Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2020, november

Een paradijs

Vrijdag 13 november, Groningen

Het is een blije dag. Een hoogtepunt in mijn bestaan. Voor het eerst in jaren heb ik vandaag weer een eigen kamer. Het inrichten kostte wat tijd, maar inmiddels staat alles op zijn plaats. De boeken staan in de kast, de archieven zijn geschikt, het bureau staat op de gewenste plek en vandaag zit ik er voor de eerste keer achter. Wat voelt dat heerlijk, wat heb ik het gemist.

In Dwingeloo stond mijn bureau in de woonkamer. In Saint-Hippolyte-du-Fort had ik niet eens een bureau. Onze monumentale eettafel stond weliswaar in ons appartement maar wij zaten daar nooit. We hadden het te druk, de hele setting van Les Trois Comte was te onrustig. Er was altijd iets te doen, zelfs als er geen gasten waren. Er moest zoveel schoongemaakt, opgeruimd, het huis eiste onze volledige aandacht.

Zo komt het dat ik voor het eerst in acht jaar een eigen bureau heb. Nou ja, eigen. Ik werk aan een geleende tafel van Kees en Annemiek. Maar het is een lekker tafel. Een tafel met een groot blad en veel krassen en slijtplekken, daar houd ik van. Het is een tafel die geleefd heeft. Ik houd niet van steriele tafels, zoals ik ook niet van steriele mensen hou.

Ik heb nu geen enkel smoesje meer om niet aan het een of ander te gaan zitten schrijven. Mijn voornemen is om elke ochtend in ieder geval te werken aan mijn boek over Les Trois Comtes. De titel: Een paradijs met zorgen. Vandaag heb ik het eerste hoofdstuk geschreven.

Dat klinkt stoer, is het eigenijk niet. Het is voor de derde keer dat ik het schrijf. Er was natuurlijk een eerste versie die ik al maanden geleden schreef. Ik was er helemaal niet tevreden over en herschreef het hoofdstuk. Daar was ik wel tevreden over. Maar door allerlei gegoochel met mijn computer, waar ik niet over zal uitweiden, raakte ik het hoofdstuk kwijt. Het verdween in het grote niets. Samen met drie andere hoofdstukken die ik al had geschreven.

Er is niets frustrerender dan een eenmaal geschreven tekst moeten herschrijven. Het kostte me een paar drempels om me daar toe te zetten. Vandaag was er dus geen uitvlucht meer en schreef ik voor de derde keer het eerste hoofdstuk. Tot volle tevredenheid. Ik vermoed, maar dat zullen we nooit kunnen controleren, dat het de beste versie is.

Dossiermoddergat kan van mijn kamer wel eens de dupe worden. Ik heb me voorgenomen eerst aan Een paradijs met zorgen te werken. Mocht er tijd over zijn dan komt Dossiermoddergat als vierde aan de beurt. Want daarvoor zitten nog twee projecten die om aandacht vragen. Daar kom ik nog op terug.

 

Knutselsport

Donderdag 12 november, Groningen

Eergisteren schreef ik een blog waarin ik uitspraken van Anne en Esmee uit hun jongste jaren opnam. Ik vond ze in een van de dozen waarin ik mijn herinneringen bewaar. Toen ze jong waren maakte ik af en toe een aantekening van hun mooie uitspraken. Een aantal lezers vroeg of ik meer van die uitspraken had. Zeker wel. En aangezien ik er alles voor doe mijn lezers het naar de zin te maken volgen er hier nog een paar. Maar dan houd ik ermee op, hoor.

Anne: ‘Ik ben blij dat we zo’n grote familie hebben, kan ik tenminste veel vertellen.’

Anne: ‘Kom ik dan op televisie?’
Lies: ‘Misschien wel.’
Anne: ‘Moet ik er dan inkruipen?’

Anne gaat op tennissen.
Ik: ‘En Esmee, op welke sport wil jij?’
Esmee die een groot liefhebber van knutselen is: ‘Op knutselsport en dan doen we wie het eerste klaar is.’

We zijn bij mijn moeder die aan het revalideren is in een verzorgingshuis. Tegenover haar ligt een vrouw die de ziekte van Parkinson heeft. Anne kijkt gefascineerd naar haar.
Als we buiten zijn zegt ze: ‘Toch wel erg, hè, als je de ziekte van parasol hebt.’

Esmee kijkt naar de maan die als een klein sikkeltje in de lucht hangt.
‘Papa, als er zo’n klein maantje is, kun je er dan wel op lopen?’

Esmee ziet op de televisie Koningin Beatrix en vraagt: ‘Papa, is dat onze Koningin Beatrix?’
Ik: ‘Natuurlijk is dat onze Koningin Beatrix, niemand heeft verder een Koningin Beatrix.’
Esmee in opperste verbazing: ‘Is er dan maar eentje?’

Esmee: ‘Papa, waarom hebben sommige burgemeesters een hamer?’

Anne: ‘Papa, zijn er nou mensen die weten dat ik op de wc zit.’
Ik: ‘Nee, hoezo?’
Anne: Maar wij moeten toch betalen omdat ik het licht aanheb.’

Esmee: ‘Ik hoop wel dat mijn broek nog past. Ik had gisteren zulke erge groeipijnen.’

Ik heb Esmee mee naar mijn kantoor genomen in De Harmonie. Als wij in mijn kamer zijn wijst ze naar mijn bureau en vraagt: ‘Ben jij daar dan aan het dichten?’

Ome Jan is een paar dagen bij ons nadat hij een zware hartaanval heeft gehad. Hij speelt veel met Anne en Esmee. Op een gegeven moment krijgt hij woorden met Esmee. Die dan zegt: ‘Ik gooi je pillen in de prullenbak en dan ga je lekker dood.’

Anne: ‘Ilke, geloof jij in god?’
Ilke geeft geen antwoord.
Anne: ‘Ilke geloof jij in god?’
Ilke voorzichtig: ‘Ja.’
Anne: ‘Nou, dat geeft niet hoor.’

Anne: ‘Ik wil niet bruin zijn, het jeukt zo.’

Anne: ‘Wie moet ik nou bellen als jullie doodgaan?’

Esmee kijkt in de fotoboekjes over Sri Lanka.
Esmee: ‘Mama, ik wil de Sri Lanka mama van Anne.’
Lies: ‘Waarom?’
Esmee: ‘Die jurk is veel mooier.’

Op weg naar Frankrijk zien we een regenboog.
Anne: ‘Mama, hangt die regenboog in de lucht of staat hij gewoon op de grond?’

Torpedo

Woensdag 11 november, Groningen

Eerst is er de bal.

Dan de torpedo.

Koningin op een paard

Dinsdag 10 november, Groningen

Uit de oude doos. Lang geleden op een verjaardag van Anne, varen door de Amsterdamse grachten. Meest overmoedige foto uit de enorme verzameling.

Verhuizen is een sentimental journey. Alles wat je hebt gaat weer eens door je handen. Zo ook de zes gele verhuisboxen die ik al decennia achter me aansleep en waarin ik nooit in kijk. Het zijn dozen vol herinneringen. Gisteren besloot ik de boel toch eens op te schonen. Ik moet me ontdoen van een aantal herinneringen want bij elke verhuizing komt er een doos bij. Ik ben geen verzamelaar, maar als het om mijn verleden gaat wel. Zo heb ik alleen al van de kinderen een museum vol foto’s.

Ik sluit me in mijn toekomstige kamer op en graaf me door de dozen heen. Dat gaat niet snel want ik heb voortdurend de neiging foto’s te bekijken en oude schrijfsels te lezen. Al die dozen vormen mijn totale verleden. Uiteindelijk lukt het me toch een deel van het verleden af te stoten en dat zit nu, met pijn in mijn hart, in drie vuilniszakken om te worden afgevoerd. Zo heb ik, ondanks dat ik steeds ouder word, steeds minder tastbaar verleden. Het is wat. Ik raad iedereen aan een huis te kopen met een grote zolder en nooit te verhuizen, gewoon lekker alles bewaren en stapelen maar.

In de spullen kwam ik aantekeningen tegen die ik maakte van uitspraken van Anne en Esmee toen ze nog erg klein waren. Zie hier onder een bloemlezing. Spreekt voor zich dat de A4’tjes met deze aantekeningen niet een vuilniszak in gaan.

Op vakantie. Het is een klaaguurtje. Er zijn muggenbeten, er is hoofdpijn, buikpijn.
Esmee: ‘En ik heb ook honger en dorst.’
Anne: ‘En ik heb hoogtevrees.’

Wij maken in de Vogezen een prachtige zonsondergang mee. De zon daalt als een dikke sinaasappel achter de heuvels.
Anne: ‘Maar papa, als de zon dadelijk op die berg stuitert, rolt hij er dan aan de andere kant af?’

Esmee neemt met een vriendinnetje door op welke clubs ze later willen.
Esmee: ‘Voetbal, tennis, ballet en zonnebanken.’

Esmee ziet een verkeersbord met een poepende hond en een kruis erdoor.
‘Papa, wat betekent dat bord?’
‘Dat honden hier niet mogen poepen.’
Esmee: ‘Wat raar. Honden kunnen toch helemaal niet lezen.’

Anne mag bij de opening van de schouwburg de koningin bloemen geven.
Anne: ‘Kom ik dan in de krant?’
Lies: ‘Misschien wel.’
Anne: ‘Nou, dan doe ik het.’

Anne: ‘Ik hoop wel dat de koningin op een paard komt, dat vind ik wel deftig.’

Esmee: ‘Als je duizend jaar wordt, krijg je veel cadeautjes, maar daar heb je niks aan want dan ben je allang dood.’

Esmee: ‘Bestaat de gemeente?’
Ik: ‘Natuurlijk.’
Esmee: ‘Maar waar is de gemeente dan? Ik heb de gemeente nog nooit gezien, is hij dan dood?’

Anne is met een bal tegen de muur aan het tennissen. Een vriendje vraagt of hij mee mag doen.
‘Ja hoor,’ zegt Anne, ‘natuurlijk mag je meedoen, jij mag de ballen oprapen.’

Esmee: ‘Papa, waarom hebben vaders en moeders die geen kinderen hebben wel een achterbank?’

Het Hoge der A

Zondag 8 november, Groningen

Het fijne van verhuizen is dat alles nieuw lijkt te worden, zeg ik met enige overmoed. Of in ieder geval anders, mooier, veelbelovender. Verhuizen poetst het leven en de dingen die je hebt op. Ik pak mijn boeken uit en naarmate ik ze in de boekkast zet ben ik opgetogener dat ik ze heb. De afgelopen jaren stonden ze ook in mijn boekenkast, sommige al decennia, en stonden ze daar een beetje doodgewoon te zijn. Vandaag realiseer ik me dat ze een schat vormen. Het is toch onvoorstelbaar dat ik zomaar de mooiste gedichten die op aarde zijn geschreven uit de kast kan halen en kan gaan zitten lezen. Tijdens het inruimen besef ik de kostbaarheid.

Hetzelfde geldt voor de schilderijen die we hebben. We wikken en wegen waar we ze zullen hangen. De plek waar je een kunstwerk hang bepaalt voor een deel de betekenis van het kunstwerk. Wij hebben een prachtig schilderij van Han Klinkhamer. Het is overweldigend groot en wit. De eerste neiging is om het prominent op de blauwe wand te hangen tegenover de deur waar je de kamer binnenkomt. Maar het schilderij op die plek hangen betekent dat we van het schilderij een pats schilderij maken, we zouden het een proletenstatus geven, iets wat het schilderij juist helemaal niet is. Opnieuw krijgt het witte schilderij een plaats op een witte muur waarmee het bijna wegvalt en het zijn onnadrukkelijkheid behoudt. Ik zie het schilderij namelijk als een ode aan de natuur en het toeval, elke praalzucht is het vreemd. Wat een genot dat we ze hebben en dat ze altijd mee verhuizen.

Ik denk ook, als je verhuisd bent naar een nieuwe omgeving, dat je dan op zijn scherpst bent. Je ziet dingen die je daarna nooit meer ziet. Een korte tijd in die nieuwe omgeving zijn de straten en het leven in die straten nog ontdaan van de vanzelfsprekendheid. Ik had me dat nooit gerealiseerd maar merk het aan mijn fotograferen. Ik fotografeer dan dingen die ik daarna nooit meer zou fotograferen. Verhuizen haalt even de routine, de grijsheid uit het leven, wrijft de wereld weer even fris.

Wyb en ik lopen naar de markt op de Vismarkt, de herfstzon zorgt ervoor dat ons blije gevoel op precies de goede manier wordt belicht. De mensen koesteren zich al bengelend met hun benen over de randen van de kades in het zonlicht. De meesten met een beker koffie in de hand. Bij gebrek aan terrassen vinden ze andere plekken waar het goed toeven is. Wyb en ik nemen ook een koffie bij een van de vele coffee to go uitgiftepunten, een ondernemer moet toch ergens zijn geld mee verdienen in tijden van corona, en zoeken ook een plaatsje aan het water van het Hoge der A.

 

Het hondje

Vrijdag 6 november, Groningen

Wyb ligt op de bank. Opeens gaat ze rechtop zitten. ‘Och jee.’
‘Wat is er?’
‘Wat stom, wat ontzettend stom.’
‘Wat dan? Zeg het dan.’
‘We zijn iets heel belangrijk vergeten.’
‘Zeg het nou.’
‘Het hondje. We zijn het hondje vergeten.’

De nietsvermoedende lezer denkt nu dat we Dies vergeten zijn. De regelmatige lezer van Dossiermoddergat weet al lang dat we Dies helemaal niet vergeten zijn. Ik weet meteen wat Wyb bedoelt. Verdomme, we zijn het hondje vergeten.

Als het om beeldende kunst gaat hebben Wyb en ik absoluut dezelfde smaak. Het eerste kunstwerk wat wij kochten was een belachelijke impuls aankoop, zoals, later bleek, wij zoveel impuls aankopen deden. 
Wyb en ik hadden elkaar twee maanden geleden de liefde bekend. We hadden nog een geheime relatie en om te ontsnappen uit het geheimzinnig doen waren we naar Arnhem gereden. Een plaats waar we later wel wilden wonen. We liepen door een smallere straat in de binnenstad en op hetzelfde moment, echt op het hetzelfde moment, vielen onze ogen op een kunstwerkje dat in een etalage van een Kunstuitleen stond. We vonden het beiden prachtig en besloten het meteen te kopen. Ik weet niet meer wie het, terug in Leeuwarden, mee naar huis nam om het te verbergen.

Een paar jaar later liepen we in Arnhem, waar we inderdaad zijn gaan wonen, een andere Kunstuitleen binnen. Misschien was de Kunstuitleen ook wel verhuisd, deze zat namelijk niet aan die smalle straat in de binnenstad. Onze ogen gleden langs de kunstwerken. Wij hoeven niet lang te kijken om te beoordelen of we iets wel of niet mooi vinden. En weer vielen onze ogen tegelijkertijd op een kleine tegel met een hondje erop. We wisten meteen dat we het wilden hebben.

Het hondje heeft sindsdien op prominente plaatsen in ons huis gehangen. We hielden van het hondje, van het tegeltje. Toen we in Saint-Hippolyte-du-Fort aankwamen hing Erik het op een schouw boven ons fornuis. Het was een soort ereplaats, een groots gebaar dat het daar hing. Het grappige is, natuurlijk geloof ik in toeval, eigenlijk is alles toeval, dat het hondje ongelooflijk op Dies lijkt. Het hondje zit precies op dezelfde manier als Dies.

Aldus het verhaal van het hondje waardoor ik meteen weet wat Wyb met ‘hondje’ bedoelt. Ik vloek. Het hing daar zo mooi onopvallend prominent te zijn in Frankrijk en dan zijn we het vergeten. Het voelt als een soort verraad. 
Ik schrijf meteen een mail naar Claire, de Engelse eigenaresse van ons huis in Hippolyte. Ik weet dat ze morgen teruggaat naar Engeland en dat er daarna lang niemand meer in het huis zal zijn. Gelukkig krijg ik al snel een mail terug waarin ze belooft het hondje mee naar Engeland te nemen en het vandaar naar Groningen te sturen. Ik druk haar op het hart het vooral goed in te pakken. Je moet er toch niet aan denken dat het hondje gebroken bij ons terugkomt.

PS. Het is me alweer gelukt om niet over Donald Trump te schrijven.

Het kind van de rekening

Donderdag 5 november, Groningen

Een vraag die veel wordt gesteld: hoe gaat het nou met jullie? Wij zijn druk bezig met het uitpakken van onze bezittingen en een huis in te richten. Ik heb niet echt tijd om na te denken hoe het met ons gaat. Ik denk dat het goed gaat, wij buffelen door. De vraag zou eigenlijk aan Dies moeten worden gesteld. Ik denk dat hij vooral het kind van de rekening is. Van dorpshond naar stadshond.

Wij hebben totaal niet te klagen over de omvang van ons huis. Ik denk dat Dies dat wel heeft. Die is een huis met vier verdiepingen gewend, met brede trappen waar je balletjes vanaf kunt gooien. Nu woont het arme beest op een bovenwoning zonder tuin. Terwijl hij nog wel een tuin met zwembad had. Niet dat hij erin ging zwemmen, ten strengste verboden, maar hij vond het heerlijk om er omheen te draven als er iemand in zwom. Bovendien kon hij in het zwembad balletjes gooien om die er daarna weer uit vissen. Een belangrijke hobby van hem.

Zijn lievelingshobby was ongetwijfeld voetballen. Als ik vroeg of hij wilde voetballen, rende hij naar de keuken en stelde zich als keeper op in de opening tussen de kamer en de keuken. Hier schoot ik dan penalty’s op zijn goal. En ik niet alleen, menige gast heeft geprobeerd hem te passeren.
Komt bij dat hij de veranda zal missen. Net zo als wij trouwens. Die veranda gaf een enorm rijk gevoel, het is een veranda van een omvang die weinigen hebben gezien. Zo kon ik er heerlijk met Dies voetballen. Lekker hard schieten en dan schoot de bal tussen de stenen muren de veranda over. Dies als gek erachter aan. Flipperen met een hond.

Het meest mist hij waarschijnlijk onze gasten. Mensen die niet van honden hielden zagen hem niet, daar zorgden wij wel voor. Gelukkig kwam dat niet veel voor. Dies was trouwens een ster in het veroveren van mensen. Met zijn gekke spelletjes, zoals boven aan de tuintrap liggen en dan de bal met zijn neus van de trap duwen, knikkeren voor honden noemde ik dat, wist hij velen te charmeren. Op menige mobiele telefoon staat een filmpje van het spel dat hij zelf uitvond. Eén ding is zeker: Dies zal nooit meer zoveel gasten zien als de afgelopen anderhalf jaar.

Nu moet Dies het met ons doen. Die ook nog eens druk zijn. Het aantal slaapuren voor hem is ongekend toegenomen. De wandelingen gaan niet meer langs de Vidourle waar hij in kon zwemmen en waar hij stokken uitviste. Hier in Groningen geen wijnvelden waar we doorheen konden dwalen. We laten Dies nu vooral uit in het Noordenplantsoen, het Vondelpark van Groningen, zeg maar. Met dezelfde drukte. Als ik een bal met de werparm gooi stuift Dies traditiegetrouw meteen ver weg. Ik moet oppassen welke richting ik hem gooi want voordat je het weet staat hij al buiten het plantsoen. Als de verhuizing voorbij is moeten we maar veel in de Drentse bossen gaan wandelen. Arme hond.

Geluiden

Dinsdag 3 november, Groningen

De nieuwe vlag en het nieuwe logo van Dossiermoddergat

Vannacht voor het eerst in onze nieuwe huis in Groningen geslapen. Altijd spannend om in een nieuw huis te slapen. Pas dan ontdek je de geluiden van een huis -en geluiden kunnen een grote invloed hebben op een mens. Zeker ook op mij. 
Zo had ik ooit een huis waarvan de buren een hond hadden, zo’n klein kef ding. Te regelmatig klonk zijn felle geblaf. Ik heb diverse manieren bedacht hoe ik een eind kon maken aan het leven van het hondje. Gelukkig voor het beestje waren de buren te aardig om een van die manieren toe te passen.

Ik kan erg slecht tegen geluiden van buren. Lang geleden stonden we op het punt een huis te kopen aan de Apeldoornseweg in Arnhem. Tot ik hoorde dat er onder ons een pianist woonde. We hebben toen een optie op het huis genomen onder voorwaarde dat we eerst in het huis mochten zijn als de pianist speelde. Konden wij horen hoe gehorig het huis werkelijk was. De pianist wilde daar wel aan mee werken, die had natuurlijk geen behoefte aan zeurende buren. De pianist speelde vijf minuten. Toen wisten wij wel dat we het huis niet gingen kopen.

Elk huis heeft zijn specifieke geluiden. In Dwingeloo werden de avonden en nachten opgeluisterd door dieren die zich onder het dakbeschot hadden genesteld. Het kan best zijn dat een van hen een steenmarter was, het moet veel groter dan een muis zijn geweest. In de lente werden we elke ochtend gewekt door de vele mussen die zich onder het dak hadden genesteld. Op het einde van de zomer tikten keihard de eikels op ons dak.

In Den Bosch hoorde ik ’s nachts ver weg, het leek van diep onder de grond te komen, het brommen van een motor. Ik heb nooit kunnen achterhalen waar het geluid vandaan kwam. Daarnaast gaf de centrale verwarming in het huis een soort tik concert. Om de zoveel tijd klonk er ergens een tik. Een huis heeft zijn eigen gewoontes.

De eerste nacht hier is rustig verlopen. Geen buur gehoord. Het huis heeft zijn geluiden nog niet voor me geopenbaard. Prima. Hoe meer stilte hoe beter. Ik sluit niet uit dat we af en toe worden gewekt door rumoer buiten. In onze straat staan veel studentenhuizen. Tegenover ons is een studentenhuis van Albertus en een van Vindicat. Ik kan me niet voorstellen dat ze elke dag keurig om 23 uur thuis zijn en keurig gaan slapen. Ik heb me voorgenomen me er niet aan te storen. Ik vind het ontzettend leuk om weer in een levendige studentenstad te wonen en dan moet je niet zeuren.

Voorwaarts

Zondag 1 november, Moddergat

Laten we zeggen dat de situatie verwarrend is. Het is voor de eerste keer dat ik verhuis zonder specifiek doel. Eigenlijk altijd had ik een nieuwe baan als ik ging verhuizen. Nu hadden we een baan, het runnen van een chambres d’hôtes, maar toen kwam dat virus dat iedereen wegjoeg. Dus organiseerden wij een terugtrekkende beweging naar het moederland.

Zoals zo vaak is het hoofdkantoor van Dossiermoddergat onze vluchtheuvel. Het hoofdkantoor staat in het rustigste dorpje van Nederland. Als troost is er de zee en het oneindige uitzicht. Maar jullie zouden toch naar Groningen gaan? Zeker. Maar de situatie in ons nieuwe huis is ook tamelijk verwarrend. Overal dozen, onuitgepakt, half uitgepakt, niets staat nog echt op zijn plaats. We besloten eerst een paar dagen in het hoofdkantoor te slapen onder onze bureaus tussen de archiefkasten. Even bijkomen van dagenlang opruimen en schoonmaken en afscheid nemen en 1400 kilometer rijden in één dag. Dan beginnen we maandag met het in orde maken van Groningen, waar we dan voor het eerst willen slapen. Het bed staat er al, dus dat biedt hoop.

Maar goed, dat alles zegt nog niets over mijn psychische toestand in dit niemandsland. Ik heb dus geen professioneel doel meer in het leven. Eigenlijk heb ik mijn werkzame leven nu afgesloten. Ik ben bij menig collega geweest die met pensioen ging en meestal werd die behangen met een ridderorde en vele lovende woorden waarvan ik vaak dacht: nu zijn ze je aan het bedonderen. Voor mij geen ridderorde, die ik ook zeker had geweigerd. Geen grotere onzin dan de woorden: ‘Het heeft de koning behaagd.’ Flikker op. Er zijn gewoon een paar mensen die een brief hebben geschreven waarin ze geschooid hebben om een lintje. Alsof we nog in de middeleeuwen leven. Ook geen lovende woorden voor mij. Mijn werkzame leven eindigt met het dichttrekken van de deur van Les Trois Comtes. Op de terugweg naar Nederland, mijmerend in de auto, heb ik voor mij zelf een afscheidspech gehouden. En werkelijk, ik hield het niet droog.

Ik popel om voor mijzelf aan het werk te gaan. Ik wil nooit meer ten dienste van andere staan. Want dat is, at the bottom line, wat ik mijn hele leven heb gedaan. Ik heb vele kunstwerken mogelijk gemaakt, voor anderen. Ik heb een dienstbaar leven gehad. Als ik het mocht overdoen dan wist ik het wel. Dan zou ik journalist worden, of taxichauffeur. 
Leefde ik maar in een sprookje. Een knip met de vingers en alle muren zijn geverfd, de dozen uitgepakt en alles staat op de juiste plek. Ik leef niet in een sprookje, de werkelijkheid is keihard en dat betekent dat we nog zeker veertien dagen bezig zijn voordat we klaar zijn met het inrichten van het nieuwe nest. Jammer, want ik popel om te gaan schrijven aan een nieuw boek en ik wil ook de straat op om te fotograferen. Ik zou hierbij het volgende lied uit mijn linkse jeugd willen aanheffen:

Voorwaarts en niet vergeten, 

Wat maakt ons zo sterk in de strijd?

Bij hong’ren en bij eten…

Voorwaarts, niet vergeten

De solidariteit!

Komt te voorschijn uit je holen,

Ook al is het niet voor lang:

Na een week van troost’loos sloven;

Trek naar buiten met gezang.

Nog zijn wij niet met zijn allen,

En nog is ’t maar voor een dag

Dat de velden ons behoren,

En de zon ons koest’ren mag.

Zagen wij de zonne schijnen,

Over bloemen, over gras,

Konden wij dit nooit begrijpen,

Dat dit waarlijk ’t onze was.

Want wij zagen even gloren.

Vrijheid die ons was ontrukt,

Maar wij bleven als te voren

In de modder neergedrukt.

Maar eens zal men ons aanschouwen, 
Opmarcherend met gezang

Om ons leven nieuw te bouwen,

Met ons allen en voor lang!

Bertold Brecht

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2020