Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

Journal, januari 2020

Afscheid

Vrijdag 17 januari, Metz

Afscheid van Moddergat. Geen eindeloos uitzicht meer zonder enig obstakel. We gaan terug naar de bergen. De aankomende twee dagen zijn we onderweg. We hoppen langzaam naar beneden. Eerst afscheid van Anneke, dan naar de garage in Rogat waar onze auto na een grote beurt op ons staat te wachten, daarna nog langs Jan en Connie en dan rijden we Nederland uit. We zullen vermoedelijk stoppen in Metz. Dan hebben we de eerste zeshonderd kilometer achter de rug. De tweede dag is voor de volgende achthonderd kilometer. Voor Dossiermoddergat maakte ik een laatste foto, kijk naar de horizon, tussen de Noordpool en de dijk voor ons huis staat of ligt helemaal niets. Trek een rechte lijn en je scheert over water zo het ijs en de sneeuw van de Noordpool op. De aankomende dagen is de redactie van Dossiermoddergat dus on the road, op weg naar het zuiden, van de Waddenzee naar de Middellandse Zee. Eindbestemming Saint-Hippolyte-du-Fort. Wordt vervolgd.

Wil

Donderdag 16 januari, Moddergat

Ik ben vandaag lid geworden van de Coöperatie Laatste Wil. Ik ben al lid van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde (NVVE), de Laatste Wil heeft ervoor gekozen zich uitsluitend te richten op wat zij noemen de autonome route, namelijk dat iemand zelf het moment van zijn dood kan kiezen. Zij streven ernaar dat mensen kunnen beschikken over een humaan laatste middel dat legaal kan worden verkregen.

Gisteren hadden we met vrienden een gesprek over euthanasie. Ik vertelde dat mijn moeder lid was van de NVVE maar uiteindelijk niets had geregeld. In haar paperassen lagen liefst drie formulieren waarmee ze euthanasie had kunnen regelen. Alle drie de formulieren waren niet ingevuld, laat staan dat er een handtekening onder stond.

Mijn moeder zei altijd: ‘Och, jij weet wat ik uiteindelijk wil, jij regelt dat wel.’ Ik wist dat ze euthanasie wilde dus elke keer weer zei ik: ‘Maar als jij het niet regelt kan ik niks.’ ‘Ja, dat ga ik wel een keer doen.’
Toen mijn moeder in haar laatste levensfase zinloos lag te lijden in een katholiek verzorgingshuis heb ik diverse keren gedacht dat mijn moeder misschien bedoelde dat ik met een kussen een einde aan haar leven moest maken. Dat heb ik uiteindelijk niet gedaan. Zeker wel overwogen. Die katholieke ethiek veroorzaakt heel wat mensenleed.

Maar gisteravond bedacht ik opeens: ik heb zelf ook niets geregeld. En afgelopen maanden heb ik gemerkt hoe snel het met je gezondheid gedaan kan zijn. Daar komt bij dat ik, als het moment daar is, niet afhankelijk wil zijn van artsen die beslissen of ik wel of niet geëuthaniseerd kan worden. Ik begrijp niet waarom de politiek artsen zo’n grote rol in het euthanasieproces heeft gegeven. Artsen zijn er om levens beter te maken, te verlengen, niet om mensen dood te maken.

Er is maar één iemand die over mijn leven beslist. Dat is zeker geen god en dus ook geen arts: dat ben ik zelf. Dat kan wel niet in het straatje passen van christelijke partijen, maar met dat soort denken wil ik in deze kwestie niets te maken hebben. Wie tot het einde wil lijden mag dat zelf weten, ik kies zeker niet voor deze inhumane variant.

Dat je niet blindelings op artsen kunt vertrouwen, heb ik van dichtbij meegemaakt. Een vriend van mij had alles geregeld, alles was met de huisarts en een scanarts besproken, alles stond zwart op wit op papier. Toen het moment daar was zei de arts: ‘Ik heb geen behoefte aan een nieuw Tuitjehoorn’ en mijn vriend moest tot de laatste adem lijden.

Ik ben vanaf nu opzoek naar een middel dat mij helpt humaan te overlijden als ik dat nodig vind. Waarbij aangetekend moet worden dat ik geen enkele suïcidale neiging heb. Integendeel, het leven is mij meer dan lief. Toch wil ik, mocht het nodig zijn, een middel in huis hebben zodat ik zelf mijn moment kan kiezen. Het lijkt me buitengewoon geruststellend als ik zo’n middel heb. Mocht iemand dit leest mij kunnen helpen bij het vinden van het middel, laat het mij dan alsjeblieft weten. Met mijn lidmaatschap van de coöperatie Laatste Wil steun ik vooral het streven autonoom te kunnen sterven, al hoop ik ook dat ik door dat lidmaatschap erachter kan komen wat daarvoor de meest effectieve middelen zijn.

Stokpaardjes

Woensdag 15 januari, Moddergat

Als ik in Nederland was gebleven, schreef ik nu vermoedelijk aan een of ander subsidieverzoek voor een gezelschap of theatermaker. Eens in de vier jaar moeten theatermakers een subsidieverzoek indienen en wordt beoordeeld of ze de aankomende vier jaar subsidie krijgen. Ik heb heel wat van die schrijfsels voortgebracht. Een van de redenen om naar Frankrijk te vertrekken is de vurige wens om nooit meer een subsidieverzoek te hoeven schrijven. Er zijn mensen die met groot plezier aan die invuloefeningen werken, ik vond het een crime.

De afgelopen weken heb ik met diverse mensen gesproken die wel aan subsidieverzoeken schrijven. Ik hoor van hen dat de invuloefening, vooral bij het Amsterdam Fonds voor de Kunst, nog rigider is dan in vorige jaren. Om subsidie te krijgen zijn drie dingen belangrijk: diversiteit en inclusie, diversiteit en inclusie, diversiteit en inclusie. Tot in detail moet beschreven hoe een gezelschap of theatermaker aan die diversiteit en inclusie denkt te gaan werken.

Ik vermoed dat ik in mijn leven zo’n vier of vijf subsidierondes heb meegemaakt. Elke keer zat er een staatssecretaris met een nieuw politiek stokpaardje en alle theatermakers hopten vrolijk met de staatssecretaris mee om maar geen subsidie te missen. Zo heb ik als absolute politieke prioriteit voor de podiumkunsten topkunst voorbij zien komen, amateurs, allochtonen, vergroten eigen inkomsten, nu dus diversiteit en inclusie. Voor de theatermakers maakte het niet uit, ze waaiden ogenschijnlijk vol overtuiging met elke politieke wind mee.

Ik vind het goed beschouwd een vernederende bezigheid. Ik heb het al vaker als argument naar voren gebracht: stel dat je schrijvers aan dit soort criteria blootstelde. Dat Gerard Reve en Willem Frederik Hermans in hun boeken en gedichten meer met allochtonen (woord dat nu taboe is, maar in heel wat beleidsnota’s is gebruikt) hadden moeten doen. De wereld zou te klein zijn geweest. Staatskunst, was er geroepen. Opdrachten die niet in Nederland maar meer in de Sowjet-Unie thuishoren. Het gekke is dat theatermakers dergelijke politieke criteria zonder meer accepteren. Ze beschouwen het als een ritueel bij de dans rond het gouden kalf. Zowel het geschreven als het mondelinge woord is lenig, je kunt er alle kanten mee op. Theatermakers zijn intussen halve politici geworden, ze moeten wel willen ze wat geld bij elkaar schrapen.

Er is één staatssecretaris geweest die geen politieke criteria stelde, hij stelde de kwaliteit van kunst centraal. Hij was zelf dichter, maar was vooral bekend als literatuurcriticus, zijn naam was Aad Nuis (D’66). Hij kreeg een enorme berg kritiek over zich heen. Hij zou geen visie hebben, hij wist niet waar het met de kunsten heen moest. Theatermakers werden er helemaal zenuwachtig van, een bestuurder zonder specifieke politieke opdracht, wat moest je nou in godsnaam in je subsidieverzoek schrijven.
Ik heb zijn foto nog altijd boven mijn bureau hangen. Aad Nuis, de enige bestuurder die wist waar het werkelijk om ging: het maken van kunst. Wie maakt kunst? De kunstenaar, die moet op zijn weg door de kunsten vanuit een persoonlijke en maatschappelijke betrokkenheid kunst maken, een oeuvre scheppen. Politici moeten daar met hun tengels van afblijven. Stokpaardjes zijn levenloze beesten.

Amsterdam

Dinsdag 14 januari, Moddergat

De koningin van de Utrechtsestraat

De koningin op haar woonboot

De koningin in haar werkkamer

Nog een paar dagen en we vertrekken weer naar Saint-Hippolyte-du-Fort. We lijken wel de Europese Unie, dan vergadert ze in de ene stad, dan weer in de andere. Zo zullen wij over drie dagen alle spullen van het hoofdkantoor in Moddergat inpakken en overbrengen naar ons Franse hoofdkantoor. Om nog even de Nederlandse sfeer vast te houden boven wat foto’s uit Amsterdam.

De aankomende dagen zijn we nog druk met afspraken. Vandaag heb ik zelfs, na meer dan tien maanden, mijn eerste vergadering over theater. Het project waar het over gaat moet ik helaas nog even geheim houden. Transparantie is voor Dossiermoddergat een groot goed, maar er zijn grenzen. Mogelijk later, als het project in de fase van realisatie komt, zal Dossiermoddergat er uitgebreid melding van maken. Nog even geduld svp. 
Door die vergadering, die vanmiddag laat in Amsterdam plaatsvindt, schrijf ik nu maar vast dit blog, anders komt het er niet van, weet ik.

Hebben wij weer zin om naar Frankrijk af te reizen? Best wel. Onder één voorwaarde wat mij betreft, mijn gezondheid moet wel, zoals nu, bergopwaarts gaan. Als ik onverhoeds weer met malheur te maken krijg dan weet ik het niet. Bij ziekte ben ik toch het liefst in Nederland. Mocht alles goed gaan dan heb ik weer zin om alles spic en span te maken en volledig beschikbaar te zijn voor onze gasten.

Voor wie nieuwsgierig is naar mijn gezondheid. Volgende week dinsdag heb ik een afspraak met de uroloog. Als alles goed blijft gaan, zal hij vermoedelijk besluiten tot het verwijderen van de katheter, die ik nu eigenlijk al niet meer gebruik. Er hangt wel een rubberen slangetje uit mijn buik maar dat heeft geen functie meer. Inmiddels ben ik weer een volkomen zelfstandig zeikende man. Op de een na laatste dag van januari heb ik een afspraak met de chirurg in Nîmes over mijn fistel. Volgens mij is het ding aardig getemd. Ik heb stille hoop dat dan wordt besloten met een hersteloperatie het gat te dichten en dat we ook dat hoofdstuk kunnen afsluiten. Kunnen we eindelijk weer overgaan tot de orde van dag.

Verdroogd

Maandag 13 januari, Moddergat

Herinneringen zijn verdroogde realiteit. Deze gedachte kwam bij me op bij het lezen van het boek ‘Pastorale’ van Stephan Enter, een aanrader. In een passage laat hij een van de hoofdpersonen mijmeren over de gebrekkigheid van herinneringen. Je kunt de dingen soms tot in detail herinneren, maar toch hebben ze nooit de spanning zoals je het vroeger beleefde. Enter doet de mooie observatie dat herinneringen geen spanning kennen. Als je werkelijk iets beleeft, is het de vraag hoe het afloopt. Je kunt blij zijn, angstig, of wat dan ook. Je kunt in de realiteit je fantasie laten werken, je kunt fantaseren dat het nog alle kanten op kan, je kunt dromen, hopen, verlangen.
Bij herinneringen is dat allemaal niet het geval. Iets is afgerond en opgeslagen in je hoofd. In een herinnering is de spanning van het moment verdwenen, blij zijn, angstig zijn, je fantasie laten werken, het heeft allemaal geen zin. Met een herinnering heb je een soort filmpje in je hoofd gemaakt en het filmpje is af. Een herinnering is zoveel saaier dan de realiteit.

Ik hoop dat ik de observatie van Stephan Enter zo goed opschrijf want ik kon de betreffende bladzijde(n) hierover niet meer vinden in het boek. Ik had er natuurlijk een potloodstreep bij moeten zetten of een kanttekening (mooi woord) bij moeten maken, maar dat heb ik niet gedaan. Ik vind het namelijk vervelend om met een potlood in mijn hand fictie te lezen. Bij non-fictie wil ik dat nog wel eens doen, maar bij fictie wil ik meegesleurd worden in de vaart van het boek. Een potlood in de hand bij het lezen doet me altijd aan mijn studietijd denken. Eén ding is zeker: toen ik de passages bij Enter las, kwam ik op de zin ‘Herinneringen zijn verdroogde realiteit.’ Ik was zelf wel tevreden met die formulering.

Overigens geen kwaad woord over herinneringen. Ze vormen toch de basis van een bestaan. Met herinneringen, die vaak best vervormd zijn, creëert iemand zijn eigen verhaal. Zonder een eigen verhaal is iemand stuurloos. Zie maar eens de tragiek die gepaard gaat met Alzheimer. De herinneringen worden langzaam uitgewist en met dat uitwissen verdwijnt er een iemand. Mensen zonder herinneringen zijn weggegooide snippers op een oceaan.

Dus ik zie wel het nut van herinneringen, ik heb er alleen geen hoge pet van op. We kneden ze al naar gelang onze wensen, persoonlijkheid, hoe een herinnering ons het beste uitkomt. Als mensen ergens goed in zijn dan is het manipuleren en niet op de laatste plaats als het hun herinneringen betreft, de mens sjoemelt wat af.
Wat ten aanzien van herinneringen ook weer niet zo erg is, als iemand maar happy is met zijn eigen herinnering, dat is eigenlijk het belangrijkste. Wat dat betreft kunnen herinneringen eigenlijk geen kwaad. Het zijn van die verhuisdozen die je al menige verhuizing met je meesleept, elke keer zet je ze weer op zolder en vraag je je af of je ze gewoon niet eens weg moet gooien. Natuurlijk niet. Die dozen horen bij jou, zonder die dozen verdwijnt een deel van jezelf.

Gnoe

Zondag 12 januari, Moddergat

De laatste lezer

Ik heb een gevoel terug uit mijn jeugd. Het is een soort verliefdheid en heeft alles met opwinding en lust te maken. Voor wie vorige zinnen met ongerustheid las, onnodig. De lust heeft alles met lezen te maken. Ik ben weer verliefd op boeken zoals ik vroeger totaal gek op boeken was.

In mijn jeugd was ik, evenals mijn moeder, een boekenverslinder. Mijn moeder las hele bibliotheken leeg en moest dan weer, om de toevoer van verse boeken te waarborgen, lid worden van een andere bibliotheek. Mijn moeder en ik kwamen met stapels boeken thuis.
Andere kinderen aten altijd keurig aan tafel. Mijn moeder en ik deden daar niet aan, wij lazen al etende. Mijn moeder zat aan tafel, naast haar bord een boek. Ik lag op de grond, naast mijn boek een bord. Mijn vader was altijd aan het werk, dus daar hadden we geen last van bij ons lezen.

Ik herinner me de ietwat muffe geur van de bibliotheekboeken, de bladzijden slap en vies geworden door het vele omslaan van andere lezers. Ik vond het heerlijk die muffe geur die ik nog wel eens ruik in boekantiquariaten. Het is de geur die mij naar andere werelden bracht, die mij meenam op grote avonturen. Weg van onze doorzonwoning in de Nijenrodenstraat in Hatert.

Die liefde voor boeken is mijn hele leven gebleven. Ik kan geen boekhandel voorbij lopen zonder naar binnen te gaan. Maar in grote delen van mijn leven was ik veel te druk om manisch te lezen. Ik heb er soms ontzettend naar verlangd. Lezen was voor mij eigenlijk altijd belangrijker dan werken. Natuurlijk moest ik werken, maar het verlangen ging eigenlijk altijd uit naar lezen. Ik kan mij geen week in mijn leven herinneren dat ik geen boek las. Alleen ging dat soms erg langzaam, gewoon geen tijd, dat verdomde werk.

Door ons verblijf in Frankrijk krijg ik opeens weer tijd om manisch te lezen. Niet in de zomer. In de zomer werken wij ons uit de naad. Het is bij ons eigenlijk een half jaar op en een half jaar af. Onze voorgangers vonden die rustige maanden een crime. Was voor hen zelfs een reden om te stoppen. Ik geniet er mateloos van: eindelijk alle tijd om te lezen. Ik kan weer uren met een boek op de bank liggen, veertig, vijftig bladzijden achter elkaar lezen.

Onlangs las ik dat jongeren nauwelijks nog lezen. Het vermogen om begrijpend te lezen is rampzalig achteruit gegaan. Nou vind ik dat vanuit educatief oogpunt al rampzalig, maar ik vind het nog triester voor jongeren zelf. Ze weten niet wat ze missen. Natuurijk hebben ze hun films en hun games, en dat zal dezelfde soort bevrediging geven. Maar door het introverte karakter van het boek, jij alleen in stilte met een boek, gecombineerd met de eindeloze nuance en gedetailleerdheid die een boek, vergeleken met bijvoorbeeld film, kan bieden, stijgt de ervaring van het lezen veruit boven een filmpje pakken of ff gamen.

Het nuttige van een boek is moeilijker dan vele andere kunstvormen, denk ik. Je moet je concentreren, stilte accepteren, alleen zijn, je kunt er niet mee showen, werpt je terug op jezelf, je moet een beroep op je verbeeldingsvermogen doen, maar godverdomme, als je dat eenmaal eigen hebt gemaakt, wat een rijkdom.
Op mijn verjaardag heb ik een ongelooflijke hoeveelheid boeken gekregen. Ik verslind ze zoals een jaguar een malse gnoe buitmaakt.

Banjeren

Zaterdag 11 januari, Moddergat

Als ik in Amsterdam een vergadering had, liep ik er meestal met een grote omweg naar toe. Niet omdat ik tegen die vergadering opzag, ik deed het omdat ik het heerlijk vond om door die stad te banjeren. Ik hoopte dat die vergaderingen snel waren afgelopen, want dan liep ik met een nog grotere omweg terug naar het Centraal Station. Gelukkig had ik tamelijk veel vergaderingen in Amsterdam.

Het ging me niet zozeer om het lopen, al vond ik dat ook heerlijk, het ging me vooral om de camera in mijn hand. Door de stad lopen, kijken, fotograferen. Meer en meer werd ik straatfotograaf. In de straatfotografie vond ik de poëzie, een beeld dat verrassend de essentie van het leven laat zien, of in ieder geval een fractie daarvan.

De afgelopen dagen woonden Wyb en ik een paar dagen op een woonboot in de Prinsengracht, schuin tegenover Carré, mooiere plek is nauwelijks denkbaar. Ik had me verheugd om weer door Amsterdam te lopen, camera in de hand. Het bleek echter dat de stad nog te groot voor me is. Het is nog niet voor me weggelegd om te zwerven, afstanden te lopen. Na een half uur lopen of door het Stedelijk slenteren ben ik moe.

Met mijn gezondheid is ook de conditie verdwenen. Door die moeheid ontbrak de lust om te fotograferen. Fotograferen betekent dat je geconcentreerd moet kijken, alert zijn. Het lukte me niet dat te zijn, ik was veel te druk om mij voort te bewegen van a naar b. Na een dag liet ik mijn camera zelfs thuis, wat al jaren niet meer was gebeurd.

Ik moet niet klagen want uiteindelijk heb ik alle musea bezocht die ik wilde zien. Na maanden is de mobiliteit terug, al zit hij nog niet op het oude niveau. Het plassen gaat prima, als ik nu in Frankrijk was zou de katheter kunnen worden verwijderd. Mijn kont houdt zich steeds meer koest. Ik kan nu zelfs langere tijd achter elkaar zitten. Wat een heerlijke luxe.

Zo nu en dan moesten we weer terug naar de woonboot zodat de patiënt kon rusten. Geen straf want zittend voor het raam van de woonboot kijk ik naar de meerkoeten, de futen in winterkleed, de ene na de andere rondvaartboot die langskomt. In de ene rondvaartboot turen toeristen naar de schoonheid van de stad, in een andere zitten mensen uitgebreid te dineren.

Het is niet helemaal waar dat ik geen camera bij me had. Gelukkig is er de iPhone, die ik, net als mijn ledematen, altijd bij me heb. Mijn telefoon wordt steeds meer een camera. Vroeger gebruikte ik hem nooit als camera. Pas de laatste tijd begin ik het gemak en de kwaliteit ervan te ontdekken. Meer en meer haal ik hem uit mijn binnenzak.

Mededeling

Personeelsuitje

Maandag 6 januari, Moddergat

In verband met een personeelsuitje van alle medewerkers van Dossiermoddergat is Het Dossier van maandag 6 janauri t/m zaterdag 11 januari gesloten. Ook het hoofdkantoor is gesloten.

 
Journal

Onzekerheid

Zaterdag 4 januari, Moddergat

Ik heb al diverse keren over mijn gezondheidsmankementen geschreven. Kan niet anders, men zegt niet voor niets dat ‘niets zo belangrijk is als je gezondheid’. Ongezondheid, ziek zijn, tast de fundamenten van je bestaan aan, merk ik.
Het brengt nog iets ander met zich mee: ziek zijn maakt onzeker. Ik was het tegendeel van onzeker, denk ik. Nonchalante superioriteit was mij niet vreemd. Het leven is een speeltoneel en ik zal het spel tot op het bot spelen. Ik zal er alles uithalen wat er inzit, en dat principe heb ik wel recht gedaan. Ik hoop dat ik in mijn leven twee keer, misschien wel drie keer heb geleefd, dat was in ieder geval het streven.

Die nonchalante superioriteit was mogelijk omdat ik mij gezond voelde. Als je gezond bent maakt niemand je iets, tenzij je bang bent. Een van mijn observaties op aarde is dat er heel veel bange mensen zijn. De mens wordt geregeerd door angst. Tast het boompje, het beestje of huisje aan en de mens slaat op tilt. Ik was een danser, danste regelmatig op de rand van de vulkaan. Een diep en vurig uitzicht.

Eind september, plaats het ziekenhuis van Nîmes, veranderde er iets. Van de ene op de andere dag was ik patiënt. Omdat het niet levensbedreigend was vond ik het geen ramp. Vervolgens kwamen er allerlei complicaties. In totaal zijn Wyb en ik zes keer naar de Eerste Hulp gesneld, ben ik vijf keer geopereerd. Elke keer als ik dacht, nu gaat het beter, gebeurde er weer iets. En dat is fnuikend. Met al die operaties nestelde zich een gevoel van onzekerheid in mijn hoofd, gepaard met doemdenken. Stel dat het nu nooit meer geneest, want aanvankelijk zat er geen enkele verbetering in. Ziek zijn is afhankelijk zijn, verdwenen tempo uit het leven, door ziekte kun je dingen die daarvoor heel normaal waren niet meer doen. Allemaal ellende. Twijfel, zorgen, dat soort gedoe.

Mijn nonchalante superioriteit is (voorlopig?) van de baan. Het idee dat alle dingen toch wel lukken en dat je alles kunt redden als zaken dreigen fout te lopen. Verdwenen. Het waanidee dat je volledig vat hebt op je leven, als je maar wilt. Weg. Daarvoor in de plaats (voorlopig?) nederigheid en gelatenheid. De doelen die ik voor ogen had beginnen te zwabberen. Stel dat het noodlot weer toeslaat? Onzekerheid.

India

Vrijdag 3 januari, Moddergat

Tussen Anjum en Moddergat portretfotografie op een boerenschuur.

Vandaag hadden we moeten aankomen in Mumbai, een stad waar ik nog nooit ben geweest en me erg op verheugde. Ik ben twee keer in India geweest. Een keer in het zuiden, in Kerala en Tamil Nadu. De andere keer in Rajasthan. Als je in deze delen in India bent geweest, vraag je je af hoe het land bij elkaar wordt gehouden, het zijn werelden van verschil. Rajasthan arm en religieus, warm, eigenlijk één grote woestijn. Kerala, communistisch, veel water, ontwikkeld.

Maar goed, geen Mumbai dus. Begin september kochten we de kaartjes. ‘Koop nou maar,’ zei ik tegen Wyb die van ons twee de reisleider is. ‘Als we die tickets hebben weten we zeker dat we gaan. Anders komt er misschien nog iets tussen.’
De tickets waren belachelijk goedkoop. Vierhonderdvijftig euro voor een retour Schiphol, Mumbai. Voor het eerst ervaren we iets als vliegschaamte. We zijn lang niet meer in India geweest, hadden in september, eigenlijk nog volop in het seizoen, enorm veel zin om te gaan reizen.

Toen ik eind september aan een abces werd geopereerd had ik geen idee dat we niet naar India zouden kunnen gaan. Er zaten drie maanden tussen, meer dan genoeg tijd om te herstellen. De mens is een kwetsbaar wezen, heb ik vaak geschreven. Nu merk ik het aan den lijve.

Door die operatie krijg ik allerlei complicaties. Al meteen blijkt dat ik last van een gemene fistel heb, daar komt nog problemen aan de blaas bij. Complicatie op complicatie en zes operaties verder is het eind november en gaan we er langzaam aan denken dat India misschien niet moet doorgaan. 
Een fistel vereist bovenal hygiene en die is in het warme en vaak vieze India ver te zoeken. Ik moet er niet aan denken in een Indiaas ziekenhuis te moeten liggen. Het is een prachtig land, maar dat kun je van de ziekenhuizen niet zeggen. Wyb kan erover mee praten want die heeft er een paar keer moeten liggen.

De kwalen die ik heb genezen langzaam, hebben hun tijd nodig. En al snel besluiten we niet naar India te gaan. Begin januari zal ik nog niet optima forma zijn, is de inschatting. Wat nu, begin januari, blijkt te kloppen. Gisteren zat ik weer eens in een wachtkamer. Dit keer in Dokkum omdat ik een blaasontsteking heb en antibiotica nodig heb. Met een buikkatheter heb je al snel zo’n blaasontsteking.
Wat is het heerlijk om met een dokter Nederlands te kunnen praten. Eindelijk nuance in een gesprek en goed kunnen doorvragen. Ik ga met de zoveelste kuur naar huis.

Zo komt het dat we onze vakantie in de eerste drie weken van januari in Nederland vieren. Vermoedelijk de slechtste weken om vakantie te vieren. Het druilt, het mist, er staat een gemene koude wind. Onbegrijpelijk dat de mens geen winterslaap houdt.
Maar geen geklaag, het is fijn om iedereen weer te zien. Het lijkt alsof we een tournee door Nederland houden. Vandaag eten bij Benne en Ina, morgen op bezoek bij Kees en Annemiek en zo gaat het nog een paar weken door.

Groeton

Donderdag 2 januari, Moddergat

Hond

Woensdag 1 januari, Moddergat

Ik had nog nooit van het woord antropomorfisme gehoord. Ik lees het in het boek ‘De Vriend’ van de Amerikaanse schrijfster Sigrid Nunez. Gelukkig is er Wikipedia, daar lees ik: Antropomorfisme is het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke wezens: het tonen of behandelen van andere dieren, goden en voorwerpen alsof ze menselijk zijn qua uiterlijk, karakter of gedrag.

Ik maak bij deze definitie meteen bezwaar tegen het woordje toekennen. Onlangs las ik in een krant dat wetenschappers hadden ontdekt dat honden inderdaad kunnen denken en emoties kennen. Wat ik dan weer verspilling van wetenschapsgeld vind want iedereen die een paar jaar samenleeft met een hond komt daar vanzelf achter.

Mijn bezwaar tegen het woordje toekennen bestaat eruit dat het woordje veronderstelt dat er een verschil is tussen menselijke eigenschappen en honden eigenschappen. Ik ben ervan overtuigd dat er nauwelijks verschil is tussen die twee, al kan de eerste soort dit schragen door een hogere intelligentie. Dat neemt niet weg dat veel eigenschappen hetzelfde zijn.

Inmiddels kan ik uitgebreid praten met Dies en zie ik wat hij denkt en vindt. Dies kent, vergeleken met de labradors die ik heb gehad, een heel scala aan emoties en heeft een uitgebreid vocabulaire. Als ik bijvoorbeeld zeg: ‘Ga je mee in de auto,’ dan weet hij precies wat ik bedoel. Hij raakt helemaal opgewonden, is blij, want hij weet dat een auto avontuur betekent. Als we naar buiten gaan, loopt hij in rechte lijn naar de auto.

Zojuist is Wyb boodschappen gaan doen. Als ze zegt dat ze boodschappen gaat doen, laat hij zijn kop hangen en loopt hij teleurgesteld naar zijn plaats. Hij weet dat hij zijn vrouwtje een tijd moet missen.

Nieuwsgierigheid en interesse hebben zijn van die eigenschappen die je in principe niet aan een hond toekent. Alle honden die ik had, waren nieuwsgierig. Dies is uitzonderlijk nieuwsgieri, zo heeft hij een fanatieke belangstelling voor apparaten.
Voor Oud en Nieuw kochten we zo’n box waarmee je met Google kunt praten en je muziek afspeelt. Als we met de doos aan komen lopen, weet Dies al dat er iets interessants gaat gebeuren. Bij het uitpakken is hij niet weg te slaan, het apparaat en de snoeren worden uitvoerig bestudeerd. Vol belangstelling kijkt hij hoe we het apparaat installeren. Het geluid dat eruit komt, vindt hij net als wij een wonder.

We moeten een hond niet idealiseren. Een hond heeft, net als de mens, ook roteigenschappen. Zo word ik regelmatig door Dies bedonderd, hij heeft iets heel stiekems, zelfs schijnheiligheid is hem niet vreemd. Als ik ’s nachts moet piesen, hoor ik hem van de bank of een stoel afspringen. Als ik beneden ben ligt hij lief op zijn plaats of het vloerkleed. Hij kijkt me dan lief aan en zegt ‘niets aan de hand baas’.

Ik wist het niet, maar als het om honden gaat, en veel andere dieren, ben ik een antropomorfist. Dies en ik kunnen met elkaar praten. Hij verstaat mij en ik versta hem en dat praten wordt steeds verfijnder.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2020