Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2022, maart

Verstreken

Donderdag 31 maart, Groningen

 

Ze hesen trots de vlag,

de hand op het hart.

En och. En toen.

De vlag in rafels.

Het hart verslagen.

Verstreken.

 

Oude doos

Vrijdag 30 maart, Groningen

Ik krijg een appje van Henk. Hij attendeert mij op een voorstelling van Wilfried de Jong over fotografie. Een paar jaar geleden had hij een televisieprogramma met de titel Fotostudio De Jong, een programma waar ik erg van heb genoten. Dit seizoen reist hij met hetzelfde concept door de theaters. De recensies zijn laaiend. Henk schiet raak, want deze voorstelling had ik inderdaad graag gezien. Afgelopen vrijdag stond De Jong in Groningen. Maar helaas, wij zochten die dag de rust van Lemele op.

Henk schrijft: ‘Afgelopen vrijdag zeer genoten van deze man. Een ontroerende en vurige mix van prachtige verhalen, fijne foto’s en jazz. Een energieke avond die me optilde. Gun jezelf óók dat plezier, morgenavond in Ogterop.’ Goede tip van Henk. Ik had zelf ook al op de speellijst van de voorstelling gezien dat hij in Meppel stond.

Hoe graag ik de voorstelling ook wil zien, ik zal niet gaan. Ik voel altijd een weerstand om naar theaters te gaan waar ik heb gewerkt of nauw mee verwant ben geweest. Dat geldt niet alleen voor theaters maar voor alle plekken waar ik heb gewerkt. Zo ga ik zelfs nooit meer naar De Harmonie, een theater waar ik toch mijn ziel en zaligheid in heb gelegd. Maar teruggaan naar plekken waar ik intens mee verbonden ben geweest maakt me altijd ongelukkig.

Voorbij is voorbij. Het is eigenlijk altijd een teleurstelling als ik terugga. Eens was iets van jou, nu is het in handen van iemand anders. Prima, heb ik geen moeite mee. Maar daardoor is het wel anders. Ik zie meteen wat is veranderd, en in mijn ogen vaak niet beter is geworden. Natuurlijk veranderen mensen dingen waar ik stevig overheen heb geplast. Doe ik ook altijd als ik ergens nieuw ben. Maar het was wel mijn plas. En dan zie je opeens het plasje van iemand anders.

Er is trouwens nog een reden. Ik vond het als directeur zelf altijd heel ongemakkelijk als een voormalig directeur langs kwam, meestal onaangekondigd. Ik voelde me natuurlijk verplicht aardig te doen. Hij had de behoefte om oude herinneringen op te halen. Die mij vaak geen bal interesseerde, ik was net zo druk mijn eigen herinneringen te maken. Mijn overheersende gedachte was meestal de vraag wanneer hij nou wegging: ik had het druk, er wachtten afspraken, er viel nog zoveel te doen. Ik denk niet dat mijn voorgangers daar veel van hebben gemerkt. Als het moet kan ik heel voorkomend zijn. Nam niet weg dat ik altijd blij was als we afscheid konden nemen.

Mij is natuurlijk hetzelfde lot beschoren. De eerste en laatste keer dat ik de nieuwe directeur van De Harmonie ontmoette zei ze (heel vriendelijk) dat ze het interessant vond om mij te ontmoeten en dat ze graag een keer een afspraak met me maakte omdat ze benieuwd was naar hoe en waarom ik het concept van het gebouw zo had bedacht. Uiteraard heb ik niets meer van haar gehoord. Ik ben zelf in dit soort gevallen ook vaak in gebreke gebleven. In zo’n gebouw kun je je eigen verhaal wel maken, daar heb je geen voorganger voor nodig.

Een paar weken geleden waren Wyb en ik even in Leeuwarden. Ik zie mezelf al even gezellig naar De Harmonie gaan. Och, jee, daar heb je die Tonen, vertegenwoordiger van de oude doos. En ik zie alleen maar de verplaatsing van een bar naar een lelijke plek en dat er weer geen affiches op de voorgevel hangen en dat die nieuwe meubels er ook niet uitzien, en meer van dat soort dingen.

 

Mensenbrij

Maandag 28 maart, Groningen

Het viel mij al op toen wij voor de eerste keer na onze verhuizing naar Frankrijk in Nederland terugkwamen. Het was rond het spitsuur, dat moet ik toegeven. Maar we kwamen in een eindeloze rij auto’s terecht, twee rijen dik. Die rij begon in Maastricht en eindigde in Groningen. Auto’s, auto’s, auto’s.

Die indruk van drukte is niet meer weggegaan, ook niet nu we hier alweer anderhalf jaar in Groningen wonen. Is dat omdat we bijna twee jaar zijn weggeweest en wij in een streek woonden waar het niet druk was? Waar we konden genieten van de enorme ruimte van de Cevennes? Maar hier in Groningen, overal mensen. Mensen, mensen, mensen. Ik denk wel eens dat Groningen gewoon te klein is voor zoveel mensen.

Anderhalf jaar geleden schreef ik dat ik toch wel een echte stadsjongen ben. We waren net terug en we genoten van alles wat de stad ons te bieden had. Maar misschien moet ik wel terugkomen op die uitspraak. Ik merk dat al die mensen me enorm opfokken. Ik vind eigenlijk helemaal geen rustpunten in de stad, wat ik zie is een komen en gaan van mensen.

Afgelopen weekend vond ik na lange tijd eindelijk weer eens de landelijke rust. Wyb en ik gingen voor de eerste keer dit jaar met de camper op stap. Wyb vond een kleine camping bij Lemele, een dorp waar ik nog nooit van had gehoord.
De camping was volgens de website nog dicht, ging pas over een week open. Wyb besloot toch te bellen, je moet officiële mededelingen altijd met een korreltje zout nemen. Ze kreeg een buitengewoon vriendelijke mevrouw aan de lijn die vertelde dat de camping weliswaar nog was gesloten maar dat er inmiddels toch twee andere campers op de camping stonden en dat er voor ons dus nog zeker plaats was.

Zo kwam het dat we op een vrijwel lege camping stonden. Wat een genot. Waar kom je dat nog tegen. Een van de nadelen van een camper is dat een grote grijze golf, waartoe ik zelf ook behoor, heeft besloten zo’n ding aan te schaffen. Een groot deel vindt het prima om bij elkaar te klitten, maar Wyb en ik hebben daar de pestpokken hekel aan. Voor ons geldt: hoe eenzamer, hoe beter. Dit weekend werden we op onze wenken bediend.

Lemele ligt in de buurt van Ommen, aan de voet van de Lemelerberg. Prachtig gebied en dit weekend vrij rustig. Of dat altijd zo is weet ik niet. Voor ons was het in ieder geval even een escape uit de mensenbrij die Nederland is. Hopelijk vinden we in de Dordogne in de zomer weer de rust waar we in de Cevennen zo van genoten.

 

Mismoedig

Zaterdag 26 maart, Groningen

Mijn gemoed wordt de laatste tijd het best gekarakteriseerd door het woord mismoedig. Voor wie denkt, wat is dat nou weer voor een oudbakken woord. Het betekent neerslachtig, ontmoedigd, verdrietig. Het zal zeker door de oorlog komen. Het vertrappen van de waarheid in Rusland drukt misschien nog wel meer op me dan het vernietigen van hele steden door de Russen in de Oekraïne. De vernietiging van de steden is een duivelse daad, maar dit vervolgens proberen te verhullen en je eigen volk voorliegen, is eigenlijk een overtreffende trap omdat het zo duidelijk illustreert dat je weet dat je een schoftenstreek uithaalt en dat ook nog eens probeert te verdoezelen. Hoe slecht kan de mens zijn.

Maar ook het nieuws in Nederland hoorde ik gisteren weer vol ongeloof en machteloosheid aan. De allerrijkste betalen slecht 21% belasting. De midden- en hoge inkomens 40% en de laagste inkomens zelfs 55%. Vooral de mensen die in loondienst zijn, vormen een makkelijke prooi voor de fiscus. Degenen die verdiensten krijgen uit vermogen, beleggingen of commerciële activiteiten kronkelen zich met het grootste gemak uit de netten van de fiscus. De wetgever legt de mogelijkheden zelfs kant en klaar voor hen op het bord.

Nederland een genivelleerd land? Jarenlang wilde rechts ons dat doen geloven. Ik kan me nog een verontwaardigde Barbara Baarsma herinneren die bij Matthijs van Nieuwkerk was aangeschoven. Iemand maakte een opmerking over de inkomenskloof. Barbara ging tekeer dat daar volstrekt geen sprake van was. Het verschil tussen de laagste en hoogste inkomens viel reuze mee. Maar ze focuste zich daarbij voornamelijk op inkomsten uit arbeid. Ze vergat daarin de inkomsten uit beleggingen en commerciële activiteiten mee te nemen. Ook dat vond ik weer zo’n staaltje van manipuleren, bewust de zaken verdraaien opdat de deksel maar op de gierput blijft. Gelukkig wordt hij er meer en meer afgerold.

En dan het nieuwe woord dat Peter Pannekoek introduceerde: staatsontvoeringen. Meer dan 1115 kinderen, veel meer dan 1115 kinderen, maar dat is het aantal dat officieel is geregistreerd, zijn bij hun ouders weggehaald omdat de overheid hen in de schulden bracht. Hele gezinnen werden ontwricht en geruïneerd omdat de overheid hen financieel totaal kapot maakte. Het gevolg daarvan was dat kinderen bij hun ouders werden weggehaald. Vele ouders hebben hun kinderen nooit meer gezien, of jaren niet gezien. Het is het stapelen van onrechtvaardigheid op onrechtvaardigheid.

Mijn mismoedigheid maakt plaats voor enorme woede als ik naar de ouders luister die het overkwam. Oh, wat zijn we een onwijs gaaf landje. Maar als je denkt dat we deze onrechtvaardigheid meteen gaan repareren? Mis. Nu al zes maanden lang is men bezig met het optuigen van een commissie die dit moet gaan oplossen.
Omdat ik mijn woede nergens kwijt kan, word ik al snel weer mismoedig. Wat zijn we toch een miezerig landje. In de loop van de jaren heeft de VVD een soort staatsgreep gepleegd, denk ik wel eens. Het land is voor de rijken en degenen die keurig in de pas willen en kunnen lopen. De rest heeft geen waarde en dat zullen ze weten. Het is een land met eersterangs, tweederangs en derderangs burgers.

 

Cancelen

Vrijdag 25 maart, Groningen

Begin deze maand zette de directeur van de Haarlemse Stadsschouwburg en de Philharmonie Haarlem, Edwin van Balken, een streep door een festival rond de Russische componisten Tsjaikovski en Stravinsky. Ik was verbijsterd. In het Haarlems Dagblad zei hij: ‘Wij willen niet voorbijgaan aan de bij velen intens gevoelde bezorgdheid over Oekraïne.’ WTF! Wat hebben Tsjaikovski en Stravinsky in godsnaam te maken met de oorlog in Oekraïne? Niks, nada.

Het raakte mij zo omdat in mijn boekenkast de werken van Konstatin Paustovsky een prominente plaats innemen. Paustovsky is geboren in Moskou in 1882 en stierf daar in 1968. Moet ik zijn werken nu uit mijn boekenkast verwijderen omdat ik niet voorbij moet gaan aan de bij velen intens gevoelde bezorgdheid over Oekraïne?

Ik ben nooit in Oekraïne geweest. Toch ken ik Kiev vrij goed, evenals Odessa. Ik heb een liefde voor die steden omdat uitgerekend Paustovsky mij daarvan de schoonheid heeft laten zien. Zoals zoveel Russen leefde hij vele jaren in Oekraïne, zonder enige vijandigheid, sterker: hij hield van deze steden. Mede door hem weet ik hoe groot de misdaad is die Poetin nu pleegt.

Wat die van Balken waarschijnlijk ook niet weet is dat hij uitgerekend met het cancelen van Stravinsky iemand verbant die bekend stond als pro Westers. Tussen 1914 en 1962 heeft hij geen stap in Rusland gezet omdat hij niets met communisme te maken wilde hebben. Uiteindelijk verkreeg hij het Franse en het Amerikaanse staatsburgerschap. Maar ook al was hij, net als Gorki, een trouw aanhanger van de Sovjet-Unie geweest, dan nog hadden we hem nooit mogen afrekenen op de oorlog in de Oekraïne. Gewoon omdat hij er niets mee te maken heeft. Net zoals Tsjechov, Dostojevski en Boenin er niets mee te maken hebben. Ook hun boeken staan in mijn boekenkast op dezelfde plank als de werken van Paustovsky.

Betekent deze oorlog dat we het gehele Russische erfgoed moeten cancelen? Daarmee wissen we zo’n beetje het mooiste uit wat de mensheid heeft voortgebracht. Poetin vernietigt Oekraïne, moeten wij daarom die fantastische schrijvers en componisten gaan verzwijgen en hen daarmee eigenlijk vernietigen? Van Balken, ga je schamen.

Ik denk dat die Edwin van Balken een beetje stoer wilde doen. Hij hoorde dat Rotterdam besloot de samenwerking met de dirigent Valery Gergiev op te zeggen en daarmee ook een einde te maken aan het Gergiev Festival. Maar, beste Edwin, zoals je misschien weet is Gergiev een dikke vriend van Poetin. Hij weigerde bovendien afstand te nemen van de oorlog. Alle reden om afscheid van hem te nemen opdat we daarmee Poetin en zijn kliek direct treffen. Gergiev is dus wel partij in deze oorlog. Maar Tsjaikovski en Stravinsky? Man, ga toch weg.

 

Sneeuwpanter

Woensdag 23 maart, Groningen

Gisteravond trokken Wyb en ik ons terug in de Tibetaanse bergen. Het was een hele overgang. Daarvoor nog op bezoek bij onze overburen, een huis waar zo’n twaalf studentes werken aan het begin van hun carrière. Even daarna nog televisie kijken: oorlog, dood en vernietiging. Vervolgens liepen Wyb en ik naar het Forum. Het verwondert mij steeds weer dat Groningen eigenlijk zo’n kleine stad is. Een half jaar geleden werd mijn fiets gejat en sindsdien doe ik alles lopend. Een kwartier lopen en ik ben op elke plek in het centrum waar ik wil zijn.

Wyb en ik namen plaats in de sjiekste bioscoopzaal die we ooit hebben gezien. Een tamelijk actieve zithouding is in de theaterzalen erg belangrijk. Anders bestaat het gevaar dat mensen in slaap sukkelen. In deze zaal lig je eigenlijk te zitten. Lekker onderuit. Sommige mensen hebben zelf grote kussens om hun voeten op te leggen.

Het licht gaat uit en dan zijn we in een andere wereld. De wereld van de stilte, de wereld van het geduld, de wereld zoals hij was voor het verschijnen van de mensen. We kijken naar de wereldberoemde natuurfotograaf Vincent Munier en de schrijver Sylvain Tesson die op zoek zijn naar het sneeuwluipaard. Een schichtig dier dat zich eigenlijk nooit laat zien en leeft in de uitgestrekte bergen van Tibet.

De film is een ode aan het eindeloos wachten, een ode aan het geduld, aan het kijken, het zijn in het nu. Het niet van de ene naar de andere plek jagen zoals we gewend zijn. Dieren die je bij oppervlakkig kijken niet ziet omdat ze opgaan in het landschap blijken er opeens toch te zijn en juist jou te observeren. 
Sylvian Tesson komt tot de conclusie dat hij nooit echt heeft gekeken. Hij heeft veel gereisd, dacht veel te zien, maar door deze oefening in kijken, blijkt dat hij meer bekeken is dan dat hij zelf heeft gezien.

Ik denk dat het een film is zoals de taoïst de wereld zou willen benaderen. Nou snap ik niet veel van het taoïsme, maar als ik erover lees ben ik altijd geboeid, alleen al omdat ik het niet snap. Maar de film is eigenlijk een pleidooi voor rust, voor groot respect voor onze wereld, het werkelijke zien, het tevreden zijn en genieten van de plek waar je op dat moment bent. 
Voordat ik het vergeet te vertellen, de titel van de film is The Velvet Queen. Spoiler alert! Na weken van eindeloos zitten en turen in de bergen krijgen ze het sneeuwluipaard eindelijk te zien.

Wij verlaen de bioscoopzaal met grote liefde voor de aarde, voor de natuur, de schoonheid. Toch maar weer eens de geschriften van de Taoïsten gaan lezen. Ik hoop dat ik ze eindelijk eens ga begrijpen. Misschien wordt het tijd om totaal anders te gaan leven.

 

Profielfoto

Dinsdag 22 maart, Groningen

Oekraïne. Het is goed om te zien hoe Nederland meeleeft. Het is zowaar voor de eerste keer dat we vluchtelingen met open armen ontvangen. Je merkt aan de tafels van de talkshow dat we trots zijn op onszelf. Als echte solidariteit nodig is, dan staan we ook klaar. Zelfs ons koninklijk paar gaat vluchtelingen opvangen. Weliswaar ver van hun bed, in Apeldoorn, een kasteel waar de familie wel eens bij elkaar komt, maar toch. Het is een gebaar.

Zelfs ik was een beetje trots op dat Nederland. Totdat ik wat cijfers zag.
Op het ogenblik zijn 3,5 miljoen mensen uit Oekraïne gevlucht, zo’n 6,5 miljoen zijn ontheemd in eigen land. Velen van die 3,5 miljoen hebben een mobiele telefoon, zo kan Vodafone zien waar die 3,5 miljoen mensen zich nu begeven. Daar komt het volgende lijstje uit:

Polen, 27,7%

Tsjechië, 11,5%

Hongarije, 7,31%

Duitsland, 6,44%

Roemenië, 5,9%

Moldavië, 5,9%

Slowakije, 3,2%

Italië, 2,5%

Turkije, 2,1%

Egypte, 1,8%

Frankrijk, 1,7%

Spanje, 1,6%

Oostenrijk, 1%

Verenigde Arabische Emiraten, 1%

Nederland 0,9%

Het lijstje geeft een wat minder heldhaftig beeld dan wij onszelf toedichten. Momenteel zijn de veiligheidsregio’s druk bezig om 25.000 slaapplekken te creëren. Na drie weken delibereren zijn die er bijna. Er zijn heel wat vergaderingen aan gewijd. En dan zijn er: 25.000 slaapplaatsen. Aan die 0,9% zie je hoe wij ons best doen. Dat wil zeggen, met de mond. Als het op daden aankomt tonen wij altijd een enorme impotentie.

Ook nu weer delegeert de Rijksoverheid, die in dit soort noodgevallen toch de regie zou moeten voeren, de uitvoering aan de veiligheidsregio’s. Wat is dat eigenlijk voor een bestuurslaag? Hebben wij die gekozen? Ze bestaan uit burgemeesters die zijn benoemd door de Kroon. Waar zijn de bestuurders die wij hebben gekozen om dingen voor elkaar te krijgen?

Nog een cijfer. Het Financieel Dagblad geeft aan dat de oligarchen ongeveer 80 miljard euro op de Zuidas hebben geparkeerd, in welke vorm dan ook. Volgens Europese afspraken, en fanatiek gesteund door Nederland, moeten wij dat geld bevriezen opdat de oligarchen er tot nader orde niet meer over kunnen beschikken. En wat denk je wat wij Nederlanders nu hebben gerealiseerd?
400 miljoen euro. Wij belijden grote daden met de mond, maar omzetten in werkelijke actie? Ho maar. België heeft inmiddels 15 miljard aan tegoeden bevroren. Goed beschouwd is de Zuidas eigenlijk een stukje Rusland in Nederland, een veilige vluchthaven voor de roverhoofdmannen van een land dat moord en rooft.

O ja, nog een terzijde. In het kasteel dat onze monarch nu beschikbaar stelt, wilde zijn oma voor de oorlog geen gevluchte Joden uit Duitsland opvangen want dat lag te dicht bij het paleis waar zij woonde. Dat vond ze gewoon vervelend, kon best tot overlast leiden. We zijn een heldhaftig volk.

Ten slotte nog een uitsmijter. Het is toch bepaald wrang dat Europa, dus ook zeker wij, een belangrijke financier van de Russische oorlog is. Elke dag pompen wij miljoenen euro’s naar Rusland voor het gas dat wij afnemen. Die miljoenen vormen de geldbron waarmee Poetin zijn oorlog financiert. We zouden eens op rantsoen moeten, of het in de winter koud hebben. Solidariteit is prima, als we er maar geen last van hebben.

Ik vind wel goed dat we onze profielfoto op Facebook blauw-geel hebben gemaakt. We zullen die Poetin wel krijgen.

Boeken

Zondag 20 maart, Groningen

Vroeger was ik zo gek op boeken, ik wilde er het liefst zoveel mogelijk hebben. Ik droomde van een grote bibliotheek met mooie notenhouten kasten, liefst met glazen deuren ervoor. De bibliotheek kon niet groot genoeg zijn en in mijn bibliotheek moest een makkelijke stoel staan met daarnaast een leeslamp. Zoveel mogelijk tijd van mijn leven zou ik in deze bibliotheek doorbrengen en het ene na het andere boek verslinden.

Ik ben nog steeds gek op boeken. Maar mijn droom is veranderd. De bibliotheek die ik voor ogen had, heb ik wel enigszins gehad. Al stonden de boeken niet in notenhouten kasten. De kasten aan de wanden waren een bijeengeraapt zootje van Ikea en Lundia kasten. In het midden stond een groot bureau waaraan het heerlijk werken was. Die heerlijke leesstoel heb ik nooit gekregen. Op mijn huidige kamer staat een lullig stoeltje van, alweer, Ikea met dito leeslamp. Het zit zo beroerd dat ik altijd in de woonkamer lees.

Maar het belangrijkste gegeven is wel dat ik helemaal niet veel boeken meer wil hebben. Integendeel. Dat heeft twee redenen. De eerste is heel praktisch, aangezien ik nogal veel ben verhuisd, zijn boeken letterlijk een last voor me geworden. Al die boeken, je torst veel te veel met je mee. Tweede reden: ik merkte dat ik nauwelijks iets herlees, waarom zou ik dan in godsnaam boeken bewaren? Ze staan daar maar te staan, langzaam te vergelen en te verstoffen.

Het omgekeerde van mijn jeugddroom is nu het geval. Ik probeer juist van boeken af te komen. Toen we van Den Bosch naar Dwingeloo verhuisden heb ik mijn aantal boeken met meer dan gehalveerd. Zonder weemoed nam ik afscheid van ze. Alleen de boeken waarvan ik echt hield, nam ik mee. Ik ervoer het als een opluchting. Al die boeken, ik zou ze niet eens meer allemaal kunnen herlezen. En als ik reïncarneer ga ik vast andere boeken lezen, vermoedde ik. Bij de verhuizing van Dwingeloo naar Saint-Hippolyte-du-Fort heb ik mij opnieuw ontdaan van kilo’s boeken. En nog steeds was de verhuizing een hele klus door al die dozen met boeken.

Ik weet niet wat het is. Vroeger werd ik aangetrokken door boeken, nu lijkt het wel of boeken zich aangetrokken voelen tot mij. De ontlezing is in volle gang en het lijkt alsof boeken bij mij asiel zoeken: help ons, nergens zijn we welkom. Ik koop nauwelijks nog boeken. Ik durf zelfs geen boekhandel meer binnen te gaan, bang dat ik de verleiding niet kan weerstaan om er weer een paar te kopen. 
Dat neemt niet weg dat mijn boekenbezit steeds maar groeit. Dat heeft diverse oorzaken. Ik krijg tamelijk veel boeken, zo nu en dan pak ik een boek uit zo’n in elkaar getimmerd straatbibliotheekje, heel soms koop ik in een antiquariaat een tweedehands boek, op campingbibliotheken neem ik altijd de interessantste boeken mee. Het gevolg: mijn kasten staan weer propvol.

Vandaag selecteerde ik een fiks aantal exemplaren om mee naar Anneke te nemen. De familie was daar en het was goed mogelijk dat ik wat mensen blij kon maken. En ik ben dan mooi van die boeken af. Wat denk je? Ik vergeet de tas met boeken mee te nemen. Het lijkt erop dat boeken mijn huis überhaupt niet uit willen. De tijd is aangebroken dat de boeken meer van mij houden dan ik van mijn boeken. De aankomende weken zal ik rücksichtslos zijn. Met meedogenloze hand ga ik er opnieuw veel selecteren en hardhandig uit huis verwijderen.

Om misverstanden te voorkomen. Mijn liefde voor lezen staat nog recht overeind. Een mooi vormgegeven boek, ik vind het prachtig. Ik hoef het alleen niet mee te hebben.

Bloemen

Vrijdag 18 maart, Groningen

We mogen deze achttiende maart best een historische dag noemen. Niet alleen omdat Wyb vandaag 53 jaar is geworden, maar ook omdat ik voor het eerst in de 21 jaar dat wij samen zijn haar bloemen heb gegeven. Dat vergt enige toelichting. Wyb en ik, dat durf ik wel te beweren, hebben een uitstekende relatie. Er kleefde één smetje aan. Een smetje dat in de loop der jaren best een smet is geworden: het punt dat ik haar nooit bloemen geef.

Het begon zo nu en dan met de opmerking van Wyb dat ze het toch erg leuk zou vinden als ze een keer bloemen kreeg. Sinds we in Groningen wonen, en vaak naar de markt gaan, werd die opmerking steeds vaker herhaald. Wat dat betreft had de prominente bloemenkraam op de markt een negatief effect. In het begin maakte ik me er met een grapje vanaf, zei ik dat ik uit principe geen bloemen gaf omdat je dat de natuur niet kon aandoen.

Onzin. Ik ben gek op bloemen. Een mooie bos bloemen maakt me oprecht blij. Maar ik liep tegen mijn eigen beperking op: bloemen geven zit gewoon niet in mijn systeem. Ik denk dat het door mijn opvoeding komt, ik sluit ook niet uit dat het een genetische afwijking is. Maar echt: ik denk nooit aan bloemen. Pas als Wyb er een opmerking over maakte, bedacht ik dat ik best bloemen had kunnen geven.

Mijn vader gaf mijn moeder ook nooit bloemen. Zo af en toe kocht ze voor zichzelf een bosje fresia’s, een bloem die je nu nergens meer ziet. Fresia’s ruiken ook zo naar de jaren vijftig, zestig. Mijn opa gaf mijn oma ook nooit bloemen, denk ik. Mijn oma van mijn vaderskant schijnt een vrij chagrijnig type te zijn geweest. Als mijn opa haar af en toe een bos bloemen had gegeven, was ze vast vrolijker geweest.

Ik vraag al een aantal weken wat Wyb voor haar verjaardag wil hebben. Haar antwoord: ‘Ik weet het echt niet. Ik wil ook geen spullen, ik wil juist ontspullen.’ Zo’n antwoord duidt toch op de staat van uiterste geluk: je hebt alles, je weet niet meer wat je moet vragen, je wilt juist van spullen af. Het is eigenlijk de omgekeerde wereld.
‘Weet je echt niets voor je verjaardag?’
‘Ja, een mooi bos bloemen, maar die zal ik toch wel niet van je krijgen.’

Nadat ze zo’n zin uitsprak, voelde ik mij weer schuldig. Wat was ik toch ook een zak. Ik weet dat ik haar met een bos bloemen zo blij zou maken. Daarom besloot ik mijzelf onder therapie te stellen. Ik herhaalde voor mijzelf elke dag een paar keer de woorden bos bloemen, bos bloemen. En zo kwam het dat ik gisteren opeens wel aan bloemen dacht. Ik zocht een kwaliteitsbloemist op, niks lullig bosje van de markt. Het moest een weelderige bos worden, een bos die je zelden ziet. En het moet gezegd, de bloemiste maakte haar reputatie waar.

Zo komt het dat ik vanochtend Wyb met een grote bos bloemen op bed kan verrassen. De eerste bos in 21 jaar. Door haar blijheid voel ik mij nog schuldiger, waarom heb ik haar niet eerder zo blij gemaakt? Bloemen kunnen mensen gelukkig zie ik nu in. Ik zet mijn therapie gewoon voort. Elke dag de woorden bos bloemen herhalen. Ik ga de doem die op onze familie rust doorbreken.

 

PvdD

Donderdag 17 maart, Groningen

 

En ja hoor, ik heb mij weer eens niet aan mijn woord gehouden. Een paar blogs geleden schreef ik nog dat mijn oude vrienden zich geen zorgen hoefden te maken, dat ik nog steeds Groen Links zou stemmen. Ik moet nu aan hen toegeven dat ik dat niet heb gedaan. Laat ik mij verantwoorden.

Als het de landelijke verkiezingen waren geweest, was mijn stem zeker naar Groen Links gegaan. Bij deze gemeenteraadsverkiezingen vond ik dat anders liggen. Eerst moet ik bekennen dat ik de gemeentelijke politiek van Groningen helemaal niet volg. Eigenlijk weet ik dus volstrekt niet op wie ik moet stemmen. Ik weet alleen dat Groen Links de grootste partij is in de stad.

Daardoor kan ik me het permitteren wat strategischer te stemmen, bedacht ik. Mijn allergrootste politieke zorg is namelijk ons milieu. We hebben de mond vol van energietransitie en duurzamer leven en ik zie daar eigenlijk geen bal van terecht komen.
Zojuist las ik nog dat er jaarlijks enorme hoeveelheden groene stroom worden weggegooid omdat het centrale netwerk dat niet kan verwerken en de industrie niet elektrificeert. Waar zijn we mee bezig, denk ik dan. Hé VVD, word eens wakker.

En kijk naar onze medemens. Ze kopen nu massaal van die opgeblazen auto’s, die, eenmaal ontworpen, vervolgens door het kopieerapparaat worden gehaald met de vergrotingsfactor 200%. Mijn goede vriend Benne noemt ze Viagra-auto’s, speciaal gemaakt voor mannen met kleine piemeltjes. Ik doel dan op de Porsches, de Audi’s, de BMW’s, die, in plaats van één parkeerplek, twee parkeerplekken nodig hebben.

Het zijn maar voorbeelden. Nog een voorbeeldje dan, gezien bij Lubach. De enorme subsidies van de Europese Unie voor het promoten van vlees. Daar gaan honderden miljoenen euro’s naartoe. Vreemd, want juist de EU heeft een ambitieus milieuprogramma opgesteld. En zoals iedereen inmiddels moet weten, vreet vlees energie en zorgt het voor veel te veel van die schijtende koeien.

Laat ik eens een statement maken, dacht ik. Bij het invullen van de Stemwijzer kwam de Partij voor de Dieren bij mij er al als grootste uit. Een beetje raar, vond ik. Want ik stem als een van de laatste Nederlanders nog ideologisch. Ik ben een vrijzinnig socialist en dan kom je al snel bij Groen Links uit.

Toch las ik voor het stemmen nog snel even het programma van de Partij voor de Dieren en daar stond als belangrijk programmapunt in het niet bebouwen van de Suikerzijde, een mooi ruig natuurgebied, rond voormalige vloeivelden, waar ik graag een rondje met Dies wandel.

Bovendien wonen daar her en der wat urban nomads en zijn er kleinschalige bedrijven gehuisvest. Sinds ik hier woon vind ik dat de stad er met zijn fikken af moet blijven. De PvdD bedient mij op dit punt prima, veel van het programma lijkt trouwens op dat van Groen Links. En passant zag ik nog dat de lijsttrekster van de PvdD wijsbegeerte had gestudeerd en dat vond ik ook bemoedigend na zoveel jaren te moeten leven onder een premier die alles weglacht en het een kwaliteit vindt om geen visie te hebben.

En zo gingen Wyb en ik, die mij trouwens op het pad van de PvdD had gezet, naar het stemlokaal. Ik moet zeggen dat het als enig verraad voelde om het vakje van de PvdD rood te maken. Maar ik bedacht dat ik met deze daad Groen Links misschien meer naar Groen kon trekken.

Och, zelfs een misantroop als ik blijft zijn domme illusies houden.

Draadje

Dinsdag 15 maart, Groningen

Een zijden draadje. Het zwaard van Damocles. Wie denkt dat onze geschiedenis een rationeel proces is, dat verloopt via bepaalde wetmatigheden, heeft het flink mis. Het is meer een kwestie van wel of niet knappen van zijden draadjes en of die zwaarden van Damocles wel of niet vallen. En het overgrote deel van de mensheid kijkt onmachtig en angstig toe. Hetzelfde geldt misschien wel voor de machtigen die het zijden draadje spannen en het zwaard van Damocles ophangen. Zou Poetin rustig slapen? Dat leger van hem is gammeler dan hij dacht en die Oekraïners stonden helemaal niet te juichen om zijn troepen binnen te halen.

Gisteravond bezocht ik met Kees een lezing van Geert Mak op de campus van de Rijksuniversiteit. Eindelijk zat ik weer eens in een collegebank. Ik zat er niet alleen. De Nederlandse theaters zouden jaloers zijn op de opkomst. In de enorme collegezaal zaten wel vijfhonderd, zeshonderd mensen. Voor de deur een lange rij die de drukte aankondigde. Het was een uitgestelde lezing, eigenlijk had ze twee jaar geleden moeten plaatsvinden. Helaas kwam Covid om de hoek kijken.

Ik luister graag naar Geert Mak. Heldere spreker, goede analyses. Hij spreekt net zo helder als hij schrijft. Het Nederlands taalgebied is gezegend met zo’n schrijver. Nergens meel in de mond of op de pen.

Hoe anders zou de lezing twee jaar geleden zijn geweest. Iedereen zou tevreden zijn geweest met zijn analyses, maar nu merkte je bij de toehoorders een hunkering aan actuele duiding en voorspelling. Over elk onderwerp hing zwaar de schaduw van het Russisch geweld. Maar zelfs Geert Mak moest op sommige vragen het antwoord schuldig blijven. Wat betekent deze oorlog? Hoe gaat hij aflopen? Gaat die Poetin uiteindelijk kernwapens inzetten? Niets is uitgesloten.

Ik schrok erg van het volgende verhaal dat hij vertelde, ik had er nooit eerder van gehoord, Kees ook niet. Het is oktober 1962. Door de Koude Oorlog had de Sovjet-Unie besloten kernraketten op Cuba op te stellen. Uiteraard zeer tegen de zin van Amerika. In die oktobermaand eiste John F. Kennedy ontmanteling van de raketbasis op Cuba en kondigde hij een blokkade voor alle militaire goederen aan. De wereld hield de adem in, vooral toen bleek dat Sovjetschepen met kernkoppen aan boord de blokkade-zone al dicht waren genaderd.

Aan deze periode heb ik levendige herinneringen. Ik was acht jaar en weet nog dat we thuis gespannen het nieuws volgden. Het woord oorlog werd door mijn vader en moeder vaak in de mond genomen. Ik voelde hun ongerustheid.

Terecht, zoals later bleek. Vasili Aleksandrovitsj Archipov was gezagvoerder op een Russische onderzeeboot die de opdracht had de Amerikaanse blokkade te doorbreken. Zijn boot werd door dieptebommen naar de oppervlakte gedwongen. Door het lawaai dat die bommen maakten, waren zijn collega’s hoge officieren er van overtuigd dat de oorlog tussen de Sovjets en de Amerikanen was uitgebroken.

Twee van de drie gezagvoerders pleitten daarom voor de inzet van nucleaire torpedo’s. Als Archipov met hun visie had ingestemd waren de torpedo’s afgevuurd en een nucleaire wereldoorlog een feit. Hij hield echter zijn hoofd koel, gaf geen toestemming voor dit plan. En daarmee ontbrak de noodzakelijke unanimiteit om de kernwapens in te zetten. De Russische schepen wendden de steven en al snel ontspande de situatie zich.

Het zijden draadje brak net niet. Het zwaard bleef hangen. In dat geval konden we opgelucht ademhalen.

 

Opa

Maandag 14 maart, Groningen

Krijg je wel eens de vraag wat het meest ontroerende moment in je leven was? Of de meest gelukkige periode? Of wat de meest verdrietige gebeurtenissen in je leven waren en waarom? Ik niet. De mens lijkt niet gemaakt om over essentiële dingen des levens te praten, daarvoor zit er een soort onhandigheid in ons denken. Volgens mij vooral gevoed door schaamte. Jonge, jonge, wat vinden wij het toch erg om ons te schamen. Daarvoor houden we heel wat op en is het pokergezicht uitgevonden, ook wel door mij het masker van Poetin genoemd.

Zo. Laat ik eerst met wat retorische trucjes beginnen, dacht ik. Dat leest vaak lekker. Maar waar het mij om gaat is het meest ontroerende moment in je leven. Laat ik die vraag beantwoorden zonder dat hij aan mij is gesteld. Vooral omdat ik precies weet wanneer en waar dat moment was.

Het vond plaats ergens in 2011. Malu was 1 jaar oud, we waren bij haar thuis in Nes op Ameland. Ik zat op de bank en Malu lag lief tegen mij aan. Ze kon net een paar woorden spreken: mama, papa, woef. 
Op een gegeven moment kijkt ze omhoog naar mijn gezicht en haar wijsvingertje gaat naar mijn kin. En uit haar kleine mondje klinkt ietwat vragend: ‘Oopaa?’
Ik wist niet wat ik hoorde. Zo heel erg vaak zag ik haar helaas niet. Zo’n eiland is toch een handicap. Je loopt niet even snel bij elkaar naar binnen. Het zal toeval zijn geweest dat ze mij opa noemde. Die gedachte logenstrafte zij zelf. Opnieuw ging haar vingertje naar mijn kin en opnieuw klonk: ‘Oopaa?’
Sindsdien heb ik, benoemd en wel, de functie van opa. Ik wist meteen dat het een belangrijke en liefdevolle functie is.

Die Fortuin zou meteen in de houding springen en zijn rechterhand naar zijn hoofd brengen en plechtig ‘At your service’ roepen. Ik besloot hun leven zoveel mogelijk op te vrolijken in de hoop dat het leuke mensen worden. Dat leverde mij al snel de eretitel Gekke Opa op.

Je moet weten dat Malu en Joris, die een paar jaar later het levenslicht zag, een keur aan opa’s en oma’s heeft door scheidingen enzo. Al die scheidingen hebben totaal geen invloed op Malu en Joris, die baadden zich in de luxe van het hebben van heel veel opa’s en oma’s. Ter onderscheiding hebben Malu en Joris hen verschillende benamingen gegeven. 
Zo is er een Kleine Opa en Oma en ook een Grote Opa en Oma. Ik ben dus Gekke Opa. Waarbij moet worden aangetekend dat Wyb dan weer geen Gekke Oma wordt genoemd. Wyb wordt volstrekt serieus genomen. Zij werd eerst Oma Piep genoemd en kreeg in de loop van de jaren haar gewone naam terug. Nu heet ze weer gewoon Oma Wyb.

Afgelopen vrijdag werd Joris negen jaar. Malu wordt in mei twaalf jaar. Gisteren proefden wij weer het genot van het opa en oma zijn en voetbalden wij op het strand met Dies als hinderlijk element die de bal steeds van ons probeerde af te pakken.

Op een gegeven moment rent Dies met de bal voor zijn neus, geholpen door een lichte bries, richting de zee. Bal en hond verdwijnen in het water van een brede slenk. De bal drijft verder richting zee. Dies geeft het op. En voor dit soort zaken is er oma Wyb. Ze trekt haar broek uit en waadt het koude water in. Bal gered. En ook de pret. Daarna waren er bitterballen op het terras van Sjoerd en ijsjes in het dorp. Feest!

 

Dankbaarheid

Zaterdag 12 maart, Groningen

Gisteren: keelpijn, hoofdpijn, lusteloosheid, koorts. Nou, dan weet je het wel. Meteen afspraak gemaakt voor een test. De afspraak was vanmorgen in een aftandse locatie, de derde wereld waardig. De GGD heeft een perfecte antenne voor troosteloze onderkomens. Zal vast met geld hebben te maken.

Het zal toch niet gebeuren dat ik, op het moment dat covid nauwelijks meer een rol in ons leven speelt, er alsnog door wordt getroffen. Het is niet gek dat ik het krijg. Het vliegtuig naar Krakau afgelopen week zat bomvol. Vooral jonge mensen hebben die mondmaskers al lang weggegooid. En ik word er ook steeds slordiger in. Covid, bestaat dat nog?

Deze ochtend sta ik op en wat denk je: voel me kiplekker. Weg keelpijn, weg hoofdpijn, weg lusteloosheid, temperatuur 36,6. Jammer dat ik die afspraak met de GGD heb gemaakt. Nou die toch staat ga ik natuurlijk. Kan ik nog één keer genieten van de architectonische voorkeur van de GGD.

Met die laatste zin tart ik misschien het noodlot. Wie weet wat voor een varianten er van covid nog opduiken. Ik zie de koppen op de voorpagina al voor me: ‘In Brazilië duikt ergste variant van covid tot nu toe op’. Na besmetting volgt onherroepelijk de dood. Bereid u maar voor, geen geseling blijft ons bespaard.

Toch opmerkelijk hoe snel covid uit het nieuws verdween. Wat zullen al die virologen en leden van het Management Outbreak Team (weet je nog wel) zich verweesd voelen. Zo stond je telefoon altijd te rinkelen en mocht je naar Hilversum afreizen, zo ben je vrijwel van de ene op de andere dag afgedankt. Die verdomde Poetin.

Zo vind ik dat we met meer dankbaarheid afscheid hadden kunnen nemen van Omikron. De variant die ons in eerste instantie angst aanjoeg, de Nederlandse overheid deed als enige land in de Europa meteen de hele boel op slot, bleek toch de meest vriendelijke variant, een geschenk uit de hemel. Door haar mildheid creëerde ze voor ons een uitweg uit de pandemie.

Weliswaar ligt een groot deel van Nederland met griepverschijnselen op bed, zo ligt een groot deel van het theateraanbod stil door covid, maar de ziekenhuizen blijven gespaard. Zorgt die omikron er ook voor dat we op deze manier de kudde-immuniteit bereiken waar Rutte het aan het begin van de pandemie over had? Jammer dat er geen virologen meer aan de babbeltafels verschijnen. Er blijven best wat vragen over.

In ieder geval: omikron, bedankt. Zorg dat je blijft wie je bent. Niks varianten kweken, blijf mild. Je ziet de weldadige uitwerking van mildheid.

En ook over die wappies hoeven we ons geen zorgen te maken. Met de oorlog in Oekraïne hebben ze een nieuw onderwerp om recalcitrant te kunnen zijn. Voor hen is Poetin best een toffe peer en alle schuld ligt bij de Navo. Zie de derde Wet van Tonen: de mens is onverbeterlijk.

Blond

Donderdag 10 maart, Groningen

Een open brief gisteren in de Volkskrant opent mij de ogen. De brief is geschreven door ene Niek Adamse, hij schrijft naar aanleiding van de televisie-uitzending van giro 555 waarin Nederland 106 miljoen euro ophaalde: ‘Maar wat zijn we nog steeds wit georiënteerd in dit land. Opgetogen, in hun mooiste jurkjes, stonden de presentatrices voor ons klaar. Zo zagen wij schitteren: Britt Dekker, Chantal Janzen, Wendy van Dijk, Dionne Stax en Eva Jinek. Vijf hoogblonde witte vrouwen met ogen zo blauw als de oceaan. Dit kan toch niet waar zijn anno 2022? Wij hebben in Nederland zo veel talent rondlopen van kleur, dat dit aanvoelde als een belediging naar een significant deel van de bevolking.’

Ik moet meteen denken aan een ontluisterend beeld van vluchtende Oekraïners. Het speelt zich af op een station. Vluchtelingen vechten bijna met elkaar om met een trein naar het westen mee te kunnen. De trein is veel te klein om iedereen mee te nemen. Dan zie we een conducteur een paar zwarte mannen uit de trein verwijderen, het zijn Afrikaanse studenten die in Kjiv studeren. Zij moeten plaatsmaken voor witte Oekraïners.

Maar het meest stuit me toch de tegenstelling tegen de borst op de wijze waarop Oekraïners hartelijk worden verwelkomd (waarvoor alle lof!) en de wijze waarop wij omgingen met de Afghanen die bij de machtsovername van de Taliban Afghanistan moesten ontvluchten.
Ik zie nog het machteloze geslof van de meest incompetente minister ooit Ankie Broekers-Knol. Het mens kreeg alleen wat leven in haar ogen als ze een liedje op televisie mocht zingen. Oh, wat ze dan blij. Maar ze bleef in gebreke als het ging om zaken waar ze voor was aangenomen. Het lukte haar maar niet om opvangplekken voor Afghanen te realiseren. Sterker: ze frustreerde waar ze kon met die andere ministeriële brekebeen, Ank Bijleveld, de komst van Afghanen waar ze kon. Terwijl dat toch mensen zijn die voor Nederland hebben gewerkt. Alleen door hen was het mogelijk voor Nederland om in Afghanistan te werken.

Zie het bestuurlijke getrut van toen en het enthousiasme voor de Oekraïners nu. De Afghanen moesten op stoelen slapen in een overvol Ter Apel. Het lukte niet om duizend extra opvangplaatsen te creëren. Nu draaien we voor 50.000 Oekraïense vluchtelingen onze hand niet om. De xenofobie zit overal in onze samenleving. Ik vermoed zelfs dat dat xenofobe gewoon ordinair racisme is.

Goede open brief Niek Adamse. Dat blonde was mij niet opgevallen.

Twee aantekeningen nog. Ik ben helemaal niet van de woke. De rigide criteria bij kunstaanvragen over diversiteit en inclusiviteit stuiten me zelfs tegen de borst. Zullen we over vier jaar eens kijken hoe streng die criteria nog zijn? In het Nederlandse kunstbeleid verdwijnen criteria die ooit heilig leken als sneeuw voor de zon als een nieuwe staatssecretaris aantreedt. En de kunstinstellingen dansen elke vier jaar weer hun dansje om het gouden kalf.
Laat er geen misverstand over bestaan. Ik vind onze inzet voor de Oekraïners fantastisch. Maar ik had het de Afghanen niet alleen hetzelfde gegund, ik vind zelfs dat ze er recht op hadden, en nog steeds hebben.

 

Lang en gelukkig

Dinsdag 8 maart, Groningen

 

Er reizen nu duizenden beren, honden,
olifanten en apen door Europa.
Ze hangen veilig in de armen
van de kinderen die hen stevig
vasthouden en soms hun neus
verbergen in hun zachte vacht.

Zij slapen in de armen van hen
van wie ze houden. Zij brommen niet,
blaffen niet, trompetteren niet en
schreeuwen niet. Zij liggen stil te
slapen tot zij verder trekken naar
het warme huis en een pan met soep.

En als ze weer wakker worden dan
geven beer en hond en olifant en aap
het kind een kus. ‘Het komt allemaal
goed,’ zeggen zij onhoorbaar
in hun oor. Het is een beestenboel,
maar het komt echt allemaal weer goed.

Dan reizen ze verder over bergen en
door bossen met treinen, auto’s en de
benenwagen. En na heel veel nachtjes
is er dan dat huis en die pan met soep. Zie
nou wel, het is allemaal weer goed, zeggen
de beer, de hond, de olifant en de aap.

En dan slapen de beren, de honden,
de olifanten en de apen weer vredig
in een warm bed. Eén ding is zeker:
ze leven samen nog lang en gelukkig.
En de volgende dag hangen zij weer
in de armen als alle dagen daarvoor.

Krakau 4

Maandag 7 maart, Groningen

‘En? Was het leuk in het concentratiekamp?’ vraagt Malu (12) in haar jeugdige onschuld als Esmee en ik ’s avonds terugzijn in het hotel na een bezoek aan Auschwitz.
Gelukkig weet ze nog niet dat het woord leuk hier niet op zijn plaats is. Nog een paar jaar en dan zal ze het wel weten. Tenminste, dat hoop ik, want de geschiedenis moet gekend.

Auschwitz is een rechtse directe stoot op je hoofd. Je wankelt, een knock-out dreigt. Hier zie je de slechtste kant van de mens recht in de ogen. Auschwitz illustreert wat ik vaak zeg: de mens is een onverbeterlijk beest. Esmee en ik staan met tranen in de ogen, een knoop in de maag voor de vitrines waarin de overblijfselen van de overledenen liggen: haren, brillen, kleren, schoenen, protheses. Het zouden stapels van 1,1 miljoen kunnen zijn, want zoveel mensen zijn hier op deze kleine plek vermoord. De machine van de dood moet erg efficiënt hebben gewerkt.

Ons weekend staat in het teken van de oorlog en die onverbeterlijkheid. Op vrijdagavond besluiten we vast een treinkaartje voor onze treinreis naar Auschwitz de volgende dag te halen. Tegenover ons hotel staat een ongekend grote shopping mall. Zelfs in China heb ik niet zo’n grote gezien. Het Centraal Station blijkt in de mall te zitten, eigenlijk slapen wij dus naast het Centraal Station van Krakau.

Niets vermoedend volgen we de borden en lopen we twee verdiepingen naar beneden. Eenmaal daar zien we een enorme drukte. Vrouwen en kinderen zitten in grote kringen op banken en op de grond te wachten. Ik verbaas me over de drukte. En pas dan realiseer ik me: dit zijn natuurlijk vluchtelingen uit Oekraïne, zojuist aangekomen.

Esmee en ik voelen beiden meteen de onmacht. We zouden meteen willen helpen, iets willen doen. Maar wat? Met enige schaamte sluiten we aan in de rij voor een kaartje. Sommige kinderen rennen vrolijk achter elkaar aan door de stationshal, anderen zitten met hun knuffels moe tegen hun moeders aan. Honden hangen in de armen van de mensen, katten kijken in mandjes met verbijstering naar al die mensen.

Als we zo in de rij staan, zien we dat de vluchtelingen gelukkig kunnen rekenen op een goede opvang. Mensen met gele hesjes geven aanwijzingen. Er is eten en drinken. Moeders zitten rustig af te wachten. In Polen wonen sowieso tussen de 1 à 2 miljoen Oekraïners, veel vluchtelingen worden opgevangen door familieleden. Anderen worden opgevangen bij Polen thuis of in grotere opvanglocaties.

De Polen veroveren dit weekend ons hart. Ik moet toegeven dat ik een wat donker beeld van ze had door al dat politieke gedoe met de Europese Unie. Maar we ontmoeten diverse buitengewoon vriendelijke Polen. De meeste spreken bovendien best goed Engels. In het Centraal Station zien we dat ze een groot hart hebben.

Die Poetin is vast nooit in Auschwitz geweest.
Na het overlijden van Konstantin Paustovski in 1968, een van mijn lievelingsschrijvers, werd in de la van zijn bureau een notitie gevonden, hierop stond: ‘Wij hebben gewoond op deze aarde, geef haar niet uit handen aan verwoesters, laag volk en leeghoofden.’

Krakau 3

Vrijdag 4 maart, Krakau

Ik open de gordijnen en zie dat een fijne sneeuw naar beneden dwarrelt. Het lijkt wel kerstmis, denk ik. Die gedachte verdwijnt gauw als ik het laatste nieuws lees. Ik zie dat we mogelijk aan een ramp zijn ontsnapt. Vannacht is er hard gevochten rond de kerncentrale van Zaporizja in Oekraïne. Een deel van de centrale vloog zelfs in brand. Omdat er zo hard werd gevochten kon de brandweer niet blussen. Pas toen de gevechten staakten kon de brandweer aan de slag. Gelukkig met succes.

Een grillig begin van de dag hier in Krakau. Onze al lang geplande stedentrip heeft sowieso een tamelijk navrant karakter gekregen. Twee-, driehonderdkilometer hier vandaag ligt de Pools-Oekraïnse grens en worden tienduizenden vluchtelingen opgevangen.

Ik zoek op Google waar Zaporizja ligt. Het ligt in het zuiden van de Oekraïne, richting Marioepol. Ik tik in hoe ver Krakau er vandaan ligt. Dat blijkt 1341 kilometer te zijn. Met de auto is het 17 uur en 32 minuten rijden. Het ligt dus ongeveer even ver van Krakau als Nederland. Maar ik weet dat 1341 kilometer niet ver is als zo’n ding ontploft. De windrichting en -kracht vormen daarbij belangrijke factoren.

Stel dat er wel iets was gebeurd. Ik vrees voor de paniek die dan in heel Europa was uitgebroken. Hier in Oekraïne hebben ze er ervaring mee met het op hol slaan van de kerncentrale van Tsjernobyl. Ik ben benieuwd hoe Esmee en ik hadden gereageerd. Met dit soort gebeurtenissen zit je toch het liefst thuis, al zegt thuis in dit soort gevallen ook niets over veiligheid. Ik kan me herinneren dat in de tijd van Tsjernobyl een radioactieve wolk over Nederland ging. Ik zat toen in een auto op weg van Leeuwarden naar Enschede.

Gisteravond vroeg Wyb hoe Krakau was. Ik moest eerlijk zeggen dat ik nog geen idee had. Esmee en ik kwamen laat in Krakau aan en namen een taxi naar ons hotel. Daar hadden ze gelukkig drank en raakten we in geanimeerde en diepe gesprekken. We zijn het hotel niet meer uitgegaan. Krakau is prima, maar met zo’n vader-dochter reis zijn de gesprekken toch het belangrijkste.

Krakau

Woensdag 2 maart, Groningen

Morgen vlieg ik met Esmee naar Krakau. Het voelt toch een beetje unheimisch om dadelijk tweehonderd kilometer verwijderd te zijn van oorlogsgeweld en mensen die in paniek en vol angst vluchten voor oorlogsgeweld. Lviv, een van de grote steden van de Oekraïne ligt driehonderd kilometer van Krakau.

Twee maanden geleden kwam ik op het idee om met mijn dochters, ieder apart, een lang weekend weg te gaan. Ze zijn nu in de dertig, een gegeven wat ik onvoorstelbaar vind. Hoe was het ook weer toen ze klein waren, hoe spraken ze, hoe roken ze? Met de grootste moeite kan ik het me herinneren. Gelukkig hebben we veel foto’s gemaakt. Lies en ik waren zelf begin dertig toen we besloten kinderen te nemen.

Anne en Esmee zijn inmiddels dames geworden met een totaal eigen leven. Hun levens, mijn leven, het schiet diverse kanten uit. Het leek me daarom goed weer eens samen op stap te gaan, even een paar dagen helemaal samen te zijn. Zij mochten kiezen waar we heen gaan. Esmee koos eerst voor een stad boven de poolcirkel. Het doel: het noorderlicht. Met enig voorzichtig tegenstribbelen van mijn kant, Tromsø is wel erg koud en donker, koos ze ervoor om naar Krakau te gaan. Was ik blij mee, want daar wilde ik zelf al lang heen, vooral omdat we dan Auschwitz kunnen bezoeken.

Anne kiest ervoor om naar Londen te gaan. Eerst noemde ze Bordeaux, maar dat is straks nauwelijks een uitje want ons huisje ligt zo’n honderdvijftig kilometer van Bordeaux, daar gaan we vast vaak komen. Uiteindelijk koos ze voor Londen. Twintig jaar geleden waren we daar ook samen en voor zowel Anne als mij is Londen, samen met New York, onze lievelingsstad. Het zal wel najaar worden voordat we erheen gaan, beiden hebben we het de aankomende maanden druk en zijn we regelmatig het land uit.

Krakau dus. Maar het is een ander Krakau dan twee maanden geleden. Toen we onze vliegtickets boekten, een hotel reserveerden, was er nog geen sprake van oorlog in de Oekraïne. Het zou een onbevangen toeristische reis worden, weliswaar met een beladen en verdrietig doel, Auschwitz. Maar dat is een monument van een oorlog die voorbij is. Een monument dat er ons aan herinnert hoe verschrikkelijk oorlog is en dat het nooit meer oorlog moet worden.

Jammer genoeg heeft niet iedereen dat begrepen. Poetin haalt weer alles uit de kast om dood en verderf te zaaien. In twee maanden tijd is Krakau voor mij van toeristisch doel tot een stad dicht bij oorlogsgebied geworden. Als ik nu moest boeken, zou ik het niet doen. De Polen hebben wel iets anders aan hun hoofd dan toeristen ontvangen, lijkt me. Het voelt decadent om daar nu heen te vliegen. Eigenlijk zouden we erheen moeten gaan om vluchtelingen op te vangen, maar wat heb je aan mensen die in vier dagen op en neer vliegen? Blijft onveranderd dat ik me verheug op een paar dagen met Esmee. Het betekent wel dat Dossiermoddergat een paar dagen uit de lucht is.

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2022