Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2021, mei

Korte broek

Maandag 10 mei, Groningen

Sinds wij in maart 2019 naar Frankrijk vertrokken, moet er iets gebeurd zijn met Nederland. Wij wonen nu alweer acht maanden in Groningen en in die acht maanden is het ongelooflijk beroerd weer. Elke dag regen, elke dag gure wind. En iemand heeft het licht gedimd. Ik kan me niet herinneren dat er vóór 2019 zo’n somber, smoezelig licht was. Het lijkt of iemand modder op het peertje heeft gesmeerd.

Het is oneerlijk om Nederland met Zuid-Frankrijk te vergelijken. Maar als je daar een tijdje hebt gewoond, doe je het toch. Ook daar kon het verrekte slechte weer zijn. We hadden daar te maken met zogenaamde episodes cevenolles. Voor zo’n episode werden we zelfs gewaarschuwd door de verzekering. In de dagen van zo’n episode viel de regen recht in bakken naar beneden. Het water van de daken viel als een watergordijn op straat. Straten veranderden in beken. De rivieren die door het dorp liepen vermenigvuldigden zich. Om het helemaal sinister te maken, stak er vaak een storm op. Op zulke dagen leek het of we in de tropen woonden in de moessontijd.

Een episode cevenolle duurde twee, drie dagen en dan brak de zon door en keken we weer tegen een strak blauwe hemel aan en konden we genieten van heldere licht. Twee, drie dagen is heel wat anders dan acht maanden somber weer.

Hier in Nederland worden we ook getart met het weer. Zo kondigde de weerman voor gisteren eindelijk zon en warmte aan. ’s Ochtends deden we de rolgordijnen omhoog: opnieuw is het morsig weer, het miezert, geen zon te bekennen. Tegen twaalf uur rijden we naar Kollum. Tijdens dat tochtje breekt de zon door en lijkt het na acht maanden zowaar of we weer in Saint-Hippolyte-du-Fort wonen. Eindelijk licht en warmte.

Wyb had al gezegd dat ik mijn korte broek moest meenemen. Anneke woont namelijk aan het water, als het even kan zitten we daar buiten. Nu kon het heel goed, er hing zelfs een broeierige warmte. Voor het eerst sinds meer dan een half jaar trok ik mijn korte broek aan. Ik ben een echte korte broek loper. We zitten aan het water en het is oprecht meer dan behaaglijk.

En dan begint het sarren weer. Zo tegen half vier betrekt de lucht. Er steekt een koude wind op, de eerste druppels vallen, we vluchten naar binnen. Waarom worden wij door dat klote weer zo geteisterd? Aan wat of wie hebben we dat te danken? Het zal vast de schuld van Rutte zijn of misschien een straf van een hoger wezen. In ieder geval wakkert al dat rotweer het verlangen naar Zuid-Frankrijk enorm aan. Daar liep ik altijd in korte broek. Het is ook niet gek dat zoveel Nederlanders verzuurde zeurpieten zijn, je zult maar altijd in dat sombere weer moeten leven.

Oogpunt 26

Het Nijmegengevoel

Zondag 9 mei, Groningen

Als Jan en Connie bij ons op bezoek zijn, krijg ik Het Nijmegengevoel van ze cadeau, een boek met als ondertitel, Een naoorlogse stadsgeschiedenis. Ik ben er blij mee, want ondanks dat ik al veertig jaar (veertig jaar!) niet meer in Nijmegen woon, beschouw ik me nog altijd als Nijmegenaar, ik heb er niet voor niets tot mijn 27ste gewoond.

Er was een tijd dat ik, als ik door een straat in het centrum liep, zeker twee bekenden tegenkwam. Zo rond mijn twintigste had ik nooit verwacht ooit Nijmegen te verlaten. Dat klinkt allemaal sentimenteler dan het is, want ik was verrekte blij toen Lies en ik naar Groningen verhuisden. Ik had helemaal genoeg van Nijmegen. Dat kwam vooral omdat we werden opgeslokt door sociale contacten. We hadden altijd bezoek, ik werd er gek van. Andere reden was dat ik het wel gezien had in Nijmegen, de stad kende geen geheimen meer voor me. Ik groeide als het ware uit de stad waar ik was geboren, had gestudeerd en gewerkt.

Ik verlangde ook nooit terug naar de stad. Het kwam niet in mij op om daar weer te gaan wonen. Ik vond het wel altijd fijn om er weer te zijn, mijn moeder te bezoeken, met mijn familie de paastocht te lopen. Een keer maakte ik soort sentimental journey door Nijmegen, liep ik door de buurten waar ik was opgegroeid, een vervreemdende ervaring. Alles was hetzelfde gebleven, behalve ikzelf.

Een paar weken geleden stonden we op een camping in Berg en Dal en bezochten onder andere Jan en Connie. Wyb en ik reden op de fiets door Nijmegen en voor het eerst kreeg ik het gevoel dat ik er wel weer wilde wonen. Ik schreef daar volgens mij iets over in Dossiermoddergat.
Als Jan en Connie bij ons komen krijg ik Het Nijmegengevoel overhandigd met de woorden: ‘Je zult er wel blij mee zijn, want je schrijft de laatste tijd zoveel over Nijmegen. Het is duidelijk dat je ernaar terugverlangt.’

Volgens mij is dat aantoonbaar niet juist, schreef ik maar één keer over Nijmegen. Maar Jan, als diepgewortelde Nijmegenaar, als bard die het definitieve Nijmegen gedicht heeft geschreven, wil graag dat een verloren zoon van de stad terugkeert in de moederschoot.

Ik ben Het Nijmegengevoel nu aan het lezen. Er staan beschouwende artikelen over de stad in. Verder worden er 44 mensen geïnterviewd over Nijmegen, waaronder Jan. Met het lezen besef ik dat ik inderdaad een echte Nijmegenaar ben. De verhalen die verteld worden, ik ken ze vrijwel allemaal.

Ik ken de verhalen niet alleen, ze zijn me verwant, ze horen bij me. In welke zin? Zo lees ik het verhaal over de plek waar nu de HEMA staat. Het gebouw dat er voor de oorlog stond is weggebombardeerd en wat er restte was een wond, zoals Nijmegen zoveel wonden na de oorlog kende. Ik ben opgegroeid met die wonden, in mijn jeugd liep ik door een zwaar geschonden stad.

Door een erfscheidingskwestie duurde het heel lang voordat de HEMA daar uiteindelijk gebouwd kon worden. In mijn jeugd heb ik het gat van de HEMA nog gezien. Daarna zag ik de HEMA gebouwd worden. Het gekke is: nog steeds als ik over de Grote Markt loop, denk ik aan de bouwput van de HEMA. In de Vroom & Dreesmann die er naast lag, leerde ik het genot van de horeca kennen. In de glanzende lunchroom van die winkel nam mijn oma mij altijd na het winkelen mee voor een ijsje.

Oogpunt 25

Kompas

Zaterdag 8 mei, Groningen

Ik lees momenteel een boek van Valeria Luiselli, de titel: Archief van Verloren Kinderen. Op de achterflap lees ik: Archief van Verloren Kinderen is een avonturenroman, een felrealistisch sprookje en een aanklacht ineen; een mustread voor iedereen die ok maar iets meer van deze tijd probeert te begrijpen.

Die laatste zin triggert mij. Want sinds anderhalf, twee jaar heb ik het idee dat ik onze tijd niet echt meer begrijp. Er is iets gebeurd waardoor ik met veel meer onzekerheid blogs schrijf dan vroeger. Ik denk dat het met Trump heeft te maken, die goochelden met leugens. Het heeft met figuren als Baudet te maken, die schijnt terug te verlangen naar bruine tijden. Het heeft met onze kwetsbare democratie te maken die ervoor zorgt dat alles wat met uitvoering heeft te maken fout gaat, vastloopt in bureaucratie. Het heeft met de doem te maken waarmee wij omgaan met onze aarde. Het heeft met onze culturele leven te maken waarin geen middelpunt vliedende kracht meer is. Of zoek ik het te veel buiten mijzelf? Heeft het gewoon met mijn ouder worden te maken? Mijn leven dat drastisch is veranderd: van druk, druk, druk naar rust. Waardoor het ook komt, er is onbestemdheid, het kompas is de richting kwijt.

In Archief voor Verloren Kinderen lees ik de volgende passage. Het gezin reist in een auto door Amerika. Het zoontje van tien vraagt aan zijn moeder: ‘Wat betekent het nou, mam, om dingen te documenteren?’
Dan volgt deze passage:

‘Documenteren betekent gewoon dat je het heden vastlegt voor het nageslacht.’
‘Hoe bedoel je, nageslacht?’
‘Ik bedoel – voor later.’
Ik weet alleen niet goed wat ‘voor later’ nu nog voor betekenis heeft. Er is iets veranderd in de wereld. Er is iets veranderd, niet zo heel lang geleden, en we weten het. We weten nog niet hoe we het moeten duiden, maar volgens mij voelen we het allemaal, in onze onderbuik of in onze neurale netwerken. We ervaren de tijd anders. Niemand heeft helemaal kunnen bevatten wat er speelt, of kunnen zeggen waarom. Misschien ervaren we gewoon een afwezigheid van toekomst, omdat het heden te overweldigend is geworden, en de toekomst daarmee onvoorstelbaar. En zonder toekomst lijkt tijd een accumulatie. Een accumulatie van maanden, dagen, natuurrampen, televisieseries, terroristische aanvallen, echtscheidingen, massamigratie, verjaardagen, foto’s, zonsopgangen. We zijn nog niet in staat de precieze manier te doorgronden waarop we de tijd nu ervaren. En misschien is de frustratie van de jongen, die niet weet wat hij moet fotograferen, of hoe hij die dingen die hij ziet moet kadreren en scherpstellen, terwijl we met z’n allen in de auto door dit merkwaardige, prachtige, donkere land rijden, eenvoudigweg een teken dat onze manieren om de wereld te documenteren niet langer volstaan. Als we een nieuwe manier zouden weten te vinden om de dingen vast te leggen, zouden we misschien langzaam iets gaan begrijpen van deze nieuwe manier waarop we ruimte en tijd ervaren.’

Ik ben niet de enige die worstelt met een nieuwe tijd. Valeria Luiselli formuleert het voor me, ik had de tekst kunnen schrijven.

Oogpunt 24

Monument

Vrijdag 7 mei, Groningen

Zevenentwintig jaar geleden stonden Kees en Annemiek met een tent op een boerencamping in Frankrijk, iets boven de Drôme. Hun dochter, Renuka, was één jaar oud. Als ze gingen wandelen, droegen ze haar op de rug en viel dan diep in slaap.
Misschien kwam het hierdoor dat ze ’s nachts slecht sliep. Op een nacht huilde ze de hele nacht door. Ik weet precies hoe je je dan als ouder voelt. Je voelt je ontzettend schuldig ten opzichte van al die mede kampeerders. Je denkt dat het huilen van je kind iedereen wakker houdt.

De volgende dag bieden Kees en Annemiek hun directe buren excuses aan voor het huilen.
‘Sorry, maar ze was zo verdrietig, we kregen haar niet stil,’ zoiets zullen ze gezegd hebben.
‘Och, hindert niet, we hebben er echt geen last van gehad. We zijn wel even wakker geweest maar toen dachten we, wat heerlijk dat wij ons geen zorgen hoeven te maken over dat verdriet,’ antwoordden hun buren.

De buurman vroeg waar hun dochter vandaan kwam. Dat vroeg hij omdat Renuka donker is, een andere kleur heeft dan haar ouders.
‘Sri Lanka,’ antwoordden ze.
‘Oh, wat leuk. Mijn neef heeft met zijn vrouw ook twee kinderen uit Sri Lanka geadopteerd,’ zei de buurman.
‘Hoe heten uw neef en zijn vrouw dan?’
‘Gerard en Lies, ze wonen in Leeuwarden.’ De buren van Kees en Annemiek waren namelijk Jan en Connie.
‘Wat grappig, ze zijn goede vrienden van ons. Wij wonen in Groningen, waar zij ook hebben gewoond. Zij hebben ons als eerste eigenlijk iets verteld over adoptie.’

Zo ontmoetten vier mensen, waar ik mij nauw mee verwant voel, elkaar bij toeval op een Franse camping in the middle of nowhere. Als beide vriendenparen thuis zijn, krijg ik het verhaal van twee kanten te horen. Het is altijd in mijn hoofd blijven hangen.

Vandaag zijn Jan en Connie bij ons op bezoek. Tijdens de lunch herinner ik ze aan het verhaal. Dat doe ik omdat wij sinds 1 november boven Kees en Annemiek wonen. Toch een mooi toeval dat zij na zevenentwintig jaar nu samen in één huis zitten.
Maar als ik het verhaal vertel, blijken Jan en Connie zich niets van het voorval te herinneren. Ik ben verbaasd, zou ik me dan vergissen? Als ik het me goed herinner, hebben Jan en Connie het mij ook ooit zelf verteld.

Om zekerheid te krijgen, ga ik naar beneden, naar Kees en Annemiek en vertel hen wat me is overkomen. Ik verifieer bij hen of het verhaal echt is gebeurd. Dat blijkt gelukkig het geval te zijn. Ik vraag of ze misschien even mee naar boven willen komen en hun oude campingburen willen ontmoeten.

Eenmaal boven frissen Kees en Annemiek het geheugen van Jan en Connie op. Die herinneren zich inderdaad allerlei details van de camping, zoals een oude boer die op Nikes liep, het lekkere koken van de campingeigenaresse. Maar de ontmoeting, die ik al zevenentwintig jaar zo frappant vind, daagt bij hen niet echt.
Geheugen, het is een wankel iets, soms herinneren anderen zich zaken waarin jij toch een hoofdrol speelde. Nog niet zo lang geleden overkwam mij hetzelfde. De geschiedenis is een gammel monument, schreef ik ooit eens.

Oogpunt 23

Oogpunt 22

Donderdag 6 mei, Groningen

Senryū

Woensdag 5 mei, Groningen

Toch nog even door over die haiku’s. Er is een ander soort Japans gedicht dat nauw met de haiku is verwant. Dat is de senryū. De senryū heeft dezelfde vorm als de haiku, alleen staan ze inhoudelijk diametraal tegenover elkaar.
In een haiku staat meestal een natuurbeleving centraal, een haiku is etherisch, een haiku is de dichtkunst van de zen. Het heeft iets ijls en verhevens. De schoonheid, het bijzondere staat centraal. Ik citeer J. van Tooren: ‘Haiku is zen-poëzie; ondanks haar lichte allure, kan soms door een plotselinge, bevrijdende ervaring van eenheid met het wezen der dingen -satori- worden opgeroepen.’

De senryiū is het inhoudelijke tegendeel van de haiku. De senryū-poëzie is de reactie van het Japanse volk op de haiku. Het is grappig, anarchistisch, volks, platvloers. Haiku is van de filosofen en de dichters, senryū is van de cabaretiers, de satirici, de cynici.
Voor wie senryū wil lezen is er de bundel De Waterwilgen, samengesteld en voorzien van een inleiding door J. van Tooren. Vermoedelijk is de bundel alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Op de achterflap lees ik: ‘In de senryū zien we de mens in zijn dagelijkse doen en laten; fijn gevoeld en scherp gezien, en meestal van de komische kant bekeken, hoewel soms ook bitter en navrant. Deze verzen ontstonden op vrolijke bijeenkomsten in theehuizen en herbergen.’

Enkele voorbeelden:

‘Sluit het huis goed af
voor het slapengaan!’ herhaalt hij,
en gaat inbreken.

 

Zijn dode gezicht;
nu voor het eerst gelijkt hij op
een menselijk wezen.

 

Aldoor maar schreiend
verzamelt ze de as en
zoekt de gouden tand.

 

De wind van de herfst
heb ik gehoord door het gat
in mijn financiën.

 

In mijn bescheiden dichterscarrière heb ik maar één keer een senryū geschreven. Die gaat zo:

De spin is verbluft.
Plotseling wiegt in zijn web
een Marlboro peuk.

Oogpunt 21

Kreupelhout

Dinsdag 4 mei, Groningen

Een haiku is een dichtvorm afkomstig uit Japan. Het is een gedicht van drie regels. De eerste regel heeft vijf lettergrepen, de tweede zeven, de derde weer vijf. Het onderwerp van een haiku is vaak een natuurbeleving. Ook het landelijke en huiselijke leven kan onderwerp zijn.

Een van de beroemdste haiku’s is geschreven door de Japanse haiku-meester Matsuo Basho, hij leefde van 1644 tot 1694. Het gaat zo:

Oh, oude vijver,
een kikker springt van de kant,
geluid van water.

 

Een andere haiku van Basho:

op een dorre tak
is een kraai nog blijven zitten
in de herfstavond

 

Een paar dagen geleden zat ik op de kade van het Lage der Aa toen er zomaar een haiku in mijn hoofd kwam, zie een paar blogs geleden. Wie meer haiku’s wil lezen, raad ik het boek van J. van Toooren aan. De titel: Haiku, Een jonge maan. Het is in 1983 uitgegeven en sinds die tijd heb ik het al. Ik hou van de haiku door zijn eenvoud, zijn sfeer, de lange traditie, de ingetogenheid, de liefde die er uitspreekt voor de natuur en de kleine, vaak ogenschijnlijk onbetekenende dingen die beschreven worden.

Afgelopen zondag kwam er ook weer een haiku in mij op. Niet gek, want we reden naar Slochteren door het uitgestrekte Groninger land waar een mens zich al snel klein voelt en behoefte heeft aan beschutting. Ik heb er wel mee geworsteld. De haiku die het eerst in mij opkwam ging zo:

Donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten,
ver weg een schuilplaats.

 

Ik vond het woord schuilplaats eigenlijk te hard. Al gaf het goed weer wat ik wilde zeggen. Maar ik vind het woord schuilplaats ook te expliciet. Vervolgens schreef ik het zo:

Donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten,
ver weg een bosje.

 

Maar bosje vond ik een slap woord. Het lag ook te ver af van wat ik eigenlijk wilde zeggen. Dit werd de definitieve versie:

donkere wolken,
leeg land, eindeloze sloten
ver weg kreupelhout

 

Het woord kreupelhout vind ik prachtig, is geheimzinnig en ik vind het een goed synoniem voor schuilplaats, minder concreet, geheimzinniger. Ook in kreupelhout kun je goed schuilen.

 

Oogpunt 20

Stoelendans

Maandag 3 mei, Groningen

Wyb en ik rijden naar Zuidhorn voor mijn eerste Covid vaccinatie. Doel is een oud zalencomplex in Zuidhorn, Balk geheten. De vader en moeder van Wyb hebben hier nog hun 25-jarige bruiloft gevierd. Op een enorme parkeerplaats staan twee verkeersregelaars de weinige auto’s op een keurige rij te delegeren. Wyb maakt een foto van me voor het zalencomplex. Historische momenten dienen nu eenmaal vastgelegd.

Een verkeersregelaar komt naar ons toe om te vragen of we zeker weten dat er verder niemand op de foto staat. Wyb en ik schieten in de lach. Ook hij moet toch zien dat er verder geen mens op de parkeerplaats is.
‘De GGD, hè,’ zegt hij vergoelijkend. ‘Die zijn erg streng.’
Vermoedelijk handelt hij keurig volgens protocol. Iemand maakt een foto: meteen checken of er niemand anders op staat, ook al is er overduidelijk verder niemand te zien.

De ene na de andere beveiliger wijst mij welke richting ik op moet lopen. Hier wordt niets aan het toeval overgelaten. Ik ben iets te vroeg, maar een meisje met de afkorting GGD op haar hesje zegt dat ze er blij mee is. Ik sta nog niet te wachten of een stoplicht voor een van de hokjes springt op groen. ‘U mag,’ laat ze me weten.

En zo zit ik dan eindelijk naast iemand die het Comirnaty-vaccin van BioNTech/Pfizer in mij gaat prikken. Ik zou volgens de eerste planning half maart aan de beurt zijn. Het is nu 2 mei. Ik heb er naar uitgekeken. Van de prik voel ik niets. Terwijl ik op televisie vrijwel elke dag wel een keer heb gezien hoe zo’n naald diep de bovenarm ingaat.

Als ik het hokje uitloop, staan er opnieuw een paar beveiligers klaar om mij een wachtruimte te wijzen waar ik nog vijftien minuten moeten zitten om te kijken of ik geen onverwachte allergische reactie krijg. Met een stuk of vijftien generatiegenoten zitten we op veilige afstand van elkaar te wachten op de allergische reactie die niet komt.
‘Als dadelijk iedereen er is, zet ik de muziek aan en begint de stoelendans,’ grapt een beveiliger. Vermoedelijk maakt hij het grapje een paar keer per dag.

Ik neem mijn generatiegenoten op. Wat zijn we oud geworden. In een paar mensen zit nog leven, de meesten hebben zichzelf zo te zien afgeschreven. Een substantieel deel heeft toch met lange haren gedroomd van peace and love en van een leven leiden als in de film Easy Rider. Daar zitten we dan midden zestig gepasseerd te wachten na de eerste stap op weg naar een veilig bestaan.

Eerder die ochtend is me duidelijk geworden dat we ons na die eerste prik niet veilig moeten wanen. Willem, een vriend van ons, in ons huis hangt menig schilderijtje van hem, ligt sinds een paar dagen op de ic in Zwolle. Na zijn eerste prik kreeg hij toch Covid. Inmiddels is hij op de ic in slaap gebracht. Hij is veel in onze gedachte.

Oogpunt 19

Schuilen

Zondag 2 mei, Groningen

 

Dit is een kleine hut, hoog in de bergen.
Wie hier wil wonen moet het ergste vergen.
Met touwen, pikhouweel en zuurstofmasker.
Wie dient te schuilen, kan zich hier verbergen.

 

 

 

Oogpunt 18

Het gemaaide gras

Zaterdag 1 mei, Groningen

De terrassen in Groningen zitten vol, ondanks dat het rotweer is. Nu terrassen het symbool van herwonnen vrijheid is, wil je er natuurlijk ook van genieten. Of je nou in T-shirt of met dikke jas op een terras zit, het maakt iets uit, maar het principe blijft hetzelfde. Aan een tafel zitten met een kop koffie of een biertje op een terras is iets heel anders dan thuis aan een tafel zitten met een kop koffie of een biertje. Op een terras heb je geen last van muren en bij je thuis lopen nooit zoveel mensen langs.

Na een bezoek aan de markt pakken Wyb en ik voor het eerst een terrasje. We zitten op de rand van de kade van het Kleine der A, wat het verlengde is van het Hoge der A. Ik vind het zulke prachtige namen. Als ik nog eens een uitgeverij beging, dan noem ik haar Uitgeverij Het Hoge der A.
We bestellen een thee voor Wyb en een koffie verkeerd voor mij.
‘Waarom krijgen we er geen koekje bij?’ zeg ik tegen Wyb als we de bestelling hebben ontvangen.
‘Weet je dat ik precies hetzelfde dacht,’ zegt Wyb.
Onze levens zijn zo versmolten dat we heel vaak op het hetzelfde moment hetzelfde denken. Ik vind dat een verworvenheid. Je zult maar een relatie hebben waarin je nooit hetzelfde denkt op hetzelfde moment.

‘U heeft de koekjes vergeten,’ zeg ik tegen de vriendelijke serveerster als ze weer langsloopt.
‘Oh, ik zal ze even voor u halen.’
Verderop is de gemeentelijke schoonmaakdienst bezig met het schoonmaken van het Lage der A. Een boot met een grijper haalt de ene na de andere verroeste fiets naar boven.
‘Sorry,’ zegt de vriendelijke serveerster als ze terug komt, ‘maar koekje hebben we in het kader van de Covid-maatregelen afgeschaft.’
Ik haal mijn schouders op. In het kader van veiligheid kun je de gekste dingen verzinnen.

We genieten van ons eerste terrasbezoek, zelfs als het begint te druppelen. Ik staar naar het water van het Lage der A, zie dat er best veel stroming in zit. Zomaar ineens zit er een haiku in mijn hoofd.

het gemaaide gras
drijft langzaam langs ons richting
de grote oceaan

Oogpunt 17

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2021