Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2019, mei

Schampen

Woensdag 15 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik heb over van alles en nog wat geblogd, maar nooit concreet over mijn werk. Ik treed de discretie in de privésfeer soms met voeten maar over het wel en wee van mijn werk krijgt de lezer weinig mee. Mensen met wie en waarvoor ik werk moeten niet het idee krijgen dat ze onderwerp van een blog kunnen worden; voor familie, vrienden en vijanden ligt dat anders, vind ik.

Dit principe maakt het bloggen wel moeilijker sinds we in Frankrijk wonen en een chambres d’hôtes runnen. Werk en privé vloeien nu in elkaar over, zie het maar eens gescheiden te houden. Toch doe ik daar mijn uiterste best voor. Is ook noodzakelijk want een van de charmes van zo’n chambres d’hôtes is dat je de meest uiteenlopende mensen als gast hebt. Mensen die, als ze een paar dagen in je huis zijn, vol verhalen blijken te zitten. Verhalen die soms spectaculair zijn, soms verdrietig, soms grappig. Ik zou vele blogs kunnen vullen met de verhalen die ik hoor.

Vorige week zei ik nog tegen Wyb dat onze belangrijkste taak misschien wel het faciliteren van verhalen van andere mensen is. Onze gasten vertellen, wij luisteren. Dat vertellen moedigen we soms aan door zelf ook te vertellen. Maar het belangrijkste is dat de gast zijn verhaal kan vertellen. Mensen worden gewoon gelukkig van het feit dat ze kunnen vertellen. Dat ze dat doen tegen relatief vreemde mensen is alleen maar een stimulans, denk ik. Ze weten dat wij het verhaal  niet kennen, dat ze niet in herhaling vallen. De verhalen krijgen daardoor een nieuwe glans.

Het mooie is dat Wyb en ik oprecht geïnteresseerd zijn. Althans dat denken we van onszelf, al kan dat wat hoogmoedig klinken. Als ik mijn leven over mocht doen zou ik zeker journalist worden. Ik hou ervan om verhalen aan te horen en boven tafel te krijgen. Op vijftienjarige leeftijd heb ik ooit een cursus Journalistiek bij de LOI gedaan. Daarna ben ik ergens verdwaald en kwam ik in het theater terecht.

Laat ik eerlijk zijn, het mooie van zo’n chambres d’hôtes is ook dat je geen duurzame relatie met mensen aangaat. Na twee, drie dagen, in ieder geval een afzienbare tijd, vertrekken mensen weer. Onze levens schampen elkaar en Wyb en ik doen onze uiterste best om dat schampen zo aangenaam mogelijk voor onze gasten te maken.

Wat ik eigenlijk wilde zeggen: in Dossiermoddergat dus geen verhalen over onze gasten, al zijn ze een bron van inspiratie.

 

Rondje

Dinsdag 14 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik weet zeker dat geen hond op de wereld ooit een mooiere jeugd heeft gehad dan Dies. Wij woonden in Drenthe, vanuit het standpunt van een hond bezien, ideaal. Het tuinhekje uit, zandpad oversteken, en Dies stond op een wei waar hij naar hartenlust kon poepen en piesen.
Of we wandelden de tuin uit, langs het graf van Gijs -Dies is nog debet aan zijn dood, Gijs haatte honden- en we stonden in de uitgestrekte bossen van het Dwingelderveld.

‘Ik ga even een blokje om,’ zei ik toen ik in Leeuwarden woonde en de hond ging uitlaten. In Dwingeloo was geen blokje. Elke keer stond ik voor de keuze welk rondje ik nu weer door het bos zou nemen. Het rondje kon ook zomaar een ronde worden, de keuze was enorm, er waren rondjes van een paar honderd meter en er waren rondes van kilometers. Dies draafde door de bossen alsof het zijn landgoed was.

Daar komt bij: altijd kwamen we wel honden tegen waarmee hij even kon spelen. Waren het niet de talrijke buurhonden waarmee hij opgroeide, dan waren het wel de honden die met hun baas door het bos liepen. Als Dies kon praten, zou hij zeker het woord paradijs in zijn mond nemen.

Hier in de Cevennen ligt het wat anders. De bossen zijn vele malen groter, op het Dwingelderveld had je ook heuveltjes, maar hier heb je heuvels, soms kun je zelfs spreken van bergen.
Gisteren gingen we wandelen in Sourdorgues. ‘We gaan even een stevig rondje wandelen,’ zei Wyb die evenveel van wandelen houdt als Dies. In ons gezin behoor ik tot een minderheid. We kozen voor een rondje van 8,3 kilometer. We volgden keurig de gele strepen die ons het rondje wezen. Wat me opviel is dat we steeds verder van Sourdorgues weg liepen. We passeerden berg na berg. Voor een rondje moesten we toch een keer rechtsaf slaan.

Op een gegeven moment hielden de gele strepen op. Internetverbinding was er niet, mensen evenmin. We stelden vast dat we verdwaald waren. Er was maar één pad dat we konden volgen, dus veel keus hadden we niet. Uiteindelijk kwamen we bij een grote weg uit en kregen we eindelijk weer internetverbinding. De iPhone van Wyb bleek precies te weten waar onze auto stond, geen idee hoe hij dat mogelijk is, maar in dit geval erg handig. De iPhone vertelde ons dat we nog vijf kilometer van de auto waren verwijderd.

Om een lang verhaal kort maken, dat is het voordeel van een blog, je moet al snel ophouden, ons rondje van 8,3 kilometer was een rondje van 15 kilometer geworden. In dit soort gevallen verlang ik zo naar de overzichtelijkheid van het Dwingelderveld.  

 

Pasje

Maandag 13 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Ik heb diverse keren mijn ongenoegen geuit over de Franse bureaucratie. Misschien wel ten onrechte. In ieder geval is nuancering op zijn plaats. Laat ik eerst een verhaal over een ervaring in Dwingeloo vertellen. Dwingeloo valt onder de Gemeente Westerveld, belangrijk om te weten.

Op het moment dat wij besloten te verhuizen, kwam er een stroom grofvuil los. Het vuil stapelde zich op onder een overkapping achter ons huis. Hoog tijd om naar het stort te gaan en ons definitief te ontdoen van het vuil. De lezer raadt het al: we waren het pasje van het grofvuil kwijt. Overal zoeken. Nergens te vinden. Is bij ons niet ongebruikelijk.

Niet getreurd. Via de website van de Gemeente Westerveld vraag ik een nieuw pasje aan. Fluitje van een cent, denk je. Na vijf dagen nog steeds geen pasje ontvangen. Ik bel op en krijg te horen dat door vakanties en vrije dagen enige vertraging plaatsvindt. Na tien werkdagen, nog steeds geen pasje. Gelukkig had ik een nieuw rijbewijs nodig en moest ik toch langs het gemeentehuis, kon ik meteen vragen waar dat pasje bleef. Ondanks dat we midden in januari zaten, kreeg ik opnieuw te horen dat door vakanties en vrije dagen er vertraging was. Bovendien was er iets met het apparaat dat de pasjes aanmaakte. Ik vroeg of ik niet een handgeschreven papier kon krijgen waarmee ik het grofvuil kon storten, de afvalberg onder het afdak werd elke dag groter. ‘Natuurlijk niet, meneer. Als we daar aan gaan beginnen.’ Na drie en halve week kreeg ik eindelijk mijn pasje.

In Saint-Hippolyte-du-Fort gaan we gewoon door met het produceren van grofvuil. Ook hier heb je een pasje nodig. Ik bereid mij voor op een hele lange wachttijd. De Franse bureaucratie, je weet wel. Wyb gaat naar de mairie. Er werken daar twee mensen. Wyb verzekert mij dat daar geen computer te bekennen is. Of ze een pasje kan krijgen. Natuurlijk, geen probleem, zegt de verantwoordelijk ambtenaar. Hij pakt een plastic kaartje, schrijft er met de hand onze gegevens op. Binnen tien minuten is Wyb terug en kunnen we naar de déchetterie, oftewel de stortplaats voor grofvuil.

Nog een verrassing. Ik raad iedereen aan eens naar de ‘milieustraat’ van de Gemeente Westerveld te gaan. Daar kun je namelijk de meest chagrijnige en onwelwillende ambtenaren van Nederland zien. Met grote tegenzin sjokken ze daar over het asfalt. Aan alles is duidelijk dat ze liever geen mensen zien die vuil storten. In groepjes leunen ze tegen de muur en roken ze hun sigaretten, vele pakjes per dag.
In de déchetterie ontmoeten we één meneer. Hij wandelt opgewekt naar elke auto die grofvuil komt storten en helpt zelfs mee uitladen. Als we weggaan geeft hij ons zakken om plastic in te verzamelen.
‘Dat is niet nodig, hoor,’ zegt Wyb in goed Frans. ‘We hebben al veel zakken.’
Dat neemt niet weg dat de man nog twee rollen door het open raampje van de auto op de schoot van Wyb laat vallen. ‘Heb je nog meer zakken. Hoef je de aankomende tien jaar niet meer terug te komen.’
Ik stel voor dat de ambtenaren van de ‘milieustraat’ van de Gemeente Westerveld op stage gaan naar de ambtenaar van de stortplaats van Saint-Hippolyte-du-Fort.

 

Oud

Zondag 12 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Elke ochtend rond half acht loop ik naar de bakker die bij ons om de hoek zit. Ik loop onze straat uit, sla links af, loop langs twee terrassen. Op het eerste terras van café Le Bourg drinken oude mannen hun eerste koffie of biertje. Bij café Du Printemps staat altijd veel te harde house muziek op voor de tijd van de dag. Het terras is dan ook meestal leeg of nog niet opgezet. Dan steek ik de straat over en zeg bonjour tegen de dame van de bakker. Voor mij is alleen een oude man aan de beurt. De dame van de bakker helpt hem met het geld uit zijn portemonnee halen.

Ik bestel naargelang we gasten hebben. Vandaag vier croissants, een demi baquette en een cereal. Als ik de boulangerie uitloop, zie ik dat de oude man een oude hond bij zich heeft. De man draagt het brood in een linnen rugzakje, vermoedelijk gekregen bij het kopen van een paar schoenen. De man en de hond schuifelen voorzichtig voor mij mijn straat in. De hond is nog ouder dan de man. Langzaam loop ik erachter aan. Ik geniet van de band die overduidelijk tussen man en hond bestaat.

Misschien loop ik over vijftien jaar ook zo met Dies. Dies is dan vijftien, een oude hond. Ik ben dan 79, een oude man. Wie zal het eerste overlijden? Dies of ik?
Ik heb in mijn leven vijf honden gehad. Groot nadeel van een hond is dat hij niet zo oud wordt. Elke keer is er groot verdriet. Bij Dies is er een tamelijk grote kans dat hij mij overleeft. Het voordeel is dan dat ik niet om Dies hoef te rouwen. Eindelijk is het andersom: hond rouwt om baas. Rouwt een hond? Ik denk het niet. Hij zal me zeker even missen, doet hij nu ook als ik even weg ben voor boodschappen. Als ik terug kom, begroet hij me of ik vier weken op vakantie ben geweest.

Dies en ik groeien steeds meer naar elkaar toe. Het opvoeden was een pittige klus. Een border collie in het gareel krijgen is zeker niet eenvoudig. Het zijn levendige honden met een eigen wil, altijd enthousiast en het liefste wat ze doen is opdrachten uitvoeren.
Steeds meer zien Wyb en ik dat hij door heeft hoe wij willen dat hij zich gedraagt. Hij luistert inmiddels perfect. Hij loopt nu zonder riem tussen ons in door het dorp en reageert niet meer met groot enthousiasme op elk mens die we tegenkomen. Zelfs zijn grote liefde voor kinderen weet hij sinds enige tijd te beteugelen.

Als ik bij mijn huis ben aangekomen, blijf ik nog een staan kijken naar de oude man en zijn hond. Soms kijkt de hond naar zijn baas of hij alles wel naar wens doet. De oude man ziet het niet meer, hij weet dat hij honderd procent op zijn hond kan vertrouwen. Er is geen grotere vriendschap dan tussen een baas en zijn hond.  

 

Klus

Zaterdag 11 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Al een paar maanden wist ik dat ik op 15 maart naar Frankrijk zou verhuizen. Bij een verhuizing kan ik me veel voorstellen, het is de vierentwintigste keer dat ik dat doe. Wat verhuizen betreft ben ik een ervaringsdeskundige. Het meest benieuwd was ik naar 16 maart. De verhuizing achter de rug, ik loop door een Frans dorp, hoe voelt dat dan? Afgesneden van mijn moerstaal, afgesneden van mijn theater netwerk, mijn geliefde huis in Dwingeloo verlaten, nieuw beroep waar ik me in moet bekwamen. Eigenlijk alles nieuw.

Ik heb altijd gezegd dat ik overal kan wonen in Nederland, dat het me niet uitmaakt. Ik zie Nederland als één stad en elke week bezocht ik wel een paar wijken in die stad, hoe ver ook van Drenthe vandaan. Maar in Frankrijk wonen is toch anders. 1300 kilometer van de plekken verwijderd waar ik met veel plezier heb gewoond en gewerkt, ik spreek de taal nauwelijks, zit ik in een dorp aan de voet van de Cevennen, ik ben nog nooit bij een Fransman thuis geweest. Ik ben vele malen in Frankrijk op vakantie geweest en vind Frankrijk een prachtig land maar heb nooit contact met Fransen kunnen krijgen. Komt natuurlijk ook door mijn taalhandicap.

Als ik 16 maart door Saint-Hippolyte-du-Fort loop probeer ik een specifiek gevoel te ontdekken, een gevoel dat hoort bij een grote verandering. Maar ik heb dat gevoel niet. Het lijkt alsof ik een klus in Rotterdam of Amsterdam heb. Ik heb ook geen tijd om veel bij de vrijwillige deportatie stil te staan. Er is werk aan de winkel. Wij moeten ons een weg vechten door de Franse bureaucratie. Het huis moeten we naar onze hand zetten en klaar maken voor de eerste gasten. Over een paar dagen komt de familie over.
Het is nu zaterdag 11 mei. Afgelopen week zijn we in vier dagen tijd op en neer naar Nederland gereden. Twee weken daarvoor hadden we in de eerste week van mei geen boekingen. We hebben vier dagen de agenda geblokkeerd opdat we naar Nederland konden om het restant van onze spullen te halen. Bij de verhuizing kregen we niet alles mee en er stonden nog een paar essentiële zaken bij onze buren in Dwingeloo.

Op maandag reden we Nederland binnen na tien uur rijden en sliepen in Maastricht. Nog nooit was ik zo lang niet in Nederland geweest. Op de heenreis vroeg ik me af hoe het zou zijn om weer in Nederland te zijn. Verdomd. Komt het omdat ik oud word en mijn emoties afzwakken? Wyb en ik reden Nederland binnen zonder te juichen, heimwee of overmand te worden door tranen. We reden Nederland binnen zoals we Nederland altijd binnen rijden. Of toch niet helemaal. Door dit bezoekje ervoer ik dat ons huis in Hippolyte toch ook echt ons thuis is geworden. Komt vermoedelijk omdat we twee maanden al hard hebben gewerkt en al onze spullen er staan. Het bezoek aan Nederland was leuk, maar voelde ook als een verplichting. Als die spullen niet achter waren gebleven, waren we zeker niet teruggegaan.
Ik weet nog niet zeker of ik kan zeggen dat het me überhaupt niet uitmaakt waar ik woon. Of het nou Nederland, Engeland of Frankrijk is. Maar vooralsnog ziet het daar wel naar uit. Een paar dagen geleden schreef ik er een gedicht over dat ik op zaterdag 20 april aan Dossiermoddergat toevoegde. Het eindigde met de regels:  

waar je ook woont en reist,

het landschap wordt altijd jij.

Verval

Vrijdag 10 mei, Saint-Hippolyte-du-Fort

Nu ik een tijdje in Frankrijk woon, ben ik er achter waarom Frankrijk aantrekkelijker is dan Nederland. Het heeft natuurlijk met de zon te maken. Het weer is hier net wat zonniger, soms zelfs heel wat zonniger. Toch maakt dat niet het verschil ben ik achter.

De kern van het verschil is dat Frankrijk het verval viert en Nederland de keurigheid. Neem een oude schuur. In Nederland wordt hij meteen geruimd. Geen gezicht zo’n vervallen geval. Bovendien: onveilig. Onveilig is in een Nederland een wachtwoord om niets bij het oude te laten. In Frankrijk blijft een oude schuur gewoon staan. Gebouwen worden hier niet gebouwd voor vijfentwintig of dertig jaar en bij enige krasjes of scheurtjes afgebroken en vervangen door een exemplaar dat dan weer in de architectonische mode is. Gebouwen in Frankrijk staan er eeuwen, van woonhuizen tot gebouwen van waaruit het land wordt bestuurd.

Verf die bladdert. Bij het minste of geringste bladdertje pakken we in Nederland de verfkwast of bellen we de schilder. Hier krijgen de luiken van de huizen, maar ook andere zaken een keer in de twintig of dertig jaar een nieuwe laag verf. Kale, door weer en wind aangetaste luiken, in Frankrijk bepalen ze het straatbeeld.
Hetzelfde geldt voor oude huizen. Toevallig staat ons huis in een straatje waar sommige huizen verlaten zijn en bij sommige zelfs stevig het verval is ingezet. In Nederland zouden stadsplanologen en buurtregisseurs meteen een beleidsplan maken om de straat te revitaliseren. Hier in Frankrijk laat men het probleem over aan de tijd. Verval treedt in. En wat maakt het uit? Een oud vervallen huis is ook niet lelijk, lijken ze hier te denken. En ik deel dat denken.

Afgelopen dagen waren Wyb en ik in Nederland en het viel ons op dat in Nederland de bouwkoorts een epidemische vorm heeft aangenomen. Wie in Nederland woont, zal het niet opvallen, maar overal staan bouwkranen, cementwagens en bouwschuttingen. Nederland wordt nog netter, nog nieuwer gemaakt. Alles prefab en met uiterste efficiëntie in elkaar gezet. Levenscyclus: een halve, of ten hoogste één hele generatie. Voor ons niet meer dan logisch. Wat oud is heeft geen recht meer van bestaan. Oud is niet netjes, wat oud is is uit de mode en de mode bepaalt wat wij mooi vinden.

In Frankrijk geniet men van wat lang geleden in grote degelijkheid is gebouwd. Het staat er voor vele generaties. Dat hier en daar een dakpan scheef ligt of een dakgoot al een tijdje aan vervanging toe is, wat maakt het uit. Je bent er zo aan gewend dat niet alles even glad, nieuw, blinkend, dutch design en strak in de verf zit. Sterker: ik prefereer de aantasting van de tijd. Ik vier liever het verval dan de steriele keurigheid van Nederland.

Koeren

Dinsdag 7 mei, Kollum

 

 

De duiven in de platanen van het dorp
koeren: het is genoeg, het is genoeg.

Maar de bakker stookt zijn oven.
De slager slacht het varken.

Op het terras staan de stoelen alweer klaar
en het gemeentehuis opent zijn deuren.

Het is genoeg, het is genoeg.
Ze kunnen koeren wat ze willen.

 

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2019