Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Reli-aso’s

Zaterdag 23 oktober, Groningen

Ik heb niets tegen mensen die religieus zijn. Echt niet. Ze moeten vooral doen waar ze zin in hebben. Of ze nou elke zondag naar de kerk gaan of naar de moskee, mij is het om het even. Je moet vooral doen wat je niet laten kunt. Zelfs onder mijn beste vrienden zitten mensen die geloven. Je gelooft in een hoger wezen, het hiernamaals? Even goede vrienden.

Niet dat ik er iets van begrijp. Mij ontbreekt het talent om te geloven. En geloven is niet zomaar geloven, het is meestal zo’n gedweep, zo van: mijn god is toevallig wel de beste. Grappig, want een vergelijkend warenonderzoek tussen geloven is natuurlijk niet mogelijk omdat niemand Hem ooit heeft gezien en niemand ooit terugkwam uit het hiernamaals. Geen idee waarop je dan die superioriteit baseert. Maar goed, ik wil iemand anders zijn lol niet verstieren. Denk wat je wilt denken.

Het wordt natuurlijk anders als anderen last van dat geloven krijgen. Als die gelovigen ons met hun levensovertuigingen in de weg gaan zitten, dan verandert de zaak. En dat is nu wel het geval. Door dat gekke fanatisme van een substantieel deel van hen (ja, ja lang niet alle gelovigen, dat weet ik) word ik door twee dingen geraakt.

Eerste ding speelt sinds kort. Dat is hun weigering zich voor Covid te laten vaccineren. Vaccineren mag niet want dan begeven ze zich op het werkterrein van god. Alleen hij beschikt over leven en dood, zeggen ze. Prima. Maar als ze ziek worden laten ze zich wel opnemen en behandelen. Dat vind ik dan weer slap. Gaan ze god toch dwars zitten. Maakt mij verder niet uit want dat moeten ze voor zichzelf verantwoorden.

Wat mij wel raakt is dat hun weigering zich te vaccineren een klap in het gezicht is voor al die patiënten die wachten op een operatie. De gelovigen weigeren doelbewust een medicijn dat erger kan voorkomen. Als het dan erger is bezetten ze toch twee of drie weken lang een ic-bed. Andere patiënten kunnen hierdoor niet worden geopereerd en belanden op lange wachtlijsten, met alle gezondheidsgevaren van dien. De zorgmedewerkers, die toch al op hun tandvlees lopen, worden onnodig extra belast. Ik denk dat we hier toch mogen spreken van asociaal gedrag. Laten we ze voortaan reli-aso’s noemen, of zoiets.

Nog zo’n dingetje. Het is de lezer vast bekend dat ik lid ben van Coöperatie Laatste Wil. Ik wil namelijk over mijn eigen dood kunnen beschikken. Mijn dood hoeft niet door een arts geautoriseerd of uitgevoerd te worden. Ik wil zelf kunnen beslissen wanneer mijn tijd is gekomen. En wat denk je? De religieuze kongsi heeft er door wetgeving voor gezorgd dat dit onmogelijk is. Een mens moet nu eenmaal in navolging van de here Jezus lijden. Voor mij zijn Jezus noch god voorbeelden.

Nu beschuldigt die religieuze kongsi de coöperatie er zelfs van crimineel te zijn. Diverse actieve lelden zijn al opgepakt voor verhoor.
Zelf heb ik de stille hoop dat het de laatste stuiptrekkingen zijn van dat doorgeslagen christelijke denken. De secularisatie zet in rap tempo door, een meerderheid van de Nederlandse bevolking is al voor die zelfbeschikking. Het is een kwestie van tijd en we zijn af van die religieuze intolerantie.

Maar ja, we moeten ook die seculiere wappies nog overtuigen dat ze zich moeten vaccineren. Mensen, er is geen land mee te bezeilen.

122

Journal

 

Jan

Vrijdag 22 oktober, Groningen

Ik schrijf weer trouw, vrijwel dagelijks, mijn blogjes. Als Wyb vrienden aan de lijn heeft en iets vertelt over ons leven, krijgt ze vaak te horen: ‘Maar dat weten we al van Dossiermoddergat.’ Toch moet ik bekennen dat ik niet over alles schrijf. Over een van de belangrijkste dingen die mij de afgelopen maanden bezighield heb ik niet geschreven.

Dat ga ik nu wel doen. Want gisteravond is Jan, mijn oom, maar vooral mijn vriend, overleden. Tot nu toe vond ik het ongepast om daar over te schrijven. Over sommige dingen hoor je niet te bloggen (bij mij zijn dat overigens heel weinig dingen), maar in het geval van Jan, die toch een intens ziekbed had, vond ik dat ik dat niet moest doen.

Ik schrijf er nu wel over omdat ik weet dat er diverse mensen zijn die zowel het blog van Jan als mijn blog lazen. Ik sprak lezers van zijn blog die nogal ongerust waren omdat hij niet meer schreef. Hen heb ik uitgelegd wat er aan de hand was, dat Jan erg ziek was, niet meer in staat om te schrijven en dat hij wist dat hij binnen afzienbare tijd zou overlijden.

Vlak voordat wij in juni voor twee maanden naar Frankrijk gingen, namen Jan en ik zelfs afscheid van elkaar. De kans was te groot dat we elkaar niet meer zouden zien. Tot zijn en mijn verrassing konden we elkaar na die twee maanden weer begroeten.

Dit leidde tot een van de moeilijkste dingen die ik in mijn leven heb gedaan. Voordat we naar Frankrijk gingen vroeg Jan of ik op zijn afscheid wilde spreken. Natuurlijk wilde ik dat. Omdat de kans groot was dat hij tijdens mijn verblijf in Frankrijk zou overlijden, hield ik er rekening mee dat ik met het vliegtuig terug moest reizen. Het gevaar was dan wel dat ik te weinig tijd had om mijn afscheidswoorden te schrijven. Om elk risico uit te sluiten besloot ik al een aanzet te maken. Die aanzet werd echter een afgeronde speech.

Natuurlijk vertelde ik tegen Jan bij terugkomst dit verhaal. Waarop hij vroeg of ik mijn afscheidswoorden niet aan hem wilde voorlezen. Hij had tenslotte recht om te weten wat mensen op zijn begrafenis zouden zeggen. Zo kwam het dat ik een paar weken geleden de woorden aan de keukentafel aan hem heb voorgelezen. Natuurlijk vond ik dat ik dat moest doen. Als ik in zijn situatie zat, was ik ook nieuwsgierig geweest.

Maar ik vond het ontzettend verdrietig om te doen. En ook wel absurd. De woorden gingen natuurlijk over de situatie dat hij was overleden. Ik had ze nooit geschreven met het idee dat hij tegenover mij zou zitten.
Het was mijn slechtste voordracht ooit. Voelde mij zelfs schuldig tegenover Jan. Toen we een paar dagen geleden definitief afscheid van elkaar namen, beloofde ik hem de speech zonder huilen te lezen. Waarop hij mij liet weten dat een laatste snik toch wel werd gewaardeerd.

Na afloop van mijn privé-voordracht vroeg ik hem of ik nog dingen moest veranderen, of het allemaal wel klopte wat ik ging vertellen. Het was prima zo, vond Jan. Dat is tenminste een geruststelling. Mijn speech is door hem geautoriseerd.

Jan wordt aanstaande woensdag begraven, uiteraard in zijn geliefde Nijmegen. Op die dag zal ik op Dossiermoddergat een necrologie plaatsen.

Jan met Harrie.

121

Journal

 

Opstaan

Woensdag 20 oktober, Groningen

Kwart over zeven gaat de wekker op mijn telefoon. Lang daarvoor ben ik al wakker. Geen idee hoe het kan, maar het lukt me tegenwoordig niet meer om uit te slapen. Ik slaap gelukkig wel diep en lang achter elkaar, dat is het afgelopen jaar wel eens anders geweest. De wekker gaat meestal om acht uur. Vandaag gaat hij zo vroeg omdat Wyb weer voor twee dagen naar Nijmegen gaat. Lonely days, lonely nights, where would I be without my woman?

Wyb zoekt slaperig de badkamer op, dan haar kleren. Ik zet de wekker om acht uur. Overbodig want ik weet zeker dat ik niet meer in slaap val. Ik pak mijn telefoon en download de Volkskrant. Sinds jaren lees ik de krant op mijn telefoon. Niet dat ik de pagina’s van de krant lees, ik zet het eerste artikel op leesmodus en blader zo door de krant heen, artikel na artikel. Soms schakel ik terug naar de krantenvorm omdat ik wil weten op welke pagina ik zit en hoe de foto’s eruit zien die bij een artikel horen.

Eerste artikel: 1100 kinderen toeslaggezinnen uit huis geplaatst. 1100 kinderen. 1100 keer ongekend leed, verpeste levens. Je hebt er wat aan als je kind als uit huis wordt geplaatst bij een pleeggezin of in een instelling voor jeugdzorg. Dat zijn pas onveilige, vaak liefdeloze plekken. 1100 slachtoffers van rigide beleid, van doorgedraaide, geautomatiseerde bureaucratie. Je hebt een bon van €77 niet opgegeven en je moet €26.000 terugbetalen die je natuurlijk al lang hebt uitgegeven, je had niet voor niets een toeslag. Tienduizenden gezinnen kapot gemaakt. Het moest allemaal efficiënter en goedkoper. Tien jaar Rutte, tien jaar lang werd de overheid meer en meer uitgekleed.

Volgende artikel. Chaos in Ter Apel. De noodopvang in Ter Apel is bedoeld voor 275 asielzoekers. Ook vannacht sliepen er weer 750. Vijfhonderd mensen te veel, ze moesten op stoelen en op de grond slapen. Verregaande laksheid van de Nederlandse overheid. Al maanden konden ze weten dat er een golfje asielzoekers uit Afghanistan zou komen. Niets is gedaan om daar op te anticiperen. Elke keer weer is het paniek bij het COA als er even wat meer mensen komen.

Het kan bijna niet anders of het is opzet. Zo niet dan moeten de mensen die er voor verantwoordelijk zijn onmiddellijk worden ontslagen vanwege incompetentie, minister Broekers-Knol voorop. Ze is de titel minister niet eens waard. Het is opzet omdat er rond asielzoekers altijd een crisissfeer moet hangen. Dat heeft een afschrikwekkende werking, zegt men. Men zou eens gaan denken dat hier alles op rolletjes loopt, als het om asielopvang gaat.

Volgende artikel, een man en een vrouw in de bijstand durven geen relatie aan te gaan, ondanks dat ze gek op elkaar zijn, omdat ze anders gekort dreigen te worden op hun uitkering. De verdenking van samenwonen wordt al snel gemaakt. Mensen in de bijstand klagen over peilbakens onder de auto, camera’s voor de deur, buurtonderzoeken en achtervolgingen. Op de Zuidas gaat het grote graaien en het legale belasting ontduiken gewoon door. Daar geen enkele controle.Tien jaar Rutte.

Verdomme, terwijl ik nog op bed lig, sluipt de woede in mijn lijf. Tijd om op te staan! Ontwaak verworpene der aarde. Ik was deze ochtend eens niet mijn haar, scheelt weer tijd.

120

Journal

 

Wat wil je later worden?

Dinsdag 19 oktober, Groningen

 

1951
Brandweerman
Politie
Piloot

1961
Brandweerman
Politie
Piloot

1971
Sociaal cultureel werker
Ontwikkelingswerker
Leraar

1981
Niks (No future)
Kraker
Iets artistieks

1991
Accountant
Beurshandelaar
Bankier

2001
ICT’er
Webdesigner
Ondernemer

2011
Start Upper
Industrieel vormgever
Advocaat

2021
Beroemd
Influencer
Personal trainer

119

Journal

 

Ballen

Maandag 18 oktober, Groningen

De meest chagrijnige chauffeurs in het openbaar vervoer werken in Den Haag. Of het nou in de bus of tram is, ze hebben daar met elkaar afgesproken dat de passagier een wezen is dat moet worden geminacht. Elke vraag wordt slechts met twee antwoorden beantwoord: ja of nee, en dat met het meest norsige smoelwerk uitgesproken, en dat ook nog binnenmonds. Klantvriendelijkheid? Gezeur van managers. Daar hebben we met z’n allen schijt aan.

Verder geen kwaad woord over Den Haag. De stad is in volle wasdom herrezen uit een kale stadsvlakte. We waren in Den Haag omdat Wyb ’s zondags naar een Jeugdtheaterfestival moest, Kwatta trad er op met Blote Konten en er kwamen een stuk of vijftien buitenlandse programmeurs kijken.

We besloten zaterdag al te gaan en een hotel te pakken. Eindelijk weer eens op stap, wat een genot is dat toch. Mijn zwerversbloed kolkt weer in volle vaart. Zondagmorgen gingen we naar Fotomuseum Den Haag, dat naast het Gemeentemuseum Den Haag ligt. Fout. Sinds ik ervoor de laatste keer ben geweest is het van naam veranderd. Het heet nu Kunstenmuseum Den Haag. Ja, wie wil tegenwoordig nog een gemeentemuseum zijn, daar score je geen punten mee.

In het Fotomuseum exposeerde voor mij een onbekende fotograaf Roger Ballen. Schande dat ik hem niet kende want hij maakt magistraal werk, werk waarvan je in eerste instantie eigenlijk niet weet of het beeldende kunst is of fotografie. Het pleit wordt beslecht voor de fotografie. Al zijn werk verschijnt op fotopapier, dus dan mogen we het wel fotografie noemen, al is het zeer beeldend en zijn er ook diverse installaties van hem te zien.

Roger Ballen is een fotograaf voor mensen met een sterke maag en dito gestel. Het is snoeihard en snoeitragisch. Hij woont in Zuid-Afrika waar hij de arme blanken in de periferie van de samenleving ontdekte. Hij gebruikt ze veel veelvuldig als onderwerp op zijn foto’s. Hij creëert een totaal eigen wereld, die we alleen kennen in de diepten van onze duistere geesten. Ik raad iedereen aan hem even te googelen en zijn foto’s op te zoeken. Niet schrikken.

Hij heeft in de leegte van Zuid-Afrika een gigantisch atelier gerealiseerd waar ratten, kippen en ander ongedierte lopen. Mensen met een geestelijke beperking maken tekeningen op de muren en vervolgens maakt Ballen zijn donkere, surrealistische beelden. Hij kleedt de mens mentaal totaal uit. Wie naar zijn werk kijkt, krijgt een directe linkse.

Daarna moest Wyb gaan werken. Ik zwierf door de stad met mijn fototoestel. Wat ben ik, vergeleken met Ballen, toch een slappe fotograaf.

118

Journal

 

Op bezoek

Zondag 17 oktober, Groningen

Kunstmuseum Den Haag.

Fotomuseum Den Haag.

117

Journal

 

Licht

Vrijdag 15 oktober, Groningen

In de boeken van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård regent het wat af. Altijd drijven donkere wolken over de fjorden en het zwarte landschap van Noorwegen. De regen druipt van de huizen, mensen schuilen onder paraplu’s, in het natte asfalt weerspiegelen zich de lichten van de stad.

Wat dat betreft lijken Noorwegen en Nederland op elkaar. Wat zo opvallend is aan de Nederlandse literatuur is dat er zoveel langs water wordt gelopen, heb ik ooit eens gelezen. Er zijn hier zoveel kanalen, rivieren en zee, dat je nauwelijks een personage kunt beschrijven dat niet eens langs water loopt. Maar ook die wolken en die regen, wat dat betreft zijn we een Scandinavisch land. Altijd zompig licht. Altijd regen.

Vroeger had ik Deense vrienden die ik in Wales had leren kennen. We bezochten ze vaak in Horsens waar ze woonden, een havenstad op Jutland, gelegen aan het Horsens Fjord. Het sombere licht greep je bij je keel waardoor je het benauwd kreeg. Als ik eraan terug denk, dan zie ik mensen weggedoken in hun jassen, de lichten in huis die de hele dag brandden, neonlicht dat voortdurend knipperde op de natte straten.

Dat Nederland niet veel verschilt met de Scandinavische landen realiseerde ik me toen we vorig jaar begin november terugkwamen uit Frankrijk. Opeens woonden we niet meer in het klare Zuid-Franse licht, daarvoor in de plaats het modderige herfstlicht van Nederland. Ook vorig jaar greep het licht zowel Wyb als mij bij de keel. Het leek ons uit te persen, alle energie uit ons lijf te drukken.

Het was me nooit zo opgevallen, dat het zo erg was. Dit jaar weet ik hoe het komt. De overgang was te heftig. Ik ben zo blij dat we nu in september en oktober ook in Nederland wonen. Dan maak je de overgang van zomer naar herfst in stapjes mee. Hierdoor kunnen we langzaam wennen aan het nonlicht dat er onafwendbaar aankomt.

Ik heb me altijd afgevraagd waarom die pensionado’s allemaal zo graag in Spanje en Portugal overwinteren. Nu weet ik het wel. Natuurlijk gaan ze erheen voor de zon en de warmte, maar het licht is zeker een belangrijke factor. Het kan daar in het zuiden ook wel koud zijn, vooral ’s nachts, maar dan is er overdag toch meestal weer dat kristalheldere licht dat we hier in de wintermaanden zo missen. Als je dat eenmaal hebt ervaren, wil je niet anders.

Ik denk dat er in Nederland daarom ook zo hard wordt gewerkt. In het verleden lette ik nooit op het licht. Ik zat in vergaderruimtes, theaterzalen en mijn kantoor, werkte me te pletter. Het licht was me worst, ik zag het niet omdat ik er geen tijd voor had. Misschien is dat harde werken van ons gewoon een afleidingsmanoeuvre om dat deprimerende winterlicht niet te zien.

116

115

Journal

 

Mijn strijd

Woensdag 13 oktober, Groningen

Een groot aantal jaren geleden, het boek was zojuist in de Nederlandse vertaling verschenen, begon ik aan het boek Vader van Karl Ove Knausgård. Ik vond het prachtig. Toch heb ik het na tweehonderd bladzijden aan de kant gelegd. Ik vond het te mooi om door te lezen. Dat klinkt raar, maar ik las het in een tijd dat ik het nog stervensdruk had. Veel boeken kon ik daardoor alleen lezen in kleine hapjes. Zo nu en dan las ik drie, vier bladzijden en ik weet dat je een boek daardoor kapot kunt maken.

Pas als je echt leest, kun je een boek gaan waarderen. En met echt lezen bedoel ik dat je de tijd moet hebben om op z’n minst tientallen bladzijden achter elkaar te lezen. Bij de boeken van Knausgård is dat helemaal nodig want een boek bestaat al snel uit vijf- of zeshonderd bladzijden. Daarbij wist ik dat Vader slechts het eerste deel is van een cyclus van zes boeken. De cyclus als totaal heeft als titel Mijn strijd. Inmiddels zijn alle boeken vertaald, de titels van de boeken luiden: Vader, Liefde, Zoon, Nacht, Schrijver en Vrouw.

Vorige week liep ik door de bibliotheek en zag het boek Schrijver staan. Nu ga ik beginnen, dacht ik. En meteen ben ik opnieuw totaal gefascineerd door zijn schrijven. Ik ken geen andere boeken waarbij je zo dicht op de huid zit van de schrijver. Alle boeken in deze serie zijn in feite autobiografiën en hij doet dat op een fictionele wijze. Het lijkt alsof je een roman leest, maar je weet, het is zijn leven. En dat leven beschrijft hij op een niets en niemand ontziende wijze, en dat zeer nauwgezet. Hij moet van zijn dagen gedetailleerde dagboeken hebben bijgehouden want hij kan alles terughalen, tot zelfs de muziek toe die hij toen en toen opzette. Al zal hij daar best eens mee gesmokkeld hebben, denk ik.
Karl Ove is eigenlijk een antropoloog, geen cultureel antropoloog maar een ego antropoloog (nieuw begrip). Door zijn leven te beschrijven, een zeer particulier verhaal, laat hij toch de mens zien.

In het boek Schrijven lees ik nu dat hij als student naar de schrijversacademie in Bergen gaat en voor het eerst op kamers gaat. Uitgebreid vertelt hij dat hij op negentienjarige leeftijd nog nooit heeft gemastrubeerd. Nu hij op kamers zit, krijgt hij eindelijk de kans om dat in alle rust en beslotenheid voor de eerste keer te doen. Om hem daarbij te helpen, koopt hij een erotisch fotoboek. Daarnaast worstelt hij met een hopeloze verliefdheid maar is te verlegen om daar voortvarende stappen in te zetten. Het verhaal zuigt je in zijn privéleven en je wilt alleen maar doorlezen.

Ik heb me wel verbaasd dat je op negentienjarige leeftijd nog nooit hebt gemasturbeerd. Dat kan ik me bijna niet voorstellen. Volgens mij had ik mijn eerste door mijzelf gestimuleerde zaadlozing toch al op dertienjarige leeftijd. Een erotisch fotoboek hadden we niet in huis, wat niet erg was, want de Wehkamp gids, en dan met name de afdeling lingerie, vormde voor mij een onuitputtelijke bron van inspiratie.

114

Journal

 

Mars

Dinsdag 12 oktober, Groningen

Met belangstelling volg ik de berichtgeving over het oppakken van negen terreurverdachten in Eindhoven. Volgens justitie sympathiseert de vriendengroep met IS en het Jihadistisch gedachtegoed. In hun huizen werden geen wapens of explosieven gevonden.De mannen zijn allen, uitgezonderd één, in Nederland geboren en hoger opgeleid.

Het nieuws doet me enigszins denken aan J., mijn beste jeugdvriend, en mijzelf. Samen ontdekten wij de wereld. Het is 1969 of 1970. Wij waren vijftien, zestien jaar en in de ban van de revolutie. Alles zou anders worden, alles wees daarop. Links was overal aan het winnende hand, de Vietnamdemonstraties werden groter en groter, overal waren studentenopstanden, in de Derde Wereld waren verzetsbewegingen aan het vechten tegen het imperialisme . Met grote sympathie en dadendrang keken J. en ik ernaar.

Het was duidelijk dat wij iets moesten doen, wij konden niet aan de kant blijven staan. Maar wat? Op een zondagmiddag zaten we op mijn kamertje bij elkaar om een spreekbeurt over Cuba voor te bereiden. Ik denk dat ik het opperde: ‘J., moeten wij niet afreizen naar Zuid-Amerika en ons aansluiten bij de guerrillabeweging van Che Guevara?’
J. vond het helemaal geen slecht idee en vervolgens bespraken we de hele middag hoe we dat zouden moeten aanpakken. We zouden moeten sparen voor vliegtickets en dan was het gewoon een kwestie van een vlucht boeken, toch? Het avontuur nam steeds serieuzere proporties aan. We maakten een lijstje van wat we mee moesten nemen.

Of moesten wij actief worden binnen de Rote Armee Fraktion? Stadsguerrillero’s worden. Na ampel beraad concludeerden we dat de omwenteling echt niet zo snel in Duitsland of Nederland zou plaatsvinden. Die Zuid-Amerikaanse landen hadden het ook veel meer nodig. Of moesten we, zoals studentenleider Rudi Dutschke predikte, meedoen met een mars door de instituties van de macht?

Nou moet gezegd dat ik bij het stellen van de eerste vraag al meteen mijn bedenkingen had. Ik zag ons niet meteen met een geweer door de jungle lopen. En misschien moesten we ook wel gaan schieten met dat geweer. Ik zou mijn moeder misschien wel nooit meer zien. We konden in een gevangenis in Bolivia belanden. Toch fantaseerden we nog een tijdje door. Wij waren niet voor niets revolutionairen.

Maar stel dat er social media had bestaan. Wij hadden vast wat revolutionaire sporen nagelaten. Stel dat de BVD, de toenmalige AIVD, ons had afgeluisterd. Ze hadden niet geweten wat ze hoorden: een beginnende revolutionaire cel in Nederland. Gelukkig waren we met zijn tweeën, ons infiltreren was verdomde moeilijk geweest.

Ergens in die tijd accepteerde ik voor mezelf dat ik een salonsocialist was en helemaal geen zin had in wandelen door de jungle met een geweer of bommen leggen bij banken. En mijn moeder kon ik absoluut niet missen. Ik keek liever van de zijlijn toe dan dat ik participeerde, dat is eigenlijk altijd zo gebleven.
J. en ik liepen samen wel een mars door de instituten van de macht, maar die mars was eigenlijk geen mars, dat was gewoon een carrière. J. werd een brave PvdA-wethouder, ik een keurige schouwburgdirecteur. Ik geloof dat we er na die zondagmiddag misschien nog twee of drie keer over hebben gesproken. We waren gewoon aardige lower middle class jongens, het duurde even een tijdje voordat we daar aan gewend waren.

Maar stel dat we fanatieker waren geweest en niet met z’n tweeën maar met zijn negenen. En dat we ergens wel werkelijk heilig in geloofden. Dan ben je misschien wel, voordat je het weet, terreurverdachte.

113

Journal

 

Werk 2

Maandag 11 oktober, Groningen

‘En wat doe jij dan, Gerard? Heb je nog iets omhanden? Heb je nog projecten?’ is de vraag die momenteel het meest aan me wordt gesteld.
Met enig genoegen antwoord ik dan: ‘Nee, ik doe helemaal niets meer.’
In arbeidsrechtelijke zin, of in maatschappelijke zin, is dat ook zo. Na onze terugkeer uit Frankrijk en op het moment dat ik de gepensioneerde status bereikte nam ik mij voor niets meer voor anderen te doen.

Dat klinkt egoïstisch, en dat is het ook wel. Maar ik heb mijn hele leven anderen gefaciliteerd en nog niet zo lang geleden nam ik mij voor alleen nog mijzelf te faciliteren. Ik heb in mijn carrière natuurlijk best met lede ogen aangezien dat ik ervoor zorgde dat anderen zich volledig artistiek konden uitleven en dat ik in de tussentijd alle kutklusjes aan het regelen was. Dat heb ik met grote liefde gedaan. Ik heb genoten van de dingen die die anderen maakten. Maar na mijn pensionering dacht ik: nu is het mijn tijd. Ik weet niet hoeveel tijd het is, hopelijk is het nog een lange tijd, maar het is wel míj́n tijd.

Sindsdien is het leven makkelijker voor me geworden. Als iemand vraagt: ‘Goh, Gerard, zou jij bij mij in het bestuur willen gaan zitten?’ Dan weet ik het antwoord al.
‘Lijkt het je niet leuk om lid te worden van die commissie?’ Het antwoord is bekend. Ik hoef er niet meer over na te denken, heb ik al namelijk al gedaan.
Ik doe ook geen vrijwilligers werk, hoe nobel ook. Ik laat me nauwelijks verleiden tot andere zaken waar ik zelf mee bezig wil zijn.
‘En verveel je je dan niet?’
‘Nee, ik heb het hartstikke druk.’

We wonen nu bijna weer een jaar in Groningen. In die tussentijd heb ik ons boek over Frankrijk geschreven: Een paradijs met zorgen. Daarnaast heb ik nog een biografische schets in opdracht gemaakt.
Het belangrijkste project waar ik nu mee bezig ben, is het proberen te realiseren van een mooi fotoboek, de werktitel: Les Rues de France. In Frankrijk heb ik veel foto’s gemaakt. Ik ging zelden de straat op zonder fototoestel. Al die foto’s ben ik nu aan het sorteren en ik vermoed dat er op de longlist zo’n driehonderd foto’s overblijven waaruit ik een selectie wil maken. Hoeveel foto’s in het boek komen hangt af van de kwaliteit die ik tegenkom. Ik denk dat het er tussen de honderdvijftig en tweehonderd zijn.

Het wordt geen boek met kiekjes, het wordt een boek met mijn straatfoto’s, veel zwart-wit werk, veel minder kleur. Ik ben nu bezig met het print klaarmaken van de foto’s. Ik ga het boek samen met Ineke, mijn Franse nicht maken. Zij is vormgeefster en toen Wyb en ik nog Uitgeverij Prinsen hadden, ontwierp Ineke ook de boeken.

Ik heb er alle vertrouwen in dat het met het fotografische en productionele gedeelte wel goedkomt. Mijn grootste zorg gaat uit naar het financiële gedeelte. Ik moet nog een begroting maken, maar het zou me niet verbazen als het boek een investering vergt van rond de €10.000, als het niet meer is.

Binnenkort heb ik een afspraak met een fotograaf die een succesvolle crowdfunding actie heeft opgezet voor een fotoboek dat hij wilde maken. Ik denk dat ik daar ook niet onderuit kom. €10.000 kan ik niet zomaar uit mijn eigen zak betalen. Ik zou er al ontzettend mee gebaat zijn als mensen vooraf een boek aanschaffen. Het zorgt ervoor dat ik geld heb om te investeren. Bovendien heb ik dan een indruk hoeveel boeken er worden afgenomen. Wordt vervolgd.

112

Journal

 

Werk 1

Zondag 10 oktober, Groningen

‘Is het niet raar dat Wyb en jij twee jaar intensief hebben samengewerkt en dat je dat nu niet meer doet?’ vroeg Dolph toen ik deze week bij hem bezoek was. Goede vraag. Wel een vraag die een antwoord met veel aspecten oproept. Eerste opwelling: ‘Ja, dat is heel raar. Het leven dat we in Frankrijk leidden is nu totaal door elkaar gemangeld. Jammer, want dat samenwerken beviel prima. Twee jaar lang zagen we elkaar dag en nacht, vaak in een strenge routine om het werk af te fixen. Het bleek die jaren opnieuw dat wij prima kunnen samenwerken.

Nu zien we elkaar hele dagen en soms een enkele nacht niet. Wyb is in totaal vijf dagen aan het werk. Twee daarvan in Winschoten als programmeur en adviseur marketing a.i. Drie dagen in Nijmegen als zakelijk leider van Jeugdtheater Kwatta, ook a.i. Twee dagen daarvan werkt ze in Nijmegen en blijft dan een nacht over. Gelukkig wonen Connie en Jan zo’n honderd meter van het theatertje waar Kwatta is gevestigd en hebben ze een groot huis zodat Wyb daar kan blijven slapen. Een dag van die drie dagen werkt ze thuis. De enige dag dat ik Wyb thuis om me heen heb.

De andere vier dagen ben ik dus alleen. Als ik weet dat Wyb ’s avonds weer thuiskomt, kan ik prima alleen zijn. Ik heb de gave meegekregen mij nooit te vervelen. De nacht dat Wyb in Nijmegen blijft, vind ik vreselijk. Er gaat niets boven een tweepersoonsbed waar ook twee personen in liggen. Tot nu toe ga ik een keer in de twee weken mee naar Nijmegen. Ook omdat het met Jan niet goed gaat. Een goede gelegenheid om hem nu regelmatig te zien.

Vinden we dit nieuwe leven prettig? Ten dele. Voor een tijdje is het goed, maar het levert een dilemma op dat door ons leeftijdsverschil wordt veroorzaakt. Het. is een dilemma dat regelmatig ter sprake komt. Ik ben nu 66, over veertien jaar ben ik tachtig. Grote kans dat over een paar jaar de kracht en de reislust uit mijn leven gaat. Je hoopt het niet, je weet het nooit. Dat betekent dat we nu van elkaar moeten genieten.

Gelukkig is al het werk van Wyb ad interim. In Nijmegen werkt ze tot 1 maart. Winschoten is nog onbekend. Om deze tijd snel voorbij te laten gaan, een vooruitzicht te hebben, maken we plannen. In de zomer zouden we graag met de camperbus drie of vier maanden via Italië naar Griekenland reizen.
Volgend jaar winter zou ik graag drie maanden lang elke maand in een andere Spaanse stad in Andalusië willen wonen. Of het te plooien is met het werk van Wyb is de vraag. Maar goed, alleen al het praten over de plannen biedt verlichting. En uiteraard roept dit een nieuwe essentiële vraag op: hoe wil Wyb de aankomende jaren haar werk inrichten?

111

Journal

 

Joris

Zaterdag 9 oktober, Groningen

Als iemand aan mij vraagt of ik ’s avonds voetbal ga kijken dan antwoord ik altijd met: ‘Nee, voetbal interesseert mij niet.’ Dat antwoord is ten dele waar en ten dele niet. Ik kijk inderdaad geen voetbal op televisie, er is zoveel voetbal op televisie dat ik totaal overvoerd ben. Het belang van voetbal staat in geen verhouding tot de zendtijd die het krijgt. Maar ja, er hangt de zweem van volks omheen en het volk moeten we ruim baan geven. Stel je voor dat Hilversum het stempel elitair krijgt.

Eerlijk gezegd ben ik best gek op het spelletje voetbal en er is een tijd geweest dat ik er evenveel tijd instak als een professional. Ik durf wel te beweren dat ik van mijn negende tot mijn twaalfde leefde als een profvoetballer. Elke dag stond ik met mijn vrienden op het trapveldje naast mijn huis en samen waren we lid van voetbalclubs. In mijn geval NEC (uit te spreken als Eniesee) waardoor ik nog steeds elke maandag in de krant kijk hoe mijn voormalige club heeft gepresteerd.

In die tijd stond ik in het Goffertstadion op het veld met Johan Cruijff, Pietje Keizer, Coen Moelijn en alle andere grote van die tijd. Als lid van de pupillen van NEC was ik namelijk uitverkoren om ballenjongen te zijn. Zo kwam het dat ik diverse keren achter het goal heb gestaan van grote keepers als Eddy Pieters Graafland, Nico de Bree en Tonny van Leeuwen.
Ik kan dus eigenlijk niet meer zeggen dat ik niet van voetballen hou. De laatste keer dat ik naar een stadion ging, was met Anne. Anne was in haar puberteit een groot fan van Ruud van Nistelrooij en hierdoor hebben we samen nog eens in een uitverkocht PSV-stadion gezeten.

Vandaag is een historische dag. Ik heb een nieuwe stap gezet in mijn verwaarloosde voetbalcarrière. Voor het eerst sinds twee decennia heb ik een voetbalwedstrijd bezocht. De pupillen van Geel-Wit uit Ameland speelden in Dokkum tegen de pupillen van CSV Be Quick uit Dokkum.
Eindelijk kon ik eens mijn rol als voetbal-opa vervullen. Onder de lat van Geel-Wit staat namelijk Joris, mijn kleinzoon. Aan het begin van zijn nog prille voetbalcarrière heeft hij voor de rol van keeper gekozen. En dat doet hij helemaal niet gek. De tussenuitslag spreekt voor zich. In de pauze stond het 3-10 voor Geel-Wit. Zonder angst voor de bal hield Joris het ene na het andere schot uit zijn doel.

Na de pauze werd het nog even spannend. De jongens van Geel-Wit waren net iets te overtuigd dat ze zouden winnen. Be Quick maakte in korte tijd het ene na het andere doelpunt waardoor het 8-10 werd. De spanning was om te snijden. Ik zag mijzelf schreeuwend aan de rand van het veld staan. De wedstrijd eindigde uiteindelijk met een uitslag van 8-11. Zoals Esmee zei: ‘Pa, je moet vaker meegaan. Ze hebben nog nooit zo overtuigend gewonnen.’ Och, je doet wat je kunt voor de opvoeding van je kleinzoon.

110

Journal

 

Quartier Latin 2

Donderdag 7 oktober, Groningen

Toch nog even over ons Quartier Latin. Onze wijk, eind 19e, begin 20ste eeuw gebouwd, lijdt onder ernstig vandalisme. Na Quartier Latin 1 zullen de gedachte zich bij velen dan al snel richten op de vele studenten, maar die hebben daar niets mee te maken. De vandalen waar onze wijk onder lijdt, wonen niet eens in onze buurt, grote kans dat sommige van hen er nog nooit zijn geweest.

Waar ik op doel zijn de vastgoedcowboys, Prins Bernhard junior en zijn kornuiten. De afgelopen decennia hebben zij een groot deel van de wijk overgenomen en verrapzakt. Voor wie niet weet wat verrapzakt betekent: kapot maken, er een zooitje van maken, een puinhoop veroorzaken.

Sinds ik hier woon verbaas ik me over het grote aantal witte busjes dat de wijk in- en uitrijdt. In de busjes de Oost-Europese bouwvakkers die voor de vastgoedjongens aan het werk zijn. Met lede ogen zie ik hoe de huizen een voor een worden gesloopt. Op straat zie ik de meest mooie authentieke elementen liggen. De prachtige gevels herinneren nog aan de tijd dat dit een chique buurt was, van binnen eist het vandalisme zijn tol. Ons erfgoed wordt in hoog tempo kapot gemaakt.

De statige kamers en suite worden omgezet tot twee, drie hokjes, op elke verdieping weer. De meeste huizen zijn vier verdiepingen hoog. Vervolgens kun je in de hokjes studenten stoppen. Weg erfgoed, de gevels verworden tot decor, van de oude sociale structuur in de wijk blijft niets meer over. Onbegrijpelijk dat de overheid dit grootschalig vandalisme ongestoord door laat gaan. Als je door onze wijk loopt, zie je waar marktwerking toe kan leiden.

Een paar weken geleden liep ik naar buiten en kwam ik op de stoep door toeval in gesprek met een buitengewoon vriendelijke meneer die duizend huizen bleek te bezitten. Hij nodigde me uit om in twee huizen, die hij momenteel verbouwt, mee te gaan kijken. ‘Ons probleem is dat we de mensen er niet bij betrekken,’ zei hij. ‘We moeten veel meer laten zien dat wij als vastgoedondernemers het best op verantwoorde manier aanpakken. Zo laat ik bijvoorbeeld zoveel mogelijk authentieke elementen zitten.’

Die kans liet ik mij niet ontglippen. We liepen een huis binnen waarvan ik niet eens wist dat ze het aan het verbouwen waren. Een stuk of acht man waren in een wolk van stof aan het boren en timmeren. Het houten staketsel van de nieuwe studentenkamertjes stonden al, ze moesten alleen nog worden afgetimmerd. Hij wees me op de trapleuning die hij liet zitten, Het glas-in-lood raampje boven de deur. ‘Dat halen we echt niet weg,’ zei hij trots. In het andere huis hetzelfde beeld.

Ik zag alleen maar twee huizen waarop opnieuw karaktermoord werd gepleegd. Bij het afscheid zei hij: ‘Je moet het in het leven zelf doen. Ik ben met 0 huizen begonnen.’ Hij gaf mij zijn visitekaartje: ‘Je weet nooit waar het goed voor is.’

Het goede nieuws van deze week is dat Stef Blok afscheid neemt van de politiek. Als VVD-minister van Wonen hield hij warme pleidooien voor de liberalisering van de huizenmarkt. Die zou alle problemen op de huizenmarkt oplossen. Het kan niet anders of over een paar jaar wordt over die liberalisering een parlementaire enquête gehouden. Ik wil wedden dat uit zijn mond dan de volgende uitspraak komt: ‘Met de kennis van nu hadden we het natuurlijk heel anders gedaan.’

109

Journal

 

Maxmini

Dinsdag 5 oktober, Groningen

In onze straat staat vaak een rood autootje met daarop de tekst: Minimize risk, maximize protection. Dat is natuurlijk een doorn in het oog van het enige lid van de Nederlandse Vereniging tegen Veiligheid (NVV).
Ik overweeg ook zo’n rood wagentje te gaan kopen en schrijf daar dan in hetzelfde lettertype op: MAXMINI, Maximize risk, minimize protection. Ik weet zeker dat het leven daardoor veel leuker wordt.
Voor wie daar moeite mee heeft, maar toch een leuk leven wil leiden: de NVV heeft een coach in dienst genomen, toevallig is dat ook het enige lid van de vereniging, en hij zal u begeleiden om u te bevrijden van Minimize risk, maximize protection.

108

Journal

 

Quartier Latin 1

Maandag 4 oktober, Groningen

Gezien mijn carrière en leeftijd had ik nu in een nette buitenwijk moeten wonen. Een spiksplinternieuwe woning, barbecuen met de buren die allemaal ongeveer dezelfde leeftijd hebben in een verkeersluwe straat. Niets van dat al. Ik woon in het Quartier Latin van Groningen, een negentiende eeuwse straat tegen het centrum van Groningen.

Barbecuen met buren die dezelfde leeftijd hebben is voor mij uitgesloten. Ik behoor met mijn slechts 66 jaren tot de oudsten in de buurt. Om mij heen bruist de jeugd. Voor mij, naast mij, achter mij, allemaal studenten. Er zijn zoveel studenten dat Wyb en ik onszelf weer student voelen, een heerlijk gevoel.

Eigenlijk ben ik een cultureel antropoloog die is gaan wonen tussen zijn onderzoeksobject. Met onze bovenwoning hebben we een soort uitkijkpost. Onder ons loopt de specie van ons onderzoeksproject: de student. Wij wonen op een ideale plek om ons vroegere studentenleven te vergelijken met het studentenleven van nu.

Voorlopige conclusie: het belangrijkste verschil tussen toen en nu, zuipen. Jezus Christus, er wordt door de huidige student wat afgezopen. Wij waren er ook niet vies van maar het bier lijkt nu tot cultus verheven. Op onze morsige studentenkamers hingen affiches van Che Guevara en Karl Marx. Nu zijn de studentenkamers behangen met vlaggen van Heineken, heel veel Heineken, Bavaria en Amstel. Heineken is de held van de huidige student.

Meest karakteristieke beeld in onze buurt: de student die met een kratje over straat loopt. Ander karakteristiek beeld: twee studenten die een trolley vol lege bierkratten naar de supermarkt voortduwen om hem met volle kratten weer terug te duwen. Als je door de straten van ons Quartier Latin loopt, hier Schilderswijk geheten, dan dampen uit de huizen de geur van alcohol en wiet. Om hier in hogere sferen te komen hoeven we zelf geen geestverruimende middelen te kopen.

Andere observatie is dat mijn generatie erg onder invloed van het feminisme stond. De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt hadden we allemaal gelezen en onze vrouwelijk medestudenten die zelfbewust met lelijke tuinbroeken rondstapten hielden ons streng op het feministische pad. De huidige student lijkt daar volledig schijt aan te hebben. Vrouwen zijn er om op te jagen en worden daarom ‘hertjes’ genoemd. Als je ’s avonds langs de studentenhuizen loopt, zie je de jachttrofeeën hangen.
Huidige gewoonte: wie een hertje heeft verschalkt, hangt aan de lamp boven de gemeenschappelijke tafel haar bh. Sommige lampen dreigen door het gewicht naar beneden te storten. Voor het goede begrip, een hertje werd in onze tijd door de corps student gleuf genoemd, ook toen waren er studenten die niet wilden deugen.

Denk niet dat de vrouwelijke student een haar beter is. Het bewijs van haar succes wordt getoond door de stropdas. Wie met succes een man heeft gejaagd hangt uiteraard geen bh aan de lamp. In haar geval is het een stropdas. Voor mijn generatie een raar gezicht want wij waren ervan overtuigd dat de stropdas, net als de hoepelrok, een kledingstuk uit het verleden was. De student van nu is blijkbaar gek op stropdassen, vooral als ze lid zijn van een studentenvereniging en dat zijn ze vrijwel allemaal.

Een studentenvereniging, ook al zo’n fenomeen waar wij niets van moesten hebben. Wij vonden dat een soort scoutingclub voor ballen en andere kleinburgers, volstrekt verachtelijk. Een standpunt waarmee wij ons voor de huidige student met terugwerkende kracht totaal belachelijk hebben gemaakt. Het kan verkeren.

107

Journal

 

Personages

Zondag 3 oktober, Groningen

‘Twee jaar geleden was je ziek,’ zegt Wyb als we nog op bed liggen.

Ik kijk op mijn iPhone: inderdaad 3 oktober. Een zwarte bladzijde uit mijn leven. 2 oktober ben ik geopereerd in het ziekenhuis van Nïmes. De volgende dag kwam Wyb mij tegen twaalf uur uit het ziekenhuis bevrijden. Wyb reed terug van Nïmes naar Saint-Hippolyte-du-Fort, ik lag uitgeteld naast haar, blij dat ik weer naar huis kon.

Gaandeweg die dag bleek dat de meest eenvoudige functies van de mens, piesen en poepen, het bij mij niet meer deden. In de middag belden we onze huisarts, madame Bonvoisin.
‘Hebben ze je uit het ziekenhuis ontslagen zonder dat je naar de wc bent geweest?’ vroeg ze.
Ik antwoordde bevestigend.
‘Dat had nooit mogen gebeuren. Je moet nu onmiddellijk naar de apotheker deze pillen halen,’ zei ze tegen Wyb. ‘Als ze na een uur niet werken, moet je meteen naar het ziekenhuis.’

Niets werkte die dag. De druk op mijn blaas en darmen werd alsmaar groter. Ik verging van de pijn en met een vaart van 140 km reden we totaal onverantwoord naar Ganges waar een klein streekziekenhuis was. Ik voelde het: nog even en mijn blaas zou barsten.

Aangekomen bij de Eerste Hulp kon ik niet meer staan. Ik ging op de vloer liggen terwijl Wyb een rits aan formulieren moest invullen. De andere wachtenden zagen mijn lijden en kwamen in opstand. ‘Die man moet geholpen. Die man moet onmiddellijk worden geholpen,’ riepen ze. En ze hadden gelijk. Hun opstand had effect. Met spoed voerden ze me af naar een behandelkamer.

Daar gebeurde waar ik mijn hele leven tegenop had gezien: er werd een katheter bij me ingebracht. Een ding waar mijn piemel niet voor is gemaakt. Heel kinderachtig gilde ik het uit. Maar wat een opluchting toen het was gelukt. De pis die me bedreigde stroomde nu in een plastic zak. Even later moesten klysma’s mij bevrijden van ander afval. Als een gewond dier zat ik een uur op de ziekenhuis-wc.

Maar nu komt het. In die tijd waar ik meer van dit soort ellende meemaakte, merkte ik dat ik eigenlijk uit twee personages besta. Mijn ene personage leed de ellende die ik zojuist beschreef. Het andere personage keek van een afstandje toe en dacht: wat een ellende. Maar dat personage zweefde als het ware boven de situatie, het keek observerend toe en was gevrijwaard van het leed. Ik vermoed dat het een soort mechanisme is dat ingaat als overleven noodzaak is.

Ik was wel blij met dat toekijkende personage. Het zorgde ervoor dat het net leek of ik naar een film keek, een film waarin ik weliswaar de hoofdrol had, maar door dat filmeffect bleef het leed op afstand. Dat toekijkende personage dacht steeds: weet je, misschien kan ik deze situatie nog wel eens gebruiken voor een boek. Het was een belangrijke troost voor me.

Mijn functies begonnen na vier maanden pas weer volop te werken. Zelf kunnen poepen en piesen, wat een genot! Ik was als een kind zo blij toen het voor de eerste keer weer lukte. Carpe diem, mensen, carpe diem.

106

Journal

 

Sentiment

Zaterdag 2 oktober, Groningen

Verreweg het leukste programma op televisie momenteel is Chansons! Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps -wie had hen ooit gedacht als duo?- lopen als verliefde jongetjes door Parijs en vertellen de kijker over het Franse chanson. Hun woorden buitelen van enthousiasme over elkaar heen en ze slaan elkaar veelvuldig vriendschappelijk op de schouder. Het is een genot om ernaar te kijken en te luisteren.

Chansons! detoneert totaal met wat er verder aan slapheid en shit op de Nederlandse televisie is te zien. Geef mij een hele programmering met dit soort programma’s en ik ben niet meer van de bank weg te branden. Waar kom je nog onbevangen enthousiasme en plezier tegen. Komt bij de prachtige muziek van het Franse chanson, wanneer is dat nog te horen in dit landje waarvan de bewoners vooral met de armen van links naar rechts willen zwaaien op muziek van de Vrienden van Amstel.

Gisteren beleefde Chansons! voor mij het hoogtepunt. Ik vond het bijna een onbedoelde daad van verzet in een tijd van slappe talkshows en eindeloos politiek gewauwel. Matthijs en Rob staan voor het graf van Charles Aznavour. Matthijs van Nieuwkerk kan zijn tranen niet bedwingen. Hij stijgt nog meer in mijn achting: hier staat een Mensch. Ik vermoed dat de vele cynici in dit land het zullen afdoen als sentimenteel gekwezel, goed voor de kijkcijfers, of zoiets.

Sentiment heeft in dit zakelijk landje een slechte naam. Je toont je weke hart niet, je moet cool zijn, hard. Gevoelens tonen betekent slapheid, jezelf kwetsbaar maken. Ik vind het een onbedoelde daad van verzet omdat de tranen van Matthijs tegen dat heersende culturele verschijnsel ingaan. Liefde in tijd van cholera, zeg maar. Op zo’n vrijdagavond zitten er rond Chansons! allemaal programma’s waarin eindeloos wordt gekift en gezeken. En midden op zo’n avond staat Matthijs van Nieuwkerk kwetsbaar te huilen voor het graf van de zanger die hem zo lief is.

Maar het mooie is dat de tranen niet opkomen omdat hij voor het graf van Charles Aznavour. Het graf is veel meer dan dat monument op Père Lachaise. Charles Aznavour vertegenwoordigt het verleden van Matthijs, zijn wortels. Het monument roept zijn verleden op, zijn wereld waar hij zoveel van houdt, waarvan hij een deel heeft verloren, waar hij niet meer bijkan. Ieder mens verliest zoveel van waarvan hij hield en wat onlosmakelijk met zijn verleden was verbonden.

Matthijs luistert naar eigen zeggen elke dag naar Charles Aznavour, zijn leven lang. De eerste muziek die in zijn leven klonk: Charles Aznavour. Zijn oma luisterde ernaar zonder de woorden te begrijpen en zijn moeder werd er gelukkig van. Een zanger, een dichter kan je vriend worden, weet ik. Ik heb het niet zozeer met muziek, meer met dichters. Maar omdat ik sommige dichters al mijn hele leven lees, hou ik van hen als van goede vrienden.

Wat zou het fantastisch zijn als er meer oprecht sentiment op televisie zichtbaar was. Volgens mij is het prima tegengif voor het verkankerde omgaan met elkaar dat door borderliners als Wilders en Baudet, geholpen door de social media, alsmaar meer in de samenleving wordt gespoten.

P.S. Die Rob Kemps kan bij mij geen kwaad meer doen. Laat hem maar lekker hossen van links naar rechts en van rechts naar links. Ook als hij daar zo bezig is, zal ik blijven zien hoe hij troostend zijn arm om de schouder van Mattijs van Nieuwkerk legde.

 

105

Journal

 

Crimineel

Donderdag 30 september, Groningen

Justitie onderzoekt momenteel of ik lid ben van een criminele organisatie. Als uit het onderzoek blijkt dat dit inderdaad het geval is, ben ik overtuigd crimineel. Wat is het geval. Ik ben lid van de Coöperatie Laatste Wil. De coöperatie zet zich in voor een levenseinde zonder tussenkomst van een arts. Ik ben lid geworden omdat ik vind dat de overheid überhaupt geen zeggenschap over de doodswens van mensen heeft. De overheid legt nu een zware verantwoordelijkheid op de schouders van de medische stand die moet beoordelen of een doodswens terecht is of niet. Ik ben, als het om de dood gaat, voor zelfbeschikkingsrecht. Alleen ik ga over mijn eigen leven.

Dat schijnt een radicale gedachte te zijn. Afgelopen dinsdag is de voorzitter van de coöperatie, Jos van Wijk, gearresteerd op verdenking van deelname aan een criminele organisatie die helpt bij zelfdoding. De mogelijkheid om je op humane wijze zelf te doden bestaat gelukkig wel. Het is een wit poeder en wordt Middel X genoemd. Het oorspronkelijke plan van de coöperatie was om het middel tegen een gering bedrag en diverse randvoorwaarden ter beschikking te stellen aan de leden. Middel X is legaal, het is namelijk een tamelijk veel gebruikt conserveringsmiddel. Justitie stak daar meteen een stokje voor. Het werd gezien als hulp bij zelfdoding en daarmee illegaal verklaard. Uiteraard legde de coöperatie zich daar bij neer en beperkte zich tot het verstrekken van informatie over het middel.

De bal kwam aan het rollen omdat een individueel lid van de coöperatie het middel mogelijk aan meerdere mensen heeft verkocht. Prima, vind ik. Ik zou willen dat hij het ook aan mij had verkocht. Het punt is dat hij het ook verkocht aan een 28-jarige vrouw. Zij had al lange tijd een doodswens en besloot het middel te gebruiken. Nadat ze het had ingenomen kreeg ze spijt en belde 112. Tragisch genoeg overleed ze de volgende dag toch. Vervolgens deed de moeder aangifte tegen degene die het middel aan haar had verkocht en zo kwam Coöperatie Laatste Wil in beeld.

Het is uitermate tragisch dat de vrouw, nadat zij zich had bedacht, toch overleed. Maar dat gebeurt natuurlijk ook met mensen die zich verhangen aan een boom of bij mensen die zich voor de trein werpen. De poging mislukt, ze worden opgenomen in het ziekenhuis, en overlijden dan toch. Is daardoor de boom schuldig? Of de treinmachinist?

Het is een illusie te denken dat je door het verbieden van een zelfmoordmiddel zelfmoord beperkt. Jaarlijks plegen in Nederland 1800 mensen suïcide . En dan zitten daar nog niet de mensen bij die voor euthanasie kiezen. 8,3% van de volwassenen heeft ooit aan zelfmoord gedacht, 2,2% heeft ooit een zelfmoordpoging gedaan. In absolute getallen: het aantal zelfmoordpogingen is niet exact bekend, maar wordt geschat op 94.000.
Veel mensen die suïcide plegen doen dat op wrede wijze, sterven een verschrikkelijke dood. Middel X geeft de mogelijkheid om humaan te overlijden. En natuurlijk moet dat niet makkelijk verkrijgbaar zijn. Natuurlijk moet het niet bij Kruitvat in de schap staan. Er zijn allerlei mogelijkheden om dat goed te regelen. Helaas. Het idee dat mensen zelf uit het leven kunnen stappen is voor de overheid een onaanvaardbare gedachte.

Niet de mens maar god beschikt over het leven, is de christelijke gedachte die onze wetten heeft geïnspireerd. Ik zie daarom met lede ogen de kabinetsformatie aan. Vermoedelijk bestaat het nieuwe kabinet weer uit een wolk van christen-democratische partijen die ervoor zorgen dat de mens moet blijven lijden.

104

Journal

 

Hein

Woensdag 29 september, Groningen

Recht tegenover ons zijn twee studentenhuizen. In het rechter huis wonen mannen van Vindicat, links wonen vrouwen van Albertus Magnus. ‘Heb je daar niet veel last van?’ is de vraag van iedereen die bij ons op bezoek komt. Nou, dat valt eigenlijk reuze mee. Natuurlijk merken we daar wel eens iets van -en dat bedoel ik niet ironisch.

Zo werden we een maand geleden ’s nachts wakker door opgewonden stemmen. Wybrich ging zelfs naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Op de stoep voor het Vindicat huis stond een jongen die hevig bloedde en stond te wachten op een taxi die hem naar het ziekenhuis bracht.
Gisteren hoorden we pas wat er precies aan de hand was geweest. Met zijn dronken kop had hij de deur van het huis willen openmaken. Dat doet hij altijd door de sleutel om te draaien en dan met zijn elleboog de zware deur open te stoten. Die avond voerde hij hetzelfde routinegebaar uit. Door zijn kop vol alcohol had hij niet door dat hij voor de deur van het vrouwenhuis stond in plaats van zijn eigen deur. In het vrouwenhuis zit een raam in de deur. Zodoende raakte zijn elleboog niet het hout, maar ging hij door het glas heen. Gevolg: een diepe snijwond in zijn onderarm.

Ik hoorde het verhaal gisteren omdat we door onze overburen waren uitgenodigd. Het is een traditie die is ontstaan omdat Kees en Annemiek na een inbraak in het studentenhuis een tijdje op het huis hadden gepast toen iedereen naar huis was. Ik vind het een prima traditie, want op die manier kom ik nog eens in een studentenhuis.

In het huis woont ook Hein. Hein is geen student maar een hond. De kruising tussen een labrador en nog iets groters woont daar al drie jaar heeft dus negen bazen. De vraag of dat niet zielig is voor een hond, of dat niet tot desoriëntatie leidt, kan ik ontkennend beantwoorden. Hein is buitengewoon gelukkig en is gek op de drukte in het huis.
In de vakantie, als iedereen weg is, logeert Hein bij een van de ouders van de studenten. Hein maakt dan een verslagen indruk, in het gemiddelde Nederlandse gezin is het voor hem veel te rustig. Terug in het studentenhuis is hij als een kind zo blij. Eindelijk weer chaos en flesjes bier die open ploppen, dat is voor Hein het ware leven.

Overigens valt die chaos wel mee, want de jongens hebben een streng rooster dat voor het welzijn van Hein zorgt. Zo is er altijd iemand die hem voor half tien uitlaat, die ’s middags met hem een lange wandeling maakt en hem ’s avonds na elf uur nog eens laat plassen. Wie zich niet aan het rooster houdt, ondergaat een strenge straf. Eén keer te laat uitlaten: betekent drie keer extra op tijd uitlaten.
Ik heb tijdens ons bezoek zelfs begrepen dat een lijfstraf niet is uitgesloten. Wie het echt te bont maakt, moet naakt een rondje door de wijk lopen. Andere studentenhuizen, en dat zijn er vele, mogen dan met eieren naar de gestrafte gooien. Jammer genoeg heb ik deze lijfstraf nog nooit uitgevoerd gezien. Ik verheug me er wel op.

Hein is dus eigenlijk de overbuurman van Dies. Dies is zeer geïnteresseerd in Hein, maar Hein interesseert zich volstrekt niet voor andere honden, uitgezonderd loopse teefjes. Hein is helemaal op mensen gericht en dan speciaal studenten. Andere mensen, en dus ook honden, vindt hij gewoon dodelijk saai.

103

Journal

 

Afscheid

Dinsdag 28 september, Groningen

Verdomd. Had ik alweer een afscheid. Het ziet er naar uit dat mijn hele netwerk deze jaren wegsijpelt. De theaterbranche lijkt een slang die zijn oude huid afwerpt. Gisteren nam Henk Kuiper afscheid als programmeur van de Stadsschouwburg Groningen in een prachtig gevulde zaal. Er waren mensen uit heel Nederland voor hem naar Groningen gekomen.

Het was een mooi afscheid, een afscheid waar degene die vertrekt trots op kan zijn. Veel mooie woorden, vele anekdotes en veel mooie muziek. Nou is het ook niet zo moeilijk om voor Henk een mooi afscheid te organiseren. Henk is een markante persoonlijkheid, een mens met intense liefhebberijen, een fervent verhalenverteller en gezegend met een magistraal geheugen. Als je Henk op internet kon aansluiten had je geen Google meer nodig.

Henk en ik hebben best een lang gezamenlijk verleden. Ik kende hem al vanuit Groningen, ik weet het niet zeker meer, maar volgens mij schreef hij nog voor De Agenda van de schouwburg en De Oosterpoort. Mijn herinneringen worden echt scherp als ik hem als directeur van de theaters in Enschede tegenkom als theaterprogrammeur. Beeld wat me het meest bij bleef: ik zit in de woonkamer van Henk en Ditta , op de tafel de papieren met de programmering om te kijken wat er te redden viel. We bleken beiden in een failliete bedrijf te werken. Hard ingrijpen was vereist, en zelfs dat hielp niet. Ik liep een litteken op dat nog steeds schrijnt.

Ook Henk liep daar een litteken op. Totaal onverwacht moest hij Enschede verlaten. Ik vroeg hem in Leeuwarden de programmering te komen versterken. Zowel Henk als ik vonden onze draai weer in Friesland. Ik verliet Leeuwarden jaren later, dit keer ingesmeerd met pek en veren als straf voor mijn liefde voor Wyb. Henk bleef nog even en werd na Leeuwarden theaterprogrammeur in Groningen. Zingend en dansend op de muziek van Bruce Springsteen Further On (Up The Road) nam hij dus gisteren afscheid.

Dit afscheid staat in schrille tegenstelling tot een ander afscheid dat ik in de jaren ’80 meemaakte in dezelfde zaal. Toen nam H.V. afscheid, verreweg de meest arrogante mens die ik ooit heb ontmoet. Toen hij liet weten dat hij ging vertrekken, ging er een zucht van verlichting door de organisatie.

Uit beleefdheid vroegen wij of hij nog een afscheid wilde. ‘Ik wil alleen een afscheid als het groots en meeslepen is,’ liet hij weten. Dat knoopten we in ons hoofd, en het werd groots en meeslepend. Alleen de belangstelling werkte niet mee. In totaal zaten er zes mensen in de zaal, geen van zijn collega’s kwam opdagen. Ook de vele genodigden lieten het groots en meespelend afweten. Zo zie je maar weer: ieder die vertrekt krijgt het afscheid dat hij verdient.

Henk danste op de volgende woorden van Bruce. Ik weet zeker dat Henk nog wel even door zal dansen als wereldreiziger, liefhebber van van alles en nog wat, maar zeker van wielrennen en The Boss.

Further on up the road
Further on up the road
Further on up the road
Further on up the road
One sunny morning we’ll rise I know
And I’ll meet you further on up the road
One sunny morning we’ll rise I know
And I’ll meet you further on up the road

Voor dit blogje google ik op H.V. Wat zou hij nu doen? De enige twee verwijzingen naar hem stammen uit de jaren ’80. Op internet bestaat hij al decennia niet meer.

102

Journal

 

14 2

Zondag 26 september, Groningen

Voor het eerst sinds drie jaar trek ik weer een pak aan, mijn werkkleding voor feesten en begrafenissen. Geen idee waarom juist het pak die werkkleding is geworden. Het geeft mannen, en misschien ook vrouwen, het gevoel van zakelijkheid, van status en en zekerheid. Het schijnt te helpen voor het zelfvertrouwen. In feite is dat natuurlijk gewoon een afspraak die zo is gegroeid, dat noemen ze nou cultuurbepaald. Als het anders was gegroeid hadden we nu niet vastgezeten aan zo’n ongemakkelijke pak.

Dit keer trek ik het pak aan voor de première van 14, de musical, de musical over Johan Cruijff. Anderhalf week geleden was ik bij een try-out, nu dus de première. De lezer zal zich afvragen waarom iemand in godsnaam twee keer in anderhalve week naar dezelfde musical gaat. Daar zijn twee redenen voor. De reden een is dat de musical is gemaakt door mensen waar ik in het verleden intensief mee heb gewerkt. Meer specifieker, de musical is geproduceerd door mijn voormalige compagnon, ik volg hem graag op de voet.

Reden twee. De laatste twee weken van het maken van een voorstelling vind ik altijd interessant. Je ziet de makers vaak wanhopig proberen de laatste onvolkomenheden uit de voorstelling te halen. Een enkele scène wordt ingekort, of er zelfs helemaal uitgehaald. Kill your darlings. Het spel wordt aangescherpt. Het decor enigszins aangepast, wat ongemakkelijke zinnen verwijderd en meer van dit zaken die een voorstelling strak en volmaakter kunnen maken.

Bij 14, de musical is dat volop gelukt. Rammelde de voorstelling anderhalf week hier en daar nog, op de première, dus net op tijd, is ze tot volle wasdom gekomen. Een wonder en reden voor feest, want zo vaak dat het niet lukt, dat een voorstelling pas een week na de première staat. Ook mogelijk dat een voorstelling een tournee lang blijf rammelen, een hel voor wie meespeelt.

14, de musical is een genot. Het woord gul schoot mij op het eind te binnen. Het is een musical die je veel geeft, zelfs als je niks met voetbal of Cruijff hebt. Het is een voorstelling waar je oprecht plezier van hebt, waar je blij van wordt. Swingende muziek, een briljante acteur die Cruijff speelt, prachtige toneelbeelden, verrassende vondsten.
Ik heb nog nooit bij een première gezeten die zoveel open doekjes kreeg. Keer op keer barstten de zaal in klappen uit. Mijzelf incluis. Ik ben trots op mijn voormalige collega’s en compagnon. Voor wie ik van harte hoop dat hij met deze productie zijn pensioen zeker stelt, ik heb het vermoeden dat het gaat lukken als ik naar het eindapplaus luister. Niemand had behoefte om daarmee te stoppen. Het is dat de spelers uiteindelijk het toneel afliepen.

Lang na dat applaus, en na vele hapjes en glazen lekkers, reden Wyb en ik samen met een noordelijke recensent richting Groningen. Op de terugweg probeerden we te bedenken of er nog iets schort aan 14. We konden niets verzinnen.

101

De laatste lezer.

100

Journal

 

Vergane glorie

Vrijdag 24 september, Berg en Dal

Gisteren was de dag van de vergane glorie. Omdat ik gebruik van internet wilde maken, zaten we twee nachten in Hotel Erica in Berg en Dal. Normaal gesproken staan we in Berg en Dal met onze camperbus, maar op de camping ontbreekt internet, voor deze dagen een onoverkomelijke handicap. Ik ken Hotel Erica vanaf mijn kinderjaren. Het is een groot wit gebouw, majestueus gelegen in de bossen van Berg en Dal.

Als je aankomt lopen, lijkt het op het eerste gezicht nog wel iets. Wie dichterbij komt, ziet meteen dat het vergane glorie is. Het gebouw is hoognodig aan renovatie en verf toe. Wie naar binnen gaat, ruikt de afgelopen decennia. De meubels in de kamers stammen uit de jaren zestig, de vloerbedekking moet ergens in de jaren zeventig zijn gelegd.

Erica heeft nog het meest weg van Paleis Soestdijk. Iedereen dacht dat het paleis koninklijk allure had, toen Bernhard en Juliana het paleis hadden verlaten, werd duidelijk dat het tamelijk aftands was. De Oranjetjes hadden niet echt goed op hun vastgoed gepast, de rot zat er stevig in.

’s Ochtends had ik een afspraak in de bibliotheek van Nijmegen. Vorige week kreeg ik een mailtje van Lonneke die vertelde dat na zoveel jaren mijn boeken uit het assortiment werden gehaald. De collega die erover ging zou ze in de container gooien, of ik interesse had.
Dat had ik wel, in de loop der jaren heb ik toch heel wat boeken weggegeven. Gevolg dat ik van sommige boeken geen enkel exemplaar meer heb. We maakten een afspraak.

Zo sta ik in de Nijmeegse centrale bibliotheek waar ik nog nooit in ben geweest. Beetje raar want in de loop der jaren heb ik alle filialen (de meeste inmiddels opgedoekt) wel van binnen gezien. Door Lonneke werd ik keer op keer uitgenodigd om op scholen en in bibliotheken te vertellen over mijn boeken en het schrijven. Lonneke weet te vertellen dat we elkaar in 2010 voor de laatste keer zagen. Dat willen zeggen dat mijn carrière als kinderboekenschrijver al lang achter me ligt.

Op haar bureau ligt een hoge stapel van mijn boeken. Van elk boek haalt ze er één exemplaar uit voor haar eigen verzameling. Met weemoed bedenk ik dat ze nu verbannen worden uit de bibliotheek. Wel begrijpelijk want ze zien er oud en tamelijk veel gelezen uit. De verbanning betekent dat ik weer iets minder besta.

We stoppen de boeken in twee dozen die we samen naar mijn auto brengen. We bevrijden Dies die daar ligt te wachten en op het winderige terras van Lux praten we elkaar bij. Er is veel gebeurd in de afgelopen elf jaar, blijkt. We nemen afscheid van elkaar. Door Lonneke heb ik mij vaak een rasechte Nijmeegse schrijver mogen voelen. Wie vanaf nu zoekt naar mijn boeken in Nijmegen doet dat tevergeefs.

99

Journal

 

Terras

Donderdag 23 september, Berg en Dal

Ik hou ervan om op een terras te zitten. Een Aperol Spritz op het tafeltje, een goede rosé mag ook. Zonnetje in het gezicht. Of, als het heel warm is, weldadige schaduw. Verder uitzicht op kabbelend water, of juist een straat waar het een drukte van jewelste is. Op een terras zitten voelt als vrijheid. Je stopt met werken, lopen, dingen doen en je gaat gewoon op een stoel zitten. Even helemaal niks. Even schijt aan de tijd.

Aldus de theorie die ik aanhang en volstrekt niet in de praktijk breng. Ik zit vrijwel nooit op een terras. Wat mij in de weg zit is mijn arbeidsethos, en dat terwijl ik helemaal geen arbeid meer heb. Althans, officiële arbeid. In mijn hoofd razen de ideeën natuurlijk gewoon door. Dus als ik een terras zie en daar ongelooflijk graag zou gaan zitten, denk ik aan het fotoboek dat ik nog wil realiseren, de foto’s die ik moet bewerken, het verhaal dat ik aan het schrijven ben. Opnieuw ga ik niet op dat terras zitten.

De enige keer dat ik weleens op een terrasje ga zitten, is als ik in de avond met Wyb Dies uitlaat. De avondzon verdwijnt dan bijna achter de huizen en het werk, dat ik helemaal niet had hoeven te doen, de tijd is aan mijzelf, is gedaan. Een mens plaagt zichzelf wat af.

De zon, die de hele dag zo heerlijk scheen, verdwijnt inderdaad achter de huizen en in september worden de avonden dan al snel koud. In de avonden kondigt zich de herfst aan. Wyb en ik blijven nog even zitten tegen beter weten in. Al snel verkleumen we verder. Op naar huis. Ik met het vaste voornemen om morgen, bijvoorbeeld als ik boodschappen ga doen, mij niets aan te trekken van die arbeidsethos en gewoon een half uur op een terras te gaan zitten. Lui durven te zijn moet je blijkbaar leren.

98

Journal

 

Prinzipienreiter

Dinsdag 21 september, Groningen

 

Ik zag op YouTube een filmpje van een verontwaardigde Hans Teeuwen. Zo lang het theater meewerkt aan de tweedeling van gevaccineerden en ongevaccineerde kondigde hij aan niet meer op te treden. Eenzelfde soort boodschap van Dino Asporaat. Ook hij kondigt aan niet meer in het theater te staan zo lang daar mensen worden geselecteerd met een QR-code of een testbewijs.
Opeens viel me een woord te binnen wat ik nog nooit heb gebruikt: Prinzipienreiter. Mooi woord. Op internet vind ik de volgende duiding: beginselberijder, iemand, die op een geliefkoosd idee telkens terugkomt, het berijdt als een kind zijn hobbel- of stokpaard. Als een kind.

Afgelopen zaterdag belandde ik in Amsterdam na een bezoek aan de fototentoonstelling Unseen in een grote demonstratie tegen de coronamaatrdegelen. Volgens de leuzen die men meevoerde was ook deze menigte verontwaardigd en boos. Al maakten de deelnemers volstrekt niet die indruk. Integendeel. Ik meende te kunnen zien dat iedereen veel plezier had in demonstreren. Mensen kwamen elkaar tegen en begroetten elkaar enthousiast. Demonstreren kan voor veel mensen best een leuke hobby zijn, dacht ik terwijl ik mij door al die ongevaccineerde mensen moest wurmen. Ik was zo blij met mijn vaccinaties.

Ik ben best goed in boos en verontwaardigd zijn, maar de gedrevenheid van de principieel ongevaccineerde roept bij mij geen enkel gevoel op om daar in mee te gaan. Ik snap hun opgewondenheid totaal niet. Ze willen hun vrijheid terug. Nou begrijp ik al niet dat ze überhaupt onvrij zouden zijn want ze kunnen zo naar de teststraat lopen. En als je daar ook geen zin in hebt kun je gewoon thuis blijven en af en toe eens lekker protesteren.

Dat begrip, of enig invoelingsvermogen, wil ook niet komen omdat ik voortdurend denk: jouw totale vrijheid heb je terug met twee prikjes. En dan heb je niet alleen jouw vrijheid terug, maar heeft ook de maatschappij zijn vrijheid terug, inclusief mijn vrijheid. Er wordt wat gewapperd met de stelling dat men niet vrij is, maar de vrijheid die ze voorstaan, zorgt ervoor dat anderen, inclusief mijzelf, beperkende maatregelen worden opgelegd.

Eigenlijk vind ik Prinzipienreiten eigenlijk gewoon een asociale bezigheid. Zelfs zo’n relatief klein aantal mensen gijzelt de samenleving. De boel kan daardoor nog steeds niet helemaal van het slot. Je gewoon laten prikken, niet zo kinderachtig doen, denk ik maar steeds.
En dan durven die gasten hun situatie ook nog te vergelijken met de positie van de Joden in de Tweede Wereldoorlog. Terwijl ik door die protesterende massa liep, had ik hier en daar best een schop onder de kont willen uitdelen.

97

Journal

 

Haar

Maandag 20 september, Groningen

Elk product en elke kunstenaar kent een productlevenscyclus.
Eerst kent vrijwel niemand een kunstenaar. Gelukkig wordt hij ontdekt door een paar mensen. Door die mensen, zijn toenemende roem en zijn mooie werk ontdekken meer mensen hem. Vervolgens wordt hij een populair, door iedereen gekend en gewaardeerd kunstenaar. Zijn werk gaat als een speer.

Totdat, tragiek, we hem door en door kennen, hij al zijn talenten op diverse manieren aan het publiek heeft vertoond. De kunstenaar begint ons te vervelen, hij is niet cool meer, spreekt steeds minder tot de verbeelding. Steeds minder mensen vinden zijn werk interessant.
Voorbeeldje in cabaretland: Freek de Jonge. Hij is niet per se slechter geworden, maar wij doorzien zijn kunstenaarschap zo goed dat we hem vervelend zijn gaan vinden. Meest tragische voorbeeld in cabaretland: Seth Gaaikema. Uiteindelijk moest hij zich bij theaters zelf naar binnen leuren.

Waarom stoppen kunstenaars niet, zoals producten die aan het eind van de levenscyclus gewoon niet meer worden gemaakt? Maar wat als je veertig jaar kunstenaar bent geweest? Wat moet je dan? De meeste kunstenaars hebben maar één stem, ze kunnen niet zomaar op een andere stem overgaan. Kunstenaar zijn is geen vetpot, ze moeten wel doorgaan, waar moeten ze anders van leven?

Overigens, die productlevenscyclus bestaat niet alleen voor kunstenaars. Zelfs de boekhouder heeft er mee te maken. Aan het begin van zijn carrière was hij een fanatieke en veelbelovende medewerker. Hij werd steeds beter, de baas was buitengewoon tevreden over hem. Hij kreeg de leiding over de afdeling. Eenmaal vijftig kreeg hij er steeds minder zin in, hij volgde de laatste ontwikkelingen op het gebied van boekhouding niet meer, computers werden steeds ingewikkelder voor hem. Uiteindelijk verliet hij het bedrijf met een zilveren handdruk. De gouden zijn voor de baas.

De fase die je in een productlevenscyclus doorloopt: introductie, groeifase, volwassenheid, verzadiging, teruggang. Het heeft veel weg van een mensenleven.

Met politici is het eigenlijk niet anders. Zo is Mark Rutte volledig over zijn houdbaarheidsdatum heen. Iedereen kent zijn stijl, vroeger was die verfrissend, nu is die belegen. Die altijd overdreven vrolijkheid, dat irritante weglachen. Iedereen weet dat hij een buitengewoon slecht geheugen heeft en vaak gewoon liegt. Hij belooft van alles en komt zelden iets na. Omdat hij geen visie heeft, is hij geen leider, weet inmiddels vrijwel heel Nederland.

Maar al die mensen die op hem stemmen dan? Tsja, die houden hem inderdaad in het zadel. Het is het bezadigde, bange deel van onze bevolking. Ze weten wat ze hebben, je weet nooit wat je krijgt. Het zijn de mensen die het ‘voor elkaar hebben’, een eigen huis, nooit in aanraking komen met de scherpe randjes van de samenleving. Het zijn de mensen die nooit iets merken van het falen van de overheid omdat ze (nog) geen uitkering nodig hebben, niet in aanraking komen met justitie, niet in financiële problemen komen, hun belastingformulier op standaardwijze kunnen invullen, niet meer hoeven te studeren, nog een dak boven hun hoofd hebben en niet zijn gaan scheiden, enz.

Alleen voor hen is Rutte nog interessant, zij houden hem in het zadel. Het zegt niets over zijn functioneren. ‘Maar het gaat toch goed met Nederland?’ Het gaat goed met de economie, de mensen werken hard en er is volop werk. Dat loopt als een trein.
Maar noem mij één beleidsterrein van de overheid waar het geen puinhoop is? De instanties zijn uitgehold, de medewerkers worden slecht betaald, het management is meestal volstrekt onbekwaam, de computersystemen invalide, een moreel kompas ontbreekt.

Alles waar Rutte voor verantwoordelijk is, heeft hij in de uitverkoop gedaan of kapot bezuinigd. Om zijn beleid heen heeft hij achthonderd voorlichters en communicatie-adviseurs benoemd die het falen moeten wegmasseren. Als de beeldvorming maar goed is, dan lijkt het tenminste nog iets. Als je haar maar goed zit, zeiden we vroeger, dan komt de rest vanzelf wel. Totdat je aan het einde van de productlevenscyclus zit, dan is er geen redden meer aan.
Het haar van Mark Rutte zit altijd onberispelijk, daar ligt het niet aan.

96

Journal

 

Herinneringen

Zondag 19 september, Groningen

‘En toen zijn we nog naar Parijs gegaan om herinneringen te maken,’ zei een goede vriend van me.
Herinneringen maken. Het was voor de tweede keer dat ik het hoorde.
Even later in de auto zei ik tegen Wyb: ‘Hoorde je ook dat hij zei dat ze naar Parijs gingen om herinneringen te maken?’
‘Zeker. Ja, dat is tegenwoordig cool om te zeggen. Mensen maken tegenwoordig herinneringen.’

Ik vind het een vreemde uitdrukking. Ze stoot me zelfs tegen de borst. Je maakt foto’s, maar je hebt herinneringen. Ik denk dat je herinneringen niet kunt maken, herinneringen ontstaan door dingen die je hebt beleefd en de selectieve perceptie die alsmaar zijn werk doet in de hersenen.

Je weet misschien dat je toen en toen naar Parijs bent geweest, dat kun je je herinneren. Maar dat is nog geen herinnering. Herinnering heeft met je ziel te maken, datgene wat je bent. In feite ben je een optelsom van je herinneringen. Als je zegt dat je herinneringen maakt, lijkt het alsof je ze bewust kunt stapelen, dat het objectieve producten zijn. Helaas is dat niet het geval, het hebben van herinneringen is een irrationeel proces. Wat blijft hangen van alle indrukken en belevenissen die je meemaakt? Degene die al die zaken rationeel kan ordenen en stapelen moet nog worden geboren.

Herinneringen kunnen ook totaal van karakter veranderen. Een echtpaar heeft vele dierbare herinneringen. Maar nadat de man de vrouw heeft verlaten, krijgen vaak veel van die herinneringen een bitter karakter. Die dierbare herinneringen kunnen zomaar het bewijs vormen dat hij sowieso al die tijd niet heeft gedeugd. Het is voor een biograaf zeer gevaarlijk om een ex te interviewen voor een biografie. Het gevaar is groot dat zijn of haar herinneringen verpakt zijn in prikkeldraad.

De uitspraak herinneringen maken, past natuurlijk wel perfect in de door ons zo bejubelde beleveniseconomie. Ik ga naar Parijs voor de musea, de sfeer in de stad, het lekkere eten, de schoonheid van de stad. Ik geniet, ik onderga het. Wat er uiteindelijk blijft hangen van dat genieten en mijn ervaringen: geen idee. Ik maak me er ook niet druk over. Ik zie het wel, ik ben er niet bewust mee bezig. Mijn geheugen vormt een zeef en ik vertrouw erop dat het waardevolle in die zeef overblijft.

Wie herinneringen gaat maken is bewust uit op belevingen, die is, zo vermoed ik, uit op grote, indrukwekkende dingen: de Eiffeltoren, de Sacré Coeur. Je maakt een foto. En je hebt de illusie van een herinnering. Ze verwarren het feit dat je ergens bent geweest met de diepte van een werkelijke herinnering. Ik denk dat vooral mensen die door een stad dwalen echte herinneringen krijgen. Ze hebben niet een plaatje, maar hebben hun ervaringen doorleefd.

Je krijgt herinneringen, het zijn verhalen/sferen/beelden die je ontvangt, waardoor je ze hebt. Het maken van herinneringen is een egocentrische en oppervlakkige poging je geheugen te beïnvloeden. Ik ben benieuwd hoeveel dan werkelijk beklijft.

95

Journal

 

Geest

Vrijdag 17 september, Groningen

Sinds enige tijd worden wij, of ik moet eigenlijk zeggen Wyb, geplaagd door de geest van Kafka. Het volgende is het geval, het kan wel ingewikkeld worden, hoor.
Vlak voordat wij naar Frankrijk vertrokken dit jaar werd Wyb voor de eerste keer gevaccineerd met Pfizer. De uitnodiging voor de tweede vaccinatie kon niet doorgaan want dan zaten wij namelijk nog in Frankrijk. Geen punt, want tussen de eerste en tweede prik mogen honderd dagen zitten. Als Wyb terug was, moest ze voor die tweede prik maar meteen een afspraak maken.

Eenmaal in Frankrijk kondigde president Macron de Coronapas aan. Vanaf begin augustus moest iedereen die horeca, musea of theaters bezoekt een QR-code laten zien, het bewijs dat hij, zij of hen (ik kan er niet aan wennen, dat hen. Ik schaf het bij deze af.) is gevaccineerd. Ik had mijn QR-code gelukkig wel, want ik was al twee keer in Nederland gevaccineerd. Wyb dus niet. Lastig, want wij houden best van een goed restaurant en een mooie expositie.

Half juli belde Wyb met de GGD Nederland met de vraag of het een probleem was als zij zich in Frankrijk liet vaccineren.
‘Nee, zeker niet, zo snel mogelijk vaccineren,’ was het antwoord.
Of zij dan wel, teug in Nederland, een QR-code kon krijgen.
‘Nou, eerlijk gezegd is dat nog niet geregeld, maar dat gaat zeker komen. Maar laat je nu maar zo snel mogelijk vaccineren.’

Aldus geschiedde. We konden in Uzès snel een afspraak maken en zonder problemen zetten ze daar een prik in de armen van Wyb. Ze kreeg een officieel schrijven mee, Europees gecertificeerd waarop een QR-code stond, en waneer zij met welk vaccin was gevaccineerd. Het stond op papier, zwart op wit. En gelukkig bracht die QR-code haar in Frankrijk overal naar binnen.

Totdat we in Nederland waren. De Nederlandse scan-apparaten weigerden de Franse QR-code te herkennen. Bij mij was hetzelfde het geval, het bleek dat ik mijn code op Internationaal had staan en ik moest hem op Nederlands zetten. Blijkbaar is er een verschil tussen de Nederlandse en Europese scan-apparaten.

Wyb belde naar de GGD of ze haar Franse vaccinatie kon laten invoeren in de Nederlandse administratie zodat ze ook een Nederlandse QR-code kreeg. Nee. De GGD liet weten daartoe niet bevoegd te zijn, ze moest maar contact opnemen met het RIVM en kreeg een telefoonnummer. Op dat telefoonnummer werd vervolgens nooit opgenomen. Vermoedelijk had de desbetreffende medewerker scholingsdagen of werkte ze slechts een van de vijf werkdagen. Maar welke? Daar kwam Wyb niet achter.

Via een omweg kreeg ze toch iemand van het RIVM te spreken.
‘Nee, sorry, die koppeling is nog niet mogelijk. Daar werken we wel aan. Misschien is het goed contact met de GGD op te nemen en dat ze uw Franse vaccinatie informeel in het systeem brengen.’
Wyb fietste naar de GGD. De dienstdoende arts kon daar volgens het protocol absoluut niet aan meewerken. Ze moest toch echt contact opnemen met het RIVM. ‘Je kunt ook nog gewoon een derde prik nemen,’ suggereerde hij.

Wyb belde het RIVM weer. Iemand anders van het RIVM wist haar te vertellen dat mensen van buiten de Europese Unie wel hun buitenlandse vaccinatie konden laten omzetten in het Nederlandse systeem. Voor mensen binnen de Europese Unie was dat nog niet mogelijk.’
Wyb legde uit dat ze in het theater werkte en dat ze die QR-code broodnodig had om voorstellingen te bezoeken.
‘Tsja, dan moet u nog een paar weken wachten. Het systeem is er nog niet op ingesteld.’
‘Maar met een administratieve handeling kunt u toch in uw systeem aangeven dat ik ben gevaccineerd, net zoals u dat ook had gedaan als ik in Nederland was gevaccineerd.’
‘Ja, mevrouw, als alles zo eenvoudig zou zijn. Helaas. We werken eraan, dat is het enige dat ik u kan zeggen.’

De geest van Kafka is werkelijk overal.

94

Journal

 

14

Donderdag 16 september, Groningen

Het lijkt wel de week van mijn rentree in het theater. Tweeënhalf jaar ben ik niet in een theater geweest, deze week zit ik opeens weer midden in mijn netwerk. Afgelopen vrijdag was er de afscheidsbijeenkomst van Marie-Anne Rudolphie in Amsterdam en ontmoette ik weer oude theaterhelden zoals de jongens van Suver Nuver en de dames van Carver. Citaat van de laatsten in hun afscheidsspeech (ongeveer): ‘Marie-Anne moest weer terug naar kantoor, zij moest werken, ons verkopen. Wij gingen naar de kroeg, wij gingen zuipen. Ja, wij zijn artiesten, wij moesten zuipen, de inspiratie moet je ergens vandaan halen.’

Gisteren ging ik met Marc naar een try-out van 14, de musical. Door regelmatige telefoontjes en ontmoetingen met Wolter word ik op de hoogte gehouden van de vorderingen, van het eerste idee tot deze try-out anderhalve week voor de première. We eten met z’n drieën wat vast het beste Indonesische restaurant van Leusden is. Aziatisch eten, dat heb ik zo gemist in Frankrijk.

Cruijff, mijn vader was idolaat van hem. Die mateloze bewondering irriteerde mij dan weer. In discussies met mijn vader probeerde ik het succes van het wonderkind kleiner te maken. Mijn mening over Cruijff is daarom ambivalent.
Marc en ik zijn geen echte musical fans. Op televisie zag ik beelden van de Uitmarkt waar de musicals van aankomend seizoen zich presenteerden, wat een cliché’s, al musicals lijken op elkaar, het leek een dode theatervorm, elke voorstelling lijkt een ietwat aangepaste kopie van de vorige.
Maar 14, de musical verrast ons beiden. Prachtig toneelbeeld, inventieve vondsten, kostuums zijn een vette knipoog naar de zestiger en zeventiger jaren, evenals de sound van de stevige muziek. Degene die Cruijff speelt schittert op toneel zoals Johan dat op het voetbalveld deed. Enige jammerlijk punt(je), het geluid was knudde. Daar moet nog hard aan worden gewerkt, daar was iedereen het over eens.

’s Avonds een déjà vu. We rijden door een donkere nacht terug van Leusden naar Groningen. De kilometers vliegen ongemerkt voorbij. We rijden twee tankstations binnen om ruiten sproeistof voor de auto te kopen en blikjes cola voor ons. Het Indonesisch eten maakt dorstig. Beide pompstations zijn dicht. Bij de tweede gooit Marc een emmer water tegen de voorruit. De ruit is zo smerig dat we vrijwel niets meer zien. Gelukkig is het derde pompstation open voor onze cola’s. We zijn Zwolle dan al voorbij. Leuke stad Groningen, maar wat ligt het allejezusver van de bewoonde wereld.

De nachtelijke tocht doet me denken aan al die andere nachtelijke tochten die ik in mijn leven maakte. Na een voorstelling in alle eenzaamheid naar huis, vaak Met het Oog op Morgen op de radio. Het waren jaren dat ik 70.000 tot 80.000 kilometer per jaar reed en mijn auto door collega’s een rijdende vuilnisbak werd genoemd. Waar ze zeker gelijk in hadden. Je moet wat in die eenzaamheid. Om een uur rijd ik de auto Groningen binnen. Toch wel lekker die nachtelijke tochten. Voor het eerst na tweeënhalf jaar mis ik mijn theaterleven.

Correctie. Eind 2020 zijn Wyb en ik ook nog naar een voorstelling in De Lawei in Drachten geweest. Naar een cabaretvoorstelling van Patrick Neederkorn en Jan Beuving. We zaten met dertig mensen in een zaal met achthonderd stoelen. Patrick en Jan deden hun stinkende best waardoor de voorstelling toch nog overeind bleef.

 

93

De laatste lezer.

92

Journal

 

Ventje

Dinsdag 14 september, Groningen

Door ons verblijf in Frankrijk ben ik redelijk in staat Frankrijk en Nederland te vergelijken hoe ze zich houden in tijden van crisis. Gisteren heb ik sinds lang weer eens naar wat talkshows gekeken. Eerst Op1, nadat Jeroen Pauw het alleen deed, een afgelebberd concept van de publieke omroep.
Gisteravond ook weer, duopresentatie Hugo Logtenberg en Nadia Moussaid. Het lukte Nadia maar niet om gasten te laten uitpraten. Hugo stelde vragen waarmee hij direct verraadde dat hij een lichtgewicht is. Beiden ontslaan zou ik zeggen, daarvoor in de plaats of Jeroen Pauw of Sven Kockelmann aan de tafel zetten. Jinek terughalen mag ook. Maar ook in die gevallen: sowieso de redactie vervangen en een verbod op het uitnodigen van die Geer en Goor.

Goed, vergelijking Frankrijk Nederland. Waar gingen de talkshows over? Waar ze al anderhalf jaar over gaan: Covid 19, het virus, de gevolgen, de maatregelen. Niet voor niets zijn de kijkcijfers gedaald van over de miljoen kijkers naar onder de half miljoen.
Gisteravond werd er gekwebbeld over de Coronapas. Aan tafel verontwaardigde horeca vertegenwoordigers die lieten weten dat ze het gedoe rond de Coranapas er niet bij kunnen hebben en ze dreigden met maatschappelijke ongehoorzaamheid. Duizenden horeca-ondernemers gaan die Coronapassen zeker niet controleren: te veel werk, te ongastvrij, te duur. Zeuren, zuchten, zeiken.

Toevallig heb ik een aantal weken al in Frankrijk geleefd met de Coronapas. Veel werk? Gast komt aanlopen, heeft de Corana Checker al in de hand. Restaurantmedewerker houdt er een apparaatje bij, even kijken, u kunt doorlopen. Klaar. Een werkje van helemaal niks. Ik heb in Frankrijk helemaal niemand horen pruttelen over ongastvrij. Ik zelf vond het juist gastvrij, die Corona Checker, het is comfortabel om te weten dat iedereen is gevaccineerd of getest. Te duur? Geen horecagelegenheid hoeft hiervoor extra personeel in te huren.

En zo gaat het nu al een epidemie lang. Bij elke maatregel: zeuren, zuchten zeiken. Met medelijden heb ik de discussie vorig jaar over het mondkapje gevolgd. Het mondkapje, daar is wat zendtijd en maatschappelijke energie in gaan zitten. In Frankrijk waren ze al lang en breed ingevoerd en niemand die zich daar druk overmaakte.

Als Frankrijk de volwassene is, is Nederland het drammerige, verwende kind. O, wat erg dat we een mondkapje moeten dragen, wij worden beperkt in onze vrijheid. Sommigen gaan door dat lapje stof zelfs de vergelijking met de Tweede Wereldoorlog maken, de ergste mafkezen schromen niet een gele ster op te spelden.
Je zou willen dat het verwende kind Nederland een vader of moeder had die het kind eens een stevige schop onder de kont geeft en zegt: ‘En nu voor straf naar bed jij kinderachtig ventje. Ik wil je even helemaal niet meer zien. Het moet maar eens uitzijn met dat kinderachtige gejank.’

91

90

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2021