Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2022, mei

Helm

Donderdag 12 mei, Groningen

 

Er zijn eigenlijk drie onderwerpen waar ik over zou willen schrijven. Maar welke kies je dan? Vandaag lijd ik aan keuzestress.

Eerste onderwerp is het overlijden van Jeroen Brouwers. Ik beschouwde hem als een van de grootste Nederlandse schrijvers. Hij heeft zich zijn hele leven schatplichtig verklaard aan Harry Mulisch, maar ik vind dat hij het niveau Mulisch al lang was overstegen. Ik las zijn romans met enorm veel plezier, maar ik was vooral gek op zijn polemisch en essayistisch werk. Zo schreef hij prachtige necrologieën van schrijvers die zelfmoord pleegden. In zijn polemisch werk kon hij donderen en vilein formuleren als geen ander. Zijn schotschrift De Nieuwe Revisor, waarin hij tekeer ging tegen de jongetjesliteratuur van de jaren zeventig, heb ik diverse keren gelezen. Dat was nog eens tekeer gaan.

Onderwerp van geheel andere aard was een voorval gisteren. Ik zat boven te poepen. In de verte hoorde ik een politiesirene onze kant opkomen. Op een gegeven moment hoorde ik dat hij de straat indraaide. Het lukte me, gezien mijn bezigheid, niet om op tijd bij het raam te zijn. In onze straat is veel studentendrukte, maar in onze straat, met smalle rijweg, rijdt nooit met hoge snelheid een politieauto met sirene, dat is volstrekt onverantwoord. Eenmaal beneden wist Wyb mij te vertellen dat de politiewagen achter een scooter aanzat. Met topsnelheid reed de wagen achter de scooter aan op nog geen twee meter afstand. 
Vandaag leest ze in de krant dat er een achtervolging tussen politie en een scooterrijder heeft plaatsvonden. Ja, dat kun je wel zeggen. Ze leest dat de achtervolging twintig minuten duurde en uiteindelijk eindigde met de val van de scooterrijder. De man werd achtervolgd omdat hij geen helm droeg. Rumoer in de straat en dat moet ik dan weer missen omdat ik mijn hoogstnoodzakelijke boodschap van die dag diende te doen. Jammer.
Vroeger zou ik voor de scooterrijder zijn geweest. Nu ben ik voor de politie. Ik zie zoveel van dat jonge tuig de stad verpesten met hun herriescooters en fout machogedrag: eindelijk wordt het tuig eens aangepakt. Ik zeg dit ook omdat een paar straten verder, tegen het centrum aan, de plek is waar de verloedering samenkomt, wat nachtwinkels en een MacDonalds zorgen voor permanente overlast. 
Aan de andere kant, het is natuurlijk totaal onverantwoord dat een politieauto als een dolle stier door zo’n wijk rijdt om een jongen zonder helm te pakken. Als het nou om een oligarch ging of een frauderende notaris. Maar een jongen zonder helm, kom op nou.

Ten slotte zou ik willen schrijven over een nieuwsbericht vandaag. Het Ministerie van Volksgezondheid heeft ziekenhuizen tijdens de pandemie ontmoedigd hun intensive care uit te breiden met extra bedden. WTF! En natuurlijk, hoe kan het anders onder deze liberale regering, is geld de reden. Uitbreiding zou te duur worden. 
Hè? De hele samenleving hebben we afgeknepen om er maar voor te zorgen dat de IC’s niet overbelast werden. Dat heeft de samenleving miljarden gekost. En dat ministerie zit te financieel te miezemuizen op het eigen beleidsterrein. En dat nog wel onder een minister die belast was met de aanpak van Corona. Ik kan niet wachten op de parlementaire enquête, want het afknijpen van de IC’s vind ik eigenlijk een misdaad. Alweer iets waarbij de onderste steen boven moet komen.

Nou ja, op deze manier heb ik mijn keuzestress toch aardig weten te reduceren. Ja, ja, ik weet het, het verdient niet de schoonheidsprijs. Ik beloof dat het een eenmalig gebeuren is, drie onderwerpen in één blogje. Dat moet ik voortaan echt voorkomen.

 

Paradijselijk

Woensdag 11 mei, Groningen

 

Ik moet bekennen dat er in mijn leven maanden voorbij gingen zonder dat ik aan mijn vader dacht. Sinds ik een map op mijn bureaublad aanmaakte met de titel Het geheim van mijn vader denk ik een paar keer per dag aan hem.
Gisteren maakte ik een kast open waarin ik, sinds we hier wonen, nog nooit in heb gekeken. Het is een blauwe kast die naast mijn bureau staat en waar al mijn herinneringen in rode dozen zijn opgestapeld. In die dozen honderden foto’s, misschien wel duizenden. Een leven in beeld.

De nacht daarvoor kon ik niet slapen. In mijn hoofd kwam namelijk de vraag op: sta ik eigenlijk wel eens met mijn vader op de foto? Andere vraag: als ik de foto’s bekijk waar mijn vader opstaat, kom ik dan meer over hem te weten? Ik kon niet wachten om op te staan. Er zijn twee van die rode dozen waar foto’s van mijn vader in kunnen zitten.

Een voor een gingen de foto’s door mijn handen. Van een paar foto’s was ik het bestaan vergeten. Een mens verzamelt wat beelden in zijn leven. Van de meeste foto’s weet ik nog precies waar ze zijn gemaakt. Veel foto’s zijn verankerd in mijn hoofd. Van mijn vader vind ik in totaal 73 foto’s. Dat wil zeggen, foto’s die ik los in de dozen vind. Ik heb ook nog het trouwalbum van mijn vader en moeder, die foto’s reken ik even niet mee.

Tot mijn teleurstelling vind ik slechts drie foto’s waar mijn vader en ik samen op staan. Het opmerkelijke is dat al de drie de foto’s voor mijn vierde jaar zijn gemaakt. Blijkbaar hebben we daarna nooit meer dichtbij elkaar gestaan als er een foto werd genomen.

De foto’s waar wij samen op staan, zijn gemaakt in de tijd dat wij op de Broerdijk woonden. Het was midden jaren vijftig in de twintigste eeuw en ook toen, net als nu, was er woningnood. Wij woonden boven een bejaard echtpaar, meneer en mevrouw van Bremen. Onze verdieping was een zolderverdieping. Er waren een woonkamer, een slaapkamer, een rommelhoek, een keuken en een wc. Vermoedelijk ben ik door die tijd van tiny houses gaan houden.

Met een van de foto’s ben ik erg blij. Het is een foto van een soort paradijselijk geluk. Ik zit als blakende baby, met een knuffelbeer voor me, tussen mijn vader en moeder in. Alle drie kijken we even gelukkig, we stralen zelfs, al kijk ik meer genoegzaam, innig blij. Alle drie schijnen we op dat moment te weten dat het leven zo hoort te zijn. De foto gaat niet meer terug in de doos. Ik wil hem voortaan altijd in mijn zicht hebben.

Het opmerkelijk van deze foto is dat hij eruit ziet als nieuw. De meeste foto’s in de dozen hebben een beschadiging, een ezelsoor, sporen van een plakbandje, een scheur, een vouw, een vlek. Deze foto is puntgaaf. Op de achterkant kan ik zien wanneer de foto is gemaakt, op 24 juli 1955. Ik ben op die foto zes maanden en 27 dagen. Mijn vader is 28 jaar, 1 maand en 24 dagen. Mijn moeder is 26 jaar, 8 maanden en 1 dag.
Mijn vader houdt zijn rechterhand zo dat het lijkt alsof hij mij presenteert, dat hij wil zeggen: kijk, dit is hij nou. Er is verder geen foto waarop hij zo gelukkig kijkt.

Verstrooid

Dinsdag 10 mei, Groningen

 

Ik kijk naar een van die zeldzame programma’s over literatuur. Een schrijfster vertelt dat ze haar vader haatte, maar dat ze over die haat heen stapte omdat ze hem toch beter wilde begrijpen. En die stap opende voor haar een nieuwe wereld. Niet alleen ten opzichten van haar vader, maar ook in het algemeen. Ze ontdekte hoe belangrijk empathie is en het niet blijven hangen in ingesleten beelden.

Het gesprek inspireerde me. Niet omdat ik mijn vader haatte, helemaal niet. Ik had gewoon geen band met mijn vader. Onze relatie was neutraal terrein, kleurloos. Ik besloot een boek te schrijven over mijn vader, die volgens mij een groot geheim met zich meedroeg. Een geheim waarvan ik de kern nooit heb kunnen ontdekken.

Ik ging meteen achter mijn laptop zitten en schreef onderstaande tekst als eerst pagina. Ik heb geen idee waar het heengaat. Ik laat me meevoeren. Ik weet eigenlijk niet of het überhaupt wat wordt. We zullen zien.

De volgende disclaimer is wel van belang: Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen of plaatsen berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen en plaatsen zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen en plaatsen.

‘We blijven hier voor altijd wonen,’ zegt Wyb.
‘Dat wil dus zeggen tot mijn dood,’ zeg ik, die veertien jaar ouder is dan mijn vrouw.
‘Ja, dat betekent dan tot je dood.’
‘Dan word ik daar aan de overkant begraven.’ Ik wijs naar de begraafplaats die aan de overkant van het dal ligt. ‘Gerard Tonen, geboren in 1954 in Nijmegen, gestorven in 2000 zoveel in Cadouin Frankrijk. Wie had dat ooit kunnen denken. Mijn moeder uitgestrooid in Moddergat op de rand van Nederland, mijn vader is ergens verstrooid bij crematorium Moskovitz in Arnhem, ik begraven in Cadouin’ Ik geef meteen maar een snelle inventarisatie van wat vermoedelijk de stand van zaken wordt.

Ik zeg over mijn vader ‘is ergens uitgestrooid’. Mijn moeder en ik kregen een brief dat mijn vader zou worden verstrooid en of we daarbij wilden zijn. 
‘Wil jij daar bij zijn, Gerard?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik. ‘Maakt het verschil als we erbij zijn? 
Laat ik duidelijk zijn: ik kan me niet voorstellen dat ik zoiets heb gezegd. Ik heb er nu spijt van. Maar ik vrees wel dat ik het heb gezegd.

Ik kan me sowieso weinig herinneren van de crematie van mijn vader. Ik weet nog dat we er vanuit Nijmegen heenreden, een lange tocht. Crematoria waren toen nog zeldzaam. Mijn vader is gestorven in 1982. 
Het belangrijkste waar ik me bezighield waren de mensen die dadelijk in het crematorium zouden zitten. Als ik maar niet zou gaan huilen, huilen leek me zo gênant. Ik weet nog dat Jan een toespraak hield. Ik heb niet gesproken. Met terugwerkende kracht onbegrijpelijk omdat ik daarna op diverse begrafenissen heb mogen en willen spreken. Op mijn vaders begrafenis wilde ik niet spreken omdat ik dan zeker zou gaan huilen en ik wilde niet huilen.

Mijn moeder is uiteindelijk wel naar de verstrooiing van mijn vader geweest. Mijn moeder was in alle opzichten voor haar dierbaren een uiterst goed en trouw mens. Voor anderen dan haar dierbaren durf ik dat niet te beweren. Uiteindelijk was mijn moeder een leeuwin die het belang van haar naasten scherp in de gaten hield. Terug van de verstrooiing vertelde ze me dat hij was uitgestrooid op een grasveldje. Het was een korte exercitie geweest. Iemand had de urn opengemaakt en zijn as al schuddend verspreid over het gras.

Ter excuus van mijn afwezigheid kan ik aanvoeren dat ik nauwelijks een band met mijn vader had. Ik kan me niet herinneren dat wij ooit een goed gesprek hebben gehad. Wij hadden geen verschrikkelijk slechte band of zo. Wij hadden geen band, dacht ik. Wij hebben samen geleefd. Het enige gemeenschappelijke was dat wij beiden verzorgd werden door mijn moeder, die dat met overtuiging en plezier deed.

Pizzaresten

Zondag 8 mei, Groningen

 

Andere mensen corrigeren is een hachelijke bezigheid, weet ik uit ervaring. Ooit stonden Lies en ik op een camping. Een paar tenten verder stond een Nederlander die constant dronken was. Op zich niet erg. Wat veel erger was dat zijn transistorradio de hele dag over de camping schalde. Waardoor iedereen naar die shit muziek van hem moest luisteren.

Op een gegeven moment kon ik er niet meer tegen. Ik ging naar hem toe en vroeg vriendelijk of hij de radio wat zachter wilde zetten omdat iedereen er last van had en iedereen hier toch voor zijn rust kwam. Waar ik mij godverdomme mee bemoeide. ‘Heb ik eindelijk eens vakantie en dan kom jij aan mijn kop zeiken.’ En hij zette de radio nog een paar standjes harder.

Even later kwam zijn vrouw langs onze tent om te zeggen dat ik dat echt niet meer moest zeggen omdat haar man best boos kon worden. Een paar uur later en nog een paar flesjes Heineken meer op merkten we dat. Vloekend en tierend stond hij bij onze tent. Waar ik het gore lef vandaan haalde om me met hem te bemoeien. Of ik wist dat ik een enorme lul was. ‘En waarom heb je bruine kinderen? Kon je zelf geen kinderen maken?’ Daarna volgde nog wat onvervalst racistische opmerkingen. Eenmaal weg pakten Lies en ik meteen de tent in. Hier wilden we niets mee te maken hebben.

Ik moest gisteren aan het voorval denken toen Wyb en ik Dies uitlieten. Wyb en ik gooien de frisbee over en Dies rent als een gek op en neer om de frisbee te pakken te krijgen. Als een van ons de frisbee mist, springt Dies hem uit de lucht. Als hij uitgeput is, wandelen we verder door het Noorderplantsoen.

‘Hé, die hond eet onze pizza op,’ zegt een van de zes jongetjes die op het punt staan om weg te fietsen.
‘Hij eet geen pizza’s van de grond,’ zeg ik.
Dan realiseer ik me dat die jongetjes hun pizzaresten (doos, plastic zak, halve pizza’s) gewoon laten liggen. ‘Hé,’ zeg ik, ‘moeten jullie die troep niet opruimen?’
‘Doe het zelf,’ zegt de brutaalste.
‘Dat laat je zo toch niet liggen, dat is toch hartstikke smerig.’
‘Jij laat je hond hier toch ook los lopen,’ zegt een ander jongetje.
‘Maar onze hond is opgevoed,’ zegt Wyb. ‘Daar heeft niemand last van.’
‘Maar je laat hem hier wel schijten.’
‘Dat ruimen we allemaal op,’ zeg ik en ik haal een poepzakje uit mijn zak om het te bewijzen. ‘Ruim nou even die boel op, joh.’

Ondertussen moet ik aan mijn oom Ton denken. Die was ook altijd bezig met andere mensen op te voeden. Als hij iemand zag roken kon hij niet nalaten om er heen te lopen om te zeggen dat roken toch wel erg ongezond was. Iemand die een drankblikje op de grond gooide, mijn oom ging er onmiddellijk op af. Ik heb het niet van een vreemde.

‘Man, waar bemoei je je mee. Ruim het zelf op.’ De discussie herhaalt zich. Een jongetje steekt zijn middelvinger naar me op.
Ze rijden tergend langzaam weg.
‘Doe de groeten aan je moeder,’ zeg ik tegen de brutaalste, ‘en laat haar alsjeblieft weten dat ze je beter moet opvoeden.’

Stom van me. Van moeders moet je afblijven bij dit soort jongetjes.
Wyb en ik lopen quasi rustig door. Dies zwemt ontspannen een rondje door de vijver van het plantsoen.
Achter mij hoor ik de haat van de jongetjes.
Wyb en ik lopen om de vijver heen. Als ik even hun kant opkijk, zie ik ze opgewonden naar me wijzen en roepen aan de andere kant van de vijver. De vraag is nu of ze achter ons aankomen. Van dit soort ventjes kun je best veel last hebben. Je zult ze maar in de klas hebben.

Homo Credentis

Zaterdag 7 mei, Groningen

 

Ik denk dat wij een verkeerde naam hebben. Met wij bedoel ik: wij mensen. We hebben onszelf de naam homo sapiens gegeven, de verstandige mens, de denkende mens. Blijkbaar gingen onze voorouders er vanuit dat de mens zich vooral kenmerkte door denken, door rationele en verstandige overwegingen. We mogen, vind ik, constateren dat dit een vergissing was.

Homo credentis zou een veel betere naam voor ons soort zijn geweest, de gelovige mens. Het overgrote deel van onze soort is helemaal niet denkend of verstandig. Het overgrote deel is gelovig. En geloof bedoel ik niet alleen in religieuze zin.
Kijk wat er gebeurt in de Oekraïne. Blijkbaar is Rusland ervan overtuigd, blind door het geloof in hun nationalisme, dat Rusland superieur is en het recht heeft op een groot Russisch Rijk. Hier ligt geen enkele rationele overweging aan ten grondslag. Het hele ‘denken’ is gevoed door dat nationalistisch geloof.

Mijn advies is dan ook: zwaai nooit met een vlag. Een vlag is niet alleen maar een stuk doek. Als je met een vlag zwaait, zwaai je in feite met het geloof in een nationaliteit, in afbakening, en daardoor, de tegenpool, uitsluiting. Neem Baudet, die raaskalt over verdunning van het witte ras en de Europese identiteit. Hij is een gelovige in de superioriteit van de christelijk cultuur.

Het geloof in religieuze zin is natuurlijk het duidelijkste bewijs dat je de mens alles kunt wijsmaken. Verzin een god en je krijgt volgers. De mens is een kwetsbaar en eenzaam wezen, is mijn overtuiging. Hij kan niet leven met de gedachte dat hij nietig is, dat zijn leven op aarde kort is en dat hij dan weer opgaat in het Grote Geheel en van hemzelf niets overblijft. En wat ga je dan, gedreven door angst, doen: geloven. De dorst naar troost is onlesbaar. Arme homo credentis.

Ook interessant is de nieuwe golf geloof die de mens overspoelt: het complotdenken. Verzin een complot en wedden dat je medestanders krijgt. Je kunt het zo gek niet bedenken of je vindt mensen die er zelfs voor willen vechten. Neem een pizzarestaurant, zeg dat er een kelder is waarin de elite van deze wereld bijeenkomt voor pedofiele activiteiten en er is altijd wel een gek die met een machinegeweer het restaurant binnenvalt om de kinderen te bevrijden. Zelfs als er geen kelder is.

Het laatste voorbeeld is een uitwas. Weet ik ook. Maar er zijn hele volksstammen die geloven dat je vrouwen geen onderwijs moet geven, dat dit tegen de wil van god is, die de man nou eenmaal superieur heeft gemaakt. Zelfs in een van de meest ontwikkelde landen van de wereld, de VS, vindt de helft dat abortus ingaat tegen de wil van god. En dat die wil belangrijker is dan het recht van de vrouw op zelfbeschikking.

Op zich is het natuurlijk niet erg dat de mens troost zoekt. Maar de ellende van geloven is, dat het tot strijd leidt. De gelovige mens is altijd overtuigd van zijn gelijk en wil dat gelijk opleggen aan de ongelovige. Wie gelooft zet het denken aan de kant.

P.S. Ik weet niet of credentis de precieze vervoeging is voor de nieuwe soortnaam die ik voorstel. Daar moeten latinisten en biologen zich maar over buigen. Maar van het woord sapiens moeten we af. Het is te veel eer voor onze diersoort.

Kapper

Donderdag 5 mei, Groningen

 

Als ik ergens mee heb geboft in Groningen, dan is het wel mijn kapper. Kapper? Hoe kun je daar nou mee boffen? Ik altijd een ietwat haat-liefde verhouding met kappers. Ik ben altijd benieuwd wat ze er nu weer van gaan maken.

Tot mijn zesenveertigste heb ik mij daar nooit druk over hoeven te maken. Lies knipte mijn haar als het nodig was, altijd dezelfde coupe, geen verrassingen. Als ik het nu terugzie op foto’s denk ik wel: was het nou verstandig om het thuis te laten doen. Het kan ook zijn dat de tijd die toenmalige coupe passé heeft gemaakt. Ik heb ooit een historicus horen zeggen dat je aan de haarmode kunt zien uit welke tijd een foto stamt.

Na mijn zesenveertigste raakte ik op drift, qua kappers. Na diverse bezoeken vond ik op de Geitenkamp in Arnhem een prima kapper. Maar natuurlijk verhuisden we weer en kwam ik in Den Bosch terecht. Omdat ik in Eindhoven werkte, liet ik me meestal daar, tussen de bedrijven door, knippen. Gelukkig barstte ik van de krullen, daar was gewoon niet zoveel aan te verprutsen. En als het een keer werd verprutst groeide het snel weer in mijn krullenmodel.

Omdat ik kaler en kaler word, bereik mijn haar een kritische grens. Een beetje goed knippen is nu essentieel, anders ziet het er niet uit. Vooral omdat mijn krullen vrijwel zijn verdwenen. Soms voel ik mij een Samson. Met die krullen voelde ik mij toch verrekte sterk.

Mijn Groninger kapper heeft knip kwaliteiten, maar voegt daar nog zijn persoonlijkheid aan toe. Een bezoek aan hem is alsof je naar de kroeg gaat. Hij oogt als een jonge bokser in het vedergewicht. Maar als je zijn werkelijke leeftijd weet, dan is die, zoals dat dan heet, respectabel. Dat neemt niet weg dat zijn clientèle vooral bestaat uit studenten, van wie hij vervolgens elke naam kent. Het is een soort zoete inval. Al mijn bezoeken tot nu toe ontaarden in uitgebreide gesprekken over het leven.

Mijn kapper staat alleen in zijn zaak. Van personeel moet hij niets hebben, wat ik goed begrijp. Hoe meer personeel, hoe minder vrijheid. Zeker in zijn geval. Mijn kapper is eigenlijk een soort amuseur, een woord dat volgens mij eigenlijk niet bestaat. Met elke klant weet hij uitgebreide bespiegelingen op te zetten en betrekt daar ook de wachtende klanten bij zodat het vaak verrassende groepsgesprekken worden. Daar kan hij geen personeel bij gebruiken.

Zo raakte ik gisteren betrokken bij een gesprek met Simon. Hij is tien jaar ouder dan zijn vriendin, die nu 26 jaar is en graag kinderen wil. Simon wil daar niets van weten, voor hem is niets belangrijker dan zijn vrijheid. Door een socratische aanpak wist ik hem naar de volgende conclusie te leiden. Het komt erop neer dat, als hij tussen zijn vriendin en de vrijheid moest kiezen, hij voor de vrijheid kiest.

Mocht zijn vriendin per ongeluk toch zwanger worden, dan zou hij zeker bij zijn vriendin en hun kind blijven, al zou hij ontzettend balen. Ik vertelde hem mijn wijsheid dat ik de overgang van geen kinderen naar één kind veel minder groter vond dan de overgang van een kind naar twee kinderen. Met twee kinderen heb je een klein bedrijf.

Dus ik raadde hem af twee kinderen te nemen, ook al zou zijn vrouw daar vermoedelijk op aandringen. Zogenaamd omdat ze dan ‘wat aan elkaar hebben’. Twee kinderen zou pas echt een aanslag op zijn vrijheid zijn. Hij bedankte me voor deze wijze raad. Die ik gepaard liet gaan met de geruststelling dat enig kinderen vaak juist heel sociale kinderen zijn en in overgrote meerderheid juist heel gelukkig. Hij verliet opgelucht de kappersstoel. Ik ben benieuwd hoe lang de relatie met zijn vriendin nog duurt. De kapper heeft er een zwaar hoofd in.

Iets

Dinsdag 3 mei, Groningen

 

Dichten is stamelen

iets zeggen over iets

een mesje pakken

woorden snijden

zinnen blootleggen

in de hoop dat iets iets beter

helder wordt, zeggenschap

krijgt in de tienduizend

dingen van alledag en meer

wikken, wegen, of anderszins.

Condamine

Maandag 2 mei, Groningen

 

Ik moet even wat rechtzetten. Ik heb de lezer namelijk volledig op het verkeerde been gezet. Het gaat over ons Franse adres dat Chemin de Condamine luidt, een nummer hebben we niet. Er staan vier huizen aan deze weg, niemand heeft een nummer. Wat voor de postbode geen probleem schijnt te zijn.

Ik heb tot nu toe de naam van de weg aan de lezer uitgelegd als het Pad van de Veroordeelden. Op zich niet zo gek want als je condamine met google opzoekt, staat daarachter: veroordeelt. Zo zie je maar weer dat google een oppervlakkig medium is. Afgelopen vrijdag dronken wij op een terras in het dorp een glas wijn met onze buurvrouw en de man die bij haar op bezoek was. Het bleek de vorige eigenaar van haar huis te zijn. Hij is bijna tachtig en geboren in Cadouin. Momenteel woont hij zuidelijker, bij zijn dochter in de buurt.

Hij gaf een heel nieuwe betekenis aan het woord condamine. Hij wist te vertellen dat een condamine gemeenschappelijke grond van de gemeenschap was. De gemeenschap kon daar, zonder verdere belastingplicht, naar eigen goeddunken gebruik van maken. Het is een oud feodaal recht dat de feodale Heer aan een gemeenschap kon toekennen. Op die manier konden ze wat beter voorzien in het levensonderhoud.

Ik wist niet dat dit recht ook in Frankrijk heeft bestaan. Ik ken het als een Engels verschijnsel, de zogenaamde common grounds. Daar waren op grote schaal gronden die in bezit waren van de gemeenschap en geen eigenaar kenden. De plek waar wij wonen, het grote weiland voor ons huis, blijkt common ground te zijn geweest. De man waarmee we wijn dronken heeft voor zijn huis, dat oorspronkelijk van zijn ouders was, dan ook nooit belasting hoeven te betalen.

Na enig praten blijken zijn ouder ook een voormalig eigenaar te zijn geweest van ons huis. Maar zij deden er niets mee, ze kochten het om geen buren te hebben. Voor ons heeft een Engels echtpaar het als vakantiehuis gehad. Er heeft een dame alleen gewoond en het is geweest van een hoogleraar Franse taal uit Parijs, ook een dame, die het als tweede huis gebruikte.

Ik vind het nogal teleurstellend dat de naam van onze straat niet de door mij gedachte betekenis heeft. Gezien mijn misantropische inborst is zo’n naam natuurlijk perfect en ik kon er zo fijn mee koketteren. Het Pad van de Veroordeelden. Ten slotte zijn wij toch allemaal veroordeeld.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2022