Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2021, november

Open plek

Woensdag 24 november, Groningen

 

 

Open plek

Eeuwenoude eiken. Bladeren
dwarrelen door een najaarszucht.

Een beuk ligt al jaren te vermolmen
tussen rottend blad. Herfstlucht.

Varens in hun laatste dagen.
Een merel in een modderplas.

Een open plek in het bos,
het bankje begroeid met mos.

och, nu moet het toch komen
wat verhevene gedachten
of een mooi nieuw inzicht.

Bladeren blijven vallen.

 

Hoodies

Dinsdag 23 november, Groningen

Ik had het voornemen om na de vakantie weer naar een sportschool te gaan. Alleen al het idee om wekelijk een of twee keer te moeten gaan, weerhield me ervan om lid te worden.
Komt bij dat ik tot de conclusie kwam dat ik best veel beweeg. Met dank aan Dies. Elke dag maak ik heel wat stappen, gemiddeld zit ik dit jaar op 9960 stappen per dag. Wat bijna zeven kilometer is. Bewegen prima, maar je moet het niet overdrijven. Dus met een gerust hart heb ik de sportschool links laten liggen. Wat een opluchting.

Beroerd puntje, ik moet wel elke dag 10.000 stappen zetten. Eergisteren maakte ik er slechts 3000. Gisteren stond er pas 6000 op de teller. Wyb ging in bad, een heerlijk vooruitzicht om met z’n tweeën te gaan. Met enorme wilskracht en tegenzin besloot ik met Dies nog een eindje om te gaan om tenminste op die 10.000 stappen te komen.

Dit speelt zich af rond acht uur. Dus ik had het kunnen weten. Ik kwam in een soort oorlogsgebied terecht. Op alle belangrijke invalswegen naar het centrum stonden politiebusjes. Verder overal politie op de fiets en te paard. En dat was niet voor niets. Ik manoeuvreer met Dies tussen groepjes jonge jongens door, pubers nog, zwart gekleed, weggedoken in hoodies. Ze klitten dicht tegen elkaar, kijken op hun telefoons, loeren naar de politie, zien dat ze in de gaten worden gehouden, lopen dan weer door. .

Dies voelt de spanning en blijft soms stokstijf staan, hij wil naar huis. Ik nog even niet, loop nog even door. Gastjes op scootertjes rijden opgewonden op en neer. Als een groepje hoodies doorloopt, beweegt de politie mee. Opeens gaan de politiepaarden in galop. Indrukwekkend gezicht. Je moet die gastjes ergens mee intimideren.

‘Nou, dat zijn duidelijk stillen,’ hoor ik een hoodie zeggen.
Ik kijk. Verdomd. Scherp gezien. Voor een etalage staan een aantal mannen die de bewegingen in de straat nauwlettend volgen. Nu ik het weet zie ik veel meer stillen staan. Er hoeft weinig te gebeuren of de ellende breekt uit. Ik besluit toch maar aan de wens van Dies te voldoen. Dies heeft duidelijk haast om thuis te komen. Hij weet volgens mij precies wat dadelijk gaat gebeuren, en waar hij enorm de pest aan heeft: knallen, explosies.

We zijn nog niet thuis of de eerste knallen klinken. Ze beloven weinig goeds. Vandaag lees ik dat het inderdaad weer tot een confrontatie kwam, al was die gelukkig minder heftig dan de dag daarvoor. Ik hoop wel dat ze een paar van die etterballetjes goed bij hun hoodies hebben gegrepen.

Mijn tijd

Maandag 22 november, Groningen

 

 

Mijn tijd

In mijn tijd
in míj́n tijd
och, in mijn tijd
nou, in mijn tijd
hoe zal ik het zeggen?
was het gewoon anders
kijk, in mijn tijd
in mijn tijd
tsja, mijn tijd
In mijn tijd
jongen, in mijn tijd
goed luisteren, hè
het is gewoon mijn tijd
snap je dat, mijn tijd
in mijn tijd
was dat gewoon zo
zo was dat in mijn tijd
mijn tijd is mijn tijd
mijn tijd, ik zal het nooit vergeten
in mijn tijd, joh,
in mijn tijd
zo ging dat in mijn tijd
ja, in mijn tijd
zeker in mijn tijd
dat gebeurde gewoon niet
in mijn tijd
in mijn tijd was alles anders
leer mij mijn tijd kennen
en dan bedoel ik: míj́n tijd
mijn tijd is gewoon míj́n tijd
Ik wil niet zeggen dat alles
beter was in mijn tijd
maar we waren wel gelukkig
in mijn tijd
we waren, hoe zal ik het zeggen
meer samen in mijn tijd
zo ging dat gewoon in mijn tijd
mijn tijd was onze tijd, tenminste
dat dachten we in mijn tijd
in mijn tijd
joh, in mijn tijd, breek me
de bek niet open over mijn tijd
we deden zus en zo in mijn tijd
zo waren we gewoon in mijn tijd
in mijn tijd
weet je, ik moet gewoon janken
als ik het over mijn tijd heb
snap je, in mijn tijd
het is wel míj́n tijd, hè
mijn tijd
al die herinneringen
in mijn tijd
die mooie herinneringen
in mijn tijd
snap je wat ik wil zeggen
in mijn tijd
in mijn tijd
dat was gewoon mijn tijd
en mijn tijd is een andere tijd
dan de tijd waar we nu in leven
en nou wil ik mijn tijd
niet idealiseren
maar dat doe je toch, mijn tijd
blijft gewoon altijd mijn tijd
en dat zal nooit veranderen.

Moeder der Muzen

Zondag 21 november, Groningen

Er is tijdens mijn leven veel verdwenen. De stamper waarmee mijn moeder de was deed. Het lavet waarin ik gewassen werd. Het verzuilde Nederland, de communistische partij, de auto’s op drie wielen, Exota, de walkman, mijn vader en moeder, drie schoolgebouwen waarin ik les kreeg, de zwart-wit televisie, de Agfa-Clack, Elvis Presley en zo zou ik nog wel even door kunnen gaan.

Maar er is één iets dat verloren is gegaan waar je niet zo snel bij stilstaat: de verveling. De verveling heb ik altijd een groot goed gevonden. Die dagen dat De Grote Vakantie nog lang niet afgelopen was, dat je niets, echt niets meer te doen had en al je vriendjes nog op vakantie waren. Landerige dagen. En dat je dan toch iets verzint om de verveling te verdrijven, of dat je een serie boeken in de bibliotheek vindt die je gaat verslinden.

Voor kinderen is het tegenwoordig onmogelijk om zich te vervelen. Als ze op maandag niet naar bijles moeten, op dinsdag niet naar hockeytraining en woensdag naar vioolles of balletles, dan staan de games op iPhone, iPad of Macbook wel klaar om de verveling de deur te wijzen.
Bovendien werken papa en mama fulltime dus na schooltijd worden ze beziggehouden op de Buitenschoolse Opvang of bij een oppasmoeder. Ik ben van een van de laatste generaties die zichzelf moest vermaken. Mijn ouders hebben zich werkelijk nooit één moment druk gemaakt of ik me wel of niet vermaakte.

Vond ik in mijn jeugd de verveling nog een lastig iets. Later, en ook nu nog, ben ik verveling steeds meer gaan waarderen. Verveling is namelijk niet niets doen. Verveling is mijmeren, verveling is zoeken, verveling is nog heel veel wegen kunnen inslaan. Verveling is even je leven in de pauzestand zetten.

Veel kunstenaars hebben ervan getuigd dat hun vervelen een vorm van werken is. In die periode van op de bank liggen, malen de gedachten alle kanten op. In die trage stroom komen juist vaak ideeën en oplossingen, de hersens doen ontspannen hun onnavolgbare werk. Verveling levert de ideeën voor films en schilderijen op, de vorm die ze moeten krijgen. Menig inzicht en grote gedachte is ontstaan tijdens een periode van verveling. Vervelen is een fase in het creatieve denken. Verveling baart verbeelding. Zoals Johann Wolfgang Goethe al schreef: ‘Verveling, gij moeder der Muzen, wees gegroet!’

Inmiddels heeft verveling dus een negatieve connotatie gekregen. Vervelen is niet productief. Vervelen is voor luie mensen, zonde van je tijd. Kun je niet iets nuttigers gaan doen? Vervelen is een heleboel dingen die je moet doen laten liggen. Vervelen, dat moet ik toegeven, is ook de vijand van het christelijke en liberale denken. En met die negatieve connotatie hebben we de waarde van het vervelen op de schroothoop van de geschiedenis gegooid. Druk, druk, druk.

Knallen

Zaterdag 20 november, Groningen

Als ik ’s avonds Dies uitlaat, en langs studentenhuizen loop, hoor ik dat er diverse feesten plaatsvinden. Dat is vrijwel dagelijks het geval. Een meerderheid van de studenten schijnt door die lockdowns depressieve gevoelens te hebben. Dat is dan niet omdat ze geen uitlaatklep hebben.

Als ik een voorspelling mag doen. Het zou me niet verbazen als we tussen nu en anderhalve week in een nieuwe lockdown zitten. Er zijn diverse maatregelen afgekondigd en adviezen uitgevaardigd, maar volgens mij worden ze allemaal met voeten getreden. Het aantal besmettingen blijft onveranderd hoog.

Als je regelmatig een hond uitlaat, word je toch een soort buurtwacht. In het Noorderplantsoen verzamelt zich elke dag rond de muziekkoepel de outcasts van Groningen. Al in de vroege ochtend liggen de eerste bierblikjes rond de bankjes waarop ze zitten.

Wyb en ik komen met Dies aanlopen. Ik zie de jongste van hen opstaan en iets weggooien. Arme Dies, denk ik. Ik heb het bij het rechte eind. Een paar seconden later klinkt een enorme klap. Dies kijkt angstig om zich heen en gaat tussen ons in lopen. Het is blijkbaar de veiligste plek die hij zich kan indenken.

Vanochtend, thuis, zijn er ook twee van die dreunen geweest. Angstig kruipt hij dan op mijn schoot om net zo lang te trillen tot hij zich weer veilig voelt. We moeten rond oud en nieuw echt naar Frankrijk, een land dat rond het nieuwe jaar knalvrij is.

We lopen langs het bankje waar het jonge gastje en zijn vrienden zich zitten te vervelen. Het jongste gastje kijkt nog steeds triomfantelijk. Zelfs uit een rotje kun je eigenwaarde halen, zie ik.
‘Hé, stop eens met die domme rotjes,’ zeg ik. ‘Er lopen hier een heleboel honden, die zijn doodsbang, dat is toch lullig.’
Ze kijken me verbaasd aan. Het gebeurt niet vaak dat ze worden aangesproken. Ik weet ook niet wat ik me op de hals haal.
‘Niks lullig,’ mompelt een van die gasten.
Gelukkig blijven ze zitten. Ik loop door. Dies wijkt niet meer van onze voeten.

Coronaregels, vuurwerkverbod, het zal allemaal wel. Maar wat heb je eraan als er nooit wordt gehandhaafd? Fijn dat Mark Rutte vanuit zijn keurige bubbel kan zeggen dat hij vertrouwt op individuele verantwoordelijkheid. Maar er zijn bubbels die sowieso schijt aan alle regels hebben, alleen al omdat Mark Rutte het zegt.

Ik moet verdomme steeds ouderwetser worden. Als ex-leraar en -manager weet ik gewoon dat het uit de hand loopt als je geen duidelijke grenzen stelt. En dat zo nu en dan, op strategische momenten, een dwingende hand onontbeerlijk.

Boete

Vrijdag 19 november, Groningen

Een bos, niks mis mee. Maar sinds ik in Groningen woon, weet ik dat ik toch meer van een stad hou. Vijf jaar lang woonden we aan het Dwingelderveld, het stilste stukje Nederland, het donkerste stukje Nederland. En als je daar woont, weet je op een gegeven moment ook dat er ergens te veel bomen kunnen zijn.

Wyb is het niet met me eens, zij zou wel terug willen naar Dwingeloo. Als het om kunst of smaak gaat, zijn we het over het algemeen helemaal eens. Maar als het om het platteland of de stad gaat dus niet.

Ander groot verschil is onze wijnsmaak. Wyb houdt van sauvignon blanc en rieslings, strakke wijnen, met voor mij te veel zuur. Ik ben meer van de complexe smaak, van de chardonnays en viogniers.
Dat verschil komt misschien wel door onze achtergrond. Wyb is van gereformeerde huize, ik van katholieke, al verlieten we dat geloof al op jonge leeftijd. Maar ik vind een riesling een gereformeerde wijn, eenvoud, strak; een viognier vind ik katholiek, overdadig, te veel toeters en bellen, bladgoud.

Gisteren had ik wel zin in bomen. Het bos is nu op zijn allermooist, het is vuurwerk in en tussen de bomen: fel rood, fel geel, fel oranje. Het lijkt alsof de bladeren zich nog even willen laten zien: vergeet ons niet. Over een paar weken zijn we bruine prut.
Even terzijde, ik las gisteren dat de aarde in de herfst 0,06 procent sneller draait omdat dat hele bladerdek naar beneden komt. Een blad weegt natuurlijk niets, maar al die bladeren bij elkaar geven de aarde enorm meer gewicht. Voor wie het niet gelooft: kijk het maar na.

Ter zake weer. Ik had zin om met Dies een lange wandeling te maken. Ik vind het Noordlaarderbos heerlijk om te wandelen. De zon scheen, de herfstlucht was op zijn lekkerst, Dies had er zin in, kwam al snel met een fijne stok aanrennen. Wij waren nog geen honderd meter in het bos of ik hoorde een fiets achter mij rijden.

‘Goedemiddag, ik ben een boa. Ik zal mij even legitimeren,’ en hij liet een pasje zien voordat ik kon zeggen dat ik hem wel geloofde. ‘Bent u er van op de hoogte dat u hier uw hond moet aanlijnen?’
Ontkennen had geen zin. Ik besloot niet kinderachtig te doen.
‘Dan ben ik verplicht u een boete te geven.’
Ik knikte lijdzaam en stelde mijn belangrijkste vraag: ‘Hoe hoog is die precies?’
‘Honderd euro. Dat vinden wij ook veel te hoog voor zo’n vergrijp, maar dan moet u bij de politiek zijn. Vijftig euro was ook genoeg geweest.’

Ik besloot toch enig tegengas te geven. ‘Maar u ziet hoe prima mijn hond onder appèl staat.’ Dies lag, nadat ik hem had geroepen, keurig aan mijn voeten.
‘Meneer, dat had ik al lang gezien. U heeft een prima hond. De border collie is trouwens mijn lievelingsras, heerlijke honden. Maar dat heeft niets met uw vergrijp te maken.’
Ik gaf mij over en noemde keurig mijn naam, adres en burgerservicenummer.
‘En gaat u nog tegen deze boete in verweer?’
‘Vooralsnog niet.’ Ik wilde het toch een beetje spannend voor hem houden.
Ik deed Dies aan de lijn, die daar niets van begreep, en nam afscheid van de boa.

Even later zag ik twee mountainbikers door het bos jakkeren. Verderop bouwden midden in het bos kinderen al gillend een hut. Wie is nu het grootste gevaar voor het bos, de hond of de mens? Op het gevaar af dat ik nog een boete kreeg, liet ik Dies weer los. De orde was hersteld.

Vaatwasmachine

Donderdag 18 november, Groningen

Ik heb niets tegen afwassen. Ik ben zelfs een jaar lang professioneel afwasser geweest. Het was mijn eerste bijbaantje. En dat was niet zomaar bij de eerste beste zaak. Ik mocht afwasser zijn bij de prestigieuze bistro Claudius in de Bischop Hamerstraat in Nijmegen. In de afwaskeuken heette ik gewoon Gerard, als er gasten in de buurt waren noemden ze mij Gérard. Ik werd uiteindelijk ontslagen omdat verzengende liefde mij in mijn bed hield, de liefde vond ik die dag vele malen aantrekkelijker dan een afwaskeuken. Daarna kenmerkte mijn leven zich door een overdreven arbeidsethos.

Decennialang had ik de beschikking over een vaatwasser. Sinds we in Groningen wonen hanteren we zelf weer de afwaskwast. Het leek een tijdelijke situatie aangezien we een nieuwe keuken krijgen. Helaas laat die keuken nu alweer een jaar lang op zich wachten. Natuurlijk waren er die lockdowns, nu zijn het de logistieke problemen op de wereldmarkt en aannemers die omkomen in het werk die ons parten spelen. Zoals het er nu naar uitziet, komt die keuken pas tegen de zomer.

Zelf afwassen kan nuttig zijn, zo stimuleert het zeker goede gesprekken. Maar na een jaar elke dag afwassen hebben we er de balen van. Vandaar dat Wyb op het idee kwam een vaatwasser te huren. Bij dewaslijnl.nl kun je die dingen leasen voor €15,99 per maand. Die kosten hebben we er graag voor over om van die afwas af te zijn.

Ik bel de waslijn en krijg een vriendelijke meneer aan de lijn. Ik vraag hoe we dat kunnen regelen, een geleasde vaatwasser.
Zijn eerste vraag aan mij is of ik student ben. Ik moet ontkennend antwoorden.
‘Dan moet ik u teleurstellen, dan komt u niet in aanmerking om bij ons te leasen.’
‘Waarom dat dan niet?’
‘Meneer, het is onze ervaring dat studenten de enige betrouwbare klanten zijn. We hebben met hen werkelijk nooit betalingsproblemen. Met niet-studenten is het altijd gedonder. Er is al een keer een pistool op mij gericht, ik ben achterna gezeten door iemand met een hooivork. Wij zijn ermee gestopt, wij willen alleen nog werken voor studenten.’
‘Ik dacht dat het juist andersom was,’ probeer ik nog.
‘Was maar waar. Als ik u mag adviseren: ik zou Coolblue bellen.’
Ik dank hem voor het advies.

Overal verruwing. In de Tweede Kamer dreigen ze elkaar met afrekening in tribunalen. Op Twitter wensen ze elkaar kogels toe. Boeren willen Jesse Klaver in een doodskist. Antivaxers nemen voor Hugo de Jonge een galg mee. Zelfs de markt voor vaatwasser ontkomt er dus niet aan, de niet-student is er de dupe van.

Rommeltje

Dinsdag 16 november, Groningen

Ik heb het idee dat we sinds een aantal jaren met Nederland een nieuw tijdperk zijn ingegaan. Of het een tijdperk of een tijdperkje is zal blijken. Het tijdperk kenmerkt zich het best door het woord rommeltje. Ik had altijd het idee dat Nederland zich kenmerkte door stabiliteit en een beleid van lange duurzame lijnen. Ook al was ik het er vaak niet mee eens.

Maar tegenwoordig is het een rommeltje. Eigenlijk alles in onze samenleving is een rommeltje. Neem ons parlement, negentien fracties vechten het hardst om aandacht. Aandacht, aandacht. Het ene parlementslid wordt van de weeromstuit cabaretière, de ander een ruziemaker, en weer een ander snuift zich tot fascist. Of zijn het twintig fracties? Het nieuws kan de splitsingen niet eens bijhouden. Voordat je het weet is er weer een fractie bij.

Ik heb het net even opgezocht, er zijn nu 20 fracties. Op 150 kamerleden betekent dit dat de gemiddelde grootte van een fractie 7,5 mens is. De Tweede Kamer is een soort fragmentatie bom geworden. De splinters en scherven vliegen je om de oren. Zie daar tussendoor maar eens te regeren.

Maar laten we de politiek niet de schuld geven. Wij, het volk, zijn even erg. Onze samenleving is een soort bubbelbad. Een bad met bubbels waarbij het water is weggelopen. Samenhang, gemeenschapszin, ho maar. Te vuur en te zwaard bestrijden we elkaar om mondkapjes, omdat je voor een bepaalde voetbalclub bent, omdat de ander asociaal is en voor G2 is. Een puinhoop, meneer. Een rommeltje waar zelfs een geroutineerde schoonmaker geen orde in kan scheppen. Wij zijn een land 17 miljoen ikken. Waarvan iedereen vindt dat hij recht heeft op zijn eigen fractie.

Onze uitvoeringsorganisatie? Noem mij een instelling waar het geen zooitje is. Zelfs de uitgifte van zoiets simpels als rijbewijzen loopt bij ons in het honderd. We kunnen zelfs niet meer voor onze jeugd zorgen. De Jeugdzorg is een beschamende rotzooi. En dan hebben we het over het innen van onze belasting nog niet gehad.

Hoe kan het dat in dit land, als het om controle gaat, zo’n fixatie is op de kleine man, de mensen in loondienst, de uitkeringsgerechtigden. De grote vissen laten we met hun geldkluizen naar ongure belastingparadijzen zwemmen.

Zelfs onze rechterlijke macht is zich een hoedje geschrokken toen ze in de spiegel keken naar aanleiding van de toeslagenaffaire. Bleek dat ze hebben zitten te slapen terwijl ze recht spraken. Niets is meer wat het is. Het is gewoon een rommeltje, een dikke rommel om precies te zijn.

Nederland lijkt nog het meest op een slaapkamer van een verwend kind. Overal slingert de troep rond die hij niet nodig heeft. Nooit eens een opgemaakt bed. Totale onverschilligheid, want waarom zou je je als verwend kind ergens druk over maken. Als verwend kind denk je overal recht op te hebben en nergens verplichtingen aan. Het verwende kind gaat richtingloos zijn weg. Ikke heeft het goed en de rest zal aan m’n reet roesten.
‘Goed zo, Gerard,’ zou mijn psychiater zeggen, ‘gooi het eruit.’

PS Om misverstanden te voorkomen: ik heb geen psychiater.

Ogen

Maandag 15 november, Groningen

Vandaag voor het eerst weer eens een zakelijk gesprek gehad. Ik ben in gesprek met een Amsterdams museum om een tekst bij een tentoonstelling te maken. Leuke opdracht, hopelijk worden we het financieel eens.

Het bijkomend voordeel is dat ik weer eens in Amsterdam was. Zowel voor als na de afspraak had ik alle tijd om door de stad te dwalen en te fotograferen. 
Voor het eerst had ik het idee dat ik wat fotograferen betreft weer in vorm kom. Door onze verhuizing uit Frankrijk, al die lockdowns, het maatschappelijk verkeer dat stil lag, raakte ik uit vorm, vond ik. Het afgelopen jaar in Frankrijk had ik er ook last van. Ik maakte opmerkelijk weinig goede foto’s.

Ik hoorde de Nederlandse fotograaf Koos Breukel in een documentaire zeggen dat een fotograaf twee ogen nodig heeft. Een oog om te kijken, het andere om te voelen. Ik had het idee dat mijn beide ogen niet op en top werkten. Vandaag waren mijn fotografische ogen eindelijk weer scherp.

Het afgelopen jaar vond ik me gewoon te bang. Ik had te weinig lef om de foto’s te maken die ik moest maken. Ik had zelf het idee dat het kwam door het gebrek aan training. Het is hetzelfde als het schrijven van blogs, het gaat je zoveel makkelijker af als je het dagelijks doet. Af en toe een blog schrijven dat werkt niet, af en toe met een fototoestel op stap gaan ook niet. Als je het goed wilt doen, vergt het dagelijkse training.

Andere reden waarom het vandaag goed ging, is volgens mij omdat ik vandaag alleen was. Veel foto’s maak ik als ik met Wyb door een stad wandel. Dat levert best mooie foto’s op, maar vaak ben ik dan toch te haastig. Ik weet dat ik dan foto’s niet maak omdat we verder moeten. Soms zie ik situaties waar ik eigenlijk even rustig bij moet blijven staan. Of ik zou terug moeten lopen. Doe ik dus niet. Als ik alleen door Amsterdam zwerf kan ik dat wel doen.

Waar ik mij over verbaas, is dat zich altijd onderwerpen aandienen. Ik loop onbevangen door de stad en het is volgens mij nog nooit voorgekomen dat ik geen foto’s tegenkom. Er liggen altijd foto’s op je te wachten. Dat is wel een mooi gegeven. Opdracht aan mijzelf: vaker alleen door een stad zwerven.

Baard

 

Zondag 14 november, Groningen

Ik kan maar niet wennen aan die baard van Frans Timmermans. Elke keer als ik hem op televisie zie, denk ik: scheer die baard nou toch af, man. Ik vind Frans Timmermans gewoon Frans Timmermans niet meer. Niet omdat hij nu iets weg heeft van Ernest Hemingway, maar vooral omdat hij nu lijkt op een gepensioneerde welzijnswerker. Je ziet gewoon niet meer dat hij acht talen spreekt.

De lezer zal zich nu afvragen waarover ik me druk maak: laat die man lekker een baard dragen als hij wil. Mijn bekommernis komt vooral door mijn eigen verleden. Ik ben altijd bedeeld met veel haargroei. In de jaren zestig, zeventig was dat een pre. Hoe meer en langer haar hoe beter. En ik had en heb nog steeds veel haar. Noem een lichaamsdeel en er groeit haar. Zelfs in mijn oren.

In deze tijd, waar de haarloze, de geharste man, het schoonheidsideaal is, heb ik het dan ook verrekte moeilijk. Als op het strand loop en ik zie mensen naar mijn buik en rug kijken, dan zie ik mensen, met name vrouwen, met enig afgrijzen kijken. Eerst kijken ze naar mij, dan naar Wyb. Arme vrouw die met zo’n man moet leven.

Mijn eerste baardgroei deed zich voor toen ik veertien, vijftien jaar oud was. Omdat ik in die tijd een halve hippie was, en Che Guevara ook een baard droeg, was ik daar erg blij mee. Ik heb mij dan ook nooit echt geschoren. Ik liet het zo veel mogelijk groeien en als het geen gezicht meer was, knipte ik het wat blij. Tussen mijn veertiende en achtentwintigste heb ik een baard gedragen.

Zo blij als ik in het begin was met een baard, zo baalde ik er in de laatste jaren van. Al dat haar onder je kin, die haren onder je neus. Ik begon het zelfs vies te vinden. Maar het probleem is dat zo’n baard bij je gaat horen. En daar moet Frans Timmermans ook voor oppassen. Voordat je het weet heb je een baardgezicht en denk je dat je niet meer zonder kunt.

Zo vergat ik wat onder die baard zat. Ik kende mijn eigen gezicht niet meer. Het gevolg was dat ik hem niet durfde af te scheren, bang voor wat er onder vandaan kon komen. Mijn weerstand tegen dat haar werd echter zo groot dat ik het gevaar van het ware gezicht overwon. Kwam bij dat ik mijn baard steeds korter werd. Met een scheerapparaat trimde ik mijn baard jarenlang zo kort mogelijk, waardoor ik toch een idee van mijn gezicht kreeg.

Ergens in mijn achtentwintigste levensjaar schoor ik mij voor het eerst. En daar stond ik dan naakt voor de spiegel naar mijzelf te kijken. Ik had gewoon een gezicht, niks mis mee. Ik voelde mij enorm bevrijd. Weg met dat masker, dat pseudo hippie, artistiek imago waardoor ik mijn baard had laten groeien.

Ik nam mij voor nooit, maar dan ook nooit meer een baard te laten staan. Zelfs in het hipster tijdperk bleef mijn kin kaal. Elke ochtend vind ik het weer heerlijk als ik mijn gezicht glad heb geschoren. Die frisheid, die openheid, ik gun ze Frans Timmermans ook. Frans, scheer dat ding toch af.

 

Hopjesvla

Zaterdag 13 november, Groningen

Soms worden de onderwerpen voor een blog letterlijk in mijn schoot geworpen. Zo lees ik in de Volkskrant een recensie van het boek Het ergste moet nog komen. Een boek met allerlei grappige, zeer korte stukjes. Een boek van niks, lijkt me. Ik lees de recensie met half oog omdat ik de schrijver ken als regisseur.

Dat neemt niet weg dat ik de volgende passage met een heel oog lees.
‘Op het tuinfeest liet Huib een ‘opgespaarde wind’, waarbij het leek of er een pak hopjesvla in zijn linnen broek kapot geschoten werd.’ Een mooi en treffend beeld, ik kan niet anders zeggen.

Ik ben een paar artikeltjes verder en ik krijg opeens een enorme kramp. Het is duidelijk dat mijn darmen smeken om enigszins afgefakkeld te worden. Maar met het gas komt er tot mijn verbijstering een stroompje modder mee. Omdat het uit het diepste van de aarde komt, voel ik het warm zijn weg zoeken.

Als een gek ren ik boven naar de badkamer. Ik ben weer een jonge jongen die tot zijn grote schande even geen macht meer had over zijn sluitspieren. Het leed is niet te overzien. Vroeger zou mijn moeder mij geholpen helpen de troep op te ruimen, nu moet ik zelf aan het werk.

Hopjesvla, ik realiseer me dat het beeld meer dan treffend is.

Ondertussen vraag ik me af hoe dit nou mogelijk is. Is de ouderdom een feit? Was het lezen van die zin uit de krant een ultiem inspiratiemoment?

Ik kan me voorstellen dat de lezer denkt: ja, hallo, waarom niet een kritische analyse van de komende corona-maatregelen geschreven? Had gekund, want een ander blogje dat in mijn hoofd vorm begon te krijgen ging over het ontbreken van perspectief. Perspectief is volgens mij deze dagen het meest gebruikte woord aan de tafels van de talkshows. Al die babbelende bn’ers zijn nu gefocust op perspectief. Waarom geeft de regering geen perspectief in deze tijden van corona?

Ik zelf heb eigenlijk niets met perspectief. Het ontbreken van perspectief is veel waardevoller, vind ik zelf. Maar ja, al die nette jongens en meisjes van tegenwoordig kunnen natuurlijk niet tegen onzekerheid. Ze willen weten wanneer ze hun laatste termijn van hun hypotheek kunnen aflossen, of wanneer ze weer naar de Vrienden van Amstel kunnen, of zoiets.

Ik moest dus kiezen tussen perspectief en hopjesvla. Het werd het laatste. Iets down to earth vond ik inspirerender dan dat abstracte perspectief waar toch niemand een antwoord op kan geven. De wasmachine draait inmiddels op volle toeren.

 

Het beslissende moment

Vrijdag 12 november, Groningen

Regelmatig krijg ik de vraag of ik een foto heb bewerkt, of dat het echt zo was. Er zijn ook mensen die mij trots laten weten dat ze een foto nooit bewerken, dat ze de werkelijkheid willen weergeven zoals hij is. Die laatsten moet ik teleurstellen. Een camera geeft nooit de ‘werkelijkheid’ weer want elk fototoestel is al een geprogrammeerde weergave van de ‘werkelijkheid’. Elk type fototoestel heeft een profiel meegekregen en interpreteert het beeld wat de fotograaf willen pakken.

Soms kan een fotograaf geluk hebben en geeft dat profiel het beeld weer zoals de fotograaf het zag. Dat is mazzel. En dat is mij nog nooit gelukt. Ik durf de stelling wel aan dat je alleen een goede foto krijgt als je hem bewerkt. Dan kun je een foto tot volle wasdom laten komen. 
Ik moet foto’s ook wel bewerken want ik fotografeer, zoals vrijwel alle fotografen, in RAW. Dat wil zeggen dat ik het profiel van mijn camera ophef. Door in RAW te fotograferen leg ik van een beeld zoveel mogelijk gegevens vast, later, thuis, kan ik daarmee aan de slag.

De meeste mensen fotograferen in JPEG en dat is eigenlijk bij voorbaat een wat slapper aftreksel van het beeld dat wordt vastgelegd. Een JPEG schiet een gemiddelde kwaliteit foto’s, niets mis mee, maar grote kans dat je veel mist om het beeld tot volle wasdom te laten komen.

Een belangrijk begrip in de fotografie is ‘The decisive moment’, het beslissende moment. Het begrip is van de Rembrandt onder de fotografen, Henri Cartier-Bresson. Het vond dat er eigenlijk maar één moment was om de knop van de camera in te drukken om de ideale compositie te krijgen. Het was de tijd dat er nog analoog werd gefotografeerd. Je kon niet eindeloos foto’s maken, en om van die foto af te drukken moest je in een donkere kamer met chemische baden in de weer.

In een artikel van Dolph Kessler, 10 opvattingen over fotografie, las ik heel bevrijdend dat hij vindt dat het beslissende moment niet bestaat. Hij werkt, zoals ik ook werk: je maakt veel foto’s en maakt later thuis een selectie. Vervolgens staan er vele mogelijkheden voor je open om de ideale foto te creëren, de foto die jouw werkelijkheid het beste weergeeft. Belangrijk hulpmiddel daarbij is het computerprogramma Lightroom, dat eigenlijk mijn digitale donkere kamer is.

Het beslissende moment vindt bij mij niet plaats op het moment dat ik de foto knip. Het beslissende moment creëer ik achter mijn computer. Ik zoom wat in, ik haal kleuren op, corrigeer het licht, maak zaken scherper, of juist niet. En uiteindelijk hoop ik te kunnen zeggen: kijk, dit was mijn beslissende moment, dit is de foto zoals ik hem wil hebben.

Raaf

Donderdag 11 november, Groningen

Onlangs verscheen een biografie over Els Borst, voormalig minister van volksgezondheid. Bij die gelegenheid las ik op diverse plekken een pleidooi voor het terugkeren van vakministers. Voor wie vergeten is wat dat zijn: het zijn ministers die verstand hebben van het vakterrein waar ze minister van zijn, iemand met verstand van zaken dus. Hoe goed dat kan uitwerken, zagen we bij het ministerschap van Els Borst.

Voor wie nu denkt dat de meeste ministers dus blijkbaar geen verstand hebben van hun vakgebied: dat klopt, geen bal. De meeste ministers zijn, zeggen ze zelf, van beroep bestuurder. Zij zijn van mening dat je over alles kunt besturen, dat je niet ergens verstand van hoeft te hebben.

De afgelopen decennia heeft dat geleid tot bestuurlijke rampen. Zo bestuurde over het culturele veld nog niet zo lang geleden eens een H. Zijlstra, een uitgesproken hater van het vakgebied dat hij bestuurde. Maar zo zou ik nog tal van rampenbestuurders kunnen noemen, bijvoorbeeld S. Blok over wonen, S. Dekker, staatsecretaris van justitie en veiligheid, en zo zou ik kunnen doorgaan. Bestuurders met nada kennis van het vakgebied.

Het fenomeen dat een ambtsdrager geen verstand hoeft te hebben van zijn vakgebied beperkt zich niet tot het ministerschap. Ook op ambtelijk gebied is dat inmiddels gemeengoed. Ik kom nog uit een tijd dat ambtenaren die bij de afdeling culturele zaken werkten verstand hadden van het culturele veld. Daar is de klad in gekomen toen het bestuurlijke mode werd te denken dat mensen die ergens verstand van hebben niet objectief kunnen oordelen, dat de integriteit daardoor in gevaar kon komen, dat ambtenaren zich te veel vereenzelfde met het veld. De grote schoonmaak begon en het gevolg is dat op de afdelingen culturele zaken, maar ook op andere ambtelijke afdelingen, mensen werken die eigenlijk geen verstand hebben van de sector waarvoor ze werken.

Het gevolg is dat ze er model- en procesmatig naar kijken. Voor hen is niet de inhoud belangrijk, want die kunnen ze niet doorgronden en beoordelen. Om enigszins vat op de zaak te houden kijken ze naar de procedures en de controle. In de loop van de jaren verdween het gesprek over de inhoud, daarvoor in de plaats eindeloze formulieren en strikte regels. De dood in de pot dus. Hoe kun je zo’n ambtenaar uitleggen wat belangrijk en precair is in een artistiek proces? En hoe de verschillen onderdelen van de keten van de podiumkunsten zich tot elkaar verhouden?

Bij de minister-bestuurders zie je eenzelfde beweging. Om enige houvast te hebben, leggen zij hun politieke principes over het vakgebied heen. Of het nou wel of niet werkt, ze hebben het idee dat ze besturen want ze rollen hun politieke model uit. Zo deed tal van vakgebieden de markt zijn intrede, of werd gespeeld dat er een markt was, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, het treinvervoer, het onderwijs, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Een minister of ambtenaar die echt weet waar het over gaat, is een raaf tussen kraaien. Een gezegde dat niet bestaat, maar dat volgens mij in deze context toch adequaat is.

 

Stofzuiger

Dinsdag 9 november, Nijmegen

Ik ben voor twee dagen in Nijmegen en zit in de werkkamer van Jan, een kamer waar hij verreweg de meeste van de 3600 blogs schreef die verschenen op www.roelofs.eu. Connie en zijn kinderen hebben gelukkig besloten dat het blog op internet blijft staan. Een troost om enigszins het verdrietige feit te verzachten dat er geen blogs meer bijkomen.

We mogen concluderen dat zijn werkkamer dus ongetwijfeld een vruchtbare werkplek voor Jan was. Daarmee heeft hij geluk gehad want de ene werkplek is de andere niet. Er zijn plekken waar het heerlijk werken is, waar de woorden zomaar uit een laptop stromen, op andere werkplekken gaat het uiterst moeizaam.

Een eigen werkkamer is voor mij van essentieel belang. In welk huis ik ook heb gewoond, pas met een eigen werkkamer kwam de vruchtbare werkplek. Op een van de mooiste plekken waar ik heb gewoond, in de bossen van Dwingeloo, wilde het schrijven maar niet vlotten. Mijn werkplek bevond zich in een hoek van de kamer en ik heb daar nooit lekker gewerkt, zelfs niet als ik alleen in huis was.

In Meppel daarentegen, het minste fijne huis waar we hebben gewoond, schreef ik als een speer. Mijn werkkamer keek uit op een blinde muur, maar dat werkte prima. Het was een kamer die wat verscholen lag en verscholen kamers doen het voor mij altijd goed.

Mijn huidige werkkamer in Groningen doet het ook uitstekend. Hier geen blinde muur, integendeel. Ik kijk uit over ons dakterras en heb wijd uitzicht over de stad. Het is een kamer waar ik al mijn boeken weer eens om mij heen heb, dat was ook lang niet meer gebeurd. Ze vormen een warme muur om mij heen.

Overigens is een rustige werkkamer helemaal geen voorwaarde om lekker te kunnen schrijven. Ik heb ook heel wat pagina’s in café’s geschreven. Op de een of andere manier werkt de drukte, het geroezemoes in een café, rustgevend voor me. Ik kan me daar prima concentreren. Vermoedelijk heeft een café dezelfde uitwerking voor me als de stofzuiger voor Simon Vestdijk.

De stofzuiger van Simon Vestdijk, wat heeft die er nu mee te maken? Alles. Vestdijk, die toch zo’n beetje Nederlands kampioen veelschrijven was, schreef, zo zegt de overlevering, een groot deel van zij oeuvre met het geluid van een stofzuiger. Door dat geluid werd hij niet afgeleid door andere geluiden. Het eentonige geluid hield de buitenwereld voor hem buiten. En dat is toch wel de essentie van een goede werkplek, denk ik. Je moet even in volle concentratie helemaal opgesloten in jezelf kunnen zitten, of het nou in een werkkamer of een café is.

 

Nada

Zondag 7 november, Groningen

Nada

Niets
Noppes
Nada
Nul
Niks
Neat
Niente
Nul komma nul
Zero
Nichts
Nebbisj
Rien
Nothing
Geen barst
Geen moer
Nihil

Gewoon niets,
helemaal niets.

En daar moeten we het
maar mee doen.

Liefste,

Zaterdag 6 november, Groningen

 

Liefste,

Och liefste, hierbij moet ik je laten weten
dat ons huis ons huis niet meer is.
Ze hebben onze meubels verzet en
In de fotolijstjes staan andere mensen.

Och, liefste, ze hebben zelfs de gangen
verlegd. Ons bed, ik kan het niet meer
vinden. Weet jij nog waar wij vroeger
ontbeten en onze liefde bedreven?

Geen plek om te zitten en na te denken.
Nergens water om dorst te lessen. Het is
zo koud. De verwarming? Verdwenen.
En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Ons huis, je zou het niet herkennen.
Misschien is het wel goed dat je bent
weggegaan en niet meer terugkomt.
Het enige wat ik nog heb, ben jij, liefste.

Grens

Donderdag 4 november, Groningen

Voor het eerst in jaren komen Wyb en ik elkaar ’s ochtends tegen op de fiets. Ik heb de auto al vroeg naar KwikFit gebracht voor een APK-keuring, Wyb moet daarom met de trein naar Winschoten en gaat het met de fiets naar het station. Als we elkaar passeren wenst Wyb mij veel plezier vandaag, ik wens haar een goede werkdag. Zo liggen de verhoudingen nu.

Onze ontmoeting op de fiets doet me denken aan de tijd dat onze verliefdheid nog niet was uitgesproken. Ik woonde een minuut fietsen van mijn werk vandaan, Wyb woonde een paar straten verder, ik vermoed 1,5 minuut van het werk af. Regelmatig kwamen wij elkaar tegen als we ’s ochtends naar het werk reden. Voor mij was dat een feest: even praten met Wyb, even contact voordat we ons in het werk stortten.

Ik moet bekennen dat ik er het op een gegeven moment om deed. Ik wist ondertussen wel hoe laat Wyb naar haar werk ging en ik deed mijn uiterste best om die tijd ook te halen. Soms moest ik even wat snelheid inhouden, soms juist versnellen als ze voor me reed. Omdat Wyb waarschijnlijk hetzelfde deed, reden we steeds vaker samen naar het werk.

En de liefde groeide en groeide. In die tijd moest ik vaak met de auto naar Amsterdam. Het waren prachtige tochten over de Afsluitdijk. Het wijdse uitzicht, de Hollandse luchten, op de radio Orfeo ed Euridice van Gluck. Puur geluk. Tot over mijn oren verliefd. Een verliefdheid die niet mocht, maar onontkoombaar was.

Misschien wel een jaar later kusten Wyb en ik elkaar voor het eerst in Harlingen na een wandeling over een eindeloze pier die het Wad in loopt en verklaarden wij elkaar de liefde. Op de terugweg in de trein zei ik tegen Wyb: ‘Vanaf nu ben ik geen directeur meer van De Harmonie.’ Ik wist dat ik een grens over was gegaan die ik niet over mocht gaan. Sindsdien begaven wij ons op verboden terrein met verregaande consequenties.

Maar Jezus, wat ben ik blij dat we die grens genomen hebben. Grenzen zijn nuttig, maar soms is het beter ze te overschrijden en een nieuw land in te gaan. Ook al kom je een tijd in een vluchtelingenkamp terecht. Ik kijk Wyb na, die al snel een hoek om fietst. Daar fietst toch maar mooi mijn vrouw. Jammer dat we ’s ochtends niet meer samen kunnen op fietsen.

Kapje

Woensdag 3 november, Groningen

Even iets over de wonderlijke geschiedenis van het mondkapje. Het was aan het begin van de eerste lockdown. Wyb en ik waren een paar weken in Nederland. Ik kreeg contact met mijn oud-wethouder in Leeuwarden. Hij hield zich intensief bezig met de mogelijkheden die ons meer bewegingsruimte in een lockdown zouden kunnen geven. Zo werd hij min of meer een steeds grotere pleitbezorger voor het mondkapje. Hij was daarmee in Nederland absoluut een roepende in de woestijn.

Wyb en ik kwamen zelf uit een land waar het mondkapje al volledig was ingeburgerd. De Fransen omarmden het mondkapje als een ding waarmee ze zich eindelijk een beetje tegen het virus konden beschermen. Ook de rest van Europa droeg het ding toen al volop. Hier was het kapje een soort taboe. Mijn beste vrienden lieten weten ‘dat wij hier in Nederland niet mee zouden doen met die gekte’. Een mondkapje, belachelijk, daarvoor waren wij Nederlanders veel te ‘nuchter’.

Hoofd Pandemiebestrijding, Jaap van Dissel, moest volgens mij kokhalzen als hij het weer eens vragen over mondkapjes kreeg. Natuurlijk werkten die dingen niet, het was schijnveiligheid. Sterker: ze zouden wel eens contraproductief kunnen werken. Bij verkeerd gebruik zouden ze de pandemie kunnen aanwakkeren. Rutte volgde trouw het standpunt van Van Dissel.

De oud-wethouder en ik schreven een ingezonden brief in de Volkskrant waarin wij opperden te onderzoeken of het mondkapje het theaterbezoek toch weer mogelijk maakte. De reacties die ik kreeg waren vooral fanatiek tegen het mondkapje gericht. Hoe konden we het idee opperen? Die dingen waren volstrekt waardeloos. Of wij het publiek al in de zaal zagen zitten met een mondkapje op? Dat was voor mensen die optraden toch geen gezicht.

Toch werd er steeds meer gesproken over dat mondkapje. Dat kon ook niet anders want inmiddels liep de hele wereld met zo’n ding op en lieten steeds meer onderzoeken zien dat die kapjes toch echt niet zo waardeloos waren als de nuchtere Nederlander dacht.

Wat er vervolgens gebeurde, heeft mij zeer geamuseerd. Er ontstond een enorme discussie over het mondkapje. Volgens mij is er geen onderwerp in de Nederlandse geschiedenis geweest waar zoveel woorden aan vuil zijn gemaakt. Elke avond ging het maar door aan de oneindig vele talkshows in dit land. Voor- en tegenstanders struikelden over elkaar heen. De helft van de krant hoefde ik niet te lezen want die ging over het wel of niet een mondkapje invoerren. Resultaat: uiteindelijk is het ding er gewoon gekomen.

En wat het grappige is, nu er opnieuw maatregelen worden ingevoerd, wordt het mondkapje als eerste van stal gehaald. De QR-code is nu de rode lap van opiniërend Nederland. Het mondkapje wordt omarmd als een logisch en aanvaardbaar middel om tegen het virus in te zetten. Het is troostend om te weten dat alles kan verkeren, zelfs de meest discutabele onderwerpen. Nooit gedacht dat ik nog eens de rehabilitatie van dat vervloekte mondkapje zou meemaken.

Het eerste blad

Dinsdag 2 november, Groningen

Met het overlijden van Jan zijn de twee generaties voor mij, die ik zo goed heb gekend en zo heb liefgehad, definitief verdwenen. Jan was het laatste haakje naar de generatie voor me. Eerst verdwenen mijn opa en oma, daarna mijn vader en moeder. Met Jan verdween ook de laatste mens die mij in de wieg heeft zien liggen. Ik sta nu zelf frontaal tegenover de dood: ik ben de volgende die aan de beurt is.

Ik zal rond de twintig zijn geweest en mij diep bewust dat ik nog een heel leven voor me had. Anders dan Jan op die leeftijd was ik ervan overtuigd dat ik nog lang niet dood zou gaan. De dood zou me voor mijn vijftigste niet pakken, dat wist ik zeker. Pas daarna moest ik er ernstig rekening mee houden want mijn vader werd op zijn vierenvijftigste door de dood gepakt. De overtuiging die ik had, was overmoedige zelfoverschatting. Inmiddels heb ik diverse mensen voor hun vijftigste zien wegglippen. Het lot is keihard. Dat neemt niet weg dat die overtuiging mij gelukkig maakte, voorlopig hoefde ik mij nergens zorgen over te maken.

Dat is nu wel anders. Zelfs in domme, praktische zin speelt het besef van de dood een rol. Als ik een trui koop denk ik hoeveel truien ik in mijn leven nog zou moeten kopen. Schoenen heb ik volgens mij zelfs genoeg om het leven uit te zingen. Ik word steeds kritischer op de boeken die ik lees. Er mag geen troep meer bijzitten, want het aantal boeken dat ik kan lezen wordt steeds beperkter.

Ik ben zo benieuwd hoe mijn dood zal zijn. De dood van Jan was een langzaam, heel langzaam afscheid nemen. Daar staat de dood tegenover die ik ook van nabij heb meegemaakt: de donderslag bij heldere hemel. Het hart stopt, de aorta knapt. De tijd tussen leven en dood is een fractie van een seconde. Als ik van mijn eigen belang uitga, kies ik voor het laatste. Voor mijn dierbaren prefereer ik de langzame dood. Iets sneller dan die van Jan, maar toch. Het langzaam en goed afscheid kunnen is toch erg waardevol, heb ik bij het heengaan van Jan gemerkt.

Afgelopen zomer in Frankrijk nam Wyb een foto waarvan ik dacht, verdomd, dat is een mooie foto voor een rouwkaart. Wanneer ik weer een beetje ouder ben geworden, moet ze er maar een update van maken. Volgens mij leef ik nu in kostbare jaren: ik voel me absoluut nog geen oude man. Er is nog zoveel wat ik zou willen doen. Het echte instorten is nog niet begonnen, al gaat mijn haar, vrees ik, wel die kant op.


Het bos dat lijkt op mij: in volle bloei.

De bomen ruizen: overal is groei.

De zomer lijkt zo mooi. –Maar ach, vandaag,

het eerste blad dat van een tak afwoei.

Tikje

Maandag 1 november, Groningen

Straf en elkaar corrigeren, we doen het niet meer, en het mag ook niet meer. Zelfs de corrigerende tik is in 2007 bij wet verboden. Drie jaar geleden volgde ik met Dies een puppy cursus en ook in hondenland was het devies: nooit straffen, altijd positief belonen. 
Eigenlijk zet dit standpunt zich in alles door. Neemt de overheid een corona-maatregel, bijvoorbeeld dat gevaccineerden of negatief geteste een QR-code moeten laten zien, de vier grote steden laten bij voorbaat weten dat ze hier eigenlijk niet op zullen handhaven. Men gaat uit van de individuele verantwoordelijkheid van de mede-burger. Nooit correctie, nooit straf.

Een groot deel van de corona-tijd heb ik doorgebracht in een land waar geen wet op corrigerende tikken bestaat en waar de politie niet je beste vriend is. In Frankrijk is gewoon nog angst voor de gendarmerie, die niet schuwt om te straffen en te corrigeren. Ik weet zeker dat dit ertoe bijdroeg dat ons dorp iedereen zich keurig aan de corona-regels hield.

Even terugkomen op Dies. Als ik een hond opvoed, heb ik de gewoonte om met hem te praten (doe ik trouwens ook als hij al opgevoed is). Ik laat hem weten wat ik van de zaken vind. Als hij lief is, prijs ik hem de hemel in. Als hij iets doet wat ik niet prettig vind, laat ik hem dat met afwijzing in mijn stem weten. Ik corrigeer met mijn stem. Ik geeft toe: ik heb hem één keer een corrigerende tik gegeven. Nou ja, tikje.

Na driekwart jaar had hij nog steeds de gewoonte om met schoenen te slepen. Niet dat hij ze kapot maakte, maar hij sabbelde op de veters. Vond ik irritant. Elke dag liet ik hem weten dat ik daar niet van gediend was. Hij keek me begrijpend aan, maar deed het elke dag weer. 
Na driekwart jaar had ik er zo genoeg van dat ik hem streng toesprak en hem een tikje op zijn neus gaf. Geheel tegen het advies van onze hondentrainer had ik hem een corrigerende tik gegeven. Dies heeft het nooit meer gedaan. Nooit meer. Werd hij bang voor mijn hand, liep hij een trauma op? Tot nu toe niets van gemerkt.

In tegenstelling tot de hondentrainer en de heersende opinie hierover geloof ik wel in elkaar corrigeren en soms zelfs straf geven. Niet in brute en onredelijke zin, maar op een gegeven is genoeg genoeg. Als ergens een loopje mee wordt genomen, bijvoorbeeld dat café’s zich niet aan de corona-regels houden, dan moet er af en toe, door een voorbeeld te stellen, toch worden opgetreden. Een paar fikse boetes of sluitingen en kijk eens hoe caféhouders zich door heel Nederland aan de regels gaan houden. Als wij in Nederland ergens slecht in zijn dan is het handhaving en elkaar durven aan te spreken.

Voor de goede orde: ik ben een kind van de jaren zeventig. Autoriteit is niet aan mij besteed. Regels zijn er om te overtreden, zei ik altijd toen ik nog directeur was. Dit om mensen aan te zetten tot creativiteit en niet in regeltjes te denken. Ik leerde ook dat als je iets afspreekt met elkaar positiviteit erg nuttig is, maar dat paal en perk soms noodzakelijk zijn om de uitgezette lijn vast te houden.

Net als ik dit heb geschreven belt een onthutste Anne. Ze liep zojuist met Charlie door de Haarlemmerstraat in Amsterdam. Aan de andere kant van de straat liep een man met een husky. De hond blafte naar Charlie en vervolgens begon de man de hond op een verschrikkelijke manier af te tuigen. Omstanders keken er met afschuw naar. Opeens schaamde ik me voor de woorden die ik hiervoor schreef. Maar liefdevolle straf (ja, die bestaat) is totaal iets anders dan mishandeling.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2021