Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Nieuw

Journal

 

Aanslag

Zondag 25 september, Cadouin

 

Voordat we naar Frankrijk gaan moet ik nog even naar de kapper, bedacht ik. Ik heb al eerder over mijn haar geschreven. Met de teloorgang van mijn haar is mijn aftakeling begonnen. Eens kon ik mij, qua haar, meten met Johannes Sebastiaan Bach of Jan Vayne. En nu? Een vogelverschrikker met haar van stro. Als mijn haar tegenwoordig langer wordt, lijk ik een soort stekelvarken met slappe stekels. Waar is de tijd gebleven dat ik met originele pijpenkrullen rondliep?

Ik wilde mijn lot niet overlaten aan een Franse kapper die ik niet kende, dus ging ik naar mijn Groninger kapper waar ik inmiddels zo’n vijf, zes keer ben geweest. Mijn kapper is een beroepsouwehoer die werkelijk geen seconde zijn mond houdt. Niks aan de hand want ik luister graag naar hem. Hij nodigde mij uit om plaats te nemen en slaat de kappersslabber om mij heen.
‘Graag in model knippen en niet te kort,’ zeg ik.
Maar wat zie ik? Hij heeft de tondeuse al in de linkerkant van mijn haar gezet. Korter kan het niet.
‘Wat doe je nu? Ik zei niet te kort.’
‘Dit gaat je heel goed staan.’
‘Maar ik wil het niet.’
‘Er is geen weg meer terug. Heb nou maar vertrouwen.’
‘Ik vermoed dat jij het aan de stok krijgt met mijn vrouw.’

Als ik uiteindelijk in de spiegel kijk, zie ik dat de man een aanslag op mijn identiteit heeft gepleegd. Ik ging in de stoel zitten als een man van de wereld met een licht artistieke inslag en ik kom eruit, zoals mijn zwager het formuleert, een man met een CDA gezicht, jaren ’50 gereformeerd. Sinds mijn babytijd heb ik niet zo’n kort haar gehad. Ik zie nu pas dat mijn oren dezelfde vorm hebben als de oren van de duivel. En verdomd, ik begin steeds meer op mijn ex beste vriend JT te lijken, het moet niet gekker worden.

Het is goed dat we de volgende dag naar Frankrijk afreizen. Over tien dagen is het, mag ik hopen, weer wat aangegroeid. Jezus, wat heb ik een langwerpig hoofd, mijn kin is een paar centimeter langer geworden, mijn neus dikker, mijn voorhoofd wordt langer en langer. Ik transformeer in… Geen idee. Het is eng om mee te maken. Dat opgeknipte haar wat tegenwoordig zo in de mode is, associeer ik altijd met het kapsel waar fascisten zo gek op zijn.

Chagrijnig neem ik afscheid van de kapper. Ik weet dat het afscheid voorgoed is. Het is de laatste keer dat hij mij als klant ziet. Mijn andere zwager zegt dat ik naar spruitjes ruik. Wyb zegt dat ik steeds meer op Komrij begin te lijken. Alleen mijn schoonmoeder zegt dat ik nu veel jonger lijk. Geen idee waarom mensen altijd flauwe grappen over schoonmoeders maken.
‘Oh, nou weet ik op wie je lijkt,’ zegt Wyb.
‘Op wie dan?’
‘De burgemeester van Leeuwarden, hoe heet die ook weer?’
‘Buma,’ zeg ik.

Journal d’images

 

Anthonius

Zaterdag 24 september, Cadouin

We bezoeken Château de Campagne in, hoe kan het anders, het plaatsje Campagne in de Dordogne. We lopen de kapel in die aan de ingang is te vinden. Een mooie, lichte ruimte met aan de wand beelden van heiligen. Ik maak een foto van bovenstaand beeld van de heilige Antoine.
‘Wie is dat?’ vraagt Wyb die een gereformeerde achtergrond heeft en daarom niets weet van die wonderlijke heiligen levens.
‘Dat is de Heilige Anthonius van Padua,’ zeg ik tegen haar. ‘Hij wordt door katholieken aangeroepen als ze iets kwijt zijn.’ En ik vervolg: ‘Heilig Anthonius, beste vrind, zorg dat ik mijn sleutels weer vind.’
Dat is precies de reden waarom ik een foto van hem nam. Anthonius doet me meteen denken aan mijn oma. Ik zie haar nog door het huis prevelen: ‘Heilige Anthonius, beste vrind,…’ Anthonius was werkelijk haar beste vriend.

Even later vind ik Wyb terug in een majestueuze plataan. De tuin om Château de Campagne is wonderschoon, er staan zelfs drie sequoia’s. Het zou de mensen passen om zich veel nederiger te gedragen dan ze nu doen.

Journal d’images

 

Bolwerken

Vrijdag 23 september, Cadouin

En daar ligt dan het gezelschap waar ik deze week hele dagen mee doorbreng. Ze bolwerken het niet meer. Te moe, tijd om te rusten.

Journal

 

Aankomsttijd

Donderdag 22 september, Cadouin

 

 

Ik meldde vaak met enige trots dat wij weer eens van Frankrijk naar Nederland reden, of andersom, in één streep. Al enige tijd hebben wij het afgezworen om twee dagen te doen over 1200 kilometer. Dat betekent dat je twee dagen in de reismodus zit. Wyb en ik vormen een ijzersterk duo als het gaan om van Nederland naar Frankrijk te rijden, of andersom. Twee uur rijden, na twee uur wisselen van positie. Over die 1200 kilometer doen we meestal 12 uur, soms 13 uur.

Gisteren verliep alles anders. Waarom? Het kan zijn dat het gezellig was. Anneke reed met ons mee naar Frankrijk en het gesprek was geanimeerd. Het kan ook zijn omdat ik lag te slapen en er een wegomleiding was waardoor we niet opletten. Het komt er op neer dat we een tijdje na Orléans op onze navigatie zagen dat de auto een andere route reed dan gedacht.

Inmiddels wakker constateerde ik dat het niet erg was omdat Google aangaf dat onze nieuwe route zelfs sneller was dan de onze gebruikelijke route. Even later bleek dat we over een nieuwe weg reden die voor een deel nog in aanbouw was. Gevolg: wegwerkzaamheden. Na een wegwerkzaamheid volgde al snel de volgende wegwerkzaamheid. Geërgerd zag ik onze aankomsttijd oplopen.

Het werd helemaal erg toen we bij Angoulème van de snelweg reden. Al op de afrit stond een lange rij auto’s. Vervolgens kropen we, voetje voor voetje, naar de poortjes van de péage. Na de poortjes een survival van de fittest, of liever, een survival van de brutaalste, wie kan zijn auto voor de andere auto’s wurmen. Onze aankomsttijd van zeven uur liep op naar negen uur. Niks in 12 uur van Groningen naar Cadouin.

Uiteindelijk bleek dat we over onze tocht 15 uur hadden gereden. In plaats van in het daglicht kwamen we aan in de donkere nacht. Met onze iPhones zochten we de hoofdkraan van de waterleiding op en liepen vervolgens naar de voordeur. Licht! Thuis!

Voortaan de tocht toch maar in twee dagen doen? Niks ervan. Het is gewoon een kwestie van beter opletten. Nooit meer slapen, als je naast de bestuurder zit. Nooit meer slapen, mooie titel voor een boek.

PS Wij zijn tot zondag 2 oktober in Cadouin. We hebben veel bezoek, dus veel gezelligheid. Dat zal vast een aanslag zijn op Dossiermoddergat. Het onregelmatig verschijnen van een blog wordt in deze periode nog onregelmatiger. De lezer zal het ermee moeten doen.

305

Journal

 

Kluizenaar

Dinsdag 20 september, Groningen

 

Menig keer heb ik in Dossiermoddergat laten weten dat ik graag kluizenaar wil worden. Om een langzame overgang te creëren leek het me een prima idee om taxichauffeur op Ameland te worden. Het leek me heerlijk, een huisje in de duinen waar geen wandelpad langs loopt, af en toe tevoorschijn komen om bij aankomst van een boot mensen naar hun hotel of camping te rijden. En dan weer terug naar mijn huisje in de duinen.

Dat kluizenaarschap kan ik binnenkort mogelijk realiseren. Het huis in de duinen is een huisje in de uitgestrekte bossen van de Dordogne geworden. Taxichauffeur hoef ik niet eens meer te worden, mijn pensioenfondsen en de Nederlandse staat maken elke maand keurig een bedrag over. Ik hoef mijzelf niet eens meer te plagen met een baantje.

Het addertje onder het gras zit natuurlijk in het woordje ‘we’. Kijk, ik wil best kluizenaar worden, maar niet zonder Wyb. Bestaat dat, kluizenaars met een vrouw? Of ben je dan per definitie geen kluizenaar meer? Het zal me eerlijk gezegd een zorg zijn, een afgelegen huis met Wyb en daar in alle rust ons leven leven lijkt me meer dan prima.

Een vriend vroeg afgelopen weekend aan me: ‘Leuk dat geflirt met kluizenaar zijn, maar kun jij dat überhaupt wel?’ Goede vraag. Neem aankomende dagen. Morgen gaan we voor tien dagen naar Cadouin, Anneke, de moeder van Wyb rijdt met ons mee. Ze blijft tot maandag, dan nemen de zus van Wyb en haar man, op weg van Barcelona naar Nederland, haar mee terug. Die maandagavond blijven ze bij ons slapen om de volgende dag terug te gaan. We slapen dan met ons zessen in Cadouin want ’s middags komt Anne vanuit Rotterdam gevlogen. Anne blijft dan tot vrijdag bij ons. Ik bedoel maar, hoezo kluizenaar? En zie de foto’s hier boven, familielol, afgelopen zondag genomen. Wat ben ik voor een kluizenaar die zo aan sociale contacten hecht?

‘Moet je kijken hoe leuk je het vindt als we bezoek krijgen,’ zei Wyb vorige week nog tegen me toen ik klaagde dat we de laatste tijd zoveel mensen zagen.
‘Dat is waar, bezoek tilt me op,’ gaf ik zomaar spontaan toe. Wyb wijst me er altijd weer op hoeveel plezier ik heb als ik in gezelschap ben. En ik gaf het vorige week dus zelf toe: ik ben een kluizenaar van niets.

Dat neemt niet weg dat ik soms een enorme behoefte voel om me terug te trekken en alleen te zijn. Nou ja, alleen, Wyb moet er wel bij zijn, anders vind ik er niks aan. Geen idee hoe dat kan, die terugtrek behoefte. Misschien komt het wel omdat ik enig kind ben, de eerste vijf jaar van mijn leven woonden we op een zolderverdieping op de Broerdijk in Nijmegen. In die vijf jaar zag ik vrijwel alleen mijn vader en moeder. Het was een gelukkige, onbekommerde tijd.

Op mijn vierde bracht mijn moeder mij naar de kleuterschool. Toen ze weg was, zat ik opeens met een heleboel mensen in een klas. Ik voelde mij diep ongelukkig. Ik hoefde niet lang na te denken. Zo gauw de kleuterjuf niet keek, liep ik het gebouw uit, terug naar mijn moeder. Stond ik opeens weer voor de deur. Na die actie besloot ze me nog maar een jaar thuis te houden. Dat vond ze wel zo gezellig. Huis, tuin en keuken psychologie, het zou me niet verbazen als mijn verlangen naar het kluizenaarschap zo is ontstaan.

 

304

Journal

 

Automatische piloot

Maandag 19 september, Groningen

 

 

Het gaat niet goed met het theater in Nederland. Sinds de lockdowns lijkt een deel van het publiek niet terug te komen. Mensen in het vak zijn naarstig op zoek naar oorzaken? Moet men weer wennen aan zalen waar veel mensen zitten? Is voor veel mensen door de lockdowns de gewoonte doorbroken om naar het theater te gaan? Of is het theater, zeker in deze tijden van inflatie en dure energiekosten, gewoon te duur? Of hebben streamingsdiensten als Netflix tijdens de pandemie een deel van het publiek van het theater afgepakt?

Eerlijk? Ik denk dat er meer aan de hand is. Het wegblijven van het publiek heeft een veel fundamentelere oorzaak. Ik vermoed dat het ligt aan de kwaliteit van het theater. Die kwaliteit is op een aantal manieren aangetast. Het gevolg is dat het publiek het wel gelooft, het risico om voor een slechte of minder goede voorstelling te gaan betalen is te groot. En dan heb ik het specifiek over voorstellingen die plaatsvinden in de traditionele theaters, het avondje-uit.

Het is toch opmerkelijk hoe vaak ik tijdens de pandemie hoorde: ‘Het theater, weet je, ik mis het eigenlijk helemaal niet.’ Sowieso was theater nauwelijks een onderwerp van gesprek. Pas na enig lobbywerk kwam de problematiek van het theater in het zicht van de bestuurders. In de begin van de pandemie leek het theater vergeten. Maar dit terzijde.

De kwaliteit van het theater is denk ik op de volgende manieren uitgehold. De afgelopen dertig jaar heeft in de traditionele theaters nauwelijks innovatie plaatsgevonden. En dan bedoel ik dat zowel artistiek inhoudelijk als qua dienstverlening. Nergens zag ik nieuwe concepten of ideeën. Wie de seizoensbrochures van nu vergelijkt met dertig jaar geleden ziet nog steeds dezelfde programmaring, de opzet is een resterende breuk, zelfs de namen zijn veelal hetzelfde. Voor de zoveelste keer… laat ik geen namen noemen. Het maakt zelfs op mij, als liefhebber, een sleetse indruk.

Maar het belangrijkste is misschien wel de kwaliteit van de afzonderlijke producties. Te veel producties zijn te makkelijk en te snel gemaakt. Er was te weinig geld om langer te repeteren, terwijl dat absoluut noodzakelijk was. De productie ziet er te goedkoop of oubollig uit, ook hier is het gebrek aan geld de oorzaak.
En dan altijd weer datzelfde concept: je bewerkt een boek, of je pakt een actueel thema, je zet er wat BN’ers of bekende acteurs in en succes lijkt verzekerd. Als het af is, weet niemand wat de noodzaak was om die voorstelling te maken. De bedrijfseconomische continuïteit van de producent was uiteindelijk de belangrijkste drijfveer.

Daarnaast er is er natuurlijk, wat de gesubsidieerde producenten betreft, de productiedwang. Op jaarbasis moeten er nu eenmaal een x-aantal voorstellingen worden gemaakt. Wat zullen we dit seizoen nu eens gaan maken? Die en die heeft nog wel een mooi idee en hatseflats daar stort het gezelschap zich weer in een nieuw avontuurtje. Was het echt nodig om die voorstelling te maken? Nee, maar de productiecriteria voor de subsidie is gehaald.

Het wegblijven van het publiek in de reguliere theaters staat in schrille tegenstelling tot de belangstelling voor festivals en locatievoorstellingen. Het heilig vuur van makers lijkt daar nog te branden, niet voor niets dat het publiek dat vuur herkent en daar met plezier in grote getale heengaat.
Het wordt volgens mij hoog tijd dat de traditionele theaters en producenten het lef hebben om naar de kern van hun activiteit te kijken: de kwaliteit van de producties die ze maken. Misschien helemaal niet zo vervelend dat het publiek wegblijft. Ik hoop dat het uiteindelijk een impuls is om zichzelf opnieuw uit te vinden.

Eén suggestie: minder produceren, maar wel veel beter, zou al een zegen zijn. Laten we de automatische piloot uitschakelen.

Journal d’images

 

Familielol

Maandag 19 september, Groningen

Familielol in het Groninger Forum.

303

Journal d’images

 

Billen

Vrijdag 16 september, Groningen

Afzender: Groninger Studenten Schaatsvereniging.

Het huis van het weekdier

 

 

 

Ik ben een rivier in de winter, treed
altijd buiten mijn uiterwaarden,
een leven lang watersnood.

In mijn land geen waterbeheersing,
altijd braken dijken, verdronken
koeien, paarden op eilanden.

Altijd het water tot mijn lippen,
roep om hulp, reddingsboeien,
noodvoedsel, alarmpijlen.

Nu perk ik het in. Noodzaak van
dijken, waterwegen, gemalen,
uitzicht op rustig vaarwater.

Eindelijk een zeilboot hebben,
mij verschuilen in de rietkragen,
het rustig klotsen van de golfjes,
het overzeilen van een kiekendief.

Journal

 

Slaap

Donderdag 15 september, Groningen

 

Slapen is zonde van de tijd, heb ik jarenlang geroepen. Een mens slaapt 1/3 deel van zijn leven. Dat wil zeggen dat ik meer dan 22 jaar van mijn leven heb verslapen, dat ik maar 45 jaar bewust heb geleefd. Ik heb dat altijd een aanslag op mijn levensvreugde gevonden.

Ik heb het slapen zoveel mogelijk beperkt. Ik trainde mijzelf om ergens tussen een uur en twee ’s nachts naar bed te gaan en zeven uur weer op te staan. Dan sliep ik zo’n beetje vijf, zes uur per nacht, een acceptabele verspilling vond ik. Met dat ritme versliep ik 20 tot 25% van mijn leven, een mooie aanval op het gemiddelde van 33%.

Misschien omdat ik relatief zo weinig sliep, heb ik nooit problemen met slapen gehad. Kan ook komen omdat ik hard werkte en daardoor ’s nachts gewoon was gevloerd. In ieder geval sliep ik altijd als een roos, hoe spannend het leven ook was. Ik ging liggen en sliep.

Even voor de duidelijkheid: ik had echt geen hekel aan het slapen zelf. Ik vond het heerlijk om even weg te zijn uit de realiteit, er even niet te zijn of in een andere, droomwereld te vertoeven. Ik sliep diep en was ver weg. Ik vond alleen dat het niet te lang mocht duren. Ik leef nou eenmaal liever wakend dan slapend.

Sinds ik niet meer werk, is mijn slaapritme op de kop gezet. Ik ga nu inderdaad eerder slapen, een gewoonte die erin is geslopen, misschien wel een foutje. Ik ga nu rond twaalf uur naar bed en dan slaap ik vier uur en word dan tussen drie en vier uur wakker. Ik kan dan zomaar anderhalf, twee uur wakker liggen. Tegen zes uur val ik weer in slaap, een heerlijke slaap, vind ik zelf, ik ben dan heel ver weg. Acht uur laat de wekker weten dat ik moet opstaan. Eigenlijk is dat jammer, want ik zou dan best door kunnen slapen. Maar in mijn brein zitten altijd nog restanten van mijn werkethiek. Een mens moet dingen doen, niet slapen.

Tot dinsdag maakte ik me over dit nieuwe patroon zorgen. Ik wilde gewoon lekker achter elkaar door slapen, al heeft die slaappauze geen gevolgen voor mijn frisheid overdag. Totdat ik dinsdag in de Volkskrant las dat mijn slaappatroon een restant is uit oude tijden. Vroeger was het slapen in twee fasen juist de norm.

Voor het elektrisch licht gingen mensen na zonsondergang naar bed. Ze sliepen dan vijf uur om na middernacht wakker te worden, vervolgens waren ze dan enkele uren wakker om daarna aan een tweede slaap te beginnen.

Wakker liggen had toen nog geen negatieve connotatie. Integendeel. De Volkskrant schrijft: ‘De nachtelijke uren golden als me time, een van verplichtingen ontdane tijd, vrij te gebruiken voor zaken waar je overdag niet aan toekwam: fantaseren, drinken, praten, wandelen.’ Er waren wetenschappers die adviseerden juist die uren voor seks te gebruiken, mensen zouden er dan meer plezier aan beleven.

Een nuttig artikel dus. Voor mij reden om voortaan niet meer onrustig wakker te liggen en te wachten op de slaap. Ik ga gewoon doen wat ze vroeger deden, fantaseren, drinken, praten, seks. Wandelen blijf ik overdag doen.

 

302

Het huis van het weekdier

 

 

 

On est

On est.
Men is.
Goed dat iemand dat op een boom schrijft.
Het is zo makkelijk te vergeten
dat we er zijn, het lijkt zo vanzelfsprekend.

Even licht tussen twee duisternissen.
Je verwacht toch veel meer verwondering.

Het licht.
Men is.
On est.

Waar komen opeens die auto’s vandaan
en al die anderen? Tafels en stoelen?
Er zijn zelfs trouwjurken. Mensen
die van elkaar houden en mensen die zingen.
Woorden tussen het donker in.

Er zijn mensen die kunnen lopen
en mensen die kunnen buikspreken.
Er zijn mensen die zich opblazen omdat ze geloven
dat ze de beste zijn en dan America First roepen.
Verwondering, verwondering.

On est.
Men is.
Dank voor degene die dit
op een dikke boom in Saint-Hippollyte-du-Fort schreef.
Ik was het bijna vergeten.

Journal d’images

 

Franka

Dinsdag 13 september, Groningen

Eergisteren waren we sinds lange tijd weer eens in Dwingeloo. In de vakantie kregen we een telefoontje van Jasper en Aniek, onze oude buren, dat Franka was overleden. Voor wie niet weet wie Franka is. Franka was een hond, een berner sennen, en een van onze beste vriendinnen.

Toen we in Dwingeloo kwamen wonen was Franka vier, vijf maanden oud en de hond dus van onze buren, de eigenaren van de Bospub. Al snel was Franka hele dagen bij ons. Ze vond het rond het restaurant vaak te druk en bij ons vond ze haar rust. In de vijf jaar dat wij er woonden, beschouwde Franka de Bospub en onze tuin als één erf.
Als wij weg waren lag ze vaak op het eind van het bospad op ons te wachten. Als ze ons met de auto aan zag komen, schommelde ze blij naar ons toe. In de loop van die jaren werd ze dikker en dikker. In de Bospub kwam ze niets te kort, gasten staken haar graag iets toe.

Een paar jaar geleden ging het erg slecht met haar. De buren en wij waren er van overtuigd dat ze het niet lang meer zou maken, de dierenarts was dat met ons eens. Wij namen uitgebreid afscheid van haar. Ze ging met iedereen op de foto zodat we een herinnering aan haar zouden hebben. Gelukkig knapte ze op. Ons verdriet was voor niets geweest.

De liefde voor ons was ongekend. Vorig jaar stonden we met onze camperbus op de camping naast de Bospub. Het hele weekend lag Franka trouw voor onze deur. Waar wij ook gingen, Franka liep met ons mee, blij dat we eindelijk weer eens bij haar in de buurt waren.

Vlak voordat we dit jaar naar Frankrijk gingen, waren we nog even in Dwingeloo. We zagen dat het niet goed met haar ging. Ze kwam met moeite omhoog, voor het eerst ging ze niet meer met ons wandelen. Omdat we wisten dat we haar lang niet meer zouden zien, namen we intens afscheid van haar, we hadden het sterke vermoeden dat we haar voor de laatste keer zagen. Helaas kregen we daar gelijk in.

Franka ligt begraven in het bos, vlak voor de het huis van Jasper en Aniek. De kinderen hebben een mooie grafsteen voor haar gemaakt. We hebben haar zondag met liefde herdacht.

 

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

De duiven in de platanen koeren:
het is genoeg, het is genoeg.

Maar de bakker stookt zijn oven.
De slager slacht het varken.

Op het terras staan de stoelen alweer klaar
en het gemeentehuis opent zijn deuren.

Het is genoeg, het is genoeg.
Ze kunnen koeren wat ze willen.

Journal

 

Lulkoek

Maandag 12 september, Groningen

 

 

Anne, mijn dochter die in Amsterdan woont, heeft met haar blog een verdienmodel ontwikkeld waar ik als hoofdredacteur van Dossiermoddergat jaloers op ben. Gaandeweg heeft ze zich ontwikkeld tot een soort foodie influencer. Het gevolg is dat ze een paar keer per week door restaurants wordt uitgenodigd om te komen proefeten. Hotels vragen of ze hun bedden wil komen uitproberen. Het is dus een soort ruilhandel. Zij mag lekker komen eten, als tegenprestaties besteedt Anne aandacht aan het restaurant. Door al dat lekkere eten is ze prima op de hoogte van alle culinaire ontwikkelingen in de hoofdstad, wat voor een vader een genot is. Groot voordeel: al die etentjes zijn besparingen op haar eigen uitgaven.

Als sneue blogger van Dossiermoddergat zou ik dat ook wel willen. Maar ik heb geen specifieke. doelgroep waar ik me op richt, ook geen specifiek onderwerp. Mijn blogs schieten van persoonlijke ontboezemingen, via wat observaties tot politieke pamfletten, daar tussendoor wat fotootjes. Wie zit daar nou op te wachten? De onderwerpen die ik aankaart spreken hoogstens wat ouwe lullen aan, een doelgroep die voor de reclame totaal oninteressant is omdat hun smaak en voorkeuren sowieso zijn uitgekristalliseerd. Dossiermoddergat is een waardeloos product, commercieel gezien.

Dit weekend gloorde opeens hoop. Van mijn oud-collega Leo Pot kreeg ik het volgende briefje: Beste Gerard, zoals beloofd hierbij in ruil voor al het plezier dat ik beleef aan het lezen van jouw blogs een exemplaar van Lulkoek. Ik hoop dat je de inhoud ervan kunt waarderen! Hartelijks, Leo Pot.

Leo heeft een boek geschreven met de titel Lulkoek, een boek naar mijn hart. De ondertitel luidt: Hoe 50 waarheden van anderen zorgvuldig om zeep worden geholpen. Lulkoek is de bijl aan de wortel van de homo phantasticus, Leo maakt korte metten met alle verzinsels die de mens in de loop van de geschiedenis bij elkaar heeft gefantaseerd. Astrologie? Lulkoek. De aarde plat? Lulkoek. Graancirkels mensenwerk? Lulkoek. Waren aliens onder ons? Lulkoek. Praten met de doden? Lulkoek. Leven na de dood? Lulkoek. Oh, wat heerlijk om dit allemaal op te schrijven en zo gaat Leo vijftig onderwerpen door. Een genot om te lezen.

Leo geeft wat mij betreft het goede voorbeeld. Hij leest mijn blog en als tegenprestatie stuurt hij een product van eigen geest naar mij. Is er dan toch hoop voor een commerciëlere opzet van Dossiermoddergat? Deze ruilhandel vind ik erg prettig, maar ik kan natuurlijk ook advertorials gaan bloggen. Ik kan best gaan bloggen over onderwerpen waar mensen mij voor betalen.

Maar iets in mij zegt toch dat ik daar niet aan moet beginnen. Ik ben daar gewoon niet voor gemaakt. En Dossiermoddergat ook niet. Shit, berooid blijf ik weer achter.

Disclaimer. Mijn schrijven over Lulkoek is absoluut geen advertorial. Ik besteed aandacht aan zijn boek omdat ik het waardevol en grappig vind. Het boek zou verplichte kost op scholen moeten zijn. Dat voorkomt denk ik de zoveelste lading verdwaasde lieden. Onze monarchie is de kroon op onze tradities? Lulkoek. Boost je immuunsysteem en word gezonder? Lulkoek. Van beleggen moet je verstand hebben? Lulkoek.
Ik kan gewoon niet ophouden.

301

Journal

 

Homo Phantasticus

Zondag 11 september, Groningen

 

 

‘Er is geen mens die deugt,’ schreef de filosoof Arthur Schopenhauer. En ik zou daar aan willen toevoegen: ‘en hij is bovendien een dwaas.’ Het bewijs wordt geleverd door de hysterie rond de dood van de queen. Een oud besje overlijdt, wij zagen het al jaren aankomen, maar een groot deel van de wereld is ernstig geschokt: het zal nooit meer worden als tevoren’. O ja? Kan iemand mij vertellen wat de queen nou precies heeft gedaan buiten zwijgen? Noem één grote daad van haar?

De Volkskrant kopte zelfs ‘Elizabeth the Great’. Hallo, waar zit dat Great dan in? Onder haar koninginneschap is het Britse rijk verbrokkeld en weggevaagd als een zandkasteel in een branding. Grote kans dat, als ze een paar jaar langer had geleefd, ze ook Schotland en Noord-Ierland verloren had zien gaan. Ik weet dat ze daar niets aan kon doen, het verdwijnen van het kolonialisme, het was de loop van de geschiedenis.

Hoe kan het toch dat mensen altijd behoefte hebben aan machten die boven hen zijn gesteld? Ook al zijn het zelfverzonnen machten. Komt het door hun eigen leegte die moet gevuld? Is het de angst om alleen in de wereld te staan?
In plaats van homo sapiens zou de soortnaam van de mens eigenlijk moet luiden homo phantasticus. Zo vond Elizabeth dat ze een verbond met god had gesloten, dat zij tot haar dood het Britse rijk zou dienen. Verbond met god? Dat was dan wel een eenzijdig verbond. Van god heeft ze tot haar dood niets vernomen, daar durf ik mijn handen voor in het vuur te steken, en ook daarna zal ze niets van hem horen.

Wie zwijgt kan tot grote proporties groeien. Elizabeth blonk uit in zwijgen. De Amerikaanse schrijver J.D. Salinger deed na het schrijven van vier boeken hetzelfde en zowel Elizabeth als hij werden mythes. Omdat mensen geen vat krijgen op zwijgende mensen, fantaseren we ze tot mythe. Een mythe met een fel gekleurd hoedje op en dito mantelpakje aan. Aan de arm een handtasje geklemd.

Voor Buckingham Palace huilende mensen, een zee van bloemen. ‘Ik hield meer van haar dan van mijn grootouders,’ zei de een. De man van in de vijftig vreesde voor de toekomst, hij zou aan zoveel weer moeten wennen, hij wist niet of het hem zou lukken. ‘O ja, waaraan dan?’ ‘Dadelijk zullen we niet meer haar beeltenis op onze munt zien.’ Zo creëert ieder zijn eigen drama.

Dat die Engelsen ermee bezig zijn, oké. Maar zelfs in ons eigen armtierige landje zonder cultuur of empathie is het Elizabeth wat de klok slaat. Er staan hier in Groningen reclameborden waarop de queen wordt herdacht. De mens bedondert zichzelf om het leven wat fleur te geven. Middeleeuwse instituten, goddelijke verzinsels, een groot deel van ons mensen houden ze met liefde in stand. Homo phantasticus.

Valt hieraan te ontsnappen? Helaas, zie de mens. Voor wie, evenals ik, een tamelijke afkeer heeft van koningen, goden en dom gefantaseer kan ik als raad een zin van Friedrich Nietzsche meegeven: ‘Vlucht, mijn vriend, in de eenzaamheid.’

 

300

Journal

 

Baasjes

Zaterdag 10 september, Groningen

 

 

Baasjes. Bazen. Ik heb er in mijn leven heel wat ontmoet. Een baasje kenmerkt zich door zelfverzekerdheid. Er is weinig tot niets dat een baasje aan het twijfelen maakt. Een baasje is erg tevreden met zichzelf. Hij is ervan overtuigd dat hij veel, heel veel, tot misschien wel alles weet. In ieder geval heeft hij alles in de hand. Bovenal vindt een baasje zichzelf ongelooflijk belangrijk en weet hij zeker dat hij onvervangbaar is. Als de baas verdwijnt, is het leed niet te overzien.

Een baasje wenst zo min mogelijk tegenspraak, hij heeft genoeg aan zijn eigen spraak. De baas draagt het liefst een pak. Om met Jan Greshoff te spreken: ‘Zo onmiskenbaar ziet men aan hun kleren, dat zij rechtvaardig zijn, terwijl de plicht die edele lijnen groefde in hun gezicht.’ Een baas boetseert zichzelf. Hij wordt OSM, Ons Soort Mensen, diepe stem, zorgvuldig formuleren, geen onvertogen woorden, ingetogen bewegingen. Een baasje heeft zich volledig in de hand. Hij weet dat beheersing een belangrijke eigenschap is en dat je nooit het achterste van je tong moet laten zien. Het achterste van de tong kan je zwak maken, het is de achilleshiel van het baasje. En onberispelijkheid, ook niet te onderschatten.

Een baasje begeeft zich graag in kringen van serviceclubs, zoals de Rotary. Daar ontmoet het baasje namelijk andere baasjes. Zij begrijpen elkaar en zijn nooit te beroerd om elkaar een handje te helpen. Erg handig voor baasjes om voorrang te krijgen bij een specialist en natuurlijk staat daar, vent, een wederdienst tegenover. Noblesse oblige. Vriendschappelijke klap om de schouder.

En bij zo’n Rotary kan het baasje laten zien dat hij best sociaal is en maatschappelijke geëngageerd. Dat hij zich soms ten dienste stelt van de gemeenschap, is hij zelf erg tevreden over. Gezien zijn functie voelt hij zich daartoe ook wel verplicht. Een baasje weet hoe de hazen lopen en je kunt daar de medemens enorm mee helpen. Cheers! Hij houdt er soms een mooie toespraak. Veel omhaal, natuurlijk. Dat heet eruditie. Daarna applaus. Baasjes bevestigen andere baasjes.

Een baasje wordt uiteindelijk de perfecte boomer. Eenmaal baasje af, blijft hij in innerlijk en uiterlijk uiteraard altijd nog een baas. Vroeger, vroeger. De boomer weet alles van vroeger. Vooral omdat het baasje toen nog een echte baas was. Zijn stem klinkt steeds gewichtiger. Een baas spreek je niet tegen, een boomer helemaal niet, want een boomer weet alles, en dat alles ook nog eens beter. Vroeger, in zijn tijd, luister nou eens goed, was überhaupt alles beter. De mensen hadden nog respect voor elkaar, er was nog een sociaal verband. Tegenwoordig. Och, was hij nog maar actief. Hij zou het wel weten. Daar is hij van overtuigd. Chin chin, Amices. Courage!

299

Journal d’images

 

Future

Vrijdag 9 september, Groningen

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

 

De ambachtsman

Mijn dagtaak is het afbikken
van aangekoekte tijd.
Het is een oud ambacht,
overgeleverd van vader op zoon,
alhoewel mijn vader het ambacht
helaas niet beheerste.
Mijn vader was een roker, hij
verzamelde sigarettenkokers en geld.

Elke dag verwijder ik de tijd uit
mijn ogen en mijn mond. Zorgvuldig
peuteren, pulken, draaien en wroeten.
De ogen moeten open. De dingen
moeten blinken. Poetsen, polijsten.
Eigenlijk geen idee waarom. Het heeft
met een eeuwenlange traditie te maken,
familietrots -een regionaal product.

Schelpen, schimmels, roest en andere
overbodige gedachten dienen op
hardhandige maar vakkundige wijze
te worden verwijderd. De ambachtsman
is alleen tevreden als de blik schoon is,
de woorden vers en de geluiden doorzichtig.
Vooral gedachten vergen zorg, de tijd breekt
hen keer op keer op brute wijze kapot.

De werkplaats is een koninkrijk voor
de ambachtsman. Dat is bekend. Hij streelt
zijn instrumentarium, zet het in de olie,
poetst het zelfs als het niet nodig is. Liefde
is een probaat middel tegen tijd. Oud principe.
Het gereedschap hangt keurig op volgorde van
belangrijkheid en grootte -blindelings te pakken.
Dit zijn dingen om nooit te vergeten, mijn zoon.

298

Journal

 

Frikandel

Woensdag 7 september, Groningen

 

 

Er bekruipt mij een unheimisch gevoel. In Nederland wonen ging altijd gepaard met een gevoel van zekerheid, hier zijn de zaken tenminste goed geregeld. Maar dat gevoel begint me te verlaten. Welk onderwerp je ook neemt, overal lijkt de rot in te zitten. Het lijkt wel alsof iemand gif in onze samenleving heeft gespoten en dat de boel aan het rotten is.

Ik maak me vooral zorgen over de inflatie. Ik geef toe dat eigenbelang daarbij zeker een rol speelt. Met een gerust hart ging ik mijn levensfase als ouwe lul in. Met de combinatie van AOW, pensioen en wat spaargeld leek een zorgeloze periode aangebroken. Niet lang nadat ik besloot te stoppen met werken, begonnen de inflatiecijfers op te lopen, met als voorlopig dieptepunt een inflatiecijfer van 12%. Tsja, met zo’n percentage kun je je niet zeker voelen.

In vroegere tijden konden we op Nederlands niveau het een en ander bijsturen. Tegenwoordig zijn we afhankelijk van het monetaire beleid van Europa, dat de afgelopen jaren als een gek de inflatie bewust heeft aangewakkerd. Nou, ze hebben hun zin gekregen. Probleempje daarbij is dat je inflatie onder andere bestrijdt met renteverhogingen. Renteverhogingen zijn echter een bedreiging voor de zwakkere landen in de EU, die dan voor onoplosbare schulden komen te staan. Het is zo’n beetje kiezen tussen het redden van mijn pensioen en een nieuwe Euro-crisis.

Werkelijk alles is nu in crisis: klimaat, stikstof, asielbeleid, energierekening, complotdenkers, boeren. Het is onvoorstelbaar, maar zelfs voor de frikandel dreigt een crisis. Binnenkort schijnt deze winstmaker van de horeca niet meer leverbaar. Een van de oorzaken: te duur vlees.

Ik geef hierbij toe dat het eten van een frikandel een guilty pleasure van mij is. Vroeger at ik ze in tamelijk grote mate, naargelang ik verstandiger ging eten werd het minder, nu is het een zeldzame delicatesse. Heel soms, en dan bedoel ik, echt heel soms (ik schat 2x per jaar), halen Wyb en ik iets bij de snackbar. In die zeldzame gevallen permitteer ik me nog wel eens een frikandel. Dat levert altijd een zuinige blik van Wyb op die daar niets van begrijpt, maar ja, oude gewoontes zijn moeilijk te doorbreken.

Degenen die dit met verontwaardiging lezen, kan ik geruststellen met de mededeling dat Wyb en ik nauwelijks nog vlees eten. Zeker sinds die boerenterreur gun ik die boeren niets meer. Mijn vleesgebruik is al weken nihil en zelfs voor de koffie zijn hier de eerste pakken havermoutmelk binnengebracht. We zullen ze krijgen die boeren.

Met deze consumptietransitie doe ik iets voor het klimaat, de stikstofrreductie en hopelijk dus die boeren een tik op hun vingers geven. Nou weet ik wel dat het verbeteren van de wereld niet bij jezelf begint. Maar ja, idealisme moet toch altijd gepaard gaan met een gezonde dosis naïviteit.

Nu nog kijken hoe ik de inflatie te lijf ga, dat is vast een stuk lastiger.

297

Journal

 

Winnetou

Maandag 5 september, Groningen

 

 

Uitgeverij Meulenhoff heeft laten weten dat het stopt met het uitgeven van de boeken van Karl May over Winnetou en Old Shatterhand. De Duitse Uitgever Ravensburger van Karl May had hier al eerder toe besloten. Binnenkort dus geen Winnetou meer. Volgens Ravensburger worden door de boeken mensen gekwetst. De uitgeverij verklaart: ‘We zijn tot de conclusie gekomen dat de onderdrukking van de inheemse bevolking geromantiseerd wordt en met veel clichés wordt omgeven.’

Bij het lezen van deze verklaring realiseer ik mij dat ik met verderfelijke literatuur, sorry, lectuur, ben opgegroeid. Winnetou was een jeugdheld van me, ik heb zijn boeken verslonden. Hetzelfde geldt voor de boeken van Puk en Muk. Ook die zullen niet van smetten vrij zijn. Puk en Muk in Afrika en Puk en Muk in China zullen vast bol hebben gestaan van de clichés en racistische opmerkingen. Tenminste, dat vrees ik. Ik heb de boeken nooit herlezen.

Op het gevaar af gecanceld te worden door mijn woke broeder en zusters (slijm, slijm) vind ik het nogal wat om boeken te veroordelen tot de censuur op grond van één kwaliteit: het wel of niet politiek correct zijn.
De boeken van Karl May en Frans Fransen, de schrijver van Puk en Muk, hebben namelijk zoveel andere kwaliteiten waar blijkbaar achteloos aan voorbij wordt gegaan. Ik verdedig die kwaliteiten omdat ik veel aan de boeken te danken heb. Ze hebben mij namelijk al vroeg in mijn leven geleerd hoe sterk de kracht van verbeelding is, hoe ongelooflijk fijn het is om te lezen, hoe waardevol het is om meegevoerd te worden in fantasie.

Ik heb ontzettend veel tijd doorgebracht met Winnetou. Met hem en Old Shatterhand heb ik zo’n beetje heel Amerika doorkruist. Ik heb met hen door bossen gedwaald, wilde paardenritten over prairies meegemaakt, mensen bevrijd, gevochten tegen vele slechteriken. Want gelukkig stonden Winnetou en Old Shatterhand altijd aan de Goede Kant van de mensheid. Het Goede overwon altijd Het Kwaad. Impliciet brachten de twee mij zo nog wat onderscheidingsvermogen bij.

Eigenlijk heb ik door al deze verderfelijke lectuur de wereld leren kennen. Met Puk en Muk reisde ik zo’n beetje de hele wereld over en zelfs naar de maan. De verbeelding kent geen grenzen, kwam ik achter, wat voor mij een fantastische ontdekking was. Tot de schoolmeesters en de frikken opstonden en met hun rode potloodjes en hun politieke correctheid een streep door de boeken zetten.

Tienduizenden kinderen, honderdduizenden denk ik zelfs, zijn opgegroeid met het sympathieke Apache-opperhoofd en zijn zilverbuks en niet te vergeten zijn slimme paard Iltshi. Zijn al die kinderen in politiek opzicht beïnvloed door deze verderfelijke lectuur? Zijn het rechtse, racistische figuren geworden met een minachting voor indianen? Ik weet zeker dat Winnetou bij velen de belangstelling voor de indianencultuur juist heeft gestimuleerd, in plaats van minachting voor indianen zorgden de boeken voor sympathie.

Maar ja, ze waren wel geromantiseerd en met clichés omgeven: weg ermee. Ik snap dat inzichten veranderen, maar om het leesplezier van eerdere generaties te veroordelen tot de prullenbak vind ik doorgeslagen correctheid. De wereld is heerlijk simpel voor wie zwart-wit denkt.

Boomer! Boomer! Boomer!

Het huis van het weekdier

 

 

 

 

We zoeken de laatste rustplaats op.
De merels zingen in wuivende bomen.
Daar doorheen het schuifelen van
voetstappen, het vullen van een gieter.

De rij vormt een cirkel rond een kuil.
Hij schommelt in touwen naar
het donker. Hier en daar denkt iemand
terug in de tijd. De tijd, och, die tijd.

Woorden trekken stilte en een lach. Zo
was hij. Dan gaan de mensen uit elkaar.
Nooit komen ze meer samen. Een rustplaats
verbreekt een verzameling. Dat heet verdriet.

296

Journal d’images

 

Vogelhut

Zondag 5 september, Groningen

 

Eindelijk weer eens met telescoop en verrekijker op stap. Een sentimental journey. Langs het Reitdiep naar het Lauwersmeer. Kluten, steltkluten, kemphanen, grote stern, brandganzen, kolganzen, grutto’s, tureluurs, bruine kiekendief. Daarna na de haven van Lauwersoog op het dak van ’t Ailand zitten en uitkijken over het wad. Dan door naar Moddergat. Er liep een vreemde man het tuinpad op naar ons voormalige huisje. Dat blijft wennen.

Journal

 

Zelfcensuur

Zaterdag 3 september, Groningen

 

 

Ik heb in mijn leven best lef gehad, durf ik te beweren. Ik heb stappen genomen waarbij ik mijn hart vasthield: als dat maar goed gaat. Het geluk was vaak met mij. Opmerkelijk vaak ging het goed, al was het op het nippertje.
Wie veel risico neemt, en dat risico loopt goed af, is geneigd om nog meer risico te nemen. Ik vermoed dat dit bij mij ook het geval was. Manmoedig overschreed ik grenzen onder het motto: een mens moet durven.

Laat ik eerlijk zijn, vandaag loop ik tegen een grens aan die ik niet ga nemen. Al krijg ik er meteen een laf gevoel bij. Een paar weken geleden was ik op de markt van Monpazier, een plaatsje vlakbij Cadouin. Natuurlijk had ik mijn fototoestel bij me. Ik stond te wachten voor een winkel waar Wyb met ons logeetje souvenirs uitzocht.

Terwijl ik sta te wachten komt een keurig gezin met een stuk of wat kinderen voor de winkel staan. De moeder is buitengewoon streng. De kinderen hebben ballonnen in hun hand. ‘Houd alsjeblieft die ballonnen tegen je aan dat andere mensen er geen last van hebben.’ ‘Ga elkaar nou niet slaan met de ballonnen.’ ‘Pas op voor dat metalen staafje dat je elkaar niet in de ogen prikt.’ Zo gaat ze maar door.

De kinderen kijken elkaar aan en ik zie ze denken: wat zit ze weer te zeuren. Als ze even niet kijkt, petst een jongen zijn zusje met zijn ballon tegen het hoofd. De moeder heeft niets door. Ze lachen haar achter haar rug uit.
De vader en moeder verdwijnen met de kleinste naar binnen. Met belangstelling blijf ik kijken. Ik sta voor de etalage, probeer me zo onzichtbaar mogelijk te maken en wacht af hoe dit zich zal ontwikkelen.

Ik moet nog even iets vertellen over die ballonnen. Even daarvoor heb ik er al een opgemerkt. Een man zit op een stenen bank op zijn vrouw te wachten. In zijn hand een ballon in de vorm van een penis. Tenminste, het lijkt een geribbelde piemel met daarop een stevige eikel. De man zwaait gedachteloos  met de piemel op en neer.

Ik ben niet de enige die deze associatie heeft, blijkt al snel. De vader en moeder van het gezin zijn nog niet binnen of hun keurige zoontje, elf, twaalf jaar oud, houdt de ballon als een piemel voor zijn kruis en maakt wat obscene bewegingen. Ik kan dit beeld perfect fotograferen, snel en onopgemerkt, zoals ik steeds meer een onzichtbare fotograaf word.

Eenmaal thuis blijkt de foto prima gelukt. De jongen doet wat ik vroeger vermoedelijk ook heb gedaan. De seksualiteit moet nu eenmaal worden ontdekt en er zijn diverse spelletjes voor die door velen van ons gespeeld zijn, al zullen we het daar nooit over hebben.

Ik vind het een prachtige foto. Met plezier zou ik hem op Dossiermoddergat willen plaatsen. Maar dat ga ik niet doen. Dit is geen tijd waar je kinderen kunt fotograferen met seksuele verwijzing. De keurige vader en moeder, zich van niets bewust wat zich buiten afspeelt, zouden woedend zijn en mij aanklagen. Deze prachtige foto blijft in mijn map Index librorum prohibitorum zitten. De map is genoemd naar de lijst die het Vaticaan hanteerde voor katholieken verboden boeken. Ik moet mij erbij neerleggen dat we in een preutse en benepen tijd leven. Gewoon een gevalletje dus van onvervalste zelfcensuur.

Journal d’images

 

Summertime…

Vrijdag 2 september, Groningen

Journal d’images

 

Bord

Donderdag 1 september, Groningen

Er zijn nog veel foto’s die ik moet bewerken. Vandaag kwam ik deze foto tegen die ik volgens mij in Périgueux heb gemaakt. Dit verkeersbord viel meteen op door zijn liefdeloosheid. Het is het eerste bord dat zegt dat er sprake is van een voetgangerszone en de man, of de moeder, dat komt ook voor, het kind niet bij de hand houdt.

Ik snap niet waarom de ontwerper van dit bord daar niet voor heeft gekozen. Problemen met zijn kinderen? Sowieso uit een gebrek aan liefde? Of misschien is het wel preutsheid. Een man die een kind bij de hand houdt: is het een kinderlokker? sprake van kindermisbruik? een ontvoering?

Ik verbeeld mezelf dat op dit bord het kind zelfs met moeite de vader bijhoudt. De man loopt volgens mij harder dan het kind, of zie ik dat verkeerd? Ik stel toch voor dat we dit verkeersbord alleen maken met de beeldnis dat de man, de vader, het kind bij de hand houdt. We gaan toch echt de verkeerde kant op als we dit negatief interpreteren. Ik zie dat vasthouden als een vorm van liefde, het leiden van het kind, het kind veiligheid bieden.

Ik zal een brief naar het gemeentebestuur van Périgueux sturen dat ze dit bord beter kunnen vervangen. Volgens mij is er geen andere stad in de wereld waar het kind in zijn eentje achter de man aan moet hobbelen.

Journal

 

Het huis van het weekdier

Woensdag 31 augustus, Groningen

 

 

Het afgelopen jaar stelde ik mijzelf twee doelen. Doel een was het maken van een fotoboek van de foto’s die ik in Zuid-Frankrijk had geschoten. Dat betekent eerst een selectie maken uit de honderden foto’s die ik de afgelopen twee jaar daarvoor had gemaakt. Vervolgens, samen met mijn Nicht, daar een boek van maken. Het resultaat is Rues de France. Het komt in het najaar uit.

Het tweede doel was het doorlopen van alle gedichten die ik in mijn leven heb gemaakt. Dat zijn er ook een paar honderd, waaronder heel veel slechte. Ik wilde een soort verzameld werk maken onder de titel Het huis van het weekdier, genoemd naar een van mijn gedichten. Ik wilde dat doen omdat ik wel gedichten schreef, maar er verder nooit iets mee deed. Af en toe zette ik er een op Dossiermoddergat, en dat was het. Ik heb nooit iets opgestuurd naar uitgevers of literaire tijdschriften. Ik had mijn werk, ik schreef kinderboeken, en die gedichten die ontstonden hapsnap, ik had gewoon de tijd niet om er energie in te steken. Gelukkig had ik die tijd het afgelopen jaar wel.

En inderdaad ligt er nu een ‘soort verzameld werk’. De selectie is gemaakt, de gedichten heb ik gebundeld in een volgorde zoals ik ze graag zou publiceren. Let op het woordje graag. Want de situatie rond poëzie is natuurlijk rampzalig. Veel mensen schrijven poëzie, niemand leest poëzie. Wil je gepubliceerd worden, dan moet je daar veel energie in steken en vermoedelijk lukt het dan nog niet omdat uitgeverijen en literaire tijdschriften buitengewoon afhoudend zijn. Terecht ook, want aan poëzie is totaal niets te verdienen, daar moet per definitie geld bij.

Daarom heb ik besloten mijn ‘verzameld werk’ aankomende tijd op Dossiermoddergat te publiceren. Ik blijf streven om de bundel ooit in boekvorm in mijn handen te kunnen houden, maar dat zal heel wat voeten in aarde hebben.
Het stomme is dat ik de gedichten nu achterstevoren op Dossiermoddergat ga zetten. Ik begin dus met het laatste gedicht en ik eindig met het eerste. Als dat klaar is, kan de lezer de bundel pas in de goede volgorde lezen.

Het huis van het weekdier heeft vijf afdelingen: Maliënkolder, De geschiedenis is een gammel instrument, Notitie I, Het huis van het weekdier en Noties II. Vandaag dus het laatste gedicht van de bundel. Het is een wat atypisch gedicht vergeleken met andere gedichten, maar ik vond het wel een gepast laatste gedicht. De titel: Vergeten.

 

Vergeten

De trein stopt nog altijd om kwart voor acht in Hoogeveen.
De man met aktetas leest nog altijd De Telegraaf.
En op het Journaal woedt vast nog steeds een oorlog voort.
De boomvalk bidt en bidt zijn gebeden boven een berm.

De klokken draaien door. De maan blijft schijnen in zijn baan.
De zon straalt onverminderd door en het meisje kleurt de dag.
De oude vrouw heeft nog lang haar boek niet uit, de haan
blijft kraaien, het is een lieve lust. De bloemen komen uit hun knop.

En niemand zal zich nog herinneren dat er eens een G.J.A. Tonen
door de stad liep, dat hij hield van vrouw en kind. Het was
een kort verhaal, een mooi verhaal, er was alleen geen
happy end. Wat hield hij van het leven, hij zal het nooit vergeten.

295

Journal

 

Les

Maandag 29 augustus, Groningen

 

 

Een maand geleden was Jenny onze Franse buurvrouw op bezoek.
‘Hoe is het met je fotoboek?’ vraagt ze totaal onverwacht. Ik herinner me dat ik haar een paar maanden daarvoor heb verteld dat ik een fotoboek ga uitgeven: Les Rues de France.
Terwijl ze het vraagt, overweeg ik wat te doen. Ik heb het boek namelijk bij me omdat ik het met Ineke ga bespreken. Ik voel altijd gêne als iemand uitgebreid het boek gaat bekijken waar ik bij ben. Dan worden er allerlei opmerkingen gemaakt, positief, negatief. Van beide hou ik niet. Ik maak boeken eigenlijk alleen voor mijzelf. Leuk als iemand anders ze leest of bekijkt, maar ik houd mij voor dat het dan niet meer mijn zaak is. Iedereen heeft zijn eigen referentiekader en smaak en daar kan ik verder niets aan doen.

En eerlijk gezegd ben ik een beetje bang voor de mening van Jennie. Zij is documentaire maakster en leidt in de regio een organisatie die het documentaire leven in de Dordogne stimuleert. Ze is zelfs een ervaren beeldmaker. Zo weet ik dat ze een groot liefhebber is van het werk van Nederlandse fotograaf en documentairemaker Johan van der Keuken. Dat betekent toch dat ze een goede smaak heeft.

Even terzijde, voor de liefhebber, van 8 oktober t/m 5 februari is werk van Johan van der Keuken te zien in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam. Tot 8 januari mooi te combineren met een bezoek aan het Fotomuseum Den Haag, waar foto’s zijn te zien van dubbeltalent Willem Frederik Hermans, naast schrijver was hij ook een fanatiek fotograaf.

‘Ik kan je het boek zelfs laten zien,’ zeg ik toch. ‘Ik heb een dummy bij me, en daar zal vermoedelijk niet zoveel meer aan veranderen.’
Ik haal het boek. Eigenlijk vind ik dat mensen van die nuffige witte handschoentjes aan moeten als ze door het boek bladeren. Maar ja, wie heeft die nu op zak.
Ze slaat het boek voorzichtig open. Elke foto bekijkt ze nauwkeurig. Het is nogal een dik boek, er zitten zo’n 220 foto’s in, dus dat kan laat worden als ze in dit tempo doorgaat, vooral omdat het al laat is. Soms knikt ze goedkeurend.

‘Weet je,’ zeg ze opeens. ‘Ik vind eigenlijk niet dat je het Les Rues de France moet noemen.’
Zo, dat is nogal een uitspraak. Ik kijk haar vragend aan.
‘Dat Les Rues is eigenlijk te bepalend. Je suggereert ermee dat het boek een overzicht of een uitspraak wil doen over alle straten van Frankrijk. En dat is niet zo want ik zie zo dat de foto’s gemaakt zijn in het zuiden van Frankrijk in plaatsen rond de Middellandse Zee. De titel Rues de France dekt het boek eigenlijk veel beter. Dat is namelijk wat het is. Het gaat inderdaad over straten in Frankrijk, maar niet over DE straten van Frankrijk.

Natuurlijk, ze heeft helemaal gelijk. Dat ik dat zelf niet heb bedacht. Zonder dat Les is het ook veel meer zwerven, minder specifiek, veel meer dwalen. We proeven de twee titels nog eens goed op de tong. Rues de France wordt steeds beter. Ik krijg zelfs een afkeer van dat pedante Les.

Een paar dagen later bespreek ik de opmerkingen van onze Franse buurvrouw met Ineke die de Franse taal veel beter aanvoelt dan ik, ze woont er al zo lang. Net zoals ik moet ze wennen aan het idee dat het eventueel geen Les Rues de France wordt. Voorzichtig oppert ze problemen bij het vormgeven van de omslag die in feite al klaar is. Maar het is absoluut waar: Rues de France is beter. Een week later, als ik weer in Nederland ben, stuurt ze me een nieuwe omslag. Goed werk. Beter een goede buurvrouw dan een verre vriend. Ook een nicht in Frankrijk is verreweg te prefereren boven een verre vriend.

Journal d’images

 

Ssssst

Zondag 28 augustus, Groningen

Poging van de stad Groningen om haar kinderen op te voeden, met name het studerende deel. Geen overbodige campagne want de hele stad is zo’n beetje een campus.
Ik begrijp alleen niet waarom uitgerekend een foto van een poes de campagne ondersteunt. Vermoedelijk weten de bedenkers niet dat de poes een nachtdier is. Gister- en eergisternacht kreeg deze campagne dan ook een ietwat absurd karakter. De studenten zijn, sinds we terug zijn uit Frankrijk, opmerkelijk rustig. We kunnen gewoon met open raam slapen. Eindelijk eens een effectieve campagne? Maar de afgelopen nachten werden juist wreed verstoord door… katten.
Een kwartier lang was er een straatgevecht tussen een aantal kattengangs waar de honden geen brood van lusten: schreeuwen, miauwen, krijsen. Waarom kunnen die verdomde katten ook niet lezen? Vannacht zet ik een emmer water klaar voor ons slaapkamerraam. De eerste kat die geluid maakt, krijgt een emmer water over zich heen.

Journal

 

Belofte

Zaterdag 27 augustus, Groningen

 

 

Vorig jaar 5 juni besloten Anne, Wyb en ik eens onbeschaamd lekker te gaan lunchen. Eindelijk mochten we weer naar de horeca. We moesten weliswaar buiten zitten, maar we konden na lange tijd weer eens culinair genieten. Daar kwam bij dat we Anne een tijdje niet hadden gezien omdat Wyb en ik onszelf tamelijk streng hadden opgesloten, bang voor besmetting.

Voor die heugelijke gelegenheid besloten we naar ons lievelingsrestaurant in Amsterdam te gaan. En verdomme, het kostte wat, maar dan heb je ook wat. Het begrip copieus benaderde bij lange na nog niet de heerlijkheid van het voorgeschotelde. Tevreden, en armer, verlieten wij het etablissement.

Die avond sliepen Wyb en ik in onze camperbus op een camping in Amsterdam-Noord. Anne zou nog even langskomen met een vriendin om samen nog wat kaas te eten en te drinken. Tegen acht uur die avond kreeg ons etentje van die middag een heel ander karakter dan wij hadden gedacht. Wyb stond opeens op en zei: ‘Ik ben opeens zo ontzettend misselijk.’ En liep snel naar de wc’s die dichtbij waren. Helaas haalde ze het niet. Midden op het grasveld kwam een enorme bruine straal uit haar mond. Vervolgens rende ze door naar de wc. Na lange tijd kwam ze lijkbleek tevoorschijn. ‘Ik ben zo ziek. Dat eten van vanmiddag is helemaal verkeerd gevallen.’

Een half uur later was Anne aan de beurt. Zij doorliep hetzelfde traject: kotsen, diarree en dat in ongekende mate. Ik kom er mooi vanaf, dacht ik nog even. Fout gedacht. Weer een half uur later zei mijn lijf dat er iets in zat dat er uit moest. En hoe. Evenals Wyb en Anne ben ik de hele nacht bezig geweest om het te lozen. Het hield niet op.

De volgende dag belden wij ons lievelingsrestaurant met de mededeling dat er toch echt iets met het eten aan de hand moet zijn geweest. Ik beschreef ons ziektebeeld. De eigenaar reageerde in eerste instantie wat lauw. Hij realiseerde zich blijkbaar niet dat wij met z’n drieën ook de volgende dag nog op apengapen lagen. Daarom waagde ik er een tweede telefoontje aan dat de situatie toch wel ernstig was. Hij beloofde het eten te onderzoeken. Op het einde van de dag belde Anne hem nog om hem te laten weten dat ze honds-en-honds ziek was.

Een paar dagen daarna, wij waren inmiddels beter, kregen we een telefoontje dat ze niets in het eten hadden kunnen vinden. ‘Dat zal wel wezen,’ zei ik, ‘maar wij zijn het levendige bewijs dat er iets niet goed was.’ De eigenaar liet weten dat hij het heel vervelend vond. Om het enigszins goed te maken, zei hij toe dat we voor eenzelfde bedrag nog eens op zijn rekening mochten komen eten.

Natuurlijk was ik weer eens te laf om te vragen of hij dit zwart op wit wilde zetten. Af en toe memoreerde Anne, Wyb en ik de toezegging. Verder deden we er niets mee.

Tot vorige week. Anne werd 35 jaar. Het is dan traditie dat we goed en uitgebreid gaan eten. We spraken uit dat we wel weer eens in ons lievelingsrestaurant wilden eten. Ik stelde voor om de eigenaar te bellen en hem te herinneren aan zijn belofte. ‘Dat weet hij vast niet meer, (Wyb)’. ‘Dat lukt je nooit (Anne)’. Ik had er zelf ook een zwaar hoofd in.

Maar wonder boven wonder kon hij zich zijn belofte nog prima herinneren. En zo kwam het dat we gisterenavond buitengewoon heerlijk zaten te eten in het etablissement waar we tot dan niet zo’n beste herinnering aan hadden. De kwaliteit van het eten was als vanouds subliem, de bediening meer dan goed.
Op naar de 36ste verjaardag van Anne.

294

Journal

 

Winstwaarschuwing

Vrijdag 26 augustus, Groningen

 

 

Bedrijven die minder renderen dan gedacht geven vaak een winstwaarschuwing af. Voor landen zou eigenlijk hetzelfde moeten gebeuren. Politici beginnen daar natuurlijk niet aan, want dan geef je toe dat het met je land niet zo jofel gaat. Daarom doe ik het maar: winstwaarschuwing voor de BV Nederland.

Ik ben een aantal maanden in het buitenland geweest. Begin deze week kwam ik terug. Tot mijn verbazing tref ik, op zijn zachtst gezegd, een land in verwarring aan. De inflatie is niet meer te beteugelen, voor de energieprijzen geldt hetzelfde, steeds meer mensen krijgen met armoede te maken, de uitvoerende semi-overheidsdiensten zijn ontredderd, personeelstekorten overal, zelfs op zoiets eenvoudigs als de asielinstroom krijgen onze bestuurders geen vat.

Als ik Nederland binnenrijd zie ik overal van die omgekeerde vlaggen, zo deprimerend. Nou ja, overal. Viel me eigenlijk best wel tegen, in Frankrijk had ik het idee dat heel Nederland vol hing. We hebben te maken met van de pot gerukte complotdenkers en boeren die zich gedragen als verwende kinderen. Falende ouders worden geterroriseerd door hun kinderen. Wij worden geterroriseerd door een stelletje boeren.
Het gekanker van de Nederlandse bevolking loopt de spuigaten uit. De stemming is ver beneden nul. Het is een mix van falende overheid en een bevolking die op hol is geslagen. Komt nog bij dat het CDA zich voor de zoveelste keer als belangenorganisatie van de boeren opstelt. Ze noemen zich een bestuurderspartij, maar dat is een kwestie van grove zelfoverschatting.

Winstwaarschuwing. Stel dat het kabinet valt en er komen nieuwe verkiezingen. Wat gaat er gebeuren met ons land? Laat ik mij aan een voorspelling wagen.
De middenpartijen hebben zich door incompetent besturen, eindeloos dralen en meel in de mond uit de markt geprezen. Misschien dat de VVD zijn electoraat vasthoudt, er zijn genoeg kiezers die vinden dat hun hypotheek boven alles gaat.

Links? Bestaat nauwelijks nog. Drie splinterpartijen vinden zichzelf zo uniek dat samengaan uit den boze is. Ad Melkert was er van overtuigd dat de PvdA zijn eigen identiteit moet houden en adviseerde de partij niet te fuseren met Groen Links. Begrijp ik vanuit zijn standpunt, Ad heeft al zoveel verloren. Maar als partijtop behoor je te weten dat je de adviezen van Ad nooit moet volgen. Dat leidt altijd tot desastreus resultaat.

Blijft erover rechts, met VVD als bruggenhoofd. We weten inmiddels dat de VVD er niet voor terugdeinst om met het bruine deel van Nederland samen te werken. Rutte likte, volgens eigen zeggen, zijn vingers erbij af. Er wacht in de Tweede Kamer nu al een massief deel dat het onderbuikgevoel graag wil omzetten in kabinetsbeleid.
Het lijkt erop dat de VVD met het sollen van asielzoekers Nederland rijpt maakt voor de onderbuiken van Wilders, Joost Eerdmans en de vleesconsulente Caroline van der Plas. Ik denk wel dat Baudet nog een stap te ver is.

Winstwaarschuwing. Laat het kabinet vallen en voordat je het weet zit de onderbuik in het Torentje.

293

Journal

 

Paarden

Woensdag 24 augustus, Groningen

 

 

Ik heb een hoge pet op van dieren, een hogere dan van mensen. Mensen kunnen weliswaar denken, maar het resultaat van al dat denken is toch erbarmelijk. De mens is voor de aarde een ongedierte. Voor elkaar trouwens ook.

Nou moet gezegd dat mijn hoge pet voor dieren wel een deuk opliep afgelopen weken. Voor onze deur in Cadouin speelde zich in het dierenrijk een multicultureel drama af, en dat had ik niet verwacht van dieren. Woorden als multicultureel verwacht je in de mensenwereld, je denkt dat de dierenwereld, in dit geval de paardenwereld, er van verschoond blijft, dat paarden niet naar kleur en achtergrond kijken.

Ons huis staat op een heuvel, zo’n vijftien meter boven straatniveau. Het weggetje loopt dan weer drie meter boven een soort vallei. Die vallei is volgens Wyb 1 kilometer lang en 0,5 kilometer breed. Het is een groot weiland waar een beek doorheen kronkelt. Langs die beek staan hoge bomen, majestueuze bomen. Verder is de vallei een uitgestrekt weiland met hier en daar een groepje bomen.

In het weiland liepen tot een paar weken geleden vijf paarden, twee bruine en drie witte. Het is duidelijk dat die bruine paarden iets met elkaar hebben en die witte ook. Een paar weken geleden kwam daar een zwart paard bij, een prachtig paard om te zien.

Misschien wel te mooi want de andere paarden moesten niets van hem hebben. Met lede ogen hebben we naar het drama gekeken. Soms zocht het zwarte paard toenadering tot de andere paarden, maar er was dan steeds een ellendig bruin paardje dat hem verjoeg.
Hoe hij het ook probeerde, elke keer lieten de andere weten dat hij er niet bijhoort en daarop ook geen kans maakt. Het gevolg: de twee bruine en drie witte schuilen samen onder een groepje bomen aan de ene kant van de vallei, het zwarte paard staat eenzaam onder een boom aan de andere kant van de vallei.

Als er wordt gewandeld door de paardengemeenschap doen de witten dat met elkaar, de bruinen gaan ook hun eigen weg. Het zwarte paard zoekt zijn heil onder de grote bomen, ver verwijderd van de andere.
Het gezelschap wordt gecomplementeerd, wonder o wonder, door een witte, kleine reiger. Vaak volgt de reiger, al lopend en vliegend, het zwarte paard. Maar het reigertje is een opportunist, ook bij de bruine en de witte haalt hij zijn buit binnen. Wat die buit is? Geen idee. Ik dacht dat reigers vissen aten, nu heeft een exemplaar dus het paard als bron van voedsel ontdekt.

Dit is geen allegorie of zo, het is gewoon een observatie van waar wij in die hittegolven vanuit onze veranda naar hebben zitten kijken. Ze zeggen dat het paard van alle dieren het dichtst bij de mens staat. Ik ben ervan overtuigd dat het klopt, zelfs de meest nare gewoontes nemen ze van hun meesters over. Discriminatie en haat, ze draaien hun poten er niet voor om. Ja, ja, weet ik, benen.

292

Journal d’images

 

Banksy

Dinsdag 23 augustus, Groningen

Op de terugweg naar Nederland verschijnt Banksy voor ons op een camper. Het stoot me eerlijk gezegd tegen de borst. Banksy is een underground straatkunstenaar. Niemand weet wie Banksy is, al zijn er vermoedens. Zijn anonimiteit verhoogt de mythe rond zijn werk. Zijn werken doemen op als er onrecht is of maatschappelijke kritiek valt te leveren. Banksy is anti-burgerlijk, onconventioneel en controversieel. Waarom zet je zijn werk op zoiets burgerlijke als een brave camper? Misschien omdat je van zijn werk houdt? Maar als je van zijn werk houdt, moet je zijn werk de plaats laten behouden waar hij het best tot uiting komt. En dat is niet zo’n duffe camper. De eigenaar reduceert Banksy tot illustrator en ontkracht daarmee zijn kunstenaarschap en politieke kracht.
Rembrandt hoort niet thuis op de deksel van koekjestrommels, Van Gogh heeft niets te zoeken op stropdassen en een Banksy op een camper zetten is een even grote miskleun.
Het kan zijn dat het de camper van Banksy is en dat hij er zelf in rijdt, in dat geval zijn bovenstaande zinnen niet geschreven.

Journal d’images

 

Toetjes

Zondag 21 augustus, Cadouin

Het toetje in Frankrijk, een raar fenomeen. Wij houden van pakken, een pak vanillevla, een pak yoghurt. Die pakken zijn, vergeleken met de toetjescultuur in Frankrijk, het toppunt van duurzaamheid. De toetjes in Frankrijk worden geproduceerd in kleine plastic bakjes. Vier keer lepelen met een theelepeltje en het toetje is op. Wie een beetje een toetjesgevoel wil hebben moet op zijn minst twee van die plastic bakjes leeg maken.
Eigenlijk is het toetjesgebeuren in Frankrijk een soort orgie van plastic. Worden er in Frankrijk wel eens vraagtekens gezet bij deze verspilling en vervuiling? Die vraagtekens zijn nooit tot mij gekomen, maar dat zegt niets, hier in Frankrijk ben ik een volstrekte buitenstaander.

Journal d’images

 

Afscheid

Zaterdag 20 augustus, Cadouin

Afscheid op het vliegveld van Bergerac. Mirre is vier dagen bij ons geweest en vliegt dan, helemaal alleen, terug naar Nederland. In Rotterdam wacht haar moeder haar weer op. Eerst natuurlijk formulieren invullen dat Mirre Mirre is. Ondertussen neemt ze hartstochtelijk afscheid van Dies. Want dat was natuurlijk het ultieme doel van haar logeerpartij: Dies. Mooi meegenomen dat wij er ook waren.

Journal

 

Bezoek

Woensdag 17 augustus, Cadouin

 

 

Hoe oud was ik toen ik voor het eerst met mijn ouders naar Italië ging? Ik weet het echt niet meer. Ik schat tien, elf jaar. Het was een onderneming, bungalowtent mee op het dak van onze Mini Cooper. Voor het eerst zag ik echte bergen, mijn moeder trouwens ook. Ze vond ze zo overweldigend dat ze moest huilen. Bergen, ze zijn te groot, te gevaarlijk, een mens heeft geen vat op bergen, vond ze, eigenlijk vind ik dat nog steeds.

Eergisteren hebben we bezoek gekregen. Mirre, tien jaar, kwam vanuit Rotterdam naar Bergerac vliegen. De tijden zijn veranderd. Ze vloog helemaal alleen. Haar moeder bracht haar naar Rotterdam en zette haar op het vliegtuig. Niet dat dat zomaar gaat. Voor de reis moesten zowel haar ouders als wij allerlei formulieren invullen. Belangrijkste was wel dat haar ouder verklaarden dat ze met hun toestemming naar Frankrijk mocht vliegen en dat ze er volledig vertrouwen in hadden dat we goed voor haar zouden zorgen.

Bergerac is wel het meest schattige vliegveldje dat ik ken. Het lijkt een sportvliegveldje. Een aankomsthal is er niet, wie mensen komt ophalen moet buiten wachten. Gebouwtjes zijn op vernuftige wijze met elkaar verbonden waardoor het een enorm rommeltje is. Neem niet weg dat je vanaf dit vliegveld naar tal van bestemmingen kunt vliegen en dat er drie keer per week op Rotterdam wordt gevlogen.

Wyb gaat naar de informatie om te vragen wat we moeten doen om Mirre te ontvangen. De man zegt dat hij degene is die de kinderen opvangt en dat we dan formulieren dienen te ondertekenen dat ze daadwerkelijk is aangekomen en dat ze met ons is meegegaan.
‘Heeft u een pen?’ vraagt de man
‘ Nee, hoezo?’
‘U moet dadelijk de formulieren ondertekenen.’
‘Maar u heeft daar toch een pen liggen,’ zegt Wyb en wijst naar een pen die voor hem ligt.
‘O ja, dan neem ik die wel mee.’

Mirre komt vrolijk het de uitgang uitgelopen, net alsof ze zojuist uit de bus is gestapt. Zo zal het wel, een vliegtuig is voor komende generaties een soort bus. Achter haar loopt de man met de pen. Wyb tekent de papieren en Mirre kan met ons mee.

Eenmaal bij ons thuis lijkt ze een aap die voor het eerst de natuur in mag. Binnen een kwartier beklimt ze de steile heuvel waar ons huis op is gebouwd. Ze staat hoger dan wij ooit durfde. Even later loopt ze rondjes om ons huis. Nooit geweten dat dat kon, hiervoor moet ze namelijk een hoge muur beklimmen.

Goed te vermelden dat Mirre niet voor ons op bezoek komt maar voor Dies. Ze beschouwt zichzelf als de moeder van Dies. Mirre was ons buurmeisje in Dwingeloo en was erbij toen Dies de eerste maanden bij ons was. Elke dag kwam ze wel even langs. Sindsdien kent Dies de waarde van kinderen. Altijd als hij een kind ziet, waar ook, begint hij te kwispelen. Een kind betekent spelen, met kinderen kun je tenminste een beetje ouwehoeren. Dies was op het vliegveldje dan ook uitzinnig van vreugde.

291

Journal

 

Optimist

Zondag 14 augustus, Cadouin

 

 

Vanochtend een aangename verrassing: een bewolkte lucht. Voor het eerst in een maand ziet het eruit dat de temperatuur niet boven de dertig graden komt. Even later begint het te regenen. Wyb en ik gaan op onze overdekte veranda zitten en genieten van de frisheid waarop de wereld wordt getrakteerd. De bomen maken een huppeltje van opluchting: eindelijk regen. Een duif zit hoog op een tak van een dode boom onbeschaamd te genieten. Hij spreidt zijn vleugels, hij wil zo nat mogelijk worden.

Bij de regen voegt zich even later het onweer. Misschien dat Dies het associeert met oorlog, angstig kruipt hij bij mij op schoot. Als hij vindt dat ik toch te weinig bescherming bied, vlucht hij het huis in. Flits. Klap. De warmte wordt verjaagd. Volgende week zakt de temperatuur de hele week onder de dertig graden. Heerlijk.

Op het einde van de ochtend stopt het met zachtjes regenen en wordt de lucht blauwer. Wyb besluit een lange wandeling te maken, een deel zal ik met haar meelopen. Ik uit mijn twijfel over die lange wandeling. Uit het westen komt weer dreigende lucht waarin ook nog onweer hangt.
Ik weet dat Wyb zich al weken op een lange wandeling verheugt. Mijn bedenkingen schuift ze dan ook resoluut aan de kant. ‘Eindelijk kan ik eens lekker wandelen.’

Ze lijkt gelijk te krijgen. We lopen door fris gewassen bossen. Wat een opluchting moet dat voor de beesten zijn. Geen idee waar ze de afgelopen maanden konden drinken. We blijven even staan, Wyb verwisselt haar vest voor een t-shirt. Als we tien minuten hebben gewandeld, zegt ze: ‘oh jee, ik heb mijn wandelstok net laten liggen.’ Omdat ze toch verder zou wandelen dan ik, besluit ik terug te lopen. Hopelijk ligt de stok er nog.

Als ik op de plek aankom waar de stok nog steeds ligt, heb ik uitzicht over een deel van de omgeving. En boven die omgeving zie ik donkere luchten aankomen. In die luchten, flits na flits. Ik besluit Wyb te bellen en te zeggen dat ze haar wandeling beter kan afbreken.
‘Nee hoor, ik wil echt doorwandelen, volgens mij valt het best wel mee. Jij bent altijd zo pessimistisch. Je weet dat ik een optimist ben.’ Ik wandel rustig naar huis en lees verder in Otmars Zonen van Peter Buwalda.

Dan gaat de telefoon. ‘Zou je me willen ophalen, het regent nu verschrikkelijk en ik zit midden in een enorme onweersbui.’ Als pessimist had ik zo’n telefoontje al verwacht. Ik ren naar de auto want inmiddels weet ik wat ze bedoelt. Ook ons huis staat nu in een wolkbreuk die me nog het meest doet denken aan de tropische bui die wij in een dorp in Laos meemaakten. Binnen een kwartier stond er een meter water in de straten. Eindelijk hadden de kinderen daar ook voor even een privé-zwembad.

Ik rij zo hard als ik kan naar de weg die Wyb opgaf. Maar snel gaat het niet. Het neerstortende water zorgt voor een watergordijn. De straten staan blank. Beken die maanden droog stonden, kolken het water weg.

Ik rij de lange weg af waar Wyb zou moeten staan. Het is goed mogelijk dat ik haar mis omdat de regen mijn zicht beneemt. Om mij heen slaat de bliksem in. Noodweer. En in dat noodweer moet Wyb ergens staan,

Pas op het einde van de weg zie ik een figuurtje met een hond onder een boom staan. Ik geef gas. Het is een reddingsoperatie. Ik gooi de deur open. Ik zie Wyb totaal doorweekt onder de boom staan. Alsof ze met haar kleren in het water is gevallen. Als ik de deur open, schiet Dies naar binnen, zo blij dat hij eindelijk is verlost uit de ellende. Tot overmaat van ramp schudt hij zich uit in de auto. Dan sopt Wyb naar binnen.

‘Ik had eigenlijk een foto van je moeten maken toen je daar onder de boom stond,’ zeg ik als ik thuis ben.
‘Hoezo?’
‘Ik vond het wel een mooi beeld. Totaal doorweekte vrouw. Onderschrift: Hier staat een optimist.’

290

Journal

 

Strelen

Zaterdag 13 augustus, Cadouin

 

 

 

 

De schaduwen van
de olijfboombladeren
strelen huid en haar.

 

289

Journal

 

Genaaid

Vrijdag 12 augustus, Cadouin

 

 

Laat ik het beestje bij de naam noemen. Of laat ik zeggen het beest. Meestal wordt het verstopt achter economische cosmetica. Het beest verschuilt zich sowieso achter de façade van de inflatie. Het komt er op neer dat we genaaid worden. Zelden heeft zich zo’n mondiale naaipartij voorgedaan.

Het NOS Journaal formuleert het vaak buitengewoon vriendelijk: ‘Bedrijf die of die heeft door de inflatie een veel hogere winst gerealiseerd.’ Door inflatie een hogere winst gerealiseerd? Nee, bij inflatie stijgen de prijzen van grondstoffen en hierdoor staat de winst van bedrijven onder druk. Natuurlijk berekent een bedrijf die verhoging van grondstoffen door aan de consument. Dat is nou inflatie. Maar dat wil niet zeggen dat een bedrijf automatisch meer winst maakt.

De oliemultinationals samen (Shell, BP, ExxonMobil, Chevron en Total) hebben alleen al in het eerste half jaar samen meer dan 100 miljard winst gemaakt. Je zou denken dat bedrijven het prijzenleed van de consument in deze crisis zoveel mogelijk proberen te drukken. Het tegendeel is het geval. Het tuig maakt gebruik van de situatie, de prijzen stijgen flink, dus er kan ook nog wel een opslag voor extra winst bij, denken de heren. Gevolg: 100 miljard winst over het eerste half jaar.

Het is opnieuw een overheveling van bezit naar de aandeelhouders ten koste van de werkende consument. De consument wordt genaaid ten behoeve van de kapitaalkrachtigen. De overheid zou hier natuurlijk als corrigerende scheidsrechter moeten optreden. Gelukkig gebeurt dat in veel landen. Daar heffen ze een ‘bofbelasting’ of ‘mazzeltaks’ om de overwinsten te corrigeren. Voorbeelden daarvan zijn Verenigd Koninkrijk, Roemenië, Slowakije, Bulgarije en Spanje.

Goed idee, zou je denken, dat zal het kabinet natuurlijk meteen overnemen. Maar nee, opnieuw prevaleert het slapjanussen. Staatssecretaris van Rij geeft aan dat het minstens twee jaar duurt voor de belastingregels zijn aangepast, dus heeft het geen zin om het nu te doen. Wat in andere landen in een twee maanden kan, duurt hier twee jaar.

Je zou er bijna iets van gaan denken. De verlaging van BTW op groente en fruit, ook al zo’n goed idee, kan voorlopig ook niet doorgaan omdat de Belastingdienst deze verandering niet zou ‘aankunnen’. Opnieuw: slapjanussen. Het ruikt naar onwil en obstructie. Vooral als het om progressieve ideeën gaat, is er ambtelijk verrekte weinig mogelijk.

Het naaien van de consument gaat inmiddels onverminderd door. De agrarische industrie en de supermarkten hebben nog nooit zo goed gedraaid. Er wordt melding gemaakt van de ene na de andere winstverhoging.
O ja, wist je dat 1 op de 5 miljonairs een agrarische achtergrond heeft? Natuurlijk staan we als één man achter de boeren die het zo moeilijk hebben. Toch jammer dat ze vergeten zijn dat dit mede mogelijk is gemaakt door alle subsidies die ze uit Europa en Nederland ontvangen. Even goed daarbij te realiseren dat die subsidies zijn opgebracht door diezelfde genaaide consument.

Ik zou zeggen: draai die vlag maar weer om. En dank voor die boerenzakdoek, prima om mijn neus in te snuiten.

288

Verkenning Dordogne

 

Verkenning Dordogne. Ik kan overreden dassen langs de weg fotograferen, pizza-automaten en bibliotheken in afgeschreven telefooncellen, maar deze foto geeft de essentie van de Dordogne het meest weer. Hiervoor komen mensen naar de Dordogne, of kopen ze er een huis: het goede leven. De Dordogne is een van de meest mooie en vriendelijke Franse landstreken. Er is zon, er zijn terrasjes, er is heerlijk eten en prachtige natuur. En prachtige stadjes. Deze foto is genomen in Monpazier, een van de mooiste stadjes die ik ken.

In de Dordogne wonen enorm veel buitenlanders, Engelsen, Belgen, Nederlanders. Zij hebben niet hun nationaliteit gemeen, maar wel hun levensinstelling. Ze houden van de goede dingen des levens en zijn niet vies van een beetje joie de vivre.

Ik geef toe dat de Dordogne ook wel een beetje het Drenthe van Frankrijk is: mensen met grijs haar zijn in de meerderheid. Voor wie van een leven vol rock and roll houdt of festivals met elektronische house, die heeft hier weinig te zoeken. Maar voor mensen die hard hebben gewerkt en willen genieten van het mooiste wat het leven te bieden heeft, is de Dordogne een prima plek. En daarmee houdt de vergelijking met Drenthe op. De Drent is gemaakt uit jenever, turf en achterdocht. De mens in de Dordogne is gemaakt van zonneschijn, wijn en genieten.

Journal

 

Gevaar

Woensdag 10 augustus, Cadouin

 

 

Ik heb met een gevaar te maken dat ik niet eerder kende. Dat gevaar heeft met ons huis te maken. Ons huis staat op een helling waarop een oud bos staat. Om het goede beeld te schetsen: eerst heb je een smal weggetje, daarna, twee meter hoger, onze tuin, achter onze tuin staat ons huis, achter ons huis het oude bos. Een groot deel van dat bos is van ons.

Op het eerste oog hebben we niets aan dat bos. De helling is te steil om te beklimmen ondanks dat het bos op oude terrassen staat. In vroegere tijden verbouwden monniken hier de druiven voor hun wijnen. Ik zeg op het eerste oog omdat het bos zeker een functie voor ons heeft. Omdat we door allemaal bomen worden omringd, wij eigenlijk onder bomen wonen, is het in en om ons huis veel koeler dan op andere plekken.

Grappig gegeven. Onze achterburen zijn dassen. Op de top van de helling ligt een dassenburcht die volop in gebruik is. Het kan gebeuren dat Dies als een gek de helling op rent. Vermoedelijk ziet hij dan een das, een ree is ook mogelijk. Vorige week rende Dies weer de berg op. En meteen klinkt het geblaf van een ree. Geblaf van een ree? Voor mensen die dat niet weten: als een ree is gevaar is begint het te blaffen.

Het nieuwe gevaar schuilt in de begroeiing rond ons huis. Het is hier in de Dordogne namelijk kurkdroog. Wij zitten momenteel in de vierde hittegolf, het heeft al twee maanden niet geregend. Deze week ligt de temperatuur boven de 35 graden. Als we door de Dordogne rijden lijkt het hier en daar herfst. Bomen verliezen hun blad, varens begeven het, de fauna lijdt onder de hitte en de droogte.

Je hoeft niet veel fantasie te hebben om te bedenken dat het kleinste vlammetje een enorme bosbrand zal veroorzaken. Ons huis zal niet het eerste huis zijn dat bij een bosbrand in vlammen opgaat. Niemand durft in deze tijden een barbecue te gebruiken. Ik vermoed dat het zelfs verboden is.

Vandaar dat we ons rot schrikken als we een sirene horen die steeds dichterbij komt. Even later rijdt een brandweerauto met gillende sirene aan de overkant van onze valleitje. We kijken in het rond, gelukkig nergens brand te bekennen, we ruiken ook niets. Hopelijk valt het mee. Een paar minuten later komen er nog twee brandweerauto’s langs. Het valt vast niet mee, want dit betekent groot alarm.

Weer even later verschijnt voor ons huis een helikopter met een grote waterzak eronder. Hij blijkt het water uit ons plan d’eau te halen, het water waar wij regelmatig langslopen om Dies te laten zwemmen. Wyb en ik zijn genoeg sensatiebelust om eens te gaan kijken, de helikopter vliegt af en aan.

Daar horen we dat de brand acht kilometer van ons vandaan is, aan de rand van Saint-Avit-Sénieur, een prachtig middelleeuw plaatsje. Gelukkig staat er geen wind waardoor het vuur niet als een gek om zich heen kan grijpen. Na een uur stopt de helikopter met vliegen, vermoedelijk is het sein vuur meester gegeven. Ons huis is geen moment in gevaar geweest.

Even later, als we boodschappen doen in Le Buisson-de-Cadouin lezen we in een krant dat er mogelijk een pyromaan actief is in de Dordogne. Daar ga je niet rustiger van slapen. Maar even later horen we dat deze brand is ontstaan door een wagen die gegrilde kippen op de markt verkoopt. Al rijdende verloor hij nagloeiende kolen. Gevolg: 25 hectaren van het mooiste bos in vlammen opgegaan.

Journal

 

Garagevolk

Maandag 8 augustus, Cadouin

 

 

Tussen 1921 en 1954 bouwde de metselaar Simon Rodia in zijn achtertuin in Los Angeles, in de wijk Watts, vreemde surrealistische torens. Rodia leidde een teruggetrokken leven. De bouw van deze wonderlijke torens werd hem door de buurt niet in dank afgenomen, zijn buren vonden ze maar horizonvervuiling. Simon Rodia bouwde onverstoorbaar verder aan zijn ‘nutteloze’ torens.
Ik heb nergens kunnen vinden waarom hij het deed. Vond hij het fijn om aan te werken? Wilde hij iets groots nalaten? Wilde hij een daad stellen tegenover die keurige wereld om hem heen? Hij creëerde in ieder geval iets wat nog niet eerder bestond. Misschien deed hij het wel gewoon omdat het kon. The Watts Towers, zoals ze nu worden genoemd, zijn iconisch en zijn voor veel mensen reden om naar Los Angeles af te reizen.

Vorige week las ik over een professionele variant van dit ‘nutteloze’ bouwen. De Duitse kunstenaar Anselm Kiefer kocht in 1992 bij het Franse dorp Barjac een verwilderd en heuvelachtig stuk grond, La Ribaute. Op het terrein stonden restanten van een zijdefabriek, vervallen heteluchtkelders, tunnels, geraamtes van warmwaterbaden.

Kiefer ging op het terrein wonen en besloot van La Ribaute zijn atelier te maken en een kunstwerk. Van betonnen platen bouwde hij torens die ook weer uit elkaar mochten vallen, hij groef nog meer tunnels en onderaardse ruimtes. Ondergronds heeft hij zelfs een grote theater-achtige ruimte gebouwd. Jarenlang werkte hij alleen op La Ribaute dat zo’n negentien voetbalvelden groot is. Pas sinds dit jaar laat hij mondjesmaat mensen toe. Die mensen lopen door een landschap dat de mens nog niet eerder kende. Alles is verval en in metamorfose, alles is ‘nutteloos’.

De meeste extreme variant zag ik gisteren in het programma Zomergasten waar Derk Sauer te gast was. Hij liet een fragment zien uit de documentaire Garage People. In Rusland is garagevolk een begrip. In garages creëren mensen hun eigen wereld, het zijn een soort man caves waar ze kunnen ontsnappen uit de armoede en een deprimerend samenleving. Er staan nauwelijks auto’s in die garages, de aftandse ruimtes zijn plekken waar mensen hun hobby’s uitoefenen of werken aan hun geheime ambities.

De documentaire laat ons een garagemens zien dat zijn lege garage inloopt. Achter in de garage is een luik. Hij opent het en daalt af naar een ruimte daaronder. Ook daar: een lege ruimte. En opnieuw een luik. Wat blijkt, de man heeft een enorm ondergronds gebouw onder zijn garage gebouwd, metalen trappen leiden naar diepere verdiepingen. Hij is er al zijn hele leven mee bezig. Waarom? Simon Rodia bouwde de hemel in, deze man bouwde de donkere aarde in.

Terwijl ik er met bewondering en verwondering naar kijk, realiseer ik me dat Dossiermoddergat eigenlijk eenzelfde soort bouwsel is, maar dan in de vorm van een blog. Eigenlijk is Het Dossier ook een ‘nutteloos’ ding. Het gaat alle kanten op, net als de bouwsels van Watts die opgebouwd zijn met kleurige scherven en ander nutteloos materiaal. Elk jaar wordt Het Dossier groter en groter en dient het geen enkel doel.

287

Journal

 

Hebberigheidshormonen

Zaterdag 6 augustus, Cadouin

 

 

Hebben, het zit zo in de mens. Meer willen hebben, uitbreiden, groter worden, niet tevreden zijn met wat je hebt. Ik merkte vandaag dat het ook in mij diep is verankerd.
Ons huis in Cadouin is perfect voor ons. Het is niet te klein, maar ook zeker niet te groot. We voelen ons er compleet thuis, het is alsof we hier al jaren wonen, het is de jas die past.
Onze tuin: prima. Voor mensen die geen groene vingers hebben ideaal, vrijwel alles mag ongehinderd groeien. De oppervlakte is voor ons niet te groot, niet te klein.

Eigenlijk hebben we nog twee wensen. Eerste wens is een houtkachel waarmee we als backup voor ons onze centrale verwarming de winter kunnen doorkomen. Houtkachels zijn gezelliger dan centrale verwarmingen en om ons heen bulkt het van het hout. Deze wens zal binnenkort vast worden vervuld.

Andere wens is gecompliceerder. Ons huis ligt op een heuvel. Om er te komen moet je eerst een hellinkje op, daarna is er een trap met zestien treden die naar het huis leidt. Dat hellinkje is een beetje een probleem. Vorige week hadden we bezoek van iemand die slecht ter been is en die had moeite om naar boven te komen. Daarom hebben we al langer het idee om in het hellinkje een luie trap te maken die aansluit op de trap naar ons huis.

Dat is makkelijk gezegd dan gedaan, want wij kampen eigenlijk met hetzelfde probleem als Schiphol, personeelsproblemen. Zie maar eens een vakman te krijgen. Mensen die echt iets kunnen zijn hier net zo zeldzaam als in Nederland.

Tot mijn verrassing komt, ultra-sportief, de vorige eigenaresse langs joggen. Ze is Engels en verbouwt nou een ander huis aan de overkant van de vallei. Ze is hier maar een paar weken per jaar. We laten haar het huis zien, dingen die we hebben veranderd. Dan komt het gesprek op het hellinkje. Ze vertelt dat haar man en zij het idee hadden een deel van het perceel naast ons huis te kopen, zodat ze ook een parkeerplek voor de auto hadden. Onze auto staat nu voor het hellinkje geparkeerd, gaat net.

En dan beginnen mijn hebberigheidshormonen op te spelen. Wat een goed idee, een stuk van het perceel kopen, dat geeft ons mooi meer ruimte. Van wie het perceel is, weet niemand. Ik heb het al aan diverse mensen gevraagd. Het is een groot perceel, wel tweehonderd meter lang. Op het perceel ruig bos, als we daar nu eens een strook van 15 meter konden kopen.

Maar dan gaan mijn alarmbellen af. We zijn compleet tevreden met huis en tuin. Waarom moet het dan weer méér worden? De Engelse dame oppert een idee en mijn bezitsdrang zet zich meteen in werking. Zo gaat het met de mens: meer en meer en meer. Zo putten we de aarde uit, zo ontstaan klimaatproblemen. Ik besluit niet meer aan een extra stukje perceel te denken. Het is goed zo, het is meer dan goed zo.

286

Verkenning Dordogne

Kijk: Beaumont, een van de mooiste plaatsjes van de Dordogne, en wat je ziet is in feite een invasieve exoot. De pizza-automaat is wat de Amerikaanse krab is voor de Nederlandse sloot. Van een sloot met de Amerikaanse krab blijft niets meer over. De hele sloot wordt kaal gevreten.

De Dordogne, dat is toch foie gras, confit de canard. De Dordogne is gourmand, een departement voor lekkerbekken, voor eerlijk lokaal eten van de beste producten van het land. En uitgerekend in de bakermat van de Franse keuken duiken pizza-automaten op. In Frankrijk stikt het inmiddels van de pizzarestaurant, maar de pizza-automaat is het summum van deze ontwikkeling. Ze staan op tal van plaatsen, meestal op de meest desolate plekken. Deze staat bijvoorbeeld bij een autowasstraat. Auto wassen, ondertussen bakt de automaat een pizza voor je. In drie minuten klaar.

Ik kan me herinneren dat er volksopstand uitbrak toen in Frankrijk de eerste McDonalds opende. Ik geloof dat hij zelfs in de fik is gestoken. Van dat sentiment is niets meer over. Naast de pizza-automaat staan er ook nog eens tientallen baguettes-automaten in de Dordogne. En zo wordt de kwaliteit van de Franse keuken meer en meer aangetast.

Journal

 

Boom

Woensdag 3 augustus, Cadouin

 

 

Wyb en ik hebben inmiddels best veel ervaring met het economische leven in Frankrijk. De algemene indruk daarvan is dat er weliswaar bedrijven zijn, maar dat die het leven van de klant het liefst zo onaangenaam mogelijk maken. Bij veel bedrijven is het de vraag of ze überhaupt iets willen verkopen. Het hebben van een bedrijf lijkt voldoende, waarom zou je dan last moeten hebben van klanten?

Zoals ik al eerder schreef hebben we een enorme naaldboom in onze tuin. Een echt mooi exemplaar. Zijn takken strekken zich majestueus uit. Hij is zo’n twaalf, dertien meter hoog en niets wijst erop dat hij met groeien gaat stoppen. Het vervelende is dat door zijn takken de elektriciteits- en telefoonkabel loopt, hij staat namelijk pal tegen zo’n karakteristieke, Franse stenen elektriciteitspaal. Diverse mensen hebben ons al gewaarschuwd dat dit eigenlijk niet mag en dat de burgemeester de bevoegdheid heeft in zo’n situatie in te grijpen. De rekening komt dan naar ons. Komt bij: hij neemt erg veel van ons uitzicht weg. Vandaar dat Wyb en ik besloten hem te laten verwijderen, ondanks dat we er niet van houden bomen een kopje kleiner te maken.

Maar waar vind je iemand die zo’n boom een beetje gecontroleerd kan demonteren? Onze tuinman laat weten dat hij daar niet de kennis en het materiaal voor heeft. Hier in de Dordogne staan zoveel bomen dat er best mensen zijn die dat wel kunnen.
Wat is de Franse vertaling van kappen? Zelfs Wyb weet het niet. Gelukkig is er Google die me vertelt dat dit abattage d’arbres is. Ik steun sowieso in mijn huidige leven op Google. De zoekmachine geeft mij drie namen van mensen in de buurt die zo’n boom aankunnen.

Ik besluit Mickael te bellen. Hij woont in Siorac-en-Pèrigord, mooi dichtbij. Tot mijn verrassing neemt hij meteen op. De meeste bedrijven en eenpitters krijg je pas te pakken na zeven keer bellen. Ik vertel wat wij graag zouden willen.
‘Geen probleem,’ is zijn antwoord. ‘Ik wil wel eerst even komen kijken.’
‘Dat kan. Wanneer zou u kunnen?’
‘Nu,’ zegt de man.
‘Geen probleem. Wij zijn thuis.’ Ik val van mijn stoel. Ik heb nog nooit een Franse ondernemer ontmoet die kordaat is. Hij is echt de eerste.

Twintig minuten later staat Mickael voor de deur. Hij bekijkt de situatie en zegt dat hij voor het kappen en wegvoeren van het hout ongeveer een halve dag nodig heeft. Hij noemt een prijs. Mooie prijs, weet ik inmiddels na enige onderzoek op Google.
‘Wanneer zou u het kunnen doen?’ vraag ik.
‘Vanmiddag.’
Nu gaat zelfs een Franse ondernemer voor mij te snel. ‘Vanmiddag hebben we al een andere afspraak.’
‘Morgen dan?’
‘Prima.’

En zo staat Mickael een dag later op een ladderwagen de boom van zijn takken te ontdoen. Daarna wordt de stam meter voor meter kleiner gemaakt. Als Mickael klaar is, lijkt onze tuin 1,5 zo groot en is ons uitzicht drie zo groot geworden. Bovendien heeft Mickael mijn vertrouwen in de Franse ondernemer een enorme positieve injectie gegeven. Goede ondernemers, ze bestaan hier dus wel.

284

Journal

 

Doorstromen

Dinsdag 2 augustus, Cadouin

 

 

Er zijn in Nederland wat gouden horloges uitgedeeld als waardering voor mensen die vijfentwintig jaar in dienst waren. Ik heb een paar keer de uitreiking van die dingen mogen meemaken en de bijhorende toespraken mogen aanhoren. De jubilaris kreeg een gouden horloge, zelf was hij een gouden medewerker, aldus de sprekers. Hypocrisie kent geen grenzen. Want eigenlijk wilde de feestspreker zeggen: ‘Man, alsjeblieft, zoek nou eens een andere baan, we zijn zo op je uitgekeken.’

Dat ergens lang blijven werken niets over de kwaliteit zegt, bewijst vandaag onze minister-president. Hij is 4311 dagen minister-president en daarmee de langst zittende premier. Naarmate hij blijft zitten, neemt de waardering af -en dat is niet gek. Mensen, zowel in een bedrijf als zeker in de politiek, zijn op een gegeven moment op je uitgekeken. Een mens is in onze moderne maatschappij is ook een soort product. En ook een mens heeft een product-liftcycle. Er is een tijd van komen, maar zeker ook van gaan.

Mark Rutte schermt dan altijd met het gegeven dat 2,2 miljoen mensen VVD hebben gestemd, waarvan 1,3 miljoen specifiek op hem. Hij realiseert zich blijkbaar niet dat 11 miljoen mensen niet op de VVD hebben gestemd, laat staan specifiek op hem. En ook in de VVD hoor je steeds meer het gemopper over een partijleider die veel lacht, maar bij grote problemen afwezig is en vies is van visie. Meer en meer mensen zijn hem gewoon moe.

Ik ken het probleem van mensen die te lang op een functie blijven zitten maar al te goed uit mijn beroepspraktijk. Komt vermoedelijk omdat ik vaak aan de randen van Nederland werkte. Waarom zou je, als je in Friesland woont en in het mooiste theater van die provincie werkt, in godsnaam gaan verkassen? Veel Friezen zijn sowieso niet uit Friesland weg te branden en hoeveel keus heb je nou in Friesland als je al in het meest prestigieuze theater van Friesland werkt? Het gevolg is merkbaar, mensen blijven eindeloos zitten. Het is een bedrijfsprobleem, maar ook een maatschappelijk probleem: hoe doorbreek je deze vorm van verkalking?

Iemand die lang zit, heeft het zelf niet door. Die denkt: och, ik heb mij wel bewezen, zich niet realiserend dat je steeds meer meubilair wordt en dat mensen best eens met iemand anders zouden willen werken. Vers bloed, frisse blik, nieuwe ideeën.
Voor mensen die langer op een functie zitten, dreigt al snel vermoeidheid, cynisme, blasé zijn, conservatisme, plat treden van paden, ongeïnspireerdheid, en zo zou ik nog even kunnen doorgaan. Er zijn weinigen die daaraan ontsnappen, al beweert de langzitter zelf altijd het tegendeel.

Een paar weken geleden schreef het Dagblad van het Noorden er een verhaal over. De krant constateerde dat Leeuwarden inmiddels wat goede ideeën en nieuwe initiatieven betreft Groningen voorbij is gestreefd. De oorzaak: medewerkers in de culturele sector in Groningen blijven te lang zitten, er is dringend behoefte aan nieuwe impulsen. En zo is het. Het culturele leven in de stad verstart. Ik kan me totaal andere tijden herinneren.

De Zomergast van afgelopen zondag, Sandra Phlippen, hoofdeconoom van de ABN Amro, vertelde dat ze elke vijf jaar uit zichzelf ontslag neemt en dan een half jaar zichzelf leegmaakt om te bedenken wat ze dan weer wil gaan doen. Een modelwerknemer, vind ik. Maar ook een luxepaardje, je moet het je maar kunnen permitteren.
Zelf hield ik periodes van zeven, acht jaar aan. Vijf jaar vind ik vroeg om ergens weg te gaan, maar na zes, zeven jaar, begon ik te voelen dat mijn tijd erop zat. Ik wilde zelf iets anders, en wist dat het voor het bedrijf goed zou zijn.

Doorstromen mensen, gewoon lekker doorstromen. Durf afscheid te nemen. Voor alle partijen, vooral voor jezelf, een verademing.

283

Journal

 

Hek

Maandag 1 augustus, Cadouin

 

 

We zijn nu twee maanden in Frankrijk en laat ik bekennen dat ik zo lui ben als een beer in winterslaap. Het goede leven heeft me volledig in de greep. Dat wil zeggen: uitslapen, rustig ontbijten, alle kranten lezen, een boek lezen, boodschappen doen, een middagdutje en ’s avonds lekker eten en eventueel wat voor de televisie hangen. Ik leid een onbeschoft makkelijk leventje, wie had ooit gedacht dat ik deze staat zou bereiken.

Voor een deel word ik daartoe gedwongen omdat we inmiddels in onze derde canicule (hittegolf) zitten. In de loop van de dag neemt de hitte je in een drukkende greep. Vooral op het eind van de middag, zo rond vier, vijf uur, hangt de hitte in alle hoeken en gaten en ontkomt niemand meer. Het beste is dan even helemaal niets te doen. Gewoon liggen. Knock-out. Wat ik overigens helemaal niet erg vind. Ik geef mij graag gewonnen. Groot voordeel van de Dordogne vergeleken met de Cevennen: ’s avonds wint de koelte weer. Wat een genot.

Dit alles neemt niet weg dat er vandaag werk aan de winkel is. En dan bedoel ik: serieus werk. Onze tuin is zo’n vijftig meter breed en zes meter diep en loopt direct over in de tuin van onze buurvrouw, waar we enorm mee hebben geboft, waardoor het lijkt alsof we een enorme lange tuin hebben. Aan dit optisch bedrog gaan we vandaag een einde maken want Dies loopt de boel te verpesten. Hij weet precies dat hij in onze tuin moet blijven. Hij lijkt een keurige hond. Alleen als hij de kat van onze buurvrouw ziet dan is hij alle keurigheid vergeten. Als een gek raast hij achter het lieve beestje aan en is hij pas tevreden als Chatchat, zoals ze heet, hoog in een boom zit. Erg irritant.

Vandaar dat we met de buurvrouw hebben besloten een hek tussen onze twee percelen te plaatsen. In onze beider tuinen staan al mooie authentiek houten hekken met kastanjelatten. We besluiten het daarom ook als erfafscheiding te gebruiken. Ideaal hek. Eén keer plaatsen, daarna hoef je er nooit meer naar om te kijken.
Die laatste zin kenmerkt trouwens onze hele tuin. Er staan grote bomen in, zoals een catalpa die ons in deze warme tijden van schaduw voorziet, twee hoge cipressen, een notenboom, een vijgenboom, een perssikkenboom, het lijkt bij ons wel een voedselbos, en een enorme dennenboom waar we vanaf willen. Daarnaast grote struiken als de vlinderstruik, een reuze rozemarijnstruik en een reuze kamperfoelie, en een grote hoeveelheid hibiscussen.  Daartussendoor is er wat gras. Het fijne van die tuin: je hoeft er geen donder aan te doen. We laten alles lekker groeien. Alleen het gras moet vier keer per jaar worden gemaaid, voor het laatst in mei want daarna stopt de hitte de groei van het gras.

We staan vroeg op. Onze buurvrouw weet echt wat werken is. Ze verbouwt in haar eentje haar huis, van ruïne tot een huis dat iedereen wil hebben. Van haar enorme kluskracht maken we graag gebruik.
Van Nederlandse vrienden heeft ze een apparaat geleend dat onmisbaar blijkt. Zo heeft ze een superzware huls van hen gekregen die je als een condoom over een paal kunt laten vallen. Slechte vergelijking want een condoom associeer je niet met een ijzeren huls van vijftig kilo. In ieder geval zwicht de paal onder de zwaarte en gaat, klap na klap, steeds dieper de grond in. Goed gereedschap is alles, dat blijkt wel weer. Eén ochtend en de palen staan in de grond, het hek is uitgerold en aan de palen vastgemaakt. Dies is gekooid.
Jezus Christus, wat is het nu warm.

 

Journal

 

Lente!

Zondag 31 juli, Cadouin

 

 

 

Een nieuwe lente!
Och, geef mij de ouden maar,
zei de grijsaard zacht.

282

Journal

 

Heren

Vrijdag 29 juli, Cadouin

 

 

Ik studeerde in de jaren zeventig. Nou ja, studeren. Ik voerde voornamelijk actie en daar heb ik veel van geleerd. Het was management avant la lettre. Spontaan een bezetting organiseren, binnen een paar dagen een demonstratie op de been krijgen, mijn organisatie skills ontwikkelde ik daar en dat was een cadeau voor het leven.

Een van de prettige dingen van de jaren zeventig was dat iedereen ervan overtuigd was dat het traditionele studentencorps niet lang meer zou bestaan. Ik weet eigenlijk überhaupt niet of er in die jaren studenten lid waren van een corps. De studentenbal was uit het straatbeeld verdwenen. Als je er al een zag lopen dan had dat hetzelfde effect alsof je een vrouw uit Staphorst in klederdracht tegenkwam, een curiositeit.

Ik heb nooit begrepen waarom iemand lid wil worden van een vereniging. Goed, als je wilt voetballen moet je wel lid worden van een voetbalvereniging. Maar om te gaan wandelen en te genieten van de bossen hoef je geen lid te worden van de padvinderij. En om feest te vieren en mensen te leren kennen hoef je geen lid te worden van het corps.

Het vervelende van verenigingen is dat ze ook meteen rituelen en regels gaan verzinnen. Over nieuwe leden heen pissen, mensen lam voeren, een plein met een tandenborstel laten schoonmaken, een vereniging ontwikkelt graag nare gewoontes. De behoefte om je daarbij aan te sluiten of je daaraan te onderwerpen begrijp ik totaal niet. Een beetje persoonlijkheid vindt toch zijn eigen weg, denk ik dan. En dan de tijd die er in gaat zitten, al die verplichte uitjes, zuippartijen, gewoontes, alsof je alle tijd hebt in het leven.

Ik schrijf dit natuurlijk naar aanleiding van het wangedrag van de mannetjes van het Amsterdamse studentencorps asc/avsv, door zichzelf het liefst Heren genoemd. Op kinderlijke wijze toonden zij in ultrakorte tijd hun vrouwenbeeld. Vrouwen zijn hoeren van wie je de nek moet breken om er vervolgens je lul in te stoppen. Of was het sperma? In ieder geval een van die twee of misschien wel beide. Je houdt het niet voor mogelijk, maar filmpjes bewijzen dat het waar is.

Het fascinerende is dat die mannetjes met hun witte overhemdjes en hun bretelletjes vermoedelijk allemaal een keurige opvoeding hebben gehad. Acht van de tien leden zal niet zeven vinkjes hebben maar het dubbele daarvan. Er zullen een paar hoogbegaafden bij zitten, een groot aantal is gestimuleerd met bijlessen en warme ondersteuning van de ouders om het hoogste onderwijsniveau te halen.

Die ouders zijn ongetwijfeld lieve, begrijpende, ruimdenkende ouders. De vrucht van hun opvoeding zit daar dan voluit ‘Hoer’ mee te brallen. Mij als misantroop geeft het toch het zoveelste bewijs dat de mens niet deugt. Zelfs als je met slimme en goed opgevoede exemplaren van de menselijke soort hebt te maken loopt het al snel uit de klauw. Zet de mens in een massa en hij is kneedbaar als de klei in de handen van de pottenbakker. Alleen al door dat gevaar een advies aan mijn jonge lezertjes: mijd verenigingen.

 

281

Journal

 

Strontvliegen

Donderdag 28 juli, Cadouin

 

 

Ben ik een paar maanden weg uit Nederland, loopt de boel uit de hand. Uit het vaderland bereiken me apocalyptische beelden. Naargeestige puinhopen op onze gestroomlijnde snelwegen, brandende bermen, boeren die pro deo asbest storten, op- en afritten vol vuil, autobanden en balken. In landelijke gebieden wapperen volop van die treurige omgedraaide Nederlandse vlaggen. Je kunt ze niet weghalen want dan krijg je een doodsbedreiging. Altijd al een hekel aan vlaggen gehad. Waar vlaggen zijn is strijd.

Gezellig land. Iedereen bedreigt iedereen. De boeren bedreigen de aannemers die de snelwegen willen fatsoeneren. Van ambtenaren die vlaggen weghalen verschijnen foto’s op internet zodat zij en hun familieleden kunnen worden bedreigd. Politici bedreigd. Politie bedreigd. Zelfs de handelsreizigster in vlees, mevrouw Caroline van der Plas (wie kent haar niet), heeft alle afspraken afgezegd. Oorzaak: doodsdreigingen. Als je niet bedreigd wordt in Nederland hoor je er niet bij.

Ultra-rechts spint er garen bij. De vele websites die dat gedachtengoed uitwalmen hebben zich naar Nederland gespoed. De opstand tegen de mondiale elite, geregisseerd door het World Economic Forum (of zoiets, het kan ook Bill Gates zijn of Georges Soros, dat is afhankelijk van welke gek je spreekt), is in Nederland begonnen, vinden zij. Waar stront is zijn strontvliegen.

Gisteravond zag ik bij Renze, een soort slechte RTL-variant van Op1, een jonge Hollandse boer die ik al eens eerder aan de tafel zag zitten. Hij is een blozende jongen die graag in de buitenlucht verkeert, dat zie je zo. Vermoedelijk is hij net klaar met mbo landbouw. Hij verwoordt wat ik al vaker van boeren hoorde: ‘we voeren nu al maanden actie en het kabinet heeft nog steeds niet geluisterd, ze gaan gewoon door met hun plannen.’ In een vorige uitzending werd hij heel emotioneel en begon hij te huilen. Best lief. Maar wie legt die boeren nou eens uit dat actievoeren niet betekent dat je gelijk krijgt, dat we in Nederland hele nette democratische procedures hebben. Dat je daar tegen mag protesteren en lekker mee mag polderen, maar dat protest volstrekt geen garantie is dat je gelijk krijgt.

Ik heb inmiddels besloten mijn melkconsumptie te beëindigen. Dat betekent ’s morgens geen drie koppen koffie meer met koemelk. Ik stap over op sojamelk of havermelk. Op mijn bord geen vlees meer. Ik wil er alles aan doen om de veeteelt in Nederland tot een minimum te reduceren. Zijn we nou helemaal gek geworden? Een land zonder veeboeren, het lijkt me een enorme opruimactie. Eindelijk weer gewoon over de snelweg kunnen rijden. Eindelijk komt er grond bij om huizen te bouwen voor starters en vluchtelingen en dan is er nog genoeg plaats voor nieuwe bossen. Eindelijk die deprimerende vlaggen weg en die strontvliegen het land uit. En bovenal: geen dierenleed meer.

Hier in Frankrijk zijn ze verbijsterd als ik vertel dat Nederland de tweede grootste exporteur van landbouwproducten in de wereld is.
‘Zo’n klein landje? Dat kan toch niet?’
‘Natuurlijk kan dat niet.’

‘Wyb, ik ben een blogje aan het schrijven, zou jij nog een kop koffie met sojamelk voor me willen maken.’

280

Journal

 

Basta

Dinsdag 26 juli, Cadouin

 

Basta

Zal het laatste woord
hetzelfde zijn als
het eerste woord: mama?
Of is er een schreeuw door pijn?
Er zijn vast wat diepe zuchten.

En dan is het gedaan.
Vóór mij de leegte.
Achter mij de liefde.
Het wissen is begonnen.
Hier en daar nog herinnering.

En ik weet niets.
Ik ben niets meer.
Nog even vuur.
Daarna as en stof,
zoals het hoort.

Dan het verstrooien.
Laat het stevig waaien
over de planten, een vogel
pikt. Op in het geheel.
En dat was het dan.

Hoe groot is de kans
dat mijn moleculen
zich ooit weer herenigen?
Totaal nihil. Het is allemaal
voorbij, afgelopen. Basta.

279

Journal

 

Dikke Ik

Maandag 25 juli, Cadouin

 

Ik lees in NRC een lang artikel over de situatie in Ter Apel. Over de situatie van vluchtelingen, mensen die zijn gevlucht voor oorlog, of dreiging van een levenslange gevangenisstraf, of marteling, of vervolging omdat ze homo zijn of atheïst. Komen ze na een lange reis aan in Ter Apel, zo’n beetje het Siberië van Nederland, zover mogelijk weggestopt van de Randstad, staan ze voor een dichte deur. Ter Apel is een plaats waar de Nederlander zo min mogelijk last heeft van mensen die (nog) geen Nederlander zijn. Nu al maandenlang staan vluchtelingen voor een gesloten poort. Het AZC daar zit vol en daarom moeten mensen buiten slapen, net zo lang tot er weer een plaats vrijkomt. Ze slapen daar tussen het vuil, vlakbij stinkende noodwc’s, in kou en regen.

En ik denk: wat zijn we toch een miezerig klote volkje. We kunnen wel tienduizenden Oekraïners keurig opvangen, gelukkig, maar als het om mensen uit andere culturen gaat geven we niet thuis. Hoe kan het dat we in dit keurige land, dat bulkt van het geld en kennis, dit niet kunnen organiseren? Omdat we het niet willen.

Er komen op het ogenblik minder vluchtelingen binnen dan in tijden van de Balkanoorlog of het begin van de oorlog in Syrië. Toen werd het uiteindelijk redelijk gemanaged en nu laten we de boel in het honderd lopen. Waarom? Omdat we, toen die golven voorbij waren, wij meteen de opvang zijn gaan afbouwen. Vluchtelingen mogen niet het idee krijgen dat ze hier welkom zijn, dat het bed klaar staat. Hierdoor komen we elke keer opnieuw voor een crisis te staan als de toeloop toeneemt. Elke keer weer creëren we onze eigen crisis.

En hoe dat komt? Onverschilligheid. Mensen die vluchten, het liefst bannen we dat soort zaken uit ons hoofd. Ze zijn lastig en kosten geld. Bovendien vraagt de kwestie empathie, invoelingsvermogen, een ethisch besef, beschavingsdenken, en dat hebben we nu eenmaal niet in Nederland. Hoe hadden we dat ook moeten ontwikkelen? We zijn overvoerd door de junk televisie van Joop van den Ende en John de Mol. Leve de leut! Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?

Al snel hoor je: wij zijn een nuchter volkje. Ja? Dat nuchter is gemakzucht, onverschilligheid, het hoofd wegdraaien, je reet afvegen met andermans ellende. Nuchter is domheid, je blik vernauwen tot je eigen kleine wereldje. Maar wat wil je ook met een premier die alles wat te maken heeft met vooruitkijken, om je heen kijken, opvattingen hebben, een visie hebben, niets vindt.

In Frankrijk krijgen de kinderen op de basisschool al filosofie. Ze zijn daar gewend om van jongs af aan na te denken over existentiële en ethische kwesties. Kom daar eens om in Nederland. We vinden dat tijdverspilling, onnodig gezweef, soft gedoe. Het gros van Nederland heeft geen idee hoe de wereld om hen heen eruit ziet. Als het gazon maar gladgeschoren is, de kantjes geknipt, de hypotheekaftrek niet in gevaar komt. We zijn een land vol volgevreten verwende eikels die elkaar op sociale media de kanker en de tering toewensen. Laat staan dat ze geïnteresseerd zijn in mensen die op de vlucht zijn.

Dikke Ik zit in Nederland stevig in het zadel.

278

Journal

 

Woudloper

Zaterdag 23 juli, Cadouin

 

Er zijn twee dingen die ik absoluut niet kan. Mijn leven had er anders uitgezien als ik die wel had gekund. Zingen en wandelen. Ik kreeg muziekles op de basisschool. Aangezien mijn meester van zingen hield, zongen wij wat af. Heerlijk.

Eenmaal gevorderd moesten wij voor een cijfer alleen voor de klas een liedje zingen. In mijn klas zaten echt een paar nachtegalen. Gelukkig zit de T van Tonen pas op het eind van het alfabet. ‘De Blogger,’ de meester nodigde mij uit. Ik hield geen wijs, zong zo vals als denkbaar. De meester was verbijsterd: ‘Jij kunt echt niet zingen.’ Ik was nog slechter dan ik zelf al wist. Dat jaar moest ik nog een paar keer alleen voor de klas zingen. Elke keer hetzelfde erbarmelijke resultaat. Uiteindelijk besloot de meester dat ik niet meer alleen hoefde te zingen. De kwaliteit van mijn zingen was hem meer dan duidelijk.

Voor mij was het een grote deceptie. Want ik wist wat ik het allerliefste wilde worden. Ik wilde cabaretier worden, ik wilde een Toon Hermans worden, of een Wim Sonneveld, maar het liefst Toon Hermans. Als ik in mijn jeugd ergens van heb genoten dan waren het hun one-man-shows. Ik liep mijn eerste litteken op door die zangles. Het was duidelijk dat ik nooit een Toon Hermans kon worden. Dan maar een goede voetballer worden, een George Best of Bobby Charlton.

Een ander ding waar ik absoluut geen talent voor heb is wandelen. Als ik goed kon wandelen zou ik eindeloos doorlopen. Woudloper worden leek me ook niet gek. Al sinds mijn jeugd weet ik dat ik geen woudloper kan worden. Dit leverde opnieuw een littekentje op. Als ik langer dan een uur loop gaat mijn rechtervoet schrijnen, een soort elektrische pijn.

Afgelopen week liepen Wyb en ik door de Pyreneese bergen. We liepen een prachtige tocht op grote hoogte. Het eerste uur voel ik mij de koning te rijk, niets aan de hand. Mijn voet doet precies wat een voet moet doen. Maar na een uur voel ik langzaam de pijn komen en wordt het wandelen weer een lijdensweg. Ik ben een prima klimmer, aan mijn conditie ligt het niet, aan mijn geest al helemaal niet. Maar die voet, die rechterpoot. Wyb en ik gaan regelmatig zitten in de hoop dat de voet zich herstelt. Helaas, een kwartiertje zitten helpt niet.

Als we afdalen, passeert ons een Frans jongetje van tien jaar. Hij huppelt naar beneden. Met jaloezie kijk ik naar hem. Wat een conditie, wat een souplesse. Sowieso is wandelen een breed beoefende bezigheid in Frankrijk. We komen gezinnen tegen met kinderen van vier, vijf jaar, die geheel zelfstandig stevig doorstappen. Niks mekkeren. De Fransen kweken hard volk. Naast ons camper staat een vader met zijn zoon, Gabriël. Elke dag maken ze een bergwandeling. Drie dagen geleden wandelden ze liefst acht uur naar de top van een berg. Kom daar eens om bij Nederlandse kinderen.

Ik ben dus geen Toon Hermans geworden, geen George Best, en ook woudloper zat er voor mij niet in. Vooral dat laatste tot verdriet van Wyb.

277

Journal

 

Veranda

Zondag 17 juli, Cadouin

 

Bij de doorzonwoningen van mijn ouders in de Nijenrodestraat en Weezenhof hadden wij natuurlijk geen veranda’s. In Nederland is een veranda een ding dat niet veel voorkomt. Op de Kwakkenberg en in Wassenaar zullen er vast een paar zijn, maar in Hatert en Dukenburg is het een ongekend fenomeen.

Ik leerde de veranda kennen van de talloze cowboyfilms die ik zag. Stoere mannen hingen met hun geweer op schoot op een veranda, hun voeten rustten nonchalant op het houten hek van de veranda. Later kwam ik de veranda tegen in de Amerikaanse romans die ik las. Sinds ik de veranda leerde kennen, vind ik het begerenswaardig onderdeel voor een huis.

Toen wij naar Hippolyte verhuisden kreeg ik voor het eerst een veranda, en wat voor een. Het was een balzaal van een veranda. Het was dat we rekening hielden met de buren, anders hadden we er grote feesten kunnen geven.
Al moet ik zeggen dat ik vind dat je op veranda’s geen feesten moet geven. Veranda’s zijn er vooral om te zitten, te mijmeren, wat te staren of te kijken naar de natuur en de sterren. Het fijne van een veranda is dat het binnen is, maar toch buiten. Een veranda geeft een beschermd gevoel. De avond valt, je zit op een veranda, glas wijn bij de hand, en het geluksgevoel is niet ver te zoeken.

Gelukkig hebben we in Cadouin opnieuw een veranda, onze tweede veranda. Deze veranda is een fractie van de balzaal in Hippolyte, maar voor ons ongelooflijke waardevol. Het is geen veranda die aan het huis vastzit, het is een soort open kamer die voor onze voordeur is gebouwd. Je loopt de voordeur uit. Dan heb je een kleine betonnen stoep en in het verlengde van het huis ligt dan onze veranda. Als je op straat naar het huis kijkt, lijkt het meer een uitzichttoren.

De veranda is de ruimte in het huis die wij het meest gebruiken. Onze veranda is eigenlijk onze woonkamer. Er staat een bank en twee stoelen waarop het heerlijk zitten en slapen is. Het is de ideale plek om te lezen, te praten en niks te doen.

Het fijne is dat de veranda onder bomen ligt waardoor het altijd tamelijk koel is. Die koelte wordt nog gestimuleerd omdat één wand van de veranda een gordijn van boomtakken is. Die takken wuiven ons regelmatig koelte toe. Deze wand moet er binnenkort wel aan geloven. Het is wachten op onze tuinman die een aantal takken gaat verwijderen. Die takken ogen mooi, maar ze belemmeren ons uitzicht. We willen net iets meer van ons af kunnen kijken.

Op het ogenblik is het rond de 37 graden in Cadouin, zelfs onze veranda wordt te warm om lekker te zitten. Morgen slaan we voor een paar dagen op de vlucht want het kwik gaat naar de 40 graden. Wyb en ik gaan met de camper een paar dagen naar de Pyreneeën. De canicule die steeds onverbiddelijke vormen aanneemt, hopen we op koele hoogte beter door te komen.
Het is te hopen dat we niet te maken krijgen met bosbranden, want de branden rond Bordeaux, dat toch 170 kilometer van ons vandaan ligt, waren gisteren zelfs in de Dordogne te ruiken.