Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Strapatsen

Woensdag 18 mei, Groningen

 

Ik zou eigenlijk helemaal niet over politiek of politiek gerelateerde onderwerpen willen schrijven. Jammer genoeg zijn de strapatsen van onze politici dusdanig dat ik ze niet links kan laten liggen.

Zo blijkt dat Mark Rutte jarenlang zijn sms’jes op zijn telefoon wiste. Volgens de landsadvocaat gebeurde dat omdat hij een ouderwetse Nokia had. En dat prehistorisch apparaatje had slechts zeer beperkte opslagruimte. Om nieuwe te ontvangen diende er berichten te worden gewist. Mark bepaalde welke bewaard moesten blijven en welke gewist.

Bij mij doemt dan het beeld op dat Mark elke avond voor het slapen gaan op de rand van zijn bedje zit en, als vast ritueel, zijn berichten moet wissen, anders blijft hij verstoken van nieuwe communicatie. Mark wordt hiermee de zelf-benoemde assistent van onze Rijksarchivaris. Volgens wet en regels dient namelijk het sms-verkeer bewaard te blijven en door mensen die hiervoor door hebben gestudeerd gewist of opgeslagen te worden voor het nageslacht. Mark was dus elke avond een beetje illegaal bezig.

Mark is een slimme man. Dus ik ga er vanuit dat hij hiervan op de hoogte was en dat hij een reden had om de regels aan zijn laars te lappen. Ik heb het altijd al gek gevonden dat onze premier met zo’n aftands telefoontje rondliep. Het had aanvankelijk iets aandoenlijk, onze premier als nerd, die als enige Nederlander niet meeging met zijn tijd. Maar wat blijkt nu: onze premier had twee telefoons. Een om sms’jes op te ontvangen, de ander, een moderne, om het nieuws te volgen.

Ken jij mensen met twee telefoons? Ik heb er één gekend, die wilde privé-communicatie en zakelijke communicatie gescheiden houden. Mooi streven. Maar erg onhandig. Hij hield het niet lang vol want die scheiding kun je met het grootste gemak ook op één telefoon aanbrengen. Je moet er toch niet aan denken dat je altijd twee van die dingen in je zak hebt. Ik denk dan ook dat het gewoon een kutsmoesje is van onze premier. Met dat smoesje kon hij rechtvaardigen dat hij sms’je wist.

Ik denk dan ook dat sms’jes in de volgende trant voor de eeuwigheid verloren zijn gegaan:

Ha Ivo en Ted, dat bonnetje, goed verstoppen, hoor. Ik wil niet dat dit naar buiten komt. Jullie zijn crimefighters en we kunnen ons geen vlek op jullie blazoen veroorloven. Mark. PS Natuurlijk sta ik achter jullie.

H Katja, ik ga gewoon volhouden dat we Omzigt functie elders nooit hebben besproken. ‘Heb ik geen actieve herinnering aan’. Weet je dat. Groetjes, Mark.

Dag Ben, die dividendbelasting ga ik regelen. Dat het niet in onze partijprogramma’s staat, soit. Ik druk het erdoor. Hartelijke groet, Mark.

Dag Alle, dat sleepnet, geen terughoudendheid, dat moet er komen. Maak je geen zorgen over dat referendum, dat is iedereen toch al lang vergeten. Daar maakt niemand zich meer druk om. Vriendelijke groet, Mark.

Natuurlijk, het is niet te bewijzen. Het is niet waar wat ik hier boven schrijf. Leer mij een politicus kennen.

Twee telefoons, het is een smoesje van een geraffineerde grabbelaar. Een andere reden om met zo’n Nokia rond te zeulen is er niet. Konkelfoezen, actieve herinneringen wissen, gespeelde onschuld, de boel bewust een loer draaien, leugentjes om bestwil en kwaadwil: allemaal strapatsen.

253

Journal

 

Hond

Maandag 16 mei, Groningen

 

Dies is een border collie, dat betekent dat we altijd een gefocuste hond hebben. Hij kan ook overdag best lang slapen, maar wakker is hij altijd alert. Zo volgt hij de gesprekken van Wyb en mij op de voet. Als hij in de zinnen herkenbare woorden hoort, zoals bijvoorbeeld de woordjes ‘gaan’ of ‘goed, veert hij meteen op. Wie weet, gaat er iets gebeuren.

Ook het schoengebruik houdt hij goed in de gaten. Wandelschoenen betekenen zeker wandelen, mijn gewone schoenen aantrekken betekent boodschappen, een zware teleurstelling voor hem want dan moet hij alleen thuisblijven. Hij laat meteen zijn kop hangen. Als ik mijn pantoffels aantrek is hij tevreden. Dat betekent dat baas of vrouw thuis blijven.

Zijn focus richt zich op de eerste plaats op Wyb en mij. Ik denk dat wij een soort kudde voor hem zijn, niet voor niets is de belangrijkste opdracht voor een border collie de kudde bijeen houden. Er is pas rust als Wyb en ik bij elkaar zijn.

Andere focus: stokken. Als we wandelen draagt hij ze zelf aan. Een border collie houdt van opdrachten, dus er is niks leuker dan een stok die ik weggooi voor mij gaan halen.
Het is helemaal te gek voor hem als we met een frisbee spelen. Dat is het mooiste speelgoed dat hij heeft. Wyb en ik werpen de frisbee over en weer en Dies rent dan tussen ons in. Mocht een van ons het ding niet vangen, geheid dat hij ter plaatse is om de frisbee op te vangen.

Van honden wil hij eigenlijk niks meer weten. Met ware minachting loopt hij ze voorbij. Een intelligente hond wil met zijn domme soortgenoten niets te maken hebben. Ze zijn hem onwaardig.
Alleen loopse honden vond hij interessant, zeer interessant. Zelfs wij moesten daarvoor wijken, ons gezag was volledig verdwenen bij de komst van zo’n lekker teefje. Omdat hij ze blindelings achterna liep, hebben wij daar een einde aan gemaakt door hem chemisch te laten castreren. Hierdoor vindt hij nu zelfs loopse teefjes volstrekt oninteressant.

Denk niet dat we een slaafse hond hebben. Dies is een echte mensenvriend en hoe meer vrienden en vriendinnen hoe beter. Het gebeurt dagelijks dat we aan het frisbeeën zijn en dat Dies zijn vriendenkring wil uitbreiden. In plaats de frisbee voor onze voeten te leggen, legt hij het ding demonstratief bij een van de vele studentengroepjes die in het Noorderplantsoen liggen te chillen.

De hondenliefhebbers smelten meteen bij zoveel vriendelijkheid en beginnen met het ding te gooien. De hondenhater weet bij god niet wat hij met deze ietwat opdringerige uitnodiging moet. Ze kijken verstoord en soms zelfs enigszins angstig op. Dies is beter in het lezen van mensen dan dat zij honden kunnen lezen. Begrijpelijk, want andere wezens kunnen begrijpen, is ook een kwestie van oefening en ervaring. En, niet te vergeten, liefde.

Journal

 

Generatieangst

Zondag 15 mei, Groningen

 

Ik raad iedereen boven de vijftig aan eens naar Groningen te komen. Dat is best lastig, dat weet ik, Groningen ligt nu eenmaal overal ver vandaan. Minimaal een uur rijden is een gegeven, behalve als je uit Leeuwarden komt, dan is het drie kwartier. Bij de meeste steden kun je nog wel eens toevallig langskomen. Bij Groningen is dat uitgesloten. Het is een eindstation en je moet er echt heen willen om er te komen. Die afstand vind ik echt een van de grootste nadelen van de stad.

Ik raad de vijftigplussers aan langs te komen omdat je je hier in een andere wereld waant. Over het algemeen zijn wij, boomers, veruit in de meerderheid, wij overspoelen Nederland met onze grijze golf. Hier in Groningen word je overspoeld door twintigers, dertigers hier zie je voornamelijk jonge mensen. Dat is best een grappige ervaring.
Als boomer voel ik mij hier vaak misplaatst. Als ik door de stad loop, zie ik mijzelf lopen. Wat moeten al die twintigers en dertigers wel niet denken? Zouden ze ooit denken ook zo oud te worden als ik? Het zal ze vervullen met afkeer, vermoed ik. Als je jong bent, bestaat ouderdom niet. Het hele leven ligt nog voor je. Wie oud is, is bij voorbaat afgeschreven.

Wat het een beetje vervelend maakt, is dat ik tot de conclusie moest komen dat Groningen eigenlijk een veel te klein centrum heeft. Toen ik in de jaren tachtig in Groningen woonde, telde de stad rond de 160.000 inwoners. Nu heeft de stad meer dan 200.000 inwoners. Om het centrum heen zijn allerlei satellietwijken gebouwd. Het centrum heeft dezelfde omvang gehouden en dat leidt vaak tot een enorme drukte. In die satellietwijken wonen zeker wel boomers, heb ik kunnen constateren, maar om de een of andere, voor mij onbekende, reden, komen ze nooit naar het centrum. Ze mijden het als de pest. Het lijkt wel alsof ze bang zijn voor die nieuwe generatie die daar de straten beheerst. Bestaat dat, generatieangst?

Er zijn niet alleen satellietwijken gebouwd, in de stad heeft zich eveneens een vermenigvuldiging voorgedaan. Neem de wijk waar ik in woon, de Schilderswijk. Een mooie, statige wijk met grote huizen, gebouwd aan het begin van de twintigste eeuw. Vroeger woonden er gezinnen. Huismelkers hebben daar een rigoureus einde aan gemaakt. Waar vroeger vier, vijf mensen woonden, wonen nu veertien, vijftien studenten in een soort cellen. Ooit verzuimde de stad een campus te bouwen. Goed beschouwd woon ik nu op de campus van Groningen: overal en altijd studenten. Vandaar dat ik de boomers aanraad om eens te komen kijken: je weet niet wat je ziet, de stad, en zeker het centrum, een bezienswaardigheid.

 

252

Journal

 

Boek

Zaterdag 14 mei, Groningen

 

Belangrijke reden om in april naar Frankrijk te gaan, was natuurlijk ons nieuwe huis. Een andere belangrijke reden was om met Ineke, mijn Franse Nicht (waarbij ik nicht altijd met een hoofdletter schrijf), het boek Les Rues de France af te maken. We hadden nog een dag nodig om er de laatste hand aan te leggen. Daarna konden we het naar de drukker opsturen.

Het boek is een groot project. Er staan 90 zwart-wit foto’s in en 127 kleurenfoto’s. Het boek heeft 222 pagina’s, dik papier. Dat zorgt ervoor dat het liefst 2,5 kilo weegt. Spannende vraag: hoe gaat de drukker er mee om?
Afgelopen maandag kreeg ik het antwoord daarop. De pakketdienst komt een drukproef brengen. En ik moet zeggen: het ziet er prima uit. Ik ben er erg blij mee. Ineke en ik gaan er nog een keer goed naar kijken en dan kan het boek in het najaar verschijnen.

Wie denkt, goh, wat mooi, dat is een leuk Sinterklaas cadeautje, die moet ik misschien toch teleurstellen. Het uitgeven van het boek kost een vermogen. Ik kan het uitgeven bij een uitgeverij gespecialiseerd in fotoboeken, maar het komt er op neer dat een fotograaf toch zijn eigen uitgave moet financieren. En dat ligt zeker tussen de tienduizend en vijftienduizend euro. Dat wilde ik als volgt doen: ik steek er zelf veel geld in en dan start ik een crowdfunding actie waarin ik nog zo’n drie- tot vierduizend euro uit de crowd probeer te krijgen.

Zoals het er nu voorstaat, ga ik dat niet doen. Ik voel me bij zo’n crowdfunding actie niet lekker. Als directeur van theaters en gezelschappen heb ik al zoveel om geld geschooid dat ik daar eigenlijk geen zin meer in heb. Bovendien vind ik het niet kloppen. We kopen een huis in Frankrijk en vervolgens ga ik om geld schooien voor een boek. En ook over dat eigen geld erin steken heb ik mijn twijfel. Ons huis in Frankrijk brengt nogal wat kosten met zich mee en ons beperkte spaargeld besteden we liever daaraan.

Dat neemt niet weg dat ik dit boek graag wil uitgeven. Daarom heb ik het volgende bedacht. Het is duidelijk dat het een liefhebbers boek is. Fotoboeken vormen sowieso een nichemarkt. Om de kosten in de hand te houden, laat ik er geen 400 of 500 drukken. Ik ga het boek exclusief maken. Het boek krijgt een gelimiteerde oplage van 25 exemplaren, de boeken worden genummerd en van een handtekening voorzien.
Wie een boek koopt, kan een foto uit het boek uitzoeken en krijgt bij het boek dan de originele foto daarbij op 30×40 formaat (kan zijn dat het formaat iets afwijkt door de vorm van de foto). De afdruk is van hoge kwaliteit op hoogwaardig fotopapier en heeft per foto een gelimiteerd oplage van 5 exemplaren, ook deze zijn genummerd.

De prijs van het boek zal dan rond tweehonderdvijftig euro gaan kosten, vermoedelijk iets minder. Ik had de stiekeme hoop dat er liefhebbers zijn die zo’n bedrag ook hadden betaald als ik een crowdfunding actie was begonnen. Ik begrijp dat zo’n bedrag geen kattenpis is, maar ja, dit soort hoogwaardige boeken kosten gewoon veel geld en om met Sywert van Lienden te spreken: ik doe dit zonder er zelf een rooie cent aan te verdienen. Het enige doel om het uit te geven is ervoor te zorgen dat de echte liefhebber, waaronder ikzelf, ook zo’n boek kan bezitten.

Bovendien, niet uit te sluiten, is dat zo’n zeldzaam boek een uitstekende investering blijkt te zijn. Goed mogelijk dat het boek over 15 jaar, als ik inmiddels al jaren ben overleden, op een veiling het honderdvoudige opbrengt. Je weet het nooit.

De zaak verandert natuurlijk als een mecenas zegt: ‘Goh, Gerard, die foto’s vind ik zo goed, die moeten voor een veel breder publiek beschikbaar komen. Hier heb je tienduizend euro, laat er alsjeblieft veel meer drukken tegen een veel lagere prijs. Ik zal deze mecenas met open armen ontvangen.

In ieder geval krijgt u over dit onderwerp de aankomende maanden nog veel meer te horen. De noties die ik er nu over heb zullen binnenkort omgezet worden in een concreet plan. Degene die echt interesse heeft in het boek, raad ik in ieder geval aan te gaan sparen. Wordt vervolgd.

Hele omslag, voor- en achterkant.

Journal

 

Helm

Donderdag 12 mei, Groningen

Er zijn eigenlijk drie onderwerpen waar ik over zou willen schrijven. Maar welke kies je dan? Vandaag lijd ik aan keuzestress.

Eerste onderwerp is het overlijden van Jeroen Brouwers. Ik beschouwde hem als een van de grootste Nederlandse schrijvers. Hij heeft zich zijn hele leven schatplichtig verklaard aan Harry Mulisch, maar ik vind dat hij het niveau Mulisch al lang was overstegen. Ik las zijn romans met enorm veel plezier, maar ik was vooral gek op zijn polemisch en essayistisch werk. Zo schreef hij prachtige necrologieën van schrijvers die zelfmoord pleegden. In zijn polemisch werk kon hij donderen en vilein formuleren als geen ander. Zijn schotschrift De Nieuwe Revisor, waarin hij tekeer ging tegen de jongetjesliteratuur van de jaren zeventig, heb ik diverse keren gelezen. Dat was nog eens tekeer gaan.

Onderwerp van geheel andere aard was een voorval gisteren. Ik zat boven te poepen. In de verte hoorde ik een politiesirene onze kant opkomen. Op een gegeven moment hoorde ik dat hij de straat indraaide. Het lukte me, gezien mijn bezigheid, niet om op tijd bij het raam te zijn. In onze straat is veel studentendrukte, maar in onze straat, met smalle rijweg, rijdt nooit met hoge snelheid een politieauto met sirene, dat is volstrekt onverantwoord. Eenmaal beneden wist Wyb mij te vertellen dat de politiewagen achter een scooter aanzat. Met topsnelheid reed de wagen achter de scooter aan op nog geen twee meter afstand.
Vandaag leest ze in de krant dat er een achtervolging tussen politie en een scooterrijder heeft plaatsvonden. Ja, dat kun je wel zeggen. Ze leest dat de achtervolging twintig minuten duurde en uiteindelijk eindigde met de val van de scooterrijder. De man werd achtervolgd omdat hij geen helm droeg. Rumoer in de straat en dat moet ik dan weer missen omdat ik mijn hoogstnoodzakelijke boodschap van die dag diende te doen. Jammer.
Vroeger zou ik voor de scooterrijder zijn geweest. Nu ben ik voor de politie. Ik zie zoveel van dat jonge tuig de stad verpesten met hun herriescooters en fout machogedrag: eindelijk wordt het tuig eens aangepakt. Ik zeg dit ook omdat een paar straten verder, tegen het centrum aan, de plek is waar de verloedering samenkomt, wat nachtwinkels en een MacDonalds zorgen voor permanente overlast.
Aan de andere kant, het is natuurlijk totaal onverantwoord dat een politieauto als een dolle stier door zo’n wijk rijdt om een jongen zonder helm te pakken. Als het nou om een oligarch ging of een frauderende notaris. Maar een jongen zonder helm, kom op nou.

Ten slotte zou ik willen schrijven over een nieuwsbericht vandaag. Het Ministerie van Volksgezondheid heeft ziekenhuizen tijdens de pandemie ontmoedigd hun intensive care uit te breiden met extra bedden. WTF! En natuurlijk, hoe kan het anders onder deze liberale regering, is geld de reden. Uitbreiding zou te duur worden.
Hè? De hele samenleving hebben we afgeknepen om er maar voor te zorgen dat de IC’s niet overbelast werden. Dat heeft de samenleving miljarden gekost. En dat ministerie zit te financieel te miezemuizen op het eigen beleidsterrein. En dat nog wel onder een minister die belast was met de aanpak van Corona. Ik kan niet wachten op de parlementaire enquête, want het afknijpen van de IC’s vind ik eigenlijk een misdaad. Alweer iets waarbij de onderste steen boven moet komen.

Nou ja, op deze manier heb ik mijn keuzestress toch aardig weten te reduceren. Ja, ja, ik weet het, het verdient niet de schoonheidsprijs. Ik beloof dat het een eenmalig gebeuren is, drie onderwerpen in één blogje. Dat moet ik voortaan echt voorkomen.

251

Journal

 

Paradijselijk

Woensdag 11 mei, Groningen

Ik moet bekennen dat er in mijn leven maanden voorbij gingen zonder dat ik aan mijn vader dacht. Sinds ik een map op mijn bureaublad aanmaakte met de titel Het geheim van mijn vader denk ik een paar keer per dag aan hem.
Gisteren maakte ik een kast open waarin ik, sinds we hier wonen, nog nooit in heb gekeken. Het is een blauwe kast die naast mijn bureau staat en waar al mijn herinneringen in rode dozen zijn opgestapeld. In die dozen honderden foto’s, misschien wel duizenden. Een leven in beeld.

De nacht daarvoor kon ik niet slapen. In mijn hoofd kwam namelijk de vraag op: sta ik eigenlijk wel eens met mijn vader op de foto? Andere vraag: als ik de foto’s bekijk waar mijn vader opstaat, kom ik dan meer over hem te weten? Ik kon niet wachten om op te staan. Er zijn twee van die rode dozen waar foto’s van mijn vader in kunnen zitten.

Een voor een gingen de foto’s door mijn handen. Van een paar foto’s was ik het bestaan vergeten. Een mens verzamelt wat beelden in zijn leven. Van de meeste foto’s weet ik nog precies waar ze zijn gemaakt. Veel foto’s zijn verankerd in mijn hoofd. Van mijn vader vind ik in totaal 73 foto’s. Dat wil zeggen, foto’s die ik los in de dozen vind. Ik heb ook nog het trouwalbum van mijn vader en moeder, die foto’s reken ik even niet mee.

Tot mijn teleurstelling vind ik slechts drie foto’s waar mijn vader en ik samen op staan. Het opmerkelijke is dat al de drie de foto’s voor mijn vierde jaar zijn gemaakt. Blijkbaar hebben we daarna nooit meer dichtbij elkaar gestaan als er een foto werd genomen.

De foto’s waar wij samen op staan, zijn gemaakt in de tijd dat wij op de Broerdijk woonden. Het was midden jaren vijftig in de twintigste eeuw en ook toen, net als nu, was er woningnood. Wij woonden boven een bejaard echtpaar, meneer en mevrouw van Bremen. Onze verdieping was een zolderverdieping. Er waren een woonkamer, een slaapkamer, een rommelhoek, een keuken en een wc. Vermoedelijk ben ik door die tijd van tiny houses gaan houden.

Met een van de foto’s ben ik erg blij. Het is een foto van een soort paradijselijk geluk. Ik zit als blakende baby, met een knuffelbeer voor me, tussen mijn vader en moeder in. Alle drie kijken we even gelukkig, we stralen zelfs, al kijk ik meer genoegzaam, innig blij. Alle drie schijnen we op dat moment te weten dat het leven zo hoort te zijn. De foto gaat niet meer terug in de doos. Ik wil hem voortaan altijd in mijn zicht hebben.

Het opmerkelijk van deze foto is dat hij eruit ziet als nieuw. De meeste foto’s in de dozen hebben een beschadiging, een ezelsoor, sporen van een plakbandje, een scheur, een vouw, een vlek. Deze foto is puntgaaf. Op de achterkant kan ik zien wanneer de foto is gemaakt, op 24 juli 1955. Ik ben op die foto zes maanden en 27 dagen. Mijn vader is 28 jaar, 1 maand en 24 dagen. Mijn moeder is 26 jaar, 8 maanden en 1 dag.

Mijn vader houdt zijn rechterhand zo dat het lijkt alsof hij mij presenteert, dat hij wil zeggen: kijk, dit is hij nou. Er is verder geen foto waarop hij zo gelukkig kijkt.

Journal

 

Verstrooid

Dinsdag 10 mei, Groningen

Ik kijk naar een van die zeldzame programma’s over literatuur. Een schrijfster vertelt dat ze haar vader haatte, maar dat ze over die haat heen stapte omdat ze hem toch beter wilde begrijpen. En die stap opende voor haar een nieuwe wereld. Niet alleen ten opzichten van haar vader, maar ook in het algemeen. Ze ontdekte hoe belangrijk empathie is en het niet blijven hangen in ingesleten beelden.

Het gesprek inspireerde me. Niet omdat ik mijn vader haatte, helemaal niet. Ik had gewoon geen band met mijn vader. Onze relatie was neutraal terrein, kleurloos. Ik besloot een boek te schrijven over mijn vader, die volgens mij een groot geheim met zich meedroeg. Een geheim waarvan ik de kern nooit heb kunnen ontdekken.

Ik ging meteen achter mijn laptop zitten en schreef onderstaande tekst als eerst pagina. Ik heb geen idee waar het heengaat. Ik laat me meevoeren. Ik weet eigenlijk niet of het überhaupt wat wordt. We zullen zien.

De volgende disclaimer is wel van belang: Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen of plaatsen berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen en plaatsen zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen en plaatsen

‘We blijven hier voor altijd wonen,’ zegt Wyb.
‘Dat wil dus zeggen tot mijn dood,’ zeg ik, die veertien jaar ouder is dan mijn vrouw.
‘Ja, dat betekent dan tot je dood.’
‘Dan word ik daar aan de overkant begraven.’ Ik wijs naar de begraafplaats die aan de overkant van het dal ligt. ‘Gerard Tonen, geboren in 1954 in Nijmegen, gestorven in 2000 zoveel in Cadouin Frankrijk. Wie had dat ooit kunnen denken. Mijn moeder uitgestrooid in Moddergat op de rand van Nederland, mijn vader is ergens verstrooid bij crematorium Moskovitz in Arnhem, ik begraven in Cadouin’ Ik geef meteen maar een snelle inventarisatie van wat vermoedelijk de stand van zaken wordt.

Ik zeg over mijn vader ‘is ergens uitgestrooid’. Mijn moeder en ik kregen een brief dat mijn vader zou worden verstrooid en of we daarbij wilden zijn.
‘Wil jij daar bij zijn, Gerard?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik. ‘Maakt het verschil als we erbij zijn?
Laat ik duidelijk zijn: ik kan me niet voorstellen dat ik zoiets heb gezegd. Ik heb er nu spijt van. Maar ik vrees wel dat ik het heb gezegd.

Ik kan me sowieso weinig herinneren van de crematie van mijn vader. Ik weet nog dat we er vanuit Nijmegen heenreden, een lange tocht. Crematoria waren toen nog zeldzaam. Mijn vader is gestorven in 1982.
Het belangrijkste waar ik me bezighield waren de mensen die dadelijk in het crematorium zouden zitten. Als ik maar niet zou gaan huilen, huilen leek me zo gênant. Ik weet nog dat Jan een toespraak hield. Ik heb niet gesproken. Met terugwerkende kracht onbegrijpelijk omdat ik daarna op diverse begrafenissen heb mogen en willen spreken. Op mijn vaders begrafenis wilde ik niet spreken omdat ik dan zeker zou gaan huilen en ik wilde niet huilen.

Mijn moeder is uiteindelijk wel naar de verstrooiing van mijn vader geweest. Mijn moeder was in alle opzichten voor haar dierbaren een uiterst goed en trouw mens. Voor anderen dan haar dierbaren durf ik dat niet te beweren. Uiteindelijk was mijn moeder een leeuwin die het belang van haar naasten scherp in de gaten hield. Terug van de verstrooiing vertelde ze me dat hij was uitgestrooid op een grasveldje. Het was een korte exercitie geweest. Iemand had de urn opengemaakt en zijn as al schuddend verspreid over het gras.

Ter excuus van mijn afwezigheid kan ik aanvoeren dat ik nauwelijks een band met mijn vader had. Ik kan me niet herinneren dat wij ooit een goed gesprek hebben gehad. Wij hadden geen verschrikkelijk slechte band of zo. Wij hadden geen band, dacht ik. Wij hebben samen geleefd. Het enige gemeenschappelijke was dat wij beiden verzorgd werden door mijn moeder, die dat met overtuiging en plezier deed.

250

Lost and found.

Journal

 

Pizzaresten

Zondag 8 mei, Groningen

Andere mensen corrigeren is een hachelijke bezigheid, weet ik uit ervaring. Ooit stonden Lies en ik op een camping. Een paar tenten verder stond een Nederlander die constant dronken was. Op zich niet erg. Wat veel erger was dat zijn transistorradio de hele dag over de camping schalde. Waardoor iedereen naar die shit muziek van hem moest luisteren.

Op een gegeven moment kon ik er niet meer tegen. Ik ging naar hem toe en vroeg vriendelijk of hij de radio wat zachter wilde zetten omdat iedereen er last van had en iedereen hier toch voor zijn rust kwam. Waar ik mij godverdomme mee bemoeide. ‘Heb ik eindelijk eens vakantie en dan kom jij aan mijn kop zeiken.’ En hij zette de radio nog een paar standjes harder.

Even later kwam zijn vrouw langs onze tent om te zeggen dat ik dat echt niet meer moest zeggen omdat haar man best boos kon worden. Een paar uur later en nog een paar flesjes Heineken meer op merkten we dat. Vloekend en tierend stond hij bij onze tent. Waar ik het gore lef vandaan haalde om me met hem te bemoeien. Of ik wist dat ik een enorme lul was. ‘En waarom heb je bruine kinderen? Kon je zelf geen kinderen maken?’ Daarna volgde nog wat onvervalst racistische opmerkingen. Eenmaal weg pakten Lies en ik meteen de tent in. Hier wilden we niets mee te maken hebben.

Ik moest gisteren aan het voorval denken toen Wyb en ik Dies uitlieten. Wyb en ik gooien de frisbee over en Dies rent als een gek op en neer om de frisbee te pakken te krijgen. Als een van ons de frisbee mist, springt Dies hem uit de lucht. Als hij uitgeput is, wandelen we verder door het Noorderplantsoen.

‘Hé, die hond eet onze pizza op,’ zegt een van de zes jongetjes die op het punt staan om weg te fietsen.
‘Hij eet geen pizza’s van de grond,’ zeg ik.
Dan realiseer ik me dat die jongetjes hun pizzaresten (doos, plastic zak, halve pizza’s) gewoon laten liggen. ‘Hé,’ zeg ik, ‘moeten jullie die troep niet opruimen?’
‘Doe het zelf,’ zegt de brutaalste.
‘Dat laat je zo toch niet liggen, dat is toch hartstikke smerig.’
‘Jij laat je hond hier toch ook los lopen,’ zegt een ander jongetje.
‘Maar onze hond is opgevoed,’ zegt Wyb. ‘Daar heeft niemand last van.’
‘Maar je laat hem hier wel schijten.’
‘Dat ruimen we allemaal op,’ zeg ik en ik haal een poepzakje uit mijn zak om het te bewijzen. ‘Ruim nou even die boel op, joh.’

Ondertussen moet ik aan mijn oom Ton denken. Die was ook altijd bezig met andere mensen op te voeden. Als hij iemand zag roken kon hij niet nalaten om er heen te lopen om te zeggen dat roken toch wel erg ongezond was. Iemand die een drankblikje op de grond gooide, mijn oom ging er onmiddellijk op af. Ik heb het niet van een vreemde.

‘Man, waar bemoei je je mee. Ruim het zelf op.’ De discussie herhaalt zich. Een jongetje steekt zijn middelvinger naar me op.
Ze rijden tergend langzaam weg.
‘Doe de groeten aan je moeder,’ zeg ik tegen de brutaalste, ‘en laat haar alsjeblieft weten dat ze je beter moet opvoeden.’

Stom van me. Van moeders moet je afblijven bij dit soort jongetjes.
Wyb en ik lopen quasi rustig door. Dies zwemt ontspannen een rondje door de vijver van het plantsoen.
Achter mij hoor ik de haat van de jongetjes.
Wyb en ik lopen om de vijver heen. Als ik even hun kant opkijk, zie ik ze opgewonden naar me wijzen en roepen aan de andere kant van de vijver. De vraag is nu of ze achter ons aankomen. Van dit soort ventjes kun je best veel last hebben. Je zult ze maar in de klas hebben.

 

249

Journal

 

Homo Credentis

Zaterdag 7 mei, Groningen

Ik denk dat wij een verkeerde naam hebben. Met wij bedoel ik: wij mensen. We hebben onszelf de naam homo sapiens gegeven, de verstandige mens, de denkende mens. Blijkbaar gingen onze voorouders er vanuit dat de mens zich vooral kenmerkte door denken, door rationele en verstandige overwegingen. We mogen, vind ik, constateren dat dit een vergissing was.

Homo credentis zou een veel betere naam voor ons soort zijn geweest, de gelovige mens. Het overgrote deel van onze soort is helemaal niet denkend of verstandig. Het overgrote deel is gelovig. En geloof bedoel ik niet alleen in religieuze zin.
Kijk wat er gebeurt in de Oekraïne. Blijkbaar is Rusland ervan overtuigd, blind door het geloof in hun nationalisme, dat Rusland superieur is en het recht heeft op een groot Russisch Rijk. Hier ligt geen enkele rationele overweging aan ten grondslag. Het hele ‘denken’ is gevoed door dat nationalistisch geloof.

Mijn advies is dan ook: zwaai nooit met een vlag. Een vlag is niet alleen maar een stuk doek. Als je met een vlag zwaait, zwaai je in feite met het geloof in een nationaliteit, in afbakening, en daardoor, de tegenpool, uitsluiting. Neem Baudet, die raaskalt over verdunning van het witte ras en de Europese identiteit. Hij is een gelovige in de superioriteit van de christelijk cultuur.

Het geloof in religieuze zin is natuurlijk het duidelijkste bewijs dat je de mens alles kunt wijsmaken. Verzin een god en je krijgt volgers. De mens is een kwetsbaar en eenzaam wezen, is mijn overtuiging. Hij kan niet leven met de gedachte dat hij nietig is, dat zijn leven op aarde kort is en dat hij dan weer opgaat in het Grote Geheel en van hemzelf niets overblijft. En wat ga je dan, gedreven door angst, doen: geloven. De dorst naar troost is onlesbaar. Arme homo credentis.

Ook interessant is de nieuwe golf geloof die de mens overspoelt: het complotdenken. Verzin een complot en wedden dat je medestanders krijgt. Je kunt het zo gek niet bedenken of je vindt mensen die er zelfs voor willen vechten. Neem een pizzarestaurant, zeg dat er een kelder is waarin de elite van deze wereld bijeenkomt voor pedofiele activiteiten en er is altijd wel een gek die met een machinegeweer het restaurant binnenvalt om de kinderen te bevrijden. Zelfs als er geen kelder is.

Het laatste voorbeeld is een uitwas. Weet ik ook. Maar er zijn hele volksstammen die geloven dat je vrouwen geen onderwijs moet geven, dat dit tegen de wil van god is, die de man nou eenmaal superieur heeft gemaakt. Zelfs in een van de meest ontwikkelde landen van de wereld, de VS, vindt de helft dat abortus ingaat tegen de wil van god. En dat die wil belangrijker is dan het recht van de vrouw op zelfbeschikking.

Op zich is het natuurlijk niet erg dat de mens troost zoekt. Maar de ellende van geloven is, dat het tot strijd leidt. De gelovige mens is altijd overtuigd van zijn gelijk en wil dat gelijk opleggen aan de ongelovige. Wie gelooft zet het denken aan de kant.

 

P.S. Ik weet niet of credentis de precieze vervoeging is voor de nieuwe soortnaam die ik voorstel. Daar moeten latinisten en biologen zich maar over buigen. Maar van het woord sapiens moeten we af. Het is te veel eer voor onze diersoort.

 

248

Journal

 

Kapper

Donderdag 5 mei, Groningen

Als ik ergens mee heb geboft in Groningen, dan is het wel mijn kapper. Kapper? Hoe kun je daar nou mee boffen? Ik altijd een ietwat haat-liefde verhouding met kappers. Ik ben altijd benieuwd wat ze er nu weer van gaan maken.

Tot mijn zesenveertigste heb ik mij daar nooit druk over hoeven te maken. Lies knipte mijn haar als het nodig was, altijd dezelfde coupe, geen verrassingen. Als ik het nu terugzie op foto’s denk ik wel: was het nou verstandig om het thuis te laten doen. Het kan ook zijn dat de tijd die toenmalige coupe passé heeft gemaakt. Ik heb ooit een historicus horen zeggen dat je aan de haarmode kunt zien uit welke tijd een foto stamt.

Na mijn zesenveertigste raakte ik op drift, qua kappers. Na diverse bezoeken vond ik op de Geitenkamp in Arnhem een prima kapper. Maar natuurlijk verhuisden we weer en kwam ik in Den Bosch terecht. Omdat ik in Eindhoven werkte, liet ik me meestal daar, tussen de bedrijven door, knippen. Gelukkig barstte ik van de krullen, daar was gewoon niet zoveel aan te verprutsen. En als het een keer werd verprutst groeide het snel weer in mijn krullenmodel.

Omdat ik kaler en kaler word, bereik mijn haar een kritische grens. Een beetje goed knippen is nu essentieel, anders ziet het er niet uit. Vooral omdat mijn krullen vrijwel zijn verdwenen. Soms voel ik mij een Samson. Met die krullen voelde ik mij toch verrekte sterk.

Mijn Groninger kapper heeft knip kwaliteiten, maar voegt daar nog zijn persoonlijkheid aan toe. Een bezoek aan hem is alsof je naar de kroeg gaat. Hij oogt als een jonge bokser in het vedergewicht. Maar als je zijn werkelijke leeftijd weet, dan is die, zoals dat dan heet, respectabel. Dat neemt niet weg dat zijn clientèle vooral bestaat uit studenten, van wie hij vervolgens elke naam kent. Het is een soort zoete inval. Al mijn bezoeken tot nu toe ontaarden in uitgebreide gesprekken over het leven.

Mijn kapper staat alleen in zijn zaak. Van personeel moet hij niets hebben, wat ik goed begrijp. Hoe meer personeel, hoe minder vrijheid. Zeker in zijn geval. Mijn kapper is eigenlijk een soort amuseur, een woord dat volgens mij eigenlijk niet bestaat. Met elke klant weet hij uitgebreide bespiegelingen op te zetten en betrekt daar ook de wachtende klanten bij zodat het vaak verrassende groepsgesprekken worden. Daar kan hij geen personeel bij gebruiken.

Zo raakte ik gisteren betrokken bij een gesprek met Simon. Hij is tien jaar ouder dan zijn vriendin, die nu 26 jaar is en graag kinderen wil. Simon wil daar niets van weten, voor hem is niets belangrijker dan zijn vrijheid. Door een socratische aanpak wist ik hem naar de volgende conclusie te leiden. Het komt erop neer dat, als hij tussen zijn vriendin en de vrijheid moest kiezen, hij voor de vrijheid kiest.

Mocht zijn vriendin per ongeluk toch zwanger worden, dan zou hij zeker bij zijn vriendin en hun kind blijven, al zou hij ontzettend balen. Ik vertelde hem mijn wijsheid dat ik de overgang van geen kinderen naar één kind veel minder groter vond dan de overgang van een kind naar twee kinderen. Met twee kinderen heb je een klein bedrijf.

Dus ik raadde hem af twee kinderen te nemen, ook al zou zijn vrouw daar vermoedelijk op aandringen. Zogenaamd omdat ze dan ‘wat aan elkaar hebben’. Twee kinderen zou pas echt een aanslag op zijn vrijheid zijn. Hij bedankte me voor deze wijze raad. Die ik gepaard liet gaan met de geruststelling dat enig kinderen vaak juist heel sociale kinderen zijn en in overgrote meerderheid juist heel gelukkig. Hij verliet opgelucht de kappersstoel. Ik ben benieuwd hoe lang de relatie met zijn vriendin nog duurt. De kapper heeft er een zwaar hoofd in.

247

Journal

 

Iets

Dinsdag 3 mei, Groningen

 

 

Dichten is stamelen
iets zeggen over iets
een mesje pakken
woorden snijden
zinnen blootleggen

in de hoop dat iets iets beter
helder wordt, zeggenschap
krijgt in de tienduizend
dingen van alledag en meer
wikken, wegen, of anderszins.

246

Journal

 

Condamine

Maandag 2 mei, Groningen

Ik moet even wat rechtzetten. Ik heb de lezer namelijk volledig op het verkeerde been gezet. Het gaat over ons Franse adres dat Chemin de Condamine luidt, een nummer hebben we niet. Er staan vier huizen aan deze weg, niemand heeft een nummer. Wat voor de postbode geen probleem schijnt te zijn.

Ik heb tot nu toe de naam van de weg aan de lezer uitgelegd als het Pad van de Veroordeelden. Op zich niet zo gek want als je condamine met google opzoekt, staat daarachter: veroordeelt. Zo zie je maar weer dat google een oppervlakkig medium is. Afgelopen vrijdag dronken wij op een terras in het dorp een glas wijn met onze buurvrouw en de man die bij haar op bezoek was. Het bleek de vorige eigenaar van haar huis te zijn. Hij is bijna tachtig en geboren in Cadouin. Momenteel woont hij zuidelijker, bij zijn dochter in de buurt.

Hij gaf een heel nieuwe betekenis aan het woord condamine. Hij wist te vertellen dat een condamine gemeenschappelijke grond van de gemeenschap was. De gemeenschap kon daar, zonder verdere belastingplicht, naar eigen goeddunken gebruik van maken. Het is een oud feodaal recht dat de feodale Heer aan een gemeenschap kon toekennen. Op die manier konden ze wat beter voorzien in het levensonderhoud.

Ik wist niet dat dit recht ook in Frankrijk heeft bestaan. Ik ken het als een Engels verschijnsel, de zogenaamde common grounds. Daar waren op grote schaal gronden die in bezit waren van de gemeenschap en geen eigenaar kenden. De plek waar wij wonen, het grote weiland voor ons huis, blijkt common ground te zijn geweest. De man waarmee we wijn dronken heeft voor zijn huis, dat oorspronkelijk van zijn ouders was, dan ook nooit belasting hoeven te betalen

Na enig praten blijken zijn ouder ook een voormalig eigenaar te zijn geweest van ons huis. Maar zij deden er niets mee, ze kochten het om geen buren te hebben. Voor ons heeft een Engels echtpaar het als vakantiehuis gehad. Er heeft een dame alleen gewoond en het is geweest van een hoogleraar Franse taal uit Parijs, ook een dame, die het als tweede huis gebruikte.

Ik vind het nogal teleurstellend dat de naam van onze straat niet de door mij gedachte betekenis heeft. Gezien mijn misantropische inborst is zo’n naam natuurlijk perfect en ik kon er zo fijn mee koketteren. Het Pad van de Veroordeelden. Ten slotte zijn wij toch allemaal veroordeeld.

Begraafplaats van Cadouin.

245

Journal

 

Beeldhouwen

Zaterdag 30 april, Cadouin

In NRC lees ik een interview met Jonathan Holslag, hij is docent politicologie aan de Vrije Universiteit in Brussel. Ik ken hem niet, maar het interview is verrekte interessant. Maar het gaat me eigenlijk niet om het interview, het gaat me om een uitspraak die hij doet: ‘De mens is zijn eigen beeldhouwer.’ Dat vond ik mooie beeldspraak. Het heeft iets esthetisch. Ik zie meteen een marmeren Griekse god voor me. De mens die hakt en beitelt om zichzelf vorm te geven. Ik bleef bij zijn uitspraak hangen. De mens zijn eigen beeldhouwer, ik had haar nooit eerder gehoord. Ik nam mij voor haar zelf ook te gaan gebruiken.

Bij enige nadenken bedacht ik dat het woord ‘eigen’ in die uitspraak wel een grote rol speelt. Is dat wel terecht dat ‘eigen’? Niemand kan zomaar even beeldhouwen en een Griekse god uit marmer scheppen. Dat vereist nogal wat opleiding en oefening. En die uitspraak impliceert dat iemand dat zomaar kan. Volgens mij maakt het nogal uit of je de zoon of dochter van een beeldhouwer bent, in een atelier van een beeldhouwer bent opgegroeid of niet. Als je vader bijvoorbeeld pakketbezorger bij DHL is, wordt het toch een stuk moeilijker om eens te gaan beeldhouwen.

Er zijn natuurlijk tal van andere punten. Bijvoorbeeld: kun je je een stuk marmer veroorloven, heb je een goede werkruimte ter beschikking, heb je materiaalkennis en hoeveel tijd krijg je om te oefenen? Bij nader inzien vind ik de uitspraak discutabel. Want als je al die bedenkingen in ogenschouw neemt, is het niet gek dat de meeste mensen een soort plumpudding van zichzelf beeldhouwen. De enige modellen die ze voor zich zien zijn plumpuddingen, vind je het gek dat ze een soort plumpudding van zichzelf maken.

De uitspraak van Jonathan Holsslag is net even wat te artistiek ingestoken, vind ik. Mooi dat beeld van beeldhouwen. Maar hij klopt eigenlijk alleen voor mensen die talent hebben en de middelen krijgen om aan zichzelf te beeldhouwen. De meeste mensen hebben nog nooit een mooi beeld gezien, laat staan dat ze dat uit zichzelf kunnen houwen. Misschien daarom dat het maar niet wil vlotten met die mensheid. Ze moeten beeldhouwen. Maar hoe? En waar? En wat? De overgrote meerderheid van de mensen zijn, denk ik, beeldhouwers in de nacht. Het blijft bij wat tasten, eens met een hamer op iets slaan, een beitel die uitschiet en je een vinger kost, het marmer wegflikkeren omdat het zo onhandelbaar is, het lichtknopje niet kunnen vinden.

244

Journal

 

Verdwaald

Vrijdag 29 april, Cardouin

De aftakeling is begonnen, dacht ik vannacht.
Eerst wat voorinformatie. Elke nacht ligt op mijn nachtkastje mijn horloge, mijn bril en mijn mobiel. Het horloge het verst weg, mijn mobiel het dichtstbij. Die volgorde heeft een praktische reden. Sinds ik niet meer werk word ik vrijwel elke nacht een paar uur wakker. Na een uur draaien pak ik mijn mobiel en mijn bril en lees ik, als ze al zijn verschenen, de kranten. Of een deel daarvan. Want na twee, tweeënhalf uur wakker zijn, val ik weer in slaap.

Nachtkastje is trouwens een groot woord. In Groningen is dat een vierkanten Ikea mand met deksel. Daarin bewaren we wat beddengoed. Op die rieten mand staat een lamp en liggen de spullen die ik noemde. Niets aan de hand. Ik word wakker, maar vermaak mij dus. Wyb slaapt lekker door. En uiteindelijk val ik ook weer in slaap

Hier in Frankrijk is de situatie anders. Er is wel een raar nachtkastje, een modern tafeltje. Eigenlijk alles wat hier is, hebben we van de vorige eigenaren overgekocht. Geen slechte deal vind ik nog steeds, er zijn een paar prachtige oude kasten bij en een mooie ronde tafel met stoelen met rieten zitting. Maar dit terzijde. Het punt is: in Groningen heb ik vlakbij die mand een stekkerdoos zodat ik mijn mobiel kan opladen. Hier is dat niet het geval. Het stopcontact zit, twee, drie meter van mijn bed verwijderd. Als ik een verlengsnoer zou gebruiken, die we hier nog niet eens hebben, zouden we over de snoer struikelen als we naar de badkamer of de logeerkamer gaan.

Vandaar dat ik mijn mobiel nu oplaad aan het stopcontact in de muur tegenover ons bed. Vervelend gevolg: ik kan ’s nachts niet meer opzij reiken en mijn mobiel pakken. Daar komt bij dat onze slaapkamer in Frankrijk absoluut donker is. In Groningen is er altijd licht van de straatlantaarns, hier zijn geen straatlantarens. Komt bij dat de traditionele ijzeren luiken, die hier als gordijn en als isolatie dienen, geen enkel licht doorlaten.

Dit neemt allemaal niet weg dat ik nog steeds ’s nachts wakker word en behoefte heb aan mijn mobiel. Ik sta dan zo stil mogelijk op. Met mijn been voelend volg ik het verlengde van mijn bed. Als het goed is kan ik dan mijn mobiel pakken, die dan is opgeladen en mij licht bezorgt.

Alleen. Dit is al twee nachten mislukt. Ik sta slaapdronken op en verdwaal vervolgens in het donker. Vannacht ging ik uiteindelijk op handen en voeten zitten, tastend naar mijn mobiel. Geen mobiel. Ik wist toch zeker dat ik de lengte van het bed had gevolgd. Ik kruip al tastend verder. Voel een prullenbak, een kast en ik weet dat ik volledig uit de richting ben. Gelukkig is het donker, niemand mij ziet, het moet een ontluisterend gezicht zijn. Naakte man die over de vloer kruipt, op zoek naar zijn mobiel. Ik tast verder. Niks. Geen idee waar ik nu ben.

Dan stoot ik tegen een ijzeren tafeltje. Wyb wordt door het lawaai wakker.
‘Wat is er aan de hand? Wat doe je?’
‘Ik ben verdomme verdwaald in mijn eigen slaapkamer. Ik weet niet meer waar ik ben. Ik zoek mijn mobiel.’
‘Wacht ik doe het licht wel aan.’
Ik hoor Wyb opstaan. Bedlampjes hebben we nog niet.
‘Pas op dat je niet over mij heen valt. Ik zit hier ergens op handen en voeten.’
Ik hoor Wyb manoeuvreren. Waarom kan zij wel de weg in het donker vinden en ik niet?
Ze knipt het licht aan. Het is inderdaad een ontluisterend gezicht. Ik ben zo’n twee meter van mijn mobiel verwijderd. Het is de tweede nacht dat me dit overkomt.

Journal

 

Motorcross

Woensdag 27 april, Cadouin

De reden waarom ik bij de eerste bezichtiging al wist dat ik onze Franse huis wilde kopen, heeft te maken met de rust die je binnen en buiten het huis ervaart. Het voelt heel beschut en warm. Het heeft een sfeer die ik in nog geen ander huis heb gevonden. Wyb noemde het al ‘onze bunker’, maar dat woord ruikt me toch te veel naar oorlog. Ik snap wat ze er mee bedoelt, maar ik denk dat we het in een andere richting moeten zoeken.

Het huis ligt namelijk dichtbij de abdij van Cadouin die in 1150 is gebouwd. Het zou me niet verbazen als ons huis onderdeel van de abdij is geweest. De vier terrassen die bij ons huis horen waren dat vroeger zeker. De monniken verbouwden op deze terrassen hun wijn. Het zijn geen makkelijke terrassen om te verbouwen. Ze liggen op een steile helling en je moet heel wat klauteren om er te komen. Ik kan me voorstellen dat ons huis, of een voorganger van ons huis, ooit diende als personeelswoning voor ondersteunend personeel. Misschien was het een woning waar de abt zich even kon terugtrekken. Zo fantaseert een mens wat af.

Feit is dat het huis een voelbare geborgenheid biedt. Ik verbeeld me dat het bijna spiritueel is, terwijl ik als atheïst volstrekt niet spiritueel ben aangelegd. Misschien komt het door de helling waar het tegenaan ligt. Die helling beschermt het huis voor het noorden. Harde en venijnige noordenwind heeft op ons huis nauwelijks vat. Onze berg beschut ons.

Voor ons huis is ruim uitzicht. Het is een dal, volstrekt niet diep, hoor, waar een beek doorheen loopt. Langs de beek staan hoge bomen. We hebben eigenlijk maar één buur, Jennie, een Franse documentaire maakster, Fins van geboorte, die een vervallen huis met eigen handen tot nieuw maakt. Eergisteren hebben we met haar een wijnfles leeggemaakt.

Ik denk dat haar huis zo’n 75 meter van ons vandaan staat. Tussen de buren aan de andere kant en ons ligt een dicht bos. Het huis kunnen we niet zien. Ook aan de overkant van het dal, dat in feite een wei is waar paarden grazen, zien we geen huizen staan. Helemaal rechts in de hoek zien we een stukje begraafplaats, rustiger kun je het niet krijgen.

Tot zover de idylle. Maar echte idylles zijn zeldzaam. Zo viel ons vorige week op dat de paarden uit de wei werden gehaald en dat daarvoor in de plaats mannen een woud aan paaltjes in de grond sloegen. Wat blijkt, aanstaande weekend is ons pittoreske uitzicht het toneel voor een van de grootste evenement in de Dordogne. Wat de Vierdaagse voor Nijmegen is, zo is dit evenement voor de Dordogne.

Zo’n zeshonderd crossmotoren gaan na een soort rally door de Dordogne met elkaar strijden wie uiteindelijk de snelste en behendigste is. De mannen die paaltjes in de grond sloegen, zetten namelijk een circuit uit, waarvan een deel pal voor ons huis loopt. Hebben wij weer. Hebben we rust gevonden, scheuren die krengen voor onze deur. Gelukkig werd daarbij aangetekend dat het evenement slechts één keer in de twee jaar plaatsvindt. Nou ja, daar moeten we ons dan maar bij neerleggen. Mogelijk kunnen we onze tuin als tribune verhuren, want het uitzicht op het circuit is perfect.

Voor wie wel eens in Frankrijk is geweest zal vast opgevallen zijn dat Franse jongetjes gek zijn op crossmotoren. In Hippolyte hadden we die ellende ook. Met knetterende motoren reden ze door de smalle straatjes. Zo’n jongetjes-liefde nemen mannen natuurlijk hun hele leven mee. En wij zijn daar aankomend weekend de dupe van.

Het circuit voor onze deur.

Verkenning Dordogne

De Dordogne wordt doorkruist door wandelpaden. Vele daarvan zijn oude pelgrimsroutes. Veel van die routes liepen naar Cadouin omdat in de kerk bij de abdij een stuk laken lag waar de beeltenis van Jezus op stond. Als ik het goed heb, gaf iemand tijdens de kruistocht een stuk doek aan Jezus waarmee hij het bloed en zweet van zijn gezicht kon wissen. Vervolgens, een wonder!, stond een afdruk van zijn gezicht op het doek en door allerlei omzwervingen belandde het in Cadouin. Eeuwenlang was Cadouin daardoor een belangrijk pelgrimsoord. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd door onderzoek duidelijk dat het niet authentiek was en daarmee stortte de hele pelgrimsindustrie in Cadouin in. Wat bleef waren de pelgrimspaden.
Frankrijk was/is een in en in katholiek land. Praat nooit met een Fransman over euthanasie, want dan wordt hij ongemeen fel. Ze verachten wat er in Nederland op dit gebied gebeurt. In het landschap van de Dordogne staan tal van katholieke symbolen, zoals kapelletjes en kruizen. Soms is zelfs één kruis niet voldoende en zetten ze er twee neer.

243

Jij daar! Ik hou van je!

Journal

 

Gered

Maandag 25 april, Cadouin

Het had niet veel gescheeld of wij waren aankomende zondag een ander Frankrijk uitgereden dan wij een week geleden waren ingereden. Gisteren was voor Frankrijk, maar ook voor Europa, en dus ook voor ons, een belangrijke dag. De vraag was of Macron werd herkozen of dat Le Pen hem zou verslaan. Ik moet bekennen dat ik mijn adem inhield. Er waren zo weinig mensen die echt enthousiast waren over Macron, zou links Frankrijk nog op hem willen stemmen om Le Pen van het presidentschap af te houden, of zouden ze uit recalcitrantie gewoon niet gaan stemmen? Gelukkig leek het in de loop van zondag al duidelijk dat hij met een riante 58% zou winnen. Gered door de bel.

Je had er niet aan moeten denken dat Le Pen had gewonnen. Zij wilde de Franse rechtspraak weer boven het Europese recht stellen, wat de facto de definitieve aantasting van Europa betekende. Om over de situatie voor de vele multiculturele groepen in Frankrijk maar niet te spreken. Degenen die Frans van geboorte zijn zouden meer rechten krijgen dan zij die hier later kwamen wonen. Hoofddoekjes in het straatbeeld afschaffen, was een van haar programmapunten. Ik zag de gevechten in Parijs en de banlieues al voor me.

Nou zijn Wyb en ik hier maar snelle passanten, dus goede waarnemers zijn we niet, maar ik merkte niets van enige verkiezingskoorts. Er hingen op de verkiezingsborden keurig twee affiches, Macron met nummer 1, Le Pen met nummer 2, waarmee, onbedoeld, de uitslag al werd voorspeld.

Onze nichten, die hier al twintig jaar wonen en diep in het Franse leven zijn geïntegreerd, wisten ons te vertellen dat Fransen nooit over politiek praten. Wat mij verbaasde, zeker gezien hetgeen op het spel het stond. Het verbaast me ook weer niet. Ik ervaar de Fransen als vriendelijke mensen, iedereen zegt ons hier bonjour, maar er is ook altijd een afstandelijke keurigheid. Het lijkt me geen land waar men massaal als krankzinnigen op twitter tekeer gaat, zoals in Nederland, en waar families verscheurd worden door politieke discussie.

Ik was dus zeker niet gerust op de uitslag. Ik vreesde voor een Trumpiaanse verrassing. Je weet nooit wat die gekke kiezers wel of niet doen. Ik ben ongelooflijk voor ons democratisch systeem, maar erg veel vertrouwen heb ik er niet in. Anders gezegd: wel in het systeem, maar niet in de kiezers, die toch voornamelijk uit een te makkelijk te manipuleren kudde bestaat en soms zichzelf als lemmingen in de afgrond stemmen.

Daarom maakte ik alvast een trieste foto van het affiche van Macron dat je kunt zien als Oogpunt 243. Gelukkig staat het niet voor het resultaat waarvoor ik het bedoelde, het verlies van Macron. Neemt niet weg dat ik het nog steeds een symbolische foto vind. Macron heeft in zijn eerste presidentsperiode liefst 41% van de Fransen niet kunnen overtuigen, sterker: ze stemden op een extreem-rechtse kandidaat, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld zou zijn.

242

Journal

 

Vlees

Zondag 24 april, Cadouin

Ik woon in een stad met vele gezondheidsfreaks. Je ziet het in het Noorderplantsoen, het lijkt wel een atletiekbaan. Als ik met de hond wandel, word ik links en rechts ingehaald door rennende studenten, waarvan het vrouwelijk deel verreweg in de meerderheid is. Het lijf, de lijn, met je correctietools op Instagram red je het op een gegeven moment niet meer, dan moet je fysiek aan de bak.

Een ander gevolg is dat ik in een vegan stad woon. Geen restaurant meer waar je het woord vegan niet vindt. Vegetarisch oké, vegan is beter. Bij gezond bewegen hoort gezond eten. Men stort zich er massaal op. De supermarkten bij mij in de buurt, en dat zijn er vijf op loopafstand, staan barstensvol vleesvervangers, groenten en sojamelk.

Opmerkelijk vind ik dan weer dat zoveel studenten roken en zich ’s nachts helemaal te pletter feesten, wat te horen is aan hun schorre stemmen. Maar ik mag niet te cynisch zijn, ook een veganist wil wel eens uit de ban springen. En laat ik eerlijk zijn, die gezondheidshoos laat Wyb en mij ook niet onberoerd. Zo zijn we beiden al bijna totaal vegetarisch. Klinkt wat raar ‘bijna totaal’, maar ik denk dat we nog maar één keer per week echt vlees eten. Misschien zelfs een keer in de twee weken. Wat ik toch echt bijna totaal vind. Er zijn tegenwoordig zoveel smakelijke vleesvervangers en wij weten wat vlees betekent voor ons milieu.

Er speelt bij mij nog een ander argument mee om zoveel mogelijk vegetarisch te eten. Dat gedoe van die boeren, steeds grotere mega-stallen, steeds meer industrietje spelen, raaigras zaaien, vogels hun habitat ontnemen, we moeten ze maar eens een lesje leren. En dat vlees, weet ik nu, hebben we helemaal niet nodig. De schappen in Groningen liggen vol met prima vegetarische alternatieven.

Dat het een luxe is, beseffen we nu we in Frankrijk zijn. Wij doen onze boodschappen bij de Intermarché in Le Bugue, een joekel van een winkel. Al enigszins sceptisch gingen wij opzoek naar vegetarische alternatieven voor vlees. Wij vonden slecht één, lees één, pakje met een alternatief voor vlees. Nou begrijp ik dat best wel. Het vlees is in Frankrijk echt verrukkelijk, komt vooral omdat ze hier nog aan kleinschalige landbouw doen. Dit is mogelijk omdat de Europese Unie bakken vol geld in die Franse landbouw stort. Ik vrees wel dat we onze vegetarisch leven hier vaarwel moeten zeggen. Meer vlees lijkt onvermijdelijk, wat ik overigens nou ook weer niet echt een ramp vind.

Verkenning Dordogne

In Nederland heb je de bloesemroute door de Betuwe en de Veluweroute over de Veluwe. Hier heb je de foie gras route. In Nederland ondenkbaar, daar is volgens mij geen restaurant meer dat het op de kaart durft te zetten. Hier in de Dordogne is geen restaurant te vinden waar ze het niet op de kaart hebben. Foie gras is de trots van de streek. Iedereen eet het volop. Boeren stellen hun boerderijen open om te laten zien hoe het wordt gemaakt. Het bovenstaande bord is in Nederland ondenkbaar, vermoed ik. Binnen een paar uur zouden dierenactivisten het hebben gemold of verwijderd. Ik denk dat ze er hier voor zouden worden gelyncht. Handen af van onze foie gras, zal hier de leus zijn.

Journal

 

Belasting

Zaterdag 23 april, Cadouin

Formule 1 races interesseren me helemaal niks. Neemt niet weg dat ik soms berichten lees die ermee te maken hebben. Zo lees ik op een nieuwssite dat coureur Charles Leclerc afgelopen week even gezellig uit eten was in het Italiaanse Viareggio, nabij Toscane. Een aantal fans herkende hem en vroeg of hij met hen op de foto wilde. Charles is niet de beroerdste. Hij gaat van tafel en mengt zich tussen zijn fans voor een kiekje. Meer en meer mensen herkennen hem, het wordt een enorme drukte om hem heen. In die commotie lukt het een dief het horloge van Leclerc te pikken. De waarde van het klokje €300.000.

Het doet me denken aan een jongetje van in de twintig die op de weg van Zwolle naar Meppel zijn Lamborghini van €500.000 tegen de vangrail zet. Resultaat: auto total loss. Er ontstaat een grote file waar Wyb en ik nog even de dupe van zijn omdat we om moeten rijden. Geen punt. Wat ik wel een punt vind is een auto van €500.000.

Welke gek koopt een auto van 5 ton? Welke gek draagt een horloge van 3 ton? Ik wil wel verder gaan: het aanschaffen van een auto van 5 ton vind ik een criminele daad. Gezien alle problemen waar ons nietige planeetje mee heeft te maken, ernstige hongersnood, een klimaatcrisis, een enorme kloof tussen rijk en arm, een grondstoffencrisis, is het vandalisme om zo’n auto of horloge te kopen. Het is een dikke middelvinger naar de mensen die keihard moeten werken voor een klote bedragje of, om wat voor een reden dan ook, moeten rondkomen van uitkeringen en toeslagen. Het is ook een middelvinger naar onze planeet.

Nou weet ik dat ons liberale maatschappij er andere waarden en normen op nahoudt. Op partijcongressen in verkiezingstijd fulmineer je tegen De Dikke Ik, maar na de verkiezingen zorg je ervoor dat mensen met vermogen geen belasting hoeven te betalen, laat staan dat je De Dikke Ik een strobreed in de weg legt in zijn koopgedrag.

Ik stel bij deze voor het maximumbedrag dat aan een auto mag worden besteed op 1 ton vast te leggen. Vind ik nog te hoog, maar oké, dan hebben we een compromis. Een bedrag voor een horloge? €500, dan moet het ophouden, hoor. Mijn horloge kostte €150 en doet het al jaren meer dan prima. Het werd overigens ooit aangezien voor een horloge van €10.000 en dit nog wel door iemand die zo’n horloge had.

Natuurlijk gaan deze maatregelen niet ver genoeg. We moeten het probleem bij de wortel aanpakken. Hoe is het mogelijk dat iemand zoveel geld heeft, dat hij überhaupt zulke bedragen kan besteden? Ik zou zeggen: belasting, belasting, belasting. Verdelen dat geld. Dat een meneer het voorrecht heeft om in een formule 1 auto te rijden wil toch niet zeggen dat hij veel moet verdienen? Een jongetje dat toevallig te veel geld heeft verkregen met het gokken met bitcoins of gelukje met een start-upje ? Aanpakken die ‘verdiensten’. Belasting, belasting, belasting.

241

Journal

 

Condamine

Donderdag 21 april, Cadouin

Tot mijn verrassing is de vorige eigenaresse van ons nieuwe huis bij de inspectie voor de overdracht aanwezig. Ook tot mijn vreugde. Ik was zo benieuwd waarom ze het huis na drie jaar weer verkoopt. Is er iets wat wij over het hoofd zien? Een mens is altijd op zijn hoede als hij grote stappen neemt. Onze aankoop van een Frans huis is zeker zo’n stap.

De eigenaresse blijkt een opgewekte Engelse dame te zijn. In de overdrachtspapieren lees ik dat ze verpleegkundige is, 44 jaar jong. Haar man is directeur. Eindelijk kan ik haar vragen waarom ze het huis verkoopt. Het blijkt dat ze een groter huis tegenover ons heeft gekocht. Ze heeft twee dochters van veertien en zestien en die willen niet meer samen in één kamer slapen. In ons nieuwe huis was dat noodzakelijk omdat er maar twee slaapkamers zijn.

Nou ja, tegenover ons, dat moet ik enigszins nuanceren. Voor ons huis ligt een dal met daarin een uitgestrekt weiland en een beek die er doorheen loopt. In de winter schijnt de beek te kunnen uitgroeien tot een meertje. Achter het weiland, op de heuvel tegenover ons, ligt een begraafplaats, een klassieke begraafplaats. Esmee, die gek is op begraafplaatsen, zal hem vast prachtig vinden. En achter die begraafplaats ligt hun huis, een bouwval volgens eigen zeggen, dat ze nu aan het opknappen zijn.

De Engelse dame, onze makelaar, Liesbeth, Wyb en ik lopen door het huis. Het is voor het eerst in maanden dat ik er weer doorheen kan lopen. Tot mijn opluchting geeft het huis me hetzelfde goede gevoel als toen we het kochten. Geduldig legt de Engelse dame uit hoe de verwarming werkt, de wasmachine en meer van dat soort dingen. Gelukkig blijkt de septic tank wel geleegd, ondanks dat de notaris daar nog geen bewijs van heeft gestuurd, hetzelfde geldt voor de schoorsteen, die wel is geveegd.

Tijdens onze tocht door het huis neemt Liesbeth, de vrouw van mijn nicht en zelf ook makelaar in deze streek, het gesprek meer en meer over. Onze eigen makelaar loopt er steeds meer voor spek en bonen bij. Zonder Liesbeth hadden we dit huis ook nooit gekocht. Eigenlijk is zij onze makelaar. Zij kent de omgeving hier op haar duimpje, weet de waarde van huizen en hun verkoopbaarheid. Bovendien kent ze de procedures waar een huizenkoper in Frankrijk doorheen moet. Als we naar de notaris gaan, nemen we afscheid van de officiële makelaar, Liesbeth neemt ons mee naar de notaris die ze goed kent.

Voor het eerst sinds lang moet ik weer een mondkapje op. Ik luister en kijk via een beeldscherm naar de notaris die vandaag in Parijs kantoor houdt. Pas na een paar minuten dringt tot mij door dat hij geen frans maar engels spreekt. Zo lastig dat engels van Fransen. Na lange verhalen en het doornemen van een pak documenten kunnen we eindelijk tekenen. We zijn een huis en stuk berg rijker.

Na de bijeenkomst, waarin we wel de bewijzen van het legen van de septic tank en het vegen van de schoorsteen krijgen, drinken we met Liesbeth op een pleintje in Beaumont nog een kop koffie. Daarna gaan Wyb en ik terug naar het huis en zijn we voor het eerst alleen in Chemin de Condamine, oftewel de Weg der Veroordeelden. De zwaarte van het adres staat in schrille tegenstelling tot de lichtheid van het huis.

Verkenning Dordogne

Ik ken invalide parkeerplaatsen, in Le Bugue kom ik een fenomeen tegen dat ik nog niet  kende. Voor een grote supermarkt zie ik een parkeerplaats speciaal voor vrouwen die in verwachting zijn of net een baby hebben. De parkeerplaats is roze gekleurd. Ik neem aan dat het met de uitdrukking op een roze wolk zitten heeft te maken.

 

 

 

Journal

 

Berg en Dal

Maandag 18 april, Les Eyzies

Het is een andere Pasen dan gewoonlijk. Geen paaseieren, geen Paasbrunches, eitjes ketsen, familiebezoek of andere rituelen die samenhangen met Pasen. De decennia dat ik elke paaszaterdag met het mannelijk deel van mijn familie naar Lent liep, een tocht vol rituelen, ligt al jaren achter me.

Paaszaterdag zaten we in een theaterzaal naar de Ashton Brothers te kijken. Op Pasen zelf staan Wyb en ik om zes uur op. We pakken de laatste spullen in de auto en rijden dan om zeven uur richting de Dordogne. We zijn van plan het in één dag te doen. De nadelen daarvan wegen niet op tegen het twee dagen onderweg zijn, vinden wij. En het kost ons geen moeite. Zeker niet op deze paasdag. Er zijn geen vrachtauto’s op de weg en pas in Noord-Frankrijk wordt het iets drukker op de weg met mensen die onderweg zijn naar familie voor de paasbrunch.

Pas in Parijs hebben we last van opstoppingen. Dat kan bijna niet anders. In Parijs leven te veel mensen op een kluitje, net zoals in Nederland. Hortend en stotend rijden we over de Périphérique. Na Parijs is iedereen opgelost en rijden we weer over lege wegen naar de Dordogne.

Ons doel: Cadouin. Aanstaande dinsdag hebben we daar de overdracht van ons nieuwe huis. Voor het zover is zijn we twee dagen in Les Eyzies in een hotel onder de grotten waarin de Cro Magnon mens 27.000 jaar geleden leefde. Ons hotel, pure Franse stijl, heet niets voor niets Hotel Cro Magnon en is gevestigd naast het gelijknamige museum dat gewijd is aan onze voorouders.

Vandaag rijden Wyb en ik naar Cadouin. Niet dat we naar binnen kunnen. Maar even door de tuin lopen en op de veranda zitten bevredigd al een beetje ons verlangen. We ontmoeten onze buurvrouw die een eindje verderop haar huis verbouwd. Sinds we er in januari waren is ze aardig opgeschoten. Volgens mij boffen we met haar.

We zitten op twee opklapstoelen op de veranda, achtergelaten door de vorige bewoners. We beklimmen de berg die morgen van ons is. Nou ja, een deel daarvan. Trots lopen we vast door de tuin heen. Daarna wandelen we door de omgeving die ik het beste kan omschrijven als Berg en Dal in het kwadraat. Het is veel mooier dan ik had gedacht. Daarna maken we kennis met een van de vijf restaurants in het dorp waar maar 378 mensen wonen. Ik ben benieuwd of we vannacht kunnen slapen. Ik popel om het huis als eigenaar te kunnen betreden.

Verkenning Dordogne

Gelukkig heeft ons kleine dorp in de Dordogne een bibliotheek. Hij is iets kleiner dan de bibliotheek in Groningen die gevestigd is in het Forum. Onze nieuwe bibliotheek heeft onderdak in een voormalige telefooncel.

Journal

 

Meneer Poetin

Zaterdag 16 april, Groningen

Stel dat Nederland op de plek van Oekraïne ligt en dat Rusland ons buurland is. En stel dat Nederland met een Russische invasie te maken krijgt omdat Poetin het in zijn hoofd haalt dat Nederland eigenlijk een stuk van Rusland is. Gaan wij ons dan net zo verdedigen als de Oekraïne?

Ik kan me echt niet voorstellen dat mijn oud-collega W., of mijn vriend E., of ongeacht iemand anders, bereid is om een kalasjnikov in zijn handen gedrukt te krijgen en zich in een stadsguerrilla te storten. Net zo als ik Mark Rutte nog niet in een bruin of groen T-shirtje de wereld zie toespreken met bevlogen toespraken. Wat moet Mark Rutte sowieso in een situatie waarin hij de dingen niet kan weglachen?

Ik heb van veel dingen in Nederland niet zo’n hoge pet op, wij klooien maar wat aan. We kunnen niet eens mensen opvangen die uit een andere cultuur komen. Wij willen een twee-onder-een-kap-huis, een SUV en ’s avonds Heel Holland Bakt. Eigenlijk overal waar Nederland enigszins met oorlog krijgt te maken, neem Srebrenica, Afghanistan of Syrië, ontstaat ellende. Wij zijn geen vechters, wij zijn gewoon angsthazen.

Als Rusland de eerste kruisraket op ons afvuurt, slaat meteen een belangrijk deel van Nederland op de vlucht. Geen twijfel mogelijk. Met zoveel geweld willen wij niets te. maken hebben. Als de eerste steden in puin worden geschoten geven wij ons meteen over. Al die bezittingen vernietigen, dat kost maar geld. Zo zonde. Dan worden we toch gewoon maar Russen, zo erg is dat ook niet, zal onze Nederlandse Zelensky zeggen.

Wie in Nederland gaat in godsnaam zijn leven wagen voor volk en vaderland? De ene helft van het volk haat sowieso de andere helft en andersom. Het vaderland? Wat is nou het vaderland? Ik zie de Twitterlijnen alweer vol lopen met gekanker op de Nederlandse Zelensky, dat koninklijk huis dat die Russen dan meteen mooi kunnen afschaffen en dat door de inval van de Russen eindelijk een einde komt aan de dictatuur in Nederland.

En onze vrijheid van meningsuiting? Och, daar kun je toch geen brood van kopen. We gaan vast een warm pleidooi houden dat we ons best bij Rusland willen aansluiten als we maar mogen blijven wonen in onze rijtjeshuizen en onze patserige landhuizen. En meneer Poetin heeft er toch ook geen bezwaar tegen dat we in onze SUV’s blijven rijden? Wij Nederlanders houden nou eenmaal niet van Lada’s. Kwestie van volksaard. Of we nou aan Den Haag of Moskou belasting moeten betalen, dat maakt ons niet uit. ‘Ah, fijn meneer Poetin. Tot uw dienst meneer Poetin.’

Vermoedelijk zal een Nederlandse politicus nog een geitenpaadje bewandelen om te kijken of we toch niet onder de bezetting uit kunnen komen. Als dat dan niet lukt? Soit. We zijn een nuchter volk. Dan worden we toch gewoon Rus, als meneer Poetin maar stopt met schieten vinden wij alles best.

Ik weet vrijwel zeker dat het zo zou gaan. Wat dat betreft hebben we al een soort generale repetitie gehad met de bezetting van ons land door Duitsland. Wilhelmina liep als eerste met de bontjas tussen de benen het land uit. Hoe lang hielden wij stand bij de Grebbeberg? Ik dacht drie dagen. Er hebben in totaal zo’n 45.000 mensen in het georganiseerd verzet gezeten. Een veelvoud was lid van de NSB. Zo gaat dat bij ons. Je moet het pragmatisch zien. De tering naar de nering. Wij zijn niet in de wieg gelegd voor heldendom. Je bent niet zomaar een held, daar moet je best veel voor doen, en waarom zou je? En het Russisch volkslied is trouwens best mooi. En wie weet kunnen we een graantje meepikken van die oligarchen, want dat doen we toch al. Een plus een is drie, zullen we maar zeggen.

240

Journal

 

Huis

Vrijdag 15 april, Groningen

De afgelopen dagen schreef ik over inflatie en Ploumen. Dat vind ik lekkere onderwerpen om over te schrijven. Het zijn niet de onderwerpen die me het meest bezighouden. Waar ik het meest over zit te peinzen, is dat we zondag voor twee weken naar Frankrijk vertrekken. Aanstaande dinsdag is dan de overdracht van onze nieuwe Franse huis. Om 11 uur inspectie met de makelaar, dan om 14 uur naar de notaris voor de werkelijke overdracht.

Ik vind het nogal spannend. We hebben het huis toch vrij impulsief gekocht. Wat niet vreemd is, want de meeste dingen die wij doen zijn impulsief. Kleine correctie. Goed beschouwd vind ik dat eigenlijk niet waar. Positiever gesteld, wij weten verrekte goed wat we willen en daarom is kiezen niet moeilijk. We hebben een sterk ingebouwd filter dat bepaalt wat we wel of niet moeten doen. Tot nu toe heeft dat filter goed gewerkt, hopelijk was dat afgelopen januari ook het geval.

Je weet het natuurlijk nooit helemaal zeker. We waren enthousiast toen we besloten het te doen. De aankomende weken wonen we er echt. Ben zo benieuwd hoe het huis dan voelt. Het zal vast nog niet helemaal ons huis zijn. De Engelsen waarvan wij het kopen laten de meubels staan. Bestek, pannen, schilderijen, vloerkleden en zo hebben ze meegenomen. Het zal dus best kaal zijn.

Op zich niet erg, want dan kunnen wij langzaam van het huis een thuis maken. Wyb en ik hebben besloten nu veertien dagen te blijven om te kijken wat we willen veranderen, wat we aan de verdere inrichting willen doen. We laten het huis maar even op ons afkomen. Als we er een paar dagen zijn, hebben we daar vast ideeën over.

Onze aankomende reis is vermoedelijk wel slecht nieuws voor de lezer van Dossiermoddergat. We hebben daar vooralsnog geen internet. Voor ons is dat een kleine ramp, een van de eerste dingen die we doen is kijken hoe we dat gaan oplossen. Gelukkig hebben we daar wel ontvangst op onze mobiele telefoons, dus we zijn niet helemaal afgesloten van de wereld.

Wat ik wel een dingetje vind, is dat de wereld tussen half januari en nu totaal is veranderd. Zou ik weer een huis in Frankrijk kopen als ik nu moest beslissen?
Kijk maar eens. Half januari was er nog geen sprake van oorlog. Er was dreiging, maar niemand dacht dat Rusland werkelijk de Oekraïne binnen zou vallen.
Inflatie? Och, die werd wat hoger, maar de experts dachten dat het een tijdelijk verschijnsel zou zijn. Een inflatiecijfer van 9,7% in maart had niemand vermoed.
En dan de politieke situatie in Frankrijk. Macron stond er tamelijk riant voor. Nu kan het zomaar zijn dat, als wij eind april teruggaan naar Nederland, Frankrijk een rechts, anti-Europees land is, dat een Le Pen in het Élysée zit.
Het is toch ongelooflijk wat een mens allemaal boven het hoofd kan hangen.

239

Journal

 

Ploumen

Woensdag 13 april, Groningen

Ja, Ploumen. Soms ben ik met Dossiermoddergat net te laat. Ze stond op mijn lijstje. Ik heb namelijk een lijstje met onderwerpen die, mocht ik geen inspiratie hebben, toch geschreven kunnen worden. Het is een klein lijstje, maar het is fijn om het achter de hand te hebben.

Ik wilde het volgende schrijven. Hoe je het ook wendt of keert, die PvdA gaat me toch aan het hart. Niet dat ik er de afgelopen verkiezingen op heb gestemd. Ik kan het de partij maar niet vergeven dat ze de sociaal-democratische principes met voeten hebben getreden. Zo bleek die Kok een wolf in schaapskleren. Zonder discussie en het de kiezer duidelijk te laten weten, maakte hij er een neo-liberale partij van. Zaten wij met de gebakken peren, weg idealen. Met die Samsom werd het helemaal erg toen hij verliefd op Rutte werd.

Het mooie is dat ze er flink voor zijn gestraft. Blijft onverlet dat de partij de partij van mijn ouders en mijn jeugd is. Mochten ze ooit terugkeren naar de sociaal-democratische wortels, dan ben ik mogelijk weer van de partij. En natuurlijk moet de PvdA fuseren met Groen Links. Al dat zinloze gesnipper moet maar eens afgelopen zijn.

Toen Ploumen partijleider werd, slaakte ik een diepe zucht. Ik wist meteen dat het eigenlijk niets zou worden. Ik vermoed dat het een aardige vrouw is, maar zelfs als je voor de televisie zit, ruik je dat ze de x-factor niet heeft. Dat hindert niet. Een heleboel mensen hebben de x-factor niet. Zij zeker niet. Voor mij was duidelijk dat de PvdA het met haar niet zou redden.

Kwam daar dan nog bij dat vreselijke Limburgse accent. Niks ten nadele van accenten, maar als je zo praat, weet ik, word je door een groot deel van Nederland niet serieus genomen. Mag je niet zeggen, is niet politiek-correct. Ik zeg het toch.
Komt bij haar moeizaam raspende stem. Het lukt mij nauwelijks om naar haar te luisteren. Daar stond ze dan haar best te doen naast de snelle babbelaar Jesse Klaver. Ze deed haar best, maar het was niet goed. Mag je niet zeggen, maar ik zeg het toch. Omdat niemand het mocht zeggen, kreeg ze toch een kans. Fout. Wie goed wil zijn, moet hard voor zichzelf zijn, ook een politieke partij.

Maar goed, ik schrap haar nu van mijn reservelijstje Mogelijke Onderwerpen. Ze heeft het allemaal zelf gezegd, wat van grote moed getuigt. Hulde aan Ploumen. Hoop voor de Partij van de Arbeid. Maar dan moeten ze niet weer dezelfde fout maken. Namen die nu oppoppen zijn Frans Timmermans en Ahmed Aboutaleb. Prima namen, blij dat ze lid zijn van de PvdA, maar het zijn natuurlijk geen nieuwe partijleiders. Het zijn mannen in de nadagen van hun carrière, beiden uitstekende bestuurders maar al een tijd weg van het echte politieke hanengevecht. Het zijn mannen met statuur en daardoor eigenzinnig geworden. Kortom: echte boomers. Ik hou van boomers, maar ze moeten wel hun plaats weten. Je zag het toen Job Cohen partijleider werd. Hij was de gedroomde kandidaat, het werd een nachtmerrie.

Wat we nodig hebben is een jong, wendbaar iemand die midden in de arena staat, die volop in het debat staat. Gelukkig is er zo iemand. Al enige tijd kijk ik met zichtbaar plezier naar het functioneren van Marjolein Moorman, een sociaal-democraat in hart en nieren. Ik zou zeggen: geef haar onmiddellijk een enkeltje eerste klas Den Haag. Na de fusie met Groen Links kan zij de nieuwe partijleider worden. Mijn stem heeft ze.

 

238

Journal

 

Storm

Dinsdag 12 april, Groningen

Er groeit een financieel gezwelletje in onze samenleving. Een gezwelletje dat het verkleinwoord eigenlijk niet verdient. Het presenteert zich voluit als een gezwel. Sommigen noemen het een tijdelijk fenomeen, dat zou mooi zijn want dan wordt het gezwel toch gewoon een gezwelletje. Ik heb het over de inflatie die ons momenteel teistert. Laatste stand: in maart bedroeg de inflatie liefst 9,7%.

Die inflatie doet me denken aan de inflatie van de jaren zeventig. Er was alom paniek, prijzen en lonen rezen de pan uit. Ik heb er nog actieve herinnering aan. Nu liggen de zaken iets anders. Toen konden we in Nederland zelf iets aan de inflatie doen, een inflatie die consequent werd aangeduid met ‘het spook van de inflatie’. Goede beeldspraak. Je ziet die inflatie niet, maar hij is wel heel eng. Dus toen konden we die inflatie zelf aanpakken, nu zijn we afhankelijk van het beleid van de Europese Centrale Bank. Als Nederland zijn we ingebed in de euro en hebben we rekening te houden met de wensen van een heleboel landen, die allemaal verschillende belangen hebben. Als je je dat realiseert vrees ik dat we met een gezwel hebben te maken.

Het spook kan jou en mij heel direct raken. Ik heb een vast pensioen, heb wat spaargeld en daarmee heb ik een gefixeerd inkomen. De aankomende jaren zou ik daar best goed van kunnen leven. Maar elke keer als ik het inflatiecijfer hoor, denk ik: alweer een beetje armer geworden.

Met een inflatiecijfer van 9,7% gaat het erg hard. We hebben nu geen Lubbers, Ruding of Duisenberg die zich direct verantwoordelijk voelen. We zijn nu afhankelijk van de wijsheid van mevrouw Christine Lagarde van de ECB, die 19 landen monetaire heeft te besturen. De wagen dendert met hoge snelheid voort, ik heb de neiging mijn ogen dicht te doen. Wat moet ik anders? Geen idee waar deze tocht eindigt. Wordt het de vangrail of een boom?

Vooral omdat we, zoals dat tegenwoordig heet, in een perfect storm zitten. Diverse beroerde zaken stuwen de inflatie en hoger en hoger. Om de belangrijkste te noemen: natuurlijk de oorlog, de prijzen voor grondstoffen, en speciaal gas en olie, rijzen de pan uit. Daarnaast is er na de pandemie een toegenomen vraag. Niet uit te vlakken: het logistieke systeem van voor de pandemie is volledig van slag. Bedragen voor containers gaan al net zo snel omhoog als de gasprijs. En daar komt nog het Europees monetaire beleid bij dat er juist op was gericht om de inflatie op te drijven, dit omdat we dachten dat inflatie niet meer bestond. Dus er is de afgelopen jaren enorm veel geld in de economie gepompt. Wij hebben het gemerkt aan ons spaargeld dat niets meer waard was. Dat pompen gaat overigens nog steeds door.

Een jaar geleden ging ik met pensioen. Niets aan de hand. Mijn inkomstenbronnen leken stabiel. In het afgelopen jaar ging de wereld op de kop. Spannende tijden.
‘We hebben diepe zakken,’ hoorde ik onze minister van financiën twee jaar geleden zeggen.
Toen dacht ik al: ‘Ja, ja.’
Ik geloof niet dat je dit soort dingen hardop moet zeggen.

237

Journal

 

Vademecum

Maandag 11 april, Groningen

Als u overlijdt, raad ik u aan mijn vriend Erik niet te vergeten. Ik neem aan dat u, net als iedere Nederlander, een enorme hoeveelheid troep om u heen heeft verzameld. Boeken, elpees, uitgeknipte krantenberichten, modeltreinen, kampeerspullen, fotoboeken, meubels, serviezen, de Nederlander weet over het algemeen niet van ophouden als het om verzamelen gaat.

Het nageslacht zit er maar mee. Wanneer u overlijdt, neemt het nageslacht de boel over. Ze betreden uw huis en zullen denken: wat een troep, wat moet ik ermee? Al die spullen die u zo dierbaar zijn, ziet het nageslacht als ouderwetse zooi. Het begrijpt bij god niet waarom u het allemaal heeft bewaard.

Dan is het ontzettend fijn als u in uw testament heeft opgenomen, of een brief op de tafel achterlaat, dat ze Erik kunnen bellen. Hij heeft namelijk een bedrijfje dat Bezemschoon heet. Hij is gespecialiseerd in het leeg halen van huizen van mensen die zijn overleden of naar een verzorgingshuis moeten. Zijn bedrijf heet niet voor niets Bezemschoon. In een paar dagen is uw voormalige huis brandschoon en uw nageslacht is uw dankbaar: hebben zij geen last van uw troep.

U denkt misschien: ik laat toch geen vreemde mensen door mijn nalatenschap struinen. Ik kan u verzekeren dat Erik buitengewoon discreet en integer is. Ik wil dit graag met het volgende, waargebeurde voorval illusteren.

Een paar jaar geleden kreeg Erik een opdracht om een huis leeg te halen. Vader overleden, kinderen geen tijd om door de troep heen te baggeren. Hun vader was een boekenliefhebber en liet een enorme boekenkast na.
‘Die boeken kunt u sowieso in één keer weggooien,’ liet een van de kinderen weten. ‘Daar zijn wij totaal niet in geïnteresseerd.’
Nou wil het dat Erik, wijs geworden door ervaring, toch elk boek even doorbladert. Je weet maar nooit.

En goed dat hij het deed, want hij vond in een van de boeken liefst €30.000. Ik zou voor een dilemma hebben gestaan: in eigen zak steken of eerlijk zijn? Geen haan die er naar kraait, die boeken konden in één keer de container in. Voor Erik was het geen dilemma. Hij gaf de volledige €30.000 aan de kinderen. Ik bedoel maar.

U vraagt zich natuurlijk af of de kinderen hem dankbaar waren? Daar heeft hij eigenlijk niets van gemerkt. Misschien heeft hij een mager bedankje gehad, maar van dat onverwachte bedrag dat hen in handen viel, kon niet eens het wettelijk verplichte vindersloon af. Mocht ik ooit €30.000 in een boek vinden, dan weet ik het wel.

Waarom ik dit allemaal vertel is omdat het beroep van Erik ook mij voordelen oplevert. Hij is een beetje mijn privé archeoloog. Het is nu al een paar keer voorgekomen dat hij bij het leeghalen van een huis dingen tegenkom waarmee ik annex was.
Zo stuurde hij me gisteren een foto van een A0-poster die ik, samen met Benne, lang geleden op de weg zetten. Blijkbaar vond iemand het waard de poster te bewaren. Op het affiche staat een gedicht van de Vlaamse dichter Richard Minne (1891-1965). Ik koos het gedicht toen omdat het een soort levensmotto van mij was en omdat ik van zijn kleine oeuvre hou. Het gedicht heet Vademecum voor den dichter.

 

Vademecum voor den dichter

Doe dommer dan gij zijt,
maar mijd u voor de klippen;
leef buiten ruimte en tijd
doch spoed u lijk de kippen.

Werk zonder mate of plan,
maar spied door alle luiken;
veracht den burgerman,
doch ledig zijne kruiken.

Richard Minne

 

Ik was totaal vergeten dat dit gedicht in de jaren tachtig op grote schaal in de straten van Groningen op driehoeksborden heeft gestaan.
Met dank aan Erik.

236

Uit de serie Bankjes.

Journal

 

Satékroket

Zondag 10 april, Groningen

Om half acht loop ik de deur uit op weg naar de schouwburg, de voorstelling begint om kwart over acht. In Groningen loop ik altijd overal naar toe.
Een jaar geleden gebeurde er iets raars. Wyb en ik hadden identieke fietsen, voor €150 tweedehands gekocht. Ze staan in de fietsenrekken voor ons huis. Mijn fiets staat op slot en ik heb hem ook nog eens met een dikke fietsketting aan het rek vastgemaakt. De fiets van Wyb staat alleen op slot. Wyb houdt niet van dikke fietskettingen. De volgende dag is mijn fiets, die dus stevig op slot stond, verdwenen. De fiets van Wyb staat er nog. Vermoedelijk is de dief een hobbyist, hoe moeilijker hoe leuker.

Daarna heb ik geen fiets meer gekocht. Ik ontdekte dat Groningen, als je in het centrum blijft, een kleine stad is. Zo kom ik rond tien minuten voor acht al in de schouwburg aan, terwijl die toch aan de andere kant van het centrum staat.
Het doel van de avond is The Promise. Een op papier diffuse voorstelling over een band met oude knarren die na jaren weer bij elkaar komt om op tournee te gaan. Ik ga erheen omdat Vincent van Warmerdam er in speelt en paar andere mensen die Wyb en ik kennen. Theater is een wonderlijk fenomeen. Als zij niet meespeelden zou ik er niet heen zijn gegaan. Gelukkig speelden ze mee. Wyb en ik vonden de voorstelling een feest. Eindelijk weer eens onversneden ironie, de boomers op de hak.

Na de voorstelling gaan we naar De Souffleur, het cafeetje naast de schouwburg dat nooit verandert. Het is denk ik dertig jaar geleden dat ik daar voor het laatst was. Het was de afsluiting van een periode dat ik er vrijwel wekelijks kwam. In de jaren dat ik in de Groningen schouwburg werkte, sloten we de week af in De Souffleur, die toen nog de Schouwbugbar heette. De eigenaren beloofden daar ooit eens maaltijd voor ons te maken van iets dat we nog nooit hadden geproefd. Weken daarvoor vroegen we wat dat dan wel niet was. Ze weigerden duidelijkheid te geven. Uiteindelijk kregen we een sponsachtige substantie op het bord. Koeienuier. Ik heb het niet opgegeten.

Zo is dit stuk grond een bron van herinnering. Ik kan de schouwburg niet inlopen of ik moet denken aan verhalen waarvan de huidige medewerkers geen weet hebben. Zo heb ik zelfs de opening mee georganiseerd en heb ik in het gebouw jaren kantoor gehouden, ver weg gestopt in het toneelhuis.

Ik drink in De Souffleur meer dan ik ben gewend. En het wordt ook later dan gewend. Wyb fietst terug naar huis. Ik mag weer terug lopen. Ik loop door een Groningen op een zaterdagavond. Saturday Night Fever. Een stad bezet door de jeugd. Als ouwe lul manoeuvreer ik me door de lol heen. Met de drank in mijn lijf kan ik niet zomaar langs de FEBO lopen. Ik trek snel een satékroket, zo fijn dat dat tegenwoordig met je betaalkaart kan. Al etend vervolg ik mijn weg. Zo kom ik ten slotte toch aan mijn tienduizend stappen per dag. Je moet toch een beetje aan je gezondheid denken.

235

Journal

 

Eindspel

Zaterdag 9 april, Groningen

Ik sta in Amsterdam op de pont van Amsterdam Noord naar het Centraal Station. Het is spitsuur, we zijn haringen in een ton. Ik sta altijd graag op die pont. Even zijn de meest uiteenlopende mensen verenigd op een boot.
Niet dat die vereniging veel betekent. Velen staren gedachteloos voor zich uit, sommigen ronduit chagrijnig. Zoals altijd zijn tamelijk veel mensen in de weer met hun mobiele telefoon. Iedereen is op weg van a naar b. Op de pont is het even verplicht stilstaan. Wanneer vertrekt die boot nu? Hij kon toch al lang wegvaren? Dan begint het licht wiebelen naar de overkant. Als de boot met een lichte schok zijn bestemming bereikt, de kapitein de metalen loopplank laat zakken, vervolgt iedereen zo snel mogelijk zijn eigen weg.

Zover is het nog niet. Ik sta daar nog steeds als haring. Dan word ik aangetikt door een jonge vrouw. ‘Meneer, u mag hier wel zitten, hoor.’ Vriendelijk biedt ze mij haar zitplaats aan. Ik schrik er eerlijk gezegd van. Ik sta daar gewoon als reiziger, naar mijn gevoel in de kracht van mijn leven. Mis, dus. De vrouw ziet mij als een oude man die verplicht moet staan. Ze wil het comfortabel voor me maken, makkelijker. Ik denk vooral: het eindspel is dus begonnen. Het is duidelijk: men ziet mij als oud.

Ik reageer snel en afwijzend. ‘Nee, dank u.’ Hollandse botheid, zal ze, vrees ik, denken. We hebben verder geen contact meer. Ik sta met Wyb te praten, de vrouw zit voor zich uit te kijken.
Terwijl ik sta te praten had ik eigenlijk willen zeggen dat ik het ontzettend goed vind dat ze mij dat aanbiedt. Niet omdat ik het nodig heb. Maar omdat er gvd nog iemand in deze wereld is die beleefd is. Ik denk aan al die prinsjes en prinsesjes in de tram die riant naast hun papa of mama zitten en bij wie het niet opkomt om voor een ouder iemand te gaan staan. Ik denk aan mijn moeder die mij onmiddellijk corrigeerde. ‘Gerardje, laat die meneer eens zitten. Jij hebt nog jonge benen.’

Later die middag sta ik een pashokje van Uniqlo op het Rokin. Ik pas een nieuw poloshirt en sta in mijn blote bast voor de spiegel. Ik zie mijn buik en schrik. Een oude mannenbuik. De buik groeit en groeit, het houdt niet op. Ik moet hem een halt toeroepen.

Deze middag word ik gevolgd door het verval. In een café op de Singel was ik na een bezoek aan de wc mijn handen. Ik buig mij enigszins naar voren en heb zodoende bij toeval zicht op mijn haar. Voor het eerst zie ik dat ik veel kaler ben dan ik zelf dacht. Opnieuw komt het woord eindspel in mij op.

234

Journal

 

Vogelhuis

Woensdag 6 april, Groningen

Vorige week las ik het boek Het vogelhuis van Eva Meijer. Het boek gaat over Len Howard. Zij was oorspronkelijk violiste maar bracht de tweede helft van haar leven door in een klein huisje op het Engelse platteland en leefde daar voor en met vogels. In haar huis vlogen roodborsten, mussen en mezen, vooral koolmezen, af en aan. Ze nestelden zelfs in haar huis. Len, officieel Gwendolen Howard, leefde van 1894 tot 1973.

Len Howard schreef hier twee boeken over die internationale bestsellers werden. Een van die boeken, Vogels als huisgenoten, is nog niet zo lang heruitgegeven in het Nederlands. Ze besloot onder andere zo te gaan leven omdat ze niet geloofde in de manier waarop wetenschappers vogels bestudeerden. Ze deden dat uitsluitend in laboratoria waar vogels in gevangenschap leefden. Len was ervan overtuigd dat vogels daardoor niet hun natuurlijk gedrag lieten zien.

Zij stelde letterlijk haar huis open. Vogels leefde om en in haar huis, waren vrij om te gaan en te vliegen waar ze wilden. Met sommige vogels sloot ze hechte vriendschappen, waaronder Ster, een koolmees die ze zelfs tellen leerde. Als ze vier of vijf zei, tikte het vogeltje vier of vijf keer met zijn snaveltje. Hem meer dan acht keer te laten tikken is haar nooit gelukt. Als ze schreef zaten vogels op haar typemachine, om nesten te bouwen gebruikten ze de vezels van haar kleren.

Als Len iets ontdekte, is het wel dat elke vogel een individu is, dat de koolmees niet bestaat. De een is brutaal, de ander verlegen. Sommige vogels zijn slim, andere laten zich het kaas van het brood eten. Uitvoerig beschreef ze het gedrag van de vogels waarmee ze leefde. Ze introduceerde met deze manier van werken een nieuwe individuele methode om naar vogels te kijken. Officiële wetenschappers waren daar aanvankelijk zeer sceptisch over. Datgene wat Len beschreef waren observaties die niet waren te herhalen, dus niet wetenschappelijk.

Nadat ik Het vogelhuis uit had, begon ik, geïnspireerd door de film, aan het boek De Sneeuwpanter van de Franse schrijver Sylvain Tesson. Hij reisde met de fotograaf Vincent Munier mee die zich ten doel had gesteld om in de Tibetaanse bergen de uiterst schuwe sneeuwpanter te fotograferen . Wie benieuwd is naar hun avontuur raad ik ten zeerste de film aan. De titel: The Velvet Queen.

In het boek lees ik tot mijn verrassing de volgende passage over Vincent Munier: ‘Wetenschappers kijken op hem neer. Munier bekeek de natuur als een kunstenaar, maar de rekenfanaten, dienaars van de ‘heerschappij van de kwantiteit’, konden daar niets mee. Ik had een paar van die cijferaars ontmoet. Ze ringen kolibries en sneden meeuwen open om galmonsters te nemen. Voor hen was de werkelijkheid een rekenmodel, een optelsom van getallen. En de poëzie? Niet van toepassing. Schreed de kennis voort? Niet per se. De wetenschap maskeerde haar beperkingen achter een opeenhoping van digitale gegevens. Door de wereld in getallen uit te drukken zou de kennis toenemen. Hoe haalden ze het in hun hoofd.’

Len Howard en Vincent Munier hebben elkaar niet kunnen ontmoeten. Hij werd drie jaar na haar dood geboren. Neemt niet weg dat ze geestelijk familie van elkaar zijn. Ze laten ons beiden het individu in het dierenrijk zien, waardoor wij mensen dichter bij de dieren kunnen komen.

Het kan toch bijna geen toeval zijn dat ik de twee boeken, die dezelfde geest hebben, zo achter elkaar lees.

233

Journal

 

Tijd

Dinsdag 5 april, Groningen

Ik moet bekennen dat ik steeds luier word. En ik moet bekennen dat ik er nog van geniet ook. Nooit gedacht dat dat ooit zou gebeuren. Decennialang bepaalde mijn agenda het ritme van mijn leven. Overdag moest ik een bedrijf runnen, ’s avonds was ik om representatieve redenen vaak aanwezig. Weekenden? Tijdens het theaterseizoen waren het uitzonderingen. Er was altijd wel een reden om in het weekend te werken.

Daartussendoor schreef ik nog kinderboeken en was er een gezinsleven. Over dat laatste lopen de meningen uiteen. Esmee weet dat ik er altijd was bij het avondeten en om haar naar bed te brengen. Ik ben ervan overtuigd dat ze gelijk heeft, want ik streefde er echt naar om rond die tijd thuis te zijn. Volgens Anne daarentegen was ik er altijd erg weinig.

Gelukkig herinnert ze zich wel dat ze elke avond deed alsof ze sliep en dat ik haar dan zogenaamd wakker probeerde te maken. Ik hanteerde daarvoor de verschrikkelijkste methode. Het was de bedoeling dat ik haar uiteindelijk wakker kreeg. We genoten erg van dat spel. Ik kneep natte sponsen op haar gezicht uit, smeerde tandpasta onder haar neus. Meestal ‘sliep’ ze ijzerheining door. Er was één ding waarmee ik haar gillend wakker kreeg. Dat was als ik met mijn vingers over haar gezicht liep en zei: ‘Het is maar goed dat Anne slaapt, dan weet ze niet dat er een spin over haar gezicht loopt.’

De deadlines en afspraken die mijn leven bepaalden zijn verdwenen. Alleen Dies zorgt nog voor verplichtingen. Verder heb ik de tijd aan mijzelf. Wel een mooie uitdrukking. Ik heb de tijd terugveroverd, de tijd is na al die jaren eindelijk weer van mijzelf en niet van iemand anders.

Het valt me op dat ik de dingen daardoor vaak uitstel. Ik kan het vandaag doen, maar ook morgen. Meestal wordt het morgen. Naast Dies geeft Dossiermoddergat mij nog enige regelmaat. Ik streef ernaar om elke dag een blogje te schrijven. Ik maak mij wijs dat ik daardoor, wat schrijven betreft, in vorm blijf. Dossiermoddergat is eigenlijk een soort trainingsveldje voor me. Zoals je merkt, komt het van die training niet altijd. Ik herinner mij de eerste acht jaar van Dossiermoddergat. Er was geen dag die ik oversloeg. Het was een heilig moeten. Als ik nu even geen onderwerp heb, of door bezoek of familieverplichtingen ik eigenlijk geen tijd heb, dan denk ik: och, ik kan best een dagje overslaan.

Door al deze rust merk ik ook dat zich geen boek meer aanbiedt, dat het ten koste gaat van het schrijven. Vroeger diende zich altijd wel een idee voor een boek aan dat geschreven moest worden. Nu heb ik vage ideeën, maar de drive voor de echte noodzaak blijft achterwege. Ik maak me er voorlopig niet druk om, geniet van mijn vrijheid en mijn tijd. Ik merk dat ik nu pas echt los ben gekomen van mijn werkzame leven. Ik heb geen enkele opdracht meer, er wordt nooit meer een beroep op mij gedaan, aan iedereen heb ik duidelijk gemaakt dat ik geen bestuursfuncties of andere plichtplegingen ambieer. Ik heb eindelijk het leven dat ik altijd wenste.

232

Journal

 

Silence of the Tides

Zondag 3 april, Groningen

102 minuten lang was ik gisteravond even in Moddergat, dat wil zeggen, in dat immense waddengebied dat zich uitstrekt van Den Helder in Noord-Holland tot Esbjerg in Denemarken. Het heeft een lengte van 500 kilometer en een gemiddelde breedte van 20 kilometer. Ik keek namelijk naar de film Silence of the Tides, gemaakt door Pieter-Rim de Kroon.

Als ik het goed heb gezien, heeft hij niet in Moddergat gefilmd. Maar elk beeld herinnerde mij aan mijn geliefde Moddergat, de geboortegrond van dit blog. De mensen in het noorden kennen het wad wel, maar een groot deel van Nederland zal er nooit zijn geweest. Als je het wilt leren kennen: ga de film zien.

Het is toch onvoorstelbaar dat over de hele oppervlakte die ik noemde vier keer per dag het water zo wordt verplaatst dat een grote moddervlakte ontstaat, om na zes uur weer water te worden. Elke zes uur een metamorfose van moddervlakte naar zee en andersom. Jaar in, jaar uit, er is nooit rust op het wad, altijd is er beweging, alleen al door het water dat komt en gaat en komt en gaat.

Het is een mooie titel Silence of the Tides, al denk ik dat de titel niet klopt. Er is namelijk nooit silence op het wad. Er is geen gebied in Nederland, Duitsland of Denemarken waar het zo waait als op de wadden. Vrijwel altijd is er het geluid van de wind, soms aanwezig als een briesjes, maar veel vaker als een flinke storm. De wind dondert dan over de wadden heen.

Slechts een paar keer keer heb ik meegemaakt dat het echt windstil was op het wad. Wyb en ik waren dan opgewonden omdat het zo zeldzaam was. Dat wil niet zeggen dat ik ooit stilte op het wad heb meegemaakt. Altijd is er het roepen en krijsen van vogels, het kabbelen van water, het blaten van schapen. En eigenlijk altijd hoor je wel, als je op de dijk of op het wad staat, ergens een boot stampen. Een boot die je niet ziet, het geluid op het wad draagt nou eenmaal onvoorstelbaar ver.

Dus stilte? Nee. Rust? Evenmin. Alles op het wad is in beweging, zelfs de eilanden zijn permanent aan de wandel. Vaarroutes veranderen voortdurend. De luchten veranderen met elk weertype, voor de vogels is het wad het ideale trekgebied, in de modder van het wad leeft een eigen wereld van weekdieren, rond het wad werken de boeren, overal zijn grazende schapen, vissen bewegen mee met het getij. Zelfs het gras kent geen rust. Of het wiegt heen en weer, of het ligt plat, gegeseld door door de wind.

De film brengt het allemaal poëtisch en onverbiddelijk in beeld. En als je in de film geïnteresseerd bent, niet wachten tot hij op televisie is te zien. Je moet hem echt op het grote doek zien met het geluid van het wad overal om je heen. Ik kreeg zowaar heimwee naar Moddergat.

Journal

 

Labbekakkerigheid

Vrijdag 1 april, Groningen

Ik vind labbekakkerig een van de mooiste Nederlandse woorden. Ik denk dat het komt omdat het zo onnederlands klinkt. Voor wie niet weet wat het betekent. Een labbekak is een sul, een lummel, een bangerd, een sufferd, een lafaard, een babbelaar, een slappeling, een luiaard.
Het mag dan onnederlands klinken, het is toch een oer-Hollands woord. Al in 1500 wordt het in Nederlandse publicaties gebruikt. Labbekak bestaat uit de werkwoorden labben en kakken. Labben betekent babbelen of likken, kakken kan slaan op kakelen of poepen. Je zou het woord dan kunnen vertalen als een babbelende schijterd.

Het is goed dat we dat woord in het Nederlands hebben, want het is een prima typering van onze tegenwoordige overheid. Het wordt zo’n beetje een vast thema in Dossiermoddergat. Dat komt omdat ik met toenemende verbazing kijk naar de onvoorstelbare impotentie van die overheid. Het lijkt een roestige fiets waarop het nog onmogelijk te fietsen is. Alle onderdelen zit door roest aan elkaar gekoekt. Als we de beeldspraak doorzetten, die roest is enerzijds onze alles verstikkende bureaucratie, anderzijds een onvoorstelbare bestuurlijke vrijblijvendheid, aangevuld door een vergader- en consensus-cultuur die zijn weerga niet heeft.

Misschien leuk om dit even te illustreren met een paar voorbeelden van de afgelopen dagen. Meest actueel is de stoere taal die wij uitsloegen om Rusland in het hart te treffen. We zouden die Russische oligarchen wel eens een lesje leren met het afpakken van hun kapitaal en bezittingen. De oorlog duurt nu meer dan een maand. En wat is van die stoere taal terecht gekomen? Niets.

Inmiddels hebben we een luizige 516 miljoen euro aan Russisch kapitaal bevroren. Een beschamend resultaat als je kijkt naar Zwitserland waar de vangst 6 miljard is, België met 10 miljard, Frankrijk 22 miljard. Resultaat Nederland dus 0,4 miljard.

Volgens Wopke Hoekstra zijn de verschillende departementen nog aan het ‘zwaluwstaarten’ om te kijken bij welk ministerie nou welke verantwoordelijkheid ligt. Te laat. Zoals Nederland ook tijdens de Covid crisis altijd te laat was. De oligarchen hebben hun kapitaal en boten inmiddels uit Nederland teruggetrokken. Bij hun huizenbezit is dat onmogelijk, maar aan die inventarisatie daarvan is Nederland überhaupt nog niet begonnen.

Ander voorbeeldje. Voor de Tweede Kamer is twee jaar geleden een adviseur integriteit benoemd, mevrouw Jacqueline Biesheuvel-Vermeijden. Een werkelijk keurige dame, afgaande op de foto, geridderd en al. Het resultaat van die benoeming?
In die twee jaar heeft ze slechts met één fractie contact gehad. Als excuus meldt de adviseur in haar jaarverslag dat haar email het niet deed. De technische problemen liepen steeds verder op, waardoor haar toegang tot haar account via eigen telefoon en tablet uiteindelijk werd geblokkeerd. Deze problemen hebben twee jaar geduurd. In die tussentijd dus gewoon geen fuck uitgevoerd. Ik benoem haar bij deze tot Labbekak van het Jaar. Vraagje. Heeft de Tweede Kamer geen ict’ers in dienst? Heeft ze geen handig familielid?

Het allerergste voorbeeld van de afgelopen dagen betreft het aanbod van de Pakistaanse luchtvaartmaatschappij om driehonderd Afghanen naar Nederland te evacueren, mensen die op de officiële Nederlandse lijst stonden om te redden uit handen van de Taliban. Mooi aanbod. Succes ligt voor het opscheppen. Nee, hoor. Zelfs dat aanbod werd niet aangegrepen. Reden? ‘Gevaar voor politiek afbreukrisico.’ Driehonderd mensen in de ellende omdat een minister en een handjevol ambtenaren wel eens in de problemen zou kunnen komen. Labbekakkerigheid ten top. God, wat zijn we toch een miezerig land.

231

Journal

 

Verstreken

Donderdag 31 maart, Groningen

 

Ze hesen trots de vlag,
de hand op het hart.

En och. En toen.

De vlag in rafels.
Het hart verslagen.

Verstreken.

230

Journal

 

Oude doos

Woensdag 30 maart, Groningen

Ik krijg een appje van Henk. Hij attendeert mij op een voorstelling van Wilfried de Jong over fotografie. Een paar jaar geleden had hij een televisieprogramma met de titel Fotostudio De Jong, een programma waar ik erg van heb genoten. Dit seizoen reist hij met hetzelfde concept door de theaters. De recensies zijn laaiend. Henk schiet raak, want deze voorstelling had ik inderdaad graag gezien. Afgelopen vrijdag stond De Jong in Groningen. Maar helaas, wij zochten die dag de rust van Lemele op.

Henk schrijft: ‘Afgelopen vrijdag zeer genoten van deze man. Een ontroerende en vurige mix van prachtige verhalen, fijne foto’s en jazz. Een energieke avond die me optilde. Gun jezelf óók dat plezier, morgenavond in Ogterop.’ Goede tip van Henk. Ik had zelf ook al op de speellijst van de voorstelling gezien dat hij in Meppel stond.

Hoe graag ik de voorstelling ook wil zien, ik zal niet gaan. Ik voel altijd een weerstand om naar theaters te gaan waar ik heb gewerkt of nauw mee verwant ben geweest. Dat geldt niet alleen voor theaters maar voor alle plekken waar ik heb gewerkt. Zo ga ik zelfs nooit meer naar De Harmonie, een theater waar ik toch mijn ziel en zaligheid in heb gelegd. Maar teruggaan naar plekken waar ik intens mee verbonden ben geweest maakt me altijd ongelukkig.

Voorbij is voorbij. Het is eigenlijk altijd een teleurstelling als ik terugga. Eens was iets van jou, nu is het in handen van iemand anders. Prima, heb ik geen moeite mee. Maar daardoor is het wel anders. Ik zie meteen wat is veranderd, en in mijn ogen vaak niet beter is geworden. Natuurlijk veranderen mensen dingen waar ik stevig overheen heb geplast. Doe ik ook altijd als ik ergens nieuw ben. Maar het was wel mijn plas. En dan zie je opeens het plasje van iemand anders.

Er is trouwens nog een reden. Ik vond het als directeur zelf altijd heel ongemakkelijk als een voormalig directeur langs kwam, meestal onaangekondigd. Ik voelde me natuurlijk verplicht aardig te doen. Hij had de behoefte om oude herinneringen op te halen. Die mij vaak geen bal interesseerde, ik was net zo druk mijn eigen herinneringen te maken. Mijn overheersende gedachte was meestal de vraag wanneer hij nou wegging: ik had het druk, er wachtten afspraken, er viel nog zoveel te doen. Ik denk niet dat mijn voorgangers daar veel van hebben gemerkt. Als het moet kan ik heel voorkomend zijn. Nam niet weg dat ik altijd blij was als we afscheid konden nemen.

Mij is natuurlijk hetzelfde lot beschoren. De eerste en laatste keer dat ik de nieuwe directeur van De Harmonie ontmoette zei ze (heel vriendelijk) dat ze het interessant vond om mij te ontmoeten en dat ze graag een keer een afspraak met me maakte omdat ze benieuwd was naar hoe en waarom ik het concept van het gebouw zo had bedacht. Uiteraard heb ik niets meer van haar gehoord. Ik ben zelf in dit soort gevallen ook vaak in gebreke gebleven. In zo’n gebouw kun je je eigen verhaal wel maken, daar heb je geen voorganger voor nodig.

Een paar weken geleden waren Wyb en ik even in Leeuwarden. Ik zie mezelf al even gezellig naar De Harmonie gaan. Och, jee, daar heb je die Tonen, vertegenwoordiger van de oude doos. En ik zie alleen maar de verplaatsing van een bar naar een lelijke plek en dat er weer geen affiches op de voorgevel hangen en dat die nieuwe meubels er ook niet uitzien, en meer van dat soort dingen.

229

228

De laatste lezer

Journal

 

Mensenbrij

Maandag 28 maart, Groningen

Het viel mij al op toen wij voor de eerste keer na onze verhuizing naar Frankrijk in Nederland terugkwamen. Het was rond het spitsuur, dat moet ik toegeven. Maar we kwamen in een eindeloze rij auto’s terecht, twee rijen dik. Die rij begon in Maastricht en eindigde in Groningen. Auto’s, auto’s, auto’s.

Die indruk van drukte is niet meer weggegaan, ook niet nu we hier alweer anderhalf jaar in Groningen wonen. Is dat omdat we bijna twee jaar zijn weggeweest en wij in een streek woonden waar het niet druk was? Waar we konden genieten van de enorme ruimte van de Cevennes? Maar hier in Groningen, overal mensen. Mensen, mensen, mensen. Ik denk wel eens dat Groningen gewoon te klein is voor zoveel mensen.

Anderhalf jaar geleden schreef ik dat ik toch wel een echte stadsjongen ben. We waren net terug en we genoten van alles wat de stad ons te bieden had. Maar misschien moet ik wel terugkomen op die uitspraak. Ik merk dat al die mensen me enorm opfokken. Ik vind eigenlijk helemaal geen rustpunten in de stad, wat ik zie is een komen en gaan van mensen.

Afgelopen weekend vond ik na lange tijd eindelijk weer eens de landelijke rust. Wyb en ik gingen voor de eerste keer dit jaar met de camper op stap. Wyb vond een kleine camping bij Lemele, een dorp waar ik nog nooit van had gehoord.
De camping was volgens de website nog dicht, ging pas over een week open. Wyb besloot toch te bellen, je moet officiële mededelingen altijd met een korreltje zout nemen. Ze kreeg een buitengewoon vriendelijke mevrouw aan de lijn die vertelde dat de camping weliswaar nog was gesloten maar dat er inmiddels toch twee andere campers op de camping stonden en dat er voor ons dus nog zeker plaats was.

Zo kwam het dat we op een vrijwel lege camping stonden. Wat een genot. Waar kom je dat nog tegen. Een van de nadelen van een camper is dat een grote grijze golf, waartoe ik zelf ook behoor, heeft besloten zo’n ding aan te schaffen. Een groot deel vindt het prima om bij elkaar te klitten, maar Wyb en ik hebben daar de pestpokken hekel aan. Voor ons geldt: hoe eenzamer, hoe beter. Dit weekend werden we op onze wenken bediend.

Lemele ligt in de buurt van Ommen, aan de voet van de Lemelerberg. Prachtig gebied en dit weekend vrij rustig. Of dat altijd zo is weet ik niet. Voor ons was het in ieder geval even een escape uit de mensenbrij die Nederland is. Hopelijk vinden we in de Dordogne in de zomer weer de rust waar we in de Cevennen zo van genoten.

227

Journal

 

Mismoedig

Zaterdag 26 maart, Lemele

Mijn gemoed wordt de laatste tijd het best gekarakteriseerd door het woord mismoedig. Voor wie denkt, wat is dat nou weer voor een oudbakken woord. Het betekent neerslachtig, ontmoedigd, verdrietig. Het zal zeker door de oorlog komen. Het vertrappen van de waarheid in Rusland drukt misschien nog wel meer op me dan het vernietigen van hele steden door de Russen in de Oekraïne. De vernietiging van de steden is een duivelse daad, maar dit vervolgens proberen te verhullen en je eigen volk voorliegen, is eigenlijk een overtreffende trap omdat het zo duidelijk illustreert dat je weet dat je een schoftenstreek uithaalt en dat ook nog eens probeert te verdoezelen. Hoe slecht kan de mens zijn.

Maar ook het nieuws in Nederland hoorde ik gisteren weer vol ongeloof en machteloosheid aan. De allerrijkste betalen slecht 21% belasting. De midden- en hoge inkomens 40% en de laagste inkomens zelfs 55%. Vooral de mensen die in loondienst zijn, vormen een makkelijke prooi voor de fiscus. Degenen die verdiensten krijgen uit vermogen, beleggingen of commerciële activiteiten kronkelen zich met het grootste gemak uit de netten van de fiscus. De wetgever legt de mogelijkheden zelfs kant en klaar voor hen op het bord.

Nederland een genivelleerd land? Jarenlang wilde rechts ons dat doen geloven. Ik kan me nog een verontwaardigde Barbara Baarsma herinneren die bij Matthijs van Nieuwkerk was aangeschoven. Iemand maakte een opmerking over de inkomenskloof. Barbara ging tekeer dat daar volstrekt geen sprake van was. Het verschil tussen de laagste en hoogste inkomens viel reuze mee. Maar ze focuste zich daarbij voornamelijk op inkomsten uit arbeid. Ze vergat daarin de inkomsten uit beleggingen en commerciële activiteiten mee te nemen. Ook dat vond ik weer zo’n staaltje van manipuleren, bewust de zaken verdraaien opdat de deksel maar op de gierput blijft. Gelukkig wordt hij er meer en meer afgerold.

En dan het nieuwe woord dat Peter Pannekoek introduceerde: staatsontvoeringen. Meer dan 1115 kinderen, veel meer dan 1115 kinderen, maar dat is het aantal dat officieel is geregistreerd, zijn bij hun ouders weggehaald omdat de overheid hen in de schulden bracht. Hele gezinnen werden ontwricht en geruïneerd omdat de overheid hen financieel totaal kapot maakte. Het gevolg daarvan was dat kinderen bij hun ouders werden weggehaald. Vele ouders hebben hun kinderen nooit meer gezien, of jaren niet gezien. Het is het stapelen van onrechtvaardigheid op onrechtvaardigheid.

Mijn mismoedigheid maakt plaats voor enorme woede als ik naar de ouders luister die het overkwam. Oh, wat zijn we een onwijs gaaf landje. Maar als je denkt dat we deze onrechtvaardigheid meteen gaan repareren? Mis. Nu al zes maanden lang is men bezig met het optuigen van een commissie die dit moet gaan oplossen.
Omdat ik mijn woede nergens kwijt kan, word ik al snel weer mismoedig. Wat zijn we toch een miezerig landje. In de loop van de jaren heeft de VVD een soort staatsgreep gepleegd, denk ik wel eens. Het land is voor de rijken en degenen die keurig in de pas willen en kunnen lopen. De rest heeft geen waarde en dat zullen ze weten. Het is een land met eersterangs, tweederangs en derderangs burgers.

226

Journal

 

Cancelen

Vrijdag 25 maart, Lemele

Begin deze maand zette de directeur van de Haarlemse Stadsschouwburg en de Philharmonie Haarlem, Edwin van Balken, een streep door een festival rond de Russische componisten Tsjaikovski en Stravinsky. Ik was verbijsterd. In het Haarlems Dagblad zei hij: ‘Wij willen niet voorbijgaan aan de bij velen intens gevoelde bezorgdheid over Oekraïne.’ WTF! Wat hebben Tsjaikovski en Stravinsky in godsnaam te maken met de oorlog in Oekraïne? Niks, nada.

Het raakte mij zo omdat in mijn boekenkast de werken van Konstatin Paustovsky een prominente plaats innemen. Paustovsky is geboren in Moskou in 1882 en stierf daar in 1968. Moet ik zijn werken nu uit mijn boekenkast verwijderen omdat ik niet voorbij moet gaan aan de bij velen intens gevoelde bezorgdheid over Oekraïne?

Ik ben nooit in Oekraïne geweest. Toch ken ik Kiev vrij goed, evenals Odessa. Ik heb een liefde voor die steden omdat uitgerekend Paustovsky mij daarvan de schoonheid heeft laten zien. Zoals zoveel Russen leefde hij vele jaren in Oekraïne, zonder enige vijandigheid, sterker: hij hield van deze steden. Mede door hem weet ik hoe groot de misdaad is die Poetin nu pleegt.

Wat die van Balken waarschijnlijk ook niet weet is dat hij uitgerekend met het cancelen van Stravinsky iemand verbant die bekend stond als pro Westers. Tussen 1914 en 1962 heeft hij geen stap in Rusland gezet omdat hij niets met communisme te maken wilde hebben. Uiteindelijk verkreeg hij het Franse en het Amerikaanse staatsburgerschap. Maar ook al was hij, net als Gorki, een trouw aanhanger van de Sovjet-Unie geweest, dan nog hadden we hem nooit mogen afrekenen op de oorlog in de Oekraïne. Gewoon omdat hij er niets mee te maken heeft. Net zoals Tsjechov, Dostojevski en Boenin er niets mee te maken hebben. Ook hun boeken staan in mijn boekenkast op dezelfde plank als de werken van Paustovsky.

Betekent deze oorlog dat we het gehele Russische erfgoed moeten cancelen? Daarmee wissen we zo’n beetje het mooiste uit wat de mensheid heeft voortgebracht. Poetin vernietigt Oekraïne, moeten wij daarom die fantastische schrijvers en componisten gaan verzwijgen en hen daarmee eigenlijk vernietigen? Van Balken, ga je schamen.

Ik denk dat die Edwin van Balken een beetje stoer wilde doen. Hij hoorde dat Rotterdam besloot de samenwerking met de dirigent Valery Gergiev op te zeggen en daarmee ook een einde te maken aan het Gergiev Festival. Maar, beste Edwin, zoals je misschien weet is Gergiev een dikke vriend van Poetin. Hij weigerde bovendien afstand te nemen van de oorlog. Alle reden om afscheid van hem te nemen opdat we daarmee Poetin en zijn kliek direct treffen. Gergiev is dus wel partij in deze oorlog. Maar Tsjaikovski en Stravinsky? Man, ga toch weg.

225

Journal

 

Sneeuwluipaard

Woensdag 23 maart, Groningen

Gisteravond trokken Wyb en ik ons terug in de Tibetaanse bergen. Het was een hele overgang. Daarvoor nog op bezoek bij onze overburen, een huis waar zo’n twaalf studentes werken aan het begin van hun carrière. Even daarna nog televisie kijken: oorlog, dood en vernietiging. Vervolgens liepen Wyb en ik naar het Forum. Het verwondert mij steeds weer dat Groningen eigenlijk zo’n kleine stad is. Een half jaar geleden werd mijn fiets gejat en sindsdien doe ik alles lopend. Een kwartier lopen en ik ben op elke plek in het centrum waar ik wil zijn.

Wyb en ik namen plaats in de sjiekste bioscoopzaal die we ooit hebben gezien. Een tamelijk actieve zithouding is in de theaterzalen erg belangrijk. Anders bestaat het gevaar dat mensen in slaap sukkelen. In deze zaal lig je eigenlijk te zitten. Lekker onderuit. Sommige mensen hebben zelf grote kussens om hun voeten op te leggen.

Het licht gaat uit en dan zijn we in een andere wereld. De wereld van de stilte, de wereld van het geduld, de wereld zoals hij was voor het verschijnen van de mensen. We kijken naar de wereldberoemde natuurfotograaf Vincent Munier en de schrijver Sylvain Tesson die op zoek zijn naar het sneeuwluipaard. Een schichtig dier dat zich eigenlijk nooit laat zien en leeft in de uitgestrekte bergen van Tibet.

De film is een ode aan het eindeloos wachten, een ode aan het geduld, aan het kijken, het zijn in het nu. Het niet van de ene naar de andere plek jagen zoals we gewend zijn. Dieren die je bij oppervlakkig kijken niet ziet omdat ze opgaan in het landschap blijken er opeens toch te zijn en juist jou te observeren.
Sylvian Tesson komt tot de conclusie dat hij nooit echt heeft gekeken. Hij heeft veel gereisd, dacht veel te zien, maar door deze oefening in kijken, blijkt dat hij meer bekeken is dan dat hij zelf heeft gezien.

Ik denk dat het een film is zoals de taoïst de wereld zou willen benaderen. Nou snap ik niet veel van het taoïsme, maar als ik erover lees ben ik altijd geboeid, alleen al omdat ik het niet snap. Maar de film is eigenlijk een pleidooi voor rust, voor groot respect voor onze wereld, het werkelijke zien, het tevreden zijn en genieten van de plek waar je op dat moment bent.
Voordat ik het vergeet te vertellen, de titel van de film is The Velvet Queen. Spoiler alert! Na weken van eindeloos zitten en turen in de bergen krijgen ze het sneeuwluipaard eindelijk te zien.

Wij verlaen de bioscoopzaal met grote liefde voor de aarde, voor de natuur, de schoonheid. Toch maar weer eens de geschriften van de Taoïsten gaan lezen. Ik hoop dat ik ze eindelijk eens ga begrijpen. Misschien wordt het tijd om totaal anders te gaan leven.

Journal

 

Profielfoto

Dinsdag 22 maart, Groningen

Oekraïne. Het is goed om te zien hoe Nederland meeleeft. Het is zowaar voor de eerste keer dat we vluchtelingen met open armen ontvangen. Je merkt aan de tafels van de talkshow dat we trots zijn op onszelf. Als echte solidariteit nodig is, dan staan we ook klaar. Zelfs ons koninklijk paar gaat vluchtelingen opvangen. Weliswaar ver van hun bed, in Apeldoorn, een kasteel waar de familie wel eens bij elkaar komt, maar toch. Het is een gebaar.

Zelfs ik was een beetje trots op dat Nederland. Totdat ik wat cijfers zag.
Op het ogenblik zijn 3,5 miljoen mensen uit Oekraïne gevlucht, zo’n 6,5 miljoen zijn ontheemd in eigen land. Velen van die 3,5 miljoen hebben een mobiele telefoon, zo kan Vodafone zien waar die 3,5 miljoen mensen zich nu begeven. Daar komt het volgende lijstje uit:

Polen, 27,7%
Tsjechië, 11,5%
Hongarije, 7,31%
Duitsland, 6,44%
Roemenië, 5,9%
Moldavië, 5,9%
Slowakije, 3,2%
Italië, 2,5%
Turkije, 2,1%
Egypte, 1,8%
Frankrijk, 1,7%
Spanje, 1,6%
Oostenrijk, 1%
Verenigde Arabische Emiraten, 1%
Nederland 0,9%

Het lijstje geeft een wat minder heldhaftig beeld dan wij onszelf toedichten. Momenteel zijn de veiligheidsregio’s druk bezig om 25.000 slaapplekken te creëren. Na drie weken delibereren zijn die er bijna. Er zijn heel wat vergaderingen aan gewijd. En dan zijn er: 25.000 slaapplaatsen. Aan die 0,9% zie je hoe wij ons best doen. Dat wil zeggen, met de mond. Als het op daden aankomt tonen wij altijd een enorme impotentie.

Ook nu weer delegeert de Rijksoverheid, die in dit soort noodgevallen toch de regie zou moeten voeren, de uitvoering aan de veiligheidsregio’s. Wat is dat eigenlijk voor een bestuurslaag? Hebben wij die gekozen? Ze bestaan uit burgemeesters die zijn benoemd door de Kroon. Waar zijn de bestuurders die wij hebben gekozen om dingen voor elkaar te krijgen?

Nog een cijfer. Het Financieel Dagblad geeft aan dat de oligarchen ongeveer 80 miljard euro op de Zuidas hebben geparkeerd, in welke vorm dan ook. Volgens Europese afspraken, en fanatiek gesteund door Nederland, moeten wij dat geld bevriezen opdat de oligarchen er tot nader orde niet meer over kunnen beschikken. En wat denk je wat wij Nederlanders nu hebben gerealiseerd?
400 miljoen euro. Wij belijden grote daden met de mond, maar omzetten in werkelijke actie? Ho maar. België heeft inmiddels 15 miljard aan tegoeden bevroren. Goed beschouwd is de Zuidas eigenlijk een stukje Rusland in Nederland, een veilige vluchthaven voor de roverhoofdmannen van een land dat moord en rooft.

O ja, nog een terzijde. In het kasteel dat onze monarch nu beschikbaar stelt, wilde zijn oma voor de oorlog geen gevluchte Joden uit Duitsland opvangen want dat lag te dicht bij het paleis waar zij woonde. Dat vond ze gewoon vervelend, kon best tot overlast leiden. We zijn een heldhaftig volk.

Ten slotte nog een uitsmijter. Het is toch bepaald wrang dat Europa, dus ook zeker wij, een belangrijke financier van de Russische oorlog is. Elke dag pompen wij miljoenen euro’s naar Rusland voor het gas dat wij afnemen. Die miljoenen vormen de geldbron waarmee Poetin zijn oorlog financiert. We zouden eens op rantsoen moeten, of het in de winter koud hebben. Solidariteit is prima, als we er maar geen last van hebben.

Ik vind wel goed dat we onze profielfoto op Facebook blauw-geel hebben gemaakt. We zullen die Poetin wel krijgen.

224

Journal

 

Boeken

Zondag 20 maart, Groningen

Vroeger was ik zo gek op boeken, ik wilde er het liefst zoveel mogelijk hebben. Ik droomde van een grote bibliotheek met mooie notenhouten kasten, liefst met glazen deuren ervoor. De bibliotheek kon niet groot genoeg zijn en in mijn bibliotheek moest een makkelijke stoel staan met daarnaast een leeslamp. Zoveel mogelijk tijd van mijn leven zou ik in deze bibliotheek doorbrengen en het ene na het andere boek verslinden.

Ik ben nog steeds gek op boeken. Maar mijn droom is veranderd. De bibliotheek die ik voor ogen had, heb ik wel enigszins gehad. Al stonden de boeken niet in notenhouten kasten. De kasten aan de wanden waren een bijeengeraapt zootje van Ikea en Lundia kasten. In het midden stond een groot bureau waaraan het heerlijk werken was. Die heerlijke leesstoel heb ik nooit gekregen. Op mijn huidige kamer staat een lullig stoeltje van, alweer, Ikea met dito leeslamp. Het zit zo beroerd dat ik altijd in de woonkamer lees.

Maar het belangrijkste gegeven is wel dat ik helemaal niet veel boeken meer wil hebben. Integendeel. Dat heeft twee redenen. De eerste is heel praktisch, aangezien ik nogal veel ben verhuisd, zijn boeken letterlijk een last voor me geworden. Al die boeken, je torst veel te veel met je mee. Tweede reden: ik merkte dat ik nauwelijks iets herlees, waarom zou ik dan in godsnaam boeken bewaren? Ze staan daar maar te staan, langzaam te vergelen en te verstoffen.

Het omgekeerde van mijn jeugddroom is nu het geval. Ik probeer juist van boeken af te komen. Toen we van Den Bosch naar Dwingeloo verhuisden heb ik mijn aantal boeken met meer dan gehalveerd. Zonder weemoed nam ik afscheid van ze. Alleen de boeken waarvan ik echt hield, nam ik mee. Ik ervoer het als een opluchting. Al die boeken, ik zou ze niet eens meer allemaal kunnen herlezen. En als ik reïncarneer ga ik vast andere boeken lezen, vermoedde ik. Bij de verhuizing van Dwingeloo naar Saint-Hippolyte-du-Fort heb ik mij opnieuw ontdaan van kilo’s boeken. En nog steeds was de verhuizing een hele klus door al die dozen met boeken.

Ik weet niet wat het is. Vroeger werd ik aangetrokken door boeken, nu lijkt het wel of boeken zich aangetrokken voelen tot mij. De ontlezing is in volle gang en het lijkt alsof boeken bij mij asiel zoeken: help ons, nergens zijn we welkom. Ik koop nauwelijks nog boeken. Ik durf zelfs geen boekhandel meer binnen te gaan, bang dat ik de verleiding niet kan weerstaan om er weer een paar te kopen.
Dat neemt niet weg dat mijn boekenbezit steeds maar groeit. Dat heeft diverse oorzaken. Ik krijg tamelijk veel boeken, zo nu en dan pak ik een boek uit zo’n in elkaar getimmerd straatbibliotheekje, heel soms koop ik in een antiquariaat een tweedehands boek, op campingbibliotheken neem ik altijd de interessantste boeken mee. Het gevolg: mijn kasten staan weer propvol.

Vandaag selecteerde ik een fiks aantal exemplaren om mee naar Anneke te nemen. De familie was daar en het was goed mogelijk dat ik wat mensen blij kon maken. En ik ben dan mooi van die boeken af. Wat denk je? Ik vergeet de tas met boeken mee te nemen. Het lijkt erop dat boeken mijn huis überhaupt niet uit willen. De tijd is aangebroken dat de boeken meer van mij houden dan ik van mijn boeken. De aankomende weken zal ik rücksichtslos zijn. Met meedogenloze hand ga ik er opnieuw veel selecteren en hardhandig uit huis verwijderen.

Om misverstanden te voorkomen. Mijn liefde voor lezen staat nog recht overeind. Een mooi vormgegeven boek, ik vind het prachtig. Ik hoef het alleen niet mee te hebben.

223

Journal

 

Bloemen

Vrijdag 18 maart, Groningen

We mogen deze achttiende maart best een historische dag noemen. Niet alleen omdat Wyb vandaag 53 jaar is geworden, maar ook omdat ik voor het eerst in de 21 jaar dat wij samen zijn haar bloemen heb gegeven. Dat vergt enige toelichting. Wyb en ik, dat durf ik wel te beweren, hebben een uitstekende relatie. Er kleefde één smetje aan. Een smetje dat in de loop der jaren best een smet is geworden: het punt dat ik haar nooit bloemen geef.

Het begon zo nu en dan met de opmerking van Wyb dat ze het toch erg leuk zou vinden als ze een keer bloemen kreeg. Sinds we in Groningen wonen, en vaak naar de markt gaan, werd die opmerking steeds vaker herhaald. Wat dat betreft had de prominente bloemenkraam op de markt een negatief effect. In het begin maakte ik me er met een grapje vanaf, zei ik dat ik uit principe geen bloemen gaf omdat je dat de natuur niet kon aandoen.

Onzin. Ik ben gek op bloemen. Een mooie bos bloemen maakt me oprecht blij. Maar ik liep tegen mijn eigen beperking op: bloemen geven zit gewoon niet in mijn systeem. Ik denk dat het door mijn opvoeding komt, ik sluit ook niet uit dat het een genetische afwijking is. Maar echt: ik denk nooit aan bloemen. Pas als Wyb er een opmerking over maakte, bedacht ik dat ik best bloemen had kunnen geven.

Mijn vader gaf mijn moeder ook nooit bloemen. Zo af en toe kocht ze voor zichzelf een bosje fresia’s, een bloem die je nu nergens meer ziet. Fresia’s ruiken ook zo naar de jaren vijftig, zestig. Mijn opa gaf mijn oma ook nooit bloemen, denk ik. Mijn oma van mijn vaderskant schijnt een vrij chagrijnig type te zijn geweest. Als mijn opa haar af en toe een bos bloemen had gegeven, was ze vast vrolijker geweest.

Ik vraag al een aantal weken wat Wyb voor haar verjaardag wil hebben. Haar antwoord: ‘Ik weet het echt niet. Ik wil ook geen spullen, ik wil juist ontspullen.’ Zo’n antwoord duidt toch op de staat van uiterste geluk: je hebt alles, je weet niet meer wat je moet vragen, je wilt juist van spullen af. Het is eigenlijk de omgekeerde wereld.
‘Weet je echt niets voor je verjaardag?’
‘Ja, een mooi bos bloemen, maar die zal ik toch wel niet van je krijgen.’

Nadat ze zo’n zin uitsprak, voelde ik mij weer schuldig. Wat was ik toch ook een zak. Ik weet dat ik haar met een bos bloemen zo blij zou maken. Daarom besloot ik mijzelf onder therapie te stellen. Ik herhaalde voor mijzelf elke dag een paar keer de woorden bos bloemen, bos bloemen. En zo kwam het dat ik gisteren opeens wel aan bloemen dacht. Ik zocht een kwaliteitsbloemist op, niks lullig bosje van de markt. Het moest een weelderige bos worden, een bos die je zelden ziet. En het moet gezegd, de bloemiste maakte haar reputatie waar.

Zo komt het dat ik vanochtend Wyb met een grote bos bloemen op bed kan verrassen. De eerste bos in 21 jaar. Door haar blijheid voel ik mij nog schuldiger, waarom heb ik haar niet eerder zo blij gemaakt? Bloemen kunnen mensen gelukkig zie ik nu in. Ik zet mijn therapie gewoon voort. Elke dag de woorden bos bloemen herhalen. Ik ga de doem die op onze familie rust doorbreken.

222

Journal

 

PvdD

Donderdag 17 maart, Groningen

En ja hoor, ik heb mij weer eens niet aan mijn woord gehouden. Een paar blogs geleden schreef ik nog dat mijn oude vrienden zich geen zorgen hoefden te maken, dat ik nog steeds Groen Links zou stemmen. Ik moet nu aan hen toegeven dat ik dat niet heb gedaan. Laat ik mij verantwoorden.

Als het de landelijke verkiezingen waren geweest, was mijn stem zeker naar Groen Links gegaan. Bij deze gemeenteraadsverkiezingen vond ik dat anders liggen. Eerst moet ik bekennen dat ik de gemeentelijke politiek van Groningen helemaal niet volg. Eigenlijk weet ik dus volstrekt niet op wie ik moet stemmen. Ik weet alleen dat Groen Links de grootste partij is in de stad.

Daardoor kan ik me het permitteren wat strategischer te stemmen, bedacht ik. Mijn allergrootste politieke zorg is namelijk ons milieu. We hebben de mond vol van energietransitie en duurzamer leven en ik zie daar eigenlijk geen bal van terecht komen.
Zojuist las ik nog dat er jaarlijks enorme hoeveelheden groene stroom worden weggegooid omdat het centrale netwerk dat niet kan verwerken en de industrie niet elektrificeert. Waar zijn we mee bezig, denk ik dan. Hé VVD, word eens wakker.

En kijk naar onze medemens. Ze kopen nu massaal van die opgeblazen auto’s, die, eenmaal ontworpen, vervolgens door het kopieerapparaat worden gehaald met de vergrotingsfactor 200%. Mijn goede vriend Benne noemt ze Viagra-auto’s, speciaal gemaakt voor mannen met kleine piemeltjes. Ik doel dan op de Porsches, de Audi’s, de BMW’s, die, in plaats van één parkeerplek, twee parkeerplekken nodig hebben.

Het zijn maar voorbeelden. Nog een voorbeeldje dan, gezien bij Lubach. De enorme subsidies van de Europese Unie voor het promoten van vlees. Daar gaan honderden miljoenen euro’s naartoe. Vreemd, want juist de EU heeft een ambitieus milieuprogramma opgesteld. En zoals iedereen inmiddels moet weten, vreet vlees energie en zorgt het voor veel te veel van die schijtende koeien.

Laat ik eens een statement maken, dacht ik. Bij het invullen van de Stemwijzer kwam de Partij voor de Dieren bij mij er al als grootste uit. Een beetje raar, vond ik. Want ik stem als een van de laatste Nederlanders nog ideologisch. Ik ben een vrijzinnig socialist en dan kom je al snel bij Groen Links uit.

Toch las ik voor het stemmen nog snel even het programma van de Partij voor de Dieren en daar stond als belangrijk programmapunt in het niet bebouwen van de Suikerzijde, een mooi ruig natuurgebied, rond voormalige vloeivelden, waar ik graag een rondje met Dies wandel.

Bovendien wonen daar her en der wat urban nomads en zijn er kleinschalige bedrijven gehuisvest. Sinds ik hier woon vind ik dat de stad er met zijn fikken af moet blijven. De PvdD bedient mij op dit punt prima, veel van het programma lijkt trouwens op dat van Groen Links. En passant zag ik nog dat de lijsttrekster van de PvdD wijsbegeerte had gestudeerd en dat vond ik ook bemoedigend na zoveel jaren te moeten leven onder een premier die alles weglacht en het een kwaliteit vindt om geen visie te hebben.

En zo gingen Wyb en ik, die mij trouwens op het pad van de PvdD had gezet, naar het stemlokaal. Ik moet zeggen dat het als enig verraad voelde om het vakje van de PvdD rood te maken. Maar ik bedacht dat ik met deze daad Groen Links misschien meer naar Groen kon trekken.

Och, zelfs een misantroop als ik blijft zijn domme illusies houden.

221

Journal

 

Draadje

Dinsdag 15 maart, Groningen

Een zijden draadje. Het zwaard van Damocles. Wie denkt dat onze geschiedenis een rationeel proces is, dat verloopt via bepaalde wetmatigheden, heeft het flink mis. Het is meer een kwestie van wel of niet knappen van zijden draadjes en of die zwaarden van Damocles wel of niet vallen. En het overgrote deel van de mensheid kijkt onmachtig en angstig toe. Hetzelfde geldt misschien wel voor de machtigen die het zijden draadje spannen en het zwaard van Damocles ophangen. Zou Poetin rustig slapen? Dat leger van hem is gammeler dan hij dacht en die Oekraïners stonden helemaal niet te juichen om zijn troepen binnen te halen.

Gisteravond bezocht ik met Kees een lezing van Geert Mak op de campus van de Rijksuniversiteit. Eindelijk zat ik weer eens in een collegebank. Ik zat er niet alleen. De Nederlandse theaters zouden jaloers zijn op de opkomst. In de enorme collegezaal zaten wel vijfhonderd, zeshonderd mensen. Voor de deur een lange rij die de drukte aankondigde. Het was een uitgestelde lezing, eigenlijk had ze twee jaar geleden moeten plaatsvinden. Helaas kwam Covid om de hoek kijken.

Ik luister graag naar Geert Mak. Heldere spreker, goede analyses. Hij spreekt net zo helder als hij schrijft. Het Nederlands taalgebied is gezegend met zo’n schrijver. Nergens meel in de mond of op de pen.

Hoe anders zou de lezing twee jaar geleden zijn geweest. Iedereen zou tevreden zijn geweest met zijn analyses, maar nu merkte je bij de toehoorders een hunkering aan actuele duiding en voorspelling. Over elk onderwerp hing zwaar de schaduw van het Russisch geweld. Maar zelfs Geert Mak moest op sommige vragen het antwoord schuldig blijven. Wat betekent deze oorlog? Hoe gaat hij aflopen? Gaat die Poetin uiteindelijk kernwapens inzetten? Niets is uitgesloten.

Ik schrok erg van het volgende verhaal dat hij vertelde, ik had er nooit eerder van gehoord, Kees ook niet. Het is oktober 1962. Door de Koude Oorlog had de Sovjet-Unie besloten kernraketten op Cuba op te stellen. Uiteraard zeer tegen de zin van Amerika. In die oktobermaand eiste John F. Kennedy ontmanteling van de raketbasis op Cuba en kondigde hij een blokkade voor alle militaire goederen aan. De wereld hield de adem in, vooral toen bleek dat Sovjetschepen met kernkoppen aan boord de blokkade-zone al dicht waren genaderd.

Aan deze periode heb ik levendige herinneringen. Ik was acht jaar en weet nog dat we thuis gespannen het nieuws volgden. Het woord oorlog werd door mijn vader en moeder vaak in de mond genomen. Ik voelde hun ongerustheid

Terecht, zoals later bleek. Vasili Aleksandrovitsj Archipov was gezagvoerder op een Russische onderzeeboot die de opdracht had de Amerikaanse blokkade te doorbreken. Zijn boot werd door dieptebommen naar de oppervlakte gedwongen. Door het lawaai dat die bommen maakten, waren zijn collega’s hoge officieren er van overtuigd dat de oorlog tussen de Sovjets en de Amerikanen was uitgebroken.

Twee van de drie gezagvoerders pleitten daarom voor de inzet van nucleaire torpedo’s. Als Archipov met hun visie had ingestemd waren de torpedo’s afgevuurd en een nucleaire wereldoorlog een feit. Hij hield echter zijn hoofd koel, gaf geen toestemming voor dit plan. En daarmee ontbrak de noodzakelijke unanimiteit om de kernwapens in te zetten. De Russische schepen wendden de steven en al snel ontspande de situatie zich.

Het zijden draadje brak net niet. Het zwaard bleef hangen. In dat geval konden we opgelucht ademhalen.

220

Journal

 

Opa

Maandag 14 maart, Groningen

Krijg je wel eens de vraag wat het meest ontroerende moment in je leven was? Of de meest gelukkige periode? Of wat de meest verdrietige gebeurtenissen in je leven waren en waarom? Ik niet. De mens lijkt niet gemaakt om over essentiële dingen des levens te praten, daarvoor zit er een soort onhandigheid in ons denken. Volgens mij vooral gevoed door schaamte. Jonge, jonge, wat vinden wij het toch erg om ons te schamen. Daarvoor houden we heel wat op en is het pokergezicht uitgevonden, ook wel door mij het masker van Poetin genoemd.

Zo. Laat ik eerst met wat retorische trucjes beginnen, dacht ik. Dat leest vaak lekker. Maar waar het mij om gaat is het meest ontroerende moment in je leven. Laat ik die vraag beantwoorden zonder dat hij aan mij is gesteld. Vooral omdat ik precies weet wanneer en waar dat moment was.

Het vond plaats ergens in 2011. Malu was 1 jaar oud, we waren bij haar thuis in Nes op Ameland. Ik zat op de bank en Malu lag lief tegen mij aan. Ze kon net een paar woorden spreken: mama, papa, woef.
Op een gegeven moment kijkt ze omhoog naar mijn gezicht en haar wijsvingertje gaat naar mijn kin. En uit haar kleine mondje klinkt ietwat vragend: ‘Oopaa?’
Ik wist niet wat ik hoorde. Zo heel erg vaak zag ik haar helaas niet. Zo’n eiland is toch een handicap. Je loopt niet even snel bij elkaar naar binnen. Het zal toeval zijn geweest dat ze mij opa noemde. Die gedachte logenstrafte zij zelf. Opnieuw ging haar vingertje naar mijn kin en opnieuw klonk: ‘Oopaa?’
Sindsdien heb ik, benoemd en wel, de functie van opa. Ik wist meteen dat het een belangrijke en liefdevolle functie is.

Die Fortuin zou meteen in de houding springen en zijn rechterhand naar zijn hoofd brengen en plechtig ‘At your service’ roepen. Ik besloot hun leven zoveel mogelijk op te vrolijken in de hoop dat het leuke mensen worden. Dat leverde mij al snel de eretitel Gekke Opa op.

Je moet weten dat Malu en Joris, die een paar jaar later het levenslicht zag, een keur aan opa’s en oma’s heeft door scheidingen enzo. Al die scheidingen hebben totaal geen invloed op Malu en Joris, die baadden zich in de luxe van het hebben van heel veel opa’s en oma’s. Ter onderscheiding hebben Malu en Joris hen verschillende benamingen gegeven.
Zo is er een Kleine Opa en Oma en ook een Grote Opa en Oma. Ik ben dus Gekke Opa. Waarbij moet worden aangetekend dat Wyb dan weer geen Gekke Oma wordt genoemd. Wyb wordt volstrekt serieus genomen. Zij werd eerst Oma Piep genoemd en kreeg in de loop van de jaren haar gewone naam terug. Nu heet ze weer gewoon Oma Wyb.

Afgelopen vrijdag werd Joris negen jaar. Malu wordt in mei twaalf jaar. Gisteren proefden wij weer het genot van het opa en oma zijn en voetbalden wij op het strand met Dies als hinderlijk element die de bal steeds van ons probeerde af te pakken.

Op een gegeven moment rent Dies met de bal voor zijn neus, geholpen door een lichte bries, richting de zee. Bal en hond verdwijnen in het water van een brede slenk. De bal drijft verder richting zee. Dies geeft het op. En voor dit soort zaken is er oma Wyb. Ze trekt haar broek uit en waadt het koude water in. Bal gered. En ook de pret. Daarna waren er bitterballen op het terras van Sjoerd en ijsjes in het dorp. Feest!

219

Journal

 

Dankbaarheid

Zaterdag 12 maart, Groningen

Gisteren: keelpijn, hoofdpijn, lusteloosheid, koorts. Nou, dan weet je het wel. Meteen afspraak gemaakt voor een test. De afspraak was vanmorgen in een aftandse locatie, de derde wereld waardig. De GGD heeft een perfecte antenne voor troosteloze onderkomens. Zal vast met geld hebben te maken.

Het zal toch niet gebeuren dat ik, op het moment dat covid nauwelijks meer een rol in ons leven speelt, er alsnog door wordt getroffen. Het is niet gek dat ik het krijg. Het vliegtuig naar Krakau afgelopen week zat bomvol. Vooral jonge mensen hebben die mondmaskers al lang weggegooid. En ik word er ook steeds slordiger in. Covid, bestaat dat nog?

Deze ochtend sta ik op en wat denk je: voel me kiplekker. Weg keelpijn, weg hoofdpijn, weg lusteloosheid, temperatuur 36,6. Jammer dat ik die afspraak met de GGD heb gemaakt. Nou die toch staat ga ik natuurlijk. Kan ik nog één keer genieten van de architectonische voorkeur van de GGD.

Met die laatste zin tart ik misschien het noodlot. Wie weet wat voor een varianten er van covid nog opduiken. Ik zie de koppen op de voorpagina al voor me: ‘In Brazilië duikt ergste variant van covid tot nu toe op’. Na besmetting volgt onherroepelijk de dood. Bereid u maar voor, geen geseling blijft ons bespaard.

Toch opmerkelijk hoe snel covid uit het nieuws verdween. Wat zullen al die virologen en leden van het Management Outbreak Team (weet je nog wel) zich verweesd voelen. Zo stond je telefoon altijd te rinkelen en mocht je naar Hilversum afreizen, zo ben je vrijwel van de ene op de andere dag afgedankt. Die verdomde Poetin.

Zo vind ik dat we met meer dankbaarheid afscheid hadden kunnen nemen van Omikron. De variant die ons in eerste instantie angst aanjoeg, de Nederlandse overheid deed als enige land in de Europa meteen de hele boel op slot, bleek toch de meest vriendelijke variant, een geschenk uit de hemel. Door haar mildheid creëerde ze voor ons een uitweg uit de pandemie.

Weliswaar ligt een groot deel van Nederland met griepverschijnselen op bed, zo ligt een groot deel van het theateraanbod stil door covid, maar de ziekenhuizen blijven gespaard. Zorgt die omikron er ook voor dat we op deze manier de kudde-immuniteit bereiken waar Rutte het aan het begin van de pandemie over had? Jammer dat er geen virologen meer aan de babbeltafels verschijnen. Er blijven best wat vragen over.

In ieder geval: omikron, bedankt. Zorg dat je blijft wie je bent. Niks varianten kweken, blijf mild. Je ziet de weldadige uitwerking van mildheid.

En ook over die wappies hoeven we ons geen zorgen te maken. Met de oorlog in Oekraïne hebben ze een nieuw onderwerp om recalcitrant te kunnen zijn. Voor hen is Poetin best een toffe peer en alle schuld ligt bij de Navo. Zie de derde Wet van Tonen: de mens is onverbeterlijk.

218

Journal

 

Blond

Donderdag 10 maart, Groningen

Een open brief gisteren in de Volkskrant opent mij de ogen. De brief is geschreven door ene Niek Adamse, hij schrijft naar aanleiding van de televisie-uitzending van giro 555 waarin Nederland 106 miljoen euro ophaalde: ‘Maar wat zijn we nog steeds wit georiënteerd in dit land. Opgetogen, in hun mooiste jurkjes, stonden de presentatrices voor ons klaar. Zo zagen wij schitteren: Britt Dekker, Chantal Janzen, Wendy van Dijk, Dionne Stax en Eva Jinek. Vijf hoogblonde witte vrouwen met ogen zo blauw als de oceaan. Dit kan toch niet waar zijn anno 2022? Wij hebben in Nederland zo veel talent rondlopen van kleur, dat dit aanvoelde als een belediging naar een significant deel van de bevolking.’

Ik moet meteen denken aan een ontluisterend beeld van vluchtende Oekraïners. Het speelt zich af op een station. Vluchtelingen vechten bijna met elkaar om met een trein naar het westen mee te kunnen. De trein is veel te klein om iedereen mee te nemen. Dan zie we een conducteur een paar zwarte mannen uit de trein verwijderen, het zijn Afrikaanse studenten die in Kjiv studeren. Zij moeten plaatsmaken voor witte Oekraïners.

Maar het meest stuit me toch de tegenstelling tegen de borst op de wijze waarop Oekraïners hartelijk worden verwelkomd (waarvoor alle lof!) en de wijze waarop wij omgingen met de Afghanen die bij de machtsovername van de Taliban Afghanistan moesten ontvluchten.
Ik zie nog het machteloze geslof van de meest incompetente minister ooit Ankie Broekers-Knol. Het mens kreeg alleen wat leven in haar ogen als ze een liedje op televisie mocht zingen. Oh, wat ze dan blij. Maar ze bleef in gebreke als het ging om zaken waar ze voor was aangenomen. Het lukte haar maar niet om opvangplekken voor Afghanen te realiseren. Sterker: ze frustreerde waar ze kon met die andere ministeriële brekebeen, Ank Bijleveld, de komst van Afghanen waar ze kon. Terwijl dat toch mensen zijn die voor Nederland hebben gewerkt. Alleen door hen was het mogelijk voor Nederland om in Afghanistan te werken.

Zie het bestuurlijke getrut van toen en het enthousiasme voor de Oekraïners nu. De Afghanen moesten op stoelen slapen in een overvol Ter Apel. Het lukte niet om duizend extra opvangplaatsen te creëren. Nu draaien we voor 50.000 Oekraïense vluchtelingen onze hand niet om. De xenofobie zit overal in onze samenleving. Ik vermoed zelfs dat dat xenofobe gewoon ordinair racisme is.

Goede open brief Niek Adamse. Dat blonde was mij niet opgevallen.

Twee aantekeningen nog. Ik ben helemaal niet van de woke. De rigide criteria bij kunstaanvragen over diversiteit en inclusiviteit stuiten me zelfs tegen de borst. Zullen we over vier jaar eens kijken hoe streng die criteria nog zijn? In het Nederlandse kunstbeleid verdwijnen criteria die ooit heilig leken als sneeuw voor de zon als een nieuwe staatssecretaris aantreedt. En de kunstinstellingen dansen elke vier jaar weer hun dansje om het gouden kalf.

Laat er geen misverstand over bestaan. Ik vind onze inzet voor de Oekraïners fantastisch. Maar ik had het de Afghanen niet alleen hetzelfde gegund, ik vind zelfs dat ze er recht op hadden, en nog steeds hebben.

217

216

De laatste lezers.

Journal

 

Lang en gelukkig

Dinsdag 8 maart, Groningen

 

Er reizen nu duizenden beren, honden,
olifanten en apen door Europa.
Ze hangen veilig in de armen
van de kinderen die hen stevig
vasthouden en soms hun neus
verbergen in hun zachte vacht.

Zij slapen in de armen van hen
van wie ze houden. Zij brommen niet,
blaffen niet, trompetteren niet en
schreeuwen niet. Zij liggen stil te
slapen tot zij verder trekken naar
het warme huis en een pan met soep.

En als ze weer wakker worden dan
geven beer en hond en olifant en aap
het kind een kus. ‘Het komt allemaal
goed,’ zeggen zij onhoorbaar
in hun oor. Het is een beestenboel,
maar het komt echt allemaal weer goed.

Dan reizen ze verder over bergen en
door bossen met treinen, auto’s en de
benenwagen. En na heel veel nachtjes
is er dan dat huis en die pan met soep. Zie
nou wel, het is allemaal weer goed, zeggen
de beer, de hond, de olifant en de aap.

En dan slapen de beren, de honden,
de olifanten en de apen weer vredig
in een warm bed. Eén ding is zeker:
ze leven samen nog lang en gelukkig.
En de volgende dag hangen zij weer
in de armen als alle dagen daarvoor.

215

Journal

 

Krakau 4

Maandag 7 maart, Groningen

‘En? Was het leuk in het concentratiekamp?’ vraagt Malu (12) in haar jeugdige onschuld als Esmee en ik ’s avonds terugzijn in het hotel na een bezoek aan Auschwitz.
Gelukkig weet ze nog niet dat het woord leuk hier niet op zijn plaats is. Nog een paar jaar en dan zal ze het wel weten. Tenminste, dat hoop ik, want de geschiedenis moet gekend.

Auschwitz is een rechtse directe stoot op je hoofd. Je wankelt, een knock-out dreigt. Hier zie je de slechtste kant van de mens recht in de ogen. Auschwitz illustreert wat ik vaak zeg: de mens is een onverbeterlijk beest. Esmee en ik staan met tranen in de ogen, een knoop in de maag voor de vitrines waarin de overblijfselen van de overledenen liggen: haren, brillen, kleren, schoenen, protheses. Het zouden stapels van 1,1 miljoen kunnen zijn, want zoveel mensen zijn hier op deze kleine plek vermoord. De machine van de dood moet erg efficiënt hebben gewerkt.

Ons weekend staat in het teken van de oorlog en die onverbeterlijkheid. Op vrijdagavond besluiten we vast een treinkaartje voor onze treinreis naar Auschwitz de volgende dag te halen. Tegenover ons hotel staat een ongekend grote shopping mall. Zelfs in China heb ik niet zo’n grote gezien. Het Centraal Station blijkt in de mall te zitten, eigenlijk slapen wij dus naast het Centraal Station van Krakau.

Niets vermoedend volgen we de borden en lopen we twee verdiepingen naar beneden. Eenmaal daar zien we een enorme drukte. Vrouwen en kinderen zitten in grote kringen op banken en op de grond te wachten. Ik verbaas me over de drukte. En pas dan realiseer ik me: dit zijn natuurlijk vluchtelingen uit Oekraïne, zojuist aangekomen.

Esmee en ik voelen beiden meteen de onmacht. We zouden meteen willen helpen, iets willen doen. Maar wat? Met enige schaamte sluiten we aan in de rij voor een kaartje. Sommige kinderen rennen vrolijk achter elkaar aan door de stationshal, anderen zitten met hun knuffels moe tegen hun moeders aan. Honden hangen in de armen van de mensen, katten kijken in mandjes met verbijstering naar al die mensen.

Als we zo in de rij staan, zien we dat de vluchtelingen gelukkig kunnen rekenen op een goede opvang. Mensen met gele hesjes geven aanwijzingen. Er is eten en drinken. Moeders zitten rustig af te wachten. In Polen wonen sowieso tussen de 1 à 2 miljoen Oekraïners, veel vluchtelingen worden opgevangen door familieleden. Anderen worden opgevangen bij Polen thuis of in grotere opvanglocaties.

De Polen veroveren dit weekend ons hart. Ik moet toegeven dat ik een wat donker beeld van ze had door al dat politieke gedoe met de Europese Unie. Maar we ontmoeten diverse buitengewoon vriendelijke Polen. De meeste spreken bovendien best goed Engels. In het Centraal Station zien we dat ze een groot hart hebben.

Die Poetin is vast nooit in Auschwitz geweest.

Na het overlijden van Konstantin Paustovski in 1968, een van mijn lievelingsschrijvers, werd in de la van zijn bureau een notitie gevonden, hierop stond: ‘Wij hebben gewoond op deze aarde, geef haar niet uit handen aan verwoesters, laag volk en leeghoofden.’

 

214

Journal

 

Krakau 3

Vrijdag 4 maart, Krakau

Ik open de gordijnen en zie dat een fijne sneeuw naar beneden dwarrelt. Het lijkt wel kerstmis, denk ik. Die gedachte verdwijnt gauw als ik het laatste nieuws lees. Ik zie dat we mogelijk aan een ramp zijn ontsnapt. Vannacht is er hard gevochten rond de kerncentrale van Zaporizja in Oekraïne. Een deel van de centrale vloog zelfs in brand. Omdat er zo hard werd gevochten kon de brandweer niet blussen. Pas toen de gevechten staakten kon de brandweer aan de slag. Gelukkig met succes.

Een grillig begin van de dag hier in Krakau. Onze al lang geplande stedentrip heeft sowieso een tamelijk navrant karakter gekregen. Twee-, driehonderdkilometer hier vandaag ligt de Pools-Oekraïnse grens en worden tienduizenden vluchtelingen opgevangen.

Ik zoek op Google waar Zaporizja ligt. Het ligt in het zuiden van de Oekraïne, richting Marioepol. Ik tik in hoe ver Krakau er vandaan ligt. Dat blijkt 1341 kilometer te zijn. Met de auto is het 17 uur en 32 minuten rijden. Het ligt dus ongeveer even ver van Krakau als Nederland. Maar ik weet dat 1341 kilometer niet ver is als zo’n ding ontploft. De windrichting en -kracht vormen daarbij belangrijke factoren.

Stel dat er wel iets was gebeurd. Ik vrees voor de paniek die dan in heel Europa was uitgebroken. Hier in Oekraïne hebben ze er ervaring mee met het op hol slaan van de kerncentrale van Tsjernobyl. Ik ben benieuwd hoe Esmee en ik hadden gereageerd. Met dit soort gebeurtenissen zit je toch het liefst thuis, al zegt thuis in dit soort gevallen ook niets over veiligheid. Ik kan me herinneren dat in de tijd van Tsjernobyl een radioactieve wolk over Nederland ging. Ik zat toen in een auto op weg van Leeuwarden naar Enschede.

Gisteravond vroeg Wyb hoe Krakau was. Ik moest eerlijk zeggen dat ik nog geen idee had. Esmee en ik kwamen laat in Krakau aan en namen een taxi naar ons hotel. Daar hadden ze gelukkig drank en raakten we in geanimeerde en diepe gesprekken. We zijn het hotel niet meer uitgegaan. Krakau is prima, maar met zo’n vader-dochter reis zijn de gesprekken toch het belangrijkste.

Journal

 

Krakau 2

Woensdag 2 maart, Groningen

Morgen vlieg ik met Esmee naar Krakau. Het voelt toch een beetje unheimisch om dadelijk tweehonderd kilometer verwijderd te zijn van oorlogsgeweld en mensen die in paniek en vol angst vluchten voor oorlogsgeweld. Lviv, een van de grote steden van de Oekraïne ligt driehonderd kilometer van Krakau.

Twee maanden geleden kwam ik op het idee om met mijn dochters, ieder apart, een lang weekend weg te gaan. Ze zijn nu in de dertig, een gegeven wat ik onvoorstelbaar vind. Hoe was het ook weer toen ze klein waren, hoe spraken ze, hoe roken ze? Met de grootste moeite kan ik het me herinneren. Gelukkig hebben we veel foto’s gemaakt. Lies en ik waren zelf begin dertig toen we besloten kinderen te nemen.

Anne en Esmee zijn inmiddels dames geworden met een totaal eigen leven. Hun levens, mijn leven, het schiet diverse kanten uit. Het leek me daarom goed weer eens samen op stap te gaan, even een paar dagen helemaal samen te zijn. Zij mochten kiezen waar we heen gaan. Esmee koos eerst voor een stad boven de poolcirkel. Het doel: het noorderlicht. Met enig voorzichtig tegenstribbelen van mijn kant, Tromsø is wel erg koud en donker, koos ze ervoor om naar Krakau te gaan. Was ik blij mee, want daar wilde ik zelf al lang heen, vooral omdat we dan Auschwitz kunnen bezoeken.

Anne kiest ervoor om naar Londen te gaan. Eerst noemde ze Bordeaux, maar dat is straks nauwelijks een uitje want ons huisje ligt zo’n honderdvijftig kilometer van Bordeaux, daar gaan we vast vaak komen. Uiteindelijk koos ze voor Londen. Twintig jaar geleden waren we daar ook samen en voor zowel Anne als mij is Londen, samen met New York, onze lievelingsstad. Het zal wel najaar worden voordat we erheen gaan, beiden hebben we het de aankomende maanden druk en zijn we regelmatig het land uit.

Krakau dus. Maar het is een ander Krakau dan twee maanden geleden. Toen we onze vliegtickets boekten, een hotel reserveerden, was er nog geen sprake van oorlog in de Oekraïne. Het zou een onbevangen toeristische reis worden, weliswaar met een beladen en verdrietig doel, Auschwitz. Maar dat is een monument van een oorlog die voorbij is. Een monument dat er ons aan herinnert hoe verschrikkelijk oorlog is en dat het nooit meer oorlog moet worden.

Jammer genoeg heeft niet iedereen dat begrepen. Poetin haalt weer alles uit de kast om dood en verderf te zaaien. In twee maanden tijd is Krakau voor mij van toeristisch doel tot een stad dicht bij oorlogsgebied geworden. Als ik nu moest boeken, zou ik het niet doen. De Polen hebben wel iets anders aan hun hoofd dan toeristen ontvangen, lijkt me. Het voelt decadent om daar nu heen te vliegen. Eigenlijk zouden we erheen moeten gaan om vluchtelingen op te vangen, maar wat heb je aan mensen die in vier dagen op en neer vliegen? Blijft onveranderd dat ik me verheug op een paar dagen met Esmee. Het betekent wel dat Dossiermoddergat een paar dagen uit de lucht is.

213

Journal

 

Eiland

Maandag 28 februari, Groningen

Waar moet je als Blogger in deze tijd over schrijven? Om het uur check ik het nieuws. Het nieuws rond Oekraïne heeft me in zijn greep. Vluchtende mensen, wanhopige mensen, bedreigde mensen, dode mensen, vechtende mensen. In het zuiden van ons land wordt carnaval gevierd. Geen idee hoe ze dat voor elkaar krijgen.

Vandaag gaat de Tweede Kamer kwetteren over de oorlog. Dat zal weer een bak verontwaardiging en gespeelde boosheid opleveren. In dat gremium is een overkill aan verontwaardiging. Maar wat wil je, twintig fracties, hoe speel je je in de kijker? Flink boos zijn, choquerende dingen zeggen, lekker recalcitrant zijn, voluit beledigen, schijt hebben aan verantwoordelijkheid, gewoon lekker kankeren.

Afgelopen zaterdag zag ik nog vier mensen die vrolijk waren. Het waren vier leden van Forum voor Democratie die in Groningen aan het flyeren waren. Een vrouw had een Canadese vlag om haar schouders geslagen en ze maakten met z’n vieren een uitgelaten indruk. Wat is het toch heerlijk als je de waarheid in pacht denkt te hebben en nergens aan hoeft te twijfelen. Op een folder las ik in het voorbijgaan iets over Forumland.

Forumland. Baudet streeft sinds kort naar een eigen zuil, een eigen land zelf. Een gemeenschap met eigen scholen, eigen indoctrinatie, vermoedelijk veel tribunalen en veel imitatie Trump. Zo is Trump met zo’n rood petje groot geworden, Baudet probeert het nu ook met een petje.

Ik stel voor dat we zijn streven volledig ondersteunen. Om de ellende in de Tweede Kamer te dempen stel ik voor een eiland in de Stille Oceaan te kopen. De prijs van die eilanden schijnt erg mee te vallen. Vervolgens betalen we met z’n allen voor die vijftigduizend aanhangers (ja, je leest het goed 50.000!), een enkeltje naar dat eiland. Laten we ze daar lekker Forumlandje spelen. Zij zijn verlost van de Nederlandse dictatuur en wij zijn verlost van een stel aanstellers die het functioneren van de Tweede Kamer zitten te verzieken. En Poetin heeft een plek waar hij straks asiel kan aanvragen.

Misschien is het wel een goed principe. Met het uitstoten van Nilüfer Gündogan door Volt heeft de Tweede Kamer nu twintig fracties (20!). Al die partijen, het is een plaag. Laten we het principe van mijn volle boekenkast aanhouden. Steeds als ik een boek koop, moet ik er een verwijderen. Daarom is dat eiland helemaal geen gek idee. Nilüfer erin, Baudet eruit, hup, snel naar dat eiland. Ik denk dat weinig mensen hier tegen zijn.

Tsja, waar moet je als Blogger in deze tijd over schrijven? Je gaat wat aan wensdenken doen, dromen over een mooiere wereld. Ik ga zo het nieuws maar weer eens checken. Vanmiddag zit ik in de auto naar Nijmegen, ik hoor Wilders nu al verontwaardigd zijn.

212

Journal

 

Tegenmacht

Zaterdag 26 februari, Groningen

In een interview met Bas Heijne lees ik: ‘Ik denk dat je je altijd bewust moet zijn van de voorlopigheid van je eigen opvattingen. In die zin, dat hoe je nu denkt en hoe je tien jaar terug over iets dacht, heel anders kan zijn.’

Dat kun je wel zeggen. Ik verkondig in Dossiermoddergat veelvuldig een mening, poneer ze soms met grote stelligheid. Maar ik weet al te goed dat meningen door andere meningen worden ingehaald en dat de heilige principes die ik heb met het veranderen van de tijd veel minder heilig zijn dan ik ze ooit veronderstelde. Zoals een slang zich zo nu en dan ontdoet van zijn huid, zo ontdoet de mens dat met zijn meningen.

En soms gebeurt dat met schokken. Ernstige gebeurtenissen schudden je door elkaar en door dat schudden krijgen meningen een andere plaats. In deze dagen leven we met zo’n ernstige gebeurtenis. Op zo’n 1200 kilometer van mijn huis is oorlog uitgebroken. Dat is een paar kilometer verder dan de afstand naar ons Franse huis. Al moet ik zeggen dat de Oekraïne altijd ontzettend veel verder weg voor me heeft geklonken dan de Dordogne.

De eerste keer dat ik mocht stemmen, stemde ik PSP, de Pacifistisch Socialistische Partij, dat deed ik voornamelijk voor dat Socialistische in de naam, maar ook zeker voor dat Pacifistische. Nog altijd heb ik weerstand tegen alles wat met leger en met wapens heeft te maken. En dat komt weer omdat ik oorlog een van de meest vreselijke uitvindingen van de mens vindt. Zet deze dagen de televisie aan en je ziet waarom: mensen worden uit hun huizen gebombardeerd, mensen worden gescheiden van elkaar, wanhoop overal, mensen sterven. Waarom? Bijvoorbeeld omdat een gek in het Kremlin vindt dat de oude Sovjet-grenzen moeten worden hersteld. Kan trouwens best zijn dat hij nog dwazere megalomane gedachten heeft.

Maar ik geef toe: ik vrees dat mijn pacifistisch geloof een dwaling is. Dat pacifisme is een prima einddoel, maar ik zie in dat het geen middel is om tot een pacifistische wereld te komen. Je hoeft maar een gek als Poetin te hebben die het spel niet meespeelt en je zit in de oorlogsellende. Tegen de macht van Poetin helpt maar één ding: tegenmacht. Nog nooit ben ik zo voor het ophogen door ons en alle lidstaten van het defensiebudget naar 2% van ons Bruto Binnenlands Product (BBP) geweest, zoals dat binnen de NAVO is afgesproken.

Nu bedraagt ons defensiebudget 1,17% van ons BBP. Overigens geeft dat percentage een geflatteerd beeld van de werkelijkheid. In dat percentage zitten namelijk een heleboel kosten die niet met onze militaire effectiviteit heeft te maken. Hierin zitten ook pensioenen, wachtgelden en andere bijkomende kosten. Als je die niet meerekent, komt Nederland op een percentage van 0,7% van het BBP.

Ik realiseer me dat ik met dit blogje vrienden ga verliezen. Wat is dat nou Tonen? Verander je zo snel van mening? Ja, nee, dat wil zeggen. Zie wat er gebeurt als je geen tegenmacht vormt. Je zou kunnen zeggen dat de oorlog in de Oekraïne misschien niet wordt veroorzaakt door de sterkste, maar juist door de zwakste. Stel dat wij 130.000 manschappen en groot wapentuig om de Oekraïne hadden gezet toen Rusland met de oorlogsopbouw bezig was? Nu weet Poetin dat de NAVO een uitgeklede organisatie zonder werkelijke stootkracht is. Daar komt bij dat de EU een verdeeld en besluiteloze politieke samenwerking is. De zich tsaar wanende schoft voelt zich hierdoor oppermachtig en ongehinderd. Tegenmacht lijkt me van het grootste belang.

Troost voor mijn oude vrienden. Bij de volgende verkiezingen zal ik toch weer Groen Links stemmen.

211

Journal

 

Jacuzzi & oorlog

Vrijdag 25 februari, Lhee

In het huis waar wij deze week op drie honden en twee katten passen staat aan de rand van de tuin een jacuzzi. Wyb is er opgetogen over, verheugd zich op de avond dat wij er eindelijk in kunnen. Storm, regen, regelrecht klote weer weerhoudt ons er dagenlang van om er gebruik van te maken. Gisteravond beleefden wij de eerst stormvrije avond: tijd voor de jacuzzi, zegt Wyb.

Probleem is dat ik niets heb met jacuzzi’s. Ik ben gek op een bad, elke week gaan we zeker een of twee keer in bad. Het is voor mij het ultieme ontspannen. Maar een jacuzzi, nee. Nu kun je zeggen dat een jacuzzi niks anders is dan een bad dat buiten staat. Dat klopt, en daar zit hem de kneep. Ik hou maar beperkt van buiten. In mijn hoofd zitten een aantal taboes. Een zo’n taboe is dat ik nooit overdag televisie kijk, vind ik te decadent. Ergens op dezelfde plek in mijn hersens zit mijn taboe om buiten in een bad te gaan zitten. Doe je gewoon niet. Ik ben een calvinist.

Mijn mening botst op die van Wyb. Voor Wyb is een jacuzzi het toppunt van romantiek. In je blootje in warm water zitten, het firmament boven je, glas wijn in de hand, ver weg een roepende uil. De wind is weliswaar gaan liggen, maar buiten is het nog steeds verrekte koud. Ik probeer Wyb die jacuzzi uit het hoofd te praten. Jammer genoeg is ze onvermurwbaar. Ik zeg dat ik gewoon lekker binnen blijf om naar Arjan Lubach te kijken. Ze haalt haar schouders op: ‘Oké, dan ga ik wel alleen.’

Ik ben een weekhartig mens. Ik kan slecht tegen de teleurstelling van andere mensen. Met tegenzin haal ik mijn badjas, kleed mij uit en loop over een kletsnat gazon in de donkere nacht naar de jacuzzi. Uit het opgepimpte bad straalt ordinair rood licht. Gelukkig weet Wyb dat uit te zetten.
Ik leg mijn badjas op een paar pallets en laat mij in het water zakken. Jacuzzi’s zijn opgeblazen baden, dat staat me ook tegen. Je moet piloot zijn om hem te kunnen bedienen. Overal knoppen, bubbels in allerlei vormen en maten, lichtshows. Wij laten de jacuzzi gewoon een bad zijn.

Daar zit ik dan in het donker in een warm bad. De weerzin verdwijnt niet, voel me eigenlijk voor lul zitten. Waarom gaat iemand in het donker, in de kou in een plens warm water zitten? We drinken twee wijn en kijken naar een knipperend groen lichtje in het bos waar we uitzicht op hebben. We hebben geen idee waar het lichtje vandaan komt, want daar woont toch echt helemaal niemand. Terwijl wij daar verscholen in bad zitten, komt er ook nog een paard en wagen langs. Geen idee waarom iemand met een paard en wagen door de beginnende nacht rijdt.

‘Ik ga naar binnen, hoor,’ zeg ik. Ik vind dat ik genoeg romantiek heb meegemaakt. Ik rijs op uit het water de kou in. Ik neem mij voor echt nooit meer in een jacuzzi te gaan zitten.

De volgende dag schrijf ik dit stukje als ik de honden heb uitgelaten en het huis wat heb gefatsoeneerd. Eindelijk tijd om even te gaan zitten. Ik pak mijn iPhone en lees Teletekst. Tot mijn verbijstering is het oorlog.
Ik bel meteen Wyb die met de auto voor werk naar Nijmegen is. ‘Wyb, het is oorlog, verdomme.’
‘Ja, joh, ik zit al anderhalf uur naar de radio te luisteren. Het is verschrikkelijk.’
‘Maar waarom bel je me niet om het te laten weten?’
‘Het eerste wat jij doet als je uit bed stapt is het nieuws checken.’
Daar heeft ze gelijk in. Die rot honden ook.

211

Journal

 

Voor Cristina Calderón*

Donderdag 24 februari, Lhee

 

Dit zijn de laatste woorden.
Na mijn dood zal niemand ze meer verstaan.
Met mij wordt dit een dode taal.

Onder deze taal ligt mijn voorgeslacht. Jagers,
verzamelaars, boeren, altijd in het open veld.
Zij roepen vanaf dan onverstaanbaar naar elkaar.

Ik hou van jou. Klank, alleen nog klank.
Mijn dood, dat is de harde taal: eens, maar
nooit weer. Voorbij, dichtte de dichter, voorbij.

In mijn graf klinkt de echo van wat eens was.
As. As. As. Lieve mensen, blijf een beetje van
elkaar houden. Ouden, oud, ou.

Zelfs de echo zal mij niet meer verstaan.
Al onze woorden: gewist, verdwenen.
Wij worden een herinnering zonder taal.

 

 

*Cristina Calerón was de laatste die de taal Yamana sprak. Zij is overleden op 16 februari 2022. Yamana werd gesproken in het uiterste zuiden van Chili.

210

Journal

 

Paupers

Dinsdag 22 februari, Lhee

Klassenstrijd, ook al zo’n versleten woord dat is opgeborgen in het archief van de schaamte. Wie durft het woord nog in de mond te nemen? Ook al raken woorden uit de gratie, dat wil niet zeggen dat het fenomeen dat ze benoemen niet meer bestaat.

Midden vorige jaar werd op het circuit van Zandvoort sinds mensenheugenis weer een Formule 1 race gereden. Aantal bezoekers: 70.000. De bezoekers kwamen uit het hele land. Het circuit ligt tegen een Natura 2000 gebied aan. 70.000 mensen die van verre moesten komen. Ze keken naar bolides die per race 135 tot 145 liter benzine slurpen. Het is bovendien een circus dat met complete garages van het ene naar het andere continent vliegt. Ik kan nergens vinden hoeveel stikstof dit evenement veroorzaakte, maar het moet gigantisch zijn geweest

In Drenthe wilden de organisatoren van de het muziektheaterspektakel Het Pauperparadijs voor de derde zomer in het Gevangenismuseum de voorstelling spelen. Het plan was vijftig voorstellingen te spelen met duizend bezoekers per avond. Mooi plan, maar het gaat niet door. Oorzaak: stikstof. 20.000 kaarten zijn er al verkocht. Helaas. Omdat de locatie vlakbij een Natura 2000 gebied ligt, het Fochteloërveen, is de belasting te groot, aldus de ambtenaren die de regels handhaven. De totale uitstoot is 0,01 mol per hectare en dat komt voornamelijk door de drie- tot vierhonderd auto’s die er ’s avonds heenrijden.

Bij het ene evenement is dat totaal geen probleem, bij het andere onoverkomelijk. Bij de Formule 1 gaat het dan ook om het circuit van Zandvoort, waarvan een van de eigenaren een Oranje is (die met die bril), racen is een hobby van het old boys netwerk. Ook de VVD is er gek op. Vroemmm, Vroemmm. Niets mooier dan een bulderende motor.
En och, Het Pauperparadijs, de titel zegt het al: een linkse hobby. Altijd teruggrijpen naar het verleden om het onrecht aan te tonen. Zo gaap.

Mij verbaast het totaal niet dat de voorstelling niet doorgaat. Ik was intensief betrokken bij de realisatie van de eerste voorstellingsreeks. Twee jaar hield ik mij bezig met de politieke besluitvorming hiervoor en het verkrijgen van vergunningen. Nou ja, ‘bezighouden’, ik bedoel eigenlijk: oorlog gevoerd. In totaal heeft het alleen al €100.000 aan adviezen gekost om die vergunningen te krijgen.

Natuurlijk konden wij dat als arme paupers niet opbrengen. Gelukkig wilden de politiek verantwoordelijken heel graag dat de voorstelling door zou gaan. Het was de bedoeling dat Veenhuizen op de lijst van Unesco Erfgoed kwam en daarvoor moesten ze aantonen dat het voormalige gevangenisdorp van cultureel belang was, dat het volop leefde. Die €100.000 werd dan ook totaal door de Provincie Drenthe betaald. En Veenhuizen kwam inderdaad op de lijst van Unesco Erfgoed te staan. Buit binnen. Daarna kon iedereen het weer rustig aandoen.

En nu het absurde. Politiek wilde men graag, ze hadden er ook veel geld voor over. In totaal betaalde de Provincie Drenthe tonnen om de voorstelling mogelijk te maken. Maar ambtelijk werden we op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Werkelijk alle regelgeving haalden ze uit de kast om ervoor te zorgen dat de voorstelling niet door kon gaan. Meest van de pot gerukte eis: onderzoek naar de invloed van de voorstelling op het broedgedrag van de huismus. Kosten: €1.500. Het was één grote lijdensweg en ik heb toen ervaren dat het bijna onmogelijk is om in Nederland een locatievoorstelling te organiseren.

Nu die stikstofproblematiek er nog bij komt, kun je je afvragen hoe lang festivals als Oerol en Lowlands blijven bestaan. Ik weet sowieso dat veel mooie ideeën voor locatievoorstellingen al zijn gesneuveld door inzet van een leger ambtenaren en boekwerken vol regelgeving.

Het schrijnende is natuurlijk dat de echte vervuilers, zoals de boeren, gewoon lekker door ploegen. Als tegen hen daadwerkelijk maatregelen dreigen, rukken ze met hun landbouwapparaten op naar Den Haag. Gevolg: fluwelen handschoenen.

Daarom is zo’n provincie natuurlijk ook zo fanatiek op het niet doorgaan van Het Pauperparadijs. Eindelijk houden ze een keer hun poot stijf, je hoort ze denken ‘zie nou wel dat wij handhaven.’ Flinke jongens, toch maar mooi 0,01 mol per hectare voorkomen. En ze weten ook wel dat die jongens en meisjes van de cultuur geen tractoren hebben om naar Den Haag op te rukken.

209

Journal

 

Un Oeuf

Zondag 20 februari, Lhee

‘Ik heb zo’n trek,’ zegt Wyb. We wachten op Kees en Annemiek die komen lunchen.
‘Dan neem je toch even iets op de vuist,’ zeg ik.
Op de vuist? Hoe lang heb ik die woorden wel niet uitgesproken? Als ik ze tegen Anne of Esmee zou zeggen, weet ik de reactie al: ‘Wat is dat nou weer, op de vuist? Dat is weer een van die ouderwetse uitdrukkingen van je. Je gaat op de vuist. Je neemt niet iets even op de vuist.’

‘Ma, ik heb zo’n honger.’
‘De mensen in de oorlog hadden honger. Wij hebben trek. En als je trek hebt, neem je maar even iets op de vuist.’ Mijn moeder heeft het zo vaak tegen mij gezegd.

Het is sowieso een ietwat nostalgische dag. Het regent hier pijpenstelen (pijpenstelen, ha, ha). De bossen zijn een grote modderzooi. Wyb zit op de bank met haar laptop. Ik lees Liever op reis van Bertien Minco. Ik kreeg het te leen van Connie omdat ik binnenkort naar Krakau ga. De roman gaat enerzijds over een vrouw met Joodse achtergrond die met een gezelschap naar Krakau reist om te mediteren, anderzijds over haar ontdekkingstocht naar de geschiedenis van haar familie. Mooi boek.

Opeens hoor ik een bekende stem. Uit de laptop van Wyb komt de stem van Toon Hermans. Wyb kijkt naar een conference die hij ooit deed over een reis naar Frankrijk. Toon Hermans, hij bezorgde mij een aantal hoogtepunten in mijn jeugd. Als hij op televisie kwam mocht ik opblijven. Met z’n drieën, mijn vader en moeder en ik, zaten we opgewonden voor de televisie te wachten: zou hij net zo goed zijn als vorige keer? Natuurlijk was hij even goed als vorige keer.

Als ik naar Toon Hermans keek, wist ik dat het leven prachtig was. Dat er nog zoveel op mij stond te wachten in het leven, dat er zoveel viel te ontdekken. Ik nam mij voor eindeloos te genieten en misschien wilde ik zelf ook ooit een one-man-show maken. ik slurpte zijn woorden op, genoot mateloos van zijn liedjes en zijn conferences over niets. Ik was een ballonnetje dat danste in de wind aan een draadje naar de zon.

Ik ga naast Wyb zitten om mee te kijken en weet weer waarom ik zo van hem genoot. Eigenlijk doe ik dat nog steeds, ondanks dat Freek de Jonge en Hans Teeuwen het cabaret een geheel nieuw karakter hebben gegeven. Toon Hermans is de stem van mijn jeugd. Hij ontroert me onverminderd. Ik hoor hem zeggen in een conference over het Nederlandse woord ei en het franse woord oeuf: ‘Zoals Shakespeare al zei, ‘un oeuf is un oeuf.’

208

Journal

 

Lhee

Zaterdag 19  februari, Lhee

Eindelijk kan ik weer eens Lhee boven een blog schrijven. Na drie jaar is dit voor het eerst een origineel in Lhee geschreven blog. Deze week passen wij op bij onze voormalige buren, de eigenaren van de onvolprezen Bospub. Zij zijn met hun drie kinderen aan het skiën en wij passen op het huis, hun twee honden, twee katten en drie kippen.

Zoals Het Hijgend Hert bij iedereen in Limburg bekend is, zo is de Bospub dat in Drenthe. De twee zaken hebben een beetje hetzelfde karakter: zeer informele, gezellige eet- en drinkgelegenheid, gelegen in het bos. Iedereen voelt zich er thuis, het eten is eenvoudig, maar prima en vooral veel. Een pannenkoek is hier een echte pannenkoek, een uitsmijter is een maaltijduitsmijter en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Het huisje waar wij vijf jaar hebben gewoond is inmiddels ernstig aangetast. Bij wie ooit bij ons op bezoek is geweest, viel meteen de oude Drentse met riet bedekte schuur op. Wyb en ik vonden hem ook prachtig. Het riet was een zegen voor de vele vogels die bij ons rond het huis vlogen. Helaas heeft de vorige bewoner hem met de grond gelijkgemaakt, de onverlaat. Zo heeft hij ook de hoge taxushaag en onze andere haag, waarvan ik de naam niet ken, zonder pardon een kopje kleiner gemaakt. De vervallen paardenschuur op het einde van onze diepe tuin: gesloopt. De man, ik heb hem nooit ontmoet, was een echte vandaal, geïnfecteerd door het netheidsvirus. Mensen die het virus hebben willen alles strak, schoon en overzichtelijk hebben.

Wyb en ik hebben gelukkig geen last van het virus. En dat is maar goed ook want anders kun je geen hond hebben. Met Dies hebben we zeker een buitengewoon smerige hond in huis gehaald. Dat komt voornamelijk door zijn hobby, het apporteren van stokken en frisbees. Hij heeft de nare gewoonte om ze niet gewoon op te rapen. Door zijn fanatisme maakt hij slidings waardoor zijn poten en hele lijf door de modder of het zand gaan. Aangezien hij lange haren heeft, blijft de modder lekker plakken. Eenmaal thuis laat het vuil zich los waardoor ons huis soms een zandbak lijkt.

Dies is nu terug in het gebied waar hij de eerste maanden opgroeide. Voor hem is het een feest om hier terug te komen, vooral omdat hij dan zijn jeugdvriendin Guus weer ontmoet, een oud-Hollandse herder waarmee hij nog steeds door de bossen raust.
Voor ons is het ook een feest om terug te keren. Toen ik voor het laatst de deur van het huisje dichttrok omdat we naar Frankrijk vertrokken, hield ik het, moet ik bekennen, niet droog. Het huisje zelf, de bossen, het uitzicht, het was inmiddels zo dierbaar geworden. Gelukkig kunnen we er nu weer een week lang van genieten.

De vandaal heeft het huisje als huurder inmiddels verlaten. De eigenaar heeft het voor een astronomisch bedrag verkocht. Ik vermoed dat er nog nooit zoveel geld voor een vierkanten meter is betaald. Maar zoals de makelaars altijd zeggen: het gaat maar om drie dingen bij de verkoop van een huis, locatie, locatie en locatie.

207

Journal

 

Kraamkamer

Donderdag 17 februari, Groningen

Gisteren zat ik na jaren weer eens in de grote zaal van de Stadsschouwburg in Groningen. In de jaren ’80 heb ik hier talloos veel voorstellingen gezien. Van 1983 tot 1990 was ik daar Hoofd Marketing. Al werd het beginjaar gisteren voor mij op losse schroeven gezet.

Wyb en ik zagen gisteravond de nieuwe voorstelling van Jan Beuving, Restante. Een interessante, maar ook gewaagde voorstelling. Het belangrijkste thema van de voorstelling is namelijk zijn geloof. En zoals Jan terecht constateert is praten over de islam geen enkel probleem in het huidig tijdsgewricht, maar durf als Nederlands cabaretier maar eens je gereformeerde geloof aan te snijden. Nu ik dit zo opschrijf, realiseer ik me dat het mogelijk zwaarder klinkt dan het is. Want zelfs als hardcore atheïst heb ik van de voorstelling genoten, al zag ik opeens een totaal andere Jan dan ik gewend ben. Wyb en ik volgen hem al met veel plezier sinds hij afstudeerde aan de Koningsacademie in Den Bosch.

Terug naar de eerste alinea. Voordat Jan optrad was hem gevraagd of hij een half uurtje wilde optreden bij het jubileum van Jolande, die ik vooral ken als een van de caissières van de Stadsschouwburg. Sinds ze Jan ontdekte, is ze een bewonderaar van zijn werk. Zij was, zoals Jan vertelde, nu 41 jaar in dienst. Vorig jaar was haar jubileum namelijk niet gevierd.

En nu komt het. Eén ding is zeker: Jolande en ik zijn in 1983 op precies dezelfde dag samen begonnen om voor de Stadsschouwburg en De Oosterpoort te werken. En 1983 is toch echt 39 jaar geleden. Hoezo jubileum?
Ik begon opeens erg aan mijzelf te twijfelen. Al jarenlang staat op mijn cv dat ik vanaf 1983 in Groningen werkte. Heb ik mij daarin ooit vergist? Was ik daar dan eerder begonnen? Ik kon het mij niet voorstellen maar je weet nooit: het geheugen is een onbetrouwbaar instrument.

Na de voorstelling hebben Jolande en ik elkaar niet gezien aangezien Wyb en ik nog een tijdje met Jan napraatten in de artiestenfoyer. Ik kon het niet nalaten haar vandaag te bellen. Ik moest weten hoe het zat. En ik kon haar dan meteen feliciteren met haar jubileum.
Gelukkig loste zij mijn mysterie op. Mijn geheugen is gelukkig betrouwbaarder dan ik vreesde. Zij bleek twee jaar eerder bij de gemeentelijke accountantsdienst te hebben gewerkt. Daarna kwamen zij en ik als ambtenaar te werken bij de Stadsschouwburg en De Oosterpoort, ze is dus 41 jaar in dienst bij de Gemeente Groningen.

Nog even over die artiestenfoyer. Die ziet er echt prima uit. Dat is nog eens artiesten in de watten leggen. Dat neemt niet weg dat ik er met gemengde gevoelens zat. Ooit was die ruimte het roemruchtige vlakke vloer theater Het Kruithuis. Het was de kraamkamer van diverse generaties theatermakers. Theatermakers uit alle disciplines zetten hier hun allereerste stappen. Wie het nieuwste interessante theateraanbod wilde zien, moest naar Het Kruithuis, geprogrammeerd door de onvolprezen Guus van der Kraan.

Nog altijd vind ik het onvoorstelbaar dat iemand heeft besloten Het Kruithuis te sluiten en er een artiestenfoyer van te maken. Zeker, het was een klein rottheatertje. Er konden maar iets meer dan honderd mensen in en de maten van het toneel waren zeer beperkt. Maar een kraamkamer is een kraamkamer en er is in Groningen, die ooit vermaard was om die kraamkamer, niets voor teruggekomen. Wat mij betreft wordt voor die artiestenfoyer een andere ruimte gevonden.