Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2024, mei/juni

Zwijgen 1

Zondag 30 juni, Cadouin

 

Ik denk er eigenlijk nooit meer aan, het ligt zover achter me. Het komt even terug als we gisteravond op bezoek zijn bij onze Franse Nichten en over onze jeugd praten. We hebben alle vier scherpe herinneringen, mooie herinneringen, herinneringen waarbij sommigen mogelijk het woord trauma in de mond zullen nemen. Toch geloof ik niet dat een van ons vieren wezenlijk is beschadigd door onze jeugd. Integendeel. Per saldo overheersen de goede herinneringen, met je moeder samen op de bank naar Een van de Acht kijken onder het genot van zelfgemaakte Tompouchen, dat soort dingen.

Toch komt bij mij een verhaal naar boven waarvan ik niet weet of ik er eerder blogs over heb geschreven. Namelijk over het feit dat mijn vader zwijgen tot wapen had verheven. Misschien is hij er wel de uitvinder van, want anderen heb ik hier nooit over horen vertellen. Ook in de literatuur heb ik er nooit over gelezen.

Zwijgen is geen wapen, het doet je toch geen pijn? Vergeet het. Ik heb aan den lijve ondervonden dat zwijgen in een gezin een subtiel martelwerktuig kan zijn. Ik durf in zijn algemeenheid niet te zeggen of mijn vader en moeder een slecht huwelijk hadden, dat wisselde per periode. Maar een makkelijk huwelijk hadden ze zeker niet. Vaak hadden ze woorden en die woorden ontaardden regelmatig in zwijgen, en dat woord zou ik eigenlijk in hoofdletter moeten schrijven: Zwijgen.

Er kwam een moment dat mijn vader zich omdraaide en niets meer zei. En dat niets zeggen was niet zomaar niets zeggen, het was het neerzetten van een drukkende stilte die weken kon aanhouden. Misschien was het korter, maar niet in mijn herinnering. Dagen en dagen heerste er een zware stilte in ons huis, het hing in alle kamers, het drukte op onze schouders. Zo erg dat zelfs mijn moeder en ik nauwelijks durfden te praten. Onder het eten tikte het bestek hinderlijk op de borden.

‘Papa, kunnen jullie het niet weer goedmaken?’ Maar in zulke perioden van monumentaal zwijgen bestonden er geen antwoorden want antwoorden vergen woorden. Blijkbaar vond mijn vader dat we bij wijze van straf door een diep dal moesten en de diepte was nog niet bereikt. Zwijgend liepen we door het huis, zwijgend zaten we aan tafel, zwijgend ging mijn vader de deur uit naar zijn werk, zwijgend kwam hij terug. Als hij de deur uitging haalden mijn moeder en ik opgelucht adem. Heerlijk, even was het zwijgen weg. Gelukkig bestond verreweg het grootste deel van zijn leven uit werken.

Zoals ik al zei denk ik er vrijwel nooit aan en dat vrijwel kan ik ook wel weg halen. Zo aanwezig in mijn jeugd, zo afwezig is het nu in mijn leven. Nadat mijn vader op 44-jarige leeftijd te horen kreeg dat hij nog maar een jaar te leven had, was het zwijgen verdwenen. Ook in de tien jaar die hij daarna toch nog leefde, stond zijn zwijgen in de ijskast. Blijkbaar kunnen mensen die ernstig ziek zijn zich het wapen van het zwijgen niet permitteren.

Ik zette zijn zwijgmethode uiteindelijk bij de andere dingen die ik met hem meemaakte. Ik zeg altijd dat ik veel van mijn vader heb geleerd, ik heb namelijk van hem geleerd hoe je niet moet leven. En dat is een waardevolle les gebleken.

Mannenmode

Zaterdag 29 juni, Cadouin

 

Een beetje raar. Ik lees de NRC en opeens valt me een kop op die me nooit zou opvallen: De nieuwe mannenmode straalt zachtheid uit.

Mode interesseert me echt niets. Ik ga twee keer per jaar naar de Uniqlo als ik er eens toevallig langs loop. Ik koop een paar poloshirts, een korte broek, misschien nog een lange broek en klaar is kees. Ik ben volstrekt a-modisch. Laat staan dat ik artikelen over mode lees.

Mijn mooiste periode qua mode was toen ik in Leeuwarden woonde en ik al mijn kleren kocht bij Van der Kam. Ik liep daar twee keer per jaar naar binnen en werd hartelijk verwelkomd zoals dat goede klanten betaamt. ‘Meneer Tonen, wij hebben een aantal dingen hangen die u zult appreciëren. Kopje koffie? Dan ga ik ze even halen.’ De man kwam terug met alles wat ik nodig had, overhemd, pak, t-shirts. Ik paste even en na een kwartier stond ik buiten. Wat een luxe.

Tot zover mijn mode belevenissen. En toch blijf ik hangen bij die NRC kop. Het komt door het woord zachtheid in combinatie met mannenmode. Ik erger me eigenlijk al jaren aan het opkomend machismo in de mode. De man gaat er steeds meer uitzien alsof je hem serieus moet nemen. Hij kleedt en kapt zich steeds agressiever. De haren strak opgeknipt, hoe strakker hoe beter: met mij valt niet te spotten. Je ziet soms figuren lopen die je zo als figurant kunt laten meespelen in een film over de SS.

In de loop der jaren viel ik qua haar ook steeds meer buiten de boot. Vooral de afgelopen maanden liet ik het wat haar betreft wat lopen en begon ik steeds meer op Einstein en Catweazle te lijken. Ik roeide volledig tegen de mode in met dat haar. Ik ben natuurlijk van generatie hippie en dat heeft me eigenlijk nooit meer verlaten. Alles wat riekt naar macho, commando, militarisme: fuck it.

Gisteren op Nieuwsuur maakte ik voor het eerst kennis met die jongen van het Rassemblement National, Jordan Bardella. Het ventje is slechts 28 jaar (wist ik niet) en had zich strak in het pak gestoken en het ergste, een fascistoïde kapsel aangemeten. De achtergrond van het knaapje: influencer. Het moet niet gekker worden, persoonlijk vind ik influencer het stomste beroep dat er bestaat. Je hebt een hobby en dat melk je op social media zo geraffineerd mogelijk uit, that’s it. En grote kans dat dit mannetje de nieuwe premier van Frankrijk wordt. Het is toch om te janken. Een premier moet econoom of socioloog zijn, desnoods filosoof. Dichters en influencers zijn als premier volstrekt ongeschikt.

Mijn oog bleef natuurlijk bij die krantenkop hangen omdat het misschien een teken is van een nieuwe tijd. Goed mogelijk. Mijn modisch hoogtepunt als hippie is inmiddels zo oud dat het wel weer hip zal worden. Maar nog belangrijker, die kop kondigt mogelijk toch een nieuwe tijd aan en raakt hardheid, stoer doen en agressief zijn uit de mode. Ik ben voor. Als ik de foto’s bij het artikel bekijk kan ik me niet voorstellen dat er ooit een man in die kleren gaat lopen. Volgende keer ga ik gewoon weer naar de Uniqlo, lekker basic.

Asfalt

Vrijdag 28 juni, Cadouin

 

Als iemand uit Cadouin iets op het asfalt schrijft, dan moet er iets aan de hand zijn. En er is iets aan de hand in Frankrijk.

Aankomend weekend, en de week daarna, wordt er over de toekomst van Frankrijk beslist. Ik durf eigenlijk niets te zeggen over de aankomende verkiezingen in Frankrijk. Ik kan de politieke verhoudingen door mijn taalgebrek slecht inschatten. Maar ik schrok erg toen ik met een dorpsgenote sprak over die aankomende verkiezingen. Ze was niet alleen ongerust, ze was zelfs angstig. Bij winst van Rassemblement National (RN) van Marine Le Pen vreest zij het ergste en zij staat daarin niet alleen.

Na de Europese verkiezingen, en de grote winst van RN, nam Macron volgens velen een dramatisch besluit, hij schreef nieuwe verkiezingen uit. Waarom? Daar heeft eigenlijk niemand een antwoord op. Wilde hij de situatie door een schrikeffect herstellen? Wil hij, door de RN aan de macht te helpen, laten zien dat ze er niets van bakken? Zijn eigen partij (Renaissance) staat op enorme afstand. Wilde hij een soort inhaalrace creëren omdat de kiezers bang zijn voor de extremen en zouden gaan kiezen voor de middenweg? Dat laatste is, vrees ik, een misrekening, want de populariteit van Macron is ver te zoeken.

De laatste peilingen zien er als volgt uit. De RN krijgt 33 procent van de stemmen. Het linkse blok, Nouveau Front Populaire staat met 25 procent op de tweede plaats. De partij van Macron op de derde plaats met 22 procent van de stemmen. 30 juni is de eerste ronde, 7 juli de tweede. Aan de tweede ronde nemen de twee overwinnaars van de eerste ronde deel.

Mijn dorpsgenote hoorde ik voor de eerste keer het woord burgeroorlog in de mond nemen. Maar ook uit de mond van Marine Le Pen heb ik dergelijke bewoordingen horen komen. De situatie is gespannen. Het is niet gek dat mijn dorpsgenote ongerust is. Het programma van RN kan het failliet van Frankrijk betekenen. De financiële situatie van Frankrijk is in feite al hopeloos. Het begrotingstekort is 5,5% van het BNP, een gat van 154 miljard euro. De Franse staatsschuld bedraagt momenteel 3000 miljard euro.

Als we kijken naar de beloftes van RN, dan mogen we het ergste vrezen. RN wil de BTW op energie fors verlagen. Dat is tegen de regels van de EU, maar RN denkt vrijstelling te krijgen. Waar hebben we dat vaker gehoord? De BTW op producten voor de eerste levensbehoefte wil de partij verlagen. De inkomstenbelasting voor jongeren tot 30 jaar wil men schrappen, evenals de erfbelasting. Omdat de partij liever Fransen aan het werk heeft dan arbeidsmigranten wil men het belastingvoordeel van ouders stevig opkrikken.

In Frankrijk bestaat het zogenaamde Droit du sol. Kinderen die in Frankrijk worden geboren krijgen op hun achttiende automatisch het Franse staatsburgerschap. Dit recht wil men gaan schrappen. Verder wil RN optreden tegen Islamitische ideologieën. Mensen met twee paspoorten worden geweerd uit ‘strategische’ posities. Verder staan zwaardere straffen en minder klimaatregels op het programma. En natuurlijk bezuinigingen op kunst en cultuur. Zoals Hermann Göring al in de beste extreem-rechtse traditie zei: ‘Als ik het woord cultuur hoor, trek ik mijn pistool.’

Het programma zal leiden tot een enorme toename van de financiële problemen. De EU wil Frankrijk nu al onder curatele stellen want het verder oplopen van de staatsschuld en het begrotingstekort is een regelrechte ondergraving van de euro. Nieuwe, Grieks-achtige ellende, staat ons dan te wachten. Aldus de situatie in Frankrijk, met opmerkelijk veel overeenkomsten met Nederland.

77,8

Woensdag 26 juni, Cadouin

 

Ik moet mijn zelfbeeld bijstellen. De afgelopen week gebeurde het me twee keer.
‘Goh, Gerard, je bent veranderd. Wat ben je afgevallen.’ Mijn weegschaal bewijst dat ze gelijk hebben. Ik ben inderdaad afgevallen, maar dat is een proces dat al lang gaande is. Nu schijnt het voor iedereen zichtbaar te zijn.

Toen ik stopte met werken varieerde ik rond de 84, 85 kilo. Ik dacht dat dit mijn normale gewicht was. Als een instantie vroeg hoeveel ik woog, zei ik zonder aarzelen 84 kilo. De afgelopen vier jaar, vijf jaar werd daar langzaam steeds een beetje van afgesnoept.

Op zich niet gek. Ik was een notoire buiten de deur eter. Als er een aanleiding was om met iemand te lunchen, gingen we lunchen. Hetzelfde gold voor het eten ’s avonds in een restaurant. Geen gelegenheid liet ik ongebruikt. Daar komt bij dat Wyb ook een groot liefhebber is van lekker uit eten. Zeker toen we het beiden nog buitengewoon druk hadden, aten we een groot deel van de week buiten de deur. Ik herinner me de tijd in Arnhem. Restaurant Look in het Spijkerkwartier was een soort huiskamer voor ons. Wij en de kinderen waren er kind aan huis.

In de Drôme zagen we op de camping weer die buitengewoon welvarende Nederlanders in hun caravans en campers staan. ‘Ik weet precies wat wij fout hebben gedaan,’ zei ik tegen Wyb.
‘Ik ook,’ antwoordde ze. ‘We hebben te veel aan de horeca uitgegeven.’ ‘
Klopt, en wij zijn te vaak verhuisd. Bij elke nieuwe baan wilden we boven onze brievenbus wonen. Dit nobele uitgangspunt heeft ons klauwen vol geld gekost. We hadden op één plek moeten blijven wonen en ons huis vrij spelen.’
‘Maar vergeet niet dat wij hebben genoten,’ zegt Wyb. ‘Deze mensen hebben gespaard en keurig geleefd en nu zitten ze tegenover elkaar niets te zeggen aan een campingtafeltje.’
Dat was een troost voor me. En wat hebben we te klagen, we wonen in een van de mooiste gebieden van Europa.

Maar goed. Nadat ik stopte met werken, verminderde gestaag mijn gewicht. In die tijd gingen we niet alleen steeds minder op restaurant (zou de snob zeggen), we (vooral Wyb) kreeg steeds meer tijd om zelf te koken, ze kreeg er steeds meer lol in.
Daar komt bij dat we steeds minder vlees aten. Afgelopen weekend las ik weer een hemeltergende reportage over het vervoer van kalveren en de behandeling van varkens. Ik wil niet zeggen dat ik vegetariër ben, maar het lijkt er wel verdomde veel op. Stress ken ik niet meer, dus die hoef ik niet meer van me af te drinken, het snaaien ’s avonds is stevig gereduceerd. Overdag loop ik al vier jaar gemiddeld 10.000 stappen per dag. Zo komt het dat ik deze ochtend inderdaad een andere man in de ogen kijk, vergeleken met vier jaar geleden, en de weegschaal aangeeft dat ik 77,8 kilo weeg. Ik heb niet het idee dat ik er iets voor heb gedaan.

Cadouin

Dinsdag 24 juni, Cadouin

 

Ik heb het idee dat we steeds meer inwoner van Cadouin worden. Heel lang liep ik hier toch vooral als buitenstaander rond en bezag ik het dorp van afstand. De toestand van het dorp leek me er vooral een van neergang.

De garage van Erik ging dicht, vlak nadat wij hier kwamen wonen. Voordat wij kwamen was net Café Triskel gesloten. Decennia lang was het café het centrale ontmoetingspunt van het dorp. Iedereen die wij erover spraken, sprak er met weemoed over. De situatie was daar regelmatig, tot genoegen van iedereen, totaal uit de hand gelopen.
De bakker sloot nog niet zo lang geleden zijn zaak definitief en ook het beste restaurant in het dorp, Les Terrasses de la Côte Rouge, sloot zijn deuren. Zelfs de ongelooflijk chagrijnige Nederlanders die in een van de grootste huizen in het dorp woonden, hebben het dorp verlaten. Ik zag Cadouin vooral als een dorp op zijn laatste benen. En ons maakte het niet uit, wij waren toch buitenstaanders.

Maar het kan verkeren. Het dorp kent meer dynamiek dan ik dacht. Voor de garage van Erik werd een nieuwe huurder gevonden. Een Engelsman of Amerikaan, precies weten we het niet, is er een carrosseriebedrijf begonnen. Voor de garage staat nu altijd een keur aan oude auto’s.

De verbouwing van Café Triskel is in volle gang. Ook daar is een nieuwe eigenaar voor gevonden. De bakker van Beaumont heeft het pand gekocht en begint er een salon de thé annex bar in, bovendien wordt het een dépot de pain, hij gaat er zijn eigen brood verkopen. Prima, want hij is toevallig een van de beste bakkers van de Périgord. Voor het dorp een belangrijke ontwikkeling omdat Café Triskel, geen idee of het zo blijft heten, centraal in het dorp ligt.

Het blijft niet bij al deze activiteit. Les Terrasses de la Côte Rouge is inmiddels gekocht door een Nederlands stel dat het restaurant gaat voortzetten. Eind juni, dus een dezer dagen, vindt de heropening plaats. Nu maar hopen dat ze goed kunnen koken, we gaan het snel uitproberen. Het Nederlandse stel hebben we nog niet ontmoet.

Het grote huis van het chagrijnige stel is inmiddels verkocht en schijnt gekocht te zijn door een pottenbaker die vanuit zijn atelier daar keramiek gaat verkopen. Cadouin wordt nog een bruisend dorp.

Onze onverschilligheid, ‘en ons maakt het niet uit, wij zijn toch buitenstaanders’, is inmiddels veranderd. Als we op het terras van de pizzeria zitten, komen we steeds vaker in gesprek met mensen, sowieso moeten we steeds meer mensen groeten en de eigenaar van de pizzeria geeft ons zelfs een hand als hij ons ziet. Niet alleen de dynamiek van het dorp kent vooruitgang, ook onze dynamiek van integreren.

Verzameld

Maandag 24 juni, Cadouin

 

Toen we naar Frankrijk verhuisden had ik twee werkdoelen. Het ene doel was een roman corrigeren en redigeren die ik nog had liggen. Het tweede doel was al mijn gedichten die ik ooit heb geschreven doorlopen en een strenge selectie maken. De gedichten waar ik tevreden over ben zou ik dan bundelen.

Van doel een heb ik afgezien. Ik heb de roman wel tevoorschijn gehaald, maar de moed zakte me in de schoenen. Moest ik weer een jaar elke dag gaan zitten schaven en schuiven, het is namelijk nogal een lijvig boek. En als ik dan klaar ben moet ik een uitgever zien te vinden, wat misschien nog wel moeilijker er is dan een jaar corrigeren en redigeren. Velen schrijven romans, het overaanbod is enorm, en dat in een dalende markt. Als een boek al wordt uitgegeven dan is de oplage bedroevend laag. Een debutant op leeftijd, zoals ik, acht ik bij voorbaat kansloos. Of dit een slap of wijs besluit is weet ik niet. Het kan beide zijn, maar het fijne is dat ik hem nu uit mijn hoofd heb gezet. Project mislukt. Sometime you win, sometimes you lose.

Met het tweede doel ben ik regelmatig bezig geweest. Veel gedichten zijn in de prullenbak verdwenen. Ik hield er, denk ik, zo’n tweehonderd over. Ik zette ze in een volgorde die mij goed leek. Schoof er nog eens mee en langzaam ontstond een verzameling. Tot onze India reis er tussenkwam. Het project zat sindsdien in mijn achterhoofd, maar het kwam er niet meer van. Totdat ik terugkwam uit de Drôme. Nu moet het er van komen, dacht ik.

Ik haalde de laatste versie tevoorschijn en daar heb ik er nog eens zo’n dertig gedichten van in de prullenbak gegooid. Zoals de trouwe lezer van Dossiermoddergat weet, staat de titel al decennia vast. De titel van de bundel luidt: Het huis van het weekdier. Ondertitel: Verzameld. Zo nu en dan publiceer ik er een gedicht uit op Het Dossier.

Ook deze bundel ga ik niet naar een uitgever opsturen. Ik weet bij voorbaat dat het een heilloze weg is. Elke uitgeverij ontvangt tientallen bundels per maand, kan trouwens ook per week zijn. Gelukkig leest er nog wel eens iemand een roman, maar een gedichtenbundel, dat is een hopeloze zaak. Lezers weten volstrekt niet wat ze met een gedicht, laat staan een gedichtenbundel aan moeten. Vroeger kon ik me daar over opwinden, maar tegenwoordig berust ik. De poëzie is volledig gemarginaliseerd, en als kunstvorm daarmee vrijwel dood.

Dat neemt niet weg dat ik al die gedichten die ik nu over heb in één boek wil kunnen vast houden. Ik wil er doorheen kunnen bladeren en eraan ruiken. Daarom ga ik ze in eigen beheer uitgeven, zoals ik ook mijn fotoboek in eigen beheer uitgaf bij Uitgeverij Prinsen. Ik zal de bundel aan een aantal vrienden geven. Hier en daar zal ik een stapeltje in een Nederlandse boekhandel in consignatie neerleggen en verder zal het te koop zijn via dit onvolprezen blog.

Als ik de bundel in handen heb, erin heb gebladerd en aan geroken, mag ik sterven. Mission completed.

Lekker omvolken

Zondag 23 juni, Cadouin

 

Een ding is wel duidelijk: als je in de omvolkingstheorie gelooft, word je een verbeten en chagrijnig serpent. Ik vond het fijn die kennismakingsgesprekken met komende ministers. Zagen we meteen wat voor een vlees we in de kuip hebben. Conclusie: het is verre van vers, bedorven zelfs. Wilders vond onlangs de term zuurlinks uit, maar tijdens die gesprekken werd duidelijk dat het een afleidingsmanoeuvre is. De zuurheid zit juist bij zijn eigen paladijnen. Wat keken ze schichtig en chagrijnig om zich heen, wat een bitse en humorloze ellende. Vooral die Marjolein Faber, als je haar ziet hoor je de Duitse laarzen door de straten marcheren.

Die gesprekken gaven me wel een nieuw inzicht over de omvolkingstheorie. Je weet waar het om gaat? De theorie is afkomstig uit Nazi-Duitsland. De aanhangers zijn er van overtuigd dat het witte ras verdrongen wordt door andere volkeren en dat die de Joods-Christelijke cultuur dan overvleugelen en laten verdwijnen. Hogere machten, zoals het World Economic Forum, zouden dat bewust bevorderen door de migratiegolf. Het is allemaal onderdeel van een groter plan. Wappie, wappie dus.

Al luisterend bedacht ik: zij zijn tegen omvolking, maar eigenlijk is die omvolking niet eens zo’n slecht idee. Als ik er goed over nadenk ben ik, als witte man, enorm vóór omvolking. Wat hebben we te verliezen? Heeft dat blanke ras iets goeds voorgebracht? Kijk om je heen, miljoenen slachtoffers in oorlogen (WO1, WO2, enz.), ze vergiftigen de aarde met hun overspannen drang naar geld, ze zaaien haat en nijd. En die Joods-Christelijke traditie, zelfde laken een pak. Het bracht koloniale ellende voort, slavernij, oorlogen, culturen werden kapot gemaakt omdat we zo nodig moesten kerstenen, benepenheid & pietluttigheid. En dan die christelijke mafkezen die zich steeds weer achter Trump scharen.

Dus wat mij betreft: we schaffen de witte cultuur af en laten de Joods-Christelijke traditie achter ons. Als we dat een beetje stimuleren, kan het snel gaan. Iedere witte die met een zwarte trouwt en andersom geven we een flinke bonus. We gaan ons uiterste best doen om zoveel mogelijk rassen en culturen naar Nederland te halen. Hetzelfde geldt voor geloven. Sjamanen, monniken, tovenaars, patriarchen, geloven uit alle continenten: meer dan welkom. En dat alles gaan we zoveel mogelijk mengen.

Na drie of vier generaties zal het al flink merkbaar zijn. We worden vermoedelijk allemaal een beetje bruiner. We gaan allemaal een beetje op elkaar lijken. Weg omvolkingstheorie, hoeven we ons niet meer druk over te maken, weg racisme, weg discriminatie, eindelijk zijn alle mensen gelijk. Niemand meer iets te mekkeren.
Wat de Joods-Christelijke traditie betreft, door al dat mengen komen we er misschien achter dat geloven sowieso een onzinnige bezigheid is en laten we die geestelijke verdwazing achter ons. Het kan niet anders of dat leidt tot meer naastenliefde en onderling begrip.

Kom, laten we lekker omvolken, het zal zeker tot een betere wereld leiden. En als dat niet het geval is, veel slechter kan het niet worden.

Disclaimer voor wappies. Dit blog is niet gesponsord door het World Economic Forum.

Broer

Zaterdag 22 juni, Cadouin

 

Toch nog even over ons uitstapje naar de Drôme. We gingen naar Die omdat het een plaatsje is dat na aan ons hart ligt. In het conservatieve Frankrijk is Die een oase met opmerkelijk veel hippie-achtige figuren. Het is lang geleden dat ik zoveel jonge mensen heb gezien, bij ons in de Dordogne zijn die namelijk erg zeldzaam. Wyb en ik vinden het fijn daar gewoon te zijn.

Dat neemt niet weg dat we ook een sub-doeletje hadden. Volgende maand is het zes jaar geleden dat we Dies als puppy van één dag zagen en Matthieu, de eigenaar van de moeder van Dies, ons toezei dat wij Dies mochten hebben. Het leek ons wel aardig hem te laten weten dat wij erg blij zijn met Dies en Dies met ons.

Aangezien Matthieu een tamelijk instabiel leven leidde, was het de vraag of we hem konden vinden. We liepen naar de plek waar we Matthieu en zijn vrienden voor de eerste keer op straat zagen zitten. Tijdens die eerste keer zagen we zowel de vader van Dies als zijn moeder. Matthieu hield een theedoek in zijn handen waarin twee jonge puppy’s lagen. In een split second besloten Wyb en ik weer een hondje te nemen, gelukkig bleek Dies nog niet verzegd te zijn.

Ook zondag zit er op dezelfde plek weer een groep mannen stevig te drinken. We vragen of ze Matthieu kennen en laten een foto van hem zien. Een man veert op. Matthieu, die kent hij wel, maar die laat zich hier zelden nog zien. Hij woont in een dorpje vlakbij Die in een truck. We leggen uit waarom we Matthieu graag nog een keer willen ontmoeten en vertellen hem dat Dies een zoon van de hond van Matthieu is. ‘Oh, maar dan heb ik hem vroeger heel vaak in mijn armen gehad. Ik lette vaak op Dies. Wij stonden bij de trampoline op de markt en Matthieu nam zijn honden altijd mee.’ Dies wordt uitgebreid geknuffeld. Hij weet ons te vertellen dat de moeder van Dies Misa heet. Hij belooft de groeten naar Matthieu over te brengen en hem te laten weten dat Dies en wij erg gelukkig zijn met elkaar.

De volgende dag zitten we op het terras waar Matthieu, twee maanden nadat we elkaar voor eerste keer zagen, Dies bij ons kwam brengen, waarna we hem mee naar Nederland konden nemen. Terwijl we daar zitten, komt een man langs met een hond die precies op Dies lijkt. Wyb loopt meteen naar hem toe. Zijn hond blijkt een volbloed broer van Dies te zijn. Hij is geboren uit een nestje twee jaar voordat Dies werd geboren, maar ze hebben wel dezelfde ouders.

Hij weet alles van Dies, dat hij uit een nestje van twee honden komt, dat hij naar Nederland is geëmigreerd. Het zusje van Dies is van zijn vader en hoedt schapen hoog in de bergen. Dies wordt opnieuw uitgebreid geknuffeld. De twee broers snuffelen even aan elkaar en hebben het dan wel gezien, al hun aandacht gaat uit naar hun bazen, border collies eigen.

Nou ja, border collies. Wyb krijgt toch gelijk. De vader van Dies was een volbloed border, maar de moeder was voor de helft een border. De andere helft is van een hond die in de buurt van Die veel voorkomt, eveneens een schaapshond. Wyb heeft altijd gezegd dat Dies ook ander bloed in zich heeft, hij blijkt dus voor driekwart border te zijn.

’s Avonds, als Wyb en ik op een terras zitten te eten, zien we de man op een junk-achtige wijze door de stad lopen. Het is duidelijk dat hij moet scoren. Zijn hond loopt trouw achter hem aan. Alleen zijn hond herkent ons. Verderop maakt hij ruzie met twee dealers. Die is een leuke plaatsje, maar opmerkelijk veel inwoners namen in het verleden de verkeerde afslag, afslag drank & drugs.

Broer.

Drôme

Maandag 21 juni, Cadouin

 

Ik zit gebukt aan de oever van de Drôme en maak in de snelstromende rivier een cirkel van stenen. In die cirkel leg ik wijnflessen om ze koel te krijgen. Een paar uur later heeft de Drôme zijn werk gedaan en staren we met een glas wijn in de hand naar de sterren.

De volgende dag maken we een wandeling in Parc naturel régional du Vercors in de hoop gieren te zien. Het pad omhoog is zwaar, het pad is steil en is bezaaid met losse stenen. De paden bij ons in de Dordogne zijn daarbij een verademing. Ook niet altijd makkelijk, maar meestal redelijk goed te lopen. Dit pad doet me weer denken aan de Cevennen. Paden vol stenen, vaak losse leisteen waar je voeten op uitglijden.

Eenmaal boven kijken we tegen grote rotsmuren. Hoog boven die rotsen zie ik stippen zweven. Ik pak de verrekijker, maar de vogels blijven klein, aan de vleugelpunten durf ik wel te zeggen dat het gieren zijn. Nu ik zo kijk, zie ik dat er nog veel meer vliegen, met het blote oog niet te zien. Maar allemaal zijn ze te ver weg om van een geslaagde expeditie te spreken.

Op onze tocht naar beneden zien we waar die paden toe kunnen leiden. Midden op het pad zit een vrouw met een gebroken enkel, drie andere vrouwen om haar heen. Ze wachten op een ambulance die onderweg is. Even daarvoor hadden we in het dal al een sirene gehoord. Als wij verder lopen komen we de ambulancebroeders tegen. Zes man sterk, is hier wel nodig. Even later komen we er nog twee tegen.

De volgende ochtend luisteren we op een terras naar muzikanten die Franse chansons brengen. Wat het podiumkunstenaanbod betreft zijn wij volledig afhankelijk van straatmuzikanten, die in Frankrijk gelukkig vaak een ongelooflijk hoog niveau hebben.

Zo keutelen de dagen in de Drôme voorbij. Wat een leven. Lekker eten, drinken. En ik realiseer me dat het een gewone dinsdag is. In Nederland is iedereen naar zijn werk, zit in vergaderingen of werkt de laatste excel sheets bij. Mijn hele leven heb ik gedroomd van zo’n leven, een beetje wandelen, lezen, kijken, ’s avonds op een terras tot laat dineren.

Het gekke is dat ik mijn arbeidsethos slecht van mij af kan schudden. Waar heb ik het aan verdiend dat ik in een permanente vakantie mag leven? Hoef ik mij echt niet meer druk te maken? Dat is toch raar.
Dat arbeidsethos projecteer ik dan weer op Dossiermoddergat. Al dagen geen blogje geschreven, ik verzuim. Het vakantieleven zorgt ervoor dat ik geen tijd heb een blogje te schrijven. Excuus aan de lezer. Ik ga mijn leven beteren.

Van de camper terug naar het eenvoudig kamperen in een tent. Bevalt uitstekend. Een camper is te groot bezit, te veel techniek. In een tent leven is echt buiten zijn, in een camper bleef ik naar mijn gevoel in een auto zitten.

Eenvoudig kamperen prima. Maar het Nespresso apparaat gaat mee.

 

Misschien moet ik mij als vrijwilliger aanmelden als premier secours. Die wagen en ik, dat matcht wel, vind ik.

Luchtbed

Maandag 17 juni, Die

 

Wyb en ik zijn ons hele leven lang fanatieke kampeerders geweest. En dan bedoel ik niet een glampingtent huren, maar dan heb ik het over kamperen in kleine, lichtgewicht tentjes die je in een vloek en een zucht opzet of het kamperen in een degelijke De Waard tent. Van dat laatste merk hebben we een grote gehad en hebben we nog steeds een middelgroot exemplaar.

In dat kamperen kwam de klad na drie weken kamperen in de regen in Zweden en Noorwegen. De laatste keer dat we gingen kamperen stonden we een week op mul zand, ook geen pretje. Ons plezier in kamperen dachten we in te kunnen ruilen door reizen in een camper. Maar die laatste manier van reizen stimuleerde alleen maar onze onrustige naturen. Na twee nachtjes ergens staan, dachten we dat het aan de overkant van de heuvel toch veel interessanter was.

Sinds enige tijd kwam het verlangen terug naar die De Waard tent die beneden in onze cave staat. Deze week is het dan zover. Tent inladen, gasststel, stoelen, tafel. Ons reisdoel: Die, het stadje waar we ooit Dies hebben gevonden. Het kamperen hebben we een beetje aangepast aan onze leeftijd. We hebben een superfijn luchtbed gekocht dat we elektrisch kunnen opblazen. Hoe ouder een mens wordt, hoe minder zuiver op de graad.

Zelfs een tent opzetten deed ons gisteren weer goed. Het oude romantisch kampeergevoel was er meteen weer. De Waard zette ik zelfs zonder ergernis op, want dat betekent veel te veel haringen de grond in jassen. Maar dan heb je ook wat. Laat de storm komen, ons gebeurt niets.

We stapten in bed op ons strakke luchtbed. Dacht ik nog. De twijfel kwam toen ik in een holletje kwam te liggen. Als Wyb bewoog, kwam ik wat omhoog. Het luchtbed zou toch niet… Jawel hoor, langzaam verdween de lucht onder ons. We kwamen steeds dieper te liggen. Rolden naar elkaar toe. We wisten niet hoe we moesten gaan liggen. Ik moest eruit om te pissen, maar omdat het bed een soort springkussen was geworden, werd het een worsteling uit de tent te komen. We deden geen oog dicht. Omdraaien betekende de ander wakker maken. Totdat we hard op de grond lagen. Weg lucht. Kortom, het werd een onvervalste klote nacht.

Kamperen, bah. Altijd wat. Zo rond vier uur ’s nachts nam ik mij voor om de volgende dag de boel meteen op te breken en een lekker hotel op te zoeken. Een overtuiging die ik ’s ochtends meteen met Wyb deelde. De overtuiging viel niet op vruchtbare aarde. Volgens haar had dit akkefietje niets met kamperen te maken, was het een bedrijfsongeluk. Haar voorstel: gewoon twee nieuwe luchtbedjes kopen en lekker door kamperen. We hadden het gisteren toch fijn gehad? Laten we het nog één kans geven. Ik dacht aan het beroerde hotel waar we ooit in Die hadden geslapen, schimmel op de muren. Ik capituleerde, nog één kans dan. De bedjes zijn gekocht, nu nog een pomp vinden.

Goed nieuws

Zaterdag 15 juni, Cadouin

 

 

Ik heb dit blog maar Goed nieuws genoemd. Het leuke van Dossiermoddergat is dat het politieke schotschriften afwisselt met blogjes over boeken, wederwaardigheden uit ons leven en andere zaken die ik tegenkom. Ik vind het heerlijk om een lekker schotschrift te schrijven, een mens moet af en toe toch leeglopen. Maar het moet natuurlijk niet te gek worden. Met elke dag een schotschrift haken mogelijk toch te veel lezers af, aldus onze marketingmanager. Vandaar aandacht voor goed nieuws dat gaat er altijd in als koek.

Dat valt me moeilijk want er doet zich natuurlijk een nieuw fascinerend fenomeen voor, Marjolein Faber wordt ‘onze’ minister van Asiel. Dat wordt genieten. Ze is een soort reïncarnatie van de weduwe Rost van Tongeren en ze kleedt zich het liefst naar de laatste NSB-mode. Wat wil zeggen dat ze zich kleedt met de afdankertjes uit 1945. Citaat van mevrouw Faber: ‘Als ze je haten dan is het goed.’ Aan die vrouw gaan we ontzettend veel plezier beleven, wat ik je brom. Mochten er inderdaad tribunalen en kampen komen, dan is het duidelijk wie als eerste als kampcommandante gaat solliciteren.

Genoeg. We zouden het hebben over goed nieuws (maar je ziet hoeveel moeite ik in deze tijd heb om geen schotschrift te schrijven). Het goede nieuws is dat Wyb en ik een nummer hebben, een huisnummer. Eeuwenlang had ons huis geen huisnummer, maar sinds een paar weken wel: nummer 341. Klinkt misschien raar, want ons weggetje heeft maar drie huizen. Die 341 heeft niets met de volgorde van onze huizen te maken, zoals in Nederland. Die 341 is het aantal stappen dat we verwijderd zijn van het dorp. Onze buurvrouw zal 235 hebben of zoiets.

Onderstaande foto laat meteen onze onhandigheid zien. We kregen een mooi plaatje met ons huisnummer, samen met wat schroeven en moeren. Kunnen we hem mooi aan onze brievenbus bevestigen. Maar ja, waar onze le maire geen rekening mee heeft gehouden is dat er mensen zijn die geen boor hebben. Vandaar dat we het huisnummer op de brievenbus hebben gezet, geklemd tussen twee stenen. Heel decoratief, maar een beetje wankel.

Ander goed nieuws over onze catalpa, ook wel parapluboom genoemd. Wij houden van onze catalpa. De afgelopen weken heb ik mij echter ernstig zorgen gemaakt over zijn gezondheid. De vorige jaren was het een imposante potente boom die meteen vol trots zijn bladerpracht liet zien. Dit jaar kwam hij maar langzaam uit zijn schulp. Ik vreesde het ergste. Het ergste wat een catalpa kan overkomen is schimmelziekte. Alle zorgen voor niets. Want de boom is weer tot volle bloei gekomen en maakt zijn belangrijke functie als onze beschermer tegen de zon alweer volledig waar.

Ten slotte de mededeling dat De Blogger, De Censor en Hun Hond het oosten van Frankrijk gaan verkennen. De aankomende dagen rijden wij af naar Die in de Drôme in de hoop dat wij de man tegenkomen van wie wij Dies gratis en voor nop kregen. We willen hem toch nog onze dank betuigen en laten zien dat Dies tamelijk goed terecht is gekomen. Dies verheugt zich het minst op deze reis, want als autistische hond is hij het liefst in eigen omgeving waar hij zijn dagelijkse rooster ziet uitgevoerd.

We proudly present: de Catalpa.

Dies in zijn geliefde habitat.

Bad people

Vrijdag 14 juni, Cadouin

 

Where good people are, good people come. Ik hoorde deze uitspraak voor de eerste keer begin van deze eeuw uit de mond van een collega die bestuurslid was van Dogtroep. Ik zat aan die bestuurstafel als nieuwe directeur van Dogtroep. Ik was als interim gevraagd om leiding te geven aan dit legendarische gezelschap op het dieptepunt van zijn bestaan. De makers waren volledig op elkaar uitgekeken en niemand wist hoe het verder moest. Ik ook niet eigenlijk. We stelden een nieuw artistiek leider aan, maar het was uitstel van executie. Dogtroep was gewoon op.

Die uitspraak is altijd een belangrijke leidraad in mijn leven geweest. Zet een paar goede mensen bij elkaar en er ontstaat een soort vliegwieleffect. Goede mensen trekken goede mensen aan, toch een mooi gegeven. Dank aan die oud-collega.

Maar de afgelopen tijd besef ik dat het omgekeerde ook waar is. Where bad people are, bad people come. Het bewijs speelt zich al weken voor onze ogen af. Ik denk dat we het erover eens kunnen zijn dat Geert Wilders een uitgesproken bad people is. Hij is een rancuneuze, vileine, rücksichtslose, borderline-achtige etterbak. Maar hoe kan het dan dat hij zoveel kiezers trekt? Het zegt veel over het niveau van een groot deel van ons land: intellectuele gehalte zero, verwendheidsquotum maximaal, zelfoverschattingsniveau diep in het rood, egoïsme onverantwoord hoog, maatschappelijke kennis nul nada, en op dat soort lieden hebben Grote Bekken & Klootzakken een niet te weerstane aantrekkingskracht.

En de ene Grote Bek trekt de andere Klootzak aan. Grote Bek en Enige Leider van een samenwerkingsverband dat hij partij noemt, heeft nul geïnvesteerd in kwaliteit omdat hij dacht geen kwaliteit nodig te hebben. Wie had gedacht dat hij ooit de grootste zou worden? Hijzelf zeker niet. Gevolg is dat hij zit opgescheept met een stelletje kreupele ja-zeggers, minkukels en halve en hele criminelen.

En het cynische. Favoriete bezigheid van Grote Bek: het afgeven op die verschrikkelijke PvdA. Vermoedelijk tot zijn eigen verbijstering heeft hij het tot nu toe alleen gered met behulp van PvdA’ers, welwillend informeren en formeren ze hem naar zijn 1e kabinet.
Maar ja, het kabinet staat op de drempel van starten en nu moet Grote Bek het doen met zijn Klootzakken. Zie daar maar eens competente bestuurders van te maken. Zoals good people worden beloond met good people, zo worden bad people gestraft met bad people.

De enige lol die ik er als eenvoudig bloggertje aan ontleen is dat ik aan de zijlijn handenwrijvend kan genieten van de demasqué van de Grote Bekken & Klootzakken. Hoogmoed komt voor de val en laten we hopen dat ze zich stevig schaven bij die val.

Lydia Davis

Donderdag 13 juni, Cadouin

 

Ik kan me voorstellen dat mensen mij een zwerver vinden. Dan weer woon ik hier, dan weer daar. Wat mensen niet zien is dat ik mijn wortels altijd meeneem. Wonen is ook maar een plek waar je een tijd of een tijdje woont. Mensen die hun hele leven op één plek wonen kunnen, omdat ze geen wortels hebben, best zwervers zijn. Door mijn wortels voel ik mijzelf dus geen zwerver.

Als het om boeken gaat, ben ik wel een zwerver. Ik laat mij bij het lezen graag leiden door het toeval. Omdat een vriend me een citaat stuurde uit Het lied van de profeet, las ik onlangs dit boek van Paul Lynch, die er de Pulitzer prijs mee won. Het is prachtig en hij beschrijft in deze dystopische roman wat er gebeurt als Wilders zijn wereldbeeld uit de ijskast haalt. Omdat ik terug wilde naar jeugdherinneringen las ik Narziss en Goldmund van Hermann Hesse. In een recensie in NRC las ik over Uit de eerste hand van Martin Amis. Reden om het boek te lezen. En zo stuiter ik door de literatuur heen.

Boekenbijlagen en tips van vrienden zijn voor mij de belangrijkste triggers om een nieuw boek te lezen. Of liever, mij te storten op een nieuwe schrijver. Elke keer als ik een schrijver ontdek die mij boeit, en waarvan ik meer wil lezen, is dat een feest voor me.

Zo ontdekte ik een paar dagen geleden de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis. Als ik een artikel lees over een boek dat me interessant lijkt, maak ik een aantekening. Ik schreef de naam van Lydia Davis op omdat ze zeer korte verhalen schrijft. Dat begrip, ZKV, kennen we in Nederland van een andere lievelingsschrijver van mij, A.L. Snijders, zijn oeuvre heb ik verslonden en regelmatig herlees ik een paar ZKV’s.

Ik verkeerde in de veronderstelling dat A.L. Snijders de uitvinder van de ZKV is -en dat blijkt een vergissing. Het Zeer Korte Verhaal kent een langere traditie in het buitenland en Lydia Davis is daar een belangrijke vertegenwoordigster van. Overigens. Verrassing! Zij blijkt de Amerikaanse vertaalster van het werk van Snijders te zijn.

Eerlijk gezegd vind ik dat Lydia Davis de titel schrijver van Zeer Korte Verhalen meer verdient dan A.L. Snijders. In strikte zin schreef Snijders geen verhalen, dat wil zeggen, hij schreef geen fictie. De teksten van Snijders zou je beter Zeer Korte Essay (ZKE) of Zeer Korte Memoire (ZKM) kunnen noemen, want echte fictie schreef hij naar mijn weten niet, of zijn hele oeuvre moet fictie zijn. Lydia Davis daarentegen schrijft onvervalste fictie. Niet dat ze belangrijk zijn die etiketten, maar het kwam gewoon even in mij op.

Daarnaast schreef Davis essays, artikelen en vertaalde ze boeken uit het Frans en dus ook uit het Nederlands. Haar essays en artikelen zijn gebundeld in De schoonheid van weerbarstig proza (mooie titel!). Ondertitel: over schrijven, lezen en kijken. Ik heb het boek meteen gedownload, evenals haar verhalenbundel Onze vreemden. Ik dompel mij nu onder in Lydia Davis. Ik heb nu dus weer voor weken leesvoer, het leven is vurrukkuluk.

Tonsuur

Woensdag 12 juni, Cadouin

 

Soms schrik je van jezelf. Ik zit op de grond in de tuin. Wyb zit tegenover me, Dies naast ons. We strekken onze armen naar elkaar zodat onze handen op elkaar liggen. Het is dan de bedoeling dat Dies zijn poot erop legt. Een voor allen, allen voor een. Maar elke keer is hij te enthousiast omdat hij weet dat hij een koekje krijgt. Hij slaat zijn poot hard op onze armen. Connie, die met twee vriendinnen op bezoek is, maakt een foto van het tafereel en stuurt me die de volgende dag op. En dan zie ik het: ik ben een echte monnik.

Sinds ik hier in eenzaamheid op een berg woon koketteer ik met het idee dat ons huis een klooster is en ik een monnik. Als Wyb aan het werk is, en dat was ze vorig jaar erg veel, dan voel ik mij ook zo, een eenzame monnik. Nou ja, een monnik die alleen is. Ik heb mijn eenzaamheid vrijwillig opgezocht. Maar als je voor jezelf een beeld creëert, heb je grote kans dat je het ook wordt. En dat zie ik nu op de foto. Op mijn hoofd zit zo’n ronde kale plek die monniken altijd hadden, mijn haar (dat te lang is) als een krans er omheen.

‘Hoe heet zoiets ook alweer, zo’n kale plek met van dat haar er omheen? Een monnikenkrans?’ vraag ik aan Connie via de app.

Ze weet het antwoord: ‘Tonsuur.’
Prachtig woord tonsuur, ook wel kruinschering genoemd. Vroeger bij de Kelten was het al een teken van rouw, onderwerping of toewijding aan de goden, lees ik op internet.

In de rooms-katholieke kerk is die tonsuur overgenomen door de monniken. Met het scheren van zo’n ronde plek het hoofd lieten ze symbolisch alle ijdelheid achter zich zodat zij zich volledig op het geestelijk leven konden richten. Op die manier lieten ze zien dat je celibatair was en je volledig aan het geloof had toegewijd. En natuurlijk verwijst zo’n mooie haarkrans naar de doornenkroon van Jezus. De cirkel is dan rond. Pas in 1972 werd de tonsuur afgeschaft.

Blijkbaar, als je heel vaak zegt dat je een monnik bent, ontstaat dus vanzelf zo’n tonsuur. Het klopt dat ik alle ijdelheid achter mij heb gelaten, maar celibatair ben ik totaal niet. Toch heeft de natuur bepaalt dat ik zo’n tonsuur heb verdiend. Jammer, want liever had ik mijn vroegere bos krullen terug. Ik onderwerp mij aan de ouderdom.

Afstand

Dinsdag 11 juni, Cadouin

 

Een vriend appt:’Ongeveer 30% RN, hoe voelt dat en wat merk je ervan?’ Met RN bedoelt hij het Rassemblement National, de radicaal-rechtse partij van Marie Le Pen.

Ik antwoord: ‘Tsja, feitelijk merk ik er hier niets van. De reeën grazen gewoon door. Het is hier diepe provincie, het leven gaat zijn gewone gang. En eigenlijk is het natuurlijk niet anders dan de situatie in Nederland: beroerd. Er komen nieuwe verkiezingen, dat zal veel commotie teweeg brengen, maar hier in Cadouin niet, vermoed ik. Er zijn hier te weinig mensen om commotie te veroorzaken. Ik zal het via de media volgen, net zo als jij dat in Nederland doet, en mij verbazen en boos maken dat mensen zo weinig van de geschiedenis leren.’

Het is toch een rare positie waarin Wyb en ik zitten. Eigenlijk horen we nergens bij. We wonen weliswaar in Frankrijk, maar eigenlijk krijgen we niets mee van de Franse politieke perikelen, alles wat we meekrijgen halen we uit Nederlandse kranten. Fransen kranten lezen we niet en het contact met Fransen is beperkt en als het er is, is het oppervlakkig. Een diepgaande discussie over de Franse politiek kan ik me hier met niemand voorstellen. Alleen al omdat het onderwerp weinig mensen hier in het dorp schijnt te raken. Op straat en op de terrassen zie ik in ieder geval niemand zich boos maken over het feit dat Macron op zo’n korte, bijna onredelijke termijn verkiezingen uitschrijft.

Nog even over onze positie hier. In mijn beleving wonen we eigenlijk nog steeds in Nederland, alleen hebben wij ons teruggetrokken diep in de bossen, ver van het centrum. Dat komt natuurlijk omdat alles wat we doen Nederlands is, voor mij geldt dat nog meer dan voor Wyb. Ik lees Nederlandse kranten, kijk Nederlandse televisie, maar de dagelijkse discussie aan het koffieapparaat moet ik natuurlijk missen. Je kunt zeggen dat afstand mijn positie bepaalt: afstand van Nederland, afstand van Frankrijk.

Het is een positie waar ik wel mee bezig ben. Ik voel me er senang bij, heb er tijdens mijn werkzame leven naar verlangd, aan de andere kant is het voor mij ook een vreemde positie. Mijn hele leven heb ik mij met van alles en nog wat, vaak luidruchtig, bemoeid en nu zit ik voor een raam met uitzicht op een vallei vanaf een berg alleen nog blogjes te tikken. Ik ben in alle opzichten een buitenstaander geworden.

Even later krijg ik nog een app’je van mijn vriend: ‘We hebben hier nu al proletenbakken van Audi of BMW in bijna legergroen. Men kan niet wachten, ze hebben zo’n zin in oorlog. Alles kan en mag weer. Geld zat voor de oorlog.’

Ik antwoord: ‘En wat het fijne is van de oorlog, je hoeft je niet meer te vervelen. Eindelijk iets te doen.’

Behagen

Zondag 9 juni, Cadouin

 

Op mijn Facebook tijdlijn verscheen de vraag of kunst, met de komst van een bruin kabinet, sowieso niet rechtser moet worden. Er ontstond een discussie of kunst de laatste decennia eigenlijk niet te links was geweest.

Op zich niet gek dat die discussie ontstaat, want iedere ontvanger van subsidie weet dat elke nieuwe staatssecretaris nieuwe criteria met zich meebrengt. Dan moesten we weer topkunst maken, vervolgens marktgericht worden, de wijken ingaan, de eigen inkomsten opvoeren, connectie aangaan met amateurkunst, diversiteit stimuleren, meer aan spreiding doen, werken aan fair pay, zorgen voor verbinding en maatschappelijke relevantie en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Ik heb theatermakers zichzelf zien verloochenen, kopje onder zien gaan, in hun poging te voldoen aan de zoveelste nieuwe beleidseisen uit Den Haag. Ik geef toe dat ik lang onderdeel ben geweest van dat proces. Sterker, ik heb menig subsidieverzoek de deur uitgedaan dat perfect paste bij de wensen van nieuw beleid. Ik moet zeggen, met toenemende weerzin. In het begin geloofde ik er nog wel in, maar ik begon mij steeds meer toch de hoer van de kunsten te vinden. Al dat gedraai om de politiek te behagen, het gaat zo voorbij aan het wezen van de kunst. Ik zag dat de overheid kunstenaars dwingt veel van hun energie te steken in zaken die er niet toe doen en volledig voorbij gaan aan de ziel van de kunsten.

Die ziel is namelijk niet te sturen, al lijkt het van wel omdat bijna altijd alle beleidsdoelstellingen werden gehaald. In de evaluaties die ik na vier jaar schreef, bleek altijd weer dat wij perfect hadden voldaan aan de beleidseisen. Daar ga je weer, hoer, dacht ik als ik de envelop op de bus deed.

Zorgde al dat beleid voor betere kunst? Absoluut niet. Een groot deel van de organisatie, en de aandacht van kunstenaars, ging uit naar het voldoen aan politieke criteria. Na alles wat ik heb ervaren en gezien, denk ik dat kunst in eerste instantie los staat van welke politiek en criteria ook. Goede kunst huist namelijk in persoonlijkheid. De kunstenaar is de ziel van de kunst. Hoe meer persoonlijkheid, hoe interessanter zijn kunst. In laatste instantie, als de kunst gemaakt is en beoordeeld kan worden, kan de kunst worden geïnterpreteerd en kun je er politiek duiding aan geven.

Overigens is aan heel veel kunst absoluut geen politieke duiding te geven, gewoon omdat het resultaat politiek gezien onduidelijk is, niet relevant is, totaal anders is georiënteerd. Was Kafka nou links of rechts? Niet relevant. Zijn de schilderijen van Rembrandt verbindend? Niet relevant. Waarom hield Nescio in zijn verhalen geen rekening met het Nederlands kolonialisme? Niet relevant. De kunst is, net als de mens zelf, het meest ongrijpbare waar mensen mee bezig zijn.

En daar zit hem natuurlijk de kneep, de politiek houdt niet van ongrijpbare zaken waarvan de uitkomst ongewis is. Terwijl daar juist de essentie van kunst ligt: kunst is zoeken, is avontuur. Resultaat: onbekend. Als je de kunstenaar tenminste in vrijheid laat werken. Het is toch opmerkelijk dat bij de gesubsidieerde kunsten in evaluaties vrijwel nooit iets echt mislukt. Alleen dat al wijst op de onoprechtheid van veel door politiek gestuurde kunst.

Koffie

Zaterdag 8 juni, Cadouin

 

Laten we even stilstaan bij koffie. In mijn vorige blog vertelde ik dat Fransen koffie vaak jus de chaussettes noemen, sokkenwater. Waaruit blijkt dat ze zelf ook geen hoge pet op hebben van hun koffie.

Gelukkig krijgt De Blogger weinig weerwoord op zijn blogs. Ooit begon hij met een soort forum waarop de lezer kon reageren, maar dat vond De Blogger toch te vermoeiend. De ene reactie lokte de andere weer uit en op een gegeven moment was De Blogger meer aan het reageren dan aan het bloggen. Weg forum.

Sinds kort heeft Dossiermoddergat een zeer kritische Corrector in dienst en hij wil zich nog wel eens een opmerking permitteren. Zo liet hij mij weten dat hij mijn opmerking over dat sokkenwater veel te mild vond. De koffie in Frankrijk had echt een hardere benadering nodig. Zo schreef hij: ‘Ik ben van mening dat koffie bestellen in Frankrijk vrijwel altijd resulteert in een kopje ondefinieerbare drekzeug. Of er worden vreemde interpretaties geserveerd, waardoor een cappuccino verwordt tot koffie met slagroom. (….) We streken twee weken geleden neer bij Café Gondree, het allereerste huis dat op 6 juni 1944 werd bevrijd in Frankrijk. De koffie werd gezet op een goede machine, terwijl ik toekeek…. het werd ongelooflijke bocht….’

De Corrector heeft een punt. Ik wil beginnen met in ieder geval een belangrijke waarschuwing: koop in Frankrijk nooit koffie in een van de talrijke wegrestaurants. De laatste keer dat Wyb en ik naar Nederland reden namen we toch weer een kop koffie bij zo’n liefdeloos etablissement. Je bent verslaafd of niet. Eenmaal buiten namen we een slok en het was zo smerig dat we het volledige bekertje in de afvalbak hebben gedumpt. En dat was niet de eerste keer. Hoe vaak gebeurt het niet dat wij, als wij op een terras zitten, de koffie in een plantenbak moeten lozen.

Het gekke is, je gaat de Pyreneeën over en je treft in Spanje een perfecte koffiecultuur aan. Als je iets bestelt, weet je wat je krijgt en dat weet je in Frankrijk nooit. Als je een café crème bestelt heb je grote kans dat je koffie krijgt met een kannetje lauwe melk ernaast. Zeker als je uit Nederland komt met zijn excellente koffiecultuur, en in elke straat twee hipsterkoffietentjes, is koffie in Frankrijk best een dingetje.

Je vraagt je af hoe het kan. Frankrijk staat zich toch voor op zijn rijke gastronomische traditie, zijn verfijnde smaak. Vandaar dat De Blogger zich over deze kwestie heeft gebogen en tot de volgende conclusies is gekomen.

– Wat koffie betreft heeft Frankrijk geen referentiekader. In het verleden dronk men voornamelijk wijn. Koffie nam je hoogstens ’s ochtends om wakker te worden en je croissant in te dopen. Daarna trok je een fles wijn open.

– De Fransen hebben onder andere geen referentiekader omdat ze niet reizen. Waar Wyb en ik ook heen reisden, geen Fransman te bekennen. De Fransman blijft liever thuus. Zodoende komen ze niet in aanraking met andere koffieculturen. Ze weten dus gewoon niet wat ze missen.

– Koffie is bij ons een sociaal smeermiddel. Wat doe je als eerste als de loodgieter voor een klusje langskomt? Je biedt een kop koffie aan. Zo’n smeermiddel moet lekker zijn, dus je past wel op om jus de chaussettes te serveren. Als je hier een loodgieter een kop koffie aanbiedt kijkt hij je verbijsterd aan.

Kortom: er is nog een lange weg te gaan. Mijn aanbeveling: educatie is noodzaak. Laten we cursussen koffie zetten organiseren en proeverijen. Alleen al uit puur eigen belang.

Stoïcijn

Vrijdag 7 juni, Cadouin

 

Wyb en ik zitten met Connie en Judith aan een terrastafeltje op het marktplein van Monpazier. We zitten op het terras van onze favoriete koffietentje Café Ecureuil. In Frankrijk weet je, als je koffie bestelt, eigenlijk nooit wat je krijgt. Veel koffie is, wat de Fransen noemen, jus de chaussettes, sokkenwater. Maar bij Ecureuil is de koffie meer dan lekker.

We waren voor de markt naar Monpazier gegaan, maar na een kort rondje en het kopen van een krop sla zitten we lang op het terras. Het gesprek vlindert, zoals zo vaak, van het een naar het andere. Maar op een gegeven moment komen we op het stoïcisme. Dit komt omdat Judith een studieweek heeft gevolgd over het stoïcisme. Judith is de enige dr. in onze familie. Aan de Universiteit van Wageningen doet zij belangwekkend onderzoek naar koeien. Maar op een gegeven moment had ze gewoon behoefte om even iets totaal anders te bestuderen en dat werd het stoïcisme.

Aan het tafeltje in Monpazier geeft ze ons een introductiecollege over het stoïcisme. Het is natuurlijk onmogelijk om deze stroming in een blogje weer te geven. Maar zoals ik het heb begrepen heb je jezelf en de wereld. Op jezelf heb je vat, jezelf kun je sturen en beheersen. Op alles buiten jezelf heb je geen invloed. Dat overkomt je en je moet je je daar niet druk over maken, want dat heeft geen enkel nut. Andere belangrijke noties: alles heeft met alles te maken. Je kunt de wereld niet opknippen in deelgebieden, alles en iedereen is onderdeel van de wereld. Misschien daardoor zit er ook een een moreel aspect aan vast. Een stoïcijn wordt geacht ook zijn sociale plichten te vervullen. Dit wordt gezien als een natuurlijk bestanddeel van het leven in de menselijke gemeenschap. Het leven in de overeenstemming met de natuur is een belangrijk doel. Uiteindelijk, is de bedoeling, resulteert dit in een gelukkig leven.

Aldus een heel moeilijk onderwerp uitgelegd in nog geen minuut.

Terwijl we aan dat tafeltje geanimeerd aan het praten zijn, heb ik met een schuin oog al gemerkt dat we met belangstelling worden gevolgd door een man en een vrouw aan het tafeltje naast ons. Als wij eindelijk opstaan, vraagt de vrouw tijdens ons weggaan: ‘Wonen jullie hier permanent of zijn jullie hier als toerist?’
Ik vertel haar dat Wyb en ik hier permanent wonen.
‘Ja, dat dacht ik al,’ zegt ze. ‘
‘En waarom dacht u dat al?’ vraag ik.
‘Ja, dat zie je gewoon. Zelf willen we hier ook permanent gaan wonen. We zijn opzoek naar een perceel waar we kunnen bouwen.’

Omdat we ons lopende steeds verder van het tafeltje verwijderen vraag ik haar niet waaraan ze dat dan kan zien. Maar het houdt me wel de rest van de dag bezig. Waaraan kun je nou zien dat wij hier permanent wonen? Zien we er wereldvreemder uit omdat we aan de rand van de wereld wonen? Bewegen we ons vrijer omdat we totaal relaxed zijn? Zien we er wat slonzig uit omdat we verder geen sociale verplichtingen hebben en veel te laat naar de kapper gaan? Zien we er gezonder uit omdat we voor een groot deel buiten leven? Ik hoop ze nog een keer tegen te komen om haar antwoord te horen. Zonder dat we onszelf bewust zijn, zijn Wyb en ik dus veranderd in mensen die permanent in de Dordogne wonen. Omdat het me fascineert denk ik dat ik geen stoïcijn ben. Helaas ben ik niet, zoals de ware stoïcijn, onverstoorbaar.

Onvervreemdbaar

Donderdag 6 juni, Cadouin

 

Vandaag twee dingen. Een protest. En troost.

 

 

Onvervreemdbaar

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.

Zij waren het van kinds af aan.

Hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdelozen voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan,
de enigen die ons nooit verstoten.

 

Ida Gerhardt

Straaljager

Woensdag 5 juni, Cadouin

 

De geschiedenis van een ochtend. We zitten op de veranda en genieten van onze koffie en de zomer.

En dan is opeens alles anders. Bulderend lawaai. De lucht trilt. Ik krimp ineen. Het is beangstigend. Een straaljager vliegt op honderd meter pal over ons huis. Omdat hij zo laag vliegt, pal boven je hoofd, hoor je hem niet aankomen. Opeens is het geluid totaal.

Hoe meer rust je zoekt, hoe groter de kans dat je met straaljagers krijgt te maken, weet ik inmiddels. Hetzelfde in Moddergat. De Wadden zijn een ideaal oefengebied en voor de Dordogne geldt hetzelfde. Ik begrijp dat je een straaljager niet op honderd meter over een stad laat vliegen. Hoe minder mensen ergens wonen, hoe meer geschikt voor vliegoefeningen. Gelukkig gebeurt het hier in de Dordogne ongeveer eens in de twee weken dat je hart stilstaat. Aan het geweld van een straaljager wen je nooit.

Toeval. Even daarvoor had ik aan Benne geschreven: ‘Valt het jou ook op dat de oorlog onze samenleving binnen sijpelt? We worden klaargemaakt voor de echte ellende lijkt wel.’
Ik schrijf het omdat ik zojuist in de krant heb gelezen dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken adviseert dat de Nederlandse bevolking moet leren wat te doen als bij een aanval van een vreemde mogendheid de basisvoorzieningen wegvallen en iedereen 72 uur op zichzelf is aangewezen. In Finland bestaat zo’n cursus al en wordt op grote schaal gevolgd. Het lijkt de Adviesraad goed dit ook voor Nederland op te zetten.

In de NRC lees ik even later een groot artikel dat steeds meer Nederlanders bereid zijn te vechten, en te sneuvelen, voor het vaderland. Het gaat liefst om 49% van de jongeren die daartoe bereid is. In Den Haag filosoferen ze al over diverse manieren om de dienstplicht weer in te voeren. Langzaam sluipt de oorlog dichterbij, denk ik bij het lezen.

En alsof het deze ochtend niet op kan luister ik naar een podcast waarin Geert Mak de huidige situatie analyseert. Volgens hem zijn we in een nieuw tijdperk beland. Tot nu toe spraken we altijd over de naoorlogse periode, hij is er inmiddels van overtuigd dat we gaandeweg leven in een vooroorlogse periode. Het feit dat de nieuwe regering vooral een Ot en Sien oriëntatie heeft, beschouwt hij als buitengewoon naïef. Het antwoord in dit vooroorlogse tijdperk is volgens hem Europa. Alleen daardoor kunnen we ons sterk maken in het geopolitieke geweld.

En daar sta ik dan als ex-pacifist. Een leven lang geen oorlog meegemaakt, oorlog afgewezen, zelfs geprotesteerd tegen alles wat militair is. Als er nu zo’n straaljager over mijn kop dendert denk ik: tja, het moet ergens gebeuren en zie ik het als opoffering voor de goede zaak. Die ontwikkeling van pacifist naar ex-pacifist is met schokken verlopen. Poetin gaf daarin de laatste zet.

Het zal me toch niet gebeuren dat mijn tot nu toe oorlogsvrije leven eindigt tijdens een oorlog. Ik vond het zo geweldig dat ik waarschijnlijk tot een van de weinige generaties in de geschiedenis behoorde die geen oorlog heeft meegemaakt. Maar het kan verkeren.

Fly on the wall

Dinsdag 4 juni, Cadouin

 

God, was ik maar a fly on the wall. Daar zou ik wat voor over hebben. Ik weet precies waar ik heen zou vliegen. Namelijk naar de woonkamer van Geert Wilders. En als hij daar het licht uitdoet, vlieg ik naar zijn slaapkamer. Gewoon rustig ergens zitten en alleen maar kijken. Het moet natuurlijk niet op een witte muur zijn. Voordat je het weet slaat hij je dood.

Ik zie het helemaal voor me. Ik zat op een lampenkap op de woonkamer van Geert Wilders op het moment dat Dilan Yesilgöz zegt dat ze na de verkiezingen de PVV niet uitsluit.

Wilders zit thuis op de bank met zijn vrouw Krisztina te kijken naar een toespraak van Donald Trump op de Amerikaanse televisie. Puur genieten. En dan krijgt hij op zijn mobiele telefoon een pushbericht.
‘Krisztina, moet je nu horen, die Yesilgöz sluit samenwerking met de PVV niet langer uit. Dit betekent lieve schat dat we groot gaan worden, heel groot.’ Hij staat op en danst met wat onhandige bewegingen een rondje om de bijzettafel. ‘Lieve schat, Wilders 1 is in aantocht!’ En hij loopt opgewonden naar de keuken om een mooie fles champagne uit de wijnkast te halen.
En ik was daar dan bij.

Zo vraag ik me altijd af hoe Wilders slaapt. Slaapt hij meteen in? Of ligt hij nog lang te woelen? Wordt hij ’s nachts onrustig wakker of maft hij gewoon door. Dat laatste kan ik me niet voorstellen, maar als fly on the wall kom je daar gewoon achter.

Het kan toch niet anders of hij moet lang wakker liggen. Al dat getwitter, dat getuur op zo’n scherm schijnt nogal slecht te zijn voor de slaap. Maar sowieso, heb je op een dag getwitterd dat moslima’s een kopvoddentaks moeten gaan betalen. Dan moet je, als je ’s avonds net op bed ligt, toch denken: wat ben ik toch eigenlijk een lul. Waar ben ik mee bezig, al dat gestook, die ellende zaaien… Maar ja, het werkt wel. Maar moet ik daar nou mee doorgaan? Die Martin Bosma kan zo’n verkeerde invloed op mij hebben.
Hij wil er graag met Krisztina over praten, stoot haar even aan, maar ze ligt diep te slapen. Uiteindelijk ziet hij het nog 3 uur op zijn mobiele telefoon worden. Hij slaapt in met de bevredigende gedachte dat het in ieder geval insloeg als een bom.

En sinds die verkiezingswinst heeft hij heel wat liggen draaien in zijn bed. Kan niet anders. Moet hij informateurs, formateurs benoemen, moet hij weer gebruikmaken van leden van andere partijen, zelfs van de PvdA. Vervelend, voelt best als een afgang. Regelmatig loopt hij zijn fractieleden langs. Als er nou maar iemand bij was die politiek iets kon. Maar ja, het enige selectiecriterium voor hem was of ze ja konden knikken. Heeft hij nu best spijt van. Zit hij nu mooi mee opgescheept.

Tegenwoordig ziet hij het regelmatig 3 uur worden op zijn mobiel. Soms zelfs 4 uur. Wat hij het ergste vind is dat hij moet samenwerken met zo’n Omtzigt of Van der Plas, wat een kneuzen. En dan die slang van een Yesilgöz. Best willen samenwerken met de PVV? Ze zit hem in alles dwars. Nou ja, hij beschouwt het maar als een diepte-investering, gewoon wachten tot hij de absolute meerderheid heeft. Oh, wat zal hij die ijskast openen, dat stelletje minkukels krijgt nog wel met hem te maken. Nou moet hij weer plassen. Zo komt de slaap nooit. Die vlieg bij zijn leeslampje irriteert hem ook mateloos.

Blaffen

Maandag 3 juni, Cadouin

 

Als je ons weggetje richting Belvès loopt, heb je halverwege links een pad dat uitloopt in een kleine vallei die doodloopt op heuvels met ondoordringbaar bos. Er hangt iets magisch in dat valleitje waar je altijd onbespied bent. Daarom loop ik er graag met Dies even in als ik hem uitlaat.

Halverwege blijf ik staan. Zo’n honderd meter voor me zit een jonge vos. Hij zit in de zon waakzaam te kijken en zijn vacht kent alle tinten bruin en rood. Het is de derde keer dat ik op relatief korte afstand van een vos sta. Ik snap niet waarom hij zo blijft zitten. In deze bossen kan een vos zich dat eigenlijk niet permitteren.

Zo voorzichtig mogelijk probeer ik de aandacht van Dies te trekken. Ik hou mijn wijsvinger strak naast me. Dies begrijpt gebarentaal en komt naast me zitten. Maar omdat ik zomaar halverwege de vallei stilsta, weet hij dat er iets bijzonders aan de hand is. Ik zie hem alert kijken. En verdomd, dan ziet hij de vos. Ik vermoed dat hij denkt dat het een poes is, hij schiet als een kogel van me vandaan, dan denk je dat je een hond goed hebt opgevoed. Over de vos maak ik me geen zorgen. Hij schiet eigenlijk op het zelfde moment weg als Dies. Die zich na veertig meter weer omdraait.

Tegen het vallen van de avond besluiten Wyb en ik nog een wandeling te maken langs de weiden waar reeën zitten. Als we de deur uitlopen is het meteen raak. We staan nog niet op ons weggetje of op het einde van onze vallei staat een ree. Ze kijkt waakzaam, dan loopt ze behoedzaam weg in de begroeiing naast de beek. Reeën kunnen oplossen in het niets.

We lopen door tot het huis van Laurent, onze tuinman. Hij woont op een heuvel en vanuit het weggetje langs zijn huis heb je mooi zicht op de tegenoverliggende heuvel. Ik kijk en zie niets. Wyb pakt mijn arm: ze wijst en geeft me de verrekijker. Verdomd, een reebok staat ons aan de overkant strak aan te kijken. We staan zo een minuut tegenover elkaar.

Dan pas ziet de bok Dies lopen. Hij snelt het bos in. En dan horen we wat we al diverse keren hebben gehoord: het blaffen van een ree. Het is geen blaffen. Het is woede, het is geen waarschuwing voor andere reeën, het is het vervloeken van de mens, dat ellendig beest dat de natuur nooit met rust laat, zijn blaffen is één groot verwijt. Deemoedig lopen we terug naar huis.

Later op de avond kijken we op televisie naar een documentaire over de grutto. De makers volgen de grutto’s op hun tocht van Senegal naar Nederland, 70.000 exemplaren. Er zijn twee rustplaatsen, in Portugal en in de monding van de Somme in Frankrijk. En daar, bij de Somme, waar ze uitgeput rusten, wachten in tientallen hutten de Franse jagers. Op grote schaal schieten ze de grutto af. Ik zou willen blaffen als een ree.

Een vriend vroeg me een paar weken geleden wat de passies zijn van de Fransman. Makkelijke vraag: de jacht, die staat bovenaan. Wyb en ik weten er alles van. Van september tot en met maart veranderen onze bossen in een slagveld. Legertjes met dikbuikige mannetjes rijden met hun four-wheel drives vol honden de bossen in. Onder het genot van drank en worst schieten ze alles af wat beweegt. Denk niet dat ze dat gecontroleerd doen. De dikbuikige mannetjes hebben geen idee hoeveel dieren in de bossen leven. Buiten het jachtseizoen kom ik nooit een dikbuikig mannetje in onze bossen tegen.

Balans

Zaterdag 1 juni, Cadouin

 

Even reflecteren. Voors en tegens. Jezelf naar antwoorden denken. Wyb en ik wonen nu anderhalf jaar in de Dordogne. Al bij al wonen we zo’n drie jaar in Frankrijk. Onze eerste helft Frankrijk was totaal anders dan de tweede helft. In de eerste helft waren we drukke ondernemers in een omgeving die van alles en nog wat had te bieden. We woonden in een vrij groot dorp, Nîmes en Montpellier lagen om de hoek. Nu wonen we op het diepe platteland, als de toeristenstroom (duur 6 tot 8 weken) is verdwenen, is er sprake van ongekende rust en leegte.

Tijdens de toeristenstroom wil iemand nog wel eens over ons weggetje rijden waar voor beide richtingen een inrijverbod geldt. Na de toeristenstroom blijf ons weggetje leeg. Alleen de postbode rijdt rond half twee keihard over het weggetje om zijn route af te snijden. Post wordt door de drie bewoners aan het weggetje nauwelijks ontvangen. Voor onze Engelse buren is hun huis een maison secundaire en Jennie en wij communiceren met vrienden en familie via internet. De enige die ons post sturen zijn instanties, en ook die steeds minder. Bol.com wil in Frankrijk niet bezorgen.

Ik ben gek op die rust. Vermoedelijk behoor ik bij de top van Nederlanders die in hun leven de meeste mensen heeft ontmoet en gasten heeft ontvangen. Er was een tijd dat ik geen boodschappen deed omdat iedereen tegen me begon te lullen over theater, hetzelfde geldt voor Wyb. Met een enorme stap hebben we dat achter ons gelaten. Onze sociale contacten zijn teruggebracht tot een normaal, menselijk niveau. Verplichtingen hebben we nauwelijks, onze agenda is nagenoeg leeg, wij kunnen doen waar we zin in hebben.

Ik zou liegen als deze ideale situatie, de maximale vrijheid, niet ook tot nadenken stemt. Vooral in de winter kan ik hevig verlangen naar musea, in toenemende mate zelfs naar theater, waarmee ik lange tijd overvoerd was. Ouwehoeren met vrienden op een terras behoort toch ook tot mijn favoriete bezigheden. Vaker mijn kinderen en kleinkinderen zien, behoort zeker ook tot die wensen. Maar Nederland ligt dertienhonderdkilometer van ons vandaan. De twee grote steden die het meest dichtbij liggen zijn Bordeaux en Toulouse. De eerst ligt iets meer dan twee uur rijden van ons vandaan, de tweede een dikke tweeënhalf uur. Bergerac, dat dichterbij ligt, is veel kleiner dan ik ooit dacht en is tamelijk saai en keurig.

Wat een rol speelt is het verschil in leeftijd tussen Wyb en mij. Ik vind al die rust weldadig. Wyb ook, maar zij vindt dat ze nog te jong is om zich definitief aan die landerigheid over te geven, wat ik erg goed begrijp. Bij haar leeft nog de behoefte om maatschappelijk relevant te zijn, iets nuttigs te doen. Ik heb van die twee neigingen definitief afscheid genomen.

In al die rust die ons omgeeft, al die tijd waarin wij baden, de luxe, is er ook een gebrek aan kader, oriëntatiepunten. De zaterdag ziet er hier hetzelfde uit als de maandag. Of we nu om zeven uur opstaan of om tien uur, niemand die er om maalt. Ook daarmee moet je kunnen leven, of leren leven. Het zijn onderwerpen die regelmatig op poppen. We volgen onze eigen bevindingen op de voet.

Als ik dit blog aan De Censor laat lezen, het is toch een delicaat blogje, zegt ze: ‘Weet je wat het is, het is een zaak van evenwicht. De vraag is: zijn we nu in balans of zoeken we nog balans? En dat verschilt weer per dag.’

Alain Delon

Vrijdag 31 mei, Cadouin

 

Het was in het voorjaar van 1997 en ik reed van Amsterdam naar Enschede. Door een file zat ik een tijdje achter een vrachtauto. Opeens begonnen de letters op de vrachtwagen te bewegen en verloren hun vaste vorm. Ook de vrachtwagen verloor zijn contouren en leek te craqueleren. Ik raakte in paniek, wat was dit, de aankondiging van een hersenbloeding? Was er iets met mijn ogen? Bij het eerstvolgende wegrestaurant verliet ik de weg. Met een kop koffie aan een tafeltje gezeten stopte langzaam het trillen der dingen en kwam mijn zicht tot rust. Ongerust reed ik verder naar Enschede.

De volgende dag ging ik meteen naar de dokter en vertelde hem van mijn beangstigende ervaring. ‘Niets aan de hand,’ stelde hij mij meteen gerust, ‘vermoedelijk heb je voor het eerst oogmigraine gehad. Daar hebben veel mensen last van. Meestal duurt het een tiental minuten. Bij sommigen kan het een uur duren.’
Oogmigraine? Het is voor het eerst dat ik er van hoor.
‘Maar wat is het? Hoe komt het?’
‘Niemand weet het precies. Oververmoeidheid, wordt gezegd. Te lang naar een beeldscherm kijken. Bepaalde geuren. Te lang lezen.’
Die oververmoeidheid stelde me gerust, dat was zeker het geval.’

De volgende oogmigraine bleef heel lang weg. Jarenlang had ik het een, twee keer per jaar. Elke keer overviel het me. Het begint met een draadje in je ooghoek dat begint te knipperen en dingen deformeert. Langzaam neemt dat geknipper het hele zicht over. Lezen wordt onmogelijk. Meestal ga ik ergens zitten en hou mijn ogen even een tijd je dicht. Langzaam stopt het geknipper in het midden van mijn oog en verdwijnt via de ooghoeken.

Het gekke is dat ik het de laatste tijd meer heb. Ik vermoed dat het komt door de zon in de Dordogne. Het heeft te maken met speling van licht. Het spiegelen van zonlicht, reflectie van zonlicht. Oververmoeidheid kan het zeker niet zijn nu ik zo’n lui leven heb.

Het is om die reden dat ik in mijn auto een zonnebril heb liggen. Als ik het in de auto krijg, zet ik mijn zonnebril op en dat dempt het effect. Alhoewel, soms is het zo erg dat Wyb het stuur moet overnemen.
Twee dagen geleden begint het weer en ik vraag of Wyb mijn zonnebril wil pakken. Ik heb eigenlijk een hekel aan zonnebrillen. Als je zo’n ding opzet lijkt de wereld een vissenkom te worden waarnaar jij, buiten de vissenkom, zit te kijken. De bril vervormt de kleuren, alles wordt onecht.

Als ik zo met mijn zonnebril achter het stuur zit, zegt Wyb: ‘Je moet die bril veel vaker opzetten. Je krijgt iets van Alain Delon op leeftijd. Als je die bril op hebt, weet ik zeker dat mensen zich afvragen wie die interessante acteur ook weer is.’
Ik kijk in de autospiegel. Ze heeft gelijk. Die bril staat me hartstikke goed. Ondanks dat ik de pest heb aan een zonnebril ga ik hem veel meer dragen. Vast goed voor mijn imago als interessante oude(re) man.

Rectificatie

Donderdag 30 mei, Cadouin

 

Ik schreef gisteren al dat je veel van mijn geschrijf met een korreltje zout moet nemen. Hoe groot die korrel is bleek vandaag. De afgelopen twee blogjes schreef ik over affiches en dat lege verkiezingsborden duidelijk maken dat het affiche zijn langste tijd heeft gehad. Als bewijs twee foto’s van een batterij lege verkiezingsborden in zowel Cadouin als Molières. En ik had het er zelfs over dat de belangstelling voor de verkiezingen hier net zo lauw was als in Nederland, gezien de lege verkieizingsborden.

Fout. Fout. Allemaal fout.
Ik word vandaag hard gecorrigeerd door mijn Franse Nicht. Zij schrijft: ‘Lieve schat, in Frankrijk is er een verbod om tot een bepaalde datum affiches te plakken voor verkiezingen. Zoals je ziet hangt vanaf vandaag alles vol. Je moet wel opletten hè.’
Bij deze mijn excuses voor de verkeerde informatie die ik gaf. Zo zie je maar weer dat ik wat Frankrijk een groentje ben.

Om te kijken of mijn Nicht werkelijk gelijk heeft, toog ik toch even naar het steegje waar al die verkiezingsborden zijn verstopt. En jawel, hoor. Mijn Nicht heeft gelijk in die zin dat je vanaf nu affiches mag plakken. Maar haar voorspelling dat de borden vanaf vandaag vol hangen komt in Cadouin zeker nu uit. Van de 38 borden is er één beplakt.

Even een kritische kanttekening. Het is vandaag donderdag 30 mei. De verjaardag van mijn vader die inmiddels al veertig jaar dood is. Maar dit terzijde. De Europese Verkiezingen zijn in Frankrijk zondag 9 juni. Wat is dat voor een onzin dat je pas negen dagen van tevoren je affiches mag ophangen. Al weken lang zie je op de televisie de Franse politici campagne voeren, maar je affiche mag je pas nu ophangen. Zou het affiche dan toch nog een gevaarlijk wapen zijn?

Wat ik wel goed van die Fransen vind is dat ze de regel hebben dat je twee dagen voor de verkiezingsdag geen campagne meer mag voeren en geen enquetes publiceren. Die regel had in Nederland de PVV een paar zetels gekost. Door al die positieve enquetes voor de PVV dacht domrechts: de beer is los, dit is onze kans, alle ballen op de PVV. Mede daardoor zitten we met een kabinet waarin de aankomende vier jaar zal blijken hoe gammel het is.

Capa

Woensdag 29 mei, Cadouin

 

Gisteren eindigde ik mijn blog met de opmerking dat ik wel begreep waarom de Europese verkiezingen bij afficheplakkers totaal niet leeft, een affiche is natuurlijk heel erg negentienhonderdzoveel.

Ik kreeg van Henk al snel een app’je: ‘Na met plezier je poster blog te hebben gelezen in je blog, maak ik toch een amusante kanttekening….
Het was vanmiddag regenachtig toen we langs de Normandische kust oostwaarts reden. In mondain Deauville zagen we een grote poster langs de weg… grijszwart met in grote letters… ‘Robert Capa’. Het zal toch niet? Even later zien we er nog eentje, en lezen we dat een grote expo met zijn werk afgelopen weekend is geopend, alhier! Een buitenkansje kortom, en morgenochtend gaan we de expo bezoeken. En die hadden we waarschijnlijk gemist als we geen affiche hadden gespot. Kortom, de affiche is dan wellicht een oud medium uit 19zoveel, maar het werkt nog steeds.’

Vandaag app ik hem terug: ‘Ik ben het helemaal met je eens. Mijn uitspraak dat affiches wel heel erg negentienhonderdzoveel waren, was vooral ironisch bedoeld. Ik ben namelijk gek op alle media die negentienhonderdzoveel zijn. Ik vond het wel stoer om te zeggen omdat het succes van mijn theaterdirecteurschap voor een belangrijk deel op affiches berustte. Zoals je je wellicht herinnert, was ik gek op het traditionele zwart/wit-affiche met prikkelende uitspraken. Tijdens een directeurschap stonden er zelden geen affiches langs de weg. Ik verbaas me erover dat, als ik nu Groningen, Leeuwarden of Apeldoorn binnenrij, er geen affiches langs de weg staan. Een doodzonde, vind ik. Veel van wat ik schrijf moet je maar met een korreltje zout nemen. Ik vind ik het soms best leuk om dingen op te schrijven waar ik totaal niet achtersta. Zoals een Sri Lankaans spreekwoord zegt: Een goed vertelde leugen is waardevoller dan een slecht vertelde waarheid. Ik geef toe, het is dubieus. Veel plezier bij Robert Capa.’

Ik herinner me nu opeens dat ik in het kader van de promotie van de stad Groningen 25.000 gulden kreeg om een serie zwart/wit-affiches als advertenties door te plaatsen in de Volkskrant. Huidige marketeers hebben het idee dat ze, als ze een nieuwsbrief of digitale advertentie plaatsen, goed werk hebben verricht. Ik betwijfel dat ten zeerste. Nieuwsbrieven gaan bij mij eigenijk linea recta de prullenbak in en digitale advertenties mijd ik als de pest. Een affiche brengt het theater naar de straat. Als een voorstelling was uitverkocht, plakten we er nog een strook op: Uitverkocht. Succes breeds succes. Leve de media uit negentienhonderdzoveel.

Ben wel jaloers op Henk dat hij naar de tentoonstelling van Robert Capa gaat. Met zijn boek The Americans vormde hij het begin van de straatfotografie. Iedereen kent een foto van Capa. Als fotograaf ging hij op D-Day mee met de eerste aanvalsgolf in Normandië. Hij zwom mee aan land met twee camera’s en verschillende filmrolletjes. Hij maakte 108 opnames, waarvan er slechts acht zijn bewaard door een fout bij het ontwikkelen van de negatieven. Een van die acht foto’s staat in alle geschiedenisboeken.

Affiche

Dinsdag 28 mei, Cadouin

 

En? Hoe is het met de belangstelling voor de Europese verkiezingen in Nederland? Ik heb geen idee. Toch ben ik een van de eerste Nederlanders die heeft gestemd. Dat doe ik met weinig illusie, maar met veel genoegen. Het regeerakkoord kwam uit en ik, als Nederlander in het buitenland, heb meteen mijn stem uitgebracht. Ik zal ze krijgen die benauwde vijftiger jaren denkers. Gisteren heb ik die Van der Plas nog even gezien. Ze pleitte voor neutrale seksuele voorlichting. Uit hoe en wat ze zei begreep ik meteen dat neutrale seksuele voorlichting is het oprakelen van het oude verhaaltje over de bloemetjes en de bijtjes. Al het andere is vies, laat staan als we het over de verschillende genders gaan hebben. Ja, je hebt de man, je hebt de vrouw. En dat is het. Ik stuur die vrouw een doos Merci en zeg haar dat ze wat mij betreft mag opzouten. Ik ben zo blij met mijn stem op GroenLinks/PvdA. Tegen de vertrutting. Aan mij zal het niet liggen.

Hoe de belangstelling voor de Europese verkiezingen in Frankrijk is? Gisteren kon ik in mijn eigen dorp een foto maken die mijn ervaring met dit onderwerp perfect weergeeft. Cadouin pakt enorm uit, in het dorp staan liefst 38 panelen opgesteld waar partijen affiches kunnen ophangen, laat de verkiezingskoorts maar losbarsten. Zie de foto, een zee aan panelen, geen enkel affiche. En in het naastgelegen dorp Paleyrac, is het niet anders, een muur aan panelen, geen affiches.

De oppervlakkige beschouwer kan denken: die gemeentes in Frankrijk doen er alles aan om de verkiezingen te faciliteren. Qua materiaal wel. Maar er zit een addertje onder het gras. Deze panelen staan namelijk opgesteld in een steegje waar nauwelijks mensen doorheen lopen. Het lijkt heel wat, het is niks. Al plakken ze de boel vol, slechts een enkeling zou het zien. Ik kwam er toevallig langs omdat Dies op straat had zitten poepen en ik zo snel mogelijk het poepzakje kwijt moest. Ik blijf het oprapen van hondenpoep en het dragen van poepzakjes ongelooflijk vies vinden. Toch hebben ze nut, want zo vond ik het bewijs dat de Europese verkiezingen in ieder geval bij de afficheplakkers in dit land totaal niet leeft. Wat ook wel begrijpelijk is, want een affiche is natuurlijk heel erg negentienhonderdzoveel.

Een berg, een klooster en een stad

Maandag 27 mei, Cadouin

 

Een gesprek kan zomaar op gang komen, helemaal uit het niets. Opeens is het er. Wyb en ik praten over nieuwe theaterideeën. Zou ik nog nieuwe ideeën voor het theater hebben? Ik merk dat mijn hoofd totaal niet meer in die richting staat. Ik durf wel te stellen dat ik er vroeger specialist in was. Ooit trok ik als nieuwe directeur met vijfentwintig nieuwe theaterconcepten naar Leeuwarden. Ik had ze, samen met Marc op een middag bedacht. ‘Kom Marc, we gaan bij elkaar zitten net zo lang tot we vijfentwintig goede ideeën voor het theater hebben.’ Een beproefd concept. Met Marc gingen dat soort dingen altijd snel. Al die vijfentwintig ideeën heb ik uitgevoerd.

Later, met Wieke en Wolter, bedachten we Operatie Onverantwoord. Onze opdracht: ideeën bedenken die eigenlijk niet kunnen. Zo kwam er een voorstelling voor honden en bouwden het theater om tot sprookjespaleis, inclusief overnachtingen.
Nog weer later had ik dezelfde soort sessies met Wolter in ons eigen bedrijf. Een ochtend in café De Pont aan het ’t IJ en we hadden weer vijfentwintig goede ideeën

Maar nu Wyb erover begint… Kun je zoiets verleren? Vast wel, het is een kwestie van concentratie, de geest richten. ‘Als je weggaat, moet je oppassen,’ waarschuwden Matthijs me toen ik aangaf dat ik wegging bij Het Zuidelijk Toneel. ‘Ik heb zo vaak gehoord dat mensen stopten omdat ze zelf iets wilde maken of doen. Meestal hoorde je nooit meer wat van ze.’

Ik lees een interview met complexiteitwetenschapper David Krakauer in NRC. Hij zegt: ‘Jaren geleden schreef ik een stuk over de berg, het klooster en de stad. Dat ging over wat mensen nodig hebben om goed te kunnen denken. Je hebt een zekere mate van isolatie nodig (een berg), een bepaalde gemeenschap (een klooster) en een plek waar je je ideeën kunt presenteren (een stad). Bij SFI (het instituut waar hij werkt, DM) proberen we een soort klooster in de bergen te zijn, een plek waar je subversieve gedachten kunt hebben binnen een gemeenschap die daarvoor openstaat.’

Zijn woorden stemmen mij tot introspectie. Een berg heb ik, ontegenzeggelijk. Een klooster heb ik ook, al is mijn gemeenschap piepklein, die bestaat slechts uit Wyb en mijzelf. Een stad ontbeer ik ten enenmale. Ik heb, alweer, een piepklein podium, Dossiermoddergat, maar dat zet nog niet één zode aan de dijk. Mijn randvoorwaarden voor subversieve gedachte is dus minimaal.

Heeft Matthijs gelijk gekregen? Eigenlijk wel. De Grote Roman is uitgebleven, en die komt er ook niet meer. Ik maakte een fotoboek en honderden foto’s die ook nog wel in boek terecht kunnen komen. Verder schreef ik met Wyb een boekje over onze belevenissen in Saint-Hippolyte-du-Fort over onze belevenissen in Frankrijk. Dat is het dan. Verder geniet ik van een enorme vrijheid en vele boeken. Maar misschien moet ik toch weer eens op zoek naar een stad.

Wrakken

Zondag 26 mei, Cadouin

 

Tot gisteren heb ik me niet gerealiseerd dat we in Cadouin aan de rand wonen van een enorm bos. Het was me uiteraard duidelijk dat we in een bosrijke omgeving wonen. Welke kant we ook uitrijden, altijd zijn er grote stukken bos. Maar het besef van dat enorme bos kwam gisteren pas toen wij vanuit Belvès een wandeling maakten, of eigenlijk vanuit Saint-Pardoux, waar we de auto bij een kerkje uit de twaalfde eeuw parkeerden.

Vanuit daar namen we een lang wandelpad richting het westen. Het bleek niet zomaar een pad te zijn, het ging steil omhoog. Onze cardio-training was optimaal. Er kwam geen einde aan het pad, we voelden ons Stanley Livingstone op expeditie door Afrika. Om ons heen bos, bos en nog eens bos.

Tot dan toe had ik die bossen waardoor wij wandelen als losse stukken bos gezien. Maar op een gegeven moment zei Wyb dat de driehoek Belvès, Monpazier en Cadouin, eigenlijk één groot bos is. Wat precies de naam van het bos was, kon ze zich niet meer herinneren.

Natuurlijk, dat was het. Als wij van Cadouin naar Monpazier rijden, zien we vijftien kilometer alleen maar bos. Als we naar Bevès rijden, doen we dit door twaalf kilometer bos. Van Belvès naar Montpazier is het zeventien kilometer rijden: alleen maar bos. En in die driehoek is ook alleen maar bos. Er ligt één klein dorpje in die driehoek Bouillac. Ik denk dat er een stuk of tien huizen staan. Wat stom dat ik me dat niet eerder heb gerealiseerd.

Als we boven op de top staan, komen we bij een stuk bos dat onlangs is gekapt. Aan de rand van het perceel staat een oude bestelbus Citroën tegen een hoop hout te vergaan. Volgens mij heet zo’n bus Type H. Hoe is deze bus hier gekomen? Waarom is hij hier achtergelaten.

Deze twee vragen stel ik mij vaak als ik door de Franse bossen wandel. Overal zijn oude auto’s achtergelaten, overgelaten aan de natuur die er wel weg mee weet. Er is zelfs een perceel op een andere wandeling waar alle landbouwwerktuigen van de vorige eeuw liggen te verroesten.

Iets verderop komen we midden in de wildernis een hut tegen. Een enorme hoeveelheid takken probeert de hut aan het zicht te onttrekken, maar op het dak zie ik een klein zonnepaneeltje, de hut zelf is van klei opgetrokken. Zo te zien woont hier iemand, teruggetrokken van van alles en nog wat.

Weer even later komen we langs een perceel waar wel vijf autowrakken liggen te verroesten tot de natuur ze heeft weggevaagd. Het perceel hoort bij een boerderij waar een jonge vrouw bij het huis onkruid staat weg te spuiten. Ik heb geen idee waarom mensen die wrakken zo maar laten liggen. Voorlopig houd ik het op onverschilligheid, schijt aan de natuur.

Eenmaal thuis zoek ik de naam van het bos op waar wij zo doorheen hebben lopen zweten. Het blijkt Forêt de la Bessède te heten. Het moet toch tot een van de grootste aaneengesloten bossen van Frankrijk behoren.

Spinoza

Zaterdag 25 mei, Cadouin

 

Het is voor de eerste keer in lange tijd dat we in Frankrijk uit gaan eten. Het is de eerste dag dat je buiten op een terras kunt eten, en daar willen we meteen van profiteren. We gaan naar Trémolat, een vriendelijk dorp in de Dordogne met een hotel en restaurant, Le Vieux Logis, waar je met een helikopter kunt landen. Het enige restaurant dat ik ken waar dat zo is. Niet dat wij naar Le Vieux Logis gaan. De tijd dat wij wel eens voor 175 euro per couvert gingen eten ligt al een tijd achter ons.

Wyb en ik gaan sowieso bijna niet meer uit eten. Dat heeft er vooral mee te maken dat, nu Wyb alle tijd heeft, de kwantiteit van haar kookkunst een enorme boost heeft gekregen. Met de kwaliteit zat het altijd al goed. De vele kookboeken in ons huis slingeren steeds vaker door het huis. Vrijwel dagelijks kookt Wyb nu maaltijden die ik restaurant waardig noem. Het gaat van eenvoudige recepten uit Jamie kookt Italië, via de Palestijnse keuken (Sami Tamini) tot originele haute cuisine Franse keuken. Dagelijks hebben we een gastronomische uitspatting.

Wij gaan nu dan eindelijk eens naar pizzeria Nulle Part Ailleurs (Nergens anders). Het stikt in de Dordogne van de pizzeria’s, maar tot nu toe vonden we dit een van de beste. Als we erheen lopen zien we dat links van het restaurant in een hoekje een dorpsbibliotheek is gecreëerd zoals je die in Frankrijk veel ziet. Als je een boek meeneemt, is het sympathiek als je een ander boek achterlaat. Zelden dat we niet even in zo’n bibliotheekje neuzen.

Ik zie dat er zowaar een Nederlandse plank is, althans, dat staat er op. Maar er blijken vooral Engelse boeken op te staan, bovendien niks interessants. Dan zie ik dat in de rechterhoek achter de voorste rij nog een rijtje boeken staat. Ik haal de voorste boeken weg en daar komt, hoe is het mogelijk, de Ethica van Spinoza tevoorschijn. Een gaaf exemplaar waarvan de BTW in Nederland al snel drie of vier euro zou bedragen.

Denk niet dat ik de Ethica heb gelezen. Ik weet alleen dat het een van de belangrijkste filosofische werken is. Baruch de Spinoza leefde van 1632 tot 1677, dezelfde tijd als Rembrandt. Wat Rembrandt voor de schilderkunst is, is Spinoza voor de filosofie. Spinoza brak als eerste met het godsbeeld zoals dat in de Middeleeuwen bestond. Hij was een van de eerste rationalisten en legde daarmee de basis voor de Verlichting. Hij durfde te schrijven over het vrije denken en een maatschappij zonder god. Daarnaast onderzocht hij hoe mensen gelukkig konden leven.

Ik ben zo blij dat ik het boek vind dat ik het meteen in veiligheid stel door het in de auto te leggen. Ik maak mij geen enkele illusie dat ik het boek ga lezen. Ik weet dat zijn teksten, die hij schreef in de vorm van stellingen, vrij ondoordringbaar zijn. Als ik het ga lezen ben ik daar de rest van mijn leven mee bezig. Omdat te illustreren hieronder de eerste stelling die ik lees van pagina die ik willekeurig opensla. Houd u vast.

‘Tot de essentie van een ding behoort datgene waardoor het ding noodzakelijk wordt gesteld en dat, indien weggenomen, het ding noodzakelijk opheft; anders gezegd datgene waaronder het ding bestaanbaar noch denkbaar is, en dat omgekeerd zonder dat ding bestaanbaar, noch denkbaar is.’

En zo gaat het tientallen stellingen door. Als ik het boek, nadat we weer thuis zijn, op de tafel leg, voel ik dat als iets plechtigs. Spinoza in je huis, dat ik de Ethica nu zomaar kan pakken, dat is toch bijzonder. Gelukkig schreef Maarten van Buuren op het einde van het boek een toelichting op de Ethica, die lijkt me nog wel leesbaar.

Tijdmachine

Vrijdag 24 mei, Cadouin

 

Even een politiek blogje, hoor. De dag nadat die vier partijen (PVV, enz.) een coalitieakkoord presenteerden, en ik daar tamelijk chagrijnig door was, kon ik meteen hard terugslaan. Ik vulde mijn stemformulier voor de Europese verkiezingen in en uiteraard maakte ik het hokje van GroenLinks/PvdA rood. Ik zal ze krijgen. Tegenwicht is noodzaak. Red de natuur. Red de humaniteit. Red het klimaat. Red de vluchteling. Red de cultuur. Reduceer de kloof tussen arm en rijk. Allemaal zaken die dat coalitieakkoord aantast.

Stemmen? Hoezo stemmen? We kunnen toch pas op 6 juni stemmen? Nee, ik heb een uitzonderingspositie. Wanneer je in het buitenland woont, kun je namelijk per post stemmen. Daar moet je wat voor doen, maar na veel bureaucratische rimram en kopiëren van paspoorten enzo, mag je zelfs je stem eerder uitbrengen.

Op het moment dat ik de stem uitbracht, besefte ik meteen hoe machteloos dat recht eigenlijk is. Het wordt voorgesteld alsof je invloed hebt, maar meer dan ooit realiseerde ik me dat ik slechts iemand ben uit talloos veel miljoenen. En een groot deel van die miljoenen hebben er de ballen verstand van. Ze laten hun onderbuik eens lekker rommelen, luisteren naar wat oneliners, en grijpen dan, als ze er al zin in hebben, naar dat stempotloodje.

Zoals de trouwe lezer van Dossiermoddergat weet, stem ik al jaren uit overtuiging op de sociaal-democratie. Ik vrees dat ik de laatste kiezer ben die uit ideologische overtuiging stemt. Ik hoef dan ook niet na te denken over wat ik ga stemmen. Dat heb ik al lang geleden gedaan en toets dat dagelijks. Ik hoef niet zoals de wind waait, waait mijn petje te stemmen. Ik laat me niet inpakken door de grootste populistische schreeuwer. Zoals uit dit coalitieakkoord weer blijkt: populisten beloven veel, maar maken vrijwel niets waar. Vele kiezers zijn opnieuw bedonderd. Of beter gezegd: hebben zich laten bedonderen. Eigen schuld, dikke bult, allemaal de schuld van hun onderbuik.

Goed. Mijn linkse stem ligt vast. En dan kijk je een week later naar het debat over dat akkoord en dan zie je je partijleider daar zijn best doen die populisten eens een lesje te leren. Helaas kwam er weinig van terecht. Mijn partijleider had voor de gelegenheid een driedelig zwart pak aangetrokken en stond daar alsof hij op een begrafenis was. Hij schijnt zeventien talen of meer te spreken, maar de taal van de gehaaide politicus, tegenwoordig zo noodzakelijk om begrepen te worden, zit daar niet bij. Timmermans stond erbij alsof hij uit een tijdmachine was gestapt, afkomstig uit een tijd van lang geleden.

Naast hem stond Rob Jetten van D’66 fris en lenig prikken uit te delen aan die Wilders. Nou ja prikken, prikjes. Maar het waren in ieder geval prikjes. Timmermans stond stijf te delibereren om vervolgens vijgen om de oren te krijgen van Wilders.

Heb ik dan toch te snel gestemd? Zijn die sociaal-democraten waar ik mij mee verbonden voel toch zo aan het vermolmen dat ze het niet meer waard zijn om op te stemmen? Timmermans werd zowel links als rechts ingehaald. Rechts door Jetten, links door die nieuwe van de SP waarvan ik de naam nu even ben vergeten. Misschien ben ik toch iets te impulsief geweest met dat stemmen. Nou ja, het is in ieder geval een stemtegen extreemrechts.

Schermtijd

Woensdag 22 mei, Cadouin

 

Elke week krijg ik van Apple trouw de gemiddelde schermtijd door, de tijd die ik op mijn iPhone doorbracht. In eerste instantie schrik ik daar altijd van. Gemiddeld per dag zes uur met die iPhone bezig is geen uitzondering. Schandalig toch hoe wij in de ban zijn van de digitale ontwikkeling. Voordat de lezer ook verontwaardigd wordt. Volgens mij valt het toch mee.

Want wat doe ik op die iPhone? Verreweg de meeste tijd gaat, in mijn geval, zitten in het lezen van kranten. Ik vermoed dat ik toch zeker drie tot vier uur bezig ben met het lezen van kranten. Ik vind het heerlijk om kranten te lezen. Als ik ’s ochtends opsta kan ik me enorm verheugen op een kop koffie en de krant. Las ik heel vroeger de krant op papier, al jarenlang lees ik hem op mijn iPhone. De traditionele krantenlezer moet er niet aan denken, zo’n klein schermpje, maar ik weet niet beter, een kwestie van gewenning. Als ik wel eens een krant in handen krijg, vind ik al dat papier alleen maar lastig.

Dit jaar ben ik voor het 59ste jaar een fanatiek krantenlezer. Zelfs toen ik op de basisschool zat, spelde ik De Gelderlander. Ik kwam er al vroeg achter dat de krant ons de laatste update geeft van de staat van de mensheid, een interessantere bron bestaat er toch niet.
Een krant is voor mij puur vermaak. Zo kan ik me elke woensdag verheugen op de column van Max Pam in de Volkskrant. De column van Marcel van Roosmalen op maandag, woensdag en vrijdag in NRC is het eerste wat ik lees als ik ’s ochtend wakker word, al is de eerste glans van zijn geschrijf er wel vanaf.

Als ik het goed inschat heb ik zelf een abonnement op de Volkskrant sinds mijn achttiende. Wat wil zeggen dat ik al langer dan vijftig jaar abonnee ben. Niemand die bij dit jubileum heeft stilgestaan, ikzelf ook niet. Goed dat ik het nu doe.
NRC lees ik nu zo’n vijfentwintig jaar. En met lezen bedoel ik de krant spellen. Geen artikel is me te lang, geen kort bericht te onbelangrijk. Alhoewel ik ook een ervaren scanner ben van wat ik wel of niet interessant vind.

De BTW op kranten gaat omhoog als bruin rechts het voor het zeggen krijgt, evenals de BTW op boeken. Het zegt veel over het malicieuze karakter van de nieuwe coalitie. Alles wat de mens wijzer kan maken, mag gehinderd worden. Voor hen is dom beter dan wijzer. Voor mij geldt het omgekeerde. Overigens is die verhoging geen enkele reden voor mij om minder kranten te lezen. Voordat de kranten de deur uit moeten, gaat eerst de auto eruit.

Dus Apple mag wel zeggen dat ik mijn tijd verpruts op een iPhone, maar ik gebruik dat ding voor dezelfde zaken als toen het ding nog niet was uitgevonden: kranten lezen, spelletjes doen met familie, communicatie plegen met vrienden en familie. Alleen heb ik het papier en de telefoon verruild voor een schermpje. Gamen, TikTok, Tinderen en al die andere onzin laat ik lekker aan anderen over. Zelfs op mijn mobiele telefoon ben ik een ouderwetse man.

Toeristenland en omstreken

Dinsdag 21 mei, Cadouin

 

We liepen met z’n vieren door Londen en waren erg enthousiast over de stad. In een overmoedige bui zei ik zelfs dat ik Londen leuker vond dan New York. New York is een stad vol miljonairs, Londen is een stad waar wordt gewerkt, gezwoegd en… Daar kom ik zo op terug.

Ik ben een stuk of zes keer in Londen geweest, vermoed ik. De ene keer langer dan de andere keer. De laatste keer was jaren terug, ook toen was ik enthousiast, maar dit keer leek de stad nog levendiger. Het was duidelijk dat de gentrification ook hier zijn werk had gedaan. Overal hipster-achtige koffie- en eettenten, met soms New York-achtige prijzen. Zo koos Esther een koffietent uit waar we tevens konden ontbijten. Op het eind moest ik voor wat koffie en lekkere broodjes 85 euro afrekenen. Alsof het niks is.

Het is fijn om een vriend te hebben die een boekwinkel heeft. Hij houdt de laatste literaire aanwinsten bij, kan je goed adviseren en heeft dan ook nog wel eens een boek dat hij net zelf uit heeft. Zo raadde hij mij De Onzichtbaren van Frank Nellen aan. Moest ik zeker lezen. En hij had gelijk, prachtig boek van een meesterverteller.

‘Kijk, dit moet je zeker lezen als je net in Londen bent geweest,’ en Pim stopte mij een boek in handen met de titel Dit is Londen, geschreven door de Britse schrijver Ben Juhah. De titel klinkt als een reisgids, maar het is verre van een reisgids. Door het lezen van het boek kom ik erachter dat ik slechts in Toeristenland ben geweest, het echte Londen heb ik helemaal niet gezien.

Ons hotel stond in de wijk Shoreditch. Wij waren erg tevreden over die keuze. Nu ik de wijk google weet ik wel waarom. Ik lees: ‘Shoreditch is een kunstzinnige buurt naast de al even hippe wijk Hoxton. Jonge creatievelingen en trendsetters bevolken de modieuze clubs en bars rond Shoreditch High Street, Great Eastern Street en Old Street, en de gevarieerde restaurantscene bestaat uit trendy ketens, stijlvolle gastropubs, ambachtelijke cafés en noedelbars, en alles daartussenin. Overal in de buurt vind je vintage- en designwinkels.’

Ben Judah laat mij een ander Londen zien. Om duidelijk te maken wat ik bedoel hoef ik alleen maar de flaptekst over te schrijven. ‘In tien jaar tijd is Londen -de geboortestad van Judah- sterk veranderd. Hedendaags Londen is een stad van immigranten. Meer dan een derde van de bevolking is over de grens geboren. Mensen uit letterlijk alle windstreken zijn er terechtgekomen, met dromen over werk en vooruitgang. Voor velen komen die niet uit. Dit heeft onuitwisbare effecten op de stad, zowel positieve als negatieve. Judah dompelt zich onder in de wereld van van immigranten, illegalen, bedelaars, gangsters, smerissen en louche handelaars.’

Londen is een stad die uit evenwicht is geraakt. De middenklasse is Londen inmiddels uit gevlucht door onbetaalbare huizenprijzen door komst van de superrijke Russen en Arabieren. Daarnaast verloederden er wijken waar de immigranten uit Polen, Roemenië, Bulgarije en Albanië neerstreken. Hier leven twaalf, zestien mensen op één kamer die al roulerend daar kunnen slapen. Met de laatste twee golven immigranten kwam de maffia mee die zich stortte op de verbouw en verhuur van de huizenmarkt. De mooie Engelse huizen werden ontdaan van hun karakter. Hoe meer kamers, hoe meer huurders.

Judah maakt duidelijk wat wij niet hebben gezien in Toeristenland. Londen is een stad waar gewerkt, gezwoegd en veel geleden wordt. Ik lees het boek nadat ik in Londen ben geweest. Het is veel beter om het daarvoor te lezen. Dan zie je veel meer. En dan heb ik het nog niet gehad over die stupide Brexit. Het volk heeft gesproken, nou bedankt, mooi in het ootje genomen, realiseert een groot deel van die kiezers nu.

Censored

Maandag 20 mei, Cadouin

 

Het blog dat hier had moeten staan is gecensureerd. Het is voor het eerst in tien jaar dat De Censor ingrijpt. Ik laat haar nooit een blog lezen voordat ik het werkelijk plaats. Dit keer wel omdat ik onraad rook. Misschien had ik dat niet moeten doen. Als het in Dossiermoddergat had gestaan, had het er gewoon op gestaan.

De reden van de censuur heeft alles met onze wispelturigheid te maken, aldus De Censor. Soms kun je te vroeg over dingen schrijven en volgens De Censor was daar nu sprake van.

Natuurlijk had ik kunnen zeggen dat ik mij niets van haar aantrek, dat ik in een vrij land leef en dat ik zelf wel bepaal wat ik wel of niet publiceer. Maar ja, ik heb zelf het instituut De Censor in het leven geroepen en ik heb dit blog expliciet aan haar voorgelegd en dan moet je niet kinderachtig zijn.

De lezer blijft vandaag dus verstoken van een blog. Mocht een lezer echt zijn geïnteresseerd, dan is persoonlijk contact mogelijk. Omdat ik wel behoefte heb aan wat klankborden, stel ik interesse dit keer op prijs en zal ik de inhoud van het gecensureerde blog met je delen.

Ik heb De Censor laten weten dat ze één keer per tien jaar  hard mag ingrijpen, maar dat het daarmee ook wel afgelopen moet zijn.

Weerloos

Zaterdag 18 mei, Cadouin

 

Tot nu toe heb ik de dichtregel van Lucebert: ‘alles van waarde is weerloos’ altijd door de juiste lezers horen en zien gebruiken.

Zelf gebruik ik de regel vrijwel nooit. Dat heb ik wel gedaan, maar omdat hij in toenemende mate door Jan en Alleman werd geciteerd, vond ik dat hij aan kracht inboette. De eerste keer dat ik hem las, vond ik hem prachtig en in het verleden maakte ik er zelf graag gebruik van.

Het is begrijpelijk dat ‘alles van waarde is weerloos’ vaak te horen en te lezen is. De regel geeft eigenlijk perfect de kern weer van de cultuurstrijd de afgelopen decennia. Alles wat mooi is, mensen beroert en ontroert werd in toenemende mate bekeken en beoordeeld door de ogen van de boekhouder en ging er genadeloos aan.

Veel mensen gebruiken de dichtregel, maar wie weet uit welk gedicht van Lucebert de regel afkomstig is? Ik denk weinigen, en dat maakt de regels eigenlijk extra bijzonder. Er is in het Nederlands taalgebied volgens mij geen regel die zo’n zelfstandig leven leidt. De regel heeft zich als het ware los gemaakt van het gedicht en is een gedicht op zichzelf geworden. Laat ik hem in dit blog toch terugbrengen naar zijn eigen gedicht, want dan zie je meteen dat de regel nog meer waarde krijgt en een verdieping ondergaat.

Het titel van het gedicht waar de regel uit ontspruit luidt: De zeer oude zingt. Het gaat als volgt:

 

De zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanspreekbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

 

Geen eenvoudig gedicht. Maar wie oud is, zal het vermoedelijk sneller begrijpen en zien dat het een kwetsbaar gedicht is, een delicaat gedicht, een breekbaar gedicht. De regel ‘alles van waarde is weerloos’ zingt er inderdaad bovenuit.

Terug naar mijn beginzin waarin ik schreef dat ik het tot nu toe door de juiste gebruikers heb horen en zien gebruiken. Tot woensdag was dat zo. Maar op die dag opende Tweede Kamer voorzitter Martin Bosma de vergadering met het gedicht. Een potsierlijke daad, want welk kamerlid kan het gedicht bij het voorlezen van Bosma doorvorsen? Het is een gedicht dat erom vraagt niet gehoord maar gelezen te worden, en dat liefst meerdere keren om de woorden daadwerkelijk te vatten.

Bosma maakt het gedicht opeens tot propagandamiddel. Hij leest het gedicht voornamelijk voor om de regel ‘alles van waarde is weerloos’ te laten klinken. Hiermee is de cynicus aan het woord, de pester, de haatdrager, de treiteraar, de serpent, de uitvinder van het woord kopvoddentaks. Hij leest het voor omdat hij weet dat uitgerekend deze woensdag alles van waarde inderdaad weerloos blijkt te zijn.

Die avond wordt namelijk het regeerakkoord gepresenteerd en wordt alles van waarde grondig aangetast. Wetenschap, onderwijs, cultuur en journalistiek lopen stevige klappen op, enerzijds door bezuinigingen, anderzijds door het duurder te maken, maar vooral ook door er geen enkele interesse of zorg voor te tonen. Het is voor de eerste keer dat een cynicus het gedicht voordraagt. Het weerloze gedicht verliest daarmee meteen zijn waarde.

Colijn V

Donderdag 16 mei, Cadouin

 

Ik heb de afgelopen dagen veel dichte deuren gezien en wachtende journalisten. En maar wachten op de stuntelende Omtzigt, de immer vals glimlachende Dylan Yesilgöz, de veroorzaakster van het feit dat we met z’n allen op een boerenbruin kabinet zitten te wachten, Geert Wilders, die zijn uiterste best doet niets uit de ijskast te halen en zijn iPhone enige rust te geven. En natuurlijk niet te vergeten het vleesvrouwtje uit Deventer, verdedigster van de gehaktbal en de revolterende boer.

Veel politiek gedoe. Maar het meest intrigeert mij het gezicht van Caroline van der Plas dat elke avond witter wordt. Van der Plas begint steeds meer op een Japanse geisha te lijken, maar dan wat minder gracieus. Ik maak me ongerust over haar gezondheid, maar volgens Wyb is het foundation dat ze er veel te dik opsmeert. Wyb zou haar aanraden er wat rouge op te smeren opdat ze niet zo eng lijkbleek lijkt.

De naam van Ronald Plasterk begint woensdagavond steeds harder rond te zingen als de nieuwe premier. Wat mogelijk betekent dat we ook nog een nep-premier krijgen, niet gekozen, aangewezen door De Leider van een nep-partij. Waartoe een toevallige (?) ontmoeting op Bonaire toe kan leiden. Of komt het omdat Plasterk en Martin Bosma in dezelfde supermarkt boodschappen doen?

VVD blijft gisteravond te lang vergaderen om op te blijven. Ik weet toch wel wat ze besluiten: akkoord gaan. Niemand kan meer terug. Samen zijn ze gevangen in de extreem-rechtse keuken van Wilders.

De volgende morgen word ik al vroeg wakker door app’jes van vrienden. Kees appt me de belangrijkste plannen en voornemens uit het coalitieakkoord. Hij schrijft erbij: ‘Jullie hebben een veilig heenkomen op De Berg. Wij gaan volgend jaar emigreren naar de Lofoten.’
Hij raadt me aan een boek van Paul Lynch te lezen, Het Lied van de Profeet. Hij overtuigt me met een citaat uit het boek: ‘…de geschiedenis is een stille kroniek van mensen die niet wisten wanneer ze moesten weggaan.’

‘Hoe is het nou om in een ander land te leven?’ vraag ik aan P.
Hij antwoordt: ‘Wij zijn bezig onze boeken te verbranden. Museumjaarkaart doorgeknipt, abonnement op VPRO-gids opgezegd…’
Hij laat nog weten dat we hoop kunnen putten uit de geschiedenis van kabinet Colijn V. Ik vraag hem hulp om uit te leggen waarom we daar hoop uit kunnen putten. P. geeft mij inderdaad hoop door uit te leggen dat Colijn V al viel bij het aantreden.

B. schrijft me dat het met dit komende kabinet net als een slepende ziekte is. Je krijgt tijd om aan het idee van dood te wennen, maar het blijft vreselijk als de dood er is. ‘Je mag gelukkig wel weer 130 rijden. Alles gaat weer dertig jaar achteruit.’

P. laat nog weten dat hij het wel leuk vond om zijn vrouw tegen de tv te horen schreeuwen dat Annabel Nanninga een kutwijf is en haar bek moet houden.

W. laat nog weten dat het verlaagde BTW-tarief voor culturele diensten en goederen wordt afgeschaft, uitgezonderd bioscopen en dagrecreatie. We weten inmiddels dat Wilders een fervent fan is van De Efteling.

Ik blijf maar steeds aan Colijn V denken. Het is vaker gebeurd, dus wie weet.

Gokautomaat

Woensdag 15 mei, Cadouin

 

Gisteren begon ik mijn blog met de zin: ‘We rijden naar Le Bugue om zowel boodschappen als de was te doen.’ Een rare zin, vond ik. De was doe je thuis en niet in een andere stad. De tweede zin luidde dan ook: ‘Wat dat laatste betreft, later meer.’

De was dus. Sinds wij uit India terugkwamen, is de was bij ons een probleem. Zoals de trouwe lezer weet, vond er in de zeven weken dat wij weg waren een tsunami in de badkamer plaats. Eenmaal terug bleek de badkamer een nat en schimmelig hok geworden. Muren waren week geworden, de verf bladderde, de deur was uitgezet zodat ik een raam gecontroleerd kapot moest maken en ik met een hamer, een arm door het raam, de deur moest open slaan.

Sindsdien is onze wasmachine een soort gokautomaat. De eerste twee weken was het een gokautomaat die het sowieso niet deed. Ik ben dan van het soort: onmiddellijk een nieuwe kopen. Wyb hecht zich aan de dingen (en is zuinig) en wilde afwachten of de wasmachine zich toch niet bedacht. Als alles was opgedroogd zou de wasmachine wel tot inkeer komen. De buurvrouw bood haar droogmachine aan en wij zagen de vochtigheidsgraad inderdaad naar beneden duiken. En verdomd, twee weken later konden wij een wasje doen op 30 graden.

Wyb was erg trots, zie nou wel, alles zou goed komen. De dagen daarna weigerde het apparaat opnieuw, maar een week later konden we een was van 40 graden doen. De wasmachine capituleerde en deed daarna weer volledig zijn werk. Wij blij. Scheelt toch weer vijfhonderd euro.

Liesbeth, een van onze Franse Nichten, was sceptisch: ‘Het zou me niet verbazen als hij het toch begaf.’ Ik moet nog vaak aan haar woorden terugdenken, want toen wij terugkwamen uit Spanje, en we een tweede tsunami achter de rug hadden, weigerde hij opnieuw. Sindsdien deed hij nog één wasje van 30 graden. Ik denk dat het zijn laatste wasje was.

Wyb blijft hoop houden. We hebben elkaar tot 25 mei gegeven. Als het apparaat het dan nog niet doet, gaan we een nieuwe kopen. Ondertussen nemen we de was mee als we boodschappen doen. Zowel in Beaumont als Le Bugue staat zo’n groot wasapparaat waar je in het openbaar je was kunt doen en drogen. Het is even wennen om je handdoeken en onderbroeken daar in te laden, maar het werkt wel. Was erin, boodschappen doen, en je verliest nauwelijks tijd. Dat alles voor vier euro. Tot nu toe was dat apparaat ook altijd vrij, wachten was er niet bij. Een reden waarom ik de situatie nog aankan, want als ik ergens de pest aan heb is het wachten.

Natuurlijk is de wasmachine kapot. Het verbaast me niets. Het ding heeft een zeven weken lang een warme douche gehad. Het vocht kroop natuurlijk door al zijn kieren. Maar buiten dat, ik ben altijd in gevecht met apparaten. Techniek is in mijn buurt nooit een lang leven beschoren. Met honden kan ik goed opschieten, maar om welke reden dan ook, apparaten hebben de pest aan me en verlaten mij het liefst zo snel mogelijk.

Catalpa

Dinsdag 14 mei, Cadouin

 

We rijden naar Le Bugue om zowel boodschappen als de was te doen. Wat dat laatste betreft, later meer. Als we zo door de bossen naar het dal rijden waar Le Bugue in ligt, valt me op dat we in een soort oerwoud wonen. De natuur is geëxplodeerd. Het groen is groener dan groen. Wie zong dat ook alweer? Het bos lijkt vanaf de weg ondoordringbaar.

Zelden was er in de Dordogne zo’n groeizaam weer, als ik mijn Nichten mag geloven. Het heeft zelden zoveel geregend en daar tussendoor zijn er heerlijke zonnige periodes. De sporen van de motorcross in onze vallei zijn al bijna uitgewist, op de paden die ze reden verrijst het eerste gras alweer en daar omheen staan het gras en de lentebloemen tot kniehoogte. Als de paarden van Caroline terugkomen, zien ze een paradijs, voedsel in overvloed. Ik kan niet wachten tot ik ze weer door de wei zie draven.

Alles groeit of het leven ervan afhangt. Behalve onze catalpa. Onze catalpa staat er mistroostig bij, het is overduidelijk dat hij niet in zijn hum is, misschien wel ziek. Ik heb al diverse keren over de boom geschreven, hij is het middelpunt van onze tuin. De afgelopen jaren stond hij er potent en trots bij, niets kon hem deren, zo leek het.

Het fijne van catalpa’s, die ook wel paraplubomen worden genoemd, is dat ze in de zomer zo’n heerlijke parasol functie hebben. Als je een schaduwplek zoekt, is er altijd de catalpa. Onze hangmat hangt eraan en door onze eettafel eronder te zetten, kunnen we aan de zon ontsnappen en zomers toch buiten eten.
Van de afgelopen twee jaar kan ik me herinneren dat ook de catalpa explodeerde. Zo waren er alleen nog knoppen, en zo zat de boom vol in het blad. Dit jaar verschenen er schuchter wat bladeren, sommige hebben zelfs al bruine randen. De bladeren die er zijn, hangen er slap bij. De echte volle bladerdoorbraak wil maar niet komen.

Hoe het komt, geen idee. Ik speculeerde wat. Komt het door het feit dat weken de warm water kraan heeft open gestaan en dat het vloeiveld onder de boom doorliep waardoor hij een optater heeft gehad. Of komt het door de vele regen. Of juist door de combinatie van die twee. Misschien is de boom van slag geraakt omdat onze tuinman hem pas in de lente snoeide. Wreed zaagde hij twee grote takken af die laag hingen.

Voor het schrijven van dit blog google ik wat op catalpa’s. Bij de eerste resultaten zie ik al dat de boom bijzonder gevoelig is voor de verwelkingsziekte, waarvan ik nog nooit heb gehoord. Het is een schimmelziekte, vanuit de wortels trekken de schimmels de boom in waardoor de watertoevoer naar boven toe wordt gestopt. Als onze catalpa inderdaad de verwerkingsziekte heeft, dan is het een treffende naam voor wat ik zie. Zonder bestrijding van de ziekte gaat onze boom een gewisse dood tegemoet.

Maar goed, ik weet, ik maak mij al snel ongerust. Ik zie het nog een paar dagen aan en dan zal ik eens wat deskundigen raadplegen. Ik heb de boom, in de traditie van Irene van Oranje, al diverse keren geknuffeld en bemoedigend toegesproken. Hopelijk helpt dat. Een tuin zonder catalpa wil ik mij niet voorstellen.

Wat de was betreft. Daar kom ik in een volgend blog wel op terug.

 

Roze bril

Maandag 13 mei, Cadouin

 

Moet ik nog iets zeggen over Joost Klein? Alles is gezegd. Maar ik ga toch iets over hem zeggen, omdat, wat ik over hem zeg, iets over mij zegt.

Ik moet zeggen dat ik door de keuze van Joost Klein was verrast en dat dat al snel een aangename verrassing werd. Zijn absurditeit en eigenzinnigheid spraken me meteen aan. Het liedje gaf ons een oppepper. Ik vond het zelfs een doorbraak voor Nederland. Ik heb niets met het Songfestival, dat komt vooral omdat in het verleden meestal werd gekozen voor kwijlbabbels als Geer, Goor, Froger en andere plastic tweederangsartiesten. Goed, we hadden Anouk gehad en The Common Linnets, maar dat waren toch uitzonderingen.

Ik vond het ook grappig dat Joost Klein, ondanks zijn recalcitrantie en ontregelende gedrag, Nederland wist te enthousiasmeren. Opmerkelijk, want Nederland is toch een in en in net en saai land, waar het ‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’ alle overheersend is. Is er dan toch hoop voor een landje dat eens een gidsland werd genoemd?

In de halve finale knalde Klein van het scherm af. Mijn enthousiasme groeide. Ik werd die avond zelfs voor het eerst in mijn leven een songfestivalkijker. En passant werd ik bevestigd in mijn vooroordelen, wat een baggermuziek, wat een kitsch, wat een glitter & glamournep. Maar gelukkig was er dus Joost Klein.

Al moet ik zeggen dat er toch wat barstjes ontstonden. Geen idee waarom hij zo chagrijnig deed tegen de pers. Tijdens een persconferentie stuitte zijn aanstellerij mij tegen de borst, dat flauwe gedoe met het wegduiken in een vlag, dat kinderachtige gefrunnik met de microfoon. Maar och, het hoorde toch ook wel een beetje bij de act van die jongen. En toen hij gediskwalificeerd werd, ging ik mee met de algehele verontwaardiging.

Op maandagochtend zet columnist Sander Schimmelpenninck in de Volkskrant mij met beide benen op de grond en bekritiseert hij mijn onkritisch houding.

Ik citeer hem met plezier: ‘Joost Klein en zijn entourage -het leken mij eerder leuke, creatieve gasten- hebben simpelweg het hoofd niet koel kunnen houden. Ze zijn bezweken onder de druk van het evenement en het anti-Israëlsentiment in hun sociaalmediabubbel, die van Klein een veroordeling van Israël eiste. Dat resulteerde in het lamlendige gedrag tijdens de persconferentie, waarin een weifelend statement te ontwaren viel. Puberaal en gespeend van enige klasse, zoals Nederlanders zich in den vreemde nu eenmaal manifesteren. ‘Dit is typisch Joost. Misschien vinden we hem daarom wel zo leuk’, wist commentator Richard de Crommert.
Maar wat Nederlanders leuk vinden, vindt vrijwel niemand buiten Nederland leuk. Consequent verwarren wij brutaliteit met assertiviteit of zelfs humor, we zijn lomp en luidruchtig maar zien dat zelf als normaal. Sterker nog, buiten onze eigen landsgrenzen zijn we ronduit koloniaal: zij passen zich maar aan óns aan. We maken onszelf wijs dat onze horkerigheid tenminste écht is, en de omgangsvormen van anderen nep, en klachten over ons gedrag aanstellerij. En doet het halve land nu verontwaardigd over Kleins uitsluiting: aan ons ligt het nooit.’

Een mens met altijd scherp blijven, zelfs als hij enthousiast wordt. Soms heb je daar een ander voor nodig om je daar op te wijzen, de roze bril van je neus te zetten. Met dank.

Vals licht

Zaterdag 11 mei, Cadouin

 

Hoe vaak hebben Wyb en ik niet op de dijk van Moddergat gestaan om naar de Noordpool te kijken. Niet dat we de Noordpool zagen, maar we wisten dat er tussen ons en de Noordpool helemaal niets meer lag, geen land, geen eiland, alleen maar water. Alleen dat besef was voor ons genoeg om naar de Noordpool te kijken.

Menig oud en nieuw stonden we in totale verlatenheid op de dijk. Het was in de tijd dat Noord-Friesland nog door niemand was ontdekt. Het dorp Moddergat had nog geen last van toeristen, de huisjes die niet permanent waren bewoond stonden er totaal verwaarloosd bij.
Wij schonken onze champagne in en voor ons vloog de ene na de andere noodpijl vanaf Schiermonnikoog hoog de lucht in. Het rode licht bleef lang boven het wad hangen, om dan langzaam vallend te doven. Achter ons laaiden de vuren in de Friese dorpen op. De dagen daarvoor verzamelden de jongeren alle troep die vindbaar was en staken rond twaalf uur de fik in de hoge stapels.

Gisteren kreeg ik van De Corrector het volgende app’je: ‘Attentie! Afgelopen dagen zijn er grote uitbarstingen geweest op de zon, met als gevolg dat er vanavond en vannacht hoogstwaarschijnlijk zeer goed Noorderlicht valt te zien!!! En dat in heel Europa, en wellicht zo zuidelijk als de Afrikaanse kust. Kijk daartoe tussen 23.00 en 04.00 uur op een, als het lukt, redelijk open omgeving richting het Noorden.’

Niet gek dat ik daarom dacht aan de dijk in Moddergat. Sinds wij weg zijn was daar al diverse keren het Noorderlicht te zien. Wijzelf hebben dat nooit mogen meemaken, ondanks dat we daar verschillende keren op stonden te wachten.

Ik app terug: ‘Dank voor de tip! Maar die redelijk open omgeving is hier wel een dingetje. Maar wie weet.’ Waarop De Corrector antwoordt: ‘Klim in een boom. Of zoek een leuke heuvel.’

’s Avonds laat, als ik Dies uitlaat, moet ik aan de app’jes van De Corrector denken. Ik kijk rond: allemaal heuvels. Ik zoek een boom uit om in te klimmen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Als ik een boom op onze berg uitkies, is er altijd wel weer een boom hoger en als ik de hoogste boom op de berg beklim, wordt mijn zicht verstoord door hogere heuvels en nog hogere bomen.
Daar komt bij: in een boom klimmen is moeilijker dan je denkt. Ik zag het vorige maand nog toen Richard bij ons drie bomen kwam kappen waarvan de takken boven onze schoorsteen hingen. Met touwen en ander gereedschap baande hij zich een weg naar boven. Na het zien van die kunst, kijk ik wel uit om in een boom te klimmen.

Maar het allerergste is het valse licht. Ooit zag ik op een van de hoogste punten in de Dordogne hoe, zelfs boven de Dordogne, vals licht hangt door de vele kleine dorpjes en de grotere steden daar omheen.
En verdomme, toen wij hier kwamen wonen was onze vallei ’s nachts volkomen donker. Maar in de afgelopen twee jaar zijn er op de weg naar Monpazier, iets buiten het dorp, twee straatlantaarns geplaatst, onze buurman aan de overkant van de vallei heeft een buitenlamp geplaatst, bovendien zijn een van de twee Engelse buren thuis en komt er schijnsel uit hun huis. Het valse licht is overal, zelfs in onze vallei. Het valse licht van Frankrijk belemmerd onherroepelijk het zicht op het Noorderlicht. Het Noorderlicht is voor ons niet weggelegd.

Verdwaald

Vrijdag 10 mei, Cadouin

 

De protesten tegen de inval van Israël in Gaza doen me regelmatig terugdenken aan mijn eigen jeugd. Het is lang geleden dat de Nederlandse jeugd zich zo fel uitte. De laatste felle protesten die ik me kan herinneren, waren het protest tegen kernenergie, de Pierson parkeergarage in Nijmegen en de krakersrellen. Bij de eerste twee protesten was ik zelf betrokken.

Kijk ik daarom nu met grote sympathie naar de protesten tegen Israël? Eigenlijk helemaal niet. Ik vind het een waardeloos protest. De demonstranten hebben een groot punt als het gaat om de totaal disproportionele reactie van Israël en de misdadigheid daarvan. Maar het punt is dat de studentenprotesten in Nederland helemaal niet meer gaan over Gaza. De protesten richten zich nu tegen het universiteitsbestuur en de politie, de aandacht is een heel andere kant opgegaan. De protesten zijn daarmee verdwaald in het eigen handelen.

Dat wil niet zeggen dat ik het studentenprotest niet begrijp. Ik hoef alleen maar aan mijn eigen protesten in de jaren ’70 te denken. Een aspect waar ik nooit iets over heb gelezen, maar wat, achteraf gezien, een belangrijke drijfveer was, betrof het genot van het protest. Ook al geef ik onmiddellijk toe dat het een totaal oneigenlijke drijfveer is om te protesteren. Toch vind ik hem niet te verwaarlozen, niet voor niets kunnen protesten verdwalen.

Het geeft een heerlijke kick om er lekker tegen aan te gaan. Je strijdt voor een goede zaak (denk je), je bent een factor in de geschiedenis (denk je), je doet ertoe (denk je) en je zoekt de (eigen) grenzen op wat mogelijk is, de adrenaline pompt door het lijf, je voelt je een hele pief. Van het een komt het ander. Je activisme krijgt een eigen dynamiek. Het genot wint het van het beoordelingsvermogen.

Zo heb ik zelf twee keer een steen naar de politie gegooid. Een keer toen de politie de blokkade van de kerncentrale in Dodewaard opruimde. De tweede keer tijdens de gevechten op de St. Annastraat tussen de demonstranten tegen de parkeergarage en de politie. Mede door die stenen kwam ik erachter dat ik in het heetst van de strijd een lafbek ben. Ik gooide die stenen zo dat ze geen enkel kwaad konden, ze hadden bijna een symbolische functie, het leek heel wat, het was niks. Naast mij stonden de werkelijke vechters, de mensen die echt lef hadden.

Mede door dat gooien moest ik mijzelf toegeven dat ik niet iemand voor de revolutionaire voorhoede ben, dat ik überhaupt niet iemand ben om tussen een massa te staan, laat staan een strijdende massa. Ik ging ooit naar de eerste vergadering waarin de voorbereiding werd getroffen voor de actie Geen woning, geen kroning. Die vergadering betekende het einde van mijn demonstrantieloopbaan en voor mij, letterlijk, het einde van de roerige jaren ’70. Al luisterende naar wat daar werd gezegd, dacht ik: waar zijn we in godsnaam mee bezig. Ik ben verdwaald, ik hoor hier helemaal niet thuis.

Base camp

Donderdag 9 mei, Cadouin

 

Back home. Vorig jaar schreef ik vaak dat ik een monnik was, toen Wyb werkte zelfs over een kluizenaarsbestaan. Maar dat beeld ligt sinds maanden aan diggelen. Niks kluizenaar. Ons huis in Cadouin heeft niets meer van een klooster of een kluizenaarshut, ik zie het nu veel meer als een base camp. Het is de basis van waaruit wij reizen.

Neem het afgelopen half jaar. Eerst naar Nederland, daarna naar India, vervolgens terug in Nederland voor drie weken. Toen even terug naar het base camp. Om vervolgens door te reizen naar Spanje, waar we vijf weken bleven. Weer even base camp, dat we voorzagen van een trap en restauratie van onze badkamer na een tsunami. Eenmaal klaar: op naar Nederland, Londen, Ameland. Om te eindigen met een concert van Manu Chao in ons vertrouwde Oosterpoort. De volgende dag afscheid van Anneke in Kollum en dan, eindelijk, terug naar het base camp waar ik nu zit te schrijven.

Ik verlangde ernaar om terug te keren. De rust van het huis, het uitzicht vanaf onze berg op het gekrioel der mensen (dit bedoel ik natuurlijk figuurlijk), de vogels fluiten, volop zon. Om geen verkeerd beeld te schetsen van de Dordogne. Toen wij eergisteren aankwamen, had zich in de vallei weer een delta gevormd. Terwijl wij door een zonnig Londen en Moddergat liepen, regende het hier pijpenstelen. Hier is alom verbazing over al dat water. Mijn Nichten, die hier toch al bijna een mensenleven wonen, hebben in de Dordogne nog nooit zoveel water uit de hemel zien komen. Ik hoop dat het wat minder wordt, want we zijn hier niet voor niets komen wonen. Ik had meer dan genoeg van die sombere luchten in Nederland waaruit het voortdurend of miezert, of plenst. Groot voordeel hier: na een regenbui zie je wel weer blauwe lucht.

Het is heerlijk om weer op mijn vertrouwde plek in de werkkamer annex eetkamer te zitten, links uit te zien over de vallei, recht voor mij uit zicht op de boekenkast. Twee dingen schieten erbij in als je reist, kan ik zeggen na jarenlange ervaring: lezen en sex. O ja, en het schrijven van bloggen. Een reiziger wordt gewoon te veel afgeleid door van alles en nog wat. Een reiziger moet bovendien alert zijn, want het gevaar dreigt overal.

Voordat je het weet laat je je iPhone in de metro liggen. Paniek. Maar gelukkig blijkt er een Nederlandse moeder en dochter tegenover je te zitten die de mobiel pakken en bij het volgende station uitstappen en via een vernuftig weetje je man weten te bellen om te zeggen dat ze de iPhone veilig hebben gesteld. Wyb rent de metro in en reist naar het volgende station om de iPhone weer in ontvangst te nemen. Eeuwige dankbaarheid voor de eerlijkheid. Hé Poetin, hoor je dat? Er zijn ook eerlijke mensen. Onvoorstelbaar, hè?

Belofte maakt schuld. Wyb (links) beloofde haar nichtje (midden) op haar 18e verjaardag mee te nemen naar Londen. Gewoon omdat het leuk is, maar ook omdat wij vrij laks zijn met het vergeten van verjaardagen. Op haar 18e wilde ze dat goedmaken. Inmiddels is Esther 23, hoogste tijd dus om de belofte in te lossen. Of het vriendinnetje (rechts) mee mocht? Natuurlijk. En zo rijden we in een Londense taxi op weg naar… Mijn liefde voor Londen is opnieuw opgelaaid. Het is een van de boeiendste steden die ik ken. New York is een miljonairs nest, Parijs is Franse nuffigheid. In Londen vind je het leven.

Ready made 1

 

Schone oren

Woensdag 8 mei, cadouin

 

 

– Ben aan mijn ochtendwandeling.

– Heerlijk. Langs het kanaal? Ik maak ’s middags altijd een lange wandeling met Dies.

– Erg veel plezier van mn gehoorapparaat (vogelgeluiden). Loop langs Rietdiep.

– Fijne dingen zijn het. Zonder hoor ik de krekels niet. Toch een groot gemis.

– Heb je ze al? Ik kan ook muziek horen of Radio 1 zonder dat iemand er last van heeft. Maar nu vogels.

– Zeker, al anderhalf jaar. Maar ik vergeet ze vaak in te doen. Maar dadelijk krijgen we bezoek en dan doe ik ze zeker in. Ik hoor nu de groene specht lachen.

– O leuk, zit hier links van mij ook. Als ik niks hoef vergeet ik ze altijd.

– Soms vergeet ik dat ik ze in heb, heb ik jeuk in mijn oor, zit ik op zo’n ding te krabben.

– Exactly. Ga nu een oorspray halen.

– Helpt dat tegen gehoorapparaatirritatie?

– In ieder geval schone oren. Bedien je je oortjes ook via je iPhone?

– Op zich wel, maar ik heb ze altijd in dezelfde stand staan.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2024