uiteindelijk bleek Wyb in de auto te zitten bij een collega die een aantal collega’s naar huis bracht. Op het moment dat ik haar spotte, zetten ze een collega af. Op een industrieterrein? Hij woont in een flat die net was gebouwd op een voormalig industrieterrein, een flat die ons ook nog werd aangeboden toen wij al in Delft woonden. Op weg naar huis kan ik Wyb gelukkig al bereiken en vertelt ze hoe de vork in de steel zit. Eindelijk kan ik gerust gaan slapen.

Eergisteren gebeurde ongeveer hetzelfde. Anne is naar Landjuweel, een festival in Ruigoord. Ik wist dat ze op een elektrische fiets naar het festival zou gaan en ’s nachts, tot mijn grote bezorgdheid, terug naar huis zou fietsen. In de ochtend kijk ik of ze goed is thuisgekomen. What the fuck! Ik zie dat de A van Anne langs een weg in de Amsterdamse haven staat, ergens tussen Ruigoord en de stad. Dezelfde angstbeelden razen weer door mijn hoofd: beroofd, verkracht, vermoord.

Ik probeer haar te bellen. De telefoon gaat een paar keer over. Dan neemt ze gelukkig op.
‘Alles goed met je?’
‘Ja, waarom niet?’
‘Je zou naar huis gaan en ik zie dat je ergens op een haventerrein bent.’
‘Ja, hier is de camping van Landjuweel en ik heb besloten hier vannacht te blijven. Was je weer ongerust?’

Inmiddels is iedereen op de hoogte van mijn ziekelijke ongerustheid.
Ik had er ooit mee naar een psycholoog moeten gaan. Maar voor de jaren die mij nog resteren vind ik dat zonde van het geld. Mijn naasten en ik moeten er maar mee leven. Ik weet dat het lastig is, maar het is niet anders.

‘Waarom verwijder je die app niet, gek?’ hoor ik de lezer denken. Als er iets ernstigs gebeurt, kijk ik het noodlot liever recht in de ogen. Overigens hebben Wyb en Anne dezelfde app. Anne omdat ze bloednieuwsgierig is, Wyb omdat ze mij in de gaten wil houden als ik met Dies door de bossen wandel: stel dat er iets gebeurt, dan weet ze waar ik lig. Best handig, zo’n app.

Journal d’images

Ecce homo.

Journal

 

De wijde wereld

Zondag 26 juli, Cadouin

 

1.
Elke ochtend gooi ik als eerste het raam open van onze slaapkamer en de ijzeren luiken die ervoor zitten. Onder mij ligt de tuin, daarachter het weggetje en daarachter, of beter gezegd daaronder, de vallei. Het uitzicht wordt enigszins belemmerd door negen hoge bomen. Wat ik niet erg vind, want ze zorgen dat de wijde wereld, die nu voor me ligt, ietwat intiemer wordt.
Ik sta daar piemelnaakt in het raam; ik slaap namelijk naakt. Zoals ik in dat raam sta, voel ik mij een beetje de paus die het Urbi et Orbi uitspreekt, wat ‘voor de stad en voor de wereld’ betekent. Ik heb alleen geen gelovigen. Ik ben een naakte paus. Het is heerlijk de frisse ochtendlucht tegen mijn lijf te voelen.
Ik volg dit ritueel nu al vijf jaar en nog nooit heeft iemand me betrapt terwijl ik daar naakt van de wijde wereld sta te genieten. En dat komt omdat er niemand is. Het geeft een heerlijk vrij gevoel om een naakte paus te zijn.

2.
‘Kom, snel,’ roep ik tegen Wyb die in de keuken staat. ‘Vlug!’
‘Wat is er aan de hand?’
‘Kijk, daar: een haas.’
‘Waar?’
Ik wijs.
Een haas. Nog nooit hebben we in de vallei een haas zien lopen. Ik wist niet eens dat er hazen in de Dordogne voorkwamen.

Het is een luxe voor een haas om hier te leven. Dit is toch een heel ander leven dan het leven van de hazen op de kale akkers van Friesland. Op die kale akkers schijnt zelden de zon. Hier schijnt zelden niet de zon. Daar regent het meestal en waait er vrijwel altijd een straffe wind over de akkers.
De haas loopt hier weliswaar niet zonder gevaar. In september komen de jagers weer in grote getale. Maar anders dan in Friesland, vindt de haas hier makkelijk een schuilplaats. Alleen al in de droge beekbeddingen die de vallei in de lengte doorsnijden. Meestal staan ze droog en vormen ze prima schuilplaatsen. Alleen als het heel veel regent, lopen ze vol. Maar dat gebeurt hoogstens één keer per jaar.

3.
Ik maak mij zorgen over de hagedissen. Normaal gesproken zie ik er altijd wel twee of drie tegen de buitenmuur lopen. Sinds we hier zijn, heb ik er slechts twee gezien.
‘Is het jullie ook opgevallen dat er dit jaar zo weinig hagedissen zijn?’ vraag ik aan mijn Franse Nichten.
‘Nu je het zegt. Inderdaad. Zo weinig hagedissen.’

Thuis besluit ik ‘Chat’ eens te raadplegen. Die zegt: ‘Dat kan verschillende oorzaken hebben, en het hoeft niet te betekenen dat de populatie daadwerkelijk is ingestort. Het weer heeft veel invloed op de zichtbaarheid. Hagedissen zijn koudbloedig en passen hun gedrag sterk aan de temperatuur aan. Na een koel of nat voorjaar kunnen ze later actief worden. Juist op heel warme dagen verschuilen ze zich midden op de dag en zijn ze vooral vroeg in de ochtend en aan het eind van de middag te zien.’ Ik ben een beetje gerustgesteld. Verder noemt hij — Chat is inmiddels een man voor mij — als reden droogte en hitte, waardoor er minder insecten zijn en ze andere schuilplaatsen kunnen opzoeken. Ik ben nog meer gerustgesteld dat ze uiteindelijk weer terugkomen.

4.
Ik weet dat de natuur haar onnavolgbare logica heeft. Twee jaar geleden was er een enorme plaag van wantsen. Elke dag zoog ik tientallen wantsen met de stofzuiger op. Iedereen in Frankrijk had er last van. In huis liep ik regelmatig door een wolk van die vieze wantsengeur. Door de smalste kieren kwamen ze ons huis in.
Regelmatig gebeurde het dat, als we terug waren in Delft, er uit een doosje, een jas of een koffer een wants kwam gekropen en je dan weer hun smerige lucht rook. Waar kwamen ze toch in die grote getale vandaan? In de twee jaar daarna heb ik geen enkele wants meer gezien.

Journal d’images

Journal

 

Brandlucht

Zaterdag 25 juli, Cadouin

 

Mijn Franse Nichten sturen het volgende appje: ‘Lieverds, hoe is het met/bij jullie? Wij zitten sinds een uur in de rook van de bosranden bij Bordeaux. Hebben jullie hier ook al last van? Ruiken jullie het ook al?’

Ik antwoord: ‘Oei, wat vervelend. Wij hebben nergens last van. Hier nu wel veel onweer. Sterkte. Hopelijk gaat die brandlucht snel weg.’ Een stom appje, bedenk ik later. Ik had er natuurlijk aan moeten toevoegen: ‘En laten we hopen dat de branden onder Bordeaux snel onder controle zijn.’

Nog geen kwartier later lopen Wyb en ik naar buiten om naar het onweer te kijken, dat steeds dichterbij komt. Dies ligt het liefst aan onze voeten, trillend van angst. Buiten lopen we tegen een muur van brandlucht op, zo sterk dat mijn ogen ervan gaan prikken. Opeens lijken de branden, die het nieuws in Frankrijk domineren, nog dichterbij.

‘Zijn jullie veilig?’ vroeg een vriend van me. De afstand tot de branden in de Gironde bedraagt, schat ik, hemelsbreed zo’n honderdvijftig kilometer. Te ver weg om me ongerust te maken over onze eigen veiligheid.

Dat neemt niet weg dat de situatie ernstig is. Inmiddels zijn 145.000 mensen geëvacueerd en breiden de branden zich nog steeds uit, ook richting Bordeaux, een stad waar we regelmatig komen en waar we van houden. Een stad die heel dichtbij voelt. Het Franse kabinet is in spoedzitting bijeen voor crisisoverleg.

Maar het is net als met oorlog. Als je hoort dat een land in oorlog is, denk je dat het overal in dat land onveilig is en dat in het hele land de oorlog woedt. En dat is meestal niet het geval. Grote delen van een land leven gewoon door. Zelf ben ik een paar keer in een land in oorlog geweest. De familie thuis vrat zich op van zorgen, terwijl wij van die oorlog niets merkten.
Al worden de zorgen over de brand daar niet minder van. Je zult maar brandweerman zijn en midden in een bos tegenover een front van vuur staan. Of op stel en sprong je huis of caravan moeten verlaten omdat het vuur jouw kant op raast.

Maak ik mij helemaal niet ongerust over mijn eigen veiligheid? Niet over de brand die momenteel in de Gironde woedt. Ik maak me wel zorgen over onze eigen situatie, die niet wezenlijk verschilt van de normale omstandigheden in de Gironde. Ons huis is namelijk ook omgeven door bomen. Op onze berg staat een bos waar nooit iemand komt. Ik weet dat er veel dode bomen liggen en veel dor hout, en dat het al weken niet heeft geregend — het is in en in droog. Eén vonkje en de boel gaat in de hens. Ik onderdruk mijn zorgen hierover bewust, want anders heb ik geen leven.

Terwijl ik dit schrijf, onweert het om ons heen volop. Ik weet dat een blikseminslag vaak de oorzaak is van brand. Ik ga buiten staan om goed om mij heen te kijken. Want de intense brandlucht die ik ruik, hoeft helemaal niet uit de Gironde afkomstig te zijn. Voor hetzelfde geld brandt het nu in de buurt, ergens in een van die uitgestrekte bossen rondom ons.

Het plaatselijke nieuws meldt dat mensen in de Dordogne niet hoeven te bellen als ze een brandlucht ruiken. Er is nergens brand in de Dordogne. Die brandlucht is inderdaad afkomstig uit de Gironde. Opluchting.

Voor de zekerheid zet ik ’s avonds toch mijn rugzak klaar, met daarin mijn laptop en alle papieren die ik mee wil nemen als we plotseling moeten vluchten omdat het vuur nadert. We zijn zeker niet de eerste die dat zou overkomen.

Journal d’images

Journal

 

Het museum van het onvermijdelijke

Vrijdag 24 juli, Cadouin

 

Het prettige van Frankrijk is dat niet alles er keurig en volgens de laatste mode uit hoeft te zien. In Frankrijk zijn ze niet bang voor een beetje verval. Ik vind het tamelijk benauwend dat Nederland een über-keurig land is. Als er ergens een kras of scheur is, wordt die meteen weggewerkt. De keuken uit de mode? Hup, een nieuwe keuken. De straten in Nederland zijn allemaal kaarsrecht, vrijwel elk huis is identiek. Steriliteit lijkt het hoogste goed.
Frankrijk is ook niet bang voor de eeuwigheid. Hier bouwde men gewoon huizen die drie à vier eeuwen zouden blijven staan. In Nederland bouwen we huizen voor twee, hoogstens drie generaties. Bij ons raken huizen uit de mode, daar heeft Frankrijk ook geen last van.

De esthetiek van de keurigheid is eigenlijk niet aan mij besteed. Ik houd meer van rommelig, ik vind het fijn als ik de tijd zijn werk zie doen. Van een mooie scheur of kras kan ik meer genieten dan van een strak gelakt oppervlak. Van iets dat niet af is, geniet ik meer dan van perfectie. In Frankrijk kom ik volop aan mijn trekken als het om de esthetiek van het onvolmaakte gaat.

Gisteren wandelde ik over de heuvelrug waar ook ons huis tegenaan ligt. Het is een wandeling waar ik volop kan genieten van het verval. Want iets over de helft van de wandeling staat een onbewoond huis dat ernstig in verval verkeert. In de rechtermuur zit een enorm gat waardoor je onbeschaamd naar binnen kunt kijken. Er hangen nog gordijnen voor de ramen, rafelig en vies. Als je goed kijkt, zie je dat de vloer is ingestort. Tegen een muur ligt op een balk nog een vergeeld matras. Alles is aangetast; weer en wind en tijd hebben hier vrij spel. Rond het huis groeien wild de planten: seringen, kamperfoelie, klimop, jasmijn en clematis. Eensgezind gaan ze het huis te lijf.

Het is lang geleden dat ik deze wandeling heb gemaakt. Dat blijkt als ik het bospad afloop en op de open ruimte kom waar een oude schuur en drie huizen staan, waaronder het vervallen huis. Even ben ik gedesoriënteerd. De open ruimte is veel groter geworden. Dan zie ik het: het vervallen huis is verdwenen. Het is met de grond gelijk gemaakt. Er is zelfs geen spoor meer van het huis te bekennen. Het huis dat voor mij een monument was: een hommage aan teloorgang, aftakeling, ontbinding, neergang, verrotting en ondergang. Weg. Gesloopt door mensenhanden.

Welke vandaal heeft besloten dit monument definitief op te ruimen? Heeft nou niemand bedacht dat er mensen zijn zoals ik, die mateloos genieten van verval? Waarom hebben ze deze ruïne niet te koop gezet? Ik had het graag nog een paar decennia verder willen laten afglijden in het onstuitbare proces van de ondergang. Hier hadden nog generaties van kunnen genieten. Ik had het wel een museale status willen geven: het museum van het onvermijdelijke.

Even wat goed nieuws tussendoor. Als ik verder loop, zie ik dat het goed gaat met de dassenburcht boven op onze berg. De burcht is wéér gegroeid. Je ziet meteen dat er volop wordt geleefd in de burcht.

Dan bedenk ik dat de sloop van het huis weleens een veeg teken kan zijn. Ik ben namelijk soms best bang dat Frankrijk langzaam een even keurig en steriel land wordt als Nederland. Het zal toch niet wezen? Moet ik weer verhuizen.

Na de wandeling bel ik Wyb, die op het Ministerie van Buitenlandse Zaken Nederlanders helpt die in het buitenland in nood verkeren.
‘Wyb, ik heb slecht nieuws.’
‘Wat dan?’
‘Ze hebben het vervallen huis gesloopt. Het is totaal weg.’
‘Dat meen je niet. Wat zonde.’

Journal d’images

Journal

 

Leeg huis

Woensdag 22 juli, Cadouin

 

Na anderhalve week had ik gisteren eindelijk weer het lef om een lange wandeling te maken. Tot dan toe was het steeds tegen de veertig graden en waagde ik het niet om alleen de bossen in te gaan. Met die temperatuur is het alsof iemand je vasthoudt, hard tegen zich aandrukt om je de adem te benemen. Gelukkig lijkt de hittegolf nu langzaam af te nemen.

Ik nam mijn lievelingswandeling, een wandeling over de heuvels die aan de andere kant van de vallei liggen, recht tegenover ons huis. De wandeling begint met een lang pad omhoog, gelukkig niet al te steil, want met de 33 graden die de thermometer aantikte, moet je nog steeds rustig aan doen.

Op de wandeling bleef ik, zoals altijd, even stilstaan om naar het houten huis te kijken dat diep verscholen in het bos ligt. Vanaf het pad kan ik net de nok van het huis zien en het balkonnetje daaronder. De balkondeur staat al jaren half open.

Sinds twee jaar weet ik dat het een leeg huis is. Er woont niemand. Dat is vreemd, want wie het zou kopen, zou er zo in kunnen trekken. Even de dakgoten vernieuwen en het is een prima huis om in te wonen. Toch staat het al tenminste vijf jaar leeg. Waarom? Voor Wyb en mij een groot raadsel.

Het duurde even voordat we het pad naar het huis in durfden te slaan. Je loopt niet zomaar iemands erf op, maar wij vonden het zo fascinerend dat, in weer en wind, die balkondeur altijd open bleef staan. Nooit zagen we een teken van leven.
Uiteindelijk waren we zo nieuwsgierig dat we het toch waagden. Wat we zagen, was een huis dat prachtig lag en er als nieuw uitzag. De voordeur stond open. Ik geef toe dat we er een spooky gevoel bij kregen, toch gingen we naar binnen. We zagen een lege woonkamer, een lege keuken, een trap naar boven, die we niet op durfden. Verder geen teken van leven. Wat was in godsnaam de geschiedenis van dit huis?

Eén keer waren we heel dicht bij het antwoord. Wyb en ik wandelden over het dorpsplein van Cadouin. Op het terras voor de pizzeria zaten drie mannen te drinken. Een van hen was P., onze overbuurman.
‘Gerard, Wybrich, kom er even bij zitten.’
Ik voelde er niets voor. Waarom zou ik bij deze drie mannen gaan zitten? Ik wilde verder lopen.
‘Wij hebben iets te vieren en willen jullie iets aanbieden. Hoe meer zielen hoe meer vreugde. Kom, ga zitten,’ zei hij terwijl hij twee stoelen voor ons klaarzette.
‘Wat hebben jullie te vieren?’
Hij wees naar de man tegenover me en noemde een naam die ik nu vergeten ben. ‘Hij is jarig.’

We feliciteerden hem. ‘Woont u ook in Cadouin?’
Hij legde uit waar hij woonde. Wyb en ik moesten meteen aan het lege huis denken. Volgens ons lag zijn huis namelijk dichtbij het lege huis.
‘Oh, dan kunt u ons vast vertellen waarom het huis vlak bij u leeg staat, terwijl het nog in zo’n goede staat is.’
‘Wandelen jullie daar vaak?’
‘Zeker.’
‘Dan wandelen jullie door mijn bossen. Al die bossen die daar liggen, zijn van mij.’
‘Dan heeft u mooie bossen. Jammer dat er zoveel in wordt gejaagd.’
‘Ik ben heel erg tegen jagen. Ik wil niet dat er gejaagd wordt, maar houd ze maar eens tegen.’

‘Maar kunt u ons vertellen waarom dat huis leeg staat?’
‘Sorry, ik zou het kunnen vertellen, maar ik doe het niet.’
‘Waarom niet? We vragen het ons al jaren af. Wilt u het echt niet vertellen?’
‘Ik kan het niet vertellen. Zeker niet vandaag, op mijn verjaardag. Ik zal het jullie ooit vertellen. Maar niet vandaag.’
‘Hij kan het echt niet vertellen,’ beaamde P.
Ze klonken zo resoluut dat wij wisten dat we niet verder moesten vragen.
Na een glas wijn namen we afscheid.
De man heb ik helaas nooit meer gezien.
Het huis staat nog steeds leeg.

Journal d’images

Journal

 

No face, no case

Dinsdag 21 juli, Cadouin

 

‘Je bent vooral opa tot je kleinkinderen zestien zijn,’ las ik onlangs. ‘Daarna gaan ze de wijde wereld in en zie je ze nog maar sporadisch.’ Ik hoop niet dat het klopt, maar je weet nooit.
Vanmiddag heb ik Wyb naar het vliegveld gebracht, dus ben ik nu een onbestorven weduwnaar. Gelukkig zit de familie deze dagen vlakbij op een camping en heeft Esmee mij uitgenodigd voor het avondeten.

Mijn kleinkinderen — nou ja, je kunt beter van grootkinderen spreken — want Malu is inmiddels zestien en Joris dertien en een half. Ze zijn erg opgewonden, want afgelopen weekend is op de camping een nieuwe groep jongeren aangekomen, waaronder twee ‘erg knappe’ Franse jongens. En een Frans meisje, ook ‘erg knap’, blijkt een oogje te hebben op Jesse, de vriend van Joris die dit jaar mee is. Over anderhalf uur is er weer een afspraak. Ze zijn er erg druk mee, vooral hun haar is erg belangrijk: het haar moet goed zitten. Er wordt voor de spiegel heel wat gekamd en in model gebracht. Malu heeft het druk met haar wimpers.

Het wordt voor mij een buitengewoon leerzame avond. Zo hoor ik ze praten over ‘plus aura’ en ‘min aura’. Geen idee waar ze het over hebben. Als opa zit je aan tafel een beetje sneu te luisteren naar een wereld waar je niets van weet.

Beste mede-boomers, geniet nog van de Nederlandse taal zoals wij die kennen. Die is van voorbijgaande aard. Ik dacht: ik kan hier toch niet zomaar lijdzaam blijven zitten als mijn kleinkinderen geheimtaal spreken.
‘Plus aura, wat betekent dat in godsnaam?’
‘Weet je dat niet? Dat is straattaal voor iemand die gewoon cool is, die iets goed heeft gedaan. Iemand heeft een min aura als die iets stoms heeft gedaan.’
‘Kunnen jullie mij geen straattaal leren?’
‘Zeker. Weet je wat wakka is?’
‘Geen idee.’
‘Dat is lopen. Jij moet raden wat het betekent. Ballie?’
‘Geen idee.’
‘Voetballen.’
En zo leren ze me dat osso huis betekent en bakka een fiets. Het zijn woorden waar ik nog nooit van heb gehoord. Voor hen zijn het inmiddels heel gewone woorden, niets bijzonders.

‘Het is vooral belangrijk dat je noncha bent, opa. Anders maak je geen kans bij de bitta’s.’
Voor boomers die geïnteresseerd zijn in deze taal: noncha betekent nonchalant, cool, onverschillig, stoer. Bitta’s zijn vrouwen, ook wel duchies genoemd.

Komen mijn kleinkinderen uit Amsterdam of Rotterdam? Nee, ze zijn opgegroeid op het beschermde Ameland. Ik kom er nu pas achter dat zelfs daar de straattaal is doorgedrongen. Mijn kleinkinderen zijn ook ouder en meer streetwise dan ik vermoedde. En passant leer ik van ze dat gooner masturberen betekent en goon sperma. Het kan niet op vandaag.
En dan maak ik me druk over vergeten woorden zoals haaibaai en op de bonnefooi. Ik lijk wel barkie, wat ‘getikt’ betekent.

‘Je gaat er toch wel een blog over schrijven, hè?’
‘Ik ga het proberen, maar dan heb ik daar wel een foto voor nodig.’
Als rechtgeaarde pubers willen ze niet op de foto. Of toch wel, maar dan wel volgens het principe ‘no face, no case’. Wat is dat dan weer? Als ik het opzoek, blijkt het een uitdrukking uit de rapwereld te zijn. Het betekent zoiets als: ‘Als je gezicht niet zichtbaar is, is het moeilijker om te bewijzen dat jij ergens bij betrokken was.’ Ze stellen zich in de stijl van de gangsterrap op. Foto gemaakt.

Als ze uitgaan, laat ik de foto aan Jesse zien. ‘Zo bro, jij bent de hipste opa van de wereld.’ Hij steekt zijn vuist naar voren om afscheid te nemen. Ik boks met mijn vuist tegen de zijne, vervolgens tikken we allebei de vuist tegen ons hart. Laatst zag ik zelfs twee zakenlui op die manier afscheid van elkaar nemen. De cultuur van de straat rukt op. Yusu.

Journal d’images

Let vooral op de afdruk van haar bikinibandje. Tegenwoordig erg belangrijk omdat je dan kunt zien hoe bruin iemand is geworden. 

Journal

 

Een scherpe bocht

Maandag 20 juli, Cadouin

 

Mijn Franse Nicht houdt een aantal doorzichtige plastic mapjes in haar hand.
‘Ik heb iets heel resoluuts gedaan,’ zegt ze.
Ik kijk haar vragend aan.
‘Ik heb het archief van mijn verleden als grafisch vormgever opgeruimd en heb alles weggegooid.’
‘Dat meen je niet?’
‘Het is een enorme opluchting. Ik voel me er zo goed bij. Maar ik heb dit voor jou bewaard, misschien wil jij het nog bewaren.’ En ze geeft me de plastic mapjes.

Ik weet dat dit voor mijn Franse Nicht een belangrijke beslissing is geweest. Tientallen jaren was ze grafisch vormgever. Het beeld dat ze achter een groot scherm zit en daarop met teksten en foto’s schuift, is in mijn hoofd geëtst. We hebben veel samengewerkt, ook wel tot haar irritatie: heb je hem weer, heeft hij weer een project bedacht, een boek, een bedrijf, een uitgeverij. Maar ik maakte altijd graag van haar diensten gebruik. Ze is creatief, zeer precies. Ze is bovendien een grafisch vormgever van de oude stempel: ze heeft niet alleen liefde voor typografie, maar heeft er ook verstand van.

Een paar jaar geleden begon het werk haar steeds meer tegen te staan. Altijd achter dat grote scherm, altijd die miezenmuizende opdrachtgevers, het viel haar steeds zwaarder. En toen nam ze een scherpe bocht: ze besloot in Frankrijk makelaar te worden.

Ik begreep haar goed. Een mens kan soms zo’n behoefte hebben aan een scherpe bocht. Het oude leven achter je te laten en iets heel nieuws te beginnen. Ik ben kampioen scherpe bochten maken, en als je daarvan houdt, vlieg je ook weleens uit de bocht. Gelukkig is dat bij mijn Franse Nicht niet gebeurd. Ze verkoopt nu de mooiste huizen in de Dordogne. Ze is blij dat ze nu door dat prachtige landschap mag rijden en niet meer alleen in haar werkkamer achter een scherm hoeft te zitten.

Omdat ze doorzichtig zijn, zie ik meteen wat er in de mapjes zit: stukken verleden.
In het bovenste mapje zit de kaart die ik meenam als ik op scholen of in bibliotheken voorlas. Ik houd een rode paraplu boven een giraffe en mezelf om ons droog te houden. Op de achterkant stonden alle boeken die ik had geschreven. Ik gebruikte de kaart om mijn handtekening op te zetten als kinderen daar om vroegen.
Verder zit er een folder in over een boek dat ik ooit schreef, Een station te ver.
In een andere map zitten briefpapier en een visitekaartje dat mijn Franse Nicht ontwierp voor een bedrijf waar ik jarenlang mijn geld mee verdiende: Gerard Tonen, management- en marketingsupport.
Alles door mijn Franse Nicht ontworpen.

Ik vind het jammer dat ik nooit meer een fotoboek of een boek met haar zal maken. Al moet ik toegeven dat de tomeloze werkdrift waaruit die projecten voortkwamen inmiddels ook aardig is geluwd. Zo heb ik momenteel geen idee wat ik nu zou willen uitgeven.
Mijn site Dossiermoddergat, ontworpen door mijn Nicht, en jarenlang door haar verzorgd, is inmiddels in de zorgzame handen van iemand anders.
Eigenlijk was dat het eerste teken dat mijn Franse Nicht een scherpe bocht aan het naderen was.

Journal d’images

Journal

 

Waartoe?

Zaterdag 18 juli, Cadouin

 

‘Waartoe zijn wij op aarde?’
Het was de eerste vraag in de catechismus die ik als zes- of zevenjarig katholiek jongetje kreeg uitgereikt. Wat het Rode Boekje van Mao voor de Chinese communisten was, was de catechismus voor het katholieke volksdeel. Aan de hand van dat dunne boekje kregen wij godsdienstles en werd ons precies verteld wat wij moesten denken en hoe wij moesten leven.
Maak me ’s nachts wakker en ik dreun het antwoord op deze vraag op: ‘Wij zijn op aarde om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’

Heel lang heb ik dat boekje nog bewaard omdat ik het zo’n curieus ding vond. Bij de zoveelste verhuizing dacht ik: ik ben ook gek om het alsmaar met me mee te slepen, en gooide ik het in de vuilcontainer.

Toch is het een essentiële vraag: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’
Het katholieke jongetje in mij is al heel snel na het uitreiken van dat boekje gesneuveld. Dus moest ik als huis-, tuin- en keukenfilosoof zelf met die vraag aan de slag. Mijn antwoord is minder eenduidig dan dat van de catechismus, maar een deel van het antwoord luidt: ‘We zijn vooral op aarde om lekker te eten.’ Het is een van de grootste geneugten die ik ken. En deze week hebben wij dat weer volop mogen beleven.

Voor het eerst stond er donderdag, na het installeren van een septic tank, weer een lunchtafel onder onze catalpa. De catalpa dreigde een van de grootste slachtoffers van die installatie te worden. Opdat de graafmachines hun werk konden doen, moesten de onderste takken van de boom worden afgezaagd. Onze perfecte parapluboom, die ons jarenlang tegen de zon beschermde, werd een rare, lange snaak: meer een parodie op een populier dan een parapluboom. Maar de boom liet zich niet kisten. Je zag hem denken: ‘Waartoe ben ik op aarde? De schaduw is mij heilig.’ En verdomd, die lunchtafel stond toch weer perfect daar in zijn schaduw.

Lekker eten, goede wijnen, gezellig met elkaar praten over van alles en nog wat: dan weet je waartoe je op aarde bent. Aan die lunchtafel deden we dat met Rokus en Marie-Anne. Gisteravond gingen we met Esmee onbeschoft copieus dineren bij ons plaatselijke toprestaurant Les Terrasses de la Côte Rouge. Wij aten er onze vingers bij af.

Omdat Esmee in kennelijke staat was, bleef ze bij ons slapen. Eenmaal thuis na het diner trokken Wyb en Esmee nog een fles open. En toen wist ik het wel: dit loopt uit op een bacchanaal. Aldus geschiedde. Rond een uur ’s nachts hadden de dames me onder de tafel gedronken. Onder luid protest wist ik aan hen te ontsnappen en zocht ik mijn bed op.

Het gevolg was dat ze om kwart voor vier lallend aan mijn bed stonden.
‘Wat flauw dat je naar bed ging,’ zeiden ze om beurten met dubbele tong. ‘Ja, zó flauw.’
Wyb kon alleen nog maar op de been blijven door een soort balanceeract uit te voeren. Esmee, mijn zesendertigjarige dochter, viel vervolgens bij mij op bed. ‘Het is zo fijn om weer eens bij je vader te liggen.’
‘Ik wil slapen!’

‘We hebben iets heel belangrijks ontdekt,’ lalde Wyb.
‘Ja, we hebben iets heel belangrijks en dat moet jij weten,’ lalde Esmee.
‘Dat is mooi,’ zei ik. ‘Morgen zijn jullie de eersten. Maar ik wil nu verdomme slapen.’
Ik joeg Esmee van het bed. Wyb viel erin.
Eindelijk slapen.

Journal d’images

Journal

 

Vleermuizen etc.

Vrijdag 17 juli, Cadouin

 

Wat de dichter J.C. Bloem van de Nederlandse natuur vond, weten we inmiddels allemaal wel.

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Ik denk dat Bloem het allemaal nog te optimistisch voorstelde. Bestaat natuur überhaupt nog in Nederland? Wyb en ik wonen nu anderhalf jaar in Delft en pas vorige maand zag ik voor het eerst een insect in ons appartement. Het was zo bijzonder dat ik er een foto van nam. De steriliteit in de Nederlandse huizen is huiveringwekkend, denk ik weleens.

Hoe anders is het bij ons in Cadouin. Hoe die spinnen het flikken, geen idee. Als wij een maand weggaan, sluiten we natuurlijk alle deuren en gaan de luiken voor de ramen. Een onneembare veste, zou je denken. Als we terugkomen is het huis overgenomen door spinnen. In elke hoek van de kamer huist wel een spin. Rond de lampen en de kaarsenstandaards overal spinnenwebben.

Het is een bewonderenswaardige invasie, maar ook erg irritant. Kan ik weer opnieuw beginnen met het cleanen van het huis. De stofzuiger is mijn wapen. Wyb is een goed mens en wil dat ik alle spinnen keurig buiten zet. Voor de vorm pak ik hier en daar een spin bij de poten om hem buiten te zetten. Ik ben genadelozer: het gros verdwijnt in de stofzuigerzak. En och, uiteindelijk weet ik dat de spinnen winnen: als we na een maand terugkomen, is de oude status quo hersteld.

Afgelopen zaterdag kwamen Esmee, Malu, Joris en Jesse (een vriend van Joris) op de camping aan, hier vijftien kilometer vandaan. Een oude traditie. Ze hebben er een huisje gehuurd. Toen we dachten dat ze zich wel hadden geïnstalleerd, gingen Wyb en ik die kant op om ze welkom te heten en het een of ander te drinken.
Op weg naar hun huisje, op de camping, kwamen we de vijf reizigers opgewonden tegen.
‘Waar gaan jullie heen?’ vroeg ik.
‘In ons huisje zitten vier wespennesten en drie vleermuizen. Jesse is al gestoken.’
Op de een of andere manier vind ik dat soort dingen altijd goed om te horen. Gelukkig, de natuur laat zich nog gelden. We zien onszelf als het middelpunt van de wereld en daaromheen zit dan de natuur. In feite is het natuurlijk andersom: de natuur is het middelpunt en wij als mensen zijn slechts passanten. Als de mens is uitgestorven, zijn er altijd nog de vleermuizen en de insecten.

Samen met de campingbaas wisten we de vleermuizen te verjagen. Het waren lieve kleintjes, nog heel gezeglijk. De campingbaas spoot zijn spuitbus leeg op de wespennesten. Succes verzekerd. Ze lieten zich niet meer zien.
Het huisje is vrijwel ontdaan van de natuur. Behalve dat een dikke kever die nacht Jesse’s wang als warm nachtverblijf koos en daar zijn eitjes legde.

Ik kom erop omdat ik Wyb gisteravond wel tien keer panisch ‘Geer!’ hoorde roepen vanuit de slaapkamer. Wyb lag al op bed en wees verbijsterd naar boven. Door onze slaapkamer fladderde een enorme vleermuis rond, een prachtig diep zwart exemplaar. Die vleermuisjes van Esmee stelden er niets bij voor.

Gelukkig hebben we ervaring met dit soort situaties. In de tijd dat we in de Cevennen woonden, hadden we menig avond vier of vijf vleermuizen in de slaapkamer. Wat je daaraan kunt doen? Niets. Vleermuizen laten zich niet sturen. Ze vliegen hun rondjes en hoe je ook zwaait om duidelijk te maken dat daar het raam is, of je nou het licht aan- of uitdoet, de vleermuis bepaalt zelf wanneer hij het genoeg vindt.
Onze eerste paniek eindigde er meestal in dat wij lijdzaam probeerden te gaan slapen en de vleermuizen hun gang lieten gaan. We zagen wel wat er zou gebeuren. Soms voelden we, als ze laag overvlogen, een luchtstroom. We doken dan met onze hoofden onder de dekens.
De volgende ochtend waren ze altijd weg.

Journal d’images

Journal

 

Vulkaan

Woensdag 15 juli, Cadouin

 

Verdomme, opeens denk ik iets wat ik nooit eerder heb gedacht. Ik denk: ‘Ik ben nog nooit zo ontspannen geweest als nu.’
Rare gedachte, want ik heb me nooit beziggehouden met gespannen of ontspannen zijn. Ik leefde, ik werkte, en spanning speelde geen rol. Ik deed. Waarom komt die gedachte nu opeens wél bij mij op?

Plaats van denken: ons weggetje. En dat zal er zeker aan bijdragen. Ik heb de auto zojuist zo’n honderd meter van ons huis in de schaduw gezet. Normaal staat hij op het smalle parkeerplaatsje onder aan onze berg, maar met deze hittegolf brandt de zon hem weg. Ik parkeer de auto onder de bomen en loop dan over het weggetje terug naar huis.

We hebben een berg, een huis en ook, een beetje, een weggetje. Ik kan niet zeggen dat het ons weggetje is, maar goed beschouwd is het dat wel, als je er rekening mee houdt dat we het delen met Jenny, onze buurvrouw. Wij zijn eigenlijk de enigen die over het weggetje, dat niet breder is dan één auto, mogen rijden. Het eenrichtingsverkeer geldt voor beide kanten. Daarom hebben Jenny en wij afgesproken dat we vanaf het dorp het weggetje inrijden en er bij St. Anna weer uitrijden. Zonder die afspraak heb je kans dat we elkaar tegenkomen, en wie rijdt dan achteruit?

De enige die zich niet aan de afspraak houdt, is de postbode. Elke dag, rond het middaguur, rijdt hij keihard van St. Anna richting het dorp over ons weggetje. Zowel Jenny als wij ontvangen nauwelijks post, dus voor ons hoeft hij vrijwel nooit te stoppen. Daarnaast zijn er dagelijks twee of drie verkeersovertreders die de eenrichtingsborden negeren.
Verder rijdt er vrijwel niemand over het weggetje. Heel vaak loop ik erover en geniet ik van de stilte: rechts de vallei, links de berg, verder niets. Ontspannen dus. Misschien dat daarom opeens die gedachte in mij opkwam.

De gedachte doet me meteen denken aan twee jaar geleden, toen we hier nog woonden. Moeizaam liep ik over het weggetje, al dagen had ik last van mijn linkerbovenbeen. Op een gegeven moment deed het zo’n pijn dat ik niet verder kon lopen. Ik moest op het muurtje gaan zitten. Even later hinkte ik naar huis.

’s Middags had ik mijn Franse Nicht aan de telefoon. ‘Je moet Rens bellen,’ zei ze.
‘Rens?’
‘Rens woont zo’n vijftien kilometer van jullie vandaan en is fascia-therapeut. Hij heeft mij al zo vaak geholpen.’
De volgende dag was ik al bij Rens.
‘Duidelijk,’ zei hij. ‘In je dij zit te veel melkzuur.’ En hij begon me te masseren. Verder raadde hij me aan om dagelijks een liter water met baksoda te drinken. Dat laatste bleek niet nodig, want na twee dagen had ik nergens meer last van.

Maar voordat ik wegging, zei Rens: ‘Laat me eens kijken. Je staat helemaal scheef.’ En hij begon aan me te trekken en te duwen.
‘Man, man, wat ben jij gespannen. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo gespannen is. Het lijkt wel alsof jij een multinational moet leiden. Wat doe jij, heb je een eigen zaak?’
‘Ik doe helemaal niks. Ben al drie jaar pensionado.’
‘Maar hoe kan het dan dat je zo gespannen bent? Je lijf staat strak van de stress.’

En nu dus deze gedachte: ‘Ik ben nog nooit zo ontspannen geweest als nu.’ Een kleine overwinning? Misschien heb ik eindelijk al dat dansen op de rand van de vulkaan achter me gelaten? Ben ik dan eindelijk een bevrijd man?

Journal d’images

Journal

 

What’s in a name?

Dinsdag 14 juli, Cadouin

 

Het is jammer dat het beroep van tekstjutter niet bestaat. Iemand die leest en tussen al die zinnen de parels eruit weet te rapen. Het is een beroep waarvoor ik mijn pensionadoschap zou opgeven. Nu doe ik het werk vrijwillig.
Ik lees nog steeds in Mijn Oorlog van Karl Ove Knausgård, een rijke bron van parels, drijfhout, koelkasten, schoenen en alle andere dingen die kunnen aanspoelen. Ik bedoel maar: in zijn boeken valt veel te jutten. Gisteren jutte ik bijvoorbeeld de volgende tekst uit Zoon, het derde deel van de serie.

‘Is dat schepsel dezelfde persoon als degene die hier in Malmö dit zit te schrijven? En zal het schepsel dat in Malmö zit te schrijven, veertig jaar oud, op een bewolkte dag in september in een kamer waar het geroezemoes van het verkeer buiten klinkt en waar de herfstwind door het ouderwetse ventilatiesysteem giert, dezelfde zijn als de grijze, ineengedoken oude man die over veertig jaar misschien ergens in een bejaardenhuis in de Zweedse bossen beverig zit te kwijlen? Om nog maar te zwijgen van het lichaam dat ooit languit op een tafel in een lijkenhuis zal liggen? Dat zullen ze nog steeds ‘Karl Ove’ noemen. Is dat in feite niet ongelooflijk, dat één enkele naam dat allemaal dekte? De foetus in de baarmoeder, de baby op de commode, de veertigjarige achter de computer, de oude man in de stoel, het lijk op tafel? Zou het niet meer voor de hand liggen om met verschillende namen te werken, aangezien hun identiteit en zelfbeeld zo ontzettend verschillend zijn? Dat de foetus bijvoorbeeld Jens Ove zou heten, de baby Nils Ove, de vijf- tot tienjarige Per Ove, de tien- tot twaalfjarige Geir Ove, de dertien- tot zeventienjarige Kurt Ove, de zeventien- tot drieëntwintigjarige John Ove, de drieëntwintig- tot tweeëndertigjarige Tor Ove, de tweeëndertig- tot zesenveertigjarige Karl Ove — enzovoort, enzovoort? Dan zou de voornaam staan voor het unieke van elke leeftijd, de tussennaam voor de continuïteit en de achternaam voor de band met de familie.’

Briljant idee, dacht ik in eerste instantie: laten we dat doen, voor elke levensfase een andere naam.
Maar na enig nadenken realiseerde ik me dat het toch veel ingewikkelder is dan Karl Ove voorstelt. Ik weet niet hoe het bij andere mensen is. Maar regelmatig ben ik nog een dertien- tot zeventienjarige, om een uur later weer een tweeënveertig- tot zesenvijftigjarige te zijn. Er rusten veel zielen in mijn lijf, zielen die niet aan leeftijd zijn te koppelen, maar dwars door elkaar heen lopen. Om toch in de geest van Karl Ove te blijven, zou je je kunnen afvragen waarom iemand sowieso maar één naam heeft.

Mijn moeder heeft dat ten dele weten op te lossen. Ze had verschillende namen voor me. Gerard was er voor de dagelijkse gang van zaken. Gerardje voor toen ik nog jong was. Has was een koosnaampje; Gradje gebruikte ze als er grapjes werden gemaakt. Zo’n palet aan namen daar heb je wat aan. Nu heb ik nog drie namen. Als ik Gerard hoor, dan weet ik dat Ik Wyb aan de lijn heb. Als ik Geer hoor, is het Anne. En als ik Pa hoor, is het Esmee. Ook heel effectief.

Maar om met een oude bard te spreken: ‘What’s in a name?’ Want of je nou op een commode ligt, in Cadouin zit te schrijven of op een tafel in een lijkenhuis ligt: het is natuurlijk dezelfde persoon. Voor een wezen met verschillende zielen in één borst is dat bijna niet te begrijpen, maar het is niet anders.
Dies, mijn hond, maakt zich daar bijvoorbeeld nooit druk om. Hij weet het gewoon. Je suis Dies (hij is een geboren Fransman), van pup tot het moment dat hij een spuitje krijgt. De baas is de baas, het vrouwtje is het vrouwtje. Hij heeft zo’n heerlijk eenduidig zelfbeeld; je kunt er jaloers op worden.

Journal d’images

Journal

 

Waarom ik de honderd niet haal

Maandag 13 juli, Cadouin

 

Gisteren belde ik Bernadette om haar te feliciteren met haar zeventigste verjaardag.
‘Zeventig,’ zeg ik.
‘Maar het voelt niet zo, hoor.’
Een logische reactie, want dat is de ellende met dat zeventig: niemand voelt zich zeventig, maar het is onmiskenbaar dat de tachtig nadert.
Ik ken Bernadette nog van mijn eerste baan in de culturele sector. Zij deed secretarieel werk en baliewerk bij Cultureel Centrum De Lindenberg en ik had daar een of andere bullshit beleidsbaan. We waren jong en kritisch en wij zouden wel even… En toen waren we zeventig, compleet met een levenslange vriendschap.

Ik vertel haar dat ik elke maandag in de Volkskrant het interview met een honderdjarige lees. En dan zegt Bernadette: ‘Uit onderzoek is gebleken dat iedereen die honderd wordt één ding gemeen heeft: ze zijn allemaal optimisten.’

Gvd, daar schrik ik toch van. Als ik iets niet ben, is het een optimist. Mijn glas is niet eens halfvol, er zit alleen nog een bodempje in. En dat in mijn meest optimistische bui. Misantroop zijn en optimisme, dat is toch water en vuur. En nou zul je ook nog hebben dat mijn pessimisme mijn dood wordt, dat ik de honderd niet mag halen. Vind je het gek dat ik pessimist ben?

Voor al die blije eieren van tegenwoordig — alles is een uitdaging, niets is meer gewoon klote — hier een kleine opsomming die mij tot de misantropie heeft geleid. Het is slechts een kleine opsomming. De leider van het vrije Westen is een halve gare en aartsleugenaar. Het vrije Westen wordt kleiner en kleiner. Mensen zijn irrationele wezens. Goed beschouwd is meer dan de helft een wappie; het enige geloofwaardige voor hen zijn complottheorieën. Er is geen open water in Nederland dat niet is vergiftigd. De mens is een moordzuchtig wezen. De aarde gaat naar de knoppen. Nederland is onmachtig ook maar iets op te lossen. Dat geldt overigens voor de hele wereld. Nog nooit is de mens zonder oorlogen geweest. Enzovoort, enzovoort.

Omdat ik dit allemaal denk, ga ik blijkbaar ook nog eens eerder dood. Gelukkig heb ik een opgewekt gemoed, ik weet niet of dat meetelt in de race naar de honderd. Ik hoop het, al heeft het weinig met optimisme te maken.

Als ik Bernadette nog een mooie dag heb gewenst, overweeg ik dat het misschien toch het beste is gewoon een optimist te worden. Maar hoe maak je van een hardcore pessimist een optimist? Ik besluit mijn oud-collega Leo Pot eens te bellen. Hij heeft een handzaam boekje geschreven met de titel Doodgaan kun je leren. Hij heeft meer van dit soort handzame boekjes geschreven. Misschien is de titel Optimisme kun je leren een idee voor hem. Ik zou zo’n boekje meteen kopen, nu ik weet dat je er misschien honderd mee kunt worden.

Dan denk ik aan mijn vriend Chat, laat ik hem eens voorleggen of je optimisme kunt leren. Zijn antwoord: ‘Ja, optimisme kun je tot op zekere hoogte leren. Het gaat daarbij meestal niet om jezelf wijsmaken dat alles goed komt.’ Daar zit natuurlijk mijn probleem: ik moet het mezelf gaan wijsmaken.

Als laatste redmiddel raadt Chat mij een bezoek aan de psycholoog aan.
Ben je verdomme in de zeventig, moet je óók nog naar een psycholoog. Ik besluit het nu al op te geven: dan maar geen optimist, dan maar eerder dood. Ik denk sowieso niet dat je het na zeventig jaar pessimisme nog redt om de honderd te halen. 

Journal d’images

Journal

 

De ideale plek

Zondag 12 juli, Cadouin

 

Al sinds de directie van de Tour de France de route van dit jaar bekend maakte, heerst er in ons huis opwinding. Het blijkt namelijk dat de achtste etappe op drie kilometer van ons huis langskomt. Voor Wyb, fanatiek wielerliefhebster, is dat een ding om op je te verheugen.

Na bestudering van de etappe weet ze precies waar we moeten gaan zitten. Het is een heuveltje vanwaar je rechts zicht hebt op een lang stuk weg waar de renners komen aanrijden. Daarna nemen ze een bocht en moeten dan een klein klimmetje op, waardoor ze wat langzamer gaan. Vanaf onze plek kunnen we de renners omhoog zien rijden en linksaf richting LaLinde gaan. De ideale plek. Dat werd onlangs nog bevestigd door Henk, eveneens een fanatiek wielerfanaat, die ook had uitgevogeld wat voor ons de beste plek was om te gaan zitten. Hij kwam op dezelfde plek als Wyb uit.

Gisteren was dan de grote dag. Opnieuw gaan wij de Tour bezoeken. Ik zeg opnieuw omdat ik denk dat wij de afgelopen zes jaar al vier keer de Tour hebben bezocht. We gaan naar de ideale plek, maar daar blijkt dat ideale plekken één groot probleem hebben: iedereen weet dat het de ideale plek is. Op de ideale plek staan inmiddels campers, partytenten, overal liggen dekentjes om te picknicken en er is een zee van mensen. De eerste rijen zijn bezet. Wij moeten achteraan aanschuiven.

Niet zo’n probleem, want daardoor vinden we aan de rand van het bos een schaduwrijk plekje. Een prima plek om kranten te lezen. We hebben onze campingstoeltjes meegenomen, dus wij zitten heerlijk relaxed te lezen. Nou ja, ik zit relaxed. Wyb is onrustig. Zoals een hond altijd even zoekt naar de ideale plek om te poepen, zo blijft Wyb zoeken naar de ideale plek om te staan wanneer het circus dadelijk losbarst. Een niet onbelangrijk detail: het is vandaag 38 graden.

Voor ons heeft de Deense gemeenschap in de Dordogne zich verzameld. Keurig beschaafde mensen met een enorm arsenaal aan materiaal om Vingegaard aan te moedigen. Spandoeken, vlaggen, grote en kleine. Alles professioneel opgeborgen in flightcases. Naarmate de Tour nadert, komt er meer materiaal uit. Ondertussen richten ze een copieuze picknick aan. Wyb en ik zitten achter hen te watertanden.
En dan komt de reclamekaravaan langs, voor velen het hoogtepunt van het jaar. Ouders en kinderen graaien naar alle lekkers dat vanaf de wagens naar de kant wordt gegooid. Op de wagens staan dj’s, zangers, marktkooplui, het is een stoet van individuele aandachttrekkers. Mensen rijden rond in de vorm van aardbeien, meloenen en sinaasappels. Het toetert, danst, zingt, schreeuwt. La vache qui rit, Orangina en meer van dit soort merken. Skoda, Renault, het houdt niet op.

Als die stoet voorbij is, keert de rust weer. Ouders en kinderen tellen hun buit. Wyb neemt een strategische positie in op een verhoginkje, het zal niet lang meer duren of de renners komen langs. De Denen pakken de laatste spandoeken uit. Hier en daar wordt geduwd om de beste plaatsen te bemachtigen. Ik ga vast naast Wyb staan.

‘Kom, ik denk toch dat het beter is om aan de overkant te gaan staan,’ zegt Wyb vlak voordat de renners langskomen. Met gevaar voor eigen leven ren ik achter Wyb naar de overkant. Dan volgt de ene politiemotor met sirene na de andere. Dit betekent dat het grote moment nu is aangebroken — ik heb er inmiddels ervaring mee.

Van het overzicht van onze vermeende ideale plek is inmiddels niets meer over. Het is één grote kolkende massa. Wyb en ik hebben zo’n tien meter vrij uitzicht. De massa gaat schreeuwen. Het peloton nadert. Dan schieten honderdzeventig renners in een flits voorbij. Ik check het op de stopwatch van mijn horloge: Elf seconden. Drie uur wachten voor elf seconden, sommige campers stonden er al drie dagen. Ik ben een tolerant mens; ik gun iedereen zijn hobby.

Als we onze campingstoelen opzoeken en invouwen, zegt Wyb: ‘Ik beloof je dat dit de laatste keer is dat we zijn gaan kijken naar de Tour.’ 
‘Dat leggen we dan bij deze vast,’ zeg ik.

Journal d’images

Journal

 

Warm welkom

Zaterdag 11 juli, Cadouin

 

Als we het weggetje onder ons huis opdraaien, dat niet breder is dan één auto, staan er tien meter voor de auto een ree en haar kalf. Ze staan midden op het weggetje en kijken ons uitdrukkingsloos aan. De auto schrikt hen niet af; ze blijven ontspannen naar ons kijken. Ik zet de auto stil en wij blijven vol bewondering kijken. Wat een schoonheid, wat een onschuld: een ree en haar kalf, zo recht voor ons, mens en dier kijken elkaar aan — ik heb het nooit eerder meegemaakt. En zo lang, minutenlang, blijven ze naar ons kijken.

Zo’n honderdvijftig meter verderop ligt ons huis. Als we zo een tijdje hebben gezeten, verlangen we na twaalfhonderd kilometer toch wel naar thuiskomen. Ik rijd de auto voorzichtig naar voren en de ree en haar kalf draaien zich om en lopen voor onze auto richting ons huis. Het lijkt wel een optocht: de reeën voorop, wij daarachter.

Het is onvoorstelbaar dat ze niet bang zijn. Ik vind het tegelijkertijd een geruststellend en een verontrustend teken. Geruststellend, omdat het niet anders kan betekenen dan dat het rond ons huis bij onze afwezigheid rustig moet zijn geweest. Als het druk was geweest, waren de reeën nooit zo ontspannen.
Verontrustend, omdat ik me zorgen maak over hun toekomst. Als een ree zo ontspannen is, zal die makkelijk jaagbaar zijn. Dieren in Frankrijk kunnen het zich niet veroorloven om ontspannen te zijn. In september zal het enorme leger van jagers weer op pad gaan en alles neerknallen wat voor hun lopen komt. Ik vrees dat deze ree en haar kalf een makkelijke prooi zijn. Grote kans dat we ze een paar maanden later als paté op een feestje krijgen geserveerd.

Opeens zie ik de gezonde ongerustheid in hun lijven terugkeren. De optocht eindigt. De ree en het kalf springen over het muurtje dat ons weggetje van de vallei scheidt. Ze springen drie meter naar beneden, lopen eerst nog veel te rustig over het gras en pas dan rennen ze naar de overkant van de vallei. ‘Goed zo,’ zou ik ze willen naroepen. ‘Altijd blijven rennen. Wij mensen zijn niet te vertrouwen.’
Nooit eerder hadden we zo’n mooi welkom bij onze aankomst in Cadouin.

Ik parkeer de auto voor ons huis. Ons parkeerplaatsje is slechts een smal strookje grond onder de berg waar ons huis op staat. Ik open de deuren van de auto en dan krijgen we de klap die we verwachtten.
De hitte. De drukkende hitte van de hittegolf. We zagen het vandaag al aankomen: we reden richting een hittegolf. We vertrokken vanuit Delft, 19 graden, zag ik op mijn horloge staan. Bij Antwerpen was het 21 graden. Bij Lille 24 graden. In Parijs was het al 30 graden. Ergens tussen Parijs en Cadouin, bij het uitlaten van Dies, voelden we de klap al: 33 graden. In Cadouin is het 38 graden, terwijl de dag al bijna voorbij is.

Het landschap is in de houdgreep van de hitte. De bomen staan bewegingsloos. Alles wat leeft, weet dat het zich rustig moet houden. Elke inspanning moet worden vermeden. Deze dagen is de lucht het sterkst, de warme lucht drukt alles neer. De dag daarop is het 40 graden.

Gisteravond was er voor het landschap eindelijk de ontspanning. De houdgreep werd verbroken door eerst dreigende luchten, daarna bliksemschichten en ten slotte de regen, die alles en iedereen bevrijdde.

Journal d’images

Journal

 

Gescout

Vrijdag 10 juli, Cadouin

 

Mijn ervaring is dat het leven vol kansen, verrassingen en onverwachte wendingen zit, tenminste, als je ze ziet en wilt omarmen. Ik ben er altijd gek op geweest.

Anne ging, zoals ze vrijwel elke dag doet, naar de sportschool. Als ze op het punt staat om naar huis te gaan, komt een vrouw naar haar toe. ‘Jij bent toch Anne van Instagram, hè?’
‘Ja, hoor.’
‘Ik kijk altijd naar de filmpjes met je vader; ik geniet daar erg van.’

Nu is misschien enige uitleg nodig. Sinds enige tijd plaatst Anne filmpjes op haar Instagramaccount waarin wij gesprekken voeren over van alles en nog wat. Gesprekken zoals we die hebben als we samen op de bank zitten of op een terras. De gesprekjes zijn niet gescript en vaak in één take opgenomen. We snijden geen grote wetenschappelijke onderwerpen aan, hebben geen educatieve doelstellingen. Wij praten wat met elkaar; het is wat chitchatten, zou je kunnen zeggen, meer niet. Maar het gekke is: het slaat ontzettend aan, en dan vooral bij de doelgroep van Anne, vrouwen tussen 25 en 45, schat ik. Anne wordt inmiddels op straat herkend en de reacties zijn enorm. Elk filmpje krijgt tienduizenden views, sommige zelfs honderdduizenden.

‘Ik begin erover,’ zegt de vrouw, ‘omdat mijn vriendin producente is van diverse realityshows, onder andere van Grannies. Ken je dat?’
‘Van horen zeggen,’ zegt Anne, ‘ik heb het nooit gezien.’
‘In dat programma worden vier vriendinnen tussen de zeventig en tachtig gevolgd. Nu weet ik dat ze al heel lang op zoek zijn naar een leuke, wat oudere man, maar zo iemand kunnen ze niet vinden. Nu zag ik jouw vader op jouw filmpjes en toen dacht ik: dat is degene die ze zoeken. Zou jouw vader daar iets voor voelen? Mag ik jouw telefoonnummer aan mijn vriendin doorgeven?’
‘Ik denk niet dat hij daar iets voor voelt, hoor, want hij zit het liefst thuis boeken te lezen.’

Dat neemt niet weg dat Anne mij opbelt: ‘Je bent gescout.’ En ze vertelt wat haar is overkomen. ‘Zou je daar iets voor voelen?’
Ik moet hard lachen, want toevallig zijn Wyb en ik het programma vorige week al zappend tegengekomen en hebben we een kwartiertje gekeken. Je gelooft je ogen niet. Het is slow, slow, very slow television. Op het gapende af. Het is getut zoals getut is bedoeld.
‘Maar voel je ervoor?’
‘In principe zeker niet. Maar voor dit soort dingen drink ik graag kopjes koffie. En als er een aantrekkelijk honorarium aan vastzit, wie weet.’

De volgende dag wordt Anne al vroeg door de producente gebeld.
‘Mijn vriendin had gelijk. Dit is precies de man die wij zoeken.’
‘En waarom, als ik vragen mag?’
‘Zie maar eens een leuke, levendige oude man te vinden. Die hebben wij niet kunnen vinden en jouw vader voldoet prima aan ons profiel. Hij is een man zonder filter, zoals je dat vaak bij oudere mensen ziet. Ze hebben niks meer te verliezen of op te houden en zijn heel direct over wat ze vinden. Maar denk je dat je vader het zou willen doen?’
‘Ik heb hem gebeld en hij wil er zeker over praten. Maar het liefst zit hij thuis boeken te lezen.’
‘Een belangrijke vraag: heeft hij veel vrienden in Delft?’
‘Nee, hij kent niemand in Delft. Zijn vrienden zijn verspreid over heel Nederland. Hij is namelijk ontzettend vaak verhuisd.’
‘Jammer, heel jammer, maar dan kan het niet doorgaan. Want net als bij de Grannies wil ik hem en zijn vriendengroep volgen.’

Anne belt me meteen na het gesprek op. ‘Het gaat niet door, Geer.’
‘Jammer,’ zeg ik, ‘realityster worden, mét een mooi honorarium, dat had me wel wat geleken. Word ik verdomme een keer gescout, gaat het niet door omdat ik hier geen vrienden heb.’

Ik overweeg nog even Benne, Peter en Henk te bellen met de vraag of ze naar Delft willen verhuizen om samen met mij beroemd te worden. Maar ach, ik zie er vanaf. Ik hoor hun hooggelach al.

Journal d’images

Journal

 

Slijtage

Woensdag 8 juli, Delft

 

Zoals ik eerder schreef: ik ken niemand in Delft. Ik heb één sociaal contact en dat is een vrouw, iets ouder dan ik, en we komen elkaar ’s ochtends tegen als we de honden uitlaten. De honden begroeten elkaar, ik geef haar hond een koekje, en we maken een praatje over het weer. That’s it. Daarna is Wyb de eerste persoon die ik spreek als ze van haar werk thuis komt.

Mijn verdere contact overdag bestaat uit drie vrienden die me elke dag wel iets appen of mailen. Of ik aan hen. Een goede cartoon, een grappig filmpje, een tirade over Trump, een gedachte die de moeite waard is om uit te wisselen, familieaangelegenheden, dat soort dingen. Het lukt me best met dit soort contacten, sociaal gezien, de dag door te komen.

Gisteren kregen B. en ik een discussie over Maarten ’t Hart. B. stuurde me een filmpje waarin Maarten ’t Hart minachtend doet over het werk van Nescio. B. vraagt zich af wanneer ’t Hart nou eindelijk een biografie krijgt.
Ik schrijf hem terug: ‘Ik weet niet of hij een biografie zal krijgen. Ik hoop het voor hem, maar zijn ster is de afgelopen jaren toch wel tanende. Vorig jaar herlas ik een boek van hem dat Wyb mij aanraadde. Ze had het vroeger gelezen en vond het toen prachtig. Ik vond het totaal gedateerd, eigenlijk niet meer te lezen. Zelden lees ik een boek niet uit, maar in dit geval heb ik het wel gedaan. Waarop B. terugschrijft: ‘Gedateerd is niet erg hoor.’

Nu weet ik ook wel dat gedateerdheid onvermijdelijk is. Wat raakt nou uiteindelijk niet gedateerd? De bijbel? Maar alleen niet voor gelovigen; zij houden zelfs de grootste onzin nog up-to-date. Shakespeare? Maar ja, die vereist op toneel dan steeds weer nieuwe interpretaties. Uit cultuurhistorisch perspectief heeft gedateerdheid natuurlijk ook waarde. Het gedateerde werk zegt tenslotte iets over de tijd waarin het is gemaakt.

Als je daar tevreden mee bent, is dat prima. Maar als liefhebber vind ik het vreselijk dat iets gedateerd raakt. Neem de boeken van Gerard Reve — ik ga nu vloeken in de kerk — ooit hadden ze magie voor me. Nu ik ze herlees, zie ik hoe sterk ze gebonden zijn aan de tijd waarin ze zijn geschreven. De typische Reviaanse stijl is te vaak verworden tot gewoon gezeur, zijn thematiek is in deze tijd eigenlijk niet meer interessant, zelfs zijn provocaties doen nu kinderachtig aan. Arme Gerard. Laatst zag ik zijn verzamelde werk, vergeeld, voor €30 in de ramsj liggen. Letterlijk afgeschreven dus.

Ik schrijf dit met weinig plezier op. Ik wilde Reve houden zoals ik hem bij eerste lezing ervoer. Maar alles slijt, zelfs Reve. En Reve is niet de enige schrijver die de tijd mij heeft ontnomen. Zelfs Salinger heeft de glans verloren van de eerste keer dat ik hem las. Maar dat komt misschien ook wel doordat ik hem vele malen heb herlezen.

Mijn advies: als je een lievelingsschrijver hebt of een lievelingsboek, ga het niet herlezen. De kans is te groot dat je je eigen betovering om zeep helpt. En dat is natuurlijk niet raar: je referentiekader verandert, de maatschappelijke ontwikkelingen gaan in sneltreinvaart, de modes volgen elkaar in recordtempo op, bovendien krijg je ontwikkelingen als de internetrevolutie over je heen, die onze manier van kijken en onze mentaliteit veranderen. Zie dan maar eens op dezelfde manier te blijven kijken of te lezen.

Journal d’images

Journal

 

Act of God

Dinsdag 7 juli, Delft

 

Als het om de coronacrisis gaat, maak ik iets wonderlijks mee. Terwijl ik toch in de levensfase zit waarin ik regelmatig terugkijk, denk ik eigenlijk nooit terug aan de tijd waarin het virus ons in de greep hield en we te maken hadden met lockdowns, vaccinaties en anderhalve meter afstand van elkaar moeten houden. Het lijkt wel alsof die periode van geen enkele betekenis voor me is geweest. Als ik er al eens aan denk, dan doe ik dat met grote lichtheid.

Dat is raar, want uitgerekend dat coronavirus heeft ervoor gezorgd dat het leven van Wyb en mijzelf, dat zich toen in Frankrijk afspeelde, drastisch op de schop ging. Ik weet nog hoe we het virus langzaam onze kant zagen opkomen. Nou ja, langzaam. Het virus deed er tweeënhalve maand over om ons te bereiken. En op een gegeven moment was het onvermijdelijk dat Macron half maart op televisie verscheen en het confinement afkondigde, Frans voor lockdown. Met dat televisieoptreden maakte hij ons in één klap brodeloos.

In die tijd exploiteerden wij een chambres d’hôtes in de Cevennen. Het aankomende seizoen zag er veelbelovend uit, vrijwel het hele seizoen was volgeboekt. Met de aanbetalingen van die reserveringen kwamen we de winter door. Maar na het afkondigen van de lockdown werd de ene na de andere reservering ingetrokken. Het geld stroomde onze portemonnee uit. Aan het einde van de maand was het duidelijk: er was een einde gekomen aan ons plan om dit drie jaar te doen. Geen gasten, geen inkomsten.

Gelukkig hadden wij in ons contract opgenomen dat wij bij een act of god — overmacht dus — een opzegtermijn van een half jaar hadden. Er zat niets anders op dan ons contract op te zeggen. Wat betekende dat wij per 1 oktober zowel werkloos en dakloos waren. Ik formuleer het hier harder dan wij het destijds ervoeren, want gelukkig konden we van vrienden van ons een fraaie bovenwoning in Groningen huren, een fantastisch aanbod.

Nadat we deze klap hadden geïncasseerd en misschien wel verwerkt, brak er, vond ik, een mooie tijd aan. Wij genoten volop van het half jaar dat we nog in ons paleis woonden, inclusief zwembad. Het was het mooiste huis waarin we ooit hebben gewoond en Wyb wil het nog steeds terugkopen, want het huis staat nog steeds te koop. Elk jaar koopt ze een staatslot in de hoop een miljoen te winnen.

Die Franse lockdown was niet kinderachtig. We mochten alleen onder bepaalde condities naar buiten en dan moesten we een briefje meenemen waarop stond waarom we naar buiten gingen. Regelmatig werden we door de gendarmes aangehouden die dat controleerden. Na de hectiek van het runnen van een chambres d’hôtes vond ik dat confinement weldadige rust brengen. Eindelijk weer tijd voor elkaar. Eindelijk weer eens een boek lezen.

Na drie maanden gevangenschap verlangden wij er ernstig naar om weer eens andere mensen te zien en we regelden via de Nederlandse ambassade een doorreisdocument om naar Nederland terug te rijden.

Die reis bezorgde mij de meest surrealistische ervaring in mijn leven. We reden ruim achthonderd kilometer, van de Cevennen naar de Belgische grens, en de Franse snelwegen waren totaal leeg. Wij reden als enigen in een verlaten landschap. We konden tientallen kilometers rijden zonder zelfs een vrachtwagen tegen te komen. De Franse snelwegen waren helemaal van ons alleen.

We waren vergeten koffie mee te nemen. ‘Och,’ zei ik, ‘we kopen onderweg wel een kop koffie.’ Maar werkelijk alle pompstations waren dicht. We konden alleen met pin tanken.
En het gekke was: we werden geen enkele keer gecontroleerd. Pas in België reden we een fuik in en moesten we ons document laten zien.

Dit alles gaat je niet in de koude kleren zitten, zou je denken. Maar na het einde van de crisis lijken deze gebeurtenissen een voetnoot in mijn bestaan. Ik denk er dus vrijwel nooit aan, en als ik eraan denk, kijk ik erop terug als een fijne tijd waarin het leven even stilstond. Gelukkig is er nu een parlementaire enquête, waardoor ik er weer aan terugdenk.

Journal d’images

Journal

 

Strolling around

Maandag 6 juli, Delft

 

Strolling around klinkt zoveel beter dan het Nederlandse woord ‘rondwandelen’. Rondwandelen is keurigheid, is een gereformeerde bezigheid, rondwandelen doe je op zondag. Bij rondwandelen weet je hoe je loopt, namelijk een rondje. Bij Strolling around weet je nooit waar je uitkomt. Jammer dat we daar in het Nederlands geen woord voor hebben. Bij Strolling around zie je het slenteren, het is een begrip waarbij je meteen een blues riff hoort. Ik dacht dat er veel bluesnummers Strolling around zouden heten, maar dat blijkt een vergissing te zijn wanneer ik het thuis op zowel ChatGPT als Google opzoek.

Wyb en ik wandelen eerst naar het Museumpark langs het Depot van Museum Boijmans Van Beuningen. Nadat we onszelf eerst niet konden vinden in de spiegeling, zwaaien we naar ons eigen spiegelbeeld. Binnenkort zal hier de pindakaasvloer van Wim T. Schippers weer liggen. Ik hoop zo dat er binnenkort weer een nieuwe Wim T. Schippers opstaat. De televisie is zo’n ingeslapen bende. Zelfs de NOS Avondetappe wordt nu van een Nederlandse locatie uitgezonden. Niks geen Franse sferen meer. Het zou eens geld kosten.

Dan lopen we door naar Het Park, waar we bij restaurant Parqiet koffie drinken onder een grote plataan, midden tussen ongelooflijk veel ouders met kinderen. Zoals ik graag naar chimpansees in de dierentuin kijk, kijk ik ook graag naar mensen — zeker op hun zondagse uitje.

Dan lopen we door Het Park richting de Maas. We vinden Rotterdam een fijne stad, een stad die ademt, met prachtige parken. In Amsterdam bots je altijd tegen toeristen en ontsnap je nooit aan de wietlucht. In Rotterdam is altijd nog ruimte.

Dan lopen we langs de Ballentent de Westerkade op. Ik wip even een galerie binnen. Ik kijk wat rond en zeg tegen de aardige galeriehoudster dat ik het mooie werk vind. Ik wens haar veel succes met de vernissage die om vier uur begint.

Wyb en ik gaan op de hoek van de Westerkade op een bankje zitten, hangen lui achterover, met uitzicht op de Nieuwe Maas en aan de overkant de Kop van Zuid. Alle nieuwbouw daar heb ik zien verrijzen. Ik krijg hier altijd zo’n New York-gevoel. Aan de kade ligt de Rotterdam afgemeerd, het vlaggenschip van de Holland America Line.

‘Ik zou zo graag eens met een cruise meegaan,’ zegt Wyb.
‘Wat kost zo’n cruise eigenlijk?’
Wyb zoekt het op.
‘Hier. Een cruise naar IJsland van zeven dagen. Kost €999. All-inclusive.’
‘Meen je niet. Dat gaan we doen, lijkt me fantastisch.’
Wyb noemt nog een aantal reizen die je met de Holland America Line kunt doen. Mooi. Maar IJsland vind ik toch het aantrekkelijkst.
Uiteindelijk schrijven we ons in op een soort reservelijst. Als er ergens een plaats vrijkomt, kun je voor €90 per dag mee, uiteraard wel last minute. Ben benieuwd wat ons wordt aangeboden. Wyb gaat toch liever wandelen in Ierland. Jammer. Die cruise naar IJsland wil maar niet uit mijn hoofd.

In de Pannekoekstraat vindt Dies in een parkje een lekke zilverkleurige bal. Een grote vondst voor hem. Terwijl Wyb op zoek gaat naar kleren in een paar boetieks, speel ik op de stoep met de bal. Dies is weer razendsnel, ik kan hem nauwelijks passeren, steeds houdt hij de focus op de bal en trekt hij zich niets aan van mijn schijnbewegingen.

In de Pannekoekstraat zit ook de opticien waar ik mijn bril kocht. Dat komt goed uit, want hij zit de laatste tijd wat losser op mijn neus. Na wat buigen en trekken zit hij weer als nieuw.

Op de terugweg naar huis blijkt dat ik e veel van Dies heb gevraagd daar op die stoep. Hij hinkt naar huis, heeft een blessure aan zijn rechterpoot.

Eenmaal thuis besluit ik toch te kiezen voor de titel Strolling around. Hoewel ik jarenlang Engelse titels voor mijn blogs heb vermeden. Maar Strolling around — sorry — is precies wat we hebben gedaan.

Journal d’images

Journal

 

Herinneringen

Zaterdag 4 juli, Delft

 

Herinneringen: ik vind ze maar een slap aftreksel van wat ooit was. Kun je herinnering meten? Kun je zien of ik een slechtere of betere herinnering heb dan een ander?

Ik ben namelijk erg ontevreden over mijn eigen herinneringen. Dat komt vooral doordat mijn herinneringen in feite foto’s zijn. Ik heb ongelooflijk veel van die foto’s in mijn hoofd, maar het blijven altijd foto’s. Mijn herinneringen hebben zich geklonterd in een beeld. Nooit beweegt er iemand, nooit hoor ik iemand praten. Zo kan ik de stem van mijn vader niet meer oproepen. Ik zou mijn moeder graag weer eens door ons huis in de Weezenhof zien lopen. Maar helaas. Als ik aan de Weezenhof denk, dan zie ik mijn moeder in de kamer zitten, voor het raam staan, maar het zijn toch stilstaande beelden. Zo jammer.

Ik heb wel het geluk dat ik bij elke foto nog een gevoel heb. Ik kan me de sfeer herinneren van de situatie waarin het beeld is gestold. Het beeld wordt gelukkig ‘ingekleurd’ door hoe de Weezenhof voelde, maar ook hoe mijn eigen gevoel in die situatie was, of ik gelukkig was of niet, dat soort dingen.

Maar ik zou het zo fijn hebben gevonden als mijn herinneringen een soort filmpjes waren. Dat je die kon oproepen en vervolgens afdraaien, en dat je dan hele scènes terug kon zien, compleet met het geluid van de stofzuiger en wapperende gordijnen. Helaas heb ik te maken met een beperkte versie daarvan.

Zijn er mensen die zulke filmpjes wél kunnen afdraaien? Misschien ben ik wel de enige die zich met foto’s met gevoel moet behelpen.

De boeken van Knausgård maken me erg jaloers. Eigenlijk zijn zijn boeken één grote herinnering, en die herinnering lijkt verdomde veel op een film. Hij weet tot in detail te beschrijven wat mensen zeiden, hoe ze bewogen, en in welke setting. Nu weet ik dat het om romans gaat en dat ze voor een deel fictie zijn, maar hij wilde toch zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid blijven en ik neem aan dat dit hem tamelijk goed is gelukt. In ieder geval wekt hij die suggestie.

Herinneringen heb ik van jongs af aan belangrijk gevonden. Ik heb mijn best gedaan om een collectie aan te leggen. Dat heb ik gedaan door mezelf te dwingen bepaalde situaties en gebeurtenissen bewust te onthouden. Ik heb altijd veel foto’s gemaakt en deze blogs bijvoorbeeld schrijf ik ook niet voor niets.

Toen ik nog jong was, had ik het idee dat ik, als ik later in een bejaardenhuis zou zitten — die had je toen nog — heerlijk zou gaan genieten van mijn herinneringen, in alle rust zou gaan terugdenken aan vroeger. Ik hoefde dan niets meer; ik kon op mijn lauweren rusten, me nergens meer zorgen over maken, alleen maar genieten van het verleden. Naïef, want nu weet ik dat alleen terugdenken aan vroeger ook maar een armoedig bestaan is. Op zich is het natuurlijk fantastisch dat mijn collectie herinneringen nog volop groeiende is.

Aan de andere kant vind ik het een bijna onverteerbaar idee dat mijn harde schijf ooit nog eens crasht en al die herinneringen dan met mij in het crematorium worden verbrand. Alles opeens zomaar weg. Dat is toch onvoorstelbaar.

Journal d’images

Journal

 

KISS

Vrijdag 3 juli, Delft

 

‘Wat is de beste camera om mee te fotograferen?’ Het antwoord: ‘De camera die je bij je hebt.’ Een wat flauw en simpel antwoord, maar het bevat veel wijsheid. Beginnende fotografen hebben de neiging zich op de camera te concentreren. Ze denken dat een geavanceerde camera, waar je van alles en nog wat mee kunt, de beste camera is, dat je daar de mooiste foto’s mee maakt.

Zo zie ik regelmatig met enig leedwezen mensen door de stad lopen met enorme toeters op hun veel te dure camera’s. In alle opzichten is zo’n uitrusting een last. Meestal belandt dit soort apparatuur na een tijdje in de kast: te onhandig, te log in het gebruik.

Als straatfotograaf weet ik inmiddels dat een kleine, handige camera, die gewoon in mijn jaszak past, het meest effectief is. Niks geen grote lenzen, een standaard 35mm-lens voldoet in 90% van de gevallen en die andere 10%? Nou, die mis ik dan, maar dat weegt niet op tegen de mobiliteit van een kleine camera. De meeste foto’s neem ik trouwens met mijn iPhone.

Ik kom erop omdat vandaag voor mij eindelijk een vraag wordt beantwoord: hoe gaat het met al die F-16’s die wij aan Oekraïne hebben geleverd? Ik vond het opmerkelijk stil rond die vliegtuigen, zó stil dat ik achterdochtig werd. Want als ze succesvol waren geweest, dan zou het gejuich niet van de lucht geweest.

Wat blijkt: die buitengewoon geavanceerde F-16’s zijn veel minder functioneel dan werd gedacht. Het verwachte verschil op het slagveld hebben ze in elk geval niet gemaakt. Een groot deel van de vliegtuigen staat op de grond omdat ze dringend onderhoud nodig hebben. Daar komt bij dat het jaren duurt om de wapensystemen te beheersen. Bovendien blijken het best wel kwetsbare dingen te zijn, kleine onregelmatigheden op de start- en landingsbanen zorgen al voor beschadigingen en extra onderhoud.

Dit buitengewoon technische hoogstandje blijkt gewoon een luxepaardje te zijn. Buiten oorlogsgebied beslist imposant, in oorlogsgebied gewoon onhandig en te gecompliceerd.
Een ander vliegtuig waar Oekraïne mee werkt, de Zweedse Gripen, blijkt in oorlogsgebied veel effectiever. En de Gripen kan precies wat Oekraïne zo hard nodig heeft: glijbommen uit de lucht halen. De Amerikanen hebben die mogelijkheid nu juist niet in de F-16 ingebouwd.
Over Amerikanen gesproken: ander nadeeltje van de F-16, er is geen munitie uit Amerika te krijgen. De Amerikanen hebben net even wat andere prioriteiten dan aan Oekraïne te denken.

Ik sta er niet van te kijken. Een van de tekortkomingen van mensen is dat ze de neiging hebben alles onnodig complex te maken. Kijk naar organisaties, bedrijven en overheden. Ze zijn voortdurend bezig met reorganisaties, op zoek naar organisatorische perfectie. Hier nog wat bij boetseren, daar nog wat aan plakken, en het moet vooral groter en groter worden.

Mijn uitgangspunt als manager ging tegen deze natuurlijke neiging van mensen in; ik werkte volgens het principe: houd het klein, eenvoudig en overzichtelijk. Niet dat ik dit heb uitgevonden, ik was alleen maar een aanhanger. Want natuurlijk waren de managementgoeroes hier allang opgedoken. Keep It Small and Simple. KISS, het werd een managementprincipe. Er zijn boeken over vol geschreven. Maar helaas: tevergeefs. Of het nou om camera’s, vliegtuigen of organisaties gaat, mensen doen altijd weer het tegenovergestelde.

Journal d’images

Journal

 

Omsingeld

Donderdag 2 juli, Delft

 

Wat waren de Middeleeuwen toch heerlijk overzichtelijk. Als een stad een andere stad wilde innemen, dan verklaarde het de oorlog en trok er een leger op. De andere stad gooide de poorten dicht, riep iedereen onder de wapens en de belegering kon beginnen. Beide partijen wisten waar ze aan toe waren.

Hoe anders is de situatie nu. Een vriend kan zomaar een vijand worden, wat dat betreft is er sinds de Middeleeuwen niet veel veranderd. Het is alleen de pest dat vriendschappen tegenwoordig erg verknoopt zijn. Zo hebben wij, Nederland, een vriend: Amerika, waaraan wij onze totale digitale infrastructuur hebben uitbesteed. Die vriend is machtig en heeft ontzettend veel geïnvesteerd in die infrastructuur en ligt decennia op ons voor. Terwijl Amerika bezig was met de ontwikkeling daarvan, hielden onze politici zich bezig met migratie en het zoethouden van boeren. Het is maar wat je belangrijk vindt.

Ik heb eens op een rijtje gezet wat wij onze vriend in goed vertrouwen in handen hebben gegeven. Zo hebben we een groot deel van onze overheidsinformatie opgeslagen in de cloud. Een cloud die in Amerikaanse handen is.
De kantoorsoftware die we gebruiken op ministeries, gemeenten, scholen en bedrijven is standaard van Microsoft 365. Dat betekent dat al onze actuele informatie direct via die systemen naar Amerika wordt verzonden.
Om nog wat ‘dingetjes’ te noemen. De zoekmachines die wij gebruiken: Amerikaans. Onze smartphones: Amerikaans. Social media: Amerikaans. En, ook niet onbelangrijk, er is een enorme financiële verwevenheid tussen Nederland en Amerika. De VS is een van de grootste investeerders in Nederland en wij in de VS. Een belangrijk deel van de beleggingen van onze pensioenfondsen zit in Amerika. 
Bovendien loopt een groot deel van ons geldverkeer via Amerikaanse infrastructuur. De financiële belangen over en weer zijn immens.

Jarenlang dachten we dat dit geen probleem was. We privatiseerden er lustig op los, waardoor onze diensten terechtkwamen bij de goedkoopste en efficiëntste aanbieder. Een soort Rattenvanger van Hamelen-effect. Maar sinds de terugkeer van Trump weten we dat een bondgenoot zomaar een vijand kan worden. We hebben nu met een president te maken die even wisselvallig is als het Nederlandse weer.

Een president die ook steeds machtiger wordt. Zo heeft hij al de beschikking over de CLOUD Act. Met die wet in de hand kunnen Amerikaanse autoriteiten toegang eisen tot gegevens van Amerikaanse bedrijven, en daarmee dus tot Nederlandse data en informatie. Och, dat gebeurt toch niet? Zeker wel. Rechters van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag zijn inmiddels een soort outcasts geworden. Ze zijn verstoten uit alle diensten waarvan iedereen gebruikmaakt.

Terug naar de Middeleeuwen, waarnaar je bijna zou verlangen. Mijn stelling is dat Nederland in feite is omsingeld. Alles ligt voor de Amerikanen klaar om ons in te nemen. Zeker met de nieuwste AI-programma’s, waarmee alles gehackt kan worden, is dat een fluitje van een cent. Zoals de NOS schreef: ‘Experts vrezen dat als Amerika’s AI-voorsprong zo groot blijft, de Europese economie ineen zal storten. Ook zou het Witte Huis met één druk op de knop al onze computers kunnen hacken.’

Wat kunnen we doen? De poorten van onze stad kunnen we niet meer dichtgooien, die bestaan niet meer. Ons leger zal niet functioneren, want onze wapens zijn Amerikaans, evenals de bijbehorende software. Ik zou zeggen: leer uw kind van jongs af aan Engels; dat zal, meer nog dan nu, in de toekomst zeker van pas komen. We zijn omsingeld, alleen we zien het niet. 

Journal d’images

Journal

 

‘Wat doe jij tegenwoordig zoal?’

Woensdag 1 juli, Delft

 

Afgelopen maandag nam ik weer eens een diepe duik in mijn oude theaternetwerk. Ik was zowaar uitgenodigd voor de viering van het zestigjarig bestaan van Impresariaat Senf. In mijn tijd — en misschien nu nog steeds — was het het belangrijkste impresariaat van Nederland, grootleverancier van voorstellingen voor de Nederlandse theaters.

Zo’n uitnodiging roept bij mij altijd meteen twijfel op: moet ik wel gaan? Waarom zou ik gaan? Zo’n bijeenkomst is natuurlijk een soort reünie. En ik heb bitter weinig met reünies.
‘Ha, wat leuk je te zien.’
‘Hoe gaat het met je?’
‘Wat doe je tegenwoordig zoal?’
En dan stokt het gesprek al gauw.
Reünies zijn van die ongemakkelijke bijeenkomsten. Je gaat even terug naar het verleden, maar het verleden is zo verschrikkelijk verleden. Reünies verzamelen mensen die intensief samen hebben geleefd, gestudeerd of samengewerkt, dat was prima, maar je merkt dan ook ontnuchterend dat iedereen zijn eigen kant is opgegaan, dat de connectie van vroeger is vergeeld en dat die vroegere gemeenschappelijkheid weinig tot niets meer voorstelt.

Toen ik vierenzestig was, heb ik besloten mijn theateractiviteiten en -netwerk resoluut achter mij te laten. Ik wilde een nieuw leven beginnen, iets totaal anders doen. De theaterwereld kende ik door en door en ik constateerde, met enige zelfafkeer, dat ik blasé en cynisch was geworden. Ik vond het de hoogste tijd voor een nieuwe start, en Wyb en ik besloten een chambres d’hôtes in Frankrijk te beginnen.

Dat is mij buitengewoon goed bevallen. Eindelijk niet meer drie, vier avonden per week in het theater zitten, geen bestuurlijke besognes meer en geen herhaling van gesprekken die ik in mijn leven al zo vaak had gevoerd.
Mijn resolute breuk met de theaterwereld had ook te maken met mijn angst om daarin te blijven hangen, te teren op oud succes, en te denken dat je belangrijk bent. Ik verlangde naar lucht, frisheid en nieuwe horizonten.

En dan krijg ik zo’n uitnodiging. Moet ik gaan? Wyb is dan de stimulans, zij vindt het leuk en staat mentaal nog dichter bij de theaterwereld dan ik.

Ik ben gegaan voor Wyb, maar ook uit een soort eerbetoon aan de oprichter van Impresariaat Senf, Jacques Senf, een markante persoonlijkheid met een enorme werkdrift. Hij was geen gemakkelijke man, hij kon bijvoorbeeld uit het niets ontzettend boos worden. Maar hij deed zijn werk met zijn hele ziel en zaligheid — ik mocht hem wel.
Hij heeft mij een aantal wijsheden meegegeven. De belangrijkste daarvan: ‘de eerste fout is de grootste fout.’ Let maar eens op, dat klopt vaak.
Een ander motto van hem was voor mij ook altijd leidinggevend: ‘Het eerste kaartje kunnen we allemaal verkopen, maar de kunst is het verkopen van het laatste kaartje.’

En zo stond ik dus toch opeens weer in mijn oude wereld en hoorde ik mijzelf inderdaad de vraag stellen: ‘Wat doe jij tegenwoordig zoal?’ Ik stelde mij voor aan de nieuwe directie van Impresariaat Senf, met wie ik nooit eerder te maken had gehad. ‘Wat is uw naam?’ vroeg een van hen. Ik noemde mijn naam. ‘O ja, daar heb ik weleens van gehoord.’

Daar zat ik dan, in een zaal met nieuwe collega’s. De wisseling van de wacht was inmiddels compleet. Vroeger had ik 90% van de zaal gekend, nu kende ik nog geen 10%. De belangrijkste constatering was dat de oude mannelijke directeuren, die enigszins snobistische heren, verwant aan de dominee, de dokter en de notaris, maar dan wel pseudo-artistiek natuurlijk, zijn vervangen door vrouwen. Na de bijeenkomst leefden ze zich meteen vrolijk uit op de dansvloer. Zoveel uitbundigheid, dat was met die heren van mijn generatie nooit gebeurd.

Journal d’images

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2026