Dossiermoddergat.nl

gerardtonenblogt

2021, oktober

Werk 2

Maandag 11 oktober, Groningen

‘En wat doe jij dan, Gerard? Heb je nog iets omhanden? Heb je nog projecten?’ is de vraag die momenteel het meest aan me wordt gesteld. 
Met enig genoegen antwoord ik dan: ‘Nee, ik doe helemaal niets meer.’ 
In arbeidsrechtelijke zin, of in maatschappelijke zin, is dat ook zo. Na onze terugkeer uit Frankrijk en op het moment dat ik de gepensioneerde status bereikte nam ik mij voor niets meer voor anderen te doen.

Dat klinkt egoïstisch, en dat is het ook wel. Maar ik heb mijn hele leven anderen gefaciliteerd en nog niet zo lang geleden nam ik mij voor alleen nog mijzelf te faciliteren. Ik heb in mijn carrière natuurlijk best met lede ogen aangezien dat ik ervoor zorgde dat anderen zich volledig artistiek konden uitleven en dat ik in de tussentijd alle kutklusjes aan het regelen was. Dat heb ik met grote liefde gedaan. Ik heb genoten van de dingen die die anderen maakten. Maar na mijn pensionering dacht ik: nu is het mijn tijd. Ik weet niet hoeveel tijd het is, hopelijk is het nog een lange tijd, maar het is wel míj́n tijd.

Sindsdien is het leven makkelijker voor me geworden. Als iemand vraagt: ‘Goh, Gerard, zou jij bij mij in het bestuur willen gaan zitten?’ Dan weet ik het antwoord al.
‘Lijkt het je niet leuk om lid te worden van die commissie?’ Het antwoord is bekend. Ik hoef er niet meer over na te denken, heb ik al namelijk al gedaan.
Ik doe ook geen vrijwilligers werk, hoe nobel ook. Ik laat me nauwelijks verleiden tot andere zaken waar ik zelf mee bezig wil zijn. 
‘En verveel je je dan niet?’
‘Nee, ik heb het hartstikke druk.’

We wonen nu bijna weer een jaar in Groningen. In die tussentijd heb ik ons boek over Frankrijk geschreven: Een paradijs met zorgen. Daarnaast heb ik nog een biografische schets in opdracht gemaakt. 
Het belangrijkste project waar ik nu mee bezig ben, is het proberen te realiseren van een mooi fotoboek, de werktitel: Les Rues de France. In Frankrijk heb ik veel foto’s gemaakt. Ik ging zelden de straat op zonder fototoestel. Al die foto’s ben ik nu aan het sorteren en ik vermoed dat er op de longlist zo’n driehonderd foto’s overblijven waaruit ik een selectie wil maken. Hoeveel foto’s in het boek komen hangt af van de kwaliteit die ik tegenkom. Ik denk dat het er tussen de honderdvijftig en tweehonderd zijn.

Het wordt geen boek met kiekjes, het wordt een boek met mijn straatfoto’s, veel zwart-wit werk, veel minder kleur. Ik ben nu bezig met het print klaarmaken van de foto’s. Ik ga het boek samen met Ineke, mijn Franse nicht maken. Zij is vormgeefster en toen Wyb en ik nog Uitgeverij Prinsen hadden, ontwierp Ineke ook de boeken.

Ik heb er alle vertrouwen in dat het met het fotografische en productionele gedeelte wel goedkomt. Mijn grootste zorg gaat uit naar het financiële gedeelte. Ik moet nog een begroting maken, maar het zou me niet verbazen als het boek een investering vergt van rond de €10.000, als het niet meer is.
Binnenkort heb ik een afspraak met een fotograaf die een succesvolle crowdfunding actie heeft opgezet voor een fotoboek dat hij wilde maken. Ik denk dat ik daar ook niet onderuit kom. €10.000 kan ik niet zomaar uit mijn eigen zak betalen. Ik zou er al ontzettend mee gebaat zijn als mensen vooraf een boek aanschaffen. Het zorgt ervoor dat ik geld heb om te investeren. Bovendien heb ik dan een indruk hoeveel boeken er worden afgenomen. Wordt vervolgd.

Werk 1

Zondag 10 oktober, Groningen

‘Is het niet raar dat Wyb en jij twee jaar intensief hebben samengewerkt en dat je dat nu niet meer doet?’ vroeg Dolph toen ik deze week bij hem bezoek was. Goede vraag. Wel een vraag die een antwoord met veel aspecten oproept. Eerste opwelling: ‘Ja, dat is heel raar. Het leven dat we in Frankrijk leidden is nu totaal door elkaar gemangeld. Jammer, want dat samenwerken beviel prima. Twee jaar lang zagen we elkaar dag en nacht, vaak in een strenge routine om het werk af te fixen. Het bleek die jaren opnieuw dat wij prima kunnen samenwerken.

Nu zien we elkaar hele dagen en soms een enkele nacht niet. Wyb is in totaal vijf dagen aan het werk. Twee daarvan in Winschoten als programmeur en adviseur marketing a.i. Drie dagen in Nijmegen als zakelijk leider van Jeugdtheater Kwatta, ook a.i. Twee dagen daarvan werkt ze in Nijmegen en blijft dan een nacht over. Gelukkig wonen Connie en Jan zo’n honderd meter van het theatertje waar Kwatta is gevestigd en hebben ze een groot huis zodat Wyb daar kan blijven slapen. Een dag van die drie dagen werkt ze thuis. De enige dag dat ik Wyb thuis om me heen heb.

De andere vier dagen ben ik dus alleen. Als ik weet dat Wyb ’s avonds weer thuiskomt, kan ik prima alleen zijn. Ik heb de gave meegekregen mij nooit te vervelen. De nacht dat Wyb in Nijmegen blijft, vind ik vreselijk. Er gaat niets boven een tweepersoonsbed waar ook twee personen in liggen. Tot nu toe ga ik een keer in de twee weken mee naar Nijmegen. Ook omdat het met Jan niet goed gaat. Een goede gelegenheid om hem nu regelmatig te zien.

Vinden we dit nieuwe leven prettig? Ten dele. Voor een tijdje is het goed, maar het levert een dilemma op dat door ons leeftijdsverschil wordt veroorzaakt. Het. is een dilemma dat regelmatig ter sprake komt. Ik ben nu 66, over veertien jaar ben ik tachtig. Grote kans dat over een paar jaar de kracht en de reislust uit mijn leven gaat. Je hoopt het niet, je weet het nooit. Dat betekent dat we nu van elkaar moeten genieten.

Gelukkig is al het werk van Wyb ad interim. In Nijmegen werkt ze tot 1 maart. Winschoten is nog onbekend. Om deze tijd snel voorbij te laten gaan, een vooruitzicht te hebben, maken we plannen. In de zomer zouden we graag met de camperbus drie of vier maanden via Italië naar Griekenland reizen.
Volgend jaar winter zou ik graag drie maanden lang elke maand in een andere Spaanse stad in Andalusië willen wonen. Of het te plooien is met het werk van Wyb is de vraag. Maar goed, alleen al het praten over de plannen biedt verlichting. En uiteraard roept dit een nieuwe essentiële vraag op: hoe wil Wyb de aankomende jaren haar werk inrichten?

 

Joris

Zaterdag 9 oktober, Groningen

Als iemand aan mij vraagt of ik ’s avonds voetbal ga kijken dan antwoord ik altijd met: ‘Nee, voetbal interesseert mij niet.’ Dat antwoord is ten dele waar en ten dele niet. Ik kijk inderdaad geen voetbal op televisie, er is zoveel voetbal op televisie dat ik totaal overvoerd ben. Het belang van voetbal staat in geen verhouding tot de zendtijd die het krijgt. Maar ja, er hangt de zweem van volks omheen en het volk moeten we ruim baan geven. Stel je voor dat Hilversum het stempel elitair krijgt.

Eerlijk gezegd ben ik best gek op het spelletje voetbal en er is een tijd geweest dat ik er evenveel tijd instak als een professional. Ik durf wel te beweren dat ik van mijn negende tot mijn twaalfde leefde als een profvoetballer. Elke dag stond ik met mijn vrienden op het trapveldje naast mijn huis en samen waren we lid van voetbalclubs. In mijn geval NEC (uit te spreken als Eniesee) waardoor ik nog steeds elke maandag in de krant kijk hoe mijn voormalige club heeft gepresteerd.

In die tijd stond ik in het Goffertstadion op het veld met Johan Cruijff, Pietje Keizer, Coen Moelijn en alle andere grote van die tijd. Als lid van de pupillen van NEC was ik namelijk uitverkoren om ballenjongen te zijn. Zo kwam het dat ik diverse keren achter het goal heb gestaan van grote keepers als Eddy Pieters Graafland, Nico de Bree en Tonny van Leeuwen.
Ik kan dus eigenlijk niet meer zeggen dat ik niet van voetballen hou. De laatste keer dat ik naar een stadion ging, was met Anne. Anne was in haar puberteit een groot fan van Ruud van Nistelrooij en hierdoor hebben we samen nog eens in een uitverkocht PSV-stadion gezeten.

Vandaag is een historische dag. Ik heb een nieuwe stap gezet in mijn verwaarloosde voetbalcarrière. Voor het eerst sinds twee decennia heb ik een voetbalwedstrijd bezocht. De pupillen van Geel-Wit uit Ameland speelden in Dokkum tegen de pupillen van CSV Be Quick uit Dokkum.
Eindelijk kon ik eens mijn rol als voetbal-opa vervullen. Onder de lat van Geel-Wit staat namelijk Joris, mijn kleinzoon. Aan het begin van zijn nog prille voetbalcarrière heeft hij voor de rol van keeper gekozen. En dat doet hij helemaal niet gek. De tussenuitslag spreekt voor zich. In de pauze stond het 3-10 voor Geel-Wit. Zonder angst voor de bal hield Joris het ene na het andere schot uit zijn doel.

Na de pauze werd het nog even spannend. De jongens van Geel-Wit waren net iets te overtuigd dat ze zouden winnen. Be Quick maakte in korte tijd het ene na het andere doelpunt waardoor het 8-10 werd. De spanning was om te snijden. Ik zag mijzelf schreeuwend aan de rand van het veld staan. De wedstrijd eindigde uiteindelijk met een uitslag van 8-11. Zoals Esmee zei: ‘Pa, je moet vaker meegaan. Ze hebben nog nooit zo overtuigend gewonnen.’ Och, je doet wat je kunt voor de opvoeding van je kleinzoon.

Quartier Latin 2

Donderdag 7 oktober, Groningen

Toch nog even over ons Quartier Latin. Onze wijk, eind 19e, begin 20ste eeuw gebouwd, lijdt onder ernstig vandalisme. Na Quartier Latin 1 zullen de gedachte zich bij velen dan al snel richten op de vele studenten, maar die hebben daar niets mee te maken. De vandalen waar onze wijk onder lijdt, wonen niet eens in onze buurt, grote kans dat sommige van hen er nog nooit zijn geweest.

Waar ik op doel zijn de vastgoedcowboys, Prins Bernhard junior en zijn kornuiten. De afgelopen decennia hebben zij een groot deel van de wijk overgenomen en verrapzakt. Voor wie niet weet wat verrapzakt betekent: kapot maken, er een zooitje van maken, een puinhoop veroorzaken.

Sinds ik hier woon verbaas ik me over het grote aantal witte busjes dat de wijk in- en uitrijdt. In de busjes de Oost-Europese bouwvakkers die voor de vastgoedjongens aan het werk zijn. Met lede ogen zie ik hoe de huizen een voor een worden gesloopt. Op straat zie ik de meest mooie authentieke elementen liggen. De prachtige gevels herinneren nog aan de tijd dat dit een chique buurt was, van binnen eist het vandalisme zijn tol. Ons erfgoed wordt in hoog tempo kapot gemaakt.

De statige kamers en suite worden omgezet tot twee, drie hokjes, op elke verdieping weer. De meeste huizen zijn vier verdiepingen hoog. Vervolgens kun je in de hokjes studenten stoppen. Weg erfgoed, de gevels verworden tot decor, van de oude sociale structuur in de wijk blijft niets meer over. Onbegrijpelijk dat de overheid dit grootschalig vandalisme ongestoord door laat gaan. Als je door onze wijk loopt, zie je waar marktwerking toe kan leiden.

Een paar weken geleden liep ik naar buiten en kwam ik op de stoep door toeval in gesprek met een buitengewoon vriendelijke meneer die duizend huizen bleek te bezitten. Hij nodigde me uit om in twee huizen, die hij momenteel verbouwt, mee te gaan kijken. ‘Ons probleem is dat we de mensen er niet bij betrekken,’ zei hij. ‘We moeten veel meer laten zien dat wij als vastgoedondernemers het best op verantwoorde manier aanpakken. Zo laat ik bijvoorbeeld zoveel mogelijk authentieke elementen zitten.’

Die kans liet ik mij niet ontglippen. We liepen een huis binnen waarvan ik niet eens wist dat ze het aan het verbouwen waren. Een stuk of acht man waren in een wolk van stof aan het boren en timmeren. Het houten staketsel van de nieuwe studentenkamertjes stonden al, ze moesten alleen nog worden afgetimmerd. Hij wees me op de trapleuning die hij liet zitten, Het glas-in-lood raampje boven de deur. ‘Dat halen we echt niet weg,’ zei hij trots. In het andere huis hetzelfde beeld.

Ik zag alleen maar twee huizen waarop opnieuw karaktermoord werd gepleegd. Bij het afscheid zei hij: ‘Je moet het in het leven zelf doen. Ik ben met 0 huizen begonnen.’ Hij gaf mij zijn visitekaartje: ‘Je weet nooit waar het goed voor is.’

Het goede nieuws van deze week is dat Stef Blok afscheid neemt van de politiek. Als VVD-minister van Wonen hield hij warme pleidooien voor de liberalisering van de huizenmarkt. Die zou alle problemen op de huizenmarkt oplossen. Het kan niet anders of over een paar jaar wordt over die liberalisering een parlementaire enquête gehouden. Ik wil wedden dat uit zijn mond dan de volgende uitspraak komt: ‘Met de kennis van nu hadden we het natuurlijk heel anders gedaan.’

 

Maxmini

Dinsdag 5 oktober, Groningen

In onze straat staat vaak een rood autootje met daarop de tekst: Minimize risk, maximize protection. Dat is natuurlijk een doorn in het oog van het enige lid van de Nederlandse Vereniging tegen Veiligheid (NVV).
Ik overweeg ook zo’n rood wagentje te gaan kopen en schrijf daar dan in hetzelfde lettertype op: MAXMINI, Maximize risk, minimize protection. Ik weet zeker dat het leven daardoor veel leuker wordt.
Voor wie daar moeite mee heeft, maar toch een leuk leven wil leiden: de NVV heeft een coach in dienst genomen, toevallig is dat ook het enige lid van de vereniging, en hij zal u begeleiden om u te bevrijden van Minimize risk, maximize protection.

Quartier Latin 1

Maandag 4 oktober, Groningen

Gezien mijn carrière en leeftijd had ik nu in een nette buitenwijk moeten wonen. Een spiksplinternieuwe woning, barbecuen met de buren die allemaal ongeveer dezelfde leeftijd hebben in een verkeersluwe straat. Niets van dat al. Ik woon in het Quartier Latin van Groningen, een negentiende eeuwse straat tegen het centrum van Groningen.

Barbecuen met buren die dezelfde leeftijd hebben is voor mij uitgesloten. Ik behoor met mijn slechts 66 jaren tot de oudsten in de buurt. Om mij heen bruist de jeugd. Voor mij, naast mij, achter mij, allemaal studenten. Er zijn zoveel studenten dat Wyb en ik onszelf weer student voelen, een heerlijk gevoel.

Eigenlijk ben ik een cultureel antropoloog die is gaan wonen tussen zijn onderzoeksobject. Met onze bovenwoning hebben we een soort uitkijkpost. Onder ons loopt de specie van ons onderzoeksproject: de student. Wij wonen op een ideale plek om ons vroegere studentenleven te vergelijken met het studentenleven van nu.

Voorlopige conclusie: het belangrijkste verschil tussen toen en nu, zuipen. Jezus Christus, er wordt door de huidige student wat afgezopen. Wij waren er ook niet vies van maar het bier lijkt nu tot cultus verheven. Op onze morsige studentenkamers hingen affiches van Che Guevara en Karl Marx. Nu zijn de studentenkamers behangen met vlaggen van Heineken, heel veel Heineken, Bavaria en Amstel. Heineken is de held van de huidige student.

Meest karakteristieke beeld in onze buurt: de student die met een kratje over straat loopt. Ander karakteristiek beeld: twee studenten die een trolley vol lege bierkratten naar de supermarkt voortduwen om hem met volle kratten weer terug te duwen. Als je door de straten van ons Quartier Latin loopt, hier Schilderswijk geheten, dan dampen uit de huizen de geur van alcohol en wiet. Om hier in hogere sferen te komen hoeven we zelf geen geestverruimende middelen te kopen.

Andere observatie is dat mijn generatie erg onder invloed van het feminisme stond. De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt hadden we allemaal gelezen en onze vrouwelijk medestudenten die zelfbewust met lelijke tuinbroeken rondstapten hielden ons streng op het feministische pad. De huidige student lijkt daar volledig schijt aan te hebben. Vrouwen zijn er om op te jagen en worden daarom ‘hertjes’ genoemd. Als je ’s avonds langs de studentenhuizen loopt, zie je de jachttrofeeën hangen. 
Huidige gewoonte: wie een hertje heeft verschalkt, hangt aan de lamp boven de gemeenschappelijke tafel haar bh. Sommige lampen dreigen door het gewicht naar beneden te storten. Voor het goede begrip, een hertje werd in onze tijd door de corps student gleuf genoemd, ook toen waren er studenten die niet wilden deugen.

Denk niet dat de vrouwelijke student een haar beter is. Het bewijs van haar succes wordt getoond door de stropdas. Wie met succes een man heeft gejaagd hangt uiteraard geen bh aan de lamp. In haar geval is het een stropdas. Voor mijn generatie een raar gezicht want wij waren ervan overtuigd dat de stropdas, net als de hoepelrok, een kledingstuk uit het verleden was. De student van nu is blijkbaar gek op stropdassen, vooral als ze lid zijn van een studentenvereniging en dat zijn ze vrijwel allemaal.

Een studentenvereniging, ook al zo’n fenomeen waar wij niets van moesten hebben. Wij vonden dat een soort scoutingclub voor ballen en andere kleinburgers, volstrekt verachtelijk. Een standpunt waarmee wij ons voor de huidige student met terugwerkende kracht totaal belachelijk hebben gemaakt. Het kan verkeren.

 

Personages

Zondag 3 oktober, Groningen

‘Twee jaar geleden was je ziek,’ zegt Wyb als we nog op bed liggen.

Ik kijk op mijn iPhone: inderdaad 3 oktober. Een zwarte bladzijde uit mijn leven. 2 oktober ben ik geopereerd in het ziekenhuis van Nïmes. De volgende dag kwam Wyb mij tegen twaalf uur uit het ziekenhuis bevrijden. Wyb reed terug van Nïmes naar Saint-Hippolyte-du-Fort, ik lag uitgeteld naast haar, blij dat ik weer naar huis kon.

Gaandeweg die dag bleek dat de meest eenvoudige functies van de mens, piesen en poepen, het bij mij niet meer deden. In de middag belden we onze huisarts, madame Bonvoisin. 
‘Hebben ze je uit het ziekenhuis ontslagen zonder dat je naar de wc bent geweest?’ vroeg ze.
Ik antwoordde bevestigend.
‘Dat had nooit mogen gebeuren. Je moet nu onmiddellijk naar de apotheker deze pillen halen,’ zei ze tegen Wyb. ‘Als ze na een uur niet werken, moet je meteen naar het ziekenhuis.’

Niets werkte die dag. De druk op mijn blaas en darmen werd alsmaar groter. Ik verging van de pijn en met een vaart van 140 km reden we totaal onverantwoord naar Ganges waar een klein streekziekenhuis was. Ik voelde het: nog even en mijn blaas zou barsten.

Aangekomen bij de Eerste Hulp kon ik niet meer staan. Ik ging op de vloer liggen terwijl Wyb een rits aan formulieren moest invullen. De andere wachtenden zagen mijn lijden en kwamen in opstand. ‘Die man moet geholpen. Die man moet onmiddellijk worden geholpen,’ riepen ze. En ze hadden gelijk. Hun opstand had effect. Met spoed voerden ze me af naar een behandelkamer.

Daar gebeurde waar ik mijn hele leven tegenop had gezien: er werd een katheter bij me ingebracht. Een ding waar mijn piemel niet voor is gemaakt. Heel kinderachtig gilde ik het uit. Maar wat een opluchting toen het was gelukt. De pis die me bedreigde stroomde nu in een plastic zak. Even later moesten klysma’s mij bevrijden van ander afval. Als een gewond dier zat ik een uur op de ziekenhuis-wc.

Maar nu komt het. In die tijd waar ik meer van dit soort ellende meemaakte, merkte ik dat ik eigenlijk uit twee personages besta. Mijn ene personage leed de ellende die ik zojuist beschreef. Het andere personage keek van een afstandje toe en dacht: wat een ellende. Maar dat personage zweefde als het ware boven de situatie, het keek observerend toe en was gevrijwaard van het leed. Ik vermoed dat het een soort mechanisme is dat ingaat als overleven noodzaak is.

Ik was wel blij met dat toekijkende personage. Het zorgde ervoor dat het net leek of ik naar een film keek, een film waarin ik weliswaar de hoofdrol had, maar door dat filmeffect bleef het leed op afstand. Dat toekijkende personage dacht steeds: weet je, misschien kan ik deze situatie nog wel eens gebruiken voor een boek. Het was een belangrijke troost voor me.

Mijn functies begonnen na vier maanden pas weer volop te werken. Zelf kunnen poepen en piesen, wat een genot! Ik was als een kind zo blij toen het voor de eerste keer weer lukte. Carpe diem, mensen, carpe diem.

Sentiment

Zaterdag 2 oktober, Groningen

Verreweg het leukste programma op televisie momenteel is Chansons! Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps -wie had hen ooit gedacht als duo?- lopen als verliefde jongetjes door Parijs en vertellen de kijker over het Franse chanson. Hun woorden buitelen van enthousiasme over elkaar heen en ze slaan elkaar veelvuldig vriendschappelijk op de schouder. Het is een genot om ernaar te kijken en te luisteren.

Chansons! detoneert totaal met wat er verder aan slapheid en shit op de Nederlandse televisie is te zien. Geef mij een hele programmering met dit soort programma’s en ik ben niet meer van de bank weg te branden. Waar kom je nog onbevangen enthousiasme en plezier tegen. Komt bij de prachtige muziek van het Franse chanson, wanneer is dat nog te horen in dit landje waarvan de bewoners vooral met de armen van links naar rechts willen zwaaien op muziek van de Vrienden van Amstel.

Gisteren beleefde Chansons! voor mij het hoogtepunt. Ik vond het bijna een onbedoelde daad van verzet in een tijd van slappe talkshows en eindeloos politiek gewauwel. Matthijs en Rob staan voor het graf van Charles Aznavour. Matthijs van Nieuwkerk kan zijn tranen niet bedwingen. Hij stijgt nog meer in mijn achting: hier staat een Mensch. Ik vermoed dat de vele cynici in dit land het zullen afdoen als sentimenteel gekwezel, goed voor de kijkcijfers, of zoiets.

Sentiment heeft in dit zakelijk landje een slechte naam. Je toont je weke hart niet, je moet cool zijn, hard. Gevoelens tonen betekent slapheid, jezelf kwetsbaar maken. Ik vind het een onbedoelde daad van verzet omdat de tranen van Matthijs tegen dat heersende culturele verschijnsel ingaan. Liefde in tijd van cholera, zeg maar. Op zo’n vrijdagavond zitten er rond Chansons! allemaal programma’s waarin eindeloos wordt gekift en gezeken. En midden op zo’n avond staat Matthijs van Nieuwkerk kwetsbaar te huilen voor het graf van de zanger die hem zo lief is.

Maar het mooie is dat de tranen niet opkomen omdat hij voor het graf van Charles Aznavour. Het graf is veel meer dan dat monument op Père Lachaise. Charles Aznavour vertegenwoordigt het verleden van Matthijs, zijn wortels. Het monument roept zijn verleden op, zijn wereld waar hij zoveel van houdt, waarvan hij een deel heeft verloren, waar hij niet meer bijkan. Ieder mens verliest zoveel van waarvan hij hield en wat onlosmakelijk met zijn verleden was verbonden.

Matthijs luistert naar eigen zeggen elke dag naar Charles Aznavour, zijn leven lang. De eerste muziek die in zijn leven klonk: Charles Aznavour. Zijn oma luisterde ernaar zonder de woorden te begrijpen en zijn moeder werd er gelukkig van. Een zanger, een dichter kan je vriend worden, weet ik. Ik heb het niet zozeer met muziek, meer met dichters. Maar omdat ik sommige dichters al mijn hele leven lees, hou ik van hen als van goede vrienden.

Wat zou het fantastisch zijn als er meer oprecht sentiment op televisie zichtbaar was. Volgens mij is het prima tegengif voor het verkankerde omgaan met elkaar dat door borderliners als Wilders en Baudet, geholpen door de social media, alsmaar meer in de samenleving wordt gespoten.
P.S. Die Rob Kemps kan bij mij geen kwaad meer doen. Laat hem maar lekker hossen van links naar rechts en van rechts naar links. Ook als hij daar zo bezig is, zal ik blijven zien hoe hij troostend zijn arm om de schouder van Mattijs van Nieuwkerk legde. 

alle rechten voorbehouden © gerard tonen 2021