Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Heimwee

Zondag 22 november, Groningen

De afgelopen weken is mijn fotografie in het slop geraakt. Aan de ene kant had ik het te druk met verhuizen en het geregel dat er bij komt kijken. Aan de andere kant had ik er de rust niet voor. Aan nog een andere kant was het gewoon pet weer waardoor ik niet even lekker met een camera op stap kon. In een enkel geval was mijn iPhone de redder in nood.

Jammer dat het zo’n pet weer was want ik heb een nieuwe camera gekocht. Voor de liefhebber een Ricoh GR iii, ook wel een poor man’s Leica genoemd. Het is een nietig zwart dingetje. Het voordeel van het cameraatje, ik kan het altijd bij me hebben. Ik kan hem zo in mijn broekzak steken, wat vast meer foto’s gaat opleveren.
Ik denk nu zo vaak: had ik mijn camera maar bij me. De camera die ik al had, een Canon 5D Mark IV, is een soort Hummer onder de camera’s, die neem je niet zomaar even mee. Het nietige formaat van mijn nieuwe aanwinst betekent dat ik minder opzichtig foto’s kan maken. Het geheim van dat kleine ding is dat het de techniek en de kracht van een grote camera heeft. Het is een soort wolf in schaapskleren. Het lijkt een onschuldig ding, het is een ongekend sterk beest.

Gisteravond vond ik eindelijk de rust om weer eens achter mijn computer te zitten en wat foto’s up te loaden en te bewerken. Zo zag ik voor het eerst de foto’s die ik op de laatste dagen in Saint-Hippolyte-du-Fort maakte. Op de foto’s veel landschap en wat afscheidsfoto’s van vrienden die we daar hebben gemaakt. Ze bezorgden me een groot gevoel van heimwee.

Het landschap is gemaakt op een van onze laatste wandelingen door de Cevennen in de buurt van Saint-Roman-de-Codières. Op de middelste foto staan Ronald en Wilma die het wijndomein Le Mazelet beheren, op de onderste Pieter en Jolanda, een Nederlands echtpaar dat ook een chambres d’hôtes in Saint-Hippolyte-du-Fort heeft, Les Gens Heureux.
Jolanda wijst naar het raampje dat Wybrich en ik moesten intikken omdat we niet meer in hun huis konden komen toen wij een week op hun huis pasten. Zij zelf zaten in Nieuw-Zeeland, de mensen die op hun huis pasten moesten plotseling terug naar Nederland omdat een familielid overleed. Gelukkig woonden wij in Saint-Hippolyte-du-Fort zodat we hulp konden bieden. Opeens woonden we een week in een andere chambres d’hôtes.

Journal

 

The Queen and the King

Zaterdag 21 november, Groningen

Als hoffotograaf mocht ik een foto maken van the Queen and the King. A great honor.

Journal

 

Gestremd

Zaterdag 21 november, Groningen

Journal

 

Klein bier

Donderdag 19 november, Groningen

Gelukkig, we hebben weer een auto. We hebben altijd een auto gehad, maar de afgelopen anderhalve week mochten we er niet in rijden. Onze Volvo moet opnieuw in Nederland worden ingevoerd en dat levert wat ongemakkelijkheden op. Anderhalve week geleden moest de auto opnieuw worden gekeurd. Bij die keuring werden alle autopapieren ingenomen. Het gevolg was dat wij niet meer mochten rijden. Met een vergunning van één dag konden we de auto terugrijden naar een plek waar we hem konden stallen in afwachting van de Nederlandse papieren.

Een beetje rare gang van zaken want onze auto had een kenteken, al was het een Franse. We waren verzekerd want met dit kenteken mochten we van Frankrijk nog twee maanden in het buitenland rondrijden al woonden we niet meer in Frankrijk. De Nederlandse overheid vond dit blijkbaar te veel coulantie. Zo gauw je je auto in Nederland wil invoeren gelden alle andere buitenlandse regelingen niet meer.

Onze auto stond op die manier anderhalve week eenzaam op een industrieterrein. Niet dat we de auto hebben gemist. We wonen midden in de stad en alles is hier binnen handbereik. Twee nieuwe tweedehands stadsfietsen brengen onze overal heen.
In de tussentijd moesten de bpm naar de Belastingen overmaken. Een bedrag dat we volgend jaar weer terugkrijgen. Hoe zou het toch komen dat de Belastingen het zo druk heeft? Daarna was het wachten op het bewijs waarmee wij nummerplaten konden laten maken. Dit bewijs kwam weer van de RDW (Rijksdienst voor Wegverkeer). Het spreekt voor zich dat elke organisatie zijn tijd nodig heeft.

Gisteren was het eindelijk zover dat we de nummerplaten konden laten maken. Snel naar Kwikfit gereden voor de montage en verdomd, we zien er weer gewoon Nederlands uit. Er staat alleen een 1 op nummerbord omdat de auto is heringevoerd. Geen idee wat daarvan het nut is.

Alles bij elkaar blijkt de Nederlandse bureaucratie toch sneller te werken dan de Franse. In Frankrijk kostte ons de invoer vier maanden. Het lukte ons niet eens omdat zelf te doen. Uiteindelijk hebben we de hulp van Sarah ingeroepen, een buitengewoon kundige dame die ons hielp met het settelen in Frankrijk. Voordeel van Frankrijk is wel dat je auto niet op een zijspoor wordt gezet, we konden die vier maanden gewoon doorrijden.

Wat een gedoe om een auto, heb ik de afgelopen anderhalve week vaak gedacht. In Europa hebben we toch vrij vervoer van personen en goederen. Jammer genoeg geldt dat niet voor auto’s. Een auto in Nederland blijkt iets heel anders te zijn dan een auto in Frankrijk. Elk land heeft er een hele bureaucratische kerstboom voor opgetuigd om auto’s niet Europees te laten zijn.

Geen kwaad woord over Europa, hoor. Ik ben erg voor. Vooral als landen die de rechtstaat aan hun laars lappen voortaan hun subsidierechten verliezen, aldus een nieuw Europees voorstel. De regeringsleiders mogen er vanavond over soebatten. Polen en Hongarije dreigen met een veto. Ik wens Rutte veel succes met zijn standpunt dat hij voet bij stuk zal houden. Het gedoe rond zo’n auto is klein bier, dat zullen die regeringsleiders vast later nog we eens oplossen.

Journal

 

Buikpijn

Woensdag 18 november, Groningen

In dit blog wil ik toch even mijn gelijk halen. Niet dat het zin heeft, ik doe het gewoon voor mijn eigen plezier.
Ik kan mijn gelijk halen omdat in Den Haag deze weken wordt afgerekend. Gisteren zag ik de ex-directeur van de Belastingen jammeren dat hij buikpijn had van de toeslagen-affaire. Hij was inderdaad van begin af aan op de hoogte van de onrechtvaardigheid om bij mensen die het kleinste foutje maakte, of alleen maar verdacht waren, de totale toeslag terug te eisen wat velen niet aan de rand maar in de afgrond deed belanden. En let maar eens op: de mensen die in die afgrond zitten, zijn opmerkelijk vaak van buitenlandse afkomst. Het algoritme werkte perfect.

De ex-directeur liet het begaan omdat het nu eenmaal zo wettelijk was geregeld en je kunt niet tegen de wet ingaan, aldus eigen zeggen. Ondanks dat hij zag (dat wel) dat deze fraude-aanpak een verwoestende uitwerking op mensen had. Tsja, befehl ist befehl, het mechanisme is bekend.

De aankomende week zullen in het bankje voor de parlementaire commissie allemaal best vriendelijke en aardige mensen zitten, allemaal hadden ze buikpijn, ze zullen het allemaal hebben gezien. En wat heeft u toen gedaan? Niets. De wet. Tunnelvisie. Met de wetenschap van nu…
Wij Nederlanders zijn een bang volkje. Het aantal mensen dat zijn nek durft uit te steken in onze samenleving, die tegen de stroom in durft te roeien, is buitengewoon dun gezaaid. In de Tweede Wereldoorlog zaten slechts 75.000 mensen in het verzet. Een veelvoud daarvan was lid van de NSB. Nog meer veelvoud daarvan leidde een zwijgend leven. Horen, zien en zwijgen.

Een ander punt, en daar gaat het me om. Uit evaluaties van het Sociaal Plan Bureau blijkt dat de overheveling van de Jeugdzorg van het Rijk naar de gemeentes één grote mislukking is. Voor wie Dossiermoddergat al jaren leest, weet dat ik dat al wist toen het besluit werd genomen. De Jeugdzorg werd over de schutting naar de gemeentes gegooid met een stevige bezuiniging. De hele operatie was gedoemd te mislukken.
Waarom ik dat wist? Omdat gemeentes buitengewoon zwakke organisaties zijn. Ze kunnen prima het parkeerbeleid regelen en paspoorten uitgeven. Als het om de menselijke factor gaat, de nuance, beleid waarbij visie en daadkracht nodig is, dan is onze laagste overheid gehandicapt. Ik constateerde toen al dat het kader, het management bij gemeentes ontbrak om hier adequaat vorm aan te geven.
Het begint bij deze bestuurslaag al bij de Gemeenteraad. Ik raad iedereen aan diverse raadsvergadering te bezoeken en je zult zien hoe belabberd het niveau is. Het lijkt een speeltuin voor mensen die zich vervelen en/of ergens anders weinig mogelijkheden hebben. Een enkeling uitgezonderd. Het ambtenaren corps bestaat over het algemeen ook niet over mensen die ijzer kunnen breken. Als het gaat om het strikt uitvoeren van regels excelleren ze. Als het gaat om in wijsheid beleid formuleren en uitvoeren, zoals in de Jeugdzorg noodzakelijk is, dan zijn er te weinig mensen die tot zoiets in staat zijn. Tel daarbij de versnippering op die door de gemeentelijke aanpak is veroorzaakt en opnieuw is een uitvoeringsdrama een feit.

Journal

 

Vrijen

Maandag 16 november, Groningen

De tijd verstrijkt en in het verstrijken van die tijd gebeuren onverwachte dingen. Omdat je onderdeel bent van dat verstrijken heb je dat zelf niet door en haalt een andere tijd je in. Grote kans dat je op een gegeven moment als dinosaurus wordt weggezet.

Gisteravond waren Anne en Wouter bij ons voor een heerlijk etentje en dito wijn. Deze combinatie, is mijn ervaring, zorgt ervoor dat de woorden losser komen te zitten. Ik weet niet hoe het ter sprake kwam maar op een gegeven moment deed Anne de onthutsende uitspraak dat ze nooit het woord ‘vrijen’ gebruikte. Ze vond het een ouderwets woord en deed haar aan mij denken. Ik sprak altijd over vrijen en daarom gebruikte ze het in haar eigen relatie nooit. Wyb gooide olie op het vuur door het woord vrijen eigenlijk een zeventiger jaren woord is en noemt het een ‘NVSH-woord’. Wat ik vreemd vind want ik gebruik al twee decennia dat woord in onze relatie en heb nog nooit gehoord dat het een hopeloos ouderwets woord is.

Maar goed, ik wil altijd graag bijleren om maar niet een oude, aftandse, witte man te worden. ‘Wat voor woord gebruik jij dan als je gaat vrijen?’ was mijn vraag. Daar kwam geen helder antwoord op. ‘Maar je moet toch een woord hebben voor het geval jullie gaan vrijen?’ dring ik aan.

Vrijen is sowieso een onderwerp dat niet makkelijk ligt tussen ouders en kinderen. Dat mijn vader en moeder ooit de liefde met elkaar bedreven, ik kon mij er niets bij voorstellen. Als ik mij er al iets bij probeerde voor te stellen, brak ik mijn fantasie meteen af. Het kon niet waar zijn dat hun lijven iets met elkaar deden.
De rollen zijn nu omgedraaid, weet ik. Mijn kinderen kunnen zich er niets bij voorstellen dat wij de liefde bedrijven. Als het al ter sprake komt dan wordt er eerst een ongelovig gezicht getrokken, dat kan niet waar zijn, daarna een vies gezicht, meestal gevolgd door de zin: ‘Hou er maar over op. Ik wil er niets over horen.’ Niet dat ik het onderwerp opdring, helemaal niet. Maar het is natuurlijk onvermijdelijk dat zo’n belangrijk onderwerp wel eens de revue passeert.

Oké, ik gebruik voor de daad van liefde dus een zeventiger jaren woord. Ik wil mij graag aanpassen aan deze flitsende eeuw. Welk woord moet ik dan gebruiken? Ik suggereer het woord sexen, maar dat blijkt al even stoffig als het woord vrijen. Moet ik dan zeggen ‘kom we gaan de liefde bedrijven’? Afkeurende blikken. ‘Kom laten we eens lekker gaan copuleren?’

Uiteindelijk blijkt dat het woord vrijen het best kan worden vervangen door het woord neuken. Ik heb het woord neuken altijd een vervelend woord gevonden. Ik vind het te direct en te hard. Maar als ik me daarmee aanpas aan de tijd, moet ik het woord neuken misschien toch gaan gebruiken. Neuken, het bekt voor mij niet lekker, hetzelfde met het woord kut, dat tegenwoordig iedereen te pas en te onpas gebruikt, het blijven woorden die je in de zeventiger jaren niet zomaar achteloos uitsprak.

Journal

 

Onvervreembaar

Zondag 15 november, Groningen

Elke dag krijg ik een gedicht op mijn tijdlijn in Facebook. Ik ben namelijk ooit de Facebookgroep Hetmooiste Gedicht gaan volgen. Nee, het ontbreken van een spatie tussen Het en mooiste is geen typefout van mij. Zo heet de Facebookgroep, geen idee waarom ze tussen die woorden geen ruimte lieten. Kan een diepere gedachte zijn, kan gewoon een foutje zijn geweest. Kan ook zijn dat de naam Het mooiste gedicht al was bezet. In ieder geval doen ze het nu al jaren zonder spatie.

Ik vind het een mooi initiatief, heb er veel aan. Er zijn weinig dagen dat ik het gedicht lees. Soms heb ik er geen tijd voor om te lezen, soms komt er een gedicht langs dat ik goed ken. Alhoewel dat toch vaak een reden is om het juist te lezen, te herlezen. Ik herlees nauwelijks romans, gedichten daarentegen herlees ik volop. Sommige dichters en gedichten zijn onlosmakelijk met mijn leven verbonden, voer ik al decennia met mij mee. Ook nu hebben ze weer hun plek in mijn kamer ingenomen.

Ik kom er op omdat vandaag een gedicht van Ida Gerhardt op Hetmooiste Gedicht staat. Ik heb het verzameld werk van deze dichteres en moet het toch weer eens uit de kast pakken. Dat is ook wel de functie van Hetmooiste gedicht, het frist mijn geheugen op. Het werk van Ida Gerhardt heb ik eigenlijk nooit herlezen. Dom, want ik vind dat ze prachtige poëzie heeft geschreven.
Zo treft mij vandaag het gedicht Onvervreembaar op mijn tijdlijn. Onvervreembaar, wat een mooi woord. Wat een prachtig gedicht.

Onvervreembaar

Dat wordt ons niet ontnomen: lezen,
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam zijn.

Zij waren het van kinds af aan.

Hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdloze, voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan;
de enige die ons nooit verstoten.

Ida Gerhardt
In: Het Sterreschip, 1979

Journal

 

Een paradijs

Vrijdag 13 november, Groningen

Het is een blije dag. Een hoogtepunt in mijn bestaan. Voor het eerst in jaren heb ik vandaag weer een eigen kamer. Het inrichten kostte wat tijd, maar inmiddels staat alles op zijn plaats. De boeken staan in de kast, de archieven zijn geschikt, het bureau staat op de gewenste plek en vandaag zit ik er voor de eerste keer achter. Wat voelt dat heerlijk, wat heb ik het gemist.

In Dwingeloo stond mijn bureau in de woonkamer. In Saint-Hippolyte-du-Fort had ik niet eens een bureau. Onze monumentale eettafel stond weliswaar in ons appartement maar wij zaten daar nooit. We hadden het te druk, de hele setting van Les Trois Comte was te onrustig. Er was altijd iets te doen, zelfs als er geen gasten waren. Er moest zoveel schoongemaakt, opgeruimd, het huis eiste onze volledige aandacht.

Zo komt het dat ik voor het eerst in acht jaar een eigen bureau heb. Nou ja, eigen. Ik werk aan een geleende tafel van Kees en Annemiek. Maar het is een lekker tafel. Een tafel met een groot blad en veel krassen en slijtplekken, daar houd ik van. Het is een tafel die geleefd heeft. Ik houd niet van steriele tafels, zoals ik ook niet van steriele mensen hou.

Ik heb nu geen enkel smoesje meer om niet aan het een of ander te gaan zitten schrijven. Mijn voornemen is om elke ochtend in ieder geval te werken aan mijn boek over Les Trois Comtes. De titel: Een paradijs met zorgen. Vandaag heb ik het eerste hoofdstuk geschreven.

Dat klinkt stoer, is het eigenijk niet. Het is voor de derde keer dat ik het schrijf. Er was natuurlijk een eerste versie die ik al maanden geleden schreef. Ik was er helemaal niet tevreden over en herschreef het hoofdstuk. Daar was ik wel tevreden over. Maar door allerlei gegoochel met mijn computer, waar ik niet over zal uitweiden, raakte ik het hoofdstuk kwijt. Het verdween in het grote niets. Samen met drie andere hoofdstukken die ik al had geschreven.

Er is niets frustrerender dan een eenmaal geschreven tekst moeten herschrijven. Het kostte me een paar drempels om me daar toe te zetten. Vandaag was er dus geen uitvlucht meer en schreef ik voor de derde keer het eerste hoofdstuk. Tot volle tevredenheid. Ik vermoed, maar dat zullen we nooit kunnen controleren, dat het de beste versie is.

Dossiermoddergat kan van mijn kamer wel eens de dupe worden. Ik heb me voorgenomen eerst aan Een paradijs met zorgen te werken. Mocht er tijd over zijn dan komt Dossiermoddergat als vierde aan de beurt. Want daarvoor zitten nog twee projecten die om aandacht vragen. Daar kom ik nog op terug.

Journal

 

Knutselsport

Donderdag 12 november, Groningen

Eergisteren schreef ik een blog waarin ik uitspraken van Anne en Esmee uit hun jongste jaren opnam. Ik vond ze in een van de dozen waarin ik mijn herinneringen bewaar. Toen ze jong waren maakte ik af en toe een aantekening van hun mooie uitspraken. Een aantal lezers vroeg of ik meer van die uitspraken had. Zeker wel. En aangezien ik er alles voor doe mijn lezers het naar de zin te maken volgen er hier nog een paar. Maar dan houd ik ermee op, hoor.

Anne: ‘Ik ben blij dat we zo’n grote familie hebben, kan ik tenminste veel vertellen.’

Anne: ‘Kom ik dan op televisie?’
Lies: ‘Misschien wel.’
Anne: ‘Moet ik er dan inkruipen?’

Anne gaat op tennissen.
Ik: ‘En Esmee, op welke sport wil jij?’
Esmee die een groot liefhebber van knutselen is: ‘Op knutselsport en dan doen we wie het eerste klaar is.’

We zijn bij mijn moeder die aan het revalideren is in een verzorgingshuis. Tegenover haar ligt een vrouw die de ziekte van Parkinson heeft. Anne kijkt gefascineerd naar haar.
Als we buiten zijn zegt ze: ‘Toch wel erg, hè, als je de ziekte van parasol hebt.’

Esmee kijkt naar de maan die als een klein sikkeltje in de lucht hangt.
‘Papa, als er zo’n klein maantje is, kun je er dan wel op lopen?’

Esmee ziet op de televisie Koningin Beatrix en vraagt: ‘Papa, is dat onze Koningin Beatrix?’
Ik: ‘Natuurlijk is dat onze Koningin Beatrix, niemand heeft verder een Koningin Beatrix.’
Esmee in opperste verbazing: ‘Is er dan maar eentje?’

Esmee: ‘Papa, waarom hebben sommige burgemeesters een hamer?’

Anne: ‘Papa, zijn er nou mensen die weten dat ik op de wc zit.’
Ik: ‘Nee, hoezo?’
Anne: Maar wij moeten toch betalen omdat ik het licht aanheb.’

Esmee: ‘Ik hoop wel dat mijn broek nog past. Ik had gisteren zulke erge groeipijnen.’

Ik heb Esmee mee naar mijn kantoor genomen in De Harmonie. Als wij in mijn kamer zijn wijst ze naar mijn bureau en vraagt: ‘Ben jij daar dan aan het dichten?’

Ome Jan is een paar dagen bij ons nadat hij een zware hartaanval heeft gehad. Hij speelt veel met Anne en Esmee. Op een gegeven moment krijgt hij woorden met Esmee. Die dan zegt: ‘Ik gooi je pillen in de prullenbak en dan ga je lekker dood.’

Anne: ‘Ilke, geloof jij in god?’
Ilke geeft geen antwoord.
Anne: ‘Ilke geloof jij in god?’
Ilke voorzichtig: ‘Ja.’
Anne: ‘Nou, dat geeft niet hoor.’

Anne: ‘Ik wil niet bruin zijn, het jeukt zo.’

Anne: ‘Wie moet ik nou bellen als jullie doodgaan.’

Esmee kijkt in de fotoboekjes over Sri Lanka.
Esmee: ‘Mama, ik wil de Sri Lanka mama van Anne.’
Lies: ‘Waarom?’
Esmee: ‘Die jurk is veel mooier.’

Op weg naar Frankrijk zien we een regenboog.
Anne: ‘Mama, hangt die regenboog in de lucht of staat hij gewoon op de grond?’

Journal

 

Torpedo

Woensdag 11 november, Groningen

Eerst is er de bal.

Dan komt de torpedo.

Journal

 

Koningin op een paard

Dinsdag 10 november, Groningen

Uit de oude doos. Lang geleden op een verjaardag van Anne, varen door de Amsterdamse grachten. Meest overmoedige foto uit de enorme verzameling.

Verhuizen is een sentimental journey. Alles wat je hebt gaat weer eens door je handen. Zo ook de zes gele verhuisboxen die ik al decennia achter me aansleep en waarin ik nooit in kijk. Het zijn dozen vol herinneringen. Gisteren besloot ik de boel toch eens op te schonen. Ik moet me ontdoen van een aantal herinneringen want bij elke verhuizing komt er een doos bij. Ik ben geen verzamelaar, maar als het om mijn verleden gaat wel. Zo heb ik alleen al van de kinderen een museum vol foto’s.

Ik sluit me in mijn toekomstige kamer op en graaf me door de dozen heen. Dat gaat niet snel want ik heb voortdurend de neiging foto’s te bekijken en oude schrijfsels te lezen. Al die dozen vormen mijn totale verleden. Uiteindelijk lukt het me toch een deel van het verleden af te stoten en dat zit nu, met pijn in mijn hart, in drie vuilniszakken om te worden afgevoerd. Zo heb ik, ondanks dat ik steeds ouder word, steeds minder tastbaar verleden. Het is wat. Ik raad iedereen aan een huis te kopen met een grote zolder en nooit te verhuizen, gewoon lekker alles bewaren en stapelen maar.

In de spullen kwam ik aantekeningen tegen die ik maakte van uitspraken van Anne en Esmee toen ze nog erg klein waren. Zie hier onder een bloemlezing. Spreekt voor zich dat de A4’tjes met deze aantekeningen niet een vuilniszak in gaan.

 

Op vakantie. Het is een klaaguurtje. Er zijn muggenbeten, er is hoofdpijn, buikpijn.
Esmee: ‘En ik heb ook honger en dorst.’
Anne: ‘En ik heb hoogtevrees.’

Wij maken in de Vogezen een prachtige zonsondergang mee. De zon daalt als een dikke sinaasappel achter de heuvels.
Anne: ‘Maar papa, als de zon dadelijk op die berg stuitert, rolt hij er dan aan de andere kant af?’

Esmee neemt met een vriendinnetje door op welke clubs ze later willen.
Esmee: ‘Voetbal, tennis, ballet en zonnebanken.’

Esmee ziet een verkeersbord met een poepende hond en een kruis erdoor.
‘Papa, wat betekent dat bord?’
‘Dat honden hier niet mogen poepen.’
Esmee: ‘Wat raar. Honden kunnen toch helemaal niet lezen.’

Anne mag bij de opening van de schouwburg de koningin bloemen geven.
Anne: ‘Kom ik dan in de krant?’
Lies: ‘Misschien wel.’
Anne: ‘Nou, dan doe ik het.’

Anne: ‘Ik hoop wel dat de koningin op een paard komt, dat vind ik wel deftig.’

Esmee: ‘Als je duizend jaar wordt, krijg je veel cadeautjes, maar daar heb je niks aan want dan ben je allang dood.’

Esmee: ‘Bestaat de gemeente?’
Ik: ‘Natuurlijk.’
Esmee: ‘Maar waar is de gemeente dan? Ik heb de gemeente nog nooit gezien, is hij dan dood?’

Anne is met een bal tegen de muur aan het tennissen. Een vriendje vraagt of hij mee mag doen.
‘Ja hoor,’ zegt Anne, ‘natuurlijk mag je meedoen, jij mag de ballen oprapen.’

Esmee: ‘Papa, waarom hebben vaders en moeders die geen kinderen hebben wel een achterbank?’

 

Journal

 

Het Hoge der A

Zondag 8 november, Groningen

Het fijne van verhuizen is dat alles nieuw lijkt te worden, zeg ik met enige overmoed. Of in ieder geval anders, mooier, veelbelovender. Verhuizen poetst het leven en de dingen die je hebt op. Ik pak mijn boeken uit en naarmate ik ze in de boekkast zet ben ik opgetogener dat ik ze heb. De afgelopen jaren stonden ze ook in mijn boekenkast, sommige al decennia, en stonden ze daar een beetje doodgewoon te zijn. Vandaag realiseer ik me dat ze een schat vormen. Het is toch onvoorstelbaar dat ik zomaar de mooiste gedichten die op aarde zijn geschreven uit de kast kan halen en kan gaan zitten lezen. Tijdens het inruimen besef ik de kostbaarheid.

Hetzelfde geldt voor de schilderijen die we hebben. We wikken en wegen waar we ze zullen hangen. De plek waar je een kunstwerk hang bepaalt voor een deel de betekenis van het kunstwerk. Wij hebben een prachtig schilderij van Han Klinkhamer. Het is overweldigend groot en wit. De eerste neiging is om het prominent op de blauwe wand te hangen tegenover de deur waar je de kamer binnenkomt. Maar het schilderij op die plek hangen betekent dat we van het schilderij een pats schilderij maken, we zouden het een proletenstatus geven, iets wat het schilderij juist helemaal niet is. Opnieuw krijgt het witte schilderij een plaats op een witte muur waarmee het bijna wegvalt en het zijn onnadrukkelijkheid behoudt. Ik zie het schilderij namelijk als een ode aan de natuur en het toeval, elke praalzucht is het vreemd. Wat een genot dat we ze hebben en dat ze altijd mee verhuizen.

Ik denk ook, als je verhuisd bent naar een nieuwe omgeving, dat je dan op zijn scherpst bent. Je ziet dingen die je daarna nooit meer ziet. Een korte tijd in die nieuwe omgeving zijn de straten en het leven in die straten nog ontdaan van de vanzelfsprekendheid. Ik had me dat nooit gerealiseerd maar merk het aan mijn fotograferen. Ik fotografeer dan dingen die ik daarna nooit meer zou fotograferen. Verhuizen haalt even de routine, de grijsheid uit het leven, wrijft de wereld weer even fris.

Wyb en ik lopen naar de markt op de Vismarkt, de herfstzon zorgt ervoor dat ons blije gevoel op precies de goede manier wordt belicht. De mensen koesteren zich al bengelend met hun benen over de randen van de kades in het zonlicht. De meesten met een beker koffie in de hand. Bij gebrek aan terrassen vinden ze andere plekken waar het goed toeven is. Wyb en ik nemen ook een koffie bij een van de vele coffee to go uitgiftepunten, een ondernemer moet toch ergens zijn geld mee verdienen in tijden van corona, en zoeken ook een plaatsje aan het water van het Hoge der A.

Journal

 

Het hondje

Vrijdag 6 november, Saint-Hippolyte-du-Fort

Wyb ligt op de bank. Opeens gaat ze rechtop zitten. ‘Och jee.’
‘Wat is er?’
‘Wat stom, wat ontzettend stom.’
‘Wat dan? Zeg het dan.’
‘We zijn iets heel belangrijk vergeten.’
‘Zeg het nou.’
‘Het hondje. We zijn het hondje vergeten.’

De nietsvermoedende lezer denkt nu dat we Dies vergeten zijn. De regelmatige lezer van Dossiermoddergat weet al lang dat we Dies helemaal niet vergeten zijn. Ik weet meteen wat Wyb bedoelt. Verdomme, we zijn het hondje vergeten.

Als het om beeldende kunst gaat hebben Wyb en ik absoluut dezelfde smaak. Het eerste kunstwerk wat wij kochten was een belachelijke impuls aankoop, zoals, later bleek, wij zoveel impuls aankopen deden.
Wyb en ik hadden elkaar twee maanden geleden de liefde bekend. We hadden nog een geheime relatie en om te ontsnappen uit het geheimzinnig doen waren we naar Arnhem gereden. Een plaats waar we later wel wilden wonen. We liepen door een smallere straat in de binnenstad en op hetzelfde moment, echt op het hetzelfde moment, vielen onze ogen op een kunstwerkje dat in een etalage van een Kunstuitleen stond. We vonden het beiden prachtig en besloten het meteen te kopen. Ik weet niet meer wie het, terug in Leeuwarden, mee naar huis nam om het te verbergen.

Een paar jaar later liepen we in Arnhem, waar we inderdaad zijn gaan wonen, een andere Kunstuitleen binnen. Misschien was de Kunstuitleen ook wel verhuisd, deze zat namelijk niet aan die smalle straat in de binnenstad. Onze ogen gleden langs de kunstwerken. Wij hoeven niet lang te kijken om te beoordelen of we iets wel of niet mooi vinden. En weer vielen onze ogen tegelijkertijd op een kleine tegel met een hondje erop. We wisten meteen dat we het wilden hebben.

Het hondje heeft sindsdien op prominente plaatsen in ons huis gehangen. We hielden van het hondje, van het tegeltje. Toen we in Saint-Hippolyte-du-Fort aankwamen hing Erik het op een schouw boven ons fornuis. Het was een soort ereplaats, een groots gebaar dat het daar hing. Het grappige is, natuurlijk geloof ik in toeval, eigenlijk is alles toeval, dat het hondje ongelooflijk op Dies lijkt. Het hondje zit precies op dezelfde manier als Dies.

Aldus het verhaal van het hondje waardoor ik meteen weet wat Wyb met ‘hondje’ bedoelt. Ik vloek. Het hing daar zo mooi onopvallend prominent te zijn in Frankrijk en dan zijn we het vergeten. Het voelt als een soort verraad.
Ik schrijf meteen een mail naar Claire, de Engelse eigenaresse van ons huis in Hippolyte. Ik weet dat ze morgen teruggaat naar Engeland en dat er daarna lang niemand meer in het huis zal zijn. Gelukkig krijg ik al snel een mail terug waarin ze belooft het hondje mee naar Engeland te nemen en het vandaar naar Groningen te sturen. Ik druk haar op het hart het vooral goed in te pakken. Je moet er toch niet aan denken dat het hondje gebroken bij ons terugkomt.

PS. Het is me alweer gelukt om niet over Donald Trump te schrijven.

Journal

 

Het kind van de rekening

Donderdag 5 november, Groningen

Een vraag die veel wordt gesteld: hoe gaat het nou met jullie? Wij zijn druk bezig met het uitpakken van onze bezittingen en een huis in te richten. Ik heb niet echt tijd om na te denken hoe het met ons gaat. Ik denk dat het goed gaat, wij buffelen door. De vraag zou eigenlijk aan Dies moeten worden gesteld. Ik denk dat hij vooral het kind van de rekening is. Van dorpshond naar stadshond.

Wij hebben totaal niet te klagen over de omvang van ons huis. Ik denk dat Dies dat wel heeft. Die is een huis met vier verdiepingen gewend, met brede trappen waar je balletjes vanaf kunt gooien. Nu woont het arme beest op een bovenwoning zonder tuin. Terwijl hij nog wel een tuin met zwembad had. Niet dat hij erin ging zwemmen, ten strengste verboden, maar hij vond het heerlijk om er omheen te draven als er iemand in zwom. Bovendien kon hij in het zwembad balletjes gooien om die er daarna weer uit vissen. Een belangrijke hobby van hem.

Zijn lievelingshobby was ongetwijfeld voetballen. Als ik vroeg of hij wilde voetballen, rende hij naar de keuken en stelde zich als keeper op in de opening tussen de kamer en de keuken. Hier schoot ik dan penalty’s op zijn goal. En ik niet alleen, menige gast heeft geprobeerd hem te passeren.
Komt bij dat hij de veranda zal missen. Net zo als wij trouwens. Die veranda gaf een enorm rijk gevoel, het is een veranda van een omvang die weinigen hebben gezien. Zo kon ik er heerlijk met Dies voetballen. Lekker hard schieten en dan schoot de bal tussen de stenen muren de veranda over. Dies als gek erachter aan. Flipperen met een hond.

Het meest mist hij waarschijnlijk onze gasten. Mensen die niet van honden hielden zagen hem niet, daar zorgden wij wel voor. Gelukkig kwam dat niet veel voor. Dies was trouwens een ster in het veroveren van mensen. Met zijn gekke spelletjes, zoals boven aan de tuintrap liggen en dan de bal met zijn neus van de trap duwen, knikkeren voor honden noemde ik dat, wist hij velen te charmeren. Op menige mobiele telefoon staat een filmpje van het spel dat hij zelf uitvond. Eén ding is zeker: Dies zal nooit meer zoveel gasten zien als de afgelopen anderhalf jaar.

Nu moet Dies het met ons doen. Die ook nog eens druk zijn. Het aantal slaapuren voor hem is ongekend toegenomen. De wandelingen gaan niet meer langs de Vidourle waar hij in kon zwemmen en waar hij stokken uitviste. Hier in Groningen geen wijnvelden waar we doorheen konden dwalen. We laten Dies nu vooral uit in het Noordenplantsoen, het Vondelpark van Groningen, zeg maar. Met dezelfde drukte. Als ik een bal met de werparm gooi stuift Dies traditiegetrouw meteen ver weg. Ik moet oppassen welke richting ik hem gooi want voordat je het weet staat hij al buiten het plantsoen. Als de verhuizing voorbij is moeten we maar veel in de Drentse bossen gaan wandelen. Arme hond.

Journal

 

Geluiden

Dinsdag 3 november, Groningen

De nieuwe vlag en het nieuwe logo voor Dossiermoddergat.

Vannacht voor het eerst in onze nieuwe huis in Groningen geslapen. Altijd spannend om in een nieuw huis te slapen. Pas dan ontdek je de geluiden van een huis -en geluiden kunnen een grote invloed hebben op een mens. Zeker ook op mij.
Zo had ik ooit een huis waarvan de buren een hond hadden, zo’n klein kef ding. Te regelmatig klonk zijn felle geblaf. Ik heb diverse manieren bedacht hoe ik een eind kon maken aan het leven van het hondje. Gelukkig voor het beestje waren de buren te aardig om een van die manieren toe te passen.

Ik kan erg slecht tegen geluiden van buren. Lang geleden stonden we op het punt een huis te kopen aan de Apeldoornseweg in Arnhem. Tot ik hoorde dat er onder ons een pianist woonde. We hebben toen een optie op het huis genomen onder voorwaarde dat we eerst in het huis mochten zijn als de pianist speelde. Konden wij horen hoe gehorig het huis werkelijk was. De pianist wilde daar wel aan mee werken, die had natuurlijk geen behoefte aan zeurende buren. De pianist speelde vijf minuten. Toen wisten wij wel dat we het huis niet gingen kopen.

Elk huis heeft zijn specifieke geluiden. In Dwingeloo werden de avonden en nachten opgeluisterd door dieren die zich onder het dakbeschot hadden genesteld. Het kan best zijn dat een van hen een steenmarter was, het moet veel groter dan een muis zijn geweest. In de lente werden we elke ochtend gewekt door de vele mussen die zich onder het dak hadden genesteld. Op het einde van de zomer tikten keihard de eikels op ons dak.

In Den Bosch hoorde ik ’s nachts ver weg, het leek van diep onder de grond te komen, het brommen van een motor. Ik heb nooit kunnen achterhalen waar het geluid vandaan kwam. Daarnaast gaf de centrale verwarming in het huis een soort tik concert. Om de zoveel tijd klonk er ergens een tik. Een huis heeft zijn eigen gewoontes.

De eerste nacht hier is rustig verlopen. Geen buur gehoord. Het huis heeft zijn geluiden nog niet voor me geopenbaard. Prima. Hoe meer stilte hoe beter. Ik sluit niet uit dat we af en toe worden gewekt door rumoer buiten. In onze straat staan veel studentenhuizen. Tegenover ons is een studentenhuis van Albertus en een van Vindicat. Ik kan me niet voorstellen dat ze elke dag keurig om 23 uur thuis zijn en keurig gaan slapen. Ik heb me voorgenomen me er niet aan te storen. Ik vind het ontzettend leuk om weer in een levendige studentenstad te wonen en dan moet je niet zeuren.

Journal

 

Voorwaarts

Zondag 1 november, Moddergat

Laten we zeggen dat de situatie verwarrend is. Het is voor de eerste keer dat ik verhuis zonder specifiek doel. Eigenlijk altijd had ik een nieuwe baan als ik ging verhuizen. Nu hadden we een baan, het runnen van een chambres d’hôtes, maar toen kwam dat virus dat iedereen wegjoeg. Dus organiseerden wij een terugtrekkende beweging naar het moederland.

Zoals zo vaak is het hoofdkantoor van Dossiermoddergat onze vluchtheuvel. Het hoofdkantoor staat in het rustigste dorpje van Nederland. Als troost is er de zee en het oneindige uitzicht. Maar jullie zouden toch naar Groningen gaan? Zeker. Maar de situatie in ons nieuwe huis is ook tamelijk verwarrend. Overal dozen, onuitgepakt, half uitgepakt, niets staat nog echt op zijn plaats. We besloten eerst een paar dagen in het hoofdkantoor te slapen onder onze bureaus tussen de archiefkasten. Even bijkomen van dagenlang opruimen en schoonmaken en afscheid nemen en 1400 kilometer rijden in één dag. Dan beginnen we maandag met het in orde maken van Groningen, waar we dan voor het eerst willen slapen. Het bed staat er al, dus dat biedt hoop.

Maar goed, dat alles zegt nog niets over mijn psychische toestand in dit niemandsland. Ik heb dus geen professioneel doel meer in het leven. Eigenlijk heb ik mijn werkzame leven nu afgesloten. Ik ben bij menig collega geweest die met pensioen ging en meestal werd die behangen met een ridderorde en vele lovende woorden waarvan ik vaak dacht: nu zijn ze je aan het bedonderen. Voor mij geen ridderorde, die ik ook zeker had geweigerd. Geen grotere onzin dan de woorden: ‘Het heeft de koning behaagd.’ Flikker op. Er zijn gewoon een paar mensen die een brief hebben geschreven waarin ze geschooid hebben om een lintje. Alsof we nog in de middeleeuwen leven. Ook geen lovende woorden voor mij. Mijn werkzame leven eindigt met het dichttrekken van de deur van Les Trois Comtes. Op de terugweg naar Nederland, mijmerend in de auto, heb ik voor mij zelf een afscheidspech gehouden. En werkelijk, ik hield het niet droog.

Ik popel om voor mijzelf aan het werk te gaan. Ik wil nooit meer ten dienste van andere staan. Want dat is, at the bottom line, wat ik mijn hele leven heb gedaan. Ik heb vele kunstwerken mogelijk gemaakt, voor anderen. Ik heb een dienstbaar leven gehad. Als ik het mocht overdoen dan wist ik het wel. Dan zou ik journalist worden, of taxichauffeur.
Leefde ik maar in een sprookje. Een knip met de vingers en alle muren zijn geverfd, de dozen uitgepakt en alles staat op de juiste plek. Ik leef niet in een sprookje, de werkelijkheid is keihard en dat betekent dat we nog zeker veertien dagen bezig zijn voordat we klaar zijn met het inrichten van het nieuwe nest. Jammer, want ik popel om te gaan schrijven aan een nieuw boek en ik wil ook de straat op om te fotograferen. Ik zou hierbij het volgende lied uit mijn linkse jeugd willen aanheffen:

Voorwaarts en niet vergeten,
Wat maakt ons zo sterk in de strijd?
Bij hong’ren en bij eten…
Voorwaarts, niet vergeten
De solidariteit!
Komt te voorschijn uit je holen,
Ook al is het niet voor lang:
Na een week van troost’loos sloven;
Trek naar buiten met gezang.
Nog zijn wij niet met zijn allen,
En nog is ’t maar voor een dag
Dat de velden ons behoren,
En de zon ons koest’ren mag.
Zagen wij de zonne schijnen,
Over bloemen, over gras,
Konden wij dit nooit begrijpen,
Dat dit waarlijk ’t onze was.
Want wij zagen even gloren.
Vrijheid die ons was ontrukt,
Maar wij bleven als te voren
In de modder neergedrukt.
Maar eens zal men ons aanschouwen,
Opmarcherend met gezang
Om ons leven nieuw te bouwen,
Met ons allen en voor lang!

Bertold Brecht

 

Journal

 

La Fin

Zaterdag 31 oktober, Moddergat

La Fin, Het Einde, The End. De laatste handeling: het voor de laatste keer dichttrekken van de deur. We sluiten het verleden, we openen de toekomst.

Journal

 

Reconfinement

Donderdag 29 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort (laatste keer)

Afscheid van de bakker. Wij zagen elkaar elke morgen ergens tussen zeven uur en half acht.

Afscheid van het winkeltje om de hoek. Ideaal om snel nog even vergeten boodschappen te halen.

Een laat blog. Een noodgevalletje. Toen wij bijna twee weken geleden terug reden naar Frankrijk hebben wij natuurlijk overwegen of we wel terug moesten gaan. Stel dat we in Frankrijk vast kwamen te zitten door een lockdown? De conclusie was snel getrokken. Er komt vast nog wel eens een lockdown maar zeker niet binnen twee weken.

Fout dus. Vanaf vanavond 00.00 uur zit Frankrijk opnieuw in een lockdown. Niet zo’n strenge als in het voorjaar, maar hij wordt niet voor niets reconfinement genoemd. Een nieuwe opsluiting. Wij wilden oorspronkelijk zondag terugrijden. Een paar dagen geleden werd dat zaterdag omdat een lockdown met rasse schreden eraan kwam. Vanmorgen, na de toespraak gisteravond van Macron, hebben we besloten morgenvroeg te gaan.

Als we geluk hebben kunnen we nog terug. De Franse regering geeft aankomend weekend de mogelijkheid aan vakantiegangers en buitenlanders om het land te verlaten. Beroerd is dat we een Franse auto hebben. Op het nummerbord is duidelijk herkenbaar dat we uit de Gard komen. Aangezien reizen tussen de regio’s vanaf morgen verboden is zullen we vast worden aangehouden. Hopelijk gelooft de gendarmerie ons verklaring dat we geen huis in Frankrijk meer hebben dat we nu met de laatste spullen terugrijden naar ons nieuwe huis in Nederland.

Deze dagen hebben we ons huis in Saint-Hippolyte-du-Fort nog ziellozer gemaakt. Het is nu duidelijk een huis die in de wachtstand staat in afwachting van een nieuwe toekomst. Wat dat betreft is er een frappante overeenkomst tussen het huis en ons. Wij zitten in eenzelfde soort overgangsperiode. Blanco toekomst vraag om invulling.

Ik heb al een paar keer geschreven dat we langzaam, heel langzaam afscheid wilden nemen deze twee weken. Dat is gelukt. We hebben gegeten met mensen. We hebben het huis opgeruimd en schoongemaakt en verder uitgekleed. Het zorgt er hopelijk voor dat het afscheid zacht zal zijn. Morgenvroeg om zeven uur trekken we definitief de deur achter ons dicht en rijden we in één streep door naar Nederland. Als het meezit tenminste. Even rijden we dan in een soort niemandsland. Geen thuis meer in Frankrijk, geen echt thuis nog in Nederland. Dat laatste gaan we de aankomende week in Groningen realiseren.

Wij druk met de laatste spullen inpakken, in Nice, niet zo heel ver van ons vandaan, worden drie onschuldige mensen gedood door een islamitische gek. Het geloof is een kwaad.

Journal

 

Stéphane

Woensdag 28 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik heb als fotograaf om diverse redenen ontzettend geboft hier in Frankrijk. Op de eerste plaats omdat op de hoek van de Rue Blanquerie, de straat waar ik woon, een fotozaak zit. Een zaakje zoals je die in Nederland drie decennia geleden nog in elke wijk had en nu totaal zijn verdwenen.
Zo’n zaak waar ze een paar fototoestellen te koop hebben, waar ze afdrukken, waar je wat lensjes kunt kopen en waar ze het vooral moeten hebben van het maken van pasfoto’s.

Hoe kan dat nog bestaan, dacht ik toen ik hier kwam. Een domme gedachte want al snel kwam ik erachter dat de fotowinkel van Stéphane Marinangeli in een grote behoefte voorziet. Vanochtend ging ik naar hem toe en vond hem voor het eerst zonder klanten in zijn zaak. Wanneer ik hem ook bezoek, of wanneer ik ook langsloop, en dat doe ik vaak omdat ik Dies uitlaat, zijn er mensen in de winkel.
Nu begrijp ik dat wel. In Nederland is de verkoop van fotospullen volledig verschoven naar online. In grote steden heb je nog fysieke winkels met een uitgebreid assortiment maar zelfs die zijn er om de online verkoop te ondersteunen. In Frankrijk, dat treurig achterloopt in de digitale ontwikkeling, bestaat dat nog niet. Ik vrees daarom wel voor het voortbestaan van de winkel van Stéphane op langer termijn.

Mijn mazzel was dat hij ongekend goede afdrukapparatuur in zijn winkeltje bleek te hebben. En, nog belangrijker, hij heeft het beste fotopapier, precies het fotopapier wat ik in Nederland ook gebruikte. Ik heb volop van zijn diensten gebruik gemaakt, tot vandaag zelfs. Op het eind van de middag kan ik weer een paar afdrukken ophalen. Ik zal Stéphane en zijn winkel erg missen. Ik vroeg vanochtend of ik een foto van hem mocht maken, als herinnering. 
Ik wens hem en zijn winkel veel succes toe.

Ik heb ook geboft als fotograaf in Frankrijk omdat we, ondanks onze harde werken in Les Trois Comtes, veel hebben gereisd. Nou ja, gereisd, we maakten uitstapjes naar andere steden en streken, hebben veel gewandeld. Hierdoor kon ik foto’s maken die ik in Nederland niet had kunnen maken. J’aime les rues de France. Ze zijn breder, of juist veel smaller. Ze zijn ongepolijster, volkser, of juist sjieker. De muren zijn fotogeniek. De huizen melancholieker. Ik vond het een paradijs voor straatfotografen. Zo jammer dat ik een lange tijd immobiel was.

Ander groot voordeel: het licht. Er zijn hier meer zonnige dagen, minder regen, en dat betekent meer kunnen fotograferen. Het licht in Nederland is vaak zo modderig dat er geen goede foto uit is te persen. Enige nadeel was de soms wel heel felle zon, de grote contrasten in het licht. Al leveren die contrasten ook weer kansen op.

Neemt niet weg dat ik me verheug op het noordelijke landschap, de leegte waar ik zo gek op ben. De wolkenpartijen. De rechte lijnen, de vergezichten, de ruimte.

Journal

 

De chef en de bakker

Dinsdag 27 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Er waren uiteenlopende redenen waarom mensen naar Les Trois Comtes kwamen. De meesten kwamen er om vakantie te vieren, velen kwamen er ook omdat ze een bruiloft in St. Felix hadden, waar twee mooie trouwlocaties zijn. Hier worden veel internationale huwelijken gevierd waardoor we gasten uit alle continenten hadden. Soms waren er gasten bij ons met een reden die we niet van tevoren hadden kunnen verzinnen.

Zo was er op een gegeven moment een Zweedse man en een Franse vrouw. We kregen nauwelijks contact met ze. Hij lag hele dagen bij het zwembad niets te doen. Hij leek geen andere interesses te hebben dan alleen maar te liggen. Pas na drie dagen vertelde hij dat hij journalist was, uit Stockholm kwam en voor een grote Zweedse krant werkte. Voordat hij bij ons kwam was hij lange tijd in oorlogsgebied geweest. Hij was naar Soedan geweest en daarna naar Afghanistan, waar hij verslag had gedaan in de tribale gebieden. Het bleek dat hij eerder in Les Trois Comes was geweest voor de totale rust. Zo waren Wyb en ik opeens een handdruk verwijderd van de oorlog.

Niet lang daarna hadden we een Engels gezin op bezoek uit Londen, een echtpaar met twee kinderen. Keurige kinderen. Ze zaten op een internationale school in Londen en spraken daar Frans. Ze werden tweetalig opgevoed. Niet alleen omdat de moeder een Française was en de vader Engels, maar ook omdat ze misschien eens in Frankrijk wilden gaan wonen. Ook tijdens hun bezoek bij ons keken ze met een half oog naar huizen.

Het was een zondag en Wyb probeerde een recept uit. Ze wilde kijken of ze het een keer voor een tables d’hôtes kon gebruiken. De heerlijke geur van het vlees verspreidde zich door het huis. Het duurde niet lang of de Engelsman kwam opgewonden de keuken binnen.
‘Wat ruikt dat heerlijk. Blanquette de veau?’
‘Wat goed dat je dat ruikt,’ zegt Wyb.
‘Maar je hebt er iets heel bijzonders in gedaan. Een kruid, een ongebruikelijk kruid. Dat ruikt zo goed.’
Wyb is ten zeerste verbaasd dat de man zomaar ruikt dat ze blanquette de veau maakt en ook nog eens raadt dat ze er iets bijzonders in heeft gedaan. Want dat heeft ze inderdaad gedaan. Ze vond de blanquette net iets te saai.
‘Wat heb je erin gedaan?’ vraagt de man terwijl hij de deksel van de pan neemt om eens goed te ruiken.
‘Wat denk je? Raad eens?’ Wyb is er van overtuigd dat hij het nooit zal raden.
Hij ruikt nog eens goed.
‘Clove!’ zegt hij triomfantelijk. ‘Ik weet het zeker: clove. Briljant om dat toe te voegen, dat geeft er veel meer karakter aan.’
Inderdaad, kruidnagel. Wyb valt bijna om van verbazing.
‘Hoe kun je dat ruiken? Je hebt wel een hele goede neus.’
‘Ik ben Chef. Ik heb een restaurant in Londen. Ben gek op koken.’
‘En wat voor een restaurant heb je dan?’
‘Eerlijk gezegd heb ik vijf horecazaken. En drie restaurants daarvan hebben een ster.’
Wyb vraagt hoe hij heet. Als hij weer naar boven is googlen we hem en dan blijkt dat hij niet heeft overdreven. We hebben een topkok in huis. We vinden interviews in The Guardian, op BBC. Hij is zo’n beetje de Johnny de Boer van Engeland. Sindsdien volgen we hem op Instagram en Facebook en worden we regelmatig verrast met foto’s van de lekkerste gerechten. Of hij ooit blanquette de veau met kruidnagel ergens op het menu heeft gezet hebben we tot nu toe niet kunnen achterhalen.

Een dag later bleek de werkelijke reden waarom het gezin naar Saint-Hippolyte is gekomen. Ze fietsen naar Saint-Romain-de-Codierès. Dat is niet niks. Het plaatsje ligt slechts veertien kilometer van Saint-Hippolyte maar de smalle weg kronkelt steil de Cevennen in. Met een gewone auto is het al een klim en doe je er langer dan een half uur over. Tenminste als je geluk hebt en geen tegenliggers tegenkomt anders heb je de kans dat je nog tientallen meters achteruit moet rijden om een plek te vinden waar je elkaar kunt passeren. Gelukkig zijn onze Engelse gasten geoefende fietsers, ook de zonen, zo’n twaalf jaar oud, na terugkomst bleken ze de klim te hebben overleefd.

Als ze terug zijn vertelt de vader dat ze speciaal voor Saint-Romain-de-Codierès
naar Les Trois Comtes zijn gekomen. In het plaatsje woont namelijk een biologische bakker die op een speciale manier brood maakt. De Engelsman houdt van brood en hij wil graag het graag proeven en meer weten over de manier waarop de bakker het brood maakt. Van Londen naar ons voor een bakker in Saint-Romain-de-Codierès. Dat had ik nooit van tevoren kunnen verzinnen. Wyb vraagt hoe het brood smaakte. ‘Voortreffelijk.’

Het spreekt voor zich dat Wyb en ik erg nieuwsgierig waren naar de bakker en het brood. Dat wilden we zelf ook wel eens proeven. Diverse keren reisden wij af naar Saint-Romain-de-Codierès
(wat een prachtige naam weer). Steeds was de bakker dicht. Of hij was met vakantie, of het was zondag, terwijl de bakkers in ons dorp toch gewoon werken op zondag, of we waren net te laat. Wij reden altijd met plezier naar dit dorpje. Of was het een hamlet, een buurtschap? Ik weet niet wanneer je van het een of het ander spreekt. Er staan maar een paar huizen, in totaal wonen er 180 mensen in deze gemeente.

Gisteren gingen we naar Saint-Romain-de-Codierès om te wandelen. In en rond het dorp heerst altijd stilte, stilte met magnifiek uitzicht. Omdat het dorp zo hoog ligt, kijk je van alle kanten over de Cevennen heen. Midden in het dorp staat een toren, in die toren is een restaurant met een terras dat het mooiste uitzicht van de Cevennen heeft. Als het mooi weer is kun je zelfs achter de bergen de zee bij Montpellier zien schitteren. Door de herfstkleuren is de toren vandaag fel rood gekleurd, een merkwaardig gezicht. Als we de auto parkeren zien we dat de bakker open is. Eindelijk kunnen we het brood proeven

Na de wandeling, die meer klauteren dan lopen is, ik word echt te oud voor dit soort gehannes over natte rotsen, kopen we een pain multi-grain. Een brood met veel zaden. Het gaat nog warm de broodzak in. Op de terugweg rijd ik, Wyb zit naast me en plukt brood uit de zak. Eindelijk begrijpen we waarom mensen uit Londen speciaal naar hier kwamen voor een bakker. Dit brood is ongekend lekker. We proeven het zuurdesem, de zaden, de stevigheid van het brood. We zouden bijna dagelijks 14 kilometer de berg oprijden om dit brood te halen. Sommige mensen doen dat misschien ook wel want we begrijpen niet dat een bakker kan leven van een gemeenschap van 180 mensen. Ook uit de wijde omtrek moeten mensen toch naar Saint-Romain-de-Codierès voor dit heerlijke brood. We swingen op de bochtige weg terug naar Saint-Hippolyte en genieten van de traktatie.

Journal

 

Blanco toekomst

Maandag 26 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Wat weet je nou werkelijk van je opa? Wat resteert zijn misschien een paar anekdotes, wat indrukken. Maar hoe dacht hij? Wat hield hem bezig? Hoe zag zijn jeugd eruit? Waar hield hij van? Hoe was zijn relatie met zijn ouders? Zijn ouders, jouw overgrootouders, wat weet je daarvan? In mijn geval: eigenlijk niets. Ze zijn gereduceerd tot namen in een stamboom, meer niet.

Maar het is nog pijnlijker. Wat weet ik van mijn vader? Hij heeft op het seminarie gezeten. Heeft dat totaal gefrustreerd verlaten. Maar waarom? Hoe was zijn jeugd? Was hij gelukkig, wat maakte hem blij of verdrietig, waar droomde hij van? Eigenlijk weet ik het niet. Bij leven wilde ik hem nog interviewen, zoals ik ook een paar andere dierbaren had willen interviewen. Elke keer dacht ik: och, dat komt nog wel. Elke keer was ik te laat.

De vader van Wyb wist dat hij nog maar een paar maanden had te leven. Dit keer wilde ik niet te laat zijn en ik interviewde hem in een periode dat de ziekte hem nog niet volledig in haar greep had. En tot verbazing van Wyb vertelde hij mij dingen die ze niet wist. Ik denk dat dit niet uitzonderlijk is. Als je met elkaar leeft, vertrouwd met elkaar bent, denk je al snel dat alles wel verteld is, dat alles duidelijk is. Het voordeel was dat ik een relatieve buitenstaander was en kon doorvragen. Ik nam de tijd om naar hem te luisteren en ik stimuleerde hem om uit te wijden. Zo kwamen er verhalen boven die zelfs zijn naasten niet wisten.

Dit alles bracht mij op het idee om de domeinnaam www.uwleveneenverhaal.nl te registreren. Een van de dingen die ik bij terugkomst in Nederland wil doen is in opdracht biografieën, levensschetsen maken. Die vervolgens, hoop ik, resulteren in mooie boekjes die een blijvende herinnering zijn aan degene die ik heb geïnterviewd.

Ik schrijf er nu over omdat we op drempel staan van een nieuw avontuur. We zijn dadelijk terug in Nederland, en wat dan? Wat gaan we doen? Bij elke verhuizing of nieuwe wending in het leven was er meteen een nieuwe baan, een nieuw doel. Nu niet. Na 1 november wonen we in Groningen en onze toekomst is blanco. We kunnen het leven op allerlei manieren nieuw gaan invullen.

De afgelopen maanden hebben we daar natuurlijk veel over nagedacht. Het resultaat van dat wikken en wegen en nieuwe ideeën bedenken is het bovenstaande idee. Mijn eerste opdracht heb ik trouwens al. Wyb wil toch graag weer iets in de culturele sector gaan doen en is inmiddels in gesprek met een paar organisaties. Ja, ik hou dat even lekker vaag.

Naast mijn biografieën idee ga ik als eerste aan een boek werken over ons Franse avontuur. De titel van het boek: Een paradijs met zorgen. Maar bovenal wil ik weer volop gaan fotograferen. Niks bestuursfuncties hier en daar. Ik heb te vaak in besturen gezeten. Mijn hele leven heb ik anderen gefaciliteerd om dingen mogelijk te maken. Ik wil me niet meer laten afleiden, nu wil ik mijn eigen werk mogelijk maken.

Journal

 

Le Bossens

Zondag 25 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Wij zijn hier om langzaam, heel langzaam afscheid te nemen en dat lukt prima. We doen alles voor de laatste keer en genieten van de dingen nog een keer mateloos. Gisteren voor de laatste keer naar de markt en brocante van Sommierès, daarna lunchen bij Le Bossens, een restaurant in Sauve waar we het meest gegeten hebben.
Niet alleen omdat het eten prima is, maar ook omdat de locatie wonderschoon is. ‘Franser kun je het niet krijgen,’ zei ik altijd tegen gasten die we er mee naar toe namen. Zo zijn er meer locaties maar de kers op de taart is Martine, de uitbaatster. Zij is wat je hier noemt een karakter.
Iedereen die bij Le Bossens gaat eten komt terug met een verhaal over Martine. Soms zit ze op de rand van wel of niet kunnen, soms gaat ze er ook wel overheen. Niemand die daar heeft gegeten vergeet dit restaurant dat ligt op een pleintje aan de indrukwekkende stadsmuur van Sauve. Omdat het zo hoog ligt, heb je prachtig uitzicht over de omgeving. Midden op het pleintje een plataan met witte bollen en feestverlichting erin.

Van Martine en haar vrouw, de kokkin, namen we officieel afscheid en namen een afscheidsfoto. Rechts Martine, aan haar zijde haar vriendin, en rechts een meisje dat ik nooit eerder heb gezien. Als ik in Groningen ergens naar terug ga verlangen, dan zal het zeker naar Le Bossens zijn.
Op zaterdagochtend is er gelukkig een buitengewoon goede markt in Groningen. Maar ik weet zeker dat Wyb en ik als we over de Groninger markt lopen tegen elkaar zeggen: ‘Weet je nog dat we rond deze tijd vaak op de markt van Sommierès liepen.’ Nu ik het opschrijf heb ik al heimwee.

Journal

 

Besmet

Vrijdag 23 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Op de dag dat onze spullen in Groningen arriveerden, woensdag een week geleden, werd ik verkouden. Ik moest niezen en hoesten en het zal iedereen duidelijk zijn waar je dan aan denkt. Covid. Nou kon ik dat niet geloven want Wyb en ik houden op neurotische wijze afstand tot mensen. Bovendien, bij het inpakken van onze spullen, de zaterdag voor die woensdag, had ik steeds op de tocht gestaan. Alle deuren stonden in Saint-Hippolyte-du-Fort open en als het tocht kan ik er donder op zeggen dat ik verkouden word.

Moest ik thuis blijven? Bij de eerste symptomen van Covid moet je je meteen in quarantaine stellen, luidt het advies. Ik vond het een onmogelijke opgave voor iemand die gaat verhuizen en al zijn spullen door een nieuw huis moet dirigeren. Daarom besloot ik de hele dag een mondkapje te dragen en op nog meer neurotische wijze afstand tot mensen te bewaren. Verder voelde ik mij totaal niet ziek. Wat bij Covid-19 niets zegt. De klap kan nog altijd komen.

Dagen daarna werd het niet beter. Vooral op zaterdag voelde ik mij rillerig en voelde ik mijn lijf vechten tegen een onbekende vijand. Gelukkig had ik nog steeds geen koorts. Zondag reden we terug naar Zuid-Frankrijk. Inmiddels voelde Wyb zich ook niet lekker. We hadden dezelfde klachten, verkouden, rillerig. Maar we vonden het geen enkel probleem om in één streep terug naar huis te rijden. Opmerkelijk trouwens dat ik hier ‘huis’ schrijf. Ik deed het spontaan. Dus Frankrijk voelt nog steeds als ons huis. Terwijl onze spullen toch allemaal in Groningen staan.

Die zondag verlieten we de Route Soleil om even langs Paul en Josien te gaan. We vroegen ons af of het verstandig was. Stel dat we inderdaad Covid hadden? Maar we hadden nauwelijks koorts. Ik al helemaal niet, Wyb temperatuurde 37,1. Mag toch geen naam hebben.
We besloten een uur na ons bezoek aan Paul en Josien toch niet in één streep door te rijden. Ibis Budget Hotel in Lyon werd onze slaapplek.

De volgende dag voelden we ons zeker niet beter. De temperatuur van Wyb ging naar de 38. Bij mij stond de thermometer op 37,3. Zie nou wel dat we Covid hadden. Zie nou wel dat het onverantwoord was geweest om langs Paul en Josien te gaan. Stel dat we ze hadden aangestoken? We waren ook diverse kerenbij de moeder van Wyb langs geweest. Je moet er toch niet aan denken dat we haar ook hadden aangestoken.

Dinsdag en woensdag zaten onze lijven tegen ziekte aan. We zetten ons voor de zekerheid in quarantaine, wat we vermoedelijk veel eerder hadden moeten doen. Wat waren we onverantwoord bezig geweest. Op dinsdag hoorden we ook nog dat de moeder van Wyb ziek was en koorts had.
Wyb en ik probeerden een afspraak bij de teststraat te maken. De apotheker had ons al gewaarschuwd dat dit wel eens lang kon duren. Ze hadden het erg druk. Keer op keer belden we. Niemand nam op. Omdat de teststraat dichtbij is, gingen we zelf langs. Er was totaal geen activiteit, de teststraat bleek gewoon gesloten? Ziekte? Vakantie? Pas op het eind van de woensdagmiddag namen ze de telefoon op. Donderdagmorgen konden we langskomen.

We waren inmiddels overtuigd van onze Covid besmetting. Een van de verhuizers had een paar keer moeten niezen. Door hem misschien? Verder zouden we het niet weten. De bubbel waarin wij zitten bestaat uit twee personen. Wie was er verder binnen een straal van twee meter bij ons geweest? We konden het niet bedenken. Een supermarkt? We hadden een paar keer achter groepjes studenten gelopen.

Donderdagmorgen werd ik voor de tweede keer dit jaar getest. Zittend in een auto prikte een verpleegster onaangenaam in mijn neus. Tien uur later hadden we de uitslag. Negatief. Wat dus positief nieuws is. We hadden geen Covid. We hadden dus niemand besmet. Opluchting en we besloten nog voorzichtiger te zijn om dat ellendige virus niet op te lopen. De Franse overheid helpt ons daarbij want sinds vandaag leven we met een avondklok. Na 21 uur mogen we de deur niet meer uit. Pas na 6 uur ’s ochtends mogen we weer naar buiten.

Journal

 

Modderen

Donderdag 22 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

In het voorjaar, midden in de lockdown, zijn we twee keer in Nederland geweest. Het woord dat ik in die weken het meest hoorde was nuchter. Het werd tijdens die intelligente lockdown steeds met enige superioriteitsgevoel uitgesproken. Zie nou wel, wij zijn een nuchter, zakelijk volkje, ons maak je de pis niet lauw. Wij blijven met beide benen op de grond staan en zie eens hoe goed dat werkt: we houden het virus er prima onder.

Inmiddels is duidelijk dat het beeld moet worden bijgesteld. Intussen behoren we tot de slechtste jongetjes van de klas. Van die nuchterheid is niets meer over. Een deel van de bevolking is zelfs knettergek geworden, geloofd dat de mondiale elite een pedofiel netwerk is met satanische rites. Ze zijn aanhanger geworden van een lekkere nuchtere complottheorie.

Daarnaast is er een veel grotere groep, onze jongeren, onze hoop op de toekomst, die zich van god noch gebod iets aantrekt. Deze hedonistisch generatie feest vrolijk door, of ze de ziekte aan papa, mama, opa of oma doorgeven, het zal ze worst wezen. Deze in en in verwende generatie vindt onvoorwaardelijk dat ze recht heeft op een zorgeloze jeugd. Nuchterheid hoort daar niet bij.

Van enige intelligentie bij onze pogingen het virus te bedwingen is weinig over. Met halfwas maatregelen en zwabberend beleid probeert de overheid te redden wat er te redden valt. Voeg dat bij de onmacht en onwil om te handhaven en het virus rukt steeds verder op.
Zoals Herman Pley gisteren tijdens een talkshow zei: Nederland is een land dat goed is in ideeën. Als het op uitvoering uitkomt, gaat het vrijwel altijd fout. Degenen die het moeten uitvoeren doen dat meestal op zijn Jan Boerefluitjes en degenen voor wie de uitvoering is bedoeld trekken zich nergens iets van aan. Ik zou eraan willen toevoegen dat Nederland ook goed is in praten. Wij ouwehoeren wat af.

Niet de nuchterheid karakteriseert ons. Het is vooral het egoïsme, het hyperindividualisme. De ander interesseert ons geen reet. We zijn een land van 17 miljoen Dikke Ikken. In Denemarken, een land dat in veel opzichten lijkt op Nederland, heeft het virus ongelooflijk veel minder toegeslagen. Hoe dat kan, was de vraag aan een Nederlandse arts die daar werkt. Hier in Denemarken bestaat het besef dat ik slechts ik kan zijn omdat het onderdeel van wij is, zo luidde ongeveer zijn antwoord.

Wij zijn een land dat er van overtuigd is dat het Nederlandse elftal bij elk toernooi Europees of wereldkampioen wordt. In al die 65 jaar dat ik leef, is het slechts één keer Europees kampioen geworden. Het zegt veel over ons zelfbeeld. We hebben een misplaats superioriteitsgevoel, zijn zelfgenoegzaam en daardoor lui. Waarom zou een Dikke Ik zich in godsnaam drukmaken? De scherpte is uit onze geest.

Onze geest is voornamelijk gericht op geld verdienen en zo efficiënt mogelijk werken om geld uit te sparen. Zo rekenden ziekenhuiseconomen uit hoeveel ic-bedden wij eigenlijk nodig hadden. Honderden bedden werden vanuit deze berekening wegbezuinigd. Dat bezuinigde lekker weg. Ik ben benieuwd hoeveel deze zogenaamde efficiënte reorganisatie ons aan economische en maatschappelijke schade heeft gekost. Want alle maatregelen worden nu voornamelijk genomen op een ic-capaciteit die is afgestemd op een gemiddelde zonder pandemie. Duitsland heeft hierin een heel andere beslissing genomen en is nu uiteindelijk spekkoper.

En zo modderen we door. We zijn speelbal van ons zelfingenomen zelfbeeld. We lullen ons van incident naar incident en ploegen ons zo steeds dieper de modder in.

 

Journal

 

Benen

Woensdag 21 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Journal

 

Halve vakantie

Dinsdag 20 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

De vriend van Matthieu met glas wijn.

Op zondag rijden we terug naar Hippolyte om, zoals ik het steeds formuleer, op te ruimen, schoon te maken en langzaam, heel langzaam afscheid te nemen van de plek waar we anderhalf jaar hebben gewoond en twee seizoenen een chambres d’hotes runden. Volgens Wyb hebben we nu vakantie. 1 november gaan we terug naar Nederland en we moeten er nu nog even van genieten. Maar Wyb is een optimist. Mijn glas is altijd half leeg. Dus volgens mij hebben we maar een halve vakantie. Er moet best nog iets gebeuren, komt bij dat we in die veertien dagen nog vier dagen een gast hebben. De boel uit handen laten vallen, echte vakantie dus, is er nog niet bij.

Door die halve vakantie krijgt onze terugreis wel een ander karakter dan anders. Als we bij Beaune zijn zegt Wyb dat Paul en Josien hier ergens een huis hebben. Ik bel Paul met de vraag of ze toevallig in Frankrijk zijn, wat het geval is. Ze blijken een half uurtje van ons vandaag te wonen. We rijden de Route Soleil af en sturen de Bourgogne in. Het is een streek die ik nauwelijks ken. Ik word verrast door de heuvelachtige schoonheid, de kleine dorpjes. Hier en daar koeien, hier en daar wijnvelden. Hobbit land in Frankrijk.

Paul heeft het in het leven beter aangepakt dan ik. Hij heeft iets gedaan wat ik niet kon. Namelijk blijven wonen waar je eenmaal woont. Paul en Josien hebben een prachtig huis in Arnhem. Zij hebben hun energie en financiën niet versnipperd door 24x in hun leven te verhuizen. Het gevolg is dat prachtige huis in Arnhem en hier in de Bourgogne een fantastisch opgeknapte boerderij. Want Paul kan nog iets wat ik niet kan: hij is handig. Al die mooie huizen heeft hij kunnen realiseren omdat hij zijn handen uit de mouwen stak.

We blijven niet lang want we het is zeker nog vijf uur rijden naar Hippolyte. Maar als we in de auto zitten en constateren dat we toch wel een beetje vakantie hebben, besluiten we nog naar Die in de Drome te gaan, de geboorteplaats van Dies. Het is, net als Sauve, een plaatsje met veel hippies en leuke horeca. We hopen er Matthieu tegen te komen, degene bij wie Dies is geboren. Die halen we niet want we zijn alle twee al een paar dagen gammel en verkouden. We hopen niet dat we Covid onder de leden hebben. We nemen een hotel in Lyon en nemen onze temperatuur op. Allebei zitten we iets boven de 37 graden.

De volgende dag zitten we eindelijk op het terras waar we Dies in ontvangst mochten nemen. We hebben ons al zo lang voorgenomen hier een keer heen te gaan. Dies lijkt zich te realiseren dat hij op zijn geboortegrond is. Opgewonden liep hij door de straten van Die op weg naar het terras van Le Café de Lys. Het is goed om hier weer te zijn. We herinneren onze tocht twee jaar geleden om Dies op te halen.

Als we daar zo zitten valt me op dat een man steeds naar Dies zit te kijken. Op een gegeven moment komt hij naar ons toe en zegt dat hij een hond heeft die precies op Dies lijkt. We vertellen hem dat Dies hier is geboren en dat we hem van Matthieu hebben gekregen. Matthieu, die kent hij wel. Zijn hond is namelijk ook afkomstig uit een nestje van de hond van Matthieu, het eerste nestje. Het blijkt dus dat de man een half zusje van Dies heeft.

Na een rondje lopen door het plaatsje gaan we terug naar het café voor de lunch. Als we daar in de zon genieten van onze vakantie komt een vriend van Matthieu langs die erbij was toen wij aan Matthieu lieten weten dat wij wel een van de twee hondjes wilden. Terwijl we samen wijn drinken vertelt hij ons dat Dies eigenlijk uit een nest van acht jonge hondjes komt. Dat waren er veel te veel voor Matthieu die in een klein appartement woont en weinig geld heeft. Vandaar dat een vriend van hem er zes heeft gedood. Dies en een zusje bleven over. Het zusje, zo weet hij ons te vertellen, hoedt nu een schaapskudde in de bergen. Die Dies is een mazzelpik, dat is wel duidelijk. Hij overleeft een genocide en hij hoeft geen schapen te hoeden, beesten waar hij zo bang voor is. Zijn zus is blijkbaar een stuk stoerder.

Op het eind van de dag zijn we weer in Saint-Hippolyte-du-Fort. Een goed weerzien.

Journal

 

Nach Hause

Zaterdag 17 oktober, Moddergat

-A’tje onmiddellijk naar beneden komen!
– Waarom?
– Komen, hoor je me niet!

-Jee, wat doe je opgefokt. Wat is er aan de hand?
– Vertel ik je zo, als we er allemaal zijn.
Is er brand of zo?
– Ariane! Opschieten! Waar blijf je!

-Ik was net mijn kleren aan het uithangen. Is er iemand dood of zo?
– Jullie kunnen de koffers weer inpakken. We gaan terug naar huis.
– Wat!?
– Wat is dit voor een flauwe grap?
– We gaan morgen toch varen?
– De mensen in Nederland zijn ontzettend boos omdat we op vakantie zijn gegaan en daarom gaan we terug. Het was inderdaad verkeerd om op vakantie te gaan.
– Maar waarom zijn we dan wel gegaan?
Omdat mama het zo graag wilde, ze had zo’n behoefte aan een verzetje.
– Alex, wat vind ik dat gemeen om mij de schuld te geven.
– Ik zei toch dat we niet moesten gaan.
– Maar toen heb je het aan Mark gevraagd en die zei dat we best konden gaan, dat de mensen wel begrepen dat we keihard hebben gewerkt en behoefte hadden aan vakantie.
– Mark zegt altijd ja, dat weet je ook wel.
– Maar dan zijn we toch politiek gedekt.
– De reacties zijn zo negatief. Natuurlijk had Mark nee moeten zeggen.
– Och, een paar tweetjes op twitter, wat stelt dat voor?
– Niks paar tweetjes. Op elke nieuwszender wordt erover gesproken, de social media staan er bol van.
– Dan kan die Youp van ’t Hek volgende week weer een leuk stukje maken.
– Alexia doe alsjeblieft niet zo flauw. Dit is geen tijd voor grappen. Ik heb oma gebeld en die zegt ook dat we onmiddellijk terug moeten komen, dat we nooit hadden moeten gaan. Zij had dat nooit gedaan.
– O jee, komt je moeder weer om de hoek kijken. Wanneer durf je nou eens zelfstandig te denken?
– Mijn moeder is een wijze vrouw Max, en dat kun je niet van elke vrouw zeggen.
– Suggereer jij nou dat ik niet wijs ben?
– Jij hebt zeker kwaliteiten.
– Wat voor een kwaliteiten dan?
– Jij bent bijvoorbeeld erg goed in pr.
– Ja, was jij dat ook maar. Jij bent niet goed ik pr en ook niet wijs.
– Papa, mama, alsjeblieft, schei nou eens uit met dat bekvechten.
– Precies. Iedereen naar boven en inpakken. Ik heb het toestel al klaar laten zetten.
– Wat zijn we nou voor een losers? Wat moet ik nou tegen me vriendinnen zeggen? Iedereen jaloers dat we lekker gaan varen op de Middellandse Zee, komen we met de staart tussen de benen terug.
– Waarom moeten we altijd naar dat volk luisteren. Wij kunnen toch zelf wel bepalen wat we willen?
– Amalia, je begrijpt er nog niets van. Jij krijgt dadelijk niet voor niets 1,8 miljoen. Voor die 1,8 miljoen moet je wel verstandig zijn
– O god, ik weet echt niet of ik koningin wil worden.
– Dat is voor latere zorg. Allemaal naar boven en inpakken zeg ik. Ik wil niets meer horen. Wir gehen einfach nach Hause.

Journal

 

Bach

Dinsdag 13 oktober, Moddergat

We rijden over de meest saaie snelweg van Europa, ergens tussen Dijon en Luxemburg. Kilometer na kilometer heuvelachtig land zonder bijzondere herkenningspunten. Nergens iets wat markant is. Ik zit achter het stuur, Wyb zoekt muziek op. Opeens klinkt Bach. Wat is het lang geleden dat we naar Bach hebben geluisterd. Zuid-Frankrijk en Bach, ik vind het niet bij elkaar passen. Het is hetzelfde als dat ik ooit een boek van Henk Hofland mee naar Sri Lanka nam. Bach past niet bij de zon. Henk Hofland niet bij de tropen.

Maar nu we door een regenachtig landschap rijden past Bach perfect. We lijken hem opnieuw te ontdekken. We genieten van de partita’s. Wyb zoekt voor mij de partita’s van Yehudi Menuhin op. Het is een kale, rauwe manier van spelen. Hiervoor luisterden we naar een lyrische versie, maar die vind ik niks. Bach vind ik het mooist als hij eenvoudig en streng wordt gespeeld. De versie van Menuhin had ik ooit op plaat en en zijn interpretatie is in mijn hoofd gaan zitten.

‘Als je een stuk van Bach hebt gehoord, heb je ze eigenlijk allemaal wel gehoord,’ zegt Wyb.
‘He? Wat ben je nou aan het vloeken in de kerk?’ zeg ik en ik kijk haar aan.
‘Grapje.’
‘Sick joke.’
‘Ik zal het goedmaken,’ zegt ze even later. ‘Een mooie zondag begint met Bach en eindigt met Lubach.’
We lachen wat af op zo’n eindeloze tocht van Zuid-Frankrijk naar de rand van Nederland.

En als we zo rijden mijmer je wat af. En ik moet denken aan de manier waarop ik heb kennisgemaakt met klassieke muziek. Ik zat op de lagere school (nu basisschool) in Hatert. Een wijk die balanceerde tussen een volkswijk en een wijk voor de lagere middenklasse. Het hoofd van de school was meneer van Oosterhout, hij gaf ook les aan de zesde klas ( nu groep acht) waarin ik zat. Het gezicht van meneer van Oosterhout had wel iets weg van de kop van een bulldog. Hij was een man waar je niet mee kon spotten. Iedereen had respect voor hem.

Toen ik in die zesde klas zat kwam hij op het idee om ’s avonds klassieke muziek te gaan draaien en hij zou er dan iets bij vertellen. Ouders waren ook welkom. En zo kwam het dat wij een keer in de maand met een stuk of tien mensen om een pick-upje zaten geschaard waarvan ik wist dat je die bij de V&D kon kopen.
Meneer van Oosterhout had een koffertje met platen meegenomen. Nam er soms liefdevol een uit, vertelde iets over de componist, de tijd waarin hij leefde, wat hij zoal had gecomponeerd en legde dan plechtig de plaat op het pick-upje. Soms gaf hij ons een opdracht mee. ‘Luister hier nou eens goed naar met je ogen dicht en dan moet je je voorstellen wat de componist met deze muziek wilde verbeelden.’ Later leerde ik dat je je bij muziek helemaal niets hoeft te verbeelden. Muziek is wat het is, muziek. Muziek is zichzelf genoeg.

Maar goed, alle lof voor meneer van Oosterhout. Door hem leerde ik Mozart, Beethoven en Mendelssohn kennen. Of hij Bach heeft gedraaid kan ik me niet meer herinneren. Zijn er nog onderwijzers (tegenwoordig leraren) die ’s avonds in hun vrije tijd klassieke muziek voor hun leerlingen en ouders gaan draaien? Ik hoop van wel.

Journal

 

Regenbogen

Maandag 12 oktober, Moddergat

Daar trekt over de heuvels en door het grote bos. De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch en we praten en we zingen en we lachen allemaal want daar achter de hoge bergen ligt het land van Maas en Waal. En precies bij die woorden rijden we over de grens van Belgie en Nederland en zijn we terug in Nederland. Perfecte timing, het zou geregisseerd kunnen zijn. Met oer-Nederlands lied maken wij onze rentree.

Toen we wegreden uit Saint-Hippolyte-du-Fort was het 24 graden met zon, aangekomen in Moddergat was het 8 graden met regen. Dan weet je dat je weer thuis bent. De hele tocht door werden wij begeleid door regenbogen. Ik denk dat we er wel een stuk of tien hebben gezien. Laten we het beschouwen als een gunstig omen. We hadden veel regen onderweg, de regen kletterde soms ongenadig op de auto, zo hard dat we vaart moesten minderen, maar daarna was er steeds weer een regenboog.

Zaterdagmiddag om 13 uur zaten onze bezittingen in de verhuiswagen en konden de jongens wegrijden voor een volgende klus in Zuid-Frankrijk in de buurt van Nice. We zagen dat onze bezittingen nu nog meer zijn geslonken. Hoe ouder we worden, hoe minder bezit. De verhuizers schatten in dat we zo’n 17 kuub eigendom hebben. Als het aan de verhuiswagen had gelegen hadden we veel meer kunnen meenemen.

Les Trois Comtes lieten we ontzield achter. De sfeer in het huis was toch mede door onze spullen gekomen bleek. Het huis staat per 1 november te koop en of de volgende bestemming een chambres d’hotes is, is de vraag. Het kan ook zomaar 10 jaar leegstaan, zoals het huis tegenover ons. Daar staat 750 vierkanten meter al tien jaar leeg en langzaam te verkrotten. Wat moet iemand met zo’n groot pand, slecht geïsoleerd, voor een groot deels zelfs helemaal niet verwarmd. Het optimaal maken zal een vermogen kosten.

Er waren geen tranen toen we Les Trois Comtes en het dorp verlieten. Dat was ook niet nodig want we komen er aankomende zondag, of daaromtrent, weer terug. Het afscheid doen wij heel traag, we gaan het niet hard af te sluiten, we proberen er langzaam uit te glijden in de hoop dat we op die manier de tranen zo langzaam vloeien dat we ze niet voelen. De laatste twee weken gaan het huis nog opruimen, schoonmaken en van deze en gene afscheid nemen. Pas dan ligt Zuid-Frankrijk echt achter ons. Een ding is zeker: we zullen er vaak terug komen.

Journal

 

Veerkracht

Vrijdag 9 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Zoals bekend zal zijn trekt het hoofdkantoor van Dossiermoddergat zich terug uit Frankrijk om zich opnieuw in Nederland te vestigen. Vestigingsplaats: Groningen. In verband met deze verhuizing zal Dossiermoddergat een paar dagen niet verschijnen. Nog even en de verhuiswagen rijdt voor en zullen de werkzaamheden van de redactie dusdanig verstoord zijn dat werken aan Dossiermoddergat onmogelijk is. 


Met pijn in het hart verlaten we ons mooie kantoor in Saint-Hippolyte-du-Fort. Jammer dat de aandeelhouders van Dossiermoddergat hiertoe hebben besloten. Wij zullen ons Franse kantoor en het Franse leven erg missen. Het is niet anders. Gelukkig dat de redactie een talent heeft voor veerkracht. Op naar Groningen voor nieuwe avonturen. Uiteraard worden die weer vastgelegd in uw lievelingsmedium.

Journal

 

Zwerfhond

Donderdag 8 oktober, Saint-Hippolyte-du-Fort

Menselijk gedoe.

Het is zover. Vandaag hebben we onze laatste gasten vaarwel gezegd. Ze kwamen uit de Alpen en waren drie dagen bij ons omdat hun zoon hier in Hippolyte gaat samenwonen met een meisje dat hier vandaan komt. Voor deze gelegenheid hebben we zelfs hun hond toegelaten, een Australische herder, had Dies ook nog iets aan het afscheid.

Het is niet helemaal waar dat ze onze laatste gasten waren want als we terugkomen uit Nederland komt Damian nog vier nachten bij ons overnachten. Damain komt ook uit de Alpen en is hier een bedrijf aan het opzetten. Een homeopathisch bedrijf dat gaat produceren voor de Amerikaanse markt. Al sinds mei is hij een paar dagen per week onze gast en door hem hebben we dit jaar de enige Amerikaan in huis gehad, zijn zakenpartner uit Los Angeles. Wat een verschil met vorig jaar toen we heel de wereld in huis hadden en we zelfs een week een Amerikaanse familie bij ons woonde.

De gasten waren nog niet weg of de gang vulde zich met een uit een elkaar gehaald bed. Dozen met daarop: breekbaar en dierbaar. Of: keuken, kookboeken. Wij hebben inmiddels een gespecialiseerde bibliotheek. Wyb zeult vele dozen kookboeken met zich mee en van alle boeken die ik ooit had resteren voornamelijk de dichtbundels. Dit alles verpakt in wijndozen. Met de laatste twee zinnen hebben we tevens onze belangrijke liefhebberijen genoemd.

Wyb en ik hebben onze intrek in een van de kamers genomen. Ons appartement, dat voornamelijk als slaapkamer dienst deed, is inmiddels totaal onttakeld. Het stomme is, nu we weggaan voel je ook weer de schoonheid en het bijzondere van het huis. De afgelopen twee jaar keken we vanuit ons appartement uit op de prachtige heuvels van de Cevennen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Verdomme, over drie weken moeten we dat definitief missen en ruilen we het ruige heuvellandschap in voor het vlakke Hogeland van Groningen. Rare benaming Hogeland want een vlakker land in de Europese laagvlakte bestaat niet.

Wij leven nu tussen dozen, ingepakte schilderijen en gedemonteerde meubelen. Wyb en ik zijn nu twintig jaar samen. Het is onze zevende verhuizing: 2x Arnhem, 1x Den Bosch, 1x Meppel, 1x Dwingeloo, 1x Saint-Hippolyte-du-Fort. Nu dus Groningen. En dan reken ik onze pied-à-terre uitstapjes naar Heerlen, Amsterdam en Rotterdam nog niet mee. Gelukkig gaan we nu landen in Groningen, zou ik willen zeggen. Maar ik moet er aan toevoegen dat je het met ons nooit weet. Wyb is een border collie, ik ben een zwerfhond. Ik ben benieuwd of we ons nu eindelijk kunnen beheersen. Zou wel fijn zijn.