Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2021, juni

Ark

Maandag 21 juni, Groningen

Afgelopen weekend: geen blogs. Aankomende dagen: ook geen blogs. Reden: veel activiteit. Afgelopen weekend waren we op Texel om de vijfenzeventigste verjaardag van Anneke te vieren, de moeder van Wyb. Dat betekent eten, drinken, wandelen, geen tijd om te schrijven, de familie is namelijk zo actief.

Aankomende dagen reizen we naar Zuid-Frankrijk. In drie etappes hopen we woensdag weer door onze geliefde Saint-Hippolyte-du-Fort te rijden. Wyb begint daar dan donderdag met haar vakantiebaantje. Zes weken lang is ze gastvrouw van een internationale trouwlocatie in de buurt van Hippolyte. Nadere details volgen.

Ondertussen maak je het nodige mee. Afgelopen zaterdagnacht lag er een dikke komma met onrustbarend weer boven Nederland, liet Buitenradar zien. Dat wil zeggen, een klein deel van Nederland, namelijk Noord-Holland met Texel als middelpunt van noodweer. Dat hebben wij geweten. De regen roffelde vier uur ongenadig op het dak van onze bus, dit gecombineerd met een hemelse lichtshow.

De volgende ochtend bleken we midden in een meer te staan. Om ons heen vijftien centimeter diep water. Even dacht ik dat de Here de bus als Ark van Noach had aangewezen. Ik plonsde vanuit de bus het water in.
Ik zag wat ik al vreesde tijdens de regen. Dat water overleven we wel. In zo’n bus zit je prima droog. Vroeger was dat wel anders toen we nog in een tentje leefden. Maar de vraag was of die bus wel uit het water komt Zo’n ding weegt tegen de 3000 kilo en zakt hij niet, als je wegrijdt, in de blubber.

Gelukkig waren we niet de enigen. Wat is het toch heerlijk als je met meer mensen in de shit zit, dat is altijd zo troostrijk. Er kwamen hulptroepen vanuit de camping en met verstand van zaken wisten ze de bus uit het water te rijden. De grond bleek steviger dan wij slachtoffers hadden gedacht.

Zo. Genoeg. Ik ga de bus nu inpakken voor De Grote Reis Zuidwaarts. Hopelijk kan de lezer, bij voldoende aanwezigheid van wifi, donderdag of vrijdag weer wat schrijfsels en plaatsjes verwachten. Nederland moet het even zonder ons doen.

Oogpunt 57

Nu reeds te bestellen

Zondag 20 juni, Texel

Kraai

Donderdag 17 juni, Groningen

De kraai is de nieuwe Boeddha, tenminste als je op een flat woont. Er zijn flats waarbij je er op vrijwel elk balkon een ziet zitten. Geen idee waar ze vandaan komen, waar deze hype is begonnen. Misschien is het wel zoals bij het openen van de melkflessen bij koolmezen. Een ornitholoog uit Engeland zag het voor het eerst toen melkflessen met een zilveren dop nog voor de voordeur werden gezet. Ze stonden jarenlang ongeopend bij de deur. Tot het een koolmeesje lukte om de zilveren dop te verwijderen en van de melk te drinken. Wat bleek, een paar jaar later lukte het elke koolmees, ook koolmezen die ver buiten Engeland wonen. Hebben wij een interne antenne die ons, onbewust, allemaal hetzelfde laat doen.

Je zag het aan die Boeddha’s. Bij de Intratuin en de Xenos en honderden andere winkels: allemaal Boeddha’s. Het was een plaag, leek het coronavirus wel. Overal Boeddha’s. Ik weet niet of dat nu nog het geval is. Vermoedelijk is de markt verzadigd, kan bijna niet anders. Werkelijk overal dook het ding, ik bedoel hij, op.

Die plastic kraaien vind ik gek. Waarom een plastic kraai op je balkon zetten terwijl niemand zich bekommert om echte vogels? Zie hier een gedateerd lijstje dat ik nog had liggen over de achteruitgang van de vogelstand. En ik kan u verzekeren: het is vele malen erger geworden.

Grutto: Van 100.000 naar 37.000
Wulp: Van 8200 naar 4350
Scholekster: Van 217.000 naar 69.000
Veldleeuwerik: Van 117.000 naar 44.000
Kemphaan: Van 500 naar 30
Watersnip: Van 2800 naar 1400
Tureluur: Van 30.000 naar 24.500
Kievit: Van 335.000 naar 201.000

Maar ja, wie maakt zich er druk over. Als je het niet weet, maakt het niet uit. Dat is het voordeel van onwetend zijn. Zou iemand uit het kabinet wel eens door Noord-Friesland rijden en met eigen ogen zien hoe erbarmelijk het ervoor staat met de vogelstand? Het is zeer alarmerend, maar een enkeling die het weet.

We kampeerden ooit eens met de kinderen in Drenthe. Op een gegeven moment kwamen Anne en Esmee opgewonden aanlopen. ‘Papa, papa, kom snel. Daar zit een oehoe.’ Een oehoe? Vrijwel onmogelijk, bij de mergelgroeve in Zuid-Limburg kom je ze nog wel eens tegen, maar in Drenthe. Nam niet weg dat ik meteen mijn fiets pakte.

En verdomd. Daar, aan de overkant van het weiland, op het hek van weiland zat een oehoe. Wij bleven ademloos kijken.
‘Beweegt hij wel?’ vroeg Esmee zich af.
‘Ja, hoor, kijk maar, hij draait af en toe zijn kop. ‘Mooi beest, hè?’
‘Prachtig,’ beaamden mijn dochters.

‘Hij blijft wel lang zitten,’ zeiden we na twintig minuten. Vooral omdat er zojuist een hond langs rende.
‘Hij zal wel tam zijn,’ veronderstelde Anne.
Na hem nog een kwartier bewonderd te hebben, liepen we toch het weiland in. Een beest dat niet bang is, begint je op een gegeven moment toch te irriteren. We kwamen steeds dichterbij. De oehoe vloog nog steeds niet weg. Eenmaal dichterbij zagen we het: de oehoe was van plastic, we waren er ingetuind. Die plastic oehoe is nooit een hype geworden. De kraaien dus wel.

Oogpunt 56

De laatste lezer.

Staatsiefoto

Woensdag 16 juni, Groningen

Oogpunt 55

Klaprozen

Dinsdag 15 juni, Groningen

We wandelen door de woestenij van een oud waterleidingbedrijf en ik zie wat ik jaren niet meer heb gezien. Een stuk grond met veldbloemen, klaprozen, korenbloemen. Het is een beeld uit mijn jeugd. Wat een schoonheid. Vroeger zo gewoon, nu zo zeldzaam.

Ondanks dat ik de afgelopen jaren op het platteland heb gewoond, noem ik mij toch altijd een jongen van de stad. De stad is van oudsher mijn natuurlijke habitat. Maar dat is in feite helemaal niet waar. Ik ben weliswaar in Nijmegen geboren, daar moet ik dan eigenlijk bijvertellen dat ik ben opgegroeid in Hatert, een buitenwijk van Nijmegen. Er was misschien al eeuwen een kleine dorpskern die Hatert heette, ik groeide erop toen in de jaren zestig de nieuwbouwwijken daar uit de grond werden gestampt. In feite groeide ik op aan de rand van de stad.

Ik woonde op de hoek Nijenrodestraat/Couwenbergstraat. Als ik de Couwenberg in oostelijke richting afliep, zo’n tweehonderd meter, passeerde ik de stadsgrens en kwam ik op het platteland van Malden. Er liep een zandpad en nog honderd meter lopen stond een boerderij waar ik vaak hielp. Kippen voeren, hooi opsteken, ik was negen, tien jaar. Op die boerderij zag ik voor het eerst parende varkens. Twee boeren die er naar stonden te kijken en tegen mij zeiden: ‘Daar kun jij nog veel van leren, jongen.’ Ik had geen idee wat ik er van kon leren.

Als ik de Nijenrodestraat afliep in zuidelijke richting kwam in bij het Maas- en Waalkanaal. Als ik dat overstak kwam ik eerst in een onafzienbare vlakte van weilanden. Als ik die was overgestoken, stond ik in de Hatertse Vennen, voor mij de rimboe, een en al geheimzinnigheid met moerassen en bossen waarin je al snel verdwaalde. Wie nu dezelfde tocht loopt, ziet geen weilanden meer. Die loopt door de straten van Weezenhof en passeert een snelweg. De Hatertse Vennen is een armtierig bos geworden waarin de biodiversiteit is verdwenen.

Maar wat ik wil zeggen. Het beeld op de foto boven, is het beeld als ik even Hatert uitliep. Waar ik ook liep, altijd zag ik weelderig veldbloemen bloeien. Daar boven vaak een leeuwerik die luid hing te zingen.
Ik wist dat ik mijn moeder erg blij maakte als ik thuis kwam met een veldboeket. Ik legde mijn fiets aan de kant van de weg en plukte een boeket. Als ze eenmaal in de vaas stonden, gaven de klaprozen al snel de geest. Klaprozen houden er niet van om geplukt te worden.

Oogpunt 54

Rommeligheid

Maandag 14 juni, Groningen

Een beetje stad heeft een gebied dat buiten de gevestigde orde valt, een vergeten terrein, een vervallen industriecomplex, een rafelrand. Hier in Groningen, vlakbij ons, heb je het terrein van de voormalige Suikerfabriek. Het is best een groot terrein. Aan de rand staan wat containerwoningen voor studenten, er staat een eenzame fabriekspijp, een hostel met de naam Rebel, Rebel, een verwaarloosd fabriekspand, een werkplaats waar busjes verbouwd worden tot camper, hier een daar een kantoortje van een architect en ateliers voor kunstenaars. Op het dak van de fabriek is een terras, De Wolkenfabriek geheten.

Zo nu en dan wandelen Wyb en ik erheen, Dies kan er onbekommerd los lopen. Vandaag bleek het terrein nog veel groter dan we dachten. Wie bij binnenkomst rechtsaf slaat, komt in de woestenij van een voormalig waterzuiveringsgebied. Er liggen grote waterpartijen, een paradijs voor vogels. Aan het begin experimenteren leerlingen van een landbouwschool, wie verder loopt komt in een totaal verwaarloosd gebied.

In het Noorderplantsoen is het een drukte van jewelste. Daar kun je over de mensen lopen. In dit gebied: geen mens te bekennen, terwijl het nog geen kilometer van de stad ligt. Een ontdekking, mogen we wel zeggen. Verlatenheid, waar vind je het nog? Eenzaamheid, een kostbaar goed.
De enige die we tegenkomen is een vriend van Dies, Sinto. Hij wandelt er ook met zijn baas en vrouw. De baas vertelt me dat dit gebied niet lang meer zal bestaan. Het gaat op de schop en er komen huizen, scholen. De planologen hebben hun werk al gedaan.

Als we na het praatje doorlopen bedenk ik dat het nu toch echt tijd wordt om een nieuwe politieke partij op te richten. Ik zal hem noemen de Partij voor Meer Rommeligheid en Minder Veiligheid (PMRMV). Al dat geplan, al dat gebouw, al die keurige straten, die strakke huizen, al die efficiency, het heeft toch een negatieve uitwerking op de mens. Kijk maar eens wat voor een mopperkonten en zurige lieden het oplevert, het land zit er vol mee. Ik weet zeker dat meer rommel, minder veiligheid, de mens losser zal maken, ontspannen. Kijk naar Frankrijk, waar ze gewoon oude gebouwen durven te laten staan, tuinen en huizen te verwaarlozen, dat werkt zo ontspannend. Mensen gaan er lekkerder door eten, meer wijn drinken.

Mocht iemand zich willen aansluiten bij de Partij voor Meer Rommeligheid en Minder Veiligheid, neem contact op.

Oogpunt 53

Luis

Zondag 13 juni, Groningen

Zojuist lees ik dat Pieter Omtzigt uit het CDA stapt. Hij gaat verder als zelfstandig Kamerlid. Erg jammer. Een luis in de pels is zoveel meer waard dan een luis die alleen in een kamer zit. In de pels kan een luis een beest sneller laten lopen, laten krabben, irriteren, zijn bloed drinken.

De farizeeër zegt: ‘We kunnen niet anders dan zijn besluit respecteren, maar hadden op een andere uitkomst gehoopt.’ Deze farizeeër heet Wopke. Het is double speak. Wopke is namelijk ontzettend blij dat Omtzigt zijn biezen pak. Heeft hij eindelijk zijn handen vrij. Er is vanavond feest bij het CDA. Het vindt plaats in een donker achterkamertje, de vreugde is er niet minder om. Eindelijk verlost van die eikel en teringhond.

Iemand zegt tegen me: ‘Kan hij zich mooi aansluiten bij de SP.’ Ik weet zeker dat Pieter dat niet doet, want Pieter is en blijft gewoon een steile christen democraat. Aansluiten bij de SP betekent bovendien marginalisatie.

Het meest belangwekkende wat Omtzigt in zijn klaagnotitie schrijft, is dat het CDA een partij is beheerst door lobbyisten. Dat drie sponsors invloed op het partijprogramma hebben gehad. Werk aan de winkel voor de journalistiek. In feite is het CDA al lang een gekaapte partij, het is een partij in handen van de boeren. Ze draaien hun hand er niet voor om met bruinhemden samen te werken als het boerenbelang daarmee is gediend.

De boeren vormen een ware lobby plaag. VVD is boer, Baudet is boer. We moeten oppassen voor de boeren. In ons kleine land hebben ze 60% van het land in bezit. Ongekozen mogen ze meebeslissen in de Waterschappen. Systematisch maken ze de natuur kapot. Laten we alert zijn, de boer is overal. De boer is hardnekkiger dan luis. De boer wint sowieso altijd van luis, de boer bezit de gifspuit.

Oogpunt 52

Lijntjes

Vrijdag 11 juni, Groningen

Lentedans. Ik voel me een koe die in de lente na een strenge winter eindelijk uit de stal wordt gelaten en dansend de wei inloopt, de poten omhoog slaat, zijn onhandige lijf in rare bochten wringt. Een beetje zoals ik dans. Wyb en de kinderen willen mij niet zien dansen. Het schijnt te gênant te zijn. Ik denk niet dat ze ongelijk hebben. Het gevolg is dat ik nooit meer dans, terwijl ik vroeger, met mijn slanke jongenslijf, toch een begenadigd danser was. Jan raadde mij vroeger aan danser te worden, ik had er het kontje voor, zei hij.

Ik voel me een koe omdat ik voor het eerst in twee jaar een afspraak heb die met theater heeft te maken. Zoals ik gewend ben, moet ik ook nu weer een eind rijden om er te komen. Van Groningen naar Amersfoort is toch weer gemeen verder dan Dwingeloo Amersfoort. Ik heb een afspraak met Vincent en Wolter over een project dat nog altijd op de plank ligt. De twee jaar voordat we naar Frankrijk gingen heb ik samen met Vincent van Warmerdam een muziektheaterstuk geschreven over Elvis Presley. Het ligt kant en klaar te wachten op uitvoering, we hoeven alleen nog maar de financiering rond te krijgen.

Alleen maar. Dat is met theater altijd de ellende: je hoeft alleen nog maar de financiering rond te krijgen. De financiering rond krijgen is niet de helft van het werk, het is zeker tachtig procent van het werk. Altijd dat verdomde geld. Dat komt omdat er met theater überhaupt geen droog brood is te verdienen. De enigen die de echt rijk aan theater zijn geworden zijn de cabaretiers die alleen op het toneel staan. Elke avond kunnen ze hun winst uittellen.

Voor Elvis hebben we een bezetting van tussen de vijftien en twintig mensen nodig. Voor de lockdown hadden we nog allerlei lijntjes uitstaan. Dunne lijntjes. Maar zolang er een lijntje is, is er hoop. Vandaag bespreken we hoe we die lijntjes weer kunnen aanhalen. Je weet nooit hoe een koe een haas vangt. Mijn kompaan, Wolter, zit volop in de productie van 14, de musical. Drie jaar geleden leek dat nog een project waar je alleen van kunt dromen. En zie: nu wordt het realiteit.

Het is voor het eerst sinds lange tijd dat Wolter, Vincent en ik, brothers in crime, weer samen eten en de wereld doornemen. O ja, Elvis, bijna nog vergeten. We noemen wat bestaande en mogelijk nieuwe lijntjes. Het stuk ligt er. Nu nog de uitvoering. Wie weet. Daarna rij ik die hele tocht terug naar Groningen. If I were a rich man. Fiddler on the roof, mooie musical.

Oogpunt 51

Omhelzing

Donderdag 10 juni, Groningen

Ik heb gisteren voor het eerst sinds anderhalf jaar iemand anders omhelsd dan Wyb. Ik nam afscheid van Jan. Het kan best zijn dat het ons definitieve afscheid was. Al hoop ik hem na de vakantie weer even goedgemutst als vandaag in de tuin te zien zitten, ondanks dat zijn lijf en leden steeds vermoeider worden en er steeds minder zin in lijken te hebben. De medisch specialisten rond Jan zeggen zelfs dat ze er niets meer aan kunnen doen.

Ik vrees dat zijn blog Kwalitijd van afgelopen 30 mei zijn laatste blog was. Ook dat is wennen. Zijn eerste blog schreef hij op 22 augustus 2010 en sindsdien las ik elke dag zijn blog. Soms heel snel omdat ik benieuwd was of Jan nog iets bijzonders had beleefd, meestal met aandacht omdat ik ze altijd met plezier las. Soms waren het juweeltjes, alhoewel Jan zijn geblog altijd relativeerde. Ik wilde zijn blogs ooit nog bloemlezen maar daar wilde hij niets van weten. Ze hadden volgens hem een houdbaarheidsdatum van een dag. Gelukkig heb ik zijn verzamelde poëzie mogen uitgeven, De Dood en de Dingen. Nu alleen nog antiquarisch te verkrijgen.

Ik zou heel veel woorden kunnen wijden aan ons afscheid. Jan is de enige nog die mij mijn hele leven heeft gekend, van mijn prehistorie tot nu. Hij is de laatste van een generatie die ik als kind heb liefgehad. Maar die woorden zullen later nog wel komen. Voor vandaag nemen Anne en ik afscheid van hem met die omhelzing, en nog een omhelzing. De 22ste vertrekken Wyb en ik naar Zuid-Frankrijk. De kans dat ik onverhoopt terug moet komen is zeker aanwezig. Toch blijf ik hopen op een reprise van deze ochtend dat we in de zon weer grappen kunnen maken.

Nu we toch in Nijmegen-Oost zijn wil Anne wel eens mijn geboortehuis zien. Zo fietsen we samen naar de Broerdijk, een paar straten van het huis van Jan en Gade vandaan. Ik wijs haar het zolderraam waarachter ik ben geboren. Er was, net zo als nu, woningnood. Wij woonden in een piepkleine zolderverdieping die ik nog zo kan uittekenen.

Als Anne en ik daar staan, vraagt een man, die in de tuin bezig is van het huis ernaast, of wij hier herinneringen hebben. Ik vertel hem dat ik op de zolder daar ben geboren.
‘Hoe heette jullie dan van de achternaam?’
‘Tonen.’
‘Nee, dat zegt me niets. Ik woon hier namelijk al mijn hele leven. Ik ben nu vijfenzeventig en nooit verhuisd.’
‘We woonden boven op zolder bij de familie van Bremen. Ik heb er maar tot mijn vijfde jaar gewoond.’
‘Ja, die ken ik nog wel. Maar die zijn lang geleden overleden.’
‘Goed beschouwd was jij dus mijn buurjongen,’ zeg ik. ‘Jij hebt me vast nog in de kinderwagen zien liggen.’

‘Hé, wat een raar fietsstuur heb jij,’ zegt hij tegen Anne, ‘vind je dat prettig zo?’
‘Nee, helemaal niet. Het is een OV-fiets en het stuur blijkt los te zitten.’
‘Ik zal hem even voor je vastzetten.’ Hij loopt naar binnen om de juiste sleutel te halen.

Oogpunt 50

Prik

Dinsdag 8 juni, Berg en Dal

Het was half maart vorig jaar en Frankrijk ging in lockdown. Wyb en ik zaten op de veranda, geen gasten, geen inkomsten meer en we wisten, dit gaat heel lang duren, dit is niet zomaar even voorbij. Ik wist dat er maar één uitweg was: vaccineren. Hoe goed we ook ons best zouden doen om afstand te houden, mondkapjes te dragen of handen te wassen. Het virus was er en ging alleen maar weg met vaccineren.

De eerste berichten over een vaccin waren somber. Het duurt gemiddeld vier, vijf jaar om een vaccin te ontwikkelen, lazen we. Als er al iets ontwikkeld kan worden want het definitieve vaccin tegen aids is ook nog niet gevonden. In tegenstelling tot mij heeft Wybrich een ingebouwd optimisme. Zelfs zij zag het somber in dus besloten wij onze maatregelen te nemen. Einde Frankrijk, we organiseerden stap voor stap de terugtocht.

Na een korte pauze in de zomer belandden wij in de volgende lockdown in Nederland. Nou ja, een veel mildere variant van de Franse lockdown. In die tussentijd was er meer perspectief gekomen, het ontwikkelen van een vaccin ging veel voorspoediger dan gedacht. Onder andere door de enorme hoeveelheid geld die er tegenaan werd gegooid. Geld speelde geen rol want de economische verliezen door Covid waren immens.

Dit alles schiet door mij hoofd als ik in Zuidhorn het gebouw uitloop nadat ik mijn tweede prik heb gehad. Meer dan een jaar lang heb ik mij buitengewoon voorzichtig gedragen. Mondkapje geen probleem, nauwelijks bezoek ontvangen, altijd 1,5 meter afstand, reisbewegingen zo min mogelijk. De laatste weken dacht ik, stel je voor dat ik nu alsnog corona krijg, dat is zo’n beetje hetzelfde als de soldaat die op de laatste dag van de oorlog gewond raakt, of sneuvelt.

Ik heb het gered. Onze situatie zoals die er aan het begin van de lockdown eruit zag en nu aan het einde is echter volledig veranderd. Goed beschouwd heeft dat verrekte virus ons toch te pakken gehad. Maar niet in directe zin. Reden om een fles champagne te openen. Ik zie een ander mens opeens niet meer als een potentieel gevaar. Nu maar hopen dat niet vanuit India ofzo een nieuwe variant ons gaat belagen.

Oogpunt 49

Sammy

Maandag 7 juni, Groningen

Lies, mijn ex-vrouw, belt mij omdat ze heeft gehoord dat het niet zo goed gaat met Jan. Ze vraagt hoe het met hem gaat. Ik vertel haar wat ik weet. Ze zegt dat ze begrijpt dat het veel met me doet. ‘Jan was toch altijd jouw grote voorbeeld.’ Zeker, Jan was mijn grote voorbeeld. Maar hij is veel meer dan dat. Hij is mijn oom, mijn broer, zelfs hier en daar mijn vader. Wat zou het fijn zijn als ze een van die woorden had gebruikt.

Het woord voorbeeld is niet mijn woord. Het is te kil, te makkelijk. Jan was veel meer. Jan, zette de deur naar de wereld voor mij open. Jan was in onze familie de deur voor mij naar de jaren zestig en zeventig. Hij bevrijdde mij van de jaren vijftig en bekrompenheid.

Zo leerde ik in 1966 door hem het nummer Sammy kennen. In het huis van mijn opa en oma bracht hij het nummer Sammy van Ramses Shaffy binnen met een single. Hierdoor ontdekte ik een andere wereld. Aan de gezellige en ietwat rommelige keurigheid van onze familie werd het leven toegevoegd.

Ik heb Sammy keer op keer gedraaid. Van de pick-up waarop ik het draaide heb ik geen beeld meer. Wel van het opklapbed waarop ik zat om ernaar te luisteren. Het bed stond op het kamertje van Jan. Het bed waar mijn oma ooit een pan soep in had gezet om het warm te houden. Even daarna kwam mijn opa binnen en hij dacht: ‘Verdorie, het bed is nog steeds niet opgeklapt.’ Hij klapte het bed op, zoals het hoorde, waarop de pan soep in zijn geheel werd omgekieperd en het bed droop van de soep. Overal vermicelli. Hilariteit. Ondertussen zette ik nog eens Sammy op. Het leven kon beginnen. Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, want daar is de blauwe lucht.

Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, Want daarboven lacht de maan. Met dank aan Jan, mijn grote voorbeeld.

Koeien

Zondag 6 juni, Groningen

Oogpunt 49

Teren

Zaterdag 5 juni, Groningen

We zitten in de lommerrijke tuin van Kees en Annemiek. In de tuin hangt de geur van hyacinten. We hebben geen idee waar de geur vandaan komt, de hyacinten zijn al lang uitgebloeid. Wat is Nederland toch heerlijk als het mooi weer is. Er is niets lekkerder dan in een tuin onder een schaduwrijke boom te zitten.

Wij zelf hebben geen tuin, wij hebben een groot dakterras. Als ik moet kiezen tussen een tuin en een dakterras kies ik toch voor dat dakterras, om te hebben tenminste. Om te zitten kies ik voor een tuin. Maar er is bij mij een grote discrepantie tussen zitten in een tuin en het werken in een tuin. Aan een dakterras hoef je weinig tot niets te doen, een tuin vraagt voortdurend onderhoud. Elke handeling in een tuin is me eigenlijk te veel. Dus lang leve het dakterras dat van alle gemakken is voorzien en van waaruit we ruim zicht over de stad hebben.

‘Denk jij nog wel eens aan je werkzame leven?’ vraag ik aan Kees die al een paar jaar is gepensioneerd.
‘Weinig,’ is zijn antwoord. ‘Er zijn wat high en low lights waar ik nog wel eens aan denk.’
Ik ben nog maar één maand gepensioneerd. Door ons avontuur in Frankrijk lijkt het alsof dat veel langer is. Mijn reguliere werkzame leven staat inmiddels zo ver van mij vandaan. Het wonderlijke is dat ik er nauwelijks aan denk. Soms passeert een zuchtje high of low lights. Niet noemenswaardig.

Wat ik vreemd vind. Meer nog dan materieel bezit heb ik kasten vol herinneringen. Ik heb ze, maar ze spelen nauwelijks een rol in mijn leven. Ik dacht ooit dat je op herinneringen kunt teren. Tot nu toe vind ik herinneringen maar schrale grond. Wat je ook hebt meegemaakt, hoe intens, mooi of verdrietig ook, het heden is zo dominant, het verdringt alles. Je kunt je leven lang blakend gezond zijn, als je ziek wordt verbleekt de blakende gezondheid van voorheen.

Al jarenlang speelt een idee in mijn hoofd om een boek, een roman, te schrijven over mijn familie, en familie epos. Met dat boek wil ik mijn herinneringen tot leven te brengen. Ik heb er nog nooit een letter over op papier gezet. De kerngedachte is een exploderende familie. Ik vind namelijk dat mijn familie met een serie ontstekingen is geëxplodeerd. Het zal duidelijk zijn dat ik nog zoekende ben. Na de vakantie wil ik beginnen aan dit nieuwe project. Als het zover is stop ik met dit schrijfsels op dit blog. Een boek schrijven en bloggen dat gaat niet samen. Wat overblijft in Dossiermoddergat is dan het kijken.

Oogpunt 48

Vergiftiging

Vrijdag 4 juni, Groningen

We hebben Anne zeven maanden niet gezien. Zo lang hebben we elkaar nog nooit gezien. Gelukkig hebben we elkaar tenminste een keer per dag aan de telefoon, soms zelfs meerdere keren. Een familietraditie, dat gaat bij ons van moeder op zoon, van vader naar dochter. Daarom voelen die zeven maanden toch niet als zeven maanden. Om het te vieren lunchen we in een gerenommeerd Amsterdams restaurant. We hebben er vaker met Anne gegeten en het op basis daarvan uitgeroepen tot ons lievelingsrestaurant.

Het terras van het restaurant bevindt zich in een nauwe Amsterdamse steeg. Het fijne daarvan is dat we voortdurend contact met voorbijgangers hebben, die of met snedige opmerkingen onze lunch becommentariëren of Dies willen aaien. Het is zo heerlijk om weer in Amsterdam te zijn.

Wyb en ik verblijven op een geheel nieuwe wijze in Amsterdam. We slapen namelijk, midden in Amsterdam, in een bos. Is dat mogelijk? Ja, we vinden het zelfs ook onvoorstelbaar. Maar ons camperbus staat 1 kilometer lopen vanaf de pont over het IJ. Als we voor onze camper zitten, lijkt het of we in Drenthe op een camping staan. De camping ligt in Amsterdan-Noord in het Vliegenbos bij de Vogelbuurt, een wijk in Noord die uit architectonisch oogpunt zeer de moeite waard is om te bezichtigen, Amsterdamse School voor arbeiders. Je kunt terugverlangen naar die tijd.

Anne, Wyb en ik genieten van ons viergangen menu. We prijzen de kwaliteit weer van het restaurant, de verrassende smaken, de creativiteit van de recepten. Al is het wel erg veel. We hadden beter een driegangen menu kunnen nemen, is onze conclusie op het einde.

’s Avonds komt Anne met Sandra naar de camping. Ze hebben wijn en kaas meegenomen. Aan een picknicktafel nemen we het leven door. Dies en Charlie, de hond van Anne, verkennen de picknickwei van de camping. We zijn de enigen die er zitten.

Na een kwartier begint het. Wyb voelt zich niet lekker. Zegt dat ze misselijk is. Op een gegeven moment rent ze naar het toiletgebouw dat vlakbij is. Maar ze haalt het niet. Haar lijf maakt spastische bewegingen en ons dure viergangenmenu komt in een straal naar buiten. Dit herhaalt zich diverse keren. Wyb wordt bleker en bleker.
Dan rent Anne naar de wc. ‘Ik voel me zo beroerd.’ Ondertussen ligt Wyb uitgeteld op de bank van de picknickbank. Anne blijft op en neer rennen. ‘Het is is duidelijk dat we wat verkeerd hebben gegeten vanmiddag.’ ‘Voedselvergiftiging, dat kan niet anders.’

Ik kom er goed vanaf, denk ik. Mis. Een half uur nadat Anne op en neer naar de wc begon te rennen begin ik. Mijn middenrif pikt het niet langer. Op de een of andere manier wil het uit mijn lijf springen. Ons dure lunchmenu komt bij mij in drievoud naar buiten, van onder en van boven. Een voor een druipen we af. Eerst probeert Wyb te gaan slapen, Anne en Sandra gaan naar huis, dan zoek ik de bus op. Keer op keer ren ik die nacht naar het toiletgebouw, aan dat lunchmenu komt geen einde.

De volgende dag zijn we knockdown. Onze lijven doen pijn en accepteren geen enkele vorm van drank of voedsel. Onze hoofd is verdoofd. Lijf en leden zwaar, de dag is grijs. Met moeite rijden we terug naar het Noorden. Eenmaal terug: slapen, veel slapen. Bloggen? Ik moet er niet aan denken.

Oogpunt 47

Steentijd

Dinsdag 1 juni, Groningen

Je ziet het wel bij pioenrozen, zo zit de bloem in de knop, zo barst de bloem met alle pracht uit de knop: opeens staat ze in volle bloei. Aan die pioenroos moet ik denken als ik door Groningen loop. Een stad in volle bloei. Daar zorgt het mooie weer voor, en zeker het einde van de lockdown. Er hangt een bevrijding-achtige sfeer.

De terrassen, ons nieuwe symbool van vrijheid, barsten uit hun voegen. De lockdown heeft de terrassen niet alleen groter gemaakt, maar ook vermenigvuldigd. Als er geen markt is op de Vismarkt is het plein één groot terras, heb ik nog nooit eerder gezien. In de straten, langs de grachten, overal terrassen. Wyb en ik proberen tevergeefs een plekje te vinden. Ik heb me voor de pandemie nooit gerealiseerd dat het terras zo belangrijk was. Tijdens de lockdown werd het de heilige graal voor wie naar vrijheid verlangde. En nu het zo ver is, wordt het volop geconsumeerd.

Niet alleen de terrassen worden geconsumeerd. De stad loopt vol. Mensen paraderen met herwonnen zelfbewustzijn door de stad en velen dragen daarbij tassen met gekochte spullen. De vierde Covid golf ziet er totaal anders uit dan de drie daarvoor. Het is een inhaal koopgolf, een golf met totaal andere symptomen.
De idealisten onder ons voorspelden dat er na de pandemie een nieuw normaal zou komen, dat we geleerd zouden hebben van het oude normaal. We zouden minder consumeren, minder reizen. Vooralsnog lijkt dat nieuwe normaal opmerkelijk veel op het oude normaal.

Lang is aangenomen dat oorlogen en gewapende conflicten tussen mensen pas ontstonden na introductie van de landbouw, toen het afbakenen van grond begon en de eerste grenzen werden getrokken. Daarvoor, zo was de veronderstelling, toen we nog joegen en verzamelden, ging men nog vredelievend met elkaar om.
In een grafveld in de Nijldelta zijn 61 lichamen gevonden, ze leefden zo’n 15.000 jaar geleden. Het blijkt nu dat deze jagers-verzamelaars elkaar ook al verwondden. Met speren en pijlen met stenen punten ging men elkaar te lijf. Uit Frans onderzoek blijkt dat een groot deel van de individuen meerdere keren door wapens is verwond.

Wat ik maar wil zeggen, van de steentijd tot het antropoceen, de mens verandert niet zoveel: het blijft een tamelijk agressief soort gericht op eigen belang. Bezit en genot gaat boven alles, daarna komt nog een klein restje moraal, als het zo uitkomt.

Het valt me op hoe met de mensen ook weer de pats auto’s in de stad verschijnen. Raampjes open, zonnebrillen op, keiharde muziek, gillende banden, gierende hormonen, de gangster style is momenteel erg geliefd.

Oogpunt 46

Lost and found.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2021