Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2023, augustus/september

Les punaises

Vrijdag 29 september, Cadouin

 

Ik sta in een soort oorlogsmodus. Ik weet eigenlijk niet of je dat zegt, in een oorlogsmodus staan, maar ik heb geen zin om het op te zoeken of dat kan. Heb ik wel vaker als ik een blogje schrijf. De snelheid van schrijven vind ik prettiger dan het precies zijn, wat natuurlijk een volstrekt foute instelling is voor een blogger. Maar het zij zo, soms moet je je neerleggen bij je slechte eigenschappen. Wat, naar mate je ouder wordt, steeds beter lukt.

Oorlog dus. Al eerder schreef ik over wantsen die voortdurend ons huis proberen binnen te dringen. Die hoeveelheid wantsen is inmiddels verdubbeld, of misschien wel verdriedubbeld. Ik hou sinds een paar dagen de voordeur dicht, die eigenlijk altijd openstaat om de deur tevens de verbinding naar de veranda is. Wantsen trekken zich niets aan van die maatregel. Ze kruipen door kieren van ramen (ja, die hebben we), door schoorstenen of maken er gebruik van als de deur een keer opengaat. Erg vervelend.

Inmiddels heb ik de oorlog opgeschaald en mijn grootste wapen ingezet. Sins eergisteren staat hier de stofzuiger permanent klaar. Als ik zie dat de populatie te groot wordt, richt ik mijn stofzuiger en die slurpt ze zonder pardon naar binnen. 
Wantsen zijn geen slimme beesten, want ze vertellen elkaar bijvoorbeeld niet dat je bij die Blogger niet moet komen, dat hij op volle oorlogssterkte is. Ook vertellen ze elkaar niet dat een stofzuiger een gevaarlijk wapen is. Alle wantsen blijven gewoon keurig zitten tot ze in de buik van de stofzuiger verdwijnen. Het moet daar een soort inferno van door elkaar krioelende wantsen zijn. Eigen schuld.

Eerst dacht ik dat die wantsenplaag werd veroorzaakt door het maaien van die enorme wei in onze vallei, maar op Raad & Daad, de Facebookgroep voor Nederlanders die in Frankrijk wonen, lees ik dat iedereen last heeft van wantsen. Ik skypte zojuist met mijn Franse Nicht en die vertelde dat er zo’n tachtig van die dingen in haar huis zitten.

Op de camping van Wyb zijn diverse mensen vertrokken omdat de hoeveelheid wantsen niet meer te managen was. In tenten en caravans zaten er soms honderden. Op zich is het een onschuldig, dom beestje, doen geen vlieg kwaad. Maar ze zien er zo primitief uit. Als je ze ziet, weet je dat ze al op deze aarde waren voordat de mens verscheen. Zou me niet verbazen als ze nog ooggetuigen van dinosaurussen waren. Het zijn prehistorisch verschijningen.

In het Frans heten ze trouwen punaises, les punaises. Perfecte naam. Als je ze op de muur ziet zitten, kunnen ze zo doorgaan voor een ietwat grote punaise.

Alles goed en wel, ik zal niet verzaken: de oorlog gaat door. De stofzuiger staat alweer klaar, ik lust ze rauw.

 

Blingbling

Donderdag 28 september, Cadouin

 

Ik loop ons weggetje af om Dies uit te laten. Na honderdvijftig meter merk ik dat ik mijn mobiel ben vergeten. Ik ga nooit zonder mobiel de deur uit want dat betekent dat mijn stappen niet worden geteld. Zonde, want op het einde van het jaar probeer ik toch weer een gemiddelde van tienduizend stappen per dag te halen. 
Al weet ik dat dit moeilijk gaat worden, door een blessure van Dies heb ik een paar weken dat aantal stappen niet gehaald en ook als het rond de 35 graden is lukt het me niet om het te halen. Ik besluit toch mijn mobiel nog even te halen. Dies kijkt me verbaasd aan, ga ik opeens de verkeerde kant op.

Nu ik richting huis loop, zie ik dat een man op het weggetje komt aanlopen. Hij blijft stilstaan bij ons huis en kijkt er aandachtig naar. Hij zet zelfs een paar stappen in onze tuin om beter te kijken. Ik ben niet ver vanaf hem af als hij weer richting het dorp wil lopen.
Ik trek zijn aandacht, loop sneller naar hem toe en vraag hem waarom hij zo in het huis is geïnteresseerd.

‘Ik heb het willen kopen en ik wilde eens kijken hoe het er nu bijstaat. Toen ik het bekeek was het slecht weer.’
‘Wij hebben het uiteindelijk gekocht,’ laat ik voor de duidelijkheid weten.
‘U verandert er niets aan?’
‘Nee, waarom? We vinden het in zijn eenvoud een prachtig huis. We wonen er met z’n tweeën, dus dat past prima. Zou u het wel hebben veranderd?’ vraag ik.

‘Zeker. Het heeft zo’n mooi uitzicht. Daar zou ik meer gebruik van zijn gaan maken. Ik zou een deel van de voorgevel weghalen en er een groot raam in maken.’
‘Dat meent u niet?’ Het idee alleen al.
‘Ik zou alles met de beste architecten doen, hoor,’ vermoedelijk hoort hij het ongeloof in mijn stem.
‘In dat raam zou ik een schuifdeur maken, want aan het huis zou ik een grote houten steiger willen bouwen met terras daarop. Daaronder kon ik dan mijn auto parkeren.’
Vermoedelijk kijk ik verbijsterd.

‘Wacht,’ zegt hij, ‘ik zal u wat foto’s laten zien wat ik van plan was.’
En dan scrolled hij minutenlang door zijn foto’s. Eindelijk kan hij het raam laten zien, even later de steiger. Hij is er duidelijk intensief mee bezig geweest.’
‘Dit allemaal niet blingbling, hè?’ probeert hij me gerust te stellen. Hij zegt nog eens dat hij de beste architecten erbij had gehaald.

Ik wil zeggen dat ik het toch erg patserig en poenerig vind, maar mijn Frans schiet daarvoor te kort. Daarvoor in de plaats zeg ik: ‘Ik denk niet dat u daarvoor toestemming had gekregen, het is een beschermd dorpsgezicht.’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Het lijkt me een duur plan zo’n rigoureuze verbouwing.’
‘Och, geld is geen probleem. Ik heb mijn zaak erg goed kunnen verkopen.’

Ik hou in mijn beste Frans nog een lofzang op de authenticiteit van het huis, de eenvoud, en dat we er niet over peinzen om er ook maar iets aan te veranderen. Nou ja, alleen die trap dan van het weggetje naar de trap bij het huis, die willen we nog wel eens laten maken. Maar ik geloof niet dat het landt bij hem. Wat ook mijn Frans kan liggen, al ben ik best tevreden over het resultaat van het gesprek. Mijn Frans wordt echt aanzienlijk beter.

We nemen afscheid. Eén ding is me wel duidelijk, het dorp is door ons aan een kleine ramp ontsnapt. Zijn verbouwing had het dorpsgezicht voor altijd kunnen aantasten. Mensen zouden niet zoveel geld moeten hebben, dan zou de wereld mooier blijven.

Wurmen

Woensdag 27 september, Cadouin

 

Wyb en ik zijn betrapt. Netflix is voor ons veel belangrijker geworden sinds we hier wonen. Ik heb altijd van televisie gehouden, maar was geen groot consument. Dat kwam door het theater. Ons werk vereiste dat we drie, vier keer per week in het theater zaten, soms zelfs vaker. 
Kwam omdat we raar fanatiek waren. We zaten in allerlei jury’s en besturen, dus naast die drie, vier avonden in ons eigen theater zitten, gingen we nog het land in voor andere verplichtingen. Nu ik er op terugkijk, vind ik het eigenlijk een beetje mallotig gedrag. We werden meegesleept in ons enthousiasme, maar we hadden een veel relaxter leven kunnen hebben, of onze tijd in andere dingen kunnen steken. Zoals heerlijk op de bank hangen en naar een beeldscherm kijken.

Wat films en series betreft durf ik wel te beweren dat dat beeldscherm meer te bieden heeft dan wat er op een toneel gebeurt. Niet vreemd, want kijk eens wat voor een geld er in Netflix producties wordt gepompt. De budgetten van theaterproducties steken daar armzalig bij af. Acht weken repeteren voor een gecompliceerd toneelstuk is al lang. Bij Netflix producties gaat het om tientallen miljoenen. Dus niet vreemd, maar je gaat het toch met elkaar vergelijken. 
Nu we hier in alle eenzaamheid wonen, heeft de televisie de functie van het theater overgenomen. Het zijn werelden van verschil, maar ook weer niet. Met beide media vertel je verhalen, en ik ben gek op verhalen. Zonder verhalen zou de wereld voor mij een dorre ellende zijn.

De afgelopen dagen waren Wyb en ik gegrepen door de Netflix-serie Lilyhammer. New Yorks maffialid kan ontsnappen aan de New Yorkse maffiawereld en moet een plaats kiezen waar hij wil onderduiken. Het wordt Lilyhammer in het brave, politiek correcte Noorwegen. Maar het maffialid laat zich door correctheid, kou en sneeuw niet uit het veld slaan. Hij zet zijn New Yorkse maffia leventje gewoon door. 
Op het eind van de middag, als ik al mijn verplichtingen heb vervuld -Franse les, het huishouden, Dies uitlaten- trakteer ik mij op een aflevering van After Life, een serie geschreven en gespeeld door Ricky Gervais. Mooie, eenvoudige, bitterzoete serie.

Gisteravond wilden we Lilyhammer kijken, maar verdomd, Netflix laat weten dat ze hebben gemerkt dat we al een tijd weg zijn uit Nederland en dat we daarom geen recht meer blijken te hebben op het Nederlandse pakket. Krijg nou wat, dat ik Nederlander ben staat vast. Waar ik woon mag ik toch zelf weten. Bovendien, waar was die EU toch ook weer voor opgericht? Dat was toch om het onderling verkeer van personen en goederen te bevorderen? Waar bemoeit zo’n Amerikaans bedrijf zich mee? Wat maakt leven in Frankrijk anders dan leven in Nederland voor Netflix? Zal wel weer gaan om rechten, of zoiets, maar ik ben Europees ingezetene, al is mij inmiddels duidelijk dat die EU zich drukker maakt over het verkeer van goederen dan het verkeer van personen. Ff ergens anders gaan wonen is niet altijd simpel.

Ik heb dan meteen de neiging om dit juridisch aan te vechten. Maar wat weet ik nou van juridische zaken? Ik zal het wel weer pragmatisch oplossen. Gewoon een VNP verbinding creëren zeiden vrienden, dan weten ze niet waar je zit. Gelukkig is de mens een slim wezen en kan het zich overal onderuit wurmen.

 

Liefdevol

Maandag 25 september, Cadouin

 

In de Volkskrant lees ik een interview met muzieklegende Iain Matthews. Hij speelde in de jaren zestig in Fairport Convention, later richtte hij de band Matthews Southern Comfort op. Hij schreef ongelooflijk veel songs, waaronder de wereldhit Woodstock. Verrassing: de legende woont tegenwoordig met zijn gezin in een rijtjeshuis in Limburg, in Horst om precies te zijn. Eindelijk heeft hij zijn perfect peace gevonden.

In het interview doet hij een uitspraak die mij aanspreekt: ‘Thuis ben je vooral in je hoofd.’ Zo is het. Hij heeft geen enkele ambitie om Nederlands te leren. Als mensen op een verjaardag overschakelen van Engels naar Nederlands voelt dat als een verlossing. Dan kan hij zich eindelijk terugtrekken in de Iain-wereld. Dan hoeft hij niet meer sociaal te anticiperen en reis hij af naar zijn eigen universum, met zijn hang naar muziek, voetbal en boeken. Daar heeft hij de Nederlandse taal niet voor nodig.

Als je hoofd je thuis is, is het wel belangrijk dat dat thuis fijn is ingericht. De afgelopen weken las ik een onthutsend boek van Gabor Maté, De Mythe van Normaal. De subtitel: Over trauma, ziekte en heling in een toxische maatschappij. Ik heb er lang over gedaan omdat ik het boek soms moest wegleggen, het maakte me somber. Dat komt voornamelijk omdat het boek laat zien hoe mensen gevangenen zijn van hun opvoeding, hun ervaringen, de trauma’s die ze hebben opgelopen. En die trauma’s kunnen teruggaan tot de ervaringen in de baarmoeder. Die gevangenschap kan overgaan van generatie op generatie.

Niet dat dit genetische bepaald is. Maar de omstandigheden waarin iemand opgroeit, de ervaringen die iemand opdoet, stempelt iemand als het ware door naar zijn kinderen. En dan te bedenken dat een kwart van de kinderen in Nederland opgroeit met ouders die of een psychisch probleem hebben of worstelen met alcohol.

Naar aanleiding hiervan kreeg ik een gesprek met een vriend van me. We vroegen ons af of we een liefdevolle jeugd hebben gehad. Ik hoefde daar niet over na te denken. Al mijn hele leven vind ik dat ik buitengewoon liefdevol ben opgevoed. Een liefdevolle opvoeding is een van de mooiste geschenken die een kind kan krijgen, vind ik. Mijn hele leven pluk ik daar de vruchten van.

Mijn vriend vroeg me waarom ik daar zo zeker van was, wat dan zo liefdevol was. Tja, dat is dan weer een moeilijke vraag. Ik denk dat het samen op de bank zitten is met je moeder. Samen televisie kijken terwijl je tegen haar aanhangt. Het is interesse hebben in je kind, begripvol zijn, je kind niet frustreren, niet rot doen tegen je kind, hem of haar aandachtig volgen, lichamelijkheid niet schuwen, samen veel praten, er zijn.

En dat hoeft niet met twee ouders te gebeuren, weet ik uit ervaring. Eén ouder is al genoeg. Mijn vader was nauwelijks aanwezig, vervulde in mijn jeugd een bijrol, werken was zijn hobby. Maar hij heeft de liefde die ik voornamelijk van mijn moeder ontving absoluut niet gefrustreerd.

En die verhouding was begrijpelijk. Mijn moeder komt uit een warm gezin, is buitengewoon liefdevol opgevoed. Mijn vader had een kille, strenge moeder waarvan hij geen enkele liefde ontving. Hij wilde ook niets meer met zijn familie te maken hebben. En zo kan het dus generaties lang doorrollen. Sommigen hebben geluk, anderen pech, en zie dat maar eens te doorbreken. Gabor Maté heeft zich erover gebogen. 

Zweven

Zaterdag 23 september, Cadouin

 

Luister, als jullie het willen, komen wij terug naar Nederland. Ik zie ook wel dat, sinds wij weg zijn, Nederland op drift is. Ik ben ongelovig, laat staan dat ik geloof in bijgeloof, maar nu begin zelfs ik te twijfelen. Het zou best kunnen dat onze aanwezigheid in het vaderland een zuiverende kracht was. Met spiruawiliteit weet je het nooit. Het openbaart zich op de meest wonderlijke plekken.

Ik ben maar een eenvoudig bloggertje uit Nijmegen, maar het kan best zijn dat ik, onbewust, onbedoeld, toch het land een beetje bij elkaar hield. Elke gek kan in Nederland zomaar op het schild worden gehesen, waarom ik niet? Vooral als blijkt dat bij mijn terugkomst Nederland weer een beetje een normaal land wordt. Voor minder doe ik het trouwens niet, want dan blijf ik liever hier in de Dordogne een beetje freewheelen.

Zijn we weg, valt het kabinet. En dat nog om een belachelijke reden. Het grote probleem is niet de asielinstroom, het probleem is de organisatie van die instroom. Jarenlange verwaarlozing. De schuldige: VVD. Het mocht eens een aanzuigende werking hebben. Wat denk je? Juist over dit punt laat de VVD het kabinet vallen. Typisch gevalletje van wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in.

En dan die rage in Nederland om, als je even een meningsverschilletje hebt, een granaat voor de deur te laten ontploffen. Van Rotterdam tot Winschoten, er wordt wat af geknald. Toen wij nog in Nederland woonden gebeurde dat ook wel, maar sinds we weg zijn lijkt het mode geworden. Als er nog geen granaat voor je deur is ontploft hoor je er niet bij. Al die ontwrichte gevels, Nederland krijgt steeds meer zijn definitieve vorm.

En dan dat rare gezweef in Nederland. Slechts een op de vijf kiezers weet wat hij gaat stemmen. Dat is toch het bewijs van leeghoofdigheid. Het soortelijk gewicht van de kiezer is zo laag dat hij vanzelf gaat zweven. Eerlijk gezegd heb ik er geen vertrouwen in dat die kiezer over twee maanden wel weet wat hij wel moet gaan stemmen. Weet hij überhaupt wat stemmen is? Ik stel voor dat we de verkiezingen uitstellen. Eerst maar eens goed nadenken, dan gaan we pas stemmen.

Ook een triest gegeven, die meneer Omtzigt lijkt tientallen zetels binnen te gaan harken. En dan te bedenken dat hij nog geen programma heeft en geen kandidaten. Het maakt de Nederlandse kiezer niet uit. Ze zijn al lang blij dat iemand zich fatsoenlijk gedraagt en, hupsakee, we gaan massaal op hem stemmen. Over lege hoofden gesproken.

Wat ik maar wil zeggen, als er een brede volksbeweging ontstaat dat Wyb en ik moeten terugkeren om het land weer in het gareel te krijgen, dan zullen wij dat zeker overwegen. Nederland is ons lief, ook al is het daar altijd klote weer, veel te druk en zijn de bossen naar de gallemiezen. Maar wat moet moet.

Wij zijn zelfs bereid de positie van de Oranjes over te nemen. Wij doen dat tegen een sterk concurrerende prijs. Ons heb je voor de Balkenenden-norm. En mijn dochters mogen er zijn en hebben ook best lekkere kontjes, dus aan gespreksonderwerpen zal het Nederlandse volk niets verliezen. Bovendien, die paleizen hoeven we niet. We gaan gewoon weer lekker in Moddergat wonen. Kunnen die vluchtelingen in die paleizen wonen, probleem opgelost.
Mochten jullie zeggen: blijf lekker in de Dordogne, ook goed. Dan zeggen wij: zweef lekker door daar in Nederland.

 

Jaslusje

Vrijdag 22 september, Cadouin

 

Het gevoel dat iemand betrokken is, het gevoel dat je met kwaliteit hebt te maken, het gevoel dat iemand ergens volledig voor gaat, zit in kleine dingen. Ik lees een saai artikel in de Volkskrant over het piepen en kraken van het industrieland Duitsland. Hoge energieprijzen en trage bureaucratie tasten de economische motor van Europa aan. Veel bedrijven zoeken hun heil ergens anders.

De Volkskrant tekent uit de mond van een directievoorzitter het volgende op als hij het over Canada heeft, het land waar zijn bedrijf mogelijk naartoe wil uitwijken: ‘Zeven uur reed die man (de Canadese minister van industrie), in zijn eigen auto, zonder beveiliging, alleen om ons allemaal op een diner de hand te schudden. Hij gaf bij de eerste ontmoeting zijn mobiele nummer en op berichten reageert hij binnen een minuut, ook in het weekende.’ Het resultaat, veertien maanden na dat eerste verkennende gesprek ging in Canada de schop in de grond. Weer een bedrijf uit Duitsland verdwenen.

Het gaat me om het geven van het mobiele nummer en altijd mogen bellen. Ik maakte het voor de eerste keer in Tilburg mee. Met het toneelgezelschap dat ik toen leidde overwogen we van Eindhoven naar Tilburg te verhuizen. De Tilburgse ambtenaar waarmee ik dat besprak gaf me zijn visitekaartje met daarop zijn persoonlijk mobiele nummer, hij zei daarbij dat ik hem altijd kon bellen.

Ik was verrast, wanneer kom je nou iemand die dezelfde taal als jij spreekt? Niet lullen maar poetsen, zoals we vroeger in Nijmegen zeiden. Ik volgde al jaren dezelfde policy: ‘Hier heeft u mijn mobiele nummer en u kunt me altijd bellen.’
Nu doen de meeste leidinggevenden dat niet, want ze vinden dat ze ook recht op vrije tijd hebben. Ze willen niet voortdurend gestoord worden. Maar de grap is, ik werd nooit op vreemde tijden gebeld . Het blijkt dat iedereen wel weet dat je in het weekend en ’s avonds iemand beter niet kunt storen.

Dat laatste is niet helemaal waar, want er is één iemand die mij juist altijd in de avonden en weekenden belde. En dat was Matthijs Rümke, de artistiek leider waarmee ik Het Zuidelijk Toneel leidde. Toen we samen begonnen zei ik hem dat hij mij altijd mocht storen, van acht uur ’s ochtends tot twaalf uur ’s nachts. Andersom gold hetzelfde, en dat hebben we volop gedaan. We vergaderden samen eigenlijk nooit. Maar we belden elkaar des temeer. Als hij of ik ’s avonds laat na een voorstelling naar huis reed, belden we met elkaar. Of dat nou door de week of in het weekend was, dat maakte niet uit. Wyb werd er soms wanhopig van. Ik vond het heerlijk om zo te werken. Niks geen barrières, niks geen secretaresses en agenda’s die onze communicatie bepaalden.

Nog een voorbeeld van een klein dingetje. Toen het theater in Leeuwarden na vier jaar nieuwbouw weer openging, wilden we laten zien dat service boven alles ging. Om theaterbezoekers kennis te laten maken met deze filosofie, besloten we alleen mensen in de garderobe aan te nemen die handig waren met naald en draad. Als iemand een jas afgaf waarvan het jaslusje kapot was, vroegen we of hij of zij het het op prijs stelde als wij het tijdens de voorstelling repareerden. Het werd spraakmakende service.

Toevalsvagina

Woensdag 20 september, Cadouin

 

Ik denk dat er weinig plekken in Europa zijn die zo’n historische intensiteit hebben als de Dordogne. Wyb heeft gisteren en vandaag vrij en wij wandelen over een eeuwenoud pelgrimspad. Hier liepen duizend jaar geleden al mensen naar Santiago de Compostella. Ook goed mogelijk dat ze naar Rome liepen om zich aan te sluiten bij een van de kruistochten naar het Heilige Land.

De geschiedenis is hier overal. Wyb en ik beginnen de wandeling in Beaumont, een van de vele oude stadjes hier. De geschiedenis van Beaumont begint in 1272 toen het stadje werd gesticht door Edward I uit Engeland, een groot deel van de Dordogne behoorde toen aan Engeland. Ook dit stadje heeft de typische opzet van de bastide, de straten staan verticaal en horizontaal recht op elkaar, New York in het klein, zeg maar. In het midden een marktplein. Veel huizen dateren uit die tijd. We lopen door straten zoals de Middeleeuwse mens die ook heeft gezien.

Het landschap waar we doorheen lopen doet me sterk aan Berg en Dal denken, de biotoop van mijn jeugd. Eigenlijk doet heel de Dordogne me aan Berg en Dal denken, maar dan een paar duizendmaal groter.
We komen langs oude hoeves, wat mogen de Fransen blij zijn dat ze nooit zijn blootgesteld aan die nivellerende ruilverkaveling, die Nederland zo heeft vernield. Maar och, de Nederlander heeft sowieso geen historisch besef. Wat moet je met oude hoeves, ze lenen zich niet eens voor een ultramoderne megastal. Ondanks alle discussies over stikstof blijft de Nederlandse boer gewoon doorgaan met het bouwen van megastallen, ook vorig jaar zijn er weer vele bijgekomen.

Terwijl we daar zo wandelen, ben ik mij er zo van bewust dat 17.000 jaar geleden hier ook al mensen wandelden. Grote kans dat in die tijd het pad zijn vorm kreeg. Wie weet zijn de eerste voetstappen op dit pad gezet door de Cro-Magnon mens. In de Dordogne was het goed schuilen onder de overstekende rotspartijen. In de grotten die ze daarbij vonden was het heerlijk krassen en tekenen.

Ik heb trouwens een rare tik op deze wandeling. Dat komt door Benne. Hij is een paar dagen op Vlieland en in huisje waar hij verblijft staat een oude tafel. Hij stuurt me een paar foto’s die hij gemaakt heeft van het tafelblad. Op een van die foto’s lijkt de afbeelding van een vagina te staan. Er is weinig veranderd tussen de Cro-Magnon mens en de huidige homo sapiens. Ook de Cro-Magnons krasten vagina’s op de muur. Nu is Benne niet aan het krassen geweest, maar fotografeert ze wel.

Zelf heb ik in het verleden ook diverse mooie toevalsvagina’s gefotografeerd. Op de wandeling kijk ik op oude deuren, muren en bomen of ik ook toevalsvagina’s kan ontdekken. Hoe ik ook kijk, vandaag moet ik het doen met de foto van Benne.

Wimie

Maandag 18 september, Cadouin

 

Vorige week is Wimie Wilhelm overleden, actrice en regisseur. Zij werd 62-jaar. Het valt me op dat ze groots wordt herdacht. Vandaag besteedt de Volkskrant liefst een hele pagina aan haar overlijden. Terecht, want Wimie was een markante persoonlijkheid die veel voor het theater heeft betekend.
Voor enkele media lijkt haar rol als wachtcommandant Els Peeters in de politieserie Baantjer haar belangrijkste wapenfeit. Ik weet het niet zeker, maar volgens mij was dit voor haar slechts een lucratief financieel uitstapje. Ik durf te beweren dat haar hart bij het theater lag.

Gelukkig krijgt haar rol als regisseur van vele cabaretiers ook veel aandacht. Voor Brigitte Kaandorp en Richard Groenendijk had zij een belangrijke functie, met Wimie gaven zij vorm aan hun voorstellingen. Voor veel aankomende cabaretiers was zij een soort moederfiguur, zij hielp hen vertrouwen te krijgen.

Ik herinner mij haar vooral als actrice, en om iets heel anders. Het zal 1992 of 1993 zijn geweest. De oude schouwburg in Leeuwarden was gesloopt, aan de nieuwe werd volop gewerkt. Er dreigde dat een aantal jaren geen theater meer in Leeuwarden was te zien.
Als theaterdirecteur vond ik dat dit niet mocht gebeuren en wij verzonnen allerlei projecten. Zo kochten wij een oude bibliotheekbus en bouwden die om tot theater. Een kassamedewerkster haalde haar groot rijbewijs en reed de voorstellingen naar het huis van degene die een voorstelling had besteld. Wij zorgden dat er nouveau cirque in de stad was te zien en bouwden allerlei locaties om tot theater, van tuinen tot kerken.

In die tijd kregen wij een manuscript van Bouke Oldenhof aangeboden, Rolbrug geheten. Of wij dat niet wilden produceren. Ik vond het een prima idee. Er waren toen nog weinig theaters die zelf produceerden en het leek me een probaat middel om in dit theaterloos tijdperk de spirit erin te houden.

Ik stelde mijn noordelijke collega’s, georganiseerd in de NSD (Noordelijk Schouwburg Directies) voor om het samen te produceren. De Harmonie zou dan het voortouw nemen, we hadden toch niet zoveel te doen. Die NSD was in die tijd een ongelooflijk bedaagd clubje en het leek me goed er wat leven in te blazen.

De heren namen het script mee naar huis om het eens goed te lezen. In de volgende vergadering lieten zij mij weten dat het ze het stuk volstrekt niet interessant vonden, ze zagen geen enkele reden om het te gaan produceren.
Wij waren er inmiddels steeds enthousiaster over geworden. Het was zowel ontroerend als komisch. De zinnen waarin in het stuk was geschreven waren kort, kortaf, bokkig, hoekig, in een heel eigen taal, geworteld in het Friese platteland. Het was niet alleen genoemd naar het buurtschap waar Bouke Oldenhof woonde, het speelde zich er ook af.

We vroegen Matthijs Rümke om de regie te doen en Wimie Wilhelm en Joop Wittermans om het te spelen. Het was de eerste keer dat Matthijs en ik samen iets produceerden, jaren later zouden nog veel voorstellingen volgen.

Toen ik de eerste doorloop zag was ik perplex. Door het spel van Wimie en Joop was het stuk nog veel beter geworden dan ik al dacht. Het ging in Zalen Schaaf, een ietwat aftands theater/gemeenschapshuis, in première en bleek enorm aan te slaan. Het Parool sprak over ‘een klein juweel’. Het publiek herkende meteen de kracht ervan.

Het stuk werd zelfs genomineerd voor de Prosceniumprijs, een prestigieuze theaterprijs. Rolbrug beleefde een succesvolle theatertournee en trok ook in de schouwburgen van de directeuren die er niets in hadden gezien volle en enthousiaste zalen. Ik heb het in die tijd vele malen gezien, elke keer genoot ik.

Bij mijn eerste afscheid van De Harmonie, toen ik nog een held was, speelde Wimie en Joop er stukken uit, of Bouke had speciaal iets geschreven voor de karakters van Rolburg, dat weet ik niet meer.
Jaren later kwam ik Wimie nog tegen in Carré, bij een tribute aan Bram Vermeulen. Ik was toen al een tijdje geen held meer. Ze liet me duidelijk merken dat ze boos was op me. Het had, vermoedde ik, te maken te maken met de manier waarop ik voor de tweede keer De Harmonie had verlaten(de liefde! de liefde!).
Wimie had een zware, diepe stem. Ik heb nooit eerder, en ook later niet, iemand zo klankvol mijn naam horen uitspreken.

 

Bezoek 2

Zondag 17 september, Cadouin

 

Ik heb een teek in mijn onderbuik zitten. Wyb en ik gaan naar een apotheek in Belvès om een tekenpen te kopen zodat we hem eruit kunnen draaien.

Als we uit de apotheek komen, zie ik Ed op het terras zitten. Op zijn tafeltje staat een grote kan thee. Wyb gaat met Pien het dorp in om… Om wat? Vermoedelijk te winkelen. Ik ga bij Ed zitten en vraag om een een kop zodat we de thee kunnen delen.

Ed heeft, als hij een dorp ingaat, altijd een tablet of een boek bij zich. Vind ik mooi intellectueel staan. Ik overweeg hetzelfde te doen. Ik word er altijd blij van als ik iemand met een boek in zijn hand buiten zie lopen.
Ed hoopt altijd even alleen op een terrasje te kunnen zitten en dan in alle rust te kunnen lezen. Schuin achter me zit een echtpaar met een border collie. Omdat de hond net loops is geweest sluipt Dies steeds naar de hond toe. Ik trek hem steeds terug en zeg dat hij af moet.

Zo komen we in gesprek met het echtpaar dat op de camping bij Wyb staat. Ze waren van plan een week te blijven, inmiddels staan ze er drie weken. De vrouw geeft aan dat ze op zoek willen naar een huis in Frankrijk, mogelijk hier in de Dordogne. Ze verlangen er al hun hele leven naar, nu moet het er een keer van komen. Ik zeg dat ze een goede makelaar moeten nemen en dat ik er wel een weet. Ik noem Liesbeth. De vrouw zegt dat ze de adresgegevens maandag aan Wyb zal vragen.

Het huis moet wel af zijn, zegt de man. Hij is zijn hele leven ambtenaar geweest en zegt niets met zijn handen te kunnen. Ook niet te willen. Ik laat hem ter geruststelling weten dat ik er hetzelfde insta als hij. Lastig, maar er is mee te leven.

Aan het tafeltje naast ons zit ook een Nederlands stel. De vrouw ziet er piekfijn uit, gekleed in witte kleren, omhangen met gouden sieraden. Haar partner heeft al jaren een huis hier. Over paar uur vliegt zij terug naar naar Nederland, hij brengt haar naar het vliegtuigveld.
‘Valt hier in de winter wel iets te beleven?’ vraagt ze.
‘Nee,’ zeg ik, ‘helemaal niets.’

Wyb en Pien zijn nog steeds niet terug. Iedereen bemoeit zich er inmiddels mee. ‘Volgens mij zijn jullie in de steek gelaten,’ zegt de vrouw met de border collie.
Ed heeft twee glazen witte wijn besteld. Degene die de glazen brengt blijkt ook Nederlands te zijn. Ze woont hier al dertien jaar. Ed bestelt een soort loempia bij haar. Ed en ik vermaken ons prima. Van het lezen van Ed komt niets terecht. Ik heb niet het idee dat hij het erg vindt.

Als we de glazen bijna leeg hebben komen Wyb en Pien terug. Pien heeft een lange broek gekocht. ‘Zal je vast goed staan,’ zeg ik. Wyb heeft een vijfdelige koperen pannenset gekocht, speciaal voor mij. Toen we ons huis kochten, hing er zo’n pannenset boven het aanrecht. Ik had gehoopt de verkopers de pannen zouden laten hingen. Helaas. Nu zitten alleen nog de haken in de balk. Vanaf vandaag hangen er weer pannen aan.

Eenmaal thuis kleed ik me uit en ga op bed liggen zodat Wyb alle ruimte heeft om de teek uit mijn onderbuik te halen. Het pennetje van de apotheek werkt, maar het eruit draaien doet verdomde pijn. ‘Kijk,’ zeg Wyb, ‘met pootjes en al eruit gehaald.’ In de spiegel zie ik dat de teek zich diep heeft ingegraven, in mijn onderbuik blijft een kratertje achter.

Bezoek

Vrijdag 15 september, Cadouin

 

We krijgen zo bezoek. Het is duidelijk tot welke leeftijdsgroep Wyb en ik behoren. In de zomer hadden we het vrij rustig met bezoek. Toen werd de Dordogne bezet door ouders met kinderen. Op de campings, in de dorpen en de restaurants wemelde het van de kinderen. Zes weken lang. Invasie uit Nederland. De camping waar Wyb werkt, groeide van tweehonderd mensen tot duizend. Animatie inclusief. Kinderen mogen zich niet vervelen. Ouders behelpen zich met sudoku en slenteren langs marktkraampjes.

Maar die tijd is nu voorbij. Volgens Wyb heeft de camping een metamorfose ondergaan. Het animatieteam is naar huis. De camping vult zich nu met veel te grote auto’s en veel te grote campers. Invasie van de boomers. Die kijken wel uit dat ze weer met jengelende en schreeuwende kinderen krijgen te maken. 
Wij zelf trouwens ook. Als we Nederlandse kinderen in een restaurant zien zitten, zoeken we een ander restaurant op. Franse kinderen geven niet, die weten dat je in een restaurant aan tafel moet blijven zitten en je kop houden. Hoe ze het flikken die Franse ouder geen idee, maar het lukt ze.

Maar goed, ouders met kinderen weg, de boomer komt uit zijn veel te grote huis. Dat betekent dat Wyb en ik deze maand volop bezoek krijgen. Geen misverstand: dat vinden we heerlijk. We zijn genoeg alleen samen. Voor mij is bezoek helemaal heerlijk omdat ik, meer nog dan Wyb, dagen alleen ben. Kan ik eindelijk eens lekker ouwehoeren. En dan te bedenken dat er tijden waren dat ik bezoek verfoeide. Maar zoals bij alles, is het een kwestie van verhouding. Er waren tijden dat we werden overstelpt door bezoek.

Wat ook fijn is dat we geen logeerkamer hebben. Er zijn in en rond Cadouin in en rond de zomer genoeg slaapmogelijkheden, van goedkoop tot duur, keuze zat. Voor de bezoeker en voor ons vind ik het prettig dat ze niet bij ons kunnen logeren. Ook als wij naar Esmee en Arjan op Ameland gaan, slapen Wyb en ik altijd in een hotel. Ik vind het heerlijk om ’s avonds na een intensief bezoek nog even alleen te zijn. Ik legitimeer ons hotelbezoek altijd met het argument dat ik het heerlijk vind om met open deur te poepen en als je ergens logeert moet de deur dicht. Wat trouwens helemaal niet waar is, ik poep nooit met de deur open. Maar het benadert wel de reden waarom ik het liefst in een hotel slaap. Ik hoop dat het voor ons bezoek deze maand ook geldt.

Dat bezoek heeft vermoedelijk wel tot gevolg dat Dossiermoddergat eronder gaat lijden. Als ik na een lekker etentje aangeschoten thuiskom, ga ik echt geen blog meer schrijven. Opdat je het weet. Och, we zien wel.

Slappe hap

Donderdag 14 september, Cadouin

 

Het is een zonnige dag. Gisteren was het enigszins bewolkt en minder warm dan de dagen daarvoor. Ideaal wandelweer. Wyb en ik maakten een ongebruikelijk lange wandeling. Dat kon omdat Wyb een vrije dag had. Nu zit ik weer als monnik in mijn eentje op de veranda en lees een boek van L.H. Wiener: Misantropie voor gevorderden.

Denk niet dat het een naslagwerk over misantropie is, want dat bestaat volgens mij niet. Het is gewoon een boek met verhalen van Wiener. L.H. Wiener vind ik zelf een van de beste Nederlandse schrijvers, maar ik weet niet of die mening door veel mensen wordt gedeeld. Ik kom weinig mensen tegen die hem kennen, terwijl hij toch een groot oeuvre bij elkaar heeft geschreven. Ik kocht het boek omdat de titel me aansprak. Vermoedelijk ben ik een van de weinige Nederlanders die valt op zo’n titel.

Ik merk dat er crisis heerst in de burelen van Dossiermoddergat en ik wil de lezer daar graag deelgenoot van maken voor het geval ik er (tijdelijk?) mee stop. Ik zou nou een blogje moeten schrijven, maar waarover? Ik zou een fel blog kunnen schrijven over de trend om integriteitsschendingen of grensoverschrijdend gedrag te roepen, dit meestal op basis van anonieme meldingen. Zullen we afspreken dat anonieme meldingen voortaan niet meer gelden? Lafbekken mogen niet worden gehonoreerd.

Ik denk dan aan mijn eigen tijd, toen ik zelf nog moest managen en ik iets wilden. Managen en iets willen is soms lastig, want er zijn altijd mensen die iets anders willen of sowieso niet willen dat iemand iets wil omdat ze zelf geen ideeën hebben en daarom, uit pure recalcitrantie, de kont tegen de krib gooien. 
Vroeger was ik nog strijdbaar en was bereid zover te gaan om mezelf op te offeren voor Het Goede Doel. Het resultaat: succes. Want succes is alleen af te dwingen door ergens echt voor te gaan. Maar als ik nu in die positie zat, was er vast iemand geweest die integriteitsschending of grensoverschrijdend gedrag had geroepen. Als je een beetje een fout bestuur hebt, rolt je kop het bedrijf uit. Gevolg: de slappe hap heeft gewonnen.

Of ik zou een blog kunnen schrijven over de benarde positie van Oekraïne. Wij, het Westen, laten die jongens en meisjes daar vechten zonder ze de echte, doorslaggevende wapens in handen te geven. Hoe lang kan David het nog tegen Goliath uithouden? We laten ze aan een draadje bungelen, benieuwd wanneer het draadje knapt, en dan begint het gejammer in het Westen weer. Maar waarom hebben we niet… En dat hadden we toch kunnen weten… En er zullen vast weer parlementaire enquetes worden gehouden hoe het zover heeft kunnen komen dat we in die oorlog zo hebben gefaald. En zo kwakkelen we door.

Ik ga die blogjes niet schrijven. Steeds vaker krijg ik het idee dat ik mijn creativiteit met die blogjes verkruimel. Het leven vraagt meer dan blogjes, het leven vraagt iets groots, al weet ik als taoïst dat dat onzin is, maar het zit zo diep in mij verankerd. Ik moet het er gewoon uit laten zweten. 
Ik kan wel aan een Grote Roman beginnen, maar voordat ik die af heb ben ik dood. En als dat niet het geval is, en het boek wordt bij toeval uitgegeven, wie leest het dan? TikTok is zoveel leuker.

 

Wantsen

Maandag 11 september, Cadouin

 

Vanochtend werd ik wakker door een uil in onze tuin. En onderschat zo’n uil niet. Als ik de Nederlandse geluidsnormen op hem zou loslaten, moest de uil verboden worden. De uil, ik hoor hem vaker, meestal ver weg, lijkt te leiden aan een existentiële crisis. Zijn geoehoe klinkt zo klagelijk, zo verdrietig, zo eenzaam.
Het is een geluid waarvan je weet dat het ver draagt. Ik was meteen klaarwakker en al luisterende naar zijn geroep, hoorde ik dat hij in de verte antwoord kreeg. Maar dat was dan wel een hele verre verte. Zijn gesprekspartner leek aan de andere kant van de Dordogne te zitten. Vermoedelijk wist de uil toch hoe hij bij haar moest komen, want opeens hield zijn geroep op en heb ik hem überhaupt niet meer gehoord. Ik hoop dat hij er geen gewoonte van maakt om ’s ochtends in de tuin te zitten jammeren.

Er is sowieso veel aan de hand in de natuur hier. Vorige week heeft iemand een deel van de vallei gemaaid en sindsdien lijkt ons huis een vluchtelingenkamp voor wantsen. Ik dacht dat ze op de vlucht waren door dat maaien, maar nu ik dit schrijf heb ik even op Wikipedia gekeken en lees ik het volgende: ‘De bladpootwants en de grauwe schildwantsen trekken massaal de huizen in en menig mens schrok van die massa. Het waarom is heel simpel, want al die wantsen zoeken net als lieveheersbeestje een lekker slaapplek om te overwinteren.’ Dat maaien heeft er dus niets mee te maken. Als ik het goed heb is de wants voor de winter wat de zwaluw voor de zomer is. Eén wants maakt misschien nog geen winter, maar wij hebben er tientallen in huis. Dus ik vrees toch dat er iets van kou aankomt. Wyb wipt ze met de vliegenvanger naar buiten, ik zet er de stofzuiger op. Vermoedelijk heb ik een zak vol wantsen.

Om het blog nog enigszins spannend te maken, kan ik laten weten dat de hoornaar zich laat gelden. Het begon eergisteren. Wyb, die net op bed lag, riep dat ik moest komen. Ze deed dit met een stem waardoor ik wist dat er serieus iets aan de hand was. In de slaapkamer gekomen bleek dat er twee hoornaars rond vlogen. Een wist ik met een soort verkeersbewegingen het raam uit te begeleiden, de ander bleek hardnekkig zitten. Met geweld heb ik een einde aan zijn leven gebracht. Dat geweld was buitenproportioneel, maar dat moest wel want hij wilde niet dood.

De volgende ochtend kwam de wraak. Terwijl Wyb aan het werk was in Belvès, dat toch twaalf kilometer van ons huis ligt, werd ze gestoken door een hoornaar. Toevallig had ik vanmorgen mijn Franse Nicht aan de lijn die vertelde dat ze ooit in een Pharmacie had gestaan toen een vrouw in paniek binnen kwam en riep dat ze door een hoornaar was gestoken. De apotheker kwam meteen in actie. Ze kreeg een pil en moest vervolgens elke vijf minuten zo’n pil innemen.
Wyb heeft Fries bloed en Friezen geloven eigenlijk niet in doktoren, pillen en apotheken. Bij Wyb geen paniek na de beet. Ze had wel pijn, maar wat tea tree, ijsklontjes en een kwartier pauze om bij te komen en Wyb bikkelt verder. Overigens, van die uil heeft Wyb ook niets gemerkt, ze heeft een jaloersmakende diepe slaap.

Wantsen

Maandag 11 september, Cadouin

 

Vanochtend werd ik wakker door een uil in onze tuin. En onderschat zo’n uil niet. Als ik de Nederlandse geluidsnormen op hem zou loslaten, moest de uil verboden worden. De uil, ik hoor hem vaker, meestal ver weg, lijkt te leiden aan een existentiële crisis. Zijn geoehoe klinkt zo klagelijk, zo verdrietig, zo eenzaam.
Het is een geluid waarvan je weet dat het ver draagt. Ik was meteen klaarwakker en al luisterende naar zijn geroep, hoorde ik dat hij in de verte antwoord kreeg. Maar dat was dan wel een hele verre verte. Zijn gesprekspartner leek aan de andere kant van de Dordogne te zitten. Vermoedelijk wist de uil toch hoe hij bij haar moest komen, want opeens hield zijn geroep op en heb ik hem überhaupt niet meer gehoord. Ik hoop dat hij er geen gewoonte van maakt om ’s ochtends in de tuin te zitten jammeren.

Er is sowieso veel aan de hand in de natuur hier. Vorige week heeft iemand een deel van de vallei gemaaid en sindsdien lijkt ons huis een vluchtelingenkamp voor wantsen. Ik dacht dat ze op de vlucht waren door dat maaien, maar nu ik dit schrijf heb ik even op Wikipedia gekeken en lees ik het volgende: ‘De bladpootwants en de grauwe schildwantsen trekken massaal de huizen in en menig mens schrok van die massa. Het waarom is heel simpel, want al die wantsen zoeken net als lieveheersbeestje een lekker slaapplek om te overwinteren.’ Dat maaien heeft er dus niets mee te maken. Als ik het goed heb is de wants voor de winter wat de zwaluw voor de zomer is. Eén wants maakt misschien nog geen winter, maar wij hebben er tientallen in huis. Dus ik vrees toch dat er iets van kou aankomt. Wyb wipt ze met de vliegenvanger naar buiten, ik zet er de stofzuiger op. Vermoedelijk heb ik een zak vol wantsen.

Om het blog nog enigszins spannend te maken, kan ik laten weten dat de hoornaar zich laat gelden. Het begon eergisteren. Wyb, die net op bed lag, riep dat ik moest komen. Ze deed dit met een stem waardoor ik wist dat er serieus iets aan de hand was. In de slaapkamer gekomen bleek dat er twee hoornaars rond vlogen. Een wist ik met een soort verkeersbewegingen het raam uit te begeleiden, de ander bleek hardnekkig zitten. Met geweld heb ik een einde aan zijn leven gebracht. Dat geweld was buitenproportioneel, maar dat moest wel want hij wilde niet dood.

De volgende ochtend kwam de wraak. Terwijl Wyb aan het werk was in Belvès, dat toch twaalf kilometer van ons huis ligt, werd ze gestoken door een hoornaar. Toevallig had ik vanmorgen mijn Franse Nicht aan de lijn die vertelde dat ze ooit in een Pharmacie had gestaan toen een vrouw in paniek binnen kwam en riep dat ze door een hoornaar was gestoken. De apotheker kwam meteen in actie. Ze kreeg een pil en moest vervolgens elke vijf minuten zo’n pil innemen.
Wyb heeft Fries bloed en Friezen geloven eigenlijk niet in doktoren, pillen en apotheken. Bij Wyb geen paniek na de beet. Ze had wel pijn, maar wat tea tree, ijsklontjes en een kwartier pauze om bij te komen en Wyb bikkelt verder. Overigens, van die uil heeft Wyb ook niets gemerkt, ze heeft een jaloersmakende diepe slaap.

Feel good

Zondag 10 september, Cadouin

 

Toen wij gisteravond uit Molière terugkwamen, was er nog niets te zien. Molière is een klein dorp zo’n vier kilometer van ons huis vandaan, het is wonderschoon plaatsje. Het is een bastide en de laatste vijfhonderd jaar is daar niets veranderd, misschien wel de laatste zeshonderd jaar. Er wonen slechts driehonderd mensen, het is echt klein, maar het is het perfecte decor om er een feel good movie te filmen. Ik durf te wedden dat dit tussen nu en vier jaar gaat gebeuren.

Wij hebben de avond al dinerend doorgebracht op het terras van café-restaurant Le Poquelin, gelegen aan het marktplein van Molière. Het restaurant is deze zomer van eigenaar veranderd en die heeft het veel aantrekkelijker gemaakt. Om ons heen is het theaterfestival van Molière aan de gang. Ik hoor mijn oude theatercollega’s al denken, hoezo dineren, moet je niet gaan kijken? Nee, want na een korte wandeling over het marktplein was ons wel duidelijk dat het theaterfestival een prima volksfeest is, maar theatraal niet interessant. Dat klinkt arrogant, maar als je veel gezien hebt, mag je je een oordeel aanmatigen, vind ik.

Om ons heen is het een drukte van jewelste. Als die film wordt opgenomen, dan raad ik de regisseur aan het te doen tijdens het theaterfestival van Molière. Het is een klassiek beeld, mensen staan te kijken of met elkaar te praten en te drinken, kinderen lopen er doorheen te spelen, evenals de honden. Boven alles uit schreeuwen de acteurs. Later op de avond worden Wyb en ik verrast door het melancholische geluid van Franse accordeonmuziek. Nu is geluk heel gewoon.

De laatste zin is natuurlijk een variatie op de uitdrukking ‘Toen was geluk heel gewoon’. Want als ik daar op dat marktpleintje zit, besef ik me dat geluk nu heel gewoon is en dat mijn leven steeds meer begint te lijken op een voortdurende vakantie. Ik was niet van plan om die vakantie te gaan houden toen ik hier kwam, ik wilde hier gewoon hard gaan werken aan van alles en nog wat, maar het leven is te lui, te mooi en er zijn geen deadlines om dat rigide vol te houden. Mijn leven verandert, ik kan het niet ontkennen, steeds meer in die lange vakantie.

Maar ik moet terugkomen op de eerste zin, want anders wordt dit blog weer veel te lang. Ik schrijf daarin ‘was er nog niets te zien’. Wat was nog niet te zien? Wyb moet ’s morgens om half negen beginnen en laat daarvoor Dies uit terwijl ik langzaam wakker word. Over vakantie gesproken.

Het is nu al de derde ochtend dat, als ze buiten komt, er midden op ons weggetje een balletje ligt. Nu is het zo dat onze tuin vol ligt met de ballen van Dies, maar die liggen niet op ons weggetje. Het is nu de derde ochtend dat daar heel demonstratief een bal ligt. Volgens Wyb lag er naast het balletje poep dat best van een vos afkomstig kan zijn. Is het mogelijk dat ’s nachts de vossen in onze tuin met de ballen van Dies spelen? Spelen vossen met ballen? Vossen zijn er genoeg, evenals ballen. Het wordt tijd om de wildcamera op te hangen.

Terwijl ik de laatste alinea schrijf, appt Wyb van Le Moulin de la Pique dat ze door een hoornaar is gestoken, foto erbij van been in verband met ijs erop. Geen feel good.

 

Bestaanszekerheid

Zaterdag 9 september, Cadouin

 

Bestaanszekerheid, het schijnt het kernwoord van de aanstaande verkiezingen te zijn. Zowel rechts als links hebben het in hun verkiezingsprogramma’s staan. Niet dat ik die heb gelezen, maar elk nieuwsmedium dat tot mij komt, rept erover. Zelfs in het VVD-programma komt het woord voor. Bijzonder, want onder Rutte en ver daarvoor is dat niet meer gebeurd.

Ik vind het een verhullend woord, bestaanszekerheid. Natuurlijk ben ik erg voor bestaanszekerheid. Maar hoe realiseer je bestaanszekerheid? De afgelopen jaren is dat duidelijk geworden. Een toeslag hier, een ondersteuningsmaatregel daar en met puffen en hijgen is de bestaanszekerheid weer gerealiseerd.

Vraag niet hoe het bestaan eruit ziet voor mensen die van het politiek pleisterplakken afhankelijk zijn. Armoe bestaat nog in Nederland. Als er niets wordt gedaan, vervallen 1 miljoen mensen in directe armoede. Op prinsjesdag zullen er vast weer pleisters worden geplakt. Overigens is er buiten die armoedegrens nog een leger van mensen dat met een schamel salaris, vaak met behulp van twee baantjes, de eindjes aan elkaar probeert te knopen.

Maar waar iedereen aan voorbij gaat, is dat aan bestaansonzekerheid een systeemfout ten grondslag ligt. Je kunt elk jaar repareren wat je wil, maar de essentie is dat mensen met geld onbeschoft rijk worden, en dat mensen zonder geld afhankelijk zijn van dat pleisterplakken. Wat werkelijk nodig is, is verandering van het systeem.

En die verandering is eigenlijk heel simpel, als de Nederlandse kiezer daaraan wil meewerken. Zorg namelijk dat de rijken minder onbeschoft rijk worden en dat mensen met lage of iets minder lage lonen en mensen met een uitkering structureel meer krijgen. Zorg ervoor dat de miljarden aan verkapte subsidie aan het bedrijfsleven wordt afgebouwd, verhoog hun belastingtarieven, zorg dat ze de boel niet kunnen bedonderen. Het wordt hoog tijd dat er een fundamentele herverdeling plaatsvindt waardoor mensen niet elk jaar afhankelijk zijn van gesjacher van politici.

Neem de afgelopen jaren. De eenvoudige belastingbetaler, de man en vrouw die zijn belastingformulier invult en zijn geld niet naar Maagdeneilanden en andere sjoemelgebieden laat stromen, wordt op prinsjesdag dubbel genaaid.

Eerst jagen grote bedrijven de inflatie aan door op de inflatie extra winstmarge te zetten (1e naaien). Enorme hoeveelheden geld zijn daardoor naar aandeelhouders gevloeid. Buiten dat iedereen hierdoor is genaaid, heeft het tot gevolg dat de stijging van de levenskosten de bestaanszekerheid aantast. En wie moeten dat financieel gaan repareren ? Niet de mensen die ongeneerd van de inflatiediefstal hebben geprofiteerd, zij blijven ongemoeid. De keurige belastingbetaler krijgt de solidariteitsrekening gepresenteerd (2e naaien).

Het zal duidelijk zijn op wie ik ga stemmen. Er zijn eigenlijk maar twee partijen die deze systeemfout fundamenteel willen wijzigen. Dat is de combinatie PvdA/Groenlinks en de SP. Aangezien ik het met Frans Timmermans eens ben dat politiek om macht gaat, valt de SP, die altijd buitenspel blijft staan, af. Maar ja, een meerderheid van de Nederlandse kiezer zal betoverd blijven door de vleeslobbyiste C. van der Plas.

Ah, wat heerlijk om weer eens een onvervalst sociaal-democratisch verhaal neer te pennen (ik typ, hoor). Ik weet het, ik zeg niets nieuws. Ik lees momenteel een boek van Tony Judt, titel: Het land is moe. Hij laat zien dat wat ik hier vertel in de 20ste eeuw heel gewoon was en dat dit een enorme rust en cohesie in het land bracht. Herverdeling is goed voor het gemoed. Zelfs in Amerika was dit tot Reagan staand beleid. En toen kwamen die verrekt liberalen en kon het feestje voor de rijken beginnen.

 

Geborgen

Vrijdag 8 september, Cadouin

 

Een van mijn meest favoriete bezigheden is toch wel het ouwehoeren met vrienden op een terras. Zeker voor iemand die het leven van een monnik leidt, is het een welkome afwisseling. Als je dagen in jezelf bent opgesloten, vind je het heerlijk om weer eens te luisteren en te praten.

Ik ging met Peter en Bernadette naar de markt van Monpazier. Iedereen die bij ons komt, moet dit wonderschone plaatsje bezoeken, vinden wij. De liefde voor de Dordogne willen we graag delen. Van de markt hebben we niet veel gezien. We waren het marktplein nog niet op of we vonden een terras. Terrassen praten lekker, vind ik. De gesprekken worden beter door de losse setting. Er is veel te zien, de bediening zorgt voor onderbreking, er is koffie, iedereen zit er relaxed bij. Gespreksonderwerpen wippen over elkaar heen en weer terug.

Bij ons was het niet anders. Alle grote onderwerpen kwamen ter sprake: alle eikels die we tijdens ons leven zijn tegengekomen, de kinderen, permacultuur, Amerika, de voordelen van het ouder worden, de dood, en nog zo wat zaken. 
‘Ben je nooit bang daar zo alleen in dat huis?’ vraagt Bernadette. Intrigerende vraag. ‘Nee, ik ben nooit bang,’ antwoord ik naar waarheid. ‘Sterker, ik voel me in het huis en op die plek juist heel geborgen, dat was een belangrijke reden om voor dat huis te kiezen.’

Ik begrijp de vraag van Bernadette al te goed. Ik woon nu voor de derde keer in een alleenstaand huis in/bij een bos. De vorige keren had ik soms best een unheimisch gevoel. Als ik in Dwingeloo ’s avonds in het donker naar buiten liep, keek ik altijd goed om mij heen. Omdat we tamelijk veel buren hadden, was er vaak nog beweging. De weinige straatlantaarns verspreidde een duister licht. Ik was altijd op mijn hoede. Geen prettig gevoel

Hier in Cadouin heb ik dat nooit, terwijl ik nog nooit op zo’n donkere plek heb gewoond. Als de maan niet schijnt, is het aardedonker. Maar ’s nachts laat ik zonder angst Dies uit. Vaak doe ik mijn zaklamp nog uit zodat ik helemaal in het donker sta, alleen het witte uiteinde van Dies’ staart (the sheperd light) kan ik dan nog zien. Zo’n moment heeft iets magisch. Absolute stilte, absolute donkerte.

Het meest bang was ik op de eerste plek waar ik afgelegen woonde. Het was op de Westkanaaldijk in Nijmegen. We woonden daar in een oude boerderij aan het Maas- en Waalkanaal, voor ons een bos, achter ons de wijk Dukenburg. In een half jaar tijd werd er liefst drie keer ingebroken, ik sliep steeds slechter.
Dieptepunt was de periode dat er elke nacht, zo tegen vier uur, half vijf, een auto stopte op de dijk naast ons huis. De lichten gingen uit. De man bleef in de auto zitten. Dat duurde zo weken, alle nachten stond hij daar. Wat wilde hij van ons?

Op een gegeven moment heb ik al sluipende zijn nummerbord genoteerd en de politie gebeld. Waarom stopt daar elke nacht een auto? Wij waren inmiddels paranoia. Na een paar dagen belde de politie dat we niets hadden te vrezen. Het was een man die in de betonfabriek werkte, even verderop. Hij had een moeilijke thuissituatie, ging daar vroeg weg. In zijn auto wachtte hij tot hij kon beginnen met werken.

Mijn stelling is dan ook dat hoe verder je van de mensen af woont, hoe veiliger je bent. Als je in de buurt van mensen woont, zijn er altijd mensen aan het rommelen, is er altijd nog gedoe.

Dommelen

Donderdag 7 september, Cadouin

 

Verrassing. Het is september maar daar laat een beetje canicule (hittegolf) zich tegenwoordig niet door tegenhouden. De weersverwachting geeft aan dat het de aankomende zes dagen boven de dertig graden is. Dat betekent overdag luiken dicht en ’s nachts ramen wagenwijd open, aldus ons hitteprotocol. Dan is het in ons huis prima uit te houden.

Wyb en ik hebben gelukkig dezelfde interesses, wat de een leuk vindt, vindt de ander ook leuk. Over één ding hebben wij verschil van mening, en dat verschil komt juist op zulke dagen naar voren. Wyb vindt het namelijk ontzettend fijn om in die hitte, maar ook in iets mindere hitte, aan een rivier te zitten, liefst doet ze dat nog picknickend. En ik vind daar echt niets aan. Dan zit je daar tussen een massa mensen waarvan enkelen een bal herrie maken met van die kleine meeneem speakertjes. Ik voel dan al snel agressie in me opkomen en een enorm vluchtgedrag. Om niet te hoeven vechten wil ik hard weglopen, met zulke situaties wil ik niets te maken hebben.

Picknicken, op de grond gaan zitten eten. Geen idee waarom mensen dat romantisch vinden. Ik noem het onhandig. Komt misschien omdat ik een tafel en een stoel een van de beste menselijke uitvindingen ever vind, misschien alleen overtroffen door de uitvinding van het wiel en de koffiebeker. Met warm weer zit ik het liefst thuis in mijn koele kamer op een stoel aan een tafel. Heerlijk, en toch ook erg romantisch, vind ik. En het voordeel is: geen zand op het brood, het glas blijft lekker stabiel voor je staan.

Maar goed, omdat je daarover van mening verschilt, wil niet zeggen dat je nooit een concessie moet doen. Daarom pak ik een campingstoel uit onze cave, neem mijn boek mee en tien minuten later zitten we aan de borden van La Dordogne.
Tot mijn grote vreugde kunnen we constateren dat de grote toeristenstroom inmiddels huiswaarts is gekeerd. We zitten onder een koepel van bladeren en onze directe buren liggen zo’n honderd meter van ons vandaan. Niemand heeft een geluidsdrager bij zich, dat maakt de boel een stuk draaglijker.

Ik installeer me met boek op mijn stoel, Wyb en Dies zoeken het water van de rivier op. Liefdevol zie ik het tafereel aan. Vorig jaar rond deze tijd was de Dordogne verworden tot een armzalig stroompje en dat is nu zeker niet het geval. Er waait een lekker windje langs het water, als ik niet oppas moet ik Wyb gelijk gaan geven en zit ik hier vaker dan me lief is. ik lees een bladzijde en…

En dan, ik kan er niets aan doen, dommel ik weg. Wyb maakt in deze toestand een confronterende foto van me: een ouwe man die zijn middagdutje doet. Het is alsof ik naar de foto van mijn opa kijk. Ontluistering. Meer dood dan levend. Dit is het tegendeel van flatteus. Zie nou wel dat je beter in je kamer aan een tafel kunt blijven zitten, dan was deze foto nooit gemaakt.
‘Je moet die foto echt verwijderen,’ zeg ik tegen Wyb.
Of ze dat gedaan heeft weet ik niet. Ze heeft hem in ieder geval naar mij geappt en als ik dit blog schrijf, denk ik aan de doelstelling van Dossiermoddergat: niets mag worden verzwegen of verdoezeld. Ook de naakte waarheid moeten we onder ogen zien.

17.000 jaar

Woensdag 6 september, Cadouin

 

Ik voer op een boot op de Groenlandzee toen ik voor het eerst een walvis zag. Opeens doemde dat enorme lichaam op uit het zwarte water. De tranen sprongen in mijn ogen van de schoonheid van het dier en het feit dat ik dat zo ver van huis mocht meemaken. En het was niet alleen de schoonheid, ik voelde op dat moment een enorme verbondenheid met de natuur. De walvis in het water, ik op een klein bootje, het wonder van het leven, dat het bestaat in dat enorme lege heelal, de kwetsbaarheid, dat soort gedachten.

Hetzelfde gevoel overviel mij gisteren toen ik in Les Eyzies door Grotte de Font-de-Gaume liep en de gids voor de eerste keer haar licht richtte op een bizon, 17.000 jaar geleden getekend. Het was de eerste keer dat ik een grottekening zag. Dichterbij de prehistorie, het begin van de menselijke geschiedenis, kan ik niet komen. En daarenboven, de schoonheid van de bizon, niet primitief, maar met zekere hand op de rotswand getekend/gekrast, met pigment kleur gegeven.

We lopen verder de grot in, soms moeten we bukken, onze gids toont ons paarden, geometrische figuren, een wolf, een beer. We zijn inmiddels ver van het daglicht, waarom kroop iemand 17.000 jaar geleden zo diep een grot in om te tekenen?

Er is geen antwoord op deze vraag. Er zijn diverse theorieën over. Was het uit religieuze overwegingen? Uit rituele overwegingen? Of was het gewoon omdat de kunstenaar hield van het werk, kijk ik naar de eerste autonome kunst? Dat laatste is mijn mogelijke theorie en zal niet snel door historici worden overgenomen. Kon iemand 17.000 jaar geleden autonoom zijn? Als het om de prehistorie gaat denken we in gemeenschappen, aan samen jagen, rituelen. Maar iemand uit die gemeenschap was toch zo gedreven om diep een grot in te kruipen en daar met vaste hand zijn dieren te tekenen. Er zijn hier geen afbeeldingen van mensen.

Het is het geluk van mij en Wyb dat Peter en Bernadette bij ons zijn. Zij zijn al decennia lang geïnteresseerd in de prehistorie en hebben dertig jaar geleden al deze grot bezocht, zoals ze alle grotten in de Dordogne hebben bezocht. Peter was lang amateur-archeolog. Hij vertelt ons over de technieken die we zien, de theorieën die de ronde doen. Door hen kruipen wij nu diep de aarde in en ontmoeten we de millennia oude kunst. Het aantal bezoekers dat de grot in mag is zeer beperkt en moet lang van tevoren worden vastgelegd.

Dat laatste geldt ook voor de volgende grot die we bezoeken, Les Combarelles, nauwelijks twee kilometer van de Font-de-Gaume afgelegen. Hier geen pigment, hier vooral krassen in de rots en gebruikmaken van de vorm van de rotswand. Maar weer is er die geoefende tekenhand die de dieren vastlegt, hier zowaar wat mensen, een vulva zelfs. De grot Les Combarelles heeft veel weg van zo’n schetsboek dat een schilder altijd bij de hand heeft. Soms een paar aanzetten, dan weer het uitwerken van een tekening.

Ik ben mij altijd bewust dat wij wonen in het gebied in Europa waar de eerste mensen woonden. Dat bewustzijn wordt vandaag wel heel manifest. Er zijn nog veel andere grotten die wij kunnen bezoeken, en dan bedoel ik niet de grotten waar je met treintjes inrijdt en waar spectaculaire lichtshows zijn. Wij zijn alleen geïnteresseerd in de grotten waar de kunst van de eerste mens wordt geconserveerd. Met dank aan Peter en Bernadette.

 

Privéleraar

Dinsdag 5 september, Cadouin

 

Ik heb vandaag voor het eerst sinds veertig jaar weer onderwijs genoten. Ik voelde dezelfde weerstand als altijd wanneer ik met onderwijs heb te maken. Het is een Pavlov-effect, onderwijs betekent voor mij weerstand, geen idee waar het vandaan kwam.

Ik weet nog dat ik zo blij was dat ik de lerarenopleiding had afgerond: eindelijk geen onderwijs meer. Een aantal vrienden studeerde door, ik moest er niet aan denken. Gelukkig heb ik dat ook nooit gemist, bijzonder, omdat zelfs van dat leraarschap nooit iets is gekomen. Ik stroomde na drie maanden onderwijs de culturele sector in en werd daardoor in feite ongeschoold, want zoals zovelen in die tijd had ik er geen opleiding voor genoten. Ik noemde mij daarom Professor of the University of the Street. Ik had het vak letterlijk op straat geleerd als organisator van straattheaterfestivals en dergelijke.

Dat stromen ging lekker en ik liet mij altijd gewillig met de stroom meevoeren, soms hier en daar wat bijsturen, een dammetje leggen of een extra omleidinkje aanleggen. Al die veertig jaar heb ik eigenlijk geen opleiding gemist. Als ik kennis tekort kwam, las ik een boek, sprak met mensen of ging naar een symposium. Ik heb het ernstige vermoeden, ik ga nu vloeken in de kerk, dat opleidingen in Nederland zwaar worden overschat.

Zo zie ik met verbazing hoe het vak wiskunde altijd wordt overschat. Mijn dochter, die aan discalculie lijdt, heeft daar veel last van gehad. Omdat ze door haar ‘handicap’ totaal niets van wiskunde bakte, heeft ze uiteindelijk met een enorme omweg de school voor journalistiek afgerond. En nu is ze een bekwaam journalist. Waarom heeft ze moeten lijden voor die onnodige wiskunde?
Het geldt ook voor mijzelf. Wat heb ik die wiskunde vervloekt, maar ja, het was zo nuttig, beweerde men. In al die veertig jaar heb ik er totaal niets aan gehad. Vier jaar lang heeft men mij gevoed met volledig onnodige kennis. Natuurlijk is wiskunde belangrijk voor mensen die ermee gaan werken, maar het gros doet er geen donder mee. Onderwijspolitiek, je wordt bedankt, je hebt er gewoon een selectiemiddel van gemaakt.

Het was onzin dat ik vandaag weerstand voelde. Ik ging namelijk naar een privéleraar Frans, eerste les. Aardige man, zeer informeel onderwijs. Uiteindelijk heb ik maar besloten een professional in te schakelen. Ik kom veel te langzaam vooruit met dat Frans, vind ik. Iedereen denkt dat als je in Frankrijk woont snel Frans zult leren. Maar ik kom eigenlijk verrekte weinig mensen tegen waar ik Frans mee spreek. Natuurlijk spreek ik in winkels Frans, maar dat zijn simpele zinnen waar ik mij wel mee red, maar een goed gesprek voeren, dat doe ik eigenlijk niet. Alle mensen die ik spreek schakelen al snel over naar het Engels, of spreken Nederlands.

Dat ik zo laat met dat Frans begon, is volledig mijn eigen schuld. Maar die schuld komt mede door de vrouwen waarmee ik in Frankrijk ben geweest. Lies sprak goed Frans en deed altijd het woord. Wyb spreekt heel goed Frans en knapt alle bureaucratische en lastige Franse zaken op. Zonder Wyb ben ik hier een hulpeloos wezen. 
Ik dacht altijd: als het echt moet dan leer ik gewoon snel Frans. Totale zelfoverschatting, dat Frans is een weerbarstige taal waarvan de sprekers zich niets gelegen liggen aan buitenlanders. Ze praten uitermate snel en smeren alle woorden behendig aan elkaar. Het lijkt meer op een klanktaal dan een taal met aparte woorden. Zucht, wat een opgave.

Eindarchief

Zondag 3 september, Cadouin

 

Hoe we er op komen weet ik niet. Maar op een gegeven moment hebben Esmee en ik het over het foto-album van mijn ome Ton en Tante Truus. Ik heb het foto-album bij de dood van ome Ton geërfd, tante Truus was toen al lang overleden. Het is een mooi album, het geeft een prachtig beeld van de jaren vijftig en zestig met de zwart-wit foto’s van die tijd, vermoedelijk gemaakt met het populaire fototoestel van die tijd de Agfa Clack. Ik heb er nog een in mijn bezit.

Ik verwoord tegen Esmee mijn dilemma ten aanzien van het album: het probleem is, wat doe ik ermee? De foto’s worden bevolkt door mensen die ik niet ken, waarvan totaal niet meer te achterhalen is waarom ze op die foto’s staan. Buiten dat mijn oom en tante er veelvuldig opstaan, heb ik met het album verder geen connectie.
‘Ja, maar je moet het niet weggooien, hoor,’ zegt Esmee.
Daar hoeft ze vooralsnog niet bang voor te zijn. Op het ogenblik is het album bij Ineke, mijn Nicht. Toen ik het haar gaf, vond ze het prachtig. Ze was er veel enthousiaster over dan ik. Ik was blij met haar reactie, want mogelijk vindt het album zo toch een betere bestemming.

‘Maar ik heb het al bij al die foto’s van oma,’ beken ik tegen Esmee. ‘Ik heb zoveel foto’s, albums na haar overlijden gekregen en ik kijk er nooit naar.’ 
Ja, maar die ga je zeker niet weggooien,’ zegt Esmee, bij voorbaat verontwaardigd over het idee alleen al.

‘Maar goed, dadelijk ben ik dood en dan erf jij de helft van al die foto’s. De meeste mensen die erop staan ken ik nog wel, maar jij zeker niet. Dan worden de foto’s van oma voor jou wat het album van ome Ton voor mij is.’
‘Ik wil die foto’s van oma echt hebben.’
‘En dan komen ze bij jou op zolder te staan. Als je nog eens gaat verhuizen, en de doos met foto’s van oma ziet, zul je zeker even aan haar denken. Dat is mooi. Maar nou denken we even verder. Dadelijk overlijd jij en dan krijgen Malu en Joris de foto’s van oma. Ze hebben oma nooit gekend, laat staan dat ze iemand kennen die op die foto’s staat. Nou ja, mij zullen ze herkennen, maar ze erven ook nog eens míj́n foto-archief, en dat is een enorme hoeveelheid, en ze erven jouw foto-archief. Al die herinneringen vullen een halve zolder. Dan moeten zij een beslissing nemen: weggooien of niet.’

‘Ja, wat erg eigenlijk, hè, als je dat zo schetst.’
‘Och, Mees, zo gaat het, c’est la vie.’
‘Maar je gaat niets weggooien.’
‘Nee, ik zal niets weggooien,’ beloof ik haar.

Maar ik ben wel benieuwd wanneer en door wie de foto’s van mijn moeder zullen sneuvelen en wanneer mijn foto’s het eindarchief ingaan.’

Jagersstoelen

Donderdag 31 augustus

 

Er zijn diverse redenen om de eenzaamheid van het Franse platteland op te zoeken. Een daarvan is toch wel dat je verschoond hoopt te blijven van hufters. Als ik weer zo’n klootzak bij een afrit een zak van McDonalds uit het raam zie gooien dan kook ik. Vroeger zou ik hebben getoeterd en naar mijn voorhoofd hebben gewezen, maar bij hufters moet je oppassen is mijn ervaring. Dat soort schuwt de confrontatie niet. En het is nu te laat voor me om op vechtsport te gaan. Als ik jong was dan wist ik het wel. Ik zou gaan kickboksen en een plaag voor hufters zijn.

Wij woonden in Groningen in een fijne wijk. Maar aan de rand van de wijk, de grens tussen onze wijk en het centrum loopt de Westersingel. De Westersingel is een straat van, ik schat, driehonderd meter lang en de hufter vindt dat een ideale plek om het gaspedaal van zijn pats auto tot op de bodem in te drukken en de uitlaat lekker te laten knallen. Dat er veel fietsers rijden, maakt de hufter niet uit. Fietsers zijn losers, de hufter denkt alleen aan zichzelf. Wat dat betreft leeft hij in een ideale samenleving. Laissez-fair, laissez passer, volgens de beste liberale traditie.

Diverse keren had ik de neiging om op een hoek te staan. En als zo’n hufter dan scheurend langskwam een lekkere dikke kiezel tegen zijn gouden kalf te gooien. Pats. De hufter schrikt zich te pletter, gaat op de rem staan, en schiet naar buiten om te kijken hoe erg zijn gepimpte auto is beschadigd. Ik ben dan al lang weggerend. Maar helaas. Ik ben te vaak een nette en bange burgerman. Die kiezel is nooit gegooid.

Ik schreef: ‘hoopt verschoond te blijven van hufters’. Het is me niet gelukt. Zelfs hier, diep in de bossen van de Dordogne, vind je de hufter, al openbaart hij zich in een andere gedaante. 
Gisteren ging ik wandelen in het door mij zo geliefde bos. Het fijne van het bos, het is uitgestrekt, ik kom nooit iemand tegen, er heerst rust, vrede en stilte. Maar ik kan het vergeten. De hufter maakt zich op om te gaan knallen.

Ondanks de schoonheid van mijn geliefde bos staan op diverse grote paden om de honderd meter van die houten stellages waar jagers tijdens de jacht op gaan zitten. Laat ik ze jagersstoelen noemen. Die jagers zitten daar te wachten tot het wild het bos uitrent, opgejaagd door drijvers. Een laffere manier om dieren te doden is niet mogelijk.

Maar goed, ik wandel sinds een week weer door mijn geliefde bos en dan zie ik dat een gek met traktor en maaier aan de gang is geweest. De prachtige randen van het bos zijn voor een groot deel weggemaaid. De paden zijn allemaal vier meter breder geworden. Mijn bos is verminkt.

Rond de jagersstoelen heeft de gek al maaiende kale inhammen gemaakt. Waarom? Omdat de jager vrij zicht heeft en nog makkelijker het opgejaagde dier kan schieten. Het bos is klaargemaakt voor de jacht die over een paar weken gaat beginnen. En als de Fransman gaat jagen doet hij dat met een intensiteit die op oorlogsvoeren lijkt. Mijd het bos, want elk jaar worden vele mensen en honden per ongeluk doodgeschoten. Gelukkig schieten ze elkaar ook wel eens overhoop.

Mij overvalt dezelfde woede als bij die hufters op de Westersingel. Ik neem mij voor alle jagersstoelen om te zagen. Ik zal ze leren, die hufters. Maar net als met die kiezelstenen zal ik ook deze verzetsdaad vermoedelijk niet uitvoeren. Machteloos wandel ik door mijn geliefde bos.

Jagersstoelen. Ze staan er klaar voor, hele batterijen. Mijn geliefde bos is omsingeld door die dingen. Normaal verstopt in het groen, nu van het groen ontdaan: klaar om te knallen.

Pasfoto

Woensdag 30 augustus

 

Een pasfoto (zie onder). Niets bijzonders, zou je denken. Deze pasfoto wel, ik heb er honderden kilometers voor moeten reizen. In de Dordogne lukte het me niet om een pasfoto te maken. Eerst naar Bergerac, geen fotograaf te bekennen. Daarna naar Le Bugue, foto-automaat kapot. Op vrijdagochtend had ik een afspraak bij de Nederlandse ambassade, op donderdag had ik nog geen pasfoto.

Gelukkig deed Henk de suggestie dat ik eens op de site van de Franse ambassade moest kijken. Hij kon zich goed voorstellen dat daar fotografen opstonden, vooral omdat elke pasfoto tegenwoordig aan een uitgebreid biometrisch protocol moet voldoen. Als Hitler weer aan de macht komt, zijn we lekker makkelijk op te sporen. Het is de reden dat Frankrijk geen bevolkingsregister heeft. In moeilijke tijden moet een mens kunnen ontsnappen, vinden ze in Frankrijk. Hier is de rekening van het energiebedrijf het bewijs dat je ingezetene bent. Ontsnappen is in Nederland niet meer mogelijk. Wij zijn volledig in kaart gebracht. En het maakt nogal verschil of Big Brother Omtzigt heet of Hitler.

Enfin, op de site vond ik het adres van een Parijse fotograaf. Het was vijf kilometer lopen van ons hotel, vandaar die wat rode kleur van mijn gezicht, het was best even doorlopen om op tijd te zijn. De foto voldoet aan alle biometrische eisen opdat ik in de toekomst goed te scannen ben. Ja, de wereld gaat er op vooruit, razzia’s kunnen efficiënt worden uitgevoerd.

Het was lang geleden dat ik op een pasfoto stond. Toen ik hem eenmaal ik handen had, hebben Wyb en ik hem uitvoerig bestudeerd. Vooral omdat Wyb zich zorgen maakte over een vieze, witte puist die op mijn kin zat en volgens haar de foto zou bederven. Op het resultaat is hij gelukkig niet te zien.

Wat ik zie is een oude man die een beetje wezenloos kijkt. Als ik echt kijk, ziet mijn ik er anders uit. Ik kijk verkrampt naar de lens, dit omdat de onaardige mevrouw die mij hielp steeds zei dat ik naar dat punt moest kijken. ‘Nee, meneer, ik bedoel de lens.’
Verder valt me op dat ik ongeschoren ben. Komt omdat ik vergeten was mijn scheerzeep en -kwast mee naar Parijs te brengen. 
En verder die kaalheid. Ooit zat aan die kop ongelooflijk veel haar, lang haar met pijpenkrullen. Nu zie ik haar dat zich steeds verder terugtrekt. Ik kan nog net de illusie van een totaal bedekt hoofd in stand houden. Wie goed kijkt, en vooral van bovenop, weet dat dit inmiddels een verloren illusie is. 
Gelukkig ben ik twee dagen daarvoor naar de kapper in Le Buisson de Cadouin geweest. Had ik dat niet gedaan dan had ik op de foto het gezicht van een zwerver gehad. Ik ben net op tijd gefatsoeneerd.

Als ik de foto’s in mijn hand hou, vraag ik me af hoeveel pasfoto’s ik nog moet laten maken. Met andere woorden, hoe lang houdt die kop, met dat lijf, het nog vol. Dat wordt toch steeds spannender als ik naar de overlijdensadvertenties in de Volkskrant en NRC kijk.

Vijgen

Dinsdag 29 augustus, Cadouin

 

Ik vind het leuk om de was te doen. Ik heb er nooit een hekel aan gehad. Maar sinds ik in hier in de Dordogne woon, vind ik het ronduit leuk. Dat komt vooral omdat ik na het wassen, een fluitje van een cent, de machine doet het werk, de was kan ophangen.

Achter ons huis is een klein stukje grond waar een waslijn hangt. Het is een beetje een aftandse plek omdat de muur van het eerste terras van onze grond half is ingestort. Hier en daar liggen grote stenen. Soms vul ik een muur waarvan ik vrees dat hij kan instorten op met een van deze stenen.

Het stukje grond is een wereldje op zich. Als ik daar sta, kan niemand mij zien. Aan de ene kant is er dus die half ingestorte muur en andere kant is een muur van vijgenbomen. Zeker in deze tijd is het, zoals ik net heb gedaan, heerlijk om de was op te hangen. Want die muur van vijg hangt nu vol met vijgen.

Het is een soort snoepmuur. Ik kan het niet laten om keer op keer tijdens het ophangen een vijg in mijn mond te steken. Ik vind die dingen heerlijk. Ze zijn rond deze tijd zo rijp dat ze letterlijk uit hun schil knappen. Ze barsten van vruchtbaarheid, en dat gaat heel snel. Als ik me het goed herinner was dat vorig jaar niet het geval, toen bleven ze veel langer die mooie blauw, rode kleur houden zonder te scheuren.

Het fijne van het stukje grond is dat er verder niemand komt. Je moet helemaal achter ons huis langs om er te komen. Het pad ernaartoe is trouwens speciaal, het is een pad dat vrijwel niemand heeft. Het is een soort betonnen goot. De smalle goot ligt tussen ons huis en de berg in en is bedoeld om het water van de berg op te vangen. Tot nu toe heeft die goot weinig nut, hij wordt soms wel wat vochtig, maar om er nou een speciale goot voor aan te leggen, de berg weet zelf wel raad met regen. In ieder geval is het wel een mooie egale weg naar de waslijn en de vijgen.

Op het stukje grond staan ook nog een tafel en twee stoelen. We hebben ze gekocht voor ons kleine balkonnetje in Den Bosch, in Dwingeloo stonden ze achter in de tuin bij de vijver en in Groningen op ons dakterras. Nu staan ze ogenschijnlijk nutteloos op dat stukje grond, schots en scheef, want het stukje grond is verre van egaal. Maar nutteloos zijn de tafel en de stoelen niet.

Soms, als ik de was heb opgehangen, ga ik even op een van de stoelen zitten. Zomaar zitten. De wereld lijkt ver weg. Als ik te veel was heb, vormen tafel en stoelen mijn extra wasrek.
Ik overweeg van onze berg een eetbos te maken, maar dat zal er wel niet van komen. Ik hang tegenwoordig zo aan niets doen. Ik heb geen enkele zin meer in een groot project. Die vijgen zijn genoeg.

 

Sneupen

Maandag 28 augustus, Cadouin

 

We komen in Parijs uit de parkeergarage in Rue Soufflot en meteen sta ik voor een boekhandel. Ik beschouw het als een goed teken. De daaropvolgende dagen hebben we heel wat stappen gelopen, Op mijn iPhone zag ik 23.000 stappen, 25.000 stappen, we hebben heel wat straten gezien. Als me één ding heeft verbaasd is het de ongelooflijke hoeveelheid boekhandels die we tegenkwamen. Niet gek, want in totaal zijn er alleen al in Parijs 700 boekwinkels, lees: 700.

En dan geen halfwas Bruna- kwaliteit, nee, echte boekhandels, winkels met een mooi en groot assortiment die het risico niet mijden. Er zijn natuurlijk specialistische boekhandels in deze universiteitsstad, zo zag ik een juridische boekhandel en een boekhandel gespecialiseerd in architectuur. Naast de boekhandels zijn er vele, ik mag wel zeggen, heel veel antiquarische boekhandels. En dan heb ik het nog niet gehad over de bouquinistes die hun stalletjes langs de Seine hebben. Nog niet zo lang geleden waren het er 250 en samen hadden ze zo’n half miljoen boeken in de aanbieding.

Ik stond versteld van het fantastische aanbod. En meteen drong de vraag op: waarom hebben wij dat niet in Nederland? Er zijn, denk ik, diverse redenen. Op de eerste plaats de voorbeeldfunctie. Bij de afkondiging van de lockdown sloot president Macron af met de woorden dat iedereen vooral van de gelegenheid gebruik moest maken om veel te lezen en te genieten van de Franse cultuur. Kom daar in Nederland eens om. Veel Franse presidenten en ministers van de afgelopen jaren waren zelf schrijver en hartstochtelijk lezer, wat ze niet onder stoelen of banken staken.

Op de tweede plaats is het lezen, het boek, de literatuur diep verankerd in de Franse cultuur. Er wordt veel gelezen, wanneer zie je nou iemand in Nederland met een boek in een park of een bus zitten? Hier hoort het gewoon bij het straatbeeld.
Een andere belangrijke reden is: subsidie. Wie wil verbouwen, de kwaliteit van zijn winkel verhogen, die kan subsidie aanvragen. Wie zich aansluit bij het Syndicat de la Librairie Française, de belangenvereniging van de betere boekhandel, kan allerlei belastingvoordelen tegemoet zien.

De vierde plaats waarom wij dat fantastische aanbod niet hebben, is omdat het aanbod er niet meer is. Vroeger wisten wij al in het theater dat het aanbod ook de vraag schept. Ik weet nog de tijd dat in Nijmegen zeven, acht boekhandels waren. Ik zwierf door de stad van boekhandel naar boekhandel. Een boekhandel was een markeringspunt in een verder oninteressant winkelbestand. Nu is alleen nog het oninteressante winkelaanbod overgebleven: Kruitvat, H&M, Etos, Subway, Blokker, moordend saai. Voor het boekenaanbod moet je op internet zijn, ook al dodelijk efficiënt saai.

Ik neem mij voor nog meer haast te maken met mijn kennis van de Franse taal. Ik wil verdomme net zo als die Fransen kunnen sneupen door de boekwinkels, ik wil die boeken ook kunnen lezen.

Zomerstad

Zondag 27 augustus, Cadouin

 

Als je, zoals ik, in de Dordogne woont, heb je best kans om een beetje wereldvreemd te worden. Ik bedacht het toen we donderdag Parijs in reden en op de periferique een bord zagen met de tekst: ‘U nadert een milieuzone’. Een paar honderd meter later hing er een batterij camera’s boven de weg en beging ik vermoedelijk mijn eerste milieuovertreding, gezien mijn Volvo diesel uit 2013. Ben benieuwd wat zo’n overtreding kost.

Ik dacht dat milieuzones iets van Rotterdam waren, ik had er geen idee van dat het fenomeen al tot Parijs was doorgedrongen. In de Dordogne is het centraal gezag ver weg. Er is in deze regio één politieagent. Ik zie hem alleen wel eens op het muurtje van ons weggetje zitten als hij een overtreder op het rijden tegen inrichtingsverkeer probeert te betrappen. Maar aangezien er dagelijks slechts zes auto’s over ons weggetje rijden, zit hij daar vaak uren tevergeefs. Ook wel opmerkelijk, hij zit daar dan met een jong ventje. Een agent in opleiding? Of zou het zijn zoon zijn?

Om die mogelijke wereldvreemdheid enigszins te bestrijden was het goed naar Parijs te gaan. Ik kreeg er toch weer een stoot menselijke vreugde van. Het stomme is dat zowel Wyb als ik nooit in de zomer in Parijs zijn geweest. En dat is dom, want, zo merkten wij, Parijs is bij uitstek een zomerstad. De terrassen, de parken, de mannen, de vrouwen, alles is in volle bloei.

Wij zaten vlak bij Jardin de Luxembourg, ik keek mijn ogen uit. Wat een prachtig park. Wyb en ik zagen tot onze vreugde dat honden aangelijnd het park in mochten. Fijn voor Dies. Maar halverwege kwam een buitengewoon beschaafde en vriendelijke jongen naar ons toe. ‘Wij hopen dat u geniet van het park, maar waar u nu loopt is het verboden voor honden.’ ‘Wij zagen bij de ingang dat honden aangelijnd naar binnen mochten.’ ‘Dat klopt, maar wel beperkt tot een bepaalde zone.’ Hij geeft ons een foldertje en legt omstandig uit waar wij mogen lopen. Opgewekt nemen we afscheid van elkaar. Onwillekeurig moet ik aan onze BOA’s denken, die in gevechtstenue streng lopen te doen en die ik nog nooit anders dan heb horen snauwen.

Op de paden staan het hele park door charmante groene stoeltjes, vrij voor gebruik. Het verbaast me dat ze er staan. In Groningen hadden al die stoeltjes al lang hun weg gevonden naar de vele studentenkamers. Jardin de Luxembourg heet niet voor niets Jardin. Een vergelijking met het Noorderplantsoen dient zich natuurlijk meteen bij me aan. In het Noorderplantsoen lopen de hele dag gemeentewerkers blad van het gazon te blazen. Een enorme herrie die resulteert in een triest berg blad. Hier lopen tuinmannen liefdevol de bomen en de planten te verzorgen. Het is een ongekend tuinfeest, kosten noch moeite spelen een rol, het is een waar tuinfeest. Zo te zien hebben ze het zelfs voor elkaar gekregen dat er überhaupt geen blad van bomen valt.

Doel van ons Parijs uitje was een nieuw paspoort voor mij. In november gaan we naar India en daar willen ze dat een paspoort een half jaar nadat je India bent geweest nog geldig is, en mijn paspoort voldeed niet aan die eis.
Wyb en ik staan voor de ambassade. Misschien omdat ik een grote fantasie heb, maar tegenwoordig kan ik geen ambassade meer zien, laat staan ingaan, zonder aan Jamal Ahmad Khashoggi te denken. Hij was een Saoedi-Arabisch journalist en columnist voor The Washington Post. Toen hij in Turkije naar het consulaat van zijn vaderland ging, werd hij in stukken gesneden terwijl zijn vriendin buiten stond te wachten.
Daarom zeg ik voor de zekerheid tegen Wyb, die buiten moet blijven door Dies: ‘Als het lang duurt moet je de politie maar bellen. Je weet het nooit in ambassades, ze kunnen je zomaar in stukken snijden.’

Natuurlijk werd ik allerliefst ontvangen. Ik moet dergelijke macabere gedachten gewoon niet toelaten.

Misschien een puntje voor de Partij voor de Dieren, waarom mogen honden geen ambassade in?

Dineren in Jardin de Luxembourg. Hier met wit damast en champagnekoeler in een afgelegen hoekje van de Jardin. Nog een verschilletje met het Noorderplantsoen. Daar betekent dineren lappen vlees op een vuurtje gooien en een gettoblaster erbij.

Dolce far niente

Woensdag 23 augustus, Cadouin

 

 

Eerste belangrijke mededeling. Morgen vluchten wij naar Parijs. Wij blijven daar tot en met zaterdag. Ik neem mijn computer mee, maar Dossiermoddergat heeft geen prioriteit. Het kan best dat ik na een copieuze maaltijd voor pampus in mijn hotel terugkeer en dan kan de lezer fluiten naar een blog. Maar mocht ik de geest krijgen, dan is dat mooi meegenomen.

Tweede belangrijke mededeling, zeker voor degenen die de redactie bezoeken. Sinds gisteren heeft de hoofdredacteur van Dossiermoddergat code rood afgekondigd. Dat wil zeggen dat het hitte protocol is ingegaan. Een verstandige beslissing van de hoofdredacteur want buiten meten wij inmiddels temperaturen van 38, 39 graden. Niet leuk. De Censor stapte zojuist in de auto en riep vanuit een open autoraam: ’47 graden!’ Niet gek, want de auto stond pal in de zon.

Inmiddels is voor zo’n twintig Franse departementen code rood afgekondigd. De Dordogne zit daar niet bij. Vermoedelijk omdat we de 40 graden net niet aantikken en het ’s avonds aangenaam afkoelt. De hoofdredacteur is gelukkig doortastender, hier heerst het hitteprotocol dus wel.

Dat betekent dat de redactie zich terugtrekt in het hoofdkantoor en het werk tot een minimum wordt beperkt. Niks geen redactieruimte op de veranda. Binnen zijn er twee save rooms, twee koele kamers die door een streng protocol koel worden gehouden: op tijd luiken dicht, deuren zoveel mogelijk dichthouden, pas in de avond ramen en luiken opendoen zodat er frisse lucht naar binnen kan stromen. Verder geven wij ons over aan dolce far niente, de heerlijke kunst van het niets doen. De enige zorg die ik nog heb, is elke dag een blogje schrijven. Verder heb ik 23,5 uur per etmaal om daarover na te denken. Wat een fantastisch leven.

Dies heeft zich totaal aan mijn bestaan aangepast. Hij weigert met deze temperatuur een stap buiten te zetten. Hij weet ook wel dat buiten het gevaar dreigt: uitputting, uitdroging, de dood. Hij blijft lekker binnen tot rond 10 uur ’s avonds de verfrissing komt.

Ik weet mij een gelukkig mens. Ik weet hoe de mensen zich voelen die in die twintig departementen wonen waar de canicule rücksichtlos tekeer gaat. Dag en nacht, nooit verfrissing, je wordt uitgewrongen, langzaam perst de hitte alle energie uit je. In de Cevennen heb ik twee jaar zo geleefd, in dit soort dagen is het de hel. God, wat verlangde ik dan naar Moddergat, op de dijk zitten, uitkijken over het verfrissende wad, het zwoele briesje dat je volmaakt gelukkig maakt. Ik kon er alleen maar van dromen.

Goed, mijn dagelijkse plicht zit erop. Ik ga nu naar die documentaire over Matthijs Röling kijken. Daarna nog even lezen, middagdutje, een salade maken, wijntje inschenken, wachten tot De Censor weer thuis komt, genieten van de koelte op de veranda, daarna naar bed, raam open, met uitzicht op de sterrenhemel. Dolce far niente, wachten op, ja, op wat eigenlijk? Morgen vluchten naar Parijs. Dank aan de hoofdredacteur voor zijn hitte protocol.

Konijn

Dinsdag 22 augustus, Cadouin

 

Hij doet het! Dat is fijn voor ons, stel dat hij het niet deed, dan hadden we deze verkiezingen geen hype. De kiezers in dit land zijn, net als verwende kinderen, altijd weer opzoek naar iets nieuws, nieuwe cadeautjes, nieuwe prikkels. Pieter Omtzigt is die nieuwe hype.

Hij is de laatste in een lange rij. Om ze even op een rijtje te zetten: Pim Fortuyn, Geert Wilders, Thierry Baudet, daar tussendoor fladderde nog ene Henk Krol, Caroline van der Plas. Het is toch eigenlijk een carnavalesk rijtje. Pim Fortuyn, gefrustreerd politicus en ongeleid projectiel. Geert Wilders, het vleesgeworden chagrijn. Thierry Baudet, met één groot liefdesbetoon aan zichzelf. Henk Krol, een valse keeshond. De laatste keer gaven we onze stem gewoon weg aan een ordinaire vlees lobbyiste omdat ze zo lekker gewoon aan de talkshow tafels meedoet.

En nu duiken we op Nederlands hoop in bange dagen, Pieter Omtzigt, de speen die de kiezers in 2023 zoet gaat houden. Toch heb ik hem even niet in dat rijtje wierdo’s gezet. Want misschien is er toch een trendbreuk. Het is bemoedigend dat Omtzigt het voor zijn populariteit niet zoekt in extreme standpunten. Integendeel, Pieter Omtzigt ontleent zijn populariteit aan zijn degelijkheid. Niks behaagziek, Omtzigt staat voor rationaliteit en eerlijkheid. Het is toch ongekend in Nederland dat iemand niet in de onderbuik gaat roeren om stemmen te trekken. Complimenten.

Het blijft natuurlijk raar dat iemand die geen teamspeler is, nog geen programma heeft, geen kandidaten kan presenteren, zelf geen premier wil worden en niet al te groot wil worden, meteen zoveel kiezers lijkt te trekken. Nou ja, de lezer weet ook wel dat ik daar niet meer van sta te kijken, de kiezer is een windbuil die met elke wind meewaait. Geef hem een nieuwe speen, ingedoopt in suiker of brandewijn en hij hobbelt weer naar de stembus. De zwakste schakel in een democratie is de kiezer. Zie hen elke keer maar weer te behagen. Altijd moet er weer een konijn uit de hoge hoed komen. Nou ja, er is altijd wel een konijn te vinden en een hoed kun je kopen, dat zie je wel aan BBB.

Omtzigt wil zelf geen premier worden, zijn partij mag niet te groot worden, vindt hij. Zijn partij heet Nieuw Sociaal Contract, de eerste partij waar geen marketingbureau aan te pas kwam. Ik vind het verfrissend, het neemt me voor hem in. En stel dat hij een stabiele, redelijke middenpartij kan opbouwen, het lijkt me een aantrekkelijk idee.

Maar ja, ik als oude vrijzinnig socialist denk nog altijd dat personen in de politiek belangrijk zijn, maar dat inhoud, ideologie, om eens een heel ouderwets woord te gebruiken, doorslaggevend is. Als je dat vindt, ga je niet zweven. Maar goed, de tijd dat ik daarin veel medestanders had ligt ver achter me. Tegenwoordig zweeft iedereen als een gek in het rond. Wedden dat ze een keer met een klap tegen een raam vliegen van een of ander doorzonwoning?

Fotoautomaat

Maandag 21 augustus, Cadouin

 

Toen ik vorige maand in Saint-Hippolyte-du-Fort was, schrok ik dat het fotozaakje op de hoek van ons oude straatje was gesloten. Jammer, want ik vond het heerlijk zo’n zaakje op de hoek, vooral omdat hij prima afdruk apparatuur had. Er stonden altijd mensen in zijn zaakje, wat ik opmerkelijk vond want in Nederland heeft een grote sanering plaatsgevonden in de fotobranche. Al die vroegere fotozaken: verdwenen. De fotohandel is in Nederland inmiddels totaal gedigitaliseerd. Het verbaast me niet helemaal dat hij moest stoppen. Ik kreeg de mooiste afdrukken voor nog niet de helft voor wat ik in Nederland betaalde. Ik vroeg me toen al af of hij het vol zou houden.

Op Facebook zie ik dat de oud-eigenaar van Maripix, zoals het fotozaakje heette, nu medewerker is van het plaatselijke zijde museum. Ik zie hem staan op een foto tussen andere medewerkers van het museum. Het moet voor hem een enorme verandering zijn, altijd zelfstandig geweest en nu onderdeel van een organisatie. Ik weet zeker dat het museum, waar Wyb en ik nooit zijn geweest in de tijd dat we er woonden, een prima medewerker aan hem heeft. Hij is een goede vent.

Wyb heeft deze week zowaar drie dagen vrij gekregen zodat wij naar Parijs kunnen. Op vrijdag heb ik daar een afspraak met de ambassade voor een nieuw paspoort. 655 kilometer rijden voor een nieuw paspoort, twee keer 5 uur en 45 minuten onderweg. Het was veel efficiënter om het vanuit Frankrijk op Schiphol te regelen en dan vanuit Bordeaux op en neer naar Nederland te vliegen om het paspoort op te halen. Dat is goedkoper en sneller. Maar ja, Parijs. Twee nachten Parijs, we zijn zo lang niet meer in Parijs geweest. Dat vonden we zo’n mooi vooruitzicht dat we de efficiency links lieten liggen.

Nu doemt het volgende probleem op. Vorige week waren we in Bergerac om grote boodschappen te doen. Kom, dacht ik, kunnen we meteen pasfoto’s laten maken voor mijn nieuwe paspoort. Wij zochten op google een fotozaak en google maps leidde ons er keurig heen. Zonder resultaat, want ook deze fotozaak bleek verdwenen. Er zat de zoveelste pizza zaak in.

Volgende vraag: waar kan ik in de Dordogne pasfoto’s laten maken? Wat blijkt, er staan wel fotografen vermeld op internet, maar die hebben geen fysieke winkel meer. Ze bieden zich aan voor trouwfoto’s en dergelijke. Voor pasfoto’s kun je alleen nog terecht in automaten, je weet wel, zo’n kast met een gordijntje ervoor. Hier en daar bij grote winkels staan die fotoautomaten, daar moet ik het meedoen.

De dichtstbijzijnde staat in Le Bugue, gelukkig de plaats waar wij sowieso onze boodschappen doen. En inderdaad, was mij nooit opgevallen, in ‘onze’ Intermarché staat een fotoautomaat. Ik haal opgelucht adem, komt het toch goed met die pasfoto’s. 
Ik ga in het hokje zitten en hou de creditcard voor het apparaat zodat hij in werking treedt. Helaas, geen werking. Op een scherm staat de boodschap dat hij kapot is. Oké, dit betekent dus dat ik mijn pasfoto’s ergens in Parijs moet gaan scoren. We zullen zien.

De conclusie is duidelijk: ook hier is de fotobranche fysiek volledig ter zielen. Alweer een branche verdwenen zonder dat er tractoren de weg opgingen, de boeren mogen er een voorbeeld aan nemen.

 

Rotarian

Zondag 20 augustus, Cadouin

 

Ik ben zo’n tien jaar lid geweest van de Rotary. Dat lidmaatschap kwam voort uit opportunistische redenen. Ik was lid omdat ik wist dat het goed was voor het theater waarvan ik directeur was. En dat bleek te kloppen, door de Rotary leerde ik mensen kennen die ik anders nooit had leren kennen, wat voor dat theater inderdaad veel voordelen opleverde. We bouwden in die tijd een nieuw theater dat alleen gerealiseerd kon worden door veel sponsorgeld binnen te harken, zoals wij dat noemden. Zonder mijn lidmaatschap van de Rotary was dat nooit gelukt, ik kreeg hierdoor ingangen en vertrouwen waardoor de hoge financiële targets zeker, mede, werden gehaald.

Verder bevestigde dat lidmaatschap alle vooroordelen die ik ten opzichten van de Rotary had. Ik vond het verschrikkelijk om elke maandagmiddag, of was het dinsdagmiddag, tien jaar lang met dezelfde dertig, veertig mensen te moeten lunchen. Er zaten buitengewoon aardige mensen bij waarmee ik graag optrok, maar de grootst gemene deler was toch het ophouden van een imago naar elkaar, van in het leven geslaagde mensen. Het is toch eigenlijk de vriendelijke en gemaskeerde versie van de apenrots. Door de club waar ik bij zat, werd dat zeker nog eens versterkt. Wij waren er namelijk van overtuigd dat onze club superieur was aan de andere clubs in Leeuwarden. Als je er echt bij wilde horen dan moest je lid zijn van onze club. De echt grote jongens zaten bij ons.

Zo’n lidmaatschap had tal van neven voordelen. Ons kent ons en ons helpt ons. Even eerder geholpen worden bij een specialist? Ik heb nog wel een vrindje… Oh, wil je verhuizen? Daar kan ik je wel bij helpen. Het leven werd er makkelijker door, ik voelde me daardoor zelfs meer beschermd en het lidmaatschap op zich verhoogde nog eens mijn status.

Wyb en ik komen hier in Frankrijk vaak Nederlanders tegen. Het komt regelmatig voor dat we elkaar aankijken en tegen elkaar zeggen: ‘Rotary.’ We horen het aan de manier van praten (te zelfbewust, hete aardappel), de manier van kleden en lopen. Een brok zelfingenomenheid en zelfverzekerdheid. Niemand wordt geboren met een Rotary-stem, neem ik aan. Ergens moet iemand zich dat hebben aangeleerd. Of vermoedelijk gaat het vanzelf, mensen vormen zich naar hun omgeving.

Ondanks al die voordelen liep ik er vaak gillend weg, mezelf vervloekend dat ik mij in de positie van Rotarian had gemanoeuvreerd. Wat een eenvormigheid, wat een geblaas, mannetjes en vrouwtjes die elkaar bevestigen in hun succes. Ik at vaker met die mannetjes en vrouwtjes dan met mijn eigen familie of vrienden. Ik werd iets wat ik niet wilde zijn. Ik werd politicus, manager, ritselaar, hoofd aap. Ondertussen droomde ik van andere dingen. Ik voelde mij een verdwaald mens.

Ik was begin veertig en ik weet nog dat ik tegen mezelf zei: ‘Je wordt een oude man.’ Een hogere maatschappelijke status had ik nog nooit gehad en zou ik niet krijgen. Ik was een Bekende Fries, het theater zag er puik uit en liep boven verwachting. Jacques Senf, de keizer onder de impresario’s, verzekerde mij keer op keer dat we tot de top drie van de Nederlandse theaters behoorde. Ondertussen zat ik op die zeldzame stille momenten achter mijn bureau en zei ik tegen mezelf: ‘Je bent verdwaald.’

Een paar jaar later legde ik er zelf een bom onder om voor de liefde te kiezen. Door die keuze vernietigde ik mijn status, werd ik van een Bekende Fries een Verfoeide Fries, stopte mijn imago als gevierd theaterdirecteur en eindigde als vanzelf mijn lidmaatschap van de Rotary.

Eindelijk kon ik weer gelukkig zijn. Leve de liefde.

P.S. Onder mijn beste vrienden zitten Rotarians, een op een vallen ze best wel mee, is mijn ervaring. Toch, Tjaart?

Jan van Nijlen

Zaterdag 19 augustus, Cadouin

 

Ooit van Jan van Nijlen gehoord? Ik vermoed van niet. Jan van Nijlen (1884-1965) mogen we een vergeten dichter noemen. Al decennia lang kom ik nergens zijn naam tegen. Zelfs zijn biografie (de wereld is zoo schoon waarvan wij droomen), die in 2005 uitkwam, heeft geen nieuw leven voor Van Nijlen gebracht. Op zich niet verwonderlijk, want de biografie, die ik aan het lezen ben, is nogal stijf geschreven en staat vol details die iemand uit Nederland geen bal interesseert. Jan van Nijlen is namelijk een Vlaams dichter en zijn biograaf, Stefan van den Bossche is ook een Vlaming, zijn biografie bewijst stilistisch en inhoudelijk dat Nederland en Vlaanderen toch nog meer verschillen dan wij denken.

Jan van Nijlen zou ik echter een volbloed Nederlands dichter willen noemen. Dat hij vergeten is, heeft hij vooral te danken aan het feit dat het literatuuronderwijs is afgeschaft, Nederland in cultureel opzicht een woestijn is, en dat hij de makke heeft dat hij, in onze ogen, een ouderwetse dichter is.

Ik twijfel voortdurend of ik wel door zal lezen. De biografie is zo’n zevenhonderd pagina’s dik en alle kennis die ik opdoe zal ik nooit met iemand kunnen delen. Ik heb nog nooit met iemand over Jan van Nijlen kunnen praten. Dat is jammer, want ik ben gek op zijn gedichten. Zijn verzameld werk kocht ik op 22 april 1985, heb ik op de eerste blanco pagina geschreven.

Dat ik het toen met veel plezier las, kan ik zien aan mijn categorisering systeem van gedichten. Een gedicht waar ik van geniet krijgt drie potloodstreepjes, wat ik mooi vind twee en de moeite waard een streepje. Er staan heel wat streepjes in de bundel. Tussen 1985 en nu heb ik het vaak uit de kast gehaald om hier en daar een gedicht te lezen. Jan van Nijlen is een vriend van mij geworden. Zijn verzameld werk is inmiddels vergeeld, maar dat past prima bij Jan van Nijlen, die hing aan oude dingen en herinneringen.

Waarom ik van zijn gedichten hou? Ondanks hun ouderwetsheid zijn ze helder geschreven. Ze zijn doordesemd van zelfrelativering, weemoed, heimwee, romantiek, verlangen en hij heeft de pest aan stijfheid en de burgerman. Hij komt uit een streng katholiek gezin waar hij zich nooit thuis voelde. Dat katholicisme heeft toch heel veel mensen kwaad gedaan. Is wel eens onderzocht of het kan worden aangemerkt als een criminele organisatie?

Niet dat ik de illusie heb dat iemand geïnteresseerd raakt in Jan van Nijlen, maar, bij wijze van kennismaking, wil ik toch een gedicht van hem laten zien. Ik geeft toe dat het een ietwat laffe keuze is, want het is uitgerekend het gedicht dat je nogal eens in een bloemlezing tegenkomt. Niet toevallig, het is een van zijn meest toegankelijke en vrolijke gedichten, die laatste vind je niet veel in zijn werk.

 

Bericht aan de reiziger

Bestijg den trein nooit zonder uw valies met dromen,

dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.

Zit rustig en geduldig naast het open raam:

gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.

Zoek in ’t verleden weer uw frisse kinderogen,

kijk nonchalant en scherp, droomrig en opgetogen.

Al wat ge groeien ziet op ’t zwarte voorjaarsland,

wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant.

Laat handelsreizigers over de filmcensuur

hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur.

Groet minzaam de stationschefs achter hun groene hekken,

want zonder hun signaal zou nooit één trein vertrekken.

En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente

van uw lust en hoop en duurbetaalde centen,

blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad

en ge ondervindt dat nooit een enkel uur te loor gaat.

En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord,

waarvan ge in uw bestaan den naam nooit hebt gehoord,

dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen

betekent voor de dolaars en de ware wijzen…

Wees vooral niet verbaasd dat, langs gewone bomen
,
een doodgewone trein u voert naar ’t hart van Rome.

 

De smaak te pakken? Goed dan, een kleintje nog, een kwatrijn.

 

De oude tuin

In de oude tuin, verdeeld in zon en lommer,
ploft weer een perzik in het hoge gras
tussen de ruige blaren der komkommer
als in de tijd dat ik een jongen was.

Canicule

Vrijdag 18 augustus, Cadouin

 

Wyb en ik komen het dorpsplein oplopen en worden verrast door geroezemoes en geschreeuw. Op ons dorpsplein zitten zo’n vierhonderd mensen aan lange tafels. Aan de randen van het plein staan de standjes met eten -canard, natuurlijk canard, overal in de Dordogne kun je canard eten, wat het patatje speciaal voor Nederland is, is canard voor de Dordogne, alleen wat duurder-, en natuurlijk de standjes met wijn, compleet gekoeld te verkrijgen. Er wordt door veel mensen wat verdiend vanavond.

En ik mag beslist de band niet vergeten. Leadzanger: Rod Stewart. Volgens Wyb is hij het niet, volgens mij wel. Als hij het niet is, is dit exemplaar gekloond, inclusief coup van het haar. Deze bejaarde Rod heeft wel de mooiste chick van alle groupies aan de haak geslagen. Een lange blonde dame met een rug die nooit eerder in het dorp is gezien, zo bloot, zo lang, haar ultra hoge hakken benadrukken de rug en haar welgevormde kont. Het dorp is verbluft, zo’n monument is hier nog nooit vertoond.

Zoals altijd op de marché gourmands, de eetmarkten, traditie in de Dordogne, speelt er een Engelse band. De marché’s vormen een gat in de markt voor de oudere rock ’n roller. En ze mogen er zijn, ze kennen hun repertoire en ze weten hoe ze het moeten spelen. Stones, Bowie, Doors, met evenveel power gespeeld als de oorspronkelijk uitvoerders. De eerste dansers melden zich schoorvoetend, daarna, drank, drank, meer drank, durven de anderen, de kinderen staan van begin af al op de dansvloer.

Het is ons dorpsplein zoals we het volstrekt niet kennen. In het toeristenseizoen ziet het er zes donderdagavonden zo uit. Over twee weken al, als de meeste toeristen weer thuis zitten, heerst er alle dagen een verpletterende rust op het plein. Er zijn nu drie extra restaurants in het dorp, alle drie sluiten over een paar weken. De pizzeria zal zijn openingstijden steeds meer verkorten. In januari en februari moeten we reizen als we in een restaurant willen eten. Cadouin gaat in slaapstand. Er wonen hier dan nog enkele tientallen permanente bewoners, ze groeten elkaar vriendelijk als ze elkaar eens tegenkomen.

Opmerkelijk vandaag op het plein: bijzonder weinig Nederlandsers. De eigenaren van campings en chambres d’hôtel klagen erover. Behalve dan op de camping van Wyb. Waarom zijn er zoveel minder? Inflatie? Bang dat het te warm zou zijn? Stom, want uitgerekend deze zomer had de Dordogne zijn ideale klimaat. Maar ik moet voorzichtig zijn: volgende week komt er een canicule aan. Ik gebruik nu even het Franse woord voor hittegolf omdat ik het zo’n mooi woord vind. Proef het maar eens op de tong: canicule, uit te spreken, canicuul.

Slangenverschrikker

Donderdag 17 augustus, Cadouin

 

Ik moet nodig de perceptie van ons huis herzien. Ik zie het gewoon als ons huis, bewoond door man, vrouw met hond, that’s it. Een huis dat op een berg staat. Dat wat buiten leeft, corrigeert mij echter. Ik denk dat ik het veeleer moet zien als een soort grot. Een grot die onderdeel is van de berg qua biotoop.

Vermoedelijk komt het omdat onze ramen altijd openstaan, zowel overdag als ’s avonds. Overdag zijn de ramen van onze slaapkamer en studeerkamer dicht, dit om altijd koele ruimtes te hebben. De ramen van de kamer en de badkamer staan dan meestal open. ’s Avonds is het andersom, dan doe ik de ramen van de slaapkamer en de studeerkamer open opdat er weer koudere lucht naar binnen kan.

En die openheid heeft gevolgen. Zo vloog op een avond vorige week een vleermuis naar binnen, de avonden daarop herhaalde zich dat. Wij zijn ontdekt als hol in een grot. De meeste mensen zouden er van schrikken, maar wij hebben ervaring met vleermuizen. In Saint-Hippolyte-du-Fort vlogen er regelmatig drie of vier vleermuizen in onze slaapkamer.

Je doet er niets tegen. Je kunt wapperen met een handdoek wat je wilt, vleermuizen zijn superieur als het op stuurmanskunst aan komt. Het enige dat ons restte was te gaan slapen terwijl die vleermuizen boven ons scheerden. ’s Ochtends waren ze altijd weg. Vandaar dat ik vorige week gelaten was, het zal wel, laat maar vliegen. Goede tactiek, de volgende dag is hij elke keer weer weg.

Wij wonen in het huis, maar met ons bewonen een stuk of vijftien (schatting) hagedissen ons huis. Zonder moeite verplaatsen ze zich langs de muren. Eergisteren deed ik ’s avonds het raam open in onze slaapkamer, zat er een hagedis in het raam. Ik wilde hem wegjagen omdat hij anders misschien de slaapkamer in zou rennen. Mijn verjagen had het tegenovergestelde effect, hij vluchtte inderdaad de slaapkamer in en nestelde zich tussen een hoopje kleren van Wyb. Ik doorzocht het hoopje, geen hagedis te bekennen.

Hij zit er nog steeds. Gisteren was ik aan het stofzuigen en met een snelle beweging had ik hem kunnen opzuigen. Ik kon dat echter niet over mijn hart verkrijgen, zo’n mooi beest. Zodoende delen wij nu al een paar dagen de slaapkamer met een hagedis.

Vanmorgen vloog een reuzenvlinder de kamer binnen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Hij dwarrelde door het huis alsof hij het kende. Wie weet komen hier al generaties lang vlinders in ons huis. Van harte welkom dacht ik. Zoveel schoonheid in een huis is altijd welkom. Door al die ervaringen in korte tijd kwam ik op de gedachte dat ons huis niet alleen van ons is. Het is van alle levende wezens die bij ons op de berg wonen.

Omdat de hele dag de boel openstaat ben ik wel bang dat er nog eens een slang het huis in kronkelt. Dat er op de berg slangen zitten is vrijwel zeker, zeggen de mensen die er verstand van hebben. Het is een geluk dat wij een hond hebben, zeggen ze ook, want daar moeten slangen niets van hebben. Daarom heeft Dies nu de officiële functie bij ons als slangenverschrikker.

 

Perseïden

Woensdag 16 augustus, Cadouin

 

We hebben alles klaar gezet. Onze campingstoelen die je helemaal in verticale stand kunt zetten zodat je heerlijk kunt liggen, onze lange broeken en jacks tegen de muggen. Eindelijk willen we die meteorenzwerm, de Perseïden, wel eens goed zien. Maar naarmate de avond vordert, krijgen we steeds meer slaap. Volgend jaar kunnen we die Perseïden ook nog wel zien.

Zo gaat het nou altijd. In alles wat zich ’s morgens heel vroeg of ’s avonds heel laat afspeelt ben ik slecht, behalve televisiekijken. Als vogelaar zou ik ’s ochtends natuurlijk vroeg moeten opstaan, dat is de meest vruchtbare periode voor de ornitholoog. Helaas, het lukt me niet. Het bed is in de ochtend zo lekker.

We besluiten de campingstoelen de campingstoelen te laten. Alleen nog even Dies uitlaten. We wandelen even ons volslagen donkere weggetje af. Soms komen we een das tegen, soms een ree. Dit keer, terwijl we in het volslagen donker lopen, zien we boven ons een snelle licht streep zich naar de aarde buigen. Een vallende ster zoal je ze bijna nooit ziet, zo helder. Het stomme is dat ik dan toch altijd een wens doe.

Het is zo mooi dat we toch besluiten onze posities in de tuin in te nemen. Door zoveel schoonheid word je klaarwakker. Lange broeken aan, jacks en we gaan liggen. We liggen nog niet of drie felle lichtstrepen, een links van ons, een in het midden en een rechts schieten in perfecte formatie boven ons hoofd richting de Middellandse Zee. Zoals bij vuurwerk kunnen wij een oh en ah niet onderdrukken. Dit is spektakel op hoog niveau. Vallende sterren die aan een soort synchroon zwemmen doen. Ze gaan volledig gelijk op, doven tegelijkertijd. Zouden ze in de ruimte al die miljarden jaren ook samen hebben gereisd? Wij zijn getuigen van de dood van een ruimte drieling.

Onze observatie van de ruimte beloofde veel. Maar we worden teleurgesteld. Er is opmerkelijk weinig beweging in de lucht. We zien nog zo’n zes magere vallende sterretjes. Zelfs vliegtuigen en satellieten laten het afweten. Een paar vallende sterren mis ik omdat ik al half lig te slapen.

Als je zo tuurt, kom je op rare gedachte. Ik zie nu een paar duizend sterren, een fractie van wat ik zou kunnen zien als we geen dampkring hadden. In feite is zo’n dampkring een wazige bril. Als ik die bril kon afzetten, zou ik nog dieper kunnen kijken in ons heelal en zag ik misschien wel iets van die bizarre hemelverschijnselen die de satellieten Hubble en James Web voor ons hebben geopenbaard. Elke foto van die satellieten benadrukt onze nietigheid.

Wyb en ik besluiten maar naar bed te gaan. Die Perseïden hebben ons teleurgesteld. We slapen meteen, maar worden halverwege de nacht gewekt door het spektakel op onze planeet. De Dordogne is nergens zo goed in als in onweer (nou ja, en foie gras natuurlijk). De natuurkrachten geven de aarde weer eens goed op haar donder. Regen geselt ons huis. Wij moeten Dies opvangen die door doodsangst verstijfd ligt te shaken. Vroeger had hij nergens last van, maar sinds die alcoholische klootzakken in het Noorderplantsoen een soort bom vlak achter hem gooide is hij panisch voor knallen.

Powercut

Dinsdag 15 augustus, Belvès

 

Stagnatie van Dossiermoddergat. Gisteren geen blog, vandaag alleen deze mededeling, oorzaak: noodweer, storm, slagregens, onweer, power cut. Overdag is het hier het mooiste weer, maar ’s nachts komen de spoken, onweersbuien zoals we die in Nederland niet kennen, dan is het hier complete oorlog. Al dat geflits en gedonder gaan gepaard met apocalyptische regenbuiten en zware windstoten.

Het grote slachtoffer is Dies, die absoluut niet tegen onweer kan. Hij ligt stijf te bibberen in doodsangst, erg zielig. Ander slachtoffer is dus Dossiermoddergat. Vannacht begon de elektriciteit eerst te stotteren, daarna kwam de donkerte. Vanochtend was er weer even licht, daarna viel alles weer uit. Mededeling van het elektriciteitsnetwerk: de 16e augustus, eind van de middag, is alles opgelost. Beroerd, want zonder elektriciteit geen internet, geen televisie, geen Franse cursus, geen Dossiermoddergat.

Ten einde raad heb ik Wyb vanmiddag naar haar werk gebracht en werk ik nu in het restaurant van Camping Le Moulin de la Pique in Belvès. Wyb moest vandaag om half twee beginnen en werkt dan tot negen uur vanavond. Op de camping geen powercut en wel volop wifi. Ik dacht, ik breng Wyb weg zodat ik de lezer van Dossiermoddergat op de hoogte kan brengen van de technische malheur. Bij deze.

Uiteraard zal Dossiermoddergat het elektriciteitsbedrijf aansprakelijk stellen en de kosten proberen te verhalen. Zo. Je bent op de hoogte, nu terug naar huis om een boek te lezen. Eindelijk eens niet de neurotische dwang om de social media en de nieuwssites te checken, vanavond geen televisie, jammer van B&B Vol liefde, maar goed dat halen we wel weer in.

Aan de lezer wil ik de woorden herhalen die Macron zei toen hij de lockdown afkondigde: ‘Maak van deze gelegenheid gebruik om u te scholen, van cultuur te genieten en van onze rijke literatuur.’ Indien de EDF (Électricité de France) wil meewerken: tot morgen met een nieuw fris blog.

Liefde

Zondag 13 augustus, Cadouin

 

Ho. Ik heb het idee dat het tijd wordt om Dossiermoddergat enigszins te corrigeren. Als ik naar de blogs van de afgelopen dagen kijk, dan zou een verkeerd beeld van De Blogger en De Censor kunnen ontstaan. De lezer die ons niet kent, zou kunnen gaan denken, nou, die zijn intellectueel lekker bezig, highbrow stelletje, Cees Nooteboom, beschouwingen over het leven, A.L. Snijders, toe maar, elitair stelletje daar in Frankrijk. Nou hebben wij niets tegen elitair zijn, integendeel, ik zou wensen dat 90% van de Nederlandse bevolking elitair was, dan hadden we heel wat minder ellende. Maar als het idee ontstaat dat de redactie van Dossiermoddergat elitair is, dan moet ik dat voor de eerlijkheid toch corrigeren. De redactie heeft tal van quilty pleasures waar je beslist geen eer mee inlegt. Zo vind ik het best lekker om eens een Telegraaf in te zien of naar interviews van Ivo Niehe te kijken (sorry, sorry).

Laat ik bekennen dat De Censor en ik ons de afgelopen tijd ontzettend verheugen op een avondje televisie. Wij leven er als het ware de hele dag naartoe. Frans leren is leuk, blogjes schrijven een nuttige tijdsbesteding, mensen in een receptie op een camping helpen die geen woord frans spreken bevredigend, maar het meest verheugen wij ons op de avond.

Wij kruipen dan tegen elkaar aan op de bank en zetten vol verwachting de televisie aan voor een nieuwe aflevering van B&B Vol liefde, een realityprogramma waarin acht vrijgezelle eigenaren van een B&B, verspreid over Europa, op zoek gaan naar de liefde van hun leven. Wij hebben alle afleveringen gezien en leven inmiddels mee met Bram in Zweden die een paar ontzettend leuke dames heeft om uit te kiezen, met Leendert die in België wanhopig op zoek is naar een vrouw. We leven zelfs mee met de lompe Martijn van restaurant Say Cheese in Thailand en die al één grote liefde heeft, namelijk Feyenoord, waardoor hij, maar dat weet hij zelf nog niet, helemaal geen tijd heeft voor een vrouw, bovendien weet hij niet eens hoe je met vrouwen omgaat.

Het is een leerzaam programma. In onze bubbel komen ze niet voor, maar in B&B Vol liefde zien we dat de Nederlandse taal volledig geïnfiltreerd is door het Engels. Iedereen onder de 35 jaar spreekt voor 50% Nederlands en voor 50% Engels, en dit door elkaar heen. Dat schijnt ontzettend nice te zijn om te doen. 
We leren er ook van dat een groot deel van Nederland druk doende is met spituele, sprituele, spirituele dingen. Mensen vinden het ontzettend belangrijk om authentiek zijn en zijn opzoek naar verbinding en positieve energie. Knuffelen, zo blijkt, ook erg belangrijk, dan voel je de verbinding. Dat is mooi. Denk je dat Nederland is verzuurd, blijkt uit dit programma dat we een land zijn vol tantra therapeuten, soundhealers en andere klankschaal- en cacao-therapeuten. Erg nice.

Nee, nou probeer ik me er weer uit te redden door denigrerend te doen. Wyb en ik leven oprecht mee met de gastheren, -vrouwen en de liefdeskandidaten. Wijn erbij (een glas, twee glas, drie glas), lekker hangen tegen elkaar, af en toe even knuffelen, mooiere avonden zijn er niet. Wat was dat vroeger in het theater toch behelpen. Jammer dat zo’n aflevering maar 55 minuten duurt. Gelukkig komt er ook een wintereditie.

Echo’s

Zaterdag 12 augustus, Cadouin

 

Een paar weken geleden kreeg ik van Connie een mail waarin ze zei dat ik Geheime vreugde 1 van A.L. Snijders moest lezen, dat ik het vermoedelijk zeer kon waarderen. Zelf las ze het ook met veel plezier. Ze was zo aardig om er kopieën van de eerste bladzijden bij te doen.
Nou wil het toeval, of eigenlijk is het geen toeval, ik heb alles, nou ja, bijna alles van A.L. Snijders, dat Geheime Vreugde 1 en 2 al jaren in mijn boekenkast staan. De boeken bundelen de columns die A.L. Snijders in de jaren negentig schreef voor de Deventer Dagblad Combinatie. Anders dan de boeken die hierna zouden volgen, bevatten Geheime vreugde eigenlijk nog geen ZKV’s in (Zeer Korte Verhalen). Het zijn meer NNNZKV’s (Nog Net Niet Zeer Korte Verhalen). De NNNZKV’s zijn in alle opzichten rechtgeaarde A.L. Snijders, maar zijn definitieve vorm heeft hij nog niet gevonden, wat niets zegt over de kwaliteit.

Door het enthousiast mailtje van Connie begon ik Heimelijke vreugde 1 te herlezen. Alhoewel ik zeker weet dat ik het boek rond 2008 helemaal heb gelezen, komen de woorden mij als nieuw voor. Ik herken wel echo’s van wat ik toen las, maar eigenijk lees ik een nieuw boek. Wat een mazzel, twee keer hetzelfde plezier aan hetzelfde boek. Misschien moet ik toch meer herlezen.

Het is mogelijk ook een teken dat ik genoeg boeken heb, er hoeft niets meer bij. Wat ik nu meemaak doet me sterk denken aan de man van een oude vriendin. Hij had een hersenbloeding gehad, waardoor zijn geheugen ernstig was aangetast. Hij vertelde me dat hij nog maar drie boeken had, meer had hij niet nodig. Als hij de derde uit had, kon hij weer met het eerste beginnen, want hij was inmiddels alles van dat boek vergeten. De wereld teruggebracht tot drie boeken. Je moet er niet aan denken.

Vorige week vertelde Erik me een een verhaal dat hier nauw aan verwant is. Een man was dement aan het worden, lezen ging al niet meer. Maar zijn hele leven had hij bij hetzelfde antiquariaat zijn boeken gekocht. En nu hij niet meer hoefde te werken, liep hij elke dag even langs het antiquariaat of er iets bij lag en elke dag vond hij wel iets. De man kwam dan opgetogen thuis om zijn vrouw te vertellen wat voor een fijn boek hij nu weer op de kop had getikt.

De stapel boeken groeide en op een gegeven moment besloot de vrouw de boeken weer naar het antiquariaat te brengen. De boekverkoper zette de boeken weer in de kast en zo gebeurde het dat de demente boekenliefhebber vaak hetzelfde boek kocht en het thuis weer even enthousiast aan zijn vrouw liet zien.

Ik vond het een ontroerend verhaal. Het genot van het boeken kopen zit dus diep in ons. Het is als de oude dame die bij mijn moeder in het verzorgingshuis zat. Ze wist niets meer, ze kende alleen nog de liedjes uit haar jeugd. Echo’s uit het verleden, zou je kunnen zeggen.

Verbeelding

Vrijdag 11 augustus, Cadouin

 

Twee blogs geleden schreef ik over mijn lezen van het verzameld werk van Cees Nooteboom. In dat blog gaf ik een aantal voorbeelden waarom zijn werk mij intrigeert. Van die voorbeelden houdt de volgende zin mij nu al een tijdje bezig, vooral omdat ik hem zo prachtig vind. De zin luidt: Niets weet ik, alles wat ik zeg is verbeelding.

Ik ben niet de enige die de zin fascinerend vind. Mijn Franse Nicht stuurde mij een dag ernaar onderstaand kunstwerk op. Ik vond het prachtig omdat het beeld voor mij eigenlijk precies zegt waarom ik de zin zo mooi en essentieel vind.

Goed beschouwd is de wereld chaos, een black box, waarin wij, na geboorte, als een bal in een flipperkast worden geschoten. Ik ben ervan overtuigd dat wij, om ons staande te houden in die chaos, een verhaal van ons leven maken. Ons leven lijkt een axioma, maar is het natuurlijk volstrekt niet. Ons ieder leven had ook totaal anders kunnen zijn. Stel dat je andere mensen was tegengekomen? Stel dat je andere ouders had gehad? Stel dat je behept was met een ander karakter, dat je meer of minder succes of pech in het leven had? Of dat je in Afrika was geboren in plaats van Europa? Toeval, toeval, allemaal toeval. Om de boel logica te geven en de zaken voor jezelf op een rij te houden en niet gek te worden, verbeelden wij ons leven, dat wil zeggen, we maken een verhaal van ons leven. Sterker. Stel dat iemand in jouw plaats jouw leven had geleid (beetje rare stelling), ik denk dat hij zijn levensgeschiedenis anders zou verhalen dan jij doet.

Dit is voor mij de essentie van de zin van Cees Nooteboom. Eigenlijk weet je niets, maar je verzamelt in je leven allerlei ervaringen, ideeën, gewoontes, meningen, mensen om je heen en zo verbeeld je als het ware je eigen verhaal. Zoveel mensen, zoveel verhalen.

Mijn lieve Nicht gaf vorm aan die chaos, en dan verschijnt die zin die mij bewust maakt van onze positie in de wereld, de positie van ons eigen leven, eigenlijk een existentiële balanceer act. Aldus mijn interpretatie. Mijn Nicht, die trouwens Ineke Oerlemans heet, stuurde mij gisteren een appje. Het bleek dat ze de zin van Cees Nooteboom ook in het frans op haar kunstwerk wilde zetten. Om hem te vertalen had zij, zoals ze schreef, een nieuwe vriend ingeschakeld. De dialoog tussen de vriend en haar verliep als volgt:

Ineke: Klopt deze Franse zin: je ne sais que rien, tout de ce que je dis, c’est l’imagination
Vriend: De zin die jij hebt geschreven is bijna correct, maar er is een klein foutje. De juiste versie zou zijn: Je ne sais rien, tout ce que je dis, c’est de l’imagination. Dus de correctie zit in twee aspecten: 1. ‘Que’ moet worden verwijderd na ‘ne sais’. 2. De ‘l’imagination’ in plaats van ‘c’est l’imagination. 
Ineke: Fantastique! Merci!

Ik schrijf haar dat dit een belangrijke vriend is die dat zo precies weet en vraag wie hij is. Het antwoord van Ineke: Chat GPT. Ik antwoord: Ja echt? Waanzinnig! 

Mr. Integrity

Donderdag 10 augustus, Cadouin

 

In de jaren zeventig verdedigde ik nog met verve de stelling dat de mens in principe goed is. Ik vond, in de geest van de opvattingen van de sociaal-democratie in die tijd, dat de mens maakbaar is. Als ze maar goed onderwijs kregen en goed geïnformeerd, dan zou het met iedereen wel goed komen. Wel lief zo’n opvatting, ik vertel het om duidelijk te maken dat ik van nature geen somber mensbeeld heb. Dat ik uiteindelijk ben uitgegroeid tot een misantroop beschouw ik als onvermijdelijk.

Afgelopen week keek ik naar de documentaire De zaak Schaap. Deze documentaire gaat over de enorme fraude gepleegd door Frank Oranje, bestuursvoorzitter van een van de grootste advocaten- en notariskantoren van Nederland, Pels Rijcken, bovendien onze landsadvocaat. Over een periode van 18 jaar verduisterde Oranje, van origine notaris, onder de ogen van al zijn hooggeleerde collega’s 11 miljoen euro.

Frank was een van de meest integere, betrouwbare en onkreukbare mensen uit zijn vak. Hij werd zelfs Mister Integrity genoemd. Veel van zijn artikelen, toespraken waren een pleidooi voor de absolute integriteit van zijn beroepsgroep.
Frank had alles wat zijn hartje begeerde. Hij zat op de top van de apenrots van zijn beroepsgroep, wist precies hoe de hazen in Nederland lopen, had een kast van een huis in Den Haag, zat in besturen van tal van culturele instellingen, verdiende bakken met geld, had zeer goed onderwijs genoten, was buitengewoon goed geïnformeerd over van alles en nog wat. En toch stal Mr. Integrity her en der, op buitengewoon slinkse wijze, een vermogen bij elkaar. Kort na het publiek worden van de affaire pleegde hij op 6 november 2020 zelfmoord en ontkwam daarmee strafrechtelijke vervolging. Over zijn motieven liet hij niets na.

Wat bezielde hem? Een integrerende vraag die niemand tot nu toe kan beantwoorden. Zijn vrouw zegt van niets te weten, zijn collega’s, die altijd zo tamboeren op check, check, dubbelcheck sliepen nog steeds toen de kwestie aan het licht kwam. Het was de Belastingdienst die voor het eerst argwaan kreeg. Ik weet zeker dat in de organisaties waarvoor ik heb gewerkt meer controlemechanismes aanwezig waren dan bij de beschaafde en integere landsadvocaten van Pels Rijcken.

Wat waren nou zijn motieven? Hij laat niets na die deze vraag kan beantwoorden. Voor mij hoeft dat ook niet. Schopenhauer schreef al: er is geen mens die deugt. Deze stelling uit de negentiende eeuw wordt voor de zoveelste keer bewezen door de roverhoofdman van Pels Rijcken. Hoe beschaafd ook, onder de dunne laklaag van onze beschaving, huist de jager, de rover, de destructie.

Vorige week was het Earth Overschoot Day. Het is de dag van de overvraging van de aarde. Op die dag hebben we al het voedsel en de grondstoffen die de aarde in een jaar duurzaam kan produceren verbruikt. In feite stelen we de rest van het jaar van de mogelijkheden van onze nageslachten. Ik denk niet dat veel mensen zich daarvan bewust zijn. Een kleine elite -leve de elite!- gelukkig wel. De rest leeft in zalige onwetendheid. Maar is wel schuldig, want mede-rover.

Dit is eigenlijk de ideale wereld voor de misantroop. Elke dag krijgt hij een krant waarin zijn gelijk staat beschreven. Het is de schuld van de ander, en mijzelf. Dus van ons allen. In het najaar vlieg ik weer eens naar India. Willen en wetens roof ik weer iets van mijn nageslachten. Werkelijk niemand ontkomt aan de schuldvraag. Maar om met iemand te spreken die een vraag over klimaatverandering kreeg voorgelegd: ‘Het zal me aan mijn reet roesten.’ Er is geen hoop, zegt de misantroop.

 

Laurence

Woensdag 9 augustus, Cadouin

 

Nomen est omen. In Latijnse woorden: de naam is een voorteken. De Romeinen waren ervan overtuigd dat een naam iets over het lot van iemand zegt. Vooralsnog blijft in het ongewisse wat dat lot dan is.

Ik doel op het volgende. Ons vertrek naar Frankrijk dreigt, wat mij betreft, een ongewenst neveneffect te krijgen. Het begon op de verjaardag van Barend die tachtig werd. Voor deze gelegenheid had hij een stuk of vijftien mensen uitgenodigd, Fransen, Nederlanders. Als relatieve nieuwkomers was er voor ons natuurlijk speciale belangstelling.

Hoe wij heten. Voor mij is dat geen probleem. Gerard wordt Gérard en niemand kijkt er van op. Bij de naam Wybrich beginnen bij de Fransen alle alarmbellen te rinkelen. Met z’n allen proberen ze de naam goed uit te spreken, maar elke keer breekt hun tong. ‘Waarom hebben die Nederlanders geen gewone namen, zoals Marie of Melanie?’ Dat spel gaat zo even door totdat Erik, onze garagiste, die er toevallig ook is, zegt: ‘Ik vind het veel te moeilijk, hoor. Voor mij ben je voortaan Laurence.’ Hilariteit. Die avond heet Wybrich Laurence. Als we nu in zijn garage komen, is het nog steeds Laurcence.

Wat mij enigszins zorgde baarde, was dat Wyb het wel makkelijk vond, zo’n nieuwe naam. Nooit meer discussie over dat Wybrich. ‘Dan stel je je toch gewoon voor als Wyb?’ probeer ik. Het wordt van kwaad tot erger. Het komt er nu op neer dat Wyb op de camping inmiddels Laurence heet.

Wyb is er zelf erg content mee. ‘Laurence is toch een mooie naam?’ Dat ben ik absoluut niet met haar eens. Ik vind het een Franse trutten naam. Bij het uitspreken van die naam zie ik pastel bloemetjesbehang en aanstellerige meisjes. Ik hou voor haar een pleidooi voor de naam Wybrich, die ik zelf prachtig vind. Er waren vele redenen waarom ik verliefd op haar werd, maar de naam Wybrich was daar zeker debet aan. Het is een naam verbonden met het Friese land, verankerd in haar familie. De naam vertegenwoordigd een traditie en is zo bijzonder dat niemand die naam vergeet. In Meppel werd de naam zelfs een handelsmerk dat voor kwaliteit stond. Dat was met dat slappe Laurence nooit gelukt.

Wyb had gisteren een zware dag. Jongetjes van de camping hadden de ingepakte hooibalen van de buurman vernield. Wyb werd geconfronteerd met een boze boer en zijn zonen. Ze besloot om samen met de boeren de schade op te nemen en in een klein Renaultje reden ze naar de boerderij. ‘Ik moest wel lachen,’ vertelde Wyb mij ’s avonds, ‘zit ik tussen die Franse boeren die mij voortdurend Laurence noemen.’ Haar woorden snijden door mijn ziel. Laurence, nomen est omen, ik zou het lot niet tarten. Meteen stoppen met gebruik. Laat die boeren maar proberen Wybrich uit te spreken, verdomme.

Ik weet nog dat ik, drieëntwintig jaar geleden, in de zomervakantie haar nummer op het werk belde. Ik wist dat er niemand was, maar dan kon ik via het antwoordapparaat even haar stem en naam horen. Zeker: nomen est omen.

Nooteboom

Dinsdag 8 augustus, Cadouin

 

Cees Nooteboom is een schrijver waar ik niets mee had. Ik las wel eens een passage uit zijn boeken in de boekwinkel, leende wel eens een boek van hem uit de bibliotheek. Bij elke poging kwam een vermoeidheid over me: Cees Nooteboom (zucht). Ook als ik hem op televisie zag, kwam er iets vermoeid over me. Ik vond dat hij net iets te veel zijn best deed om highbrow te zijn, nooit zag of las ik een sprankeling. Ik vond hem vooral gymnasium.

Vlak voordat we naar Frankrijk gingen, zag ik zijn pas verschenen verzamelde gedichten liggen. De titel vond ik prachtig: Zo worden jaren tijd. Het deed me aan een gedicht van Willem Hussum denken: warmte vergt/jaren groei.
Ik sloeg het boek open en las meteen een gedicht dat me trof, ik ben vergeten welk gedicht. Ik besloot het boek niet te kopen. Het was best prijzig en Wyb en ik waren net in een zuinige bui. Bovendien brachten we opnieuw een groot deel van onze boeken naar het antiquariaat, om dan meteen weer een boek te kopen.

Maar eenmaal in Frankrijk kreeg ik spijt dat ik het had laten liggen. Ik had het moeten meenemen. Ik had het gevoel dat ik Cees Nooteboom nu moest lezen, zeker zijn gedichten. Ik vroeg aan Yvonne, die naar ons toekwam, of ik Bol.com bij haar de bundel mocht laten bezorgen en of zij het pakketje dan mee wilde nemen. Bol.com bezorgt namelijk niet in Frankrijk. Zo komt het dat Zo worden jaren tijd toch op mijn tafel in Frankrijk ligt en ik er regelmatig van kan genieten. Ik ga nu ook zeker andere boeken van hem lezen.

Ik heb een beetje een kinderachtige gewoonte. Ik categoriseer namelijk de gedichten die mij aanspreken. Drie streepjes zijn de beste gedichten, twee streepjes de goede en een streepje betekent best goed, moet ik vast nog eens lezen, misschien dat ik het gedicht dan beter vind. Cees Nooteboom krijgt niet zoveel drie streepjes als andere dichters, merk ik, maar daar staat tegenover dat ik zijn gedichten erg graag lezen en dat er ongelooflijk mooie regels en fragmenten in staan.

Ik ga nu iets doen wat eigenlijk niet mag. Ik haal er een paar uit hun context, maar dan weet je wat ik bedoel. Alle fragmenten komen uit de bundel Monniksoog uit 2016, een cyclus van 33 gedichten, opgedragen aan Remco Campert

 

1. Deze regel komt uit gedicht 15:

Niets weet ik, alles wat ik zeg is verbeelding.

 

2. Dit fragment komt uit het 21ste gedicht:

Een Russische tuin wil ik, in een andere
eeuw, met een uil in het donker, stappen op zolder,
een brief uit de hoofdstad, wind
in hoge bomen, een verschoten vlag. Verleden

tijd moet het zijn, zodat iedereen
dood is, de tuin voor altijd verwaarloosd,
een lege schommel, op de tafel nog glazen,
het boek nat van de regen, waar was het, wanneer

toen ik er niet was?

 

3. Deze regel komt uit gedicht 22:

Bedenk een verleden, wees niet zuinig
met oorlog of ontrouw.

 

4. Dit fragment komt uit gedicht 24

Niemand had ons bedacht, wij zaten in het gruis
van de eerste seconde, wij zijn er vanaf
het begin. Pas later kregen wij zielen en mochten
we schrijven. Van ons zijn de woorden…

 

Gelukkig heb ik nog zo’n vijfhonderd gedichten te gaan.

 

El Niño

Maandag 7 augustus, Cadouin

 

‘Houden jullie het wel een beetje uit daar in de hitte?’ vraagt een vriend in een mailtje.
Ik denk dat de Dordogne vaak in Zuid-Frankrijk wordt gesitueerd. Het ligt inderdaad diep in Frankrijk, maar Cadouin ligt nog altijd zo’n driehonderd kilometer van de Middellandse Zee. Er is hier zeker geen sprake van een mediterraan klimaat.

Als je me vraagt hoe het weer in de Dordogne dan wel is, dan heb ik daar eigenlijk geen antwoord op. Wij maken hier nu de tweede zomer mee en die is volstrekt anders dan de eerste. Vorig jaar heb ik drie of vier maanden permanent een korte broek gedragen. De temperatuur zat altijd rond de dertig graden, vaak doorlopend naar de 35. Altijd was de lucht strak blauw.

Deze zomer begin ik ’s ochtends met een lange broek. Het is de hele zomer zo rond de 25 graden, maar ’s ochtends is het nog best fris. Ik denk dat we zo’n zes dagen boven de dertig graden zaten. We hebben pas twee of drie keer echt zwoele avonden gehad, avonden dat je in de tuin kunt zitten en tot diep in de nacht naar het heelal staart. Om met Wyb te spreken: ‘Vorige zomer sliepen we de hele zomer onder een laken, nu is het dekbed nog niet van bed geweest.’ ’s Avonds koelt het rond negen uur zo af dat je naar binnen wilt.

Niet dat we niet buiten zitten. Ik zit eigenlijk de hele dag buiten op de veranda -dat dan weer wel. De veranda wordt ook steeds meer mijn werkkamer. In het begin moest ik daar aan wennen. Als je wilt werken moet je niet buiten gaan zitten, was altijd mijn adagium. Inmiddels heb ik mijn calvinistische arbeidsmoraal losgelaten.

De natuur is hier nog steeds hartstikke groen. Dat was vorig jaar wel anders. Regelmatig dat hier de afgelopen maanden regen valt. Meestal vooraf gegaan door een paar rukwinden. Het is niet die regen zoals we die in Nederland kennen, die regen die onder sombere luchten dagenlang door ettert. Hier zijn stevige buien, die nooit lang duren. Na de regen komt al snel de zon weer door.
Dat laatste is eigenlijk het hele jaar het geval. De zon is er altijd weer snel bij. In februari hebben we drie weken lang het mooiste weer gehad, konden we in de zon en in de luwte gewoon buiten lunchen.

In maart lag er voor het eerst in tien jaar sneeuw, wisten dorpsgenoten mij te vertellen. Dat hebben wij helaas niet meegemaakt omdat we in Spanje waren en op dat moment over besneeuwde wegen glibberden met sneeuwschuivers langs de weg die poogden de weg schoon te krijgen.
Een paar dagen daarna zaten we in de Zuid-Spanje en maakten daar de eerste weken mee van een hittegolf die nog steeds voortduurt. Volgens sommigen is al deze wispelturigheid het gevolg van El Niño, zou best kunnen.

Als ik moet kiezen tussen deze of de vorige zomer, dan kies ik toch voor deze. Vorige zomer waren er dagen bij dat voor pampus lagen door de warmte. Ik kies toch voor die 25 graden, verkoeling in de avond en een nacht onder een dekbed.
Niks dus hitte. Het is hier gewoon heel aangenaam en buitengewoon goed vol te houden. Misschien met dank aan El Niño (het is voor de eerste keer dat ik een ñ met zo’n kringeltje gebruik).

Eindpunt

Zondag 6 augustus, Cadouin

 

Goed nieuws! Niemand hoeft meer eenzaam te zijn. Download de apps Replika, de meest geavanceerde en populaire, of Paradot en je hebt een vriend. Niet zomaar een vriend: je beste vriend, je meest intieme vriend. Neem de Replika Pro, €62 per jaar, en je krijgt extra opties, waaronder de optie Erotisch Rollenspel.

Even uitleggen, ik citeer: ‘Sociale chatbots zijn taalprogramma’s die zich kunnen gedragen als invoelende gesprekspartners. Het lijkt alsof de gebruiker in gesprek is met een levensecht persoon. De chatbots zijn zelflerend (generatief) geprogrammeerd.’

Een voorbeeldje dat het heel ver kan gaan. De Amerikaanse Angel Miller heeft de pro versie van Replika. Haar digitale vriend heeft ze Bishop genoemd. Ze zegt hierover: ‘Ik kon alles met hem doen wat mijn partner niet wilde.’ Het was haar fantasie om haar echte partner te pijpen op een parkeerplaats. ‘Hij durfde het niet, en toen heb ik het maar met Bishop gedaan.’ Dit is nou wat je noemt een friend with benefits.

Misschien flauw van me met dit voorbeeld te beginnen, dan trek ik het meteen in de morsige sfeer. Er staan ook mooie, schrijnende voorbeelden in het artikel. Een vader wiens dochter is overleden en een app neemt nu haar plaats in. Hierdoor kan hij nog steeds met haar praten. Hij heeft de app dezelfde naam gegeven als zijn dochter.

Dit alles lees ik in de NRC van zaterdag, de mensen die de apps gebruiken geven er hoog van op. Er zijn zelfs mensen die een pop hebben laten maken naar het evenbeeld van hun fantasie, want iedereen stelt zich bij deze chatbot een reëel persoon voor. In de pop hebben ze luidsprekertje laten inbouwen zodat ze ook echt ‘iemand’ tegenover zich hebben.

In het artikel vraagt niemand zich af of er op de kantoren van Replika of Paradot iemand meeluistert. Hierbij bestaat niet alleen het gevaar dat ze alles van je weten, zoals bij Facebook en Apple, dit gaat een stap verder. Het is de laatste stap, het blootleggen van iemands ziel. Eindelijk eens een ontwikkeling met een eindpunt, lijkt me.

Terwijl ik het artikel lees, vraag ik me steeds af wat ik ervan vind. Aan de ene kant vind ik het de ultieme triestheid van de alsmaar toenemende individualisering. Aan de andere kant: de mens is nu eenmaal een door eenzaamheid geplaagde diersoort. Als dit helpt. Uit het artikel blijkt dat veel mensen er gelukkig mee zijn. In totaal zijn er nu twee miljoen gebruikers.

Grote kans dat het een succes wordt. Ik kan me nog de hype herinneren van het digitale huisdier, de Tamagotchi. Binnen de kortste keren had iedereen zo’n ding. Wie wil nou niet een eigen mens hebben, een mens dat altijd empatisch is, altijd met de je mee buigt en ook nog eens in een auto gepijpt wil worden.

Voor mij als kluizenaar is dit misschien wel de oplossing. Wyb is weer aan het werk. Kluizenaar zijn wordt nu nog leuker. Lekker alleen zijn, maar toch altijd aanspraak.

Littekens

Zaterdag 5 augustus, Cadouin

 

Ik krijg een foto van Wolter toegestuurd via Whatsapp met daaronder de tekst ‘Guess what’.
Nou, dat is niet moeilijk. Het is een foto van de Bospub. Vermoedelijk is Wolter, als zo vaak, op vakantie/werk in Drenthe en zit hij nu in de Bospub. Ik reageer: ‘Ah! bekend terrein. Een soort thuis.’

Volgende appje van Wolter: ‘Ze hebben een heel nieuw huis gebouwd in jullie tuin.’

Ik: ‘Ik weet het. Ik vind het vandalisme. Schuren weg, vijver weg, het graf van Gijs (poes) geschonden.’

Het huis waar we vijf jaar in Drenthe woonden, heb ik met tranen in mijn ogen verlaten. We kozen ervoor om een chambres d’hôtel in Frankrijk te beginnen. Misschien hadden we het niet moeten doen, dan hadden we het huis en de plek kunnen beschermen tegen vernieuwing. Wat is dat toch in Nederland dat alles nieuw moet zijn, dat er geen oog is voor de schoonheid en de waarde van het oude? Heel Dwingeloo is in twintig jaar veranderd. Veel van wat authentiek was, is gesloopt en moest plaatsmaken voor boerderettes en patserige landhuizen.

Zeker, ons huis in Dwingeloo was klein. Maar wat is er tegen klein? Er stonden oude schuren op het terrein. Maar wat is er tegen oude schuren? Er kwamen zelfs mensen onze tuin in om te vragen of ze een foto mochten maken van onze oude Drentse schuur. Natuurlijk mocht dat. Ik was trots op die oude, donkerrode schuur waarvan merels en kraaien langzaam het rieten dak kaal plukten.

Rond de tuin stonden hoge, oude hagen die zorgden voor onze bescherming. Een van de eerste dingen die een nieuwe bewoner deed was het neerhalen van de heggen. Vermoedelijk vond hij ze te slordig en oud, strak en clean is het schoonheidsideaal van de Nederlander. Alles waar een kras op zit moet worden overgeverfd, deuken dienen uitgeduikt. Arme mussen, de heggen waren hun veilig huis. Zoals de kieren onder het dak de ideale plek was om hun jongen groot te brengen. Het huis verdwenen, de kieren verdwenen, de mussen verdwenen. De mens is weer tevreden.

Misschien ben ik hier in Frankrijk wel een vluchteling, bedenk ik nu, gevlucht voor de steriliteit van het Nederlandse schoonheidsideaal, zou zomaar kunnen. Jezus, wat kan ik genieten van de slordigheid van de Franse huizen. De geschiedenis mag hier zijn werk doen. Huizen staan hier eeuwen, schuren mogen vervallen. Littekens worden hier niet weggewerkt. Ik raad iedereen aan eens naar een plaatsje als Monpazier te gaan. Daar zie wat een schoonheid de geschiedenis voort kan brengen. Of te komen kijken naar onze kerk en abdij in Cadouin (sinds 1115) , gehavend door de kogelgaten van vele oorlogen, maar gelukkig nooit gerenoveerd.

 

Souffle

Vrijdag 4 augustus, Cadouin

 

Ik hoop niet dat de architect van het ziekenhuis in Périgueux, Centre Hospitalier de Périgueux, nog meer opdrachten voor ziekenhuizen heeft gekregen. Als je binnenkomt, denk je meteen aan een crematorium. De ontvangsthal, tevens centrale hal van het ziekenhuis, is op de tweede verdieping, waardoor de bezoeker eerst twee steile trappen moet beklimmen.

We checken in bij een balie in een halletje dat nauwelijks een meter breed is. De baliemedewerkster zit pal achter een computer zodat Wyb en ik tegen een computerscherm praten. Om haar te zien moeten we ons langs de computer buigen. Ik overweeg haar te zeggen dat ze die computer misschien beter aan de zijkant kan zetten en een draaistoel aanschaffen. Vroeger zou ik dat misschien hebben gedaan. Moet gezegd, ze is bijzonder vriendelijk en dat hebben we wel eens anders meegemaakt van baliemedewerksters in ziekenhuizen
Als alle administratieve handelingen zijn verricht, verwijst ze ons naar de lift naar de derde verdieping. De lift ligt twee lange gangen verderop.

Het is voor de eerste keer in vier jaar dat ik weer in een Frans ziekenhuis ben. Misschien heb ik toch een klein trauma opgelopen van al die keren dat ik ben geopereerd in de ziekenhuizen van Nîmes en Montpellier. Ik voel dezelfde angst als toen. De gangen zijn trouwens gemodelleerd naar de sfeer in de romans van Kafka. Nergens is iets gedaan om de boel een beetje op te vrolijken.

Ik had mij voorgenomen nooit meer in een Frans ziekenhuis te belanden. Maar ja, zoals altijd met voornemens, je komt ze meestal niet na -overmacht. Het Franse ziekenhuiswezen was een tijdje de reden dat ik toch niet meer in Frankrijk wilde wonen. Bij de verhuizing nam ik mij voor dat, mocht ik weer een ziekenhuis nodig hebben, ik mij dan meteen laat repatriëren. Mijn weerstand heeft niet zozeer met de gebouwen te maken, maar vooral met de mentaliteit van de specialisten. Zelden heb ik zulke non-communicatieve horken meegemaakt.

Maar dit blog loopt ongelooflijk goed af. Eerst worden we ontvangen door de assistent van de specialist die het voorwerk doet. Wat een leuk mens. Zo vriendelijk heb ik ze nog nooit meegemaakt in een Frans ziekenhuis. Ze doet de intake en dan mogen we in de wachtkamer weer wachten op meneer Champeau.

En verdomd, wat een toffe bedrijfscultuur daar. Meneer Champeau krijgt van mij de erepenning voor de meest aardige en communicatieve specialist van Frankrijk. Hij maakt grapjes, praat heel rustig zodat wij hem goed kunnen volgen, hij neemt uitgebreid de tijd, vertelt bij elk onderzoek wat hij doet en wat zijn bevindingen zijn. Zie nou wel dat een gebouw niets zegt over de mensen die er werken.

Het komt er op neer dat ik een souffle heb, een hartruisje, en meneer Champeau heeft in een half uur uitgevogeld waar dat ruisje zit. Mijn hartkleppen hebben een lichte vergroeiing waardoor het hart ietwat harder moet pompen om het bloed er doorheen te krijgen. ‘Niets om je zorgen over te maken.’ Precies wat ik wilde horen van meneer Champeau. Over anderhalf, twee jaar krijg ik voor de zekerheid weer een uitnodiging om te kijken of het toch niet erger is geworden. Hij verwacht van niet, maar je weet nooit.

Hij stimuleert me om vooral 10.000 stappen per dag te blijven lopen, de uitslag van het bloedonderzoek was uitstekend, het ritme van mijn hart, niets op aan te merken. We nemen afscheid van elkaar.

‘Alles goed en wel,’ zegt Wyb als we terug naar de auto lopen, ‘maar je staat hier nu toch te boek als hartpatiënt.’
‘Dat betekent dat je met een hartpatiënt naar India gaat.’

 

Steen

Donderdag 3 augustus, Cadouin

 

Een half jaar geleden liep ik nog, als ik Dies uitliet, door het Noorderplantsoen in Groningen. Het was een rondje dat Dies en ik door en door kende. Op elk pad had Dies zijn gewoontes, ik kon raden waar hij de vijver inging en waar hij wachtte tot ik een stok of bal gooide. Het park was niet alleen een uitlaatplek voor honden, maar ook voor mensen. Vooral met mooi weer moest ik mij door een mensenmassa manoeuvreren en ontstond er spontaan een soort festival. Hele muziekinstallaties werden meegenomen, verspreid over de grasvelden walmden barbecues.

Hoe anders zijn mijn rondjes nu. Ik loop ons weggetje af en sta aan de rand van wat je best een oerwoud kunt noemen. We lopen het oerwoud in en komen niemand tegen. Het afgelopen half jaar ben ik twee keer iemand tegengekomen, een boer op een tractor die gekapt hout vervoerde en een vrouw die een hondje uitliet. Haar auto had ze verderop op een bospad geparkeerd.

Als border collie, dus licht autistisch, heeft Dies ook hier zijn gewoontes ontwikkeld. Op sommige plekken blijft hij staan en laat hij mij doorlopen. Hij wacht tot ik bijna uit beeld ben en komt dan keihard aanlopen. Zo gaat hij ook steeds op dezelfde plekken liggen in de verwachting dat ik een stok gooi. Dies is voor mij absoluut levensverlengend. Door hem heb ik mijn dagelijkse beweging en 10.000 stappen.

Ik zelf heb ook gewoontes ontwikkeld. Op een van mijn rondjes kom ik twee stenen tegen waar ik altijd even bij stilsta, soms letterlijk, soms figuurlijk. Ik vind het machtige stenen, stenen met karakter. De ene steen zit verwerkt in een muur die ik eerder beschreef. Het is een lange muur van lichte steen, kunstig gestapeld. De werklui, die drie maanden over de bouw deden, hebben er een rode, erts-achtige steen tussen gedaan. Dat maakt de steen, maar ook de muur nog mooier.

Soms raak ik de steen aan. Ik beschouw het als een ode aan de aarde. Hoe oud zal de steen zijn? Miljoenen jaren? Als het meezit miljarden. Hoe diep heeft hij in de aarde gezeten? Hoe is hij hier terecht gekomen? Als ik hem aanraak heb ik met die geschiedenis mooi even contact. Ben benieuwd hoe lang hij in die muur gevangen blijft zitten.

Even verder loop ik een steile heuvel op. Boven op de heuvel staat, als een monumentje, een keihard rotsblokje, ik dacht eerst dat het vuursteen was. Er staat een klein bordje bij met de volgende tekst: Dit is zeer hard gesteente bestaande uit silica en kalksteen, dit soort steen werd vaak in molens gebruikt. Verwar het niet met vuursteen!’ Oké, dat doe ik dan niet meer.

Deze steen raak ik altijd even aan. Je weet het natuurlijk niet. Wie weet heeft een steen meer gevoel dan we denken. Ze komen er nu pas achter dat planten veel mee gevoel en communicatie hebben dan we ooit vermoedden. Misschien voelt en denkt een steen zo langzaam dat wij het niet kunnen opmerken, dat zou toch mooi zijn. En dat die steen dan in 452.679 na Christus denkt: het was toch mooi dat die man met die hond me in 2023 elke dag even aanraakte.

Van Dale

Woensdag 2 augustus, Cadouin

 

Het fijne van kluizenaar zijn, is dat het opeens leuker wordt om vrienden te ontvangen. De lezer kan nu twee dingen denken. Een. Wat is dat voor een kluizenaar die vrienden ontvangt? Goede gedachte, maar uit de literatuur van de Tao weet ik dat, als het om een kluizenaar gaat, alles mag. Familie, vrienden, de kluizenaar hoeft niet permanent en strikt in eenzaamheid te leven. Anders was ik ook nooit kluizenaar geworden.

Twee. Was er dan een tijd dat je het niet leuk vond om vrienden te ontvangen? Ja, die was er, moet ik bekennen. Niet altijd natuurlijk, maar in mijn Nijmeegse tijd, bijvoorbeeld, werd ik overspoeld door vrienden. Het kwam er op neer dat Lies en ik permanent bezoek hadden. Om daaraan te ontsnappen, vond ik het niet erg om naar Groningen te verhuizen.

En ook later vond ik bezoek vaak een last. Ik was druk, en dan wordt die drukte opeens onderbroken door bezoek. Ik vond dat vaak lastig. Dat is fout, niet aardig, weet ik, daarom is dit een bekentenis en een mea culpa. Het grootste deel van mijn leven heb ik te gehaast en met te weinig oog voor mijn omgeving geleefd. Daarvan kan ik alleen mijzelf de schuld geven. Te ambitieus, te gefocust, te fanatiek in allerlei opzichten.

Wyb en ik kwamen terug uit Bordeaux en pas op dat moment checkte Wyb haar telefoon. ‘Hé, kijk,’ zei Wyb en ze liet een foto zien waarop Erik, Jildou en Werner voor ons schilderij staan dat op onze veranda hangt. We wisten beiden dat het maar één ding kon betekenen, namelijk dat ze in Cadouin waren en op de camping stonden. Wyb belde dat we inmiddels thuis waren en even later zaten Erik, Jildou en Werner live voor ons op de veranda.

En toen kwam de eerste zin in mijn hoofd op: het fijne van kluizenaar zijn, is dat het opeens leuk wordt om vrienden te ontvangen. Ik was nu al maanden overdag alleen, wat ik heerlijk vind, maar het bezoek vond ik nu een zeer welkome afwisseling.
Erik, Jildou en Werner waren niet de eerste die met een foto op de veranda duidelijk maakten dat ze er waren. Eerder kregen we zo’n zelfde foto van Pietie en Hans. Vervelend was toen dat zij in Cadouin zaten en wij in Nederland. Een paar maanden later maakten we dat goed.

Het fijne van bezoek ontvangen uit Nederland is dat bezoekers vaak belangrijke dingen voor je meenemen. Tegelijkertijd met de foto ontdekten we dat er op de veranda een zak stond met de driedelige Dikke van Dale erin. Een paar weken geleden blogde ik dat ik de Dikke van Dale zo miste. In Groningen had ik hem op de vuilcontainer gezet opdat een arme student hem mee kon nemen. Nu ik in Frankrijk woon, heb ik hem al drie keer willen pakken. Mijn hele leven lang heb ik hem in huis gehad. Nu pas besefte ik wat je mist als je hem niet hebt.

Er is nog een andere reden waarom ik hem miste. Ik vind namelijk dat zo’n monument als de Van Dale gewoon in je huis hoort te staan. Het is toch een eerbetoon aan de Nederlandse taal. Gelukkig maakt Erik huizen leeg waardoor hij de mooiste dingen vindt. Het kon niet anders of hij vond wel eens een Dikke van Dale. ‘Heb ik nog wel voor je,’ schreef hij een paar weken geleden in een app. En nu al stonden ze in een bruine zak op de veranda. Vrienden, ik zweer erbij.

 

Waterspiegel

Dinsdag 1 augustus, Cadouin

 

Goddank, de orde is weer hersteld. Vorige week viel mijn iPhone op het asfalt en mijn trouwe kameraad lag totaal in gruzelementen. Hierdoor was ik totaal onthand. De communicatie met de buitenwereld was ernstig gehandicapt, want met een laptop ga je niet even lekker op stap.
Gisteren verscheen er geen blog omdat ik met Wyb naar Bordeaux was: op naar de Apple Store.

De tocht erheen was geen sinecure. Bij een tolpoort stonden enorme rijen auto’s, we slopen tergend langzaam naar de betaalautomaat. Tot overmaat van ramp kotste Dies nog in de auto. Later in Bordeaux poepte hij nog eens in de drukste winkelstraat van Bordeaux. Dit zou hij allemaal nooit doen, ware het niet dat hij wat ziek was.

De beloning voor deze reis vond ik in de Apple Store waar een nieuwe Phone op mij lag te wachten, de 14 max pro. State of art. Het installeren bleek een fluitje van een cent. Mijn verbinding met de buitenwereld was hersteld. Het klinkt raar, en zegt veel over mijn verslaving aan iPhones, maar ik voelde me na al die dagen weer een compleet mens, zonder zo’n ding voel ik me toch een beetje gemankeerd.

Andere belangrijke beloning: Bordeaux. Het is een stad waar ik me meteen gelukkig voel. De zon scheen, de terrassen zaten vol, de mensen toonden zich op hun mooist, flaneerden in volle schoonheid over de avenues en boulevards: een feest.

Ik raad iedereen aan eens een bezoek aan deze stad te brengen. Wat je dan vooral niet moet overslaan is de De Miroir d’eau aan de kilometers lange boulevard die langs de Garonne loopt. De Miroir d’eau, vertaald De Waterspiegel, is een kunstwerk van landschapskunstenaar Michel Corajoud. Het is een kunstwerk dat vrolijkheid en plezier genereert.

De Waterspiegel is een grote plaat van 3.450 vierkante meter, opgebouwd uit kleinere platen, waar om de zoveel tijd water oploopt. Er ontstaat dan een laagje water waar de wereld in wordt weerspiegeld. Het is een speelterrein voor kinderen en volwassenen. Mensen baden er pootje in, je kunt het niet nalaten om elkaar nat te spatten, kinderen gaan er in liggen en rollen vrolijk op en neer, jongeren nemen aanlopen, duiken op hun buik en glijden zo over het water een eind weg.

Na een tijdje loopt het water weg en komt er stoom van onder de gladde platen vandaan. Mensen hullen zich in een soort mist en ontstaat er een sprookjesachtige sfeer. Voer voor fotografen. Dan is er even rust op dit magistrale kunstwerk en wachten honderden mensen op het moment dat het water weer tussen de platen naar boven welt, waarna de opwinding opnieuw begint.
Voor een indruk, zie de foto’s hieronder. Maar ik moet er altijd nog eens heen om echt de tijd te nemen voor een paar goede foto’s. Wordt vervolgd.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2023